05-04-17

Hugo Claus, Martin Reints, Vítězslav Hálek, Algernon Swinburne, Bora Ćosić,, Werner J. Egli, Mieke van Zonneveld, Michael Georg Conrad, Marente de Moor

 

De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook alle tags voor Hugo Claus op dit blog.

Uit:Het verdriet van België

‘‘Staan er fouten in?’
‘Met de beste wil van de wereld… nee, geen fout te ontwaren.’
‘Maar moet de datum van uw voordracht er…’
‘Godverdomme, natuurlijk, dedju, dat hadden wij bijna… dedju!...’
Hij ging aan tafel zitten, het kleed had overal brandgaatjes, hij hijgde alsof hij de 500 meter had gelopen. Maurice zei nooit wat, dus nu ook niet, maar hij was wel onder de indruk.
‘Zet u, zet u.’
‘Derangeren wij u niet?’
‘Jongeman, ik heb de hele nacht gewrocht, een zekere verpozing is me zeker toegestaan. Alhoewel… verpozen… als dat zou kunnen… is de grondtoon van de mens niet het irrequietum?’ Gelukkig wachtte hij niet op een antwoord, hij blies felle rookwalmen in Maurice’s snufferd.
‘Ik zou u met genoegen enkele passages voorlezen uit het derde bedrijf van het stuk dat mij thans bezighoudt, een nogal nauwkeurige evocatie van Zannekin. Dokter Leevaert die een eminent kenner is van de veertiende eeuw verzekert mij dat ik de historische waarheid geen geweld aan doe, maar, jongens, ik ben óp. Alhoewel ik me realiseer dat gij, de jeugd van Vlaanderen, er alle belang bij zoudt hebben kennis te nemen van mijn kijk op ons verleden. Gij leest toch boeken, ik bedoel, naast uw verplichte schoollectuur?’
Zij knikten beiden gedwee. Maurice zat ongemakkelijk te draaien op zijn stoel, moest waarschijnlijk plassen. Van de weeromstuit moest Louis ook ineens zeer dringend.
‘Help me onthouden dat ik u straks mijn Psalmen en Palinodieën moet meegeven, ge zult sommige hexameters beslist amusant vinden. En het is spijtig dat de uitgeverij de Kogge me deerlijk in de steek heeft gelaten, vanwege zogezegde papierschaarste, anders had ik u als primeur mijn Dood van Descartes kunnen overhandigen, vijf bedrijven, waarin ik, vanuit de Germaanse gedachte definitief afreken met het Latijnse quasi-geredeneer dat ons volk, via de Franse overheersing, zo lamentabel heeft verschraald, om niet te zeggen verdord.’

 

 
Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)

Lees meer...

05-04-16

Hugo Claus, Algernon Swinburne, Bora Ćosić, Werner J. Egli, Mieke van Zonneveld, Michael Georg Conrad, Arthur Hailey, Paolo Ferrari, Marente de Moor

 

De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook alle tags voor Hugo Claus op dit blog.

Uit:Het verdriet van België

“Met zijn door de Kei zo zijdelings fnuikend nonchalant aangevochten vriend Maurice de Potter (eerste in latijn en wiskunde, hoe kan het anders als je vier-vijf lessen leert vóór dat de klas er aan toe is en als je alles onthoudt?) belde Louis aan bij Marnix – Commissielid voor Herstelbetaling – de Puydt. Louis had de drukproef bij zich van een strooibiljet. In rondo cursief bovenaan in corps 8 tussen aanhalingstekens: ‘Mij worgt mijn wijdheid, ik stik van eindeloosheid, Cyriel Verschaeve.’ In het midden, in de gerekte Hidalgo met forse voet: Vlaanderen, werkelijkheid en oerbeeld. In de Egmont daaronder: Voordracht door de heer M. de Puydt, dichter en toneelauteur. Onderaan, in Rondo cursief corps 12: Ingang vrij. Zaal Groeninghe, Wannegem. De datum had Papa vergeten te noteren.
De dichter gleed hen vóór op de roodleren slofjes zonder hiel, hij knoopte de gevlochten ceintuur van zijn kamerjas goed vast, schikte zijn haar.
De eetkamer hing vol met portretten van bejaarden met baarden en brillen, zij leken op elkaar, weldoorvoed, borstelige wenkbrauwen, peinzend. Louis herkende Ernest Claes. En Stijn Streuvels uiteraard, die hing ook bij Papa in het atelier. (Want het geheim van Papa is dat hij Boer Vermeulen, de nukkige grimmige grijsaard uit De Vlaschaard, nadoet, die rots van boerentrots, doorploegd door de storm van het leven als een akker, enzovoort.)
‘Dat zijn allemaal Vlaamse Koppen, hé, Meneer de Puydt?’
‘Aan wie zegt ge het?’ Hij stak een stenen pijp tussen zijn natte smakkende lippen. ‘Ik heb gelukkig de gave van bewondering. In dit land bewondert men niet genoeg. Kenmerk van een klein land.
Daarom is de titel van Verschaeve zo verheffend, Uren Bewondering.’
Zijn kuiten waren haarloos en papierwit, de enkels hadden een violetachtige gloed. Hij hield de drukproef vlak tegen zijn neus.
‘Uitstekende arbeid, uw vader is een begenadigd artiest, in de lijn van onze grote drukkers die helaas in onze rampzalige Spaanse tijd naar Holland zijn getrokken.’

 

 
Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)
Scene uit de gelijknamige tv-miniserie uit 1995

Lees meer...

05-04-15

Hugo Claus, Mieke van Zonneveld, Algernon Swinburne, Bora Ćosić, Werner J. Egli, Michael Georg Conrad, Arthur Hailey, Paolo Ferrari

 

De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook alle tags voor Hugo Claus op dit blog.

 

Verdwaald liedje

De mens dat arme beest
hij is er en hij is er geweest
Hij rent door alle landen
tot hij geen asem heeft
En als hij neervalt is hij bang
en bidt en blaft en beeft

Daarom heeft hij de goden uitgevonden
daarom heeft hij torens opgericht
waar de goden mogen wonen
in een eeuwig licht

De mens dat arme beest
dat vraagt en vrijt en vreest
in de schaduw van de torens
En ik ben de kleine bruid
van het goede en het broze
Ik maai het onkuid
en ik maai de rozen

Ik hoor de mensen dromen
Amaai zijn dat seringen die ik ruik
of groeit het gras al op mijn buik?

En ik, godin van de nacht
omhels het jonge kind en de oude kraai
zeer zacht onder de torens
amaai amaai amaai.

 

 

Zomer

Ineens die drie maanden
met alleen maar droogte.

De cipressen met hun rosse borstels.
De witte schorpioen zonder venijn.

Een zomer van verbrand papier.
De natuur blijft snateren
terwijl ik rot.

Toen kwam jij
en sindsdien kom ik
handen en ogen tekort
met mijn mond vol tanden.

 

 

Een slakkenspoor

Een slakkenspoor. Meer is er niet om te vertellen
dan dat ik langs gekomen ben, een woensdag.
Je hoeft jezelf niet te vergeten,
men vergeet voor jou.

En toch: zo donker als het in mijn varens was,
zo wit als ik ooit de zee heb gezien,
zo laf als ik stierf en zo vaak
kan er niet een geweest zijn.
Zag je mij dan niet?

Wie hoest? Het is mijn keel, niets anders.
Echt niet. - Jou heb ik nooit gezien.

 

 
Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)

Lees meer...

05-04-14

Hugo Claus, Algernon Swinburne, Bora Ćosić, Werner J. Egli, Michael Georg Conrad, Arthur Hailey, Paolo Ferrari

 

De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook alle tags voor Hugo Claus op dit blog.

