06-05-17

Willem Kloos, Hélène Gelèns, Sasja Janssen, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson, Christian Morgenstern, Carl Ludwig Börne

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

Alle Zeven

Met zeven nagelen lag Ik geklonken
Op dit zwart rad van marteling, mijn Leven, -
Want zeven Hárten zijn mij ópgeblonken,
In pracht van Jeugd en Vreugde's innigst beven.

In zeven dromen was ik zwaar verdronken,
Dromen van deemoed en van liefde-geven,
Die alle zeven weer in 't Niet-zijn zonken:
Daarom gegroet, mystiek getal van Zeven!

Hártstochten gaan en komen op de maat
Van mijner diepre Ziel geheimvol deinen,
En heel mijn liefde was een morgendroom.

Maar, boven al de Schijn des Tijds uit, staat
Gij in uw koelte, al-enig-vaste-en-reine,
O, Cijfer, waar 'k op tuur, in vreemde schroom.

 

 

Verzen

XI.
Diep uit de nooit-doordringbare gewelven
Van Uwe Ziel klonk eens het vorstlijk woord,
't Woord van Uw Liefde, en dieper in Mij-zelven
Klonk 't en weerklonk door verre gang en poort.

Wij waren Eén Mysterie, maar het zwelgen
Van Tijd en Wereld heeft úw vlam versmoord,
En daarom sterf ik, maar het niet-te-delgen,
Nu, mijn Mysterie brandt ondoofbaar voort.

Ik was de God-op-aard, de Nooit-gekende,
Die zelf zijn Zelf niet zag, dan ééns op 't laatst,
Toen opstond en de kroon op 't hoofd zich drukte:

Gij zijt het Aardsche Kind, dat dorst te schenden
Wat Kind niet weet, en op het hoofd zich plaatst,
Wat voegelijker zijnen Vader smukte.

 

XII.
Ik wás uw Vader, ja, vol mededoogen,
Een vader, als geen ander kind ooit had:
Ik leerde u spreken, voelen, zien met oogen,
Loopen met voeten op uw wereldsch pad.

O Kind, mijn oogen hingen aan úwe oogen,
Enkel te weten, of gij iets niet hadt....
En daarom hebt gij mij zoo wreed bedrogen,
Wee, om wat weelde en weidschen vreugden-schat.

Ja, heel mijn leven was één melodie
Van koninklijke goedheid, en ik zie
Dees klare ziel zoo vrij van zonde en schulden.

En 'k ga thans heen uit dit heel slechte leven,
Wijl al die goedheid om mijn hoofd blijft zweven,
Heilge, in zijn eigen glorie-licht gehulde.

 

 
Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)
Hier met Pam (Willem), het oudste zoontje van Willem Witsen

Lees meer...

06-05-16

Willem Kloos, Hélène Gelèns, Sasja Janssen, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson, Christian Morgenstern

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

O het tranen-vergieten is geen zonde

O het tranen-vergieten is geen zonde,
Gepleegd aan 's werelds mooi somber voortglijden
Zacht door de eindeloze gang der tijden...
O wie nog tranen, tranen vergieten konde...

Hij zou de wrede, wrede wonde op wonde,
Die dorsten mensjes in het hart te snijden
Hem, die wilde allen in zich zelf verblijden,
Helen door tranen. Tranen Zijn Geen Zonde.

Want wat zijn tranen, tranen als een teerheid,
Hoog-heerlijk in zich zelf gebrokene emotie
Als 't mannen-lijf niet langer kan hoog-trots zijn?

O Laat ons allen vallen in devotie,
Als Iets, wat grandiooslijk week ter-nêer leit,
Een mens nooit kàn maar wou toch wel een Rots zijn.