 

Ansichtkaart

Lief, ik zit aan de oever van de Taag
te zingen. Het is hier vrij goed toeven.
Alsof de meeste dingen niet meer hoeven.
Althans niet meer vandaag.
Wel verga ik hier van de schrik, o,
vraag me niet waarvoor, voor
het riet langs de stroom of voor
de gemelijke geest van El Greco.
Wat doe ik hier? Ik eet boekweit
en af en toe een varkensnier.
Mijn Spaans verdriet raak ik voorlopig niet
in jou of in een boek kwijt.

 

 

Om jou

Het kind wurgt een kauw
Vingers zijn er om te graaien
Het puin glinstert van de dauw
Het duin staat in lichtelaaie
De uren jagen op elkaar
De dagen korten in elk seizoen
De weken halen elkaar in
De maanden verwelken
Het jaar is minder dan een vlinder
Minder dan de spin die 's avonds
Hoop geeft en 's ochtends rouw

Alom dit alles alleen om jou.

 

 

De aarde danst op haar wolken

De aarde danst op haar wolken
met het geroezemoes van de middenstand
Ultragolven bereiken mij niet meer
ook niet die van het erbarmen.

Kan een gedicht denken?
In welke zin?
De aarde is er
voor het koesteren van klei, voor
het boetseren van gedachten
Kijk in mijn ogen!
Blijf niet wachten en verachten!

Door louter makelij
Kan de dichter zijn vel redden.

Het vers zwelt, bloeit, spat

 

 
Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)
Rond 1955

Lees meer...

05-04-13

Hugo Claus, Algernon Swinburne, Bora Ćosić, Werner J. Egli, Michael Georg Conrad, Arthur Hailey, Paolo Ferrari

 

De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook alle tags voor Hugo Claus op dit blog.

 

Uit: The Sorrow Of Belgium (Vertaald door Arnold J. Pomerans)

 

"It was sister Imelda who was sitting in Louis's room, because although her face had been replaced by a featureless, pumicelike tumor, he recognized her peasant bosom, her smell of nature. She spread her knees, and from between the black billows she carefully pulled a skinned rabbit, or was it a cat? Unfortunately he couldn't see the skull properly, she stroked the naked, blood-spattered carcass to which tufts of fur still clung, the pupils were not slit-shaped but round, like little pink pills.

He was woken by the siren, the antiaircraft guns and Papa calling him. Papa always called him, vigilant watchman of the night, even though he knew that Louis would still not follow him and Mama down to the air raid shelter with its crowds of quaking, praying neighbors."

(…)

 

“He was sitting on a train, and for the first time in his life it occurred to him that a train, more so than the idea of a train, was a box so many feet high, so many feet long, so many feet wide, a fragile, futile, and above all simple thing on wheels. I could touch the ceiling of this carriage – who would have thought it? Only a moment ago I was in the playground, in the shadow of my grandfather, who is now lying on his deathbed.”

(…)

 

“My brother died in a concentration camp,” said Louis. “He was an intellectual working for the Underground, and he never tasted the fruits of his clandestine labours.”

“Is this entry about his experience?”

“His own experience, yes, of course.”

“Het Laatste Nieuws would certainly be interested in that.”

“It doesn’t deal directly with the concentration camp. It’s rather…”

“Which concentration camp?”

“…symbolic. Uh, Neuengamme.” (I’ll be struck down for that. Till the blood runs. Terminal cancer. Starting with the intestines. Then it spreads all over.)

“It’s a good subject. The Belgian people are going to have to learn the facts. From the source.”

“He handed me the text before he was taken away. In a cattle truck. ‘Take good care of it, Louis,’ he said.”

“I thought his name was Louis.”

“He asked me to adopt his name. So as to save his life’s work after his death, to continue it. My real name is Maurice.”

 

 

Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)

Lees meer...

05-04-12

Nicolaas Beets, Hugo Claus, Algernon Swinburne, Bora Ćosić

 

Bij Witte Donderdag



Het Laatste Avondmaal door Peter Paul Rubens, 1630-1632

 

 

Het laatste avondmaal

Mark. XIV v. 22-24.

 

Toen hij zijn bijzijn was ontvloden,

Wien Jezus, in den laatsten nacht,

De bittre bete had geboden.

Die al zijn bloed aan 't gisten bracht;

Toen Judas, om, naar 't woord des Heeren,

Met haast te doen hetgeen hij deed,

Zijn heilig aangezicht vermeed,

Om met dien kus terug te keeren!

 

Toen de ijslijke ure was gekomen,

Waarin de kampstrijd aan zou gaan,

Werd op zijn wezen niets vernomen.

Dat angst of droef heid kon verraân;

Hij zag in wat Hij zou beginnen,

In ieder foltring Hem bereid,

Al zijn aanstaande heerlijkheid,

En in zijn strijden 't overwinnen.

 

Nog eens tot de Elve dan gesproken,

Van liefde en eendracht, moed en trouw!

Toen heeft Hij plechtig 't brood gebroken,

Daar elk van hen van eten zou.

Toen heeft Hij, aan dien heilgen dissche,

Den laatsten beker om doen gaan,

Zoo als 't nog heden wordt gedaan,

Ter maaltijd der gedachtenisse.

 

O Beeldspraak van de felste smart:

Gebroken brood, vergoten wijn!

Moet gij voor mijn geloovig harte

Van 's Heilands dood de teeknen zijn!

Gewis; zijn lichaam werd verbroken,

Om mij te redden van 't verderf,

Zijn hand doorgriefd, zijn zij' doorstoken,

Opdat ik Gods gena verwerf.

 

Als ik 't gebroken brood dan ete,

En proeve den vergoten wijn,

Mijn Heiland! dat ik nooit vergete

Hoe veel en groot mijn zonden zijn!

Opdat ik voor mijzelf mij schame,

Maar, overtuigd van Gods gena,

Van uw gewijde tafel ga,

Op nieuw versterkt in uwen name.

 

 

 

Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)

De theekoepel in Arendshof, waar Beets zijn verzen voorlas

Lees meer...

05-04-11

Hugo Claus, Algernon Swinburne, Bora Ćosić

 

De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook mijn blog van 5 april 2007 , mijn blog van 19 maart 2008 mijn blog van 5 april 2008. en ook mijn blog van 20 maart 2009. en mijn blog van 5 april 2009 en mijn blog van 20 maart 2010 en ook mijn blog van 5 april 2010.

 

Uit: Het verdriet van België

 

Wij gaan ons moeten schikken,’ zei Bomama.
‘Wij hebben ons altijd moeten schikken. Wij hebben niets anders gedaan in onze vaderlandse geschiedenis!’
‘Ja, maar voor het eerst zijn we onder Germanen. Van dezelfde stam, onder elkaar.’
‘Wij zijn daar vet mee. Als ik iemand bezig hoor over “onder elkaar”, dan weet ik hoe laat het is.’
‘Hitler doet toch zijn best om de Vlaamse krijgsgevangenen eerder naar huis te sturen dan de Waalse. Hij ziet dus klaar in onze Vlaamse toestand, hij is op de hoogte dat we eeuwenlang uitgezogen geweest zijn.”

(...)

“Er zal nooit iets uit dat Vlaanderen van ons komen zolang we niet met zijn allen de dood onder ogen durven zien. Zolang we dat benauwde risicoloze laffe systeem van eigenbelangen de bovenhand laten krijgen. Het is maar op het terrein dat ge dat inziet. Daar en niet elders. Dat ge inziet dat ge als Vlaming de Duitse broeders niet alleen kunt laten vechten.”

(...)

“Het verdriet van België, dat zijt gij,’ zei Meerke en hapte naar adem met een rauw snurkje. Toen hoorde hij met zijn eigen flaporen Tante Violet binnensmonds vloeken. ‘Godverdegodver, rotte smeerlap, die in mijn sacoche zit, in mijn foto’s en in mijn brieven zit te snuffelen!’
(Haar sacoche! Weer moest hij grinniken en gieren van binnen, want Vlieghe zei het vlakbij in de verre monotone begraven mufstinkende tijd van dat ander Vrouwenhuis in Haarbeke, ‘Gij hebt in haar sacoche gezeten’ en bedoelde de handtas van vel en vlees en haar dat tussen vrouwenbenen zit.)” (...)

“Hij werd wakker met een korst in zijn neusgaten. Hij pulkte. Begon aan een nieuw schrift. Mama was nog zo stom niet toen ze vroeg of zijn verhaal over het Gesticht van Haarbeke ging. Gejaagd als Papa, koud als Peter tijdens zijn leven (en zeker nu, grijnsde Louis) schreef hij: ‘Dondeyne had een van de zeven Verboden Boeken onder zijn schort verstopt en mij meegelokt.’ Hij schrapte het woordje ‘mij’ en verving het door ‘Louis’.”

 

Hugo Claus, Algernon Swinburne, Bora Ćosić, Romenu

Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)

 

Lees meer...

05-04-10

W. B. Yeats, Hugo Claus, Algernon Swinburne, Michael Conrad, Arthur Hailey, Paolo Ferrari, Bora Ćosić, Werner J. Egli



Alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen!

 

 

 

RussischVerrijzenis
Verrijzenis, Russisch Icoon, 18e eeuw

 

 

Easter, 1916

 

I HAVE met them at close of day

Coming with vivid faces

From counter or desk among grey

Eighteenth-century houses.

I have passed with a nod of the head

Or polite meaningless words,

Or have lingered awhile and said

Polite meaningless words,

And thought before I had done

Of a mocking tale or a gibe

To please a companion

Around the fire at the club,

Being certain that they and I

But lived where motley is worn:

All changed, changed utterly:

A terrible beauty is born.

 

That woman's days were spent

In ignorant good-will,

Her nights in argument

Until her voice grew shrill.

What voice more sweet than hers

When, young and beautiful,

She rode to harriers?

This man had kept a school

And rode our winged horse;

This other his helper and friend

Was coming into his force;

He might have won fame in the end,

So sensitive his nature seemed,

So daring and sweet his thought.

This other man I had dreamed

A drunken, vainglorious lout.

He had done most bitter wrong

To some who are near my heart,

Yet I number him in the song;

He, too, has resigned his part

In the casual comedy;

He, too, has been changed in his turn,

Transformed utterly:

A terrible beauty is born.

 

Hearts with one purpose alone

Through summer and winter seem

Enchanted to a stone

To trouble the living stream.

The horse that comes from the road.

The rider, the birds that range

From cloud to tumbling cloud,

Minute by minute they change;

A shadow of cloud on the stream

Changes minute by minute;

A horse-hoof slides on the brim,

And a horse plashes within it;

The long-legged moor-hens dive,

And hens to moor-cocks call;

Minute by minute they live:

The stone's in the midst of all.

 

Too long a sacrifice

Can make a stone of the heart.

O when may it suffice?

That is Heaven's part, our part

To murmur name upon name,

As a mother names her child

When sleep at last has come

On limbs that had run wild.

What is it but nightfall?

No, no, not night but death;

Was it needless death after all?

For England may keep faith

For all that is done and said.

We know their dream; enough

To know they dreamed and are dead;

And what if excess of love

Bewildered them till they died?

I write it out in a verse -

MacDonagh and MacBride

And Connolly and Pearse

Now and in time to be,

Wherever green is worn,

Are changed, changed utterly:

A terrible beauty is born.

 

 

 

W. B. Yeats

 

 

 

 

JYeats_WBYeats

W. B. Yeats (13 juni 1865 – 28 januari 1939)

 

 

 

 

 

De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook mijn blog van 5 april 2007 , mijn blog van 19 maart 2008 mijn blog van 5 april 2008. en ook mijn blog van 20 maart 2009. en mijn blog van 5 april 2009.

 

 

 

ENVOI

 

Mijn verzen staan nog wat te gapen.

Ik word dit nooit gewoon. Zij hebben hier lang

genoeg gewoond.

Genoeg. Ik stuur ze ’t huis uit. ik wil niet wachten

tot hun tenen koud zijn.

Ongehinderd door hun onhelder misbaar 

wil ik het gegons van de zon horen

of dat van mijn hart, die verraderlijke spons die verhardt.

 

Mijn verzen neuken niet klassiek,

zij brabbelen ordinair of brallen al te nobel.

In de winter springen hun lippen,

in de lente liggen zij plat bij de eerste warmte, 

zij verzieken mijn zomer

en in de herfst ruiken zij naar vrouwen.

 

Genoeg. Nog twaalf regels lang op dit blad 

hou ik ze de hand boven het hoofd

en dan krijgen zij een schop in hun gat.

Ga elders drammen, rijmen van een cent,

elders beven voor twaalf lezers

en een snurkende recensent.

 

Ga nu, verzen, op jullie lichte voeten, 

jullie hebben niet hard getrapt op de oude aarde

waar de graven lachen als zij hun gasten zien, 

het ene lijk gestapeld op het andere.

Ga nu en wankel naar haar

die ik niet ken.

 

 

 

 

In Flanders fields

 

De grond is hier het vetst.

Zelfs na al die jaren zonder mest

zou je hier een dodenprei kunnen kweken

die alle markten tart.

 

De Engelse veteranen worden schaars.

Elk jaar wijzen zij aan hun schaarse vrienden:

Hill Sixty, Hill Sixty One, Poelkapelle.

 

In Flanders Fields rijden de maaldorsers

steeds dichtere kringen rond de kronkelgangen

van verharde zandzakken, de darmen van de dood.

 

De boter van de streek

smaakt naar klaprozen.

 

 

 

 

 

Op Thomas zijn vierde verjaardag

 

Later, mijn jongetje, word je een man,
Later reikhals je als een giraffe naar het hoe en het waarom.
Men zal je stempelen als bagage.
Men zal je kwetsen om je wens en je droom.
En jij zal trachten eens en voorgoed te fotograferen
het hoe en waarom van de vrouw
die kantelt in je lakens
die zingt naarmate je ontdubbelt in haar vel.
En nog later, jongetje, wordt
je leven een plakboek.
Maar nog lange niet, nog lange niet.

 

 

 

 

 

 

claus_gent_bridge
Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)

Hugo Claus in Gent. 1958

 

 

 

 

De Engelse schrijver en dichter Algernon Charles Swinburne werd geboren op 5 april 1837 in Londen. Zie ook mijn blog van 5 april 2007 en ook mijn blog van 5 april 2008  en ook mijn blog van 5 april 2009.

 

 

Envoi 

 

Fly, white butterflies, out to sea,

Frail pale wings for the winds to try,

Small white wings that we scarce can see

Fly.

 

Here and there may a chance-caught eye

Note in a score of you twain or three

Brighter or darker of tinge or dye.

 

Some fly light as a laugh of glee,

Some fly soft as a low long sigh:

All to the haven where each would be

Fly.

 

 

 

Benediction 

 

Blest in death and life beyond man's guessing

Little children live and die, possest

Still of grace that keeps them past expressing

Blest.