 

 

Shelley’s sterven

Voorover, in het boot-ruim, lang-uit lag
Shelley en las. De wilde golven sloegen
Luider en luider langs de zijden, droegen
Hoog-op het broze vaartuig, met geklag

Van schril zoevend gieren door want en stag,
Die knerpten. Hoorde-i niet, hoe de andren joegen
Hierheen en daarheen, zuchtten, riepen, kloegen?
Hij las maar, las, totdat hij niets meer zag ...

Toen stond hij op, verwonderd: neevlen drongen
Overal aan, en plots ... een donker blok
Komt dreigend door die misten opgesprongen ...
Hij wankelt door de donderende schok ...

"Is dat de Dood? ontvang me ..." en willig glijdend
Valt hij de diepte in, zwijgend, de armen breidend.

 

 

Evoë

Ik ga mijn leven in orgieën door
Van vol muziek en vreugden onuitspreeklijk,
Daar 'k ál smart in losbándigheid verloor,
Want dít lijf en mijn trots zijn onverbreeklijk;

Wijl achter me aan een óp-zich-drommend koor,
Heel 't schone lijf bewegend wild en weeklijk,
Luid-feestende optocht, danst en ik dans voor -
O, mijn los-voetigheid is zéér aansteeklijk.

Hoor, hoor naar mij, gij allen die daar gaat
Met koud gelaat en stappen zo bedachtig:

Brand op in gloed het leven dat u slaat,
U zelf óp-slaánd in vlammen hoog en prachtig.

Droom wég in weelde: ijdel is alle daad -
Over ons allen koom het Niet-zijn machtig.

 

 
Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)

Lees meer...

06-05-15

Willem Kloos, Hélène Gelèns, Sasja Janssen, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson, Christian Morgenstern

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

Gij zult niet met een kroon op ’t hoofd

Gij zult niet met een kroon op 't hoofd in 't Rijk
Der Lettren zitten na uw dood, verdwaasden,
Gij knutslaars ijdlijk, die alleen maar aasden
Om eens te zitten, niet voor 't Volk, te prijk

Voor boeren, die dan zouden zeggen: ‘Kijk,
Dat 's óók een knappe dichter, maar 'k bereik
Er niets van, met mijn dom hoofd, 't zijn verraasden,
Die liever zorgen moesten dat zij kaasden.’

O allen gij, die meent te zijn een dichter,
Maak toch u-zelf een aantal ponden lichter
En weet wel dat de enig-echte kunst slechts daar staat,

Waar zij oprecht fier op haar benen waar staat,

Weet toch dat Uw taal slechts is in m i j n hand veilig,
Wijl zij gestaêg door m i j n stem slechts klinkt heilig.

 

 

De menschen dóen, maar weten niet waaróm

De mensen dóen, maar weten niet waaróm
Zij doen, en zitte' in hun eentjes te wegen,
Hoe zij het meeste van het leven kregen,
't Leven dat langs hen gaat en ziet niet om, -

Hopen en haken of er níet wat kom,
Voelen hun hartjes van blijdschap bewegen,
Stil in hun lekkere bedjes gelegen.....
Maar áls 't wat geeft, dan houden zij zich dom:

Dan kijken ze uit een paar onschuldige oogjes,
Willen niet, maar willen wel, en zijn zo bleutjes....
't Leven zegt: ‘zo!..’ en neemt het weer weerom.

O, geef elkaar zo even maar wat droogjes
Oogjes en schuintjes en vriendelijke peutjes,
O, mensjes lief, wat zijn wij allen dom!

 


Verzen XLIII

De blâren vallen zacht...
Ik kan alleen betreuren,
Dat ik niet eens verwacht,
Wat eens nog kan gebeuren...
De blâren vallen zacht...

 

 
Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)

Lees meer...

06-05-14

Willem Kloos, Hélène Gelèns, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson, Christian Morgenstern

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

Ik ben de zoeker

Ik ben de zoeker naar het Nooit-Behaalde.
Ik ben de Strever naar het Ware Zijn,
Ik ben de dronkene van `s Levens wijn,
Die wonderlijk-krachtig mijn spieren staalde

Wen ik, als onverschrokken duiker, daalde
Tot in de krochten van het Diepste Zijn,
Waar ik dan uit meebracht een luttel grein
Waarheid, die klaar gelijk juwelen, straalde :

Laat mij dan maar in mijn vreemd-lijkend Zijn,
Droevige om `t Zijnde en als edelsteen rein;
Want, schoon mijn geest somtijds in `t zoeken faalde,
En op verlokkende zij-wegen dwaalde,
Zou toch mijn strijd niet de allerschoonste zijn,
Daar ik staag, worstlend, verschopte alle Schijn?

 

 

Homo Sum II

Ik ben de Dúivel-god dier grúwbre oorkónde,
't Vervlóekte Boék van laffe deémoed, klein,
Die loert, die loert, koud-donker, donker-rein,
Of Hij die ménsjes niet verdérven kónde.

Ook Hij droeg fier, op 't lijf vol eeuw'ge pijn,
Eén matelóze, toégeschroeide wonde,
Dat alles had zó anders kunnen zijn. -
Zijn Zijn.... Mysterie, maar zijn Schijn.... Dood-zonde.

Want ook Ik viel, uit een licht Rijk van 't Goede
In dit groot Duister, dat nu Mijn Licht zij,
En waar Ik eeuwig als Verdoemde in brand.

Maar, in de pracht van mijne staat'ge woede,
Voel Ik mij groot en heerlijk, dat Ik vrij
Haten en kwaad-doen mag, met sterke hand.

 

 

Ave Maria

Ik droomde van een kálme, bláuwe nacht;
De matte maan lag laag in mistig glimmen –
Maar hóóg scheen van de schemerende kimmen
Der klare starren wolkenloze wacht.

Toen, tussen maan en starren, rees Zij zacht –
Mij zoeter dan de Muze! – en scheen een schimme,
Wijl ’k om haar hoofd als diademen klimmen
En dalen zag der starren gouden pracht.

O liefste Mijne! éer ik een gróete vond –
Ave Maria! ruiste ’t door mijn ziele,
En heel mijn ziele ruiste U toe – één zucht...

Totdat op eenmaal door de stille lucht
Al die miljoenen gouden droppels vielen,
En Ge als een heilige in die glorie stond...

 

 

Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)
Rond 1936

Lees meer...

06-05-13

Willem Kloos, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

 

Zelf-verandering

 

Ik ben te veel een mens geweest,
Een mens, die gilde en klaagde en schreide,
Die dronk zijn glas en vierde feest
En diep-gevoelde dingen zeide.

Nú ben ‘k een delicaat artiest,
Verliefde van zijn fantasieën,
Maar die zich ’t allerliefst verliest
In zijn kokette melancholieën…

Melancholie-om wie? om wat?…
Ik weet niets meer, kan niets meer voelen
Dan zoet gespeel met dit en dat
Van rijmen, zachte, klare, koele.

 

 

 

 

Geen tranen zullen op mijn graf-stee vallen

 

Geen tranen zullen op mijn graf-stee vallen,
Maar lachen onderdrukt-half, of zacht-luid,
En vele mensen zullen vuisten ballen
Tegen dit mens, dat dan niets meer beduidt.

Zij zullen elkaar aanstoten in zacht mallen
Om mij, arm mens, die sprak zó hooglijk-luid
In 't Leven Mijn, die leefde van geluid
Alleen, en van veel opstaan na veel vallen.

O 't Leven is één Melancholie
Van veel verlangen en veel krijgen, om weer
Te grijpen naar het aller-onverkrijgbaarst,

Hoog in de wolken zwemend, onbereikbaarst
Geluk. Geluk? O Mens, wat zijt gij dom weer:
Heel 't Leven is Eén reine Melodie.