 

Each least chirp that rings from every nest,

Each least touch of flower-soft fingers pressing

Aught that yearns and trembles to be prest,

 

Each least glance, gives gifts of grace, redressing

Grief's worst wrongs: each mother's nurturing breast

Feeds a flower of bliss, beyond all blessing

Blest.

 

 

Love and Sleep

Lying asleep between the strokes of night
I saw my love lean over my sad bed,
Pale as the duskiest lily's leaf or head,
Smooth-skinned and dark, with bare throat made to bite,
Too wan for blushing and too warm for white,
But perfect-coloured without white or red.
And her lips opened amorously, and said -
I wist not what, saving one word - Delight.

And all her face was honey to my mouth,
And all her body pasture to mine eyes;
The long lithe arms and hotter hands than fire
The quivering flanks, hair smelling of the south,
The bright light feet, the splendid supple thighs
And glittering eyelids of my soul's desire.

 

 

 

 

Algernon_Charles_Swinburne_sketch

Algernon Swinburne (5 april 1837 – 10 april 1909)

Getekend door Dante Gabriel Rossetti, 1860

 

 

 

 

De Servische dichter en schrijver Bora Ćosić werd geboren op 5 april 1932 in Zagreb. Zie ook mijn blog van 5 april 2007 en ook mijn blog van 5 april 2008

 

Uit: Vogelklasse (Vertaald door Katharina Wolf-Grießhaber)

 

Als wäre diese Klasse das Ergebnis irgendeiner Razzia. Bei der meine Generation auf der Straße aufgegriffen und in diesen einer Polizeiwache ähnlichen Raumgebracht worden wäre. Dort dauert die Befragung über unsere persönlichen Daten und unser vorheriges Leben an, als stünden wir unter dem

Verdacht, in einer terroristischen Vereinigung mitzumischen.

Das tun wir natürlich, wie alle anderen Leute, die möglicherweise beschuldigt werden müssen, die Zersetzung des Lebens, vor allem des eigenen, vorzubereiten. Dann sehen wir einander an den ersten Tagen dieses Ereignisses sehr vorsichtig an, geradeso wie sich Leute, zusammengedrängt in einem Polizeiauto, zusammen aufgelesen aufgrund des Zufalls, daß sie an derselben Straßenecke

gewesen sind, betrachten. Das verläßt mich auch später nicht, weil ich meine „Kollegen“ in jenem Raum nicht als mir nahestehende Menschen ansehe, in nichts. Darin bin ich bis ans Ende hart geblieben und habe mich gegen jede Nähe zu mir unsympathischen und in jeder Frage widerwärtigen Personen gewehrt, deren widerwärtiges und unsympathisches Wesen der Umstand, daß wir unsere Zeit in unmittelbarer Nähe zueinander verbracht haben, nicht beseitigt hat. Ich habe diese kleinen Leute nicht als meine Leute akzeptiert, sondern sie sind mir fremd vorgekommen. Hätte ich die Rolle eines düsteren Russen übernommen, der einem Mädchen aus der Provinz schreibt, hätte ich wie er geschrieben, daß ich unter fremden Menschen bin, die mich nicht interessieren und die mir auf die Nerven gehen.

Denen gegenüber ich nicht einmal das Mitgefühl habe, das die Leute für ihren Leidensgenossen bei dieser Polizeirazzia oder in irgendeinem unglücklichen Verbanntenschiff empfinden.Und so habe ich sie abwesend und dumpf beobachtet, aber das hat ein unangenehmes Gefühl bei diesen Zwergen hervorgerufen, was mich jahrelang begleitet hat. Deshalb habe ich ein klein wenig Nähe eher zu unseren „Wiederholern“ empfunden, wie der Mensch, der sich mit anderen in einer Zelle befindet, doch Respekt hat vor Personen, vor dort angetroffenen mit einer gewissen Erfahrung in diesem Zellenunglück, während diejenigen, die mit mir gekommen waren, genausowenig wie ich selbst

wußten, was sie mit sich anfangen sollten und wie sie ihren Körper und ihre Seele dort unterbringen sollten. Ich empfinde von jeher Abscheu vorNeulingen, obwohl ich mich selbst manchmal unter ihnen befunden habe.“

 

 

 

Cosic
Bora Ćosić (Zagreb, 5 april 1932)

 

 

 

 

Zie voor de drie onderstaande schrijvers ook mijn blog van 5 april 2009.

 

 

De Duitse schrijver Michael Georg Conrad werd geboren op 5 april 1846 in Gnodstadt. Zie ook mijn blog van 5 april 2007 en ook mijn blog van 5 april 2008

 

Uit: Majestät

 

Der König hatte sich seit Tagen nicht mehr vom Bett erhoben. Er war krank von der Reise heimgekommen.

Wer sein Wesen kannte, wußte, daß es ein Schlimmes sein mußte, das ihn danieder hielt. Ganz fein empfindende Zuschauer, mit sicherer Witterung in tiefen Seelengründen – gewöhnlich gibt's die nicht unter den Hofleuten – hätten deutliche Zeichen gehabt, daß seit langem nur noch Lebensschein vorhanden, Nachglanz eines verflackerten Lichts.

Nun lag der König wirklich im Sterben. Selbst die stumpfesten Oberflächenmenschen begannen es zu merken, daß es wie Sensenschwingen unheimlich über dem Bette des Königs leuchte.

Eigentlich hatte es nichts von einem Kampf, nichts von heroischem Ringen um den letzten Rest eines Königslebens. Auf keiner Seite stand ein Held. Der herrische Tod hatte es nicht auf ein großes Kampfspiel mit diesem schlichten, geduldigen König angelegt. Ein geringer Leib, ohne heftige Lebensinstinkte, ohne starke Säfte und Triebe – ein verarmtes Blut.

Eine tückisch schleichende Krankheit, die schon früh eingesetzt, diskret, mit einer gewissen höfischen Verbindlichkeit in der Verschleierung der mörderischen Absicht. Das waren die Partner.

Die Seele des Königs wußte wenig dreinzureden. Sie war von je zur Friedfertigkeit gestimmt und nicht auf Gewaltsamkeiten eingeübt. Sie war allerwege für konstitutionelle Ordnung und gestattete sich keine persönlichen Übergriffe.

Was sie in diesem Falle auch gesagt hätte, es wäre für den Ausgang so belanglos gewesen, wie die Praktiken der Heilkünstler und die wortreichen, schön gesetzten Wundergebete der Priester. Ein mittlerer Wille, der nie auf hohe Lebenspolitik im Heldenmaß lossteuerte, eine verschüchterte Daseinskraft lag von der Krankheit hingestreckt und atmete sich aus in kurzen, zaghaften Zügen. Was dem Vorgange des Ablebens seinen besonderen Stempel gab, war die Auffassung, daß der Sterbende einen König darstellte, einen verfassungsmäßigen Monarchen über ein kleines altes Reich, das in gewohnter Treue zu seinem Fürstenhause hielt und diesem König vor allen seine Sympathien widmete als einem braven, rechtlichen Manne, der nie die bürgerliche Sitte gekränkt, nie der untertänigen Gesinnung eine schwere Stunde bereitet.“

 

 

 

michael_conrad
Michael Conrad (5 april 1846 – 20 december 1927)

 

 

 

 

De  een Brits-Canadees schrijver Arthur Hailey werd geboren in Luton, Bedfordshire, op 5 april 1920.