 

 

 

 

Infernale impressies

 

De gekken zitten in hun kerkgebouw
Als stomme mummiën: met stenen ogen
Staren ze onwendbaar langs de lage bogen
En horen van Geloof en Liefde en Trouw

Uit 's herders mond, die kalmpjes staat en nauw
Iets hoorbaars voor een oirbaar mens kan pogen
Te geven aan de onzaal'gen, die bedrogen
Om 's werelds eêlste goed, zien lauw en flauw.

Dan kerend zaal-waarts naar mijn vreemde voêr,
Denk ik gedwee: 'k ben een verloren worm maar,
En ga dan stil wat schrijven of wat lezen.

Maar mèt begint het hortende rumoer,
Lawaaiend langs de wanden of 't een storm waar...
Mensen, aanschouw: ik word als een van dezen.

 

 

 

 

Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)

Lees meer...

06-05-12

Willem Kloos, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue


De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

 

Verzen

 

VII.

 

Ik wijd aan U dees verzen, zwaar geslagen

Van Passie, en Verdoemenis, en Trots,

In doods-bleek marmer of dooraderd rots,

Al naar mijn kunstnaars-wil en welbehagen.

 

Zij zijn doorleefd: 'k heb daarin neêrgedragen,

Rijk-handig, al wat, in den loop des Lots,

Aan menschen-liefde of hooge Liefde Gods,

Dit dood-arm Wezen heeft te voelen wagen.

 

Ik, die mijn Leven uit-te-zeggen zoek,

Heb al mijn lieve voelen, zoeken, tasten

En weten in dit somber boek gevat.

 

En 'k bied, met dit mijn eerste en laatste boek,

Een laatsten groet aan U, die met uw vasten

Stap naast mijn àl te wankle schreden tradt.

 

 

 

 

Homo Sum I

 

Ik was de gróte Minnaar zonder ruste,
Die ging hoog-heerlijk in triomf door 't Leven,
Jeugdig omklemmend in een stórm van beven
Al zielen, gróte en kleine, naar het lustte

Dit Hoog Hart, dat toch nóoit zijn droefheid suste,
Droefheid om Liéfde's wil, die géén kon geven:
Nu weêr om Zélf's wil, wijl ik zelf moest sneven,
Dán wijl ik nédersloeg, wie 'k éven kuste.

Ik brak de harten op mijn tocht, zo glorie-vol -.
't Mijn brak mee, maar, nóg schoner dan te voren,
Greep het naar nieuwe, blonde of donkre, lokken;

Liefde vliedt héen thans, maar in haar historie-rol
Sta ik geboekt als het Hart Uitverkoren,
't Hárt dat geen Hárt vond en stierf zonder mókken.

 

 

 

 

Aan een pseudo-volksleider

 

Gij zijt een bruut en absoluut genieter
Van 't heerlijk Leven, waar het zich maar aanbood,
Maar zoudt gij even willen worden schaamrood
Omdat gij zijt bruut, absoluut verniet'ger

Van al het echte dat naar u zich saamgooit
Tot één groot mens-zijn, niet om te verdriet'gen
Uw zwak, klein zelf, maar om u te verniet'gen
U, mens, die waart voor elk echt mens een aanstoot.

Aanstootje afschuwlijk, die uw klein ikje aanhangt
Als één verniet'gend doemen van u zelven.
O gij die zijt een ijdeltuit afgrijslijk,

Gij gaat u zelf een gruwbre afgrond delven,
Daar 't groot Hollands volk niets meer voor u aanvangt
Dan dat het vindt uw houdinkjes vrij prijslijk.

 

 

 

Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)

Hein Boeken en Willem Kloos rond 1900

Lees meer...

06-05-11

Willem Kloos, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook mijn blog van 6 mei 2010 en eveneens de tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

 

Laat mij nog éénmaal...

 

Laat mij nog éénmaal, in gedachten, kussen
Die warme lippen, door mijn kus ontbloeid;
Laat mij nog éénmaal aan die boezem sussen
Mijn arme hoofd, waarin de koorts-pijn gloeit.

Laat mij nog eens, klein kindje, rusten tussen
Die armen, waar mijn hart aan was geboeid,
In die zo lieve tijd, toen, zonder blussen,
’t Vereend gelaat door passie werd verschroeid.

Mijn lippen kussen wild, mijn oog staat droef –
Niet waar? gij lief! nu er geen lief meer wezen,
Geen arm zich om mijn hals bewegen zal:

Maar ik heb haast: mijn trekken worden stroef,
Als in de koû des doods, mijn armen vrezen
In beven, hangende op hun laatste val.

 

 

 

Ik kan niet lachen

 

Ik kan niet lachen, ik kan niet wenen,

Ik ben zo vreemd te moe,

De zomer-pracht gaat henen, -

Ik doe mijn ogen toe.

 

Daar-binnen is het donker,

Daarbuiten is het kil…

Wat of dat flauw geflonker

Van vèr beduiden wil?

 

Zou dát het doods-uur wezen,

Waar alles op zijn best,

Verheerlijkt opgerezen

Verschemert voor het lest?

 

 

 

Licht

 

Er stroomt door mijn gemoed in stormend klateren

Een wilde zee, waarop ik rijs en daal, -

Een drup... een englen-blik, maar elke straal

Danst als het springen van bezeten sateren.

 

Ik hoor demonen uit de diepten schateren,

Schel door der serafijnen rein koraal,

En hel-geloei dooreen met hemel-taal

Mengt zich in 't ziedende geklots der wateren.

 

O, lust! daar over mij de branding slaat,

Bij 't doffe bruisen der ontroerde baren,

Te zien hoe 't Leven om mij heen vergaat, -

 

Maar Liefde niet, en midden in het staren

Op 't rustig stralen van uw klaar gelaat,

Vereend met u, ter eeuwigheid te varen...

 

 

 

 

Willem Kloos  (6 mei 1859 – 31 maart 1938)

 

 

Lees meer...

06-05-10

Willem Kloos, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson, Carl Ludwig Börne


De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook mijn blog van 6 mei 2009. en mijn blog van 6 mei 2008 en ook mijn blog van 6 mei 2007 en ook mijn blog van 7 mei 2006.

 

 

O, de begeerte naar genieten machtig

 

O, de begeerte naar genieten machtig
Dreunt door mijn trotse lichaam als een hamer,
Kloppende-òp uit haar donker-kille kamer
Wellust, die sliep, op 't wekkings-uur aandachtig.

O, - genieten, ineengestrengeld prachtig,
Dromend zo schoon met aangenaam gestamer,
Even tussen kus en kus, àl eenzamer
Nachten gesmacht, een bange droom, gedachtig.

Droom-schone dood en onsterfelijk verlangen,
Pracht van te vatte' en te voele' in vaste armen
Schoonheid, gedrukt aan 't luid-bewogen harte, -

Pracht van elkaar al vlammende te omvangen,
Zaligheid doende in sprakeloos erbarmen,
Zaligheid zelve in de opvlucht aller smarte.

 

 

 

 

O Herders-knaap

 

O Herders-knaap, die bliest op zoete fluitjes,
Wie zijt gij wel, wie meent gij wel te wezen:
Een van die dichter-vorsten, die vóór deze
Zongen hoog uit, niet zoekend naar geluidjes,

Maar zich-zelf voelend in diep-innig vrezen
Voor hun-zelfs grootheid, op 't gelaat der luidjes,
Daarom-heen luistrend, heerlijk staand te lezen?
Gij rijmertje achter uwe spiegel-ruitjes, -

Gij allen, prinsjes, die u-zelf monarch waant
Om een hand-voll'tje nauw-artistisch snood-zijn,
- 'k Zeg hier iets wat gij ganslijk nog niet argwaant -

't Gaat nu pas aan, gij laffe dekadentjes,
Laat andren werken in hun eenzaam groot-zijn,
Maar gaat zelf zoetlijk leven van uw rentjes.