 

Uit: Airport

 

„An airliner in a terminal was like a dependent relative, subject to the whims and succor of its family. Such life as it had was never independent. Its identiy was blurred; supply lines hobbled it; strangers, who would never join its airborne component, moved in and out.
But when the doors were sealed as the airplane prepared for takeoff, it became once more an entity. Crew members were most keenly aware of the change; they were returned to the familiar, self-contained environment in which they could function with skill and independence for which they had been trained. No one impeded them; nothing was underfoot, except what they were used to and at home with. Their tools and equipment were the finest; their resources and limitations were inventoried and known. Self-reliance returned. The camaraderie of the air - intangible, yet read to all who shared it - was theirs once more.
Even passengers - the more sensitive ones - were attuned to a mental transformation and, once in the air, awareness of the change increased. At high altitude, looking down, concerns of the everyday world seemed less important. Some, more analytical than others, saw the new perspective as a shedding of the pettiness of the earth.“

 

 

 

arthur_hailey
Arthur Hailey (5 april 1920 - 24 november 2004)

 

 

 

 

De Italiaanse blijspeldichter Paolo Ferrari werd geboren op 5 april 1822 in Modena.

 

Uit: Methods of Making a Living (Signor Lorenzo)

 

Ger.  Then you have some pension or allowance?

Gian.  None.

Ger.  None?

Gian.  Yours to command. All I can do is to manufacture bad verse, and I have a certain fluency of tongue, and that is how I make my way. But there are no dramas, no tragedies. Comedy — it’s all comedy — funny, you know.

Ger.  Well, but what do you do for a living? Pardon me if I am indiscreet.

Gian.  Quite the contrary, let me assure you! I go about it in this way: I have divided the city into twelve districts, or sections, whichever you like to call them. Each month I travel one of my districts. This month it happens to be this one.

Ger.  Not very rich, this section! Noen but poor people live here.

Gian.  At your service, madam.

Gior.  The rich people are less charitable than the poor.

Gian.  Very true. What a pity that it’s the poor people who are not rich! But they have an advantage — they are not so suspicious; and another — they don’t let you wait about in the hall; you go straight in. In the houses of the wealthy it’s maddening: porters, butlers, servants — everybody used to judging one by one’s appearance.

Ger.  And to showing one the door without ceremony.

Gian.  Yours to command.

Ger.  But tell me what you do.

Gian.  I have several systems. One is to provide poetry. Supposing, for instance, there is a wedding, or a new graduate, or a dancer who has made a tremendous hit, or a celebrated preacher, or a newly elected deputy. I have a sonnet that suits them all. It is sufficient to change the last triplet. I have six variations made up for that triplet. It is a six-barreled-revolver sonnet, and can be shot off six times. Now, observe. Both the quatrains consist of philosophical reflections on the sorrows and joys of life; they answer very well for anybody. In the first triplet I come down to particulars. “And thou!” I begin, without mentioning names. “Thou,” may belong to any sex or condition: “thou” is equally good for a man and a woman, for old people and young, for a nobleman or a shopkeeper.“

 

 

 

Paolo_Ferrari

Paolo Ferrari (5 april 1822 – 9 maart 1889)

 

 

 

 

De Zwitserse schrijver Werner J. Egli werd geboren in Luzern op 5 april 1943. Zie ook mijn blog van 5 april 2008

 

Uit: Der letzte Kampf des Tigers

 

Ich schrak aus dem Tiefschlaf, als der Schuss krachte. Im ersten Moment wusste ich gar nicht, was geschehen war. Wie versteinert saß ich in meinem Schlafsack. Erst nach einigen Sekunden wurde mir klar, dass es ein Schuss gewesen war, den ich gehört hatte. In den Widerhall des Schusses fiel das wütende Gebell Laikas. Da realisierte ich, dass ich allein im Zelt war. Kein Wladimir, der schnarchend neben mir lag. Keine Laika.

Draußen schien die Hölle los zu sein. Ich packte das Gewehr meines Vaters und stürzte aus dem Zelt. Nicht weit entfernt jagte Laika kläffend durch den Wald. Dann sah ich den Tiger.

Er hatte Wladimir mit seinen Reißzähnen gepackt und schleifte ihn einen leicht ansteigenden Hang hinauf, der mit Ulmen und Pappeln bewaldet war. Im Mondlicht konnte ich ihn ziemlich gut sehen, obwohl die Bäume lange Schatten in den Schnee warfen.

Ich sah auch, dass Wladimir sich wehrte und sich loszureißen versuchte, aber der Tiger schleuderte ihn mit einer schnellen, ruckartigen Bewegung des Kopfes herum und versetzte ihm gleichzeitig einen gewaltigen Prankenhieb. Ich riss das Gewehr an die Schulter, legte auf den Tiger an, aber noch bevor ich meinen Finger an den Abzug legte, wusste ich, dass ich nicht auf den Tiger schießen durfte, weil meine Kugel den alten Wildhüter hätte treffen können. So schoss ich in die Luft.“

 

 

 

Egli
Werner J. Egli (Luzern, 5 april 1943)

 

05-04-09

Hugo Claus, Algernon Swinburne, Michael Conrad, Arthur Hailey, Paolo Ferrari, Bora Ćosić, Werner J. Egli


De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929. Zie ook mijn blog van 5 april 2007 , mijn blog van 19 maart 2008 ,  mijn blog van 5 april 2008. en ook mijn blog van 20 maart 2009.

 

 

 

Sonnet XIV

 

Als dan het koperen keteltje vol as

van wat ik was wordt leeggeschud

over het geduldig gras,

mijn lief, sta daar niet voor schut

 

en veeg de rimmel van je wangen.

Denk aan de vingers die deze regels schreven

in onze tijd van verlangen

en die je streelden tijdens hun leven.

 

En lach om wat ik was onder meer

het gesnurk in de bioscoop,

de onderbroek die steeds afzakte,

 

de debiele grap en de logge loop

naar jou keer op keer

toen ik je nu warme weelde pakte.

 

 

 

 

Ulysses

 

Te veel gevechten heb ik gezien,

te veel gejank van vrijers gehoord,

ik ben altijd te ver gereisd.

 

Een kijkdoos heeft mijn oog vervangen,

Een bromtol mijn oor.

 

Te veel modder,

te veel krengen er in.

Te veel vreugde.

 

Ik verberg mij nu tussen de minnaars,

die bedelaars.

 

 

 

 

 

Rendez-vous

 

De wanhoop met hoge hoed en wit gilet en streepjesbroek

Heb ik daareven ontmoet en niet gegroet

Bij elke nieuwe ontmoeting houdt hij zijn schrammen achter

Maar vroeg of later haalt hij zijn schade in

 

Maar ik lach die arme Mevrouw Vroeg-of-Later vierkant uit

Want

Nu

Zijn van alle vogels vrij de kinderen van de zomer losgelaten

Het gras beweegt het land in duizend vouwen ligt gereed

De straten deinen

En de trams vol wind zijn alle pijpen uit

En ik noem je mijn bruid van dertien jaar

Mijn adem aan de ruit mijn boot mijn kapersbuit

Ik roep je aan en knoop over de huizen en de steden

En de vogelschrikken heen

Nieuwe valstrikken in je gele haar

En jij je laat begaan

 

Een dezer dagen zal ik aan het Zuidpark

weer uitgeplunderd voor je staan

Wij zullen samen de trappen afdalen

Verblijd de stenen leeuwen strelen

Zeer luid lachen als wij hen zien

Mijnheer de Wanhoop en Mevrouw Vroeg-of-Later

 

En als zij naderen (want Zij zullen naderen)

Zullen wij Hen met nieuwe heftige gebaren bezweren.

 

 

 

 

 

Hugo_Claus
Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver en dichter Algernon Charles Swinburne werd geboren op 5 april 1837 in Londen. Zie ook mijn blog van 5 april 2007 en ook mijn blog van 5 april 2008.