 

 

 

 

Ik lag alleen

 

Ik lag en weende om dromen, die vervlogen
Als kussen van een mond, nu koud en bleek,
En dat de godheid mijner ziele bleek
Stof als ik zelf en al mijn liefde logen.

Toen ’s levens zware sluier scheurde en week
En eindloos licht sloeg me in de ontluikende ogen,
Waaruit Hijzelf mij daagde, die gebogen
Voor de aâm der eeuwigheid als riet bezweek.

Maar liefdevol, bij ’t lofgeruis der snaren,
Hief mij Zijn hand in ’t eeuwigvolgend koor
En ‘k zag dat allen als zijn dienaars waren:

Zij zijn bereid; Hij treedt hen heerlijk voor,
Die naar zijn godengang bewondrend staren
En zingen schrijden in zijn glanzend spoor.

 

 

 

 

Willem Kloos
Willem Kloos  (6 mei 1859 – 31 maart 1938)

 

 

 

 

De Chileens-Amerikaanse toneelschrijver, essayist, dichter, novellist, cartoonist Ariel Dorfman werd op 6 mei 1942 in Buenos Aires geboren.

 

Uit: Burning City

 

„Heller thought the entire world was going to melt that summer.
It was the Fourth of July and all of Manhattan was sweating. It was coming out of the streets, buildings, faucets; even the Hudson River could be heard for miles, begging for a drink, something to keep it cool. Radios reported the weather out of habit. Sleeping couples woke up to damp sheets. Construction workers went without their shirts and stockbrokers loosened their ties with quiet envy. Tourists complained, ice-cream vendors smiled, and mercury climbed steadily up tired thermometers.
Heller Highland saw all of this, and that which he couldn't see he simply knew. School had been out for just over a month. He sat on the roof of his building and kept his eyes on the sky, due southeast. Glass of water in his left hand, ice already dissolved, even in the cool of the evening. Airplane lights traveled past, left and right, fireflies of the twentieth century--
Twenty-first century, Heller corrected himself silently. It's two thousand and one; twenty-first century. . . .
He took a sip of water. Waited for the fireworks to start.
Independence Day.
There was no American flag in his right hand. Just a telegram. No red, white, or blue. Just an elegantly embossed message on an ambiguously light green card; 4 x 8. Heller was barely aware he was holding it. Just watched the sky. An unchanging Manhattan skyline. The sounds of the city kept him company. The distant blast of traffic, pedestrians, and the hum of a thousand air conditioners and fans, all in the same key.
A breeze managed to find its way into the city, and Heller's blond hair lifted itself, thankful. Heller smiled. He stopped. Smiled again, stopped, smiled, bit his lip and stopped. A few seconds later the wind died down, and Heller was left in his chair, on his roof, in his city of millions.
"Fireworks are late," came a voice behind him.
Heller didn't turn around. "Any minute now, I'm sure."
His grandfather, Eric, walked up next to him, stood for a while, glanced down.
"Telegram?"
"Yes."
"Soft Tidings?"

 

 

 

 

Ariel-Dorfman
Ariel Dorfman
(Buenos Aires, 6 mei 1942)

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen.

 

 

Halten

 

Halten - das heißt

nicht weiter - nicht näher - nicht einen Schritt

Oder heißt Schritthalten

Oder ein Versprechen - mein Wort

Oder Rückschau

Halten - dich

Mich zurück - den Atem an - mich an dich

Dich fest

Aber nicht

Dir etwas vorenthalten

Halten - dich in den Armen

In Gedanken - im Traum - im Wachen

Dich hochhalten

gegen das Dunkel

des Abends - der Zeit - der Angst

Halten - dein Haar mit zwei Fingern

deine Schultern - dein Knie - deinen Fuß

Sonst nichts mehr halten

keinen Trumpf

keine Reden

keinen Stecken und Stab

und keine Münze im Mund

 

 

 

 

Sucht

 

ich wünsche manchmal
ich könnte
mich an dir sattküssen
aber dann müßte ich sterben
vor Hunger nach dir
denn je mehr ich dich küsse
desto mehr muß ich dich küssen
Die Küsse nähren nicht mich
nur meinen Hunger

 

 

 

 

Drei Unmöglichkeiten nach 1945

 

Ein Leben der Wahrheit
wäre zu kurz
für die Schilderung

 

Ein Leben der Lüge
wäre zu kurz
für die Milderung

 

Ein Leben aus Wahrheit
und Lüge
bringt neue Verwilderung

 

 

 

 

erich_fried

Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)

 

 

 

Zie voor de twee bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 6 mei 2007 en ook mijn blog van 6 mei 2008 en ook mijn blog van 6 mei 2009.

 

 

 

De Japanse schrijver Yasushi Inoue werd geboren op 6 mei 1907 in Asahikawa. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007 en ook mijn blog van 6 mei 2009.

 

Uit: Lou-Lan and Other Stories (Vertaald door Edward Seidensticker)

 

„The next morning the soldiers of Charkhlik heard a strange howling. The wind had risen again, but it was not the wind they heard. It was a sound that came through the wind.

The young leader ordered a soldier to a tower. Just then the first arrow hit the side of a building and fell into the street. It was a long arrow, and after it a shower of arrows fell upon the stone paving. They came from a considerable distance, but it was not possible to determine the direction. Blown by the fierce wind, they struck the ground almost horizontally. The soldier came down from the tower. The air was black with sand, and he had been able to see nothing. The leader himself went up the tower, but it was as the man had said.

The wind howled through a sky dark as night, and with it came that other sound--the angry howling of Lop Nor. The leader would probably have seen it the day before if he had gone a little farther.

He came down from the tower. The rain of arrows was heavier and the strange noise seemed nearer. He marched his men toward the gate, since they would be at a disadvantage fighting a large enemy within the walls. They were not quite fast enough, however. At the guardhouse they came upon a strangely clad troop making its way in. The soldiers of Charkhlik faced the enemy there inside the gate. Each with a long sword in hand, the men of the strangely clad troop feinted and lunged at them.

The soldiers of Charkhlik answered with their long spears. Sand began to descend on the battlefield like a waterfall. Both sides had to stop fighting. They could not keep their eyes open, and the sand penetrated the smallest holes in their armor.

The wind grew yet fiercer and the sand yet thicker. The sun was hidden, and the fighters could hardly make one another out.

The young leader had finally pushed his way through the gate with a number of followers. They could go no farther. The sandstorm was even worse than within the city. The soldiers of Charkhlik one by one joined their leader, and the band lay huddled against the wall. With them were a number of enemy soldiers who had been unable to go inside. The neighing of hundreds of ponies and the crying of camels came through the howling wind and waves.“

 

 

 

Inoue
Yasushi Inoue
(6 mei 1907 – 29 januari 1991)

 

 

 

 

De Zweedse dichter en schrijver Harry Martinson werd geboren op 6 mei 1904 in Jämshög in het zuidoosten van Zweden. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007 en ook mijn blog van 6 mei 2008 en ook mijn blog van 6 mei 2009.

 

 

Li Ti's Advice

 

If you own two coppers, said Li-Ti on a journey,
buy one loaf of bread and one blossom.
The bread is there to fill you
The blossom you buy is to tell you
that life is worth the living.

 

 

 

Vertaald door Stephen Klass

 

 

 

Dusk in the Country

 

The riddle silently sees its image. It spins evening
among the motionless reeds.
There is a frailty no one notices
there, in the web of grass.

Silent cattle stare with green eyes.
They mosey in evening calm down to the water.
And the lake holds its immense spoon
up to all the mouths.

 

 

 

Power

 

The engineer sits by the big wheel,
all through the June night, reading.
The power station mumbles introverted in the turbines,
its leafy, embedded heart beats calm and strong.
The timid birch stands tall by the concrete mouth of the dam;
not a leaf quivers.
The hedgehog slobbers along the river bank.