 

 

Hermaphroditus

I.
LIFT up thy lips, turn round, look back for love,
Blind love that comes by night and casts out rest;
Of all things tired thy lips look weariest,
Save the long smile that they are wearied of.
Ah sweet, albeit no love be sweet enough,
Choose of two loves and cleave unto the best;
Two loves at either blossom of thy breast
Strive until one be under and one above.
Their breath is fire upon the amorous air,
Fire in thine eyes and where thy lips suspire:
And whosoever hath seen thee, being so fair,
Two things turn all his life and blood to fire;
A strong desire begot on great despair,
A great despair cast out by strong desire.

 

 

 

 

Swinburne
Algernon Swinburne (5 april 1837 – 10 april 1909)

Geschilderd door William Bell Scott

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Michael Georg Conrad werd geboren op 5 april 1846 in Gnodstadt. Zie ook mijn blog van 5 april 2007.

 

Uit: Die bayrische Königstragödie im Bürgerhause

 

Die Abendmahlzeit war still beendet worden; der große eichene Tisch wurde abgeräumt, das Fenster mit den Butzenscheiben im Erker der altdeutschen Speisestube geöffnet, damit erfrischende Luft hereinströme und das Gemach vom letzten Dunst der Speisen reinige. An der dunkeln getäfelten Decke zuckten die Flammen des Lüsterweibchens. Draußen rauschte die Isar und der Regen strömte wie eine Sündflut hernieder, klatschte auf die wildwogenden Gebirgswasser und erfüllte die Straße mit grauen Pfützen. Von der Mariahilfkirche in der Au klangen die Abendglocken herüber, so verweint, so tieftraurig wie ein grauzerwühltes Chopin'sches Notturno...

Schweigend hatte sich die Familie mit den Gästen aus der Provinz, dem fränkischen Deputierten, einem alten Freund des Hauses, dem Schwiegersohne, einem Nürnberger Fabrikanten, dem jugendlichen Reallehrer, einem hoffnungsvollen Verehrer der einzigen Tochter des Hauses, der schönen, blonden, achtzehnjährigen Elsa, ihres Zeichens Musikschülerin - in den Salon zurückgezogen, den nur eine schwere Draperie von der altdeutschen Speisestube trennte. Bloß der Großvater, jetzt noch eine hohe, rüstige Gestalt, einst betriebsamer Bierbrauer von außerordentlicher Geschäftstüchtigkeit, war in der Speisestube zurückgeblieben, um in seinem ledergepolsterten Armstuhle sein gewohntes Dämmerstündchen zu verträumen.“

 

 

 

 

conrad
Michael Conrad (5 april 1846 – 20 december 1927)

 

 

 

 

 

De  een Brits-Canadees schrijver Arthur Hailey werd geboren in Luton, Bedfordshire, op 5 april 1920. Hij is bekend geworden van zijn boeken Airport en Hotel, die later verfilmd werden. Zijn boeken werden in meer dan 40 landen uitgebracht en wereldwijd werden er meer dan 170 miljoen exemplaren verkocht. In de Tweede Wereldoorlog was hij piloot bij de RAF. Na de oorlog emigreerde hij naar Canada, waar hij ging wonen in Toronto. Daar begon hij zijn carrière als schrijver. In 1959 verscheen zijn eerste boek The Final Diagnosis.

 

Uit: Hotel

 

„If he had had his way, Peter McDermott thought, he would have fired the chief house detective long ago. But he had not had his way and now, once more, the obese ex-policeman was missing when he was needed most.

McDermott leaned down from his husky six-and-a-half feet and jiggled the desk telephone impatiently. "Fifteen things break loose at once," he told the girl by the window of the wide, broadloomed office, "and nobody can find him."

Christine Francis glanced at her wrist watch. It showed a few minutes before eleven P.M. "There's a bar on Baronne Street you might try."

Peter McDermott nodded. "The switchboard's checking Ogilvie's hangouts." He opened a desk drawer, took out cigarettes and offered them to Christine.

Coming forward, she accepted a cigarette and McDermott lit it, then did the same for himself. He watched as she inhaled.

Christine Francis had left her own smaller office in the St. Gregory Hotel executive suite a few minutes earlier. She had been working late and was on the point of going home when the light under the assistant general manager's door had drawn her in.

"Our Mr. Ogilvie makes his own rules," Christine said. "It's always been that way. On W. T.'s orders."

McDermott spoke briefly into the telephone, then waited again. "You're right," he acknowledged. "I tried to reorganize our tame detective force once, and my ears were properly pinned back."

 

 

 

 

hailey
Arthur Hailey (5 april 1920 - 24 november 2004)

 

 

 

 

De Italiaanse blijspeldichter Paolo Ferrari werd geboren op 5 april 1822 in Modena. Daar studeerde hij ook rechten, maar vooral geschiedenis en literatuur. In 1847 schreef Ferrari zijn eerste komedie "Il codicillo dello zio Venanzio". Andere volgden zoals "La donna e lo scettico" en "Il codicillo".

 

Uit: Methods of Making a Living (Signor Lorenzo)

 

Gior.  (making introduction).  My sister Gertrude. My friend Gianni Bartolomeo Senatori.

Gian.  Delighted!

Ger.  Very pleased! (To GIORGIO).  And what next?

Gior.  Oh, nothing! I must get the designs ready for my new machine. They are to be submitted to-day, and I must put all the papers and the drawings in proper order. (goes to a table, where he occupies himself in the manner named, making occasional notes).

Gian.  (To GERTRUDE.).  Yes, to be sure, I am an old friend of his, only we had not seen each other for an age. I find my dear Giorgio rather upset.

Gior.  I should like to know what I have to be cheerful about.

Gian.  You don’t believe in the proverb: “Heaven helps the cheerful man.”

Gior.  I don’t believe in Heaven! Besides, you have not yet proved ——

Gian.  How a living can be made? Indeed! Just consider my profession and my social position!

Ger.  (To GIANNI ).  Have you no employment/

Gian.  At your service, madam — none.

 

 

 

paoloFerrari
Paolo Ferrari (5 april 1822 – 9 maart 1889)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 5 april 2008.

 

De Servische dichter en schrijver Bora Ćosić werd geboren op 5 april 1932 in Zagreb. Zie ook mijn blog van 5 april 2007.

 

De Zwitserse schrijver Werner J. Egli werd geboren in Luzern op 5 april 1943.

 

 

 

05-04-07

Hugo Claus, Algernon Swinburne, Bora Ćosić, Michael Georg Conrad


Hugo Claus werd in Brugge geboren op 5 april 1929 als oudste zoon van de drukker Jozef (Joseph) Claus en Germaine Vanderlinden. Hugo bracht de grootste tijd van zijn jeugd op de kostschool door, onder meer te Eke en bij de nonnen in Aalbeke, en volgde de lagere cyclus van de Grieks-Latijnse humaniora aan het 'Koninklijk Atheneum' in Kortrijk en later te Astene. Tijdens de oorlogsjaren verwisselde hij de ene school voor de andere zonder het ergens echt goed te kunnen aarden. Al in 1946 verliet hij definitief het ouderlijk huis en ging hij in Sint-Martens-Leerne wonen, alwaar hij, naar verluidt, beeldhouwklas volgde aan de Gentse 'Academie voor Schone Kunsten'. Hij schreef gedichten, schilderde en had ambities om acteur te worden. Hij voorzag in zijn levensonderhoud als boekilllustrator, en met het schilderen van landschapjes en gevels, en publiceerde op achttienjarige leeftijd zijn eerste dichtbundel en een jaar later zijn eerste roman. In 1947, het jaar waarin hij debuteerde met de bundel experimentele poëzie Kleine reeks, werkte hij als seizoenarbeider in een suikerfabriek in Noord-Frankrijk. Vanaf 1 april 1949 vervulde hij zijn dienstplicht, deels als redacteur van het tijdschrift 'Soldatenpost'. Intussen had hij samen met enkele gelijkgezinden het avant-gardetijdschrift 'Tijd en Mens' gesticht en hield hij tevens in 1949 zijn eerste expositie als schilder in de boekhandel van de Franstalige dichter Henri Vandeputte in Oostende.

Zijn eerste roman De Metsiers (1950), geschreven toen hij pas 21 jaar oud was - en overigens om een weddenschap in ongeveer één maand tijd - werd een echt succes. (De Metsiers heette aanvankelijk De eendenjacht). Hij zond het manuscript in voor de Leo J. Krijnprijs en kreeg meteen een bekroning voor het gebruik van het meervoudige vertelperspectief. Toch vond hij zichzelf in de eerste plaats nog schilder, hoewel hij meteen werd erkend als een literair "wonderkind" kwamen er ook negatieve reacties over de inhoudelijke aspecten van het boek als incest en inteelt.

 

 

Dichter

 

Herfst. Hoor. Geknetter. Hoor je dat zwaar geratel?

Het nadert in onze kleren, in onze haren.

Luizen van geluid. Wat is dit melaats geprevel?

Kind, het zijn de dichters buiten die klappertanden.

 

Hoe dichter de dichters bij hun sterven geraken

Des te grimmiger kermen zij naar de sterren.

In de ochtendmist waarin hun beelden smelten

Bevriezen de dichters in een herkenbaar colbert.

 

Hoor hoe koortsig zij hun naderend vergaan verklaren

Want hun laatste gereutel moet doorzichtig zijn,

Hun weduwen van lezers doen snikken.

 

‘O, ons ego was te duister!’ klagen zij.

‘Dat vroeg de tijd, polyinterpretabel als wij!’

En kijk, zij kruipen uit de windsels van hun ziel,

De mond vol kroket en gebed om genade

Voor hun prostaat, hun plagiaat.

 

Ei op sterven na ontdekken de dichters plots

De bedarende mirakels van goden, aforismen,

Aspirines, tederheden. Voor het eerst kan hun lief

Iets van haar lief met haar lippen lezen.

 

En voordat de dichters, loze winterappels

Door de plukkers als ondermaats versmaad

Uiteindelijk ook vallen in november

Willen zij voor eeuwig voor de buren verstaanbaar

Vallen. In melkboerentaal, als ooft natuurlijk beurs.

Zij blijven bitter luisteren naar het gefrommel

Van de krant die hun naam verkeerd blijft spellen

En zij vullen hun kruiswoordraadsels in

Vol anekdotes, angst en struikelende liefdes.

 

Maar te laat, te doof, worden de dichters gewaar

Dat wat duister en bot was in hun verzen

Niet lichter wordt door sleet, door de duur,

Maar dat het blijft bederven. Ondoorgrondelijk

Blijven hun huis, hun woord, de evenaar, het azuur.

Hun stuurse donkerte blijft gemeen als geld

En als de dood zo vluchtig.

 

‘Maar apropos, jij zelf? Ja, jij! Vereerde jij ook niet

De splitsing, de gisting eerder dan het monument?

Zocht jij ook niet in elk motet een epitaaf?

Wrong jij niet een embleem uit elk letsel?

Vond jij je geblutste ik niet in elk bord zwezerik?’

 

‘Jawel. Nog overeind droom ik van het letterlijke.

Zeker. Tot het einde toe die muizenissen, rozen,

Paradijzen, radijzen, voze gelijkenissen. Met

Tot op dit papier deze lijken van letters.’

 

 

Adieu schrijven de dichters een leven lang

En vergrijzend als lavendel in november

Blijven zij, gangreen en grap een raadsel,

Erbarmelijk bedelen om mededogen,

Zoals ik voor de sleet op mijn oren en ogen

Die jou beminden, beminnen.

 

 

 

Uit: Das Stillschweigen (De Duitse vertaling van: De geruchten)

 

“Ab und zu hatten Dolf und Alma im Fernsehen weiße Soldaten gesehen, die weit vorgebeugt durch afrikanisches Buschwerk schlichen. Plötzlich peitschte ein Regen von Speeren und Pfeilen auf sie nieder. Sie riefen sich auf Westflämisch etwas zu. Eine dieser Stimmen hätte die von René sein können. Mit den Armen fuchtelnd rannten die Soldaten zusammen, aber nicht einer von ihnen ähnelte René. Auch der letzte nicht, der den Hubschrauber nicht erreichen konnte und zurückblieb, knieend, ein Dutzend Pfeile in Rücken und Genick.

Die schwarzen Verfolger, die kreischten, tanzten und mit Maschinenpistolen auf den Helikopter schossen, waren vierzehnjährige Jungs in Frauenkleidern, mit strohgelben Perücken und belgischen Käppis. Manche trugen weiße BHs, auf die blutige Brustwarzen gemalt waren.

Der Morgen bleibt grau. Dann bewegt sich das Foto in der Fensterscheibe und verblaßt. Die verzerrte Person dreht sich eine Zigarette, steckt sie an, das Zimmer füllt sich mit süßlich riechendem Qualm. Dolf wirft noch einen Blick auf seinen Gemüsegarten, auf den Fußballplatz von Excelsior Alegem dahinter, und dahinter die Schornsteine der Brauerei. Als nähme er Abschied von einer Ordnung, die nicht mehr dieselbe sein kann, nachdem René nun zurück ist. Er dreht sich zu seinem Sohn um
.”

 

 

Claus
Hugo Claus (Brugge, 5 april 1929)

 

De Engelse schrijver en dichter Algernon Charles Swinburne werd geboren op 5 april 1837 in Londen. Zijn eerste literaire werk veroorzaakte vanwege thema’s als sadomasochisme, doodsverlangen, lesbische fantasieën of antichristelijke opvattingen nogal wat schandalen. Swinburne studeerde van 1856 tot 1860 in Oxford waar hij in contact kwam met de beweging van de Prerafaëlieten. In 1865 vestigde hij de aandacht op zich zelf met het drama in verzen Atalanta in Calydon. Zijn eerste dichtbundel Poems and Ballads verscheen in 1866. In de tweede bundel   Poems and Ballads uit 1878 uit hij zijn bewondering voor Charles Baudelaire. Nadat hij (waarschijnlijk door alcoholmisbruik) ernstige schade aan zijn gezondheid had opgelopen werd hij in huis opgenomen door vriend en criticus Theodore Watts-Dunton, waar hij bleef wonen tot aan zijn dood. In de laatste jaren van zijn leven wijdde Swinburne zich meer en meer aan filosofie en literaire kritiek (Shakespeare, Maria Stuart en de Tristansaga).

 

A DARK MONTH

 

I

 

A month without sight of the sun
Rising or reigning or setting
Through days without use of the day,
Who calls it the month of May?
The sense of the name is undone
And the sound of it fit for forgetting.

 

We shall not feel if the sun rise,
We shall not care when it sets:
If a nightingale make night's air
As noontide, why should we care?
Till a light of delight that is done rise,
Extinguishing grey regrets;

 

Till a child's face lighten again
On the twilight of older faces;
Till a child's voice fall as the dew
On furrows with heat parched through
And all but hopeless of grain,
Refreshing the desolate places—

 

Fall clear on the ears of us hearkening
And hungering for food of the sound
And thirsting for joy of his voice:
Till the hearts in us hear and rejoice,
And the thoughts of them doubting and darkening
Rejoice with a glad thing found.

 

When the heart of our gladness is gone,
What comfort is left with us after?
When the light of our eyes is away,
What glory remains upon May,
What blessing of song is thereon
If we drink not the light of his laughter?

 

No small sweet face with the daytime
To welcome, warmer than noon!
No sweet small voice as a bird's
To bring us the day's first words!
Mid May for us here is not Maytime:
No summer begins with June.

 

A whole dead month in the dark,
A dawn in the mists that o'ercome her
Stifled and smothered and sad—
Swift speed to it, barren and bad!
And return to us, voice of the lark,
And remain with us, sunlight of summer.

 

 

 

 

Swinburne
Algernon Swinburne (5 april 1837 – 10 april 1909)

Geschilderd door William Bell Scott

 

De Servische schrijver Bora Ćosić werd geboren op 5 april 1932 in Zagreb, maar groeide op in Belgrado. Daar studeerde hij filosofie. In de jaren vijftig en zestig was hij redacteur van verschillende tijdschriften (Mlada kultura, Delo, Književnost, Knjiiževne novine, Revija Danas). Later werkte hij op de dramaturgische afdeling van de productiefirma Avala Film. In 1992 verliet Ćosić Servië uit protest tegen het regime van Milošević en ging hij naar Rovinj in Kroatië, later naar Berlijn. Aan Belgrado, de stad waarin hij opgroeide refereerde hij ten tijde van de Joegoslavische oorlogen als aan „de stad van waaruit de oorlog geregeerd wordt.“ In 2002 werd aan hem de Leipziger Buchpreis zur Europäischen Verständigung verleend.

 

 

In Unordnung

Von dem hohen Balkon jenes schwarzen Gebäudes
an der Ecke Wilmersdorfer Straße
winkt mir Felicia Bauer zu
macht mir zweideutige Zeichen
Kafka ist will sie sagen
im Sanatorium
der Frühling ist in voller Blüte
der Schnee geht zugrunde
Döblin hatscht in seine Ordination
in der Schlüterstraße neben dem Kino
die Welt besteht aus Anachronismen
bald im April 1932
werde auch ich geboren
das zwanzigste Jahrhundert wird voller Schrecken
Kriege Abschlachtungen und intellektueller
Zweifel sein
wohin und weshalb
es ist leichter in Meran zu sterben
wenn dir der Mechanismus der Lunge versagt
und die Gemeindebehörden
der Staat die Erdkugel
dir die Luftzufuhr ausschalten.

 

 

 

 

Uit: Die Rolle meiner Familie in der Weltrevolution

 

“Ich hatte einen Onkel, Tanten, einen Opa, alles das hatten die anderen auch. Von den anderen sagte man: »Das ist eine feine Familie!«, von uns nur: »Dieses Pack!« Wir lebten am Ausgang des großen Krieges, am Ende der Okkupation, am Beginn neuer Tage, wir benutzten Gegenstände wie Betten, Löffel, Duftwasser, alles war wie bei den anderen auch. Ich weiß nicht, woher die Unterschiede kamen. Von den anderen sagte man: »Sie haben alles!« und von uns: »Zerlumpte Penner, ohne einen Groschen in der Tasche!«

Jemand hatte auf die Liste der Hausbewohner hinter Onkels Namen »Schürzenjäger«, hinter Papas Namen »Säufer«, hinter meinen »Blödian« geschrieben. Hinter Mamas Namen stand nichts, Mama beschwerte sich: »Ich Arme!« Die Tanten erkundigten sich: »Warum hassen uns alle!« Opa sagte: »Weil wir uns gut verstehen!« Der Onkel protestierte: »Einen Teufel tun wir!«

Wir lebten weiterhin in der Familie, wie ehedem. Dann brachte Vaculić wieder den Genossen Jovo Sikira mit, der jedoch jetzt voller Mißtrauen war. Genosse Sikira betrachtete die Reste unseres zu Kleinholz zerhackten und verheizten Eßzimmers und fragte: »Woher habt ihr das!« Opa sagte: »Von vor dreihundert Jahren!« Jovo Sikira musterte die Fotos an den Wänden, die in verschiedenartigen Rahmen steckten, und fragte: »Wer sind die!« Mama sagte: »Tote, Verwandte aus dem vergangenen Jahrhundert!« Er stellte verdutzt fest: »Das waren ja lauter Popen!« Opa antwortete: »Genau!« Ich behauptete: »Man hat mir im Komitee gesagt, ich solle nur so weiterarbeiten und mir keine Sorgen machen!« Mama strich mir über den Kopf und sagte zu Jovo Sikira: »Er steckt bis zum Hals in der Arbeit, dabei ißt er so schlecht!«

 

 

 

COSIC
Bora Ćosić (Zagreb, 5 april 1932)

 

De Duitse schrijver Michael Georg Conrad werd geboren op 5 april 1846 in Gnodstadt. Hij studeerde o.a. filosofie, pedagogie en filologie aan de universiteiten van Geneve, Parijs en Napels. 1870/71 ging hij naar Italië waar hij tot 1878 als docent werkte. In dat jaar verhuisde hij naar Parijs waar hij een aanstelling kreeg aan het Institute polyglotte en vijf jaar bleef. In 1883 ging hij naar München, waar hij uitgroeide tot de centrale figuur van de naturalistische beweging. Als criticus en publicist, maar ook als redacteur en uitgever van het tijdschrift Die Gesellschaft had Conrad grote invloed op het geestelijke klimaat van München. Begin 1885 richtte hij samen met Karl Bleibtreu Die Gesellschaft für modernes Leben op. Het tijdschrift Die Gesellschaft was het belangrijkste orgaan van het „Münchner Naturalisme“. Conrad leidde het blad bijna 10 jaar lang.

 

Uit: Münchner Frühlingswunder

 

“Nein, es hat wirklich keinen Sinn, dem guten alten lustigen München unangenehme Dinge zu sagen.

 

Es hat auch keinen Zweck. Es ist gar nichts damit ausgerichtet, gegen die gute Lebensart zu verstoßen und sich unverbindlich zu geben, wenn man von München spricht. Von diesem großen, urbajuwarischen Dorf, das die wertvollsten Kunst- und Kulturschätze aller Zeitalter und Weltgegenden in sich aufstapeln, die heißblütigsten Fortschrittskämpfe und die widerborstigsten Ideen in sich toben, die mächtigsten und raffiniertesten Schöngeister in sich sinnieren und schaffen läßt, ohne einen Tropfen von seinem braunen Gebräu weniger zu verzapfen, ohne eine Kalbshaxe mit geringerem Appetit zu verspeisen, ohne die hehre Ruhe und den bald barocken, bald derbnaturalistischen Humor Philisterias zu verlieren und in gemächlichem blinden Triebe nie versagender Energie dennoch ein Stückchen moderner Großstadt ums andere »mit allem Komfort der Neuzeit« bei sich anzupflanzen.

 

Von allem Alten hat sich München neben nichtigem Kulturtrödel die kostbarsten und charakteristischsten Lebensstücke bewahrt, von allem Neuen läßt es sich schenken, und in seinen besten Stunden bringt es aus Altem und Neuem Eigenartiges hervor, Reiz für das Auge, Erquickung für das Gemüt, Sporn und Fund für den Forscher.

Wo findet sich etwas im Militärstaat wie Münchner Kunstleben?

Es ist wie Frühlingswunder, aber nicht im zerfließenden, lyrischen Sinn, sondern geographisch und meteorologisch scharf bestimmt. Genau in der Artung dieser seltsamen Landschaft zwischen alpinem Hochgebirge und Donautal.“

 

 

 

conradm1
Michael Conrad (5 april 1846 – 20 december 1927)