The guard's cat listens hungrily to birdsong.
And the power whistles away along a hundred miles of wire
before it suddenly rumbles down into the braggart cities.

 


Vertaald door Robert Bly

 

 

 

 

harrymartinson

Harry Martinson (6 mei 1904 – 11 februari 1978)

 

 

 

 

De Duitse schrijver,  journalist en criticus Carl Ludwig Börne werd in Frankfurt geboren als Juda Löb Baruch op 6 mei 1786. Zie ook mijn blog van 6 mei 2009.

 

Uit: Über das Schmollen der Weiber

 

Meine ehemalige Braut nannte ich, wie es bei allen kultivierten Völkern Sitte ist, einen Engel; meine jetzige Frau nenne ich, wenn ich böse auf sie bin, einen gefallenen Engel, ist das Ehewetter aber heiter, einen gestutzten. »Warum gestutzter?« fragte mich Wilhelmine, als ich mich zum ersten Male dieses Ausdrucks bediente. Ich ward verlegen; denn ich hatte mich noch nicht zu verstellen gelernt, ich wußte noch nicht, wie gut in der Ehe oft das Lügen sei und wie ohne diesen Lichtschirm der Wahrheit rote Augen noch häufiger wären. »Teure Wilhelmine!« sagte ich, indem ich ihr ein Stückchen Zucker, den sie sehr liebt, in den Purpurmund steckte, »liebes Vögelchen, müßte ich nicht zittern für mein Glück, wenn deine Engelsflügel nicht etwas gestutzt wären? Müßte ich nicht fürchten, du entflattertest!« ... und flögest den Himmel hinauf, wo deine Heimat ist – wollte ich höchst poetischer Weise hinzusetzen. Aber meine gute Frau ließ mich nicht ausreden. »Du fürchtest also, ich könnte dir untreu werden?« fragte sie, wartete aber auf keine Antwort, sondern nahm ihr Gesicht zusammen, verschloß den Mund und schmollte. Vergebens war mein Flehen, mein Drohen, mein Reden, mein Schweigen sogar; sie schmollte fort. Ich ging mit starken Schritten das Zim mer auf und ab; in Engels »Mimik« ist keine Bewegung geschildert, die ich nicht mit der größten Naturtreue darstellte: Liebe, Haß, Zorn, Wut, Verzweiflung; aber meine gute Wilhelmine sprach kein Wort. Bei dieser Gelegenheit lernte ich das berühmte Schmollen der Weiber kennen, und seitdem verlernte ich es nicht mehr. Es war der dreißigste Tag nach meiner Hochzeit, da mein Glück in den Wendepunkt des Krebses trat. Anfänglich hatte meine teure Wilhelmine nur einen Schmollstuhl, dann nahm sie einen Schmollwinkel ein, später verschloß sie sich in ein Schmollkämmerchen, bis sie endlich es durch Übung dahingebracht, im ganzen Hause zu schmollen.“

 

 

 

Ludwig_Borne-Buste__Pere_Lachaise
Carl Ludwig Börne (6 mei 1786 – 12 februari 1837)

Buste op Pere Lachaise

 


Zie voor nog meer schrijvers van de 6e mei ook
mijn vorige blog van vandaag.

06-05-09

Willem Kloos, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson, Carl Ludwig Börne, Christian Morgenstern, Ferdinand Sauter, Eugène Labiche, Paul Alverdes, Júlio César de Mello e Souza, Erik Bindervoet, Gaston Leroux


De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook mijn blog van 6 mei 2008 en ook mijn blog van 6 mei 2007 en ook mijn blog van 7 mei 2006.

 

 

Verzen

 

II. (Aan mijne moeder)

 

Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,

Zilveren-zacht, de half-ontloken maan

Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,

Wier bleeke bladen aan de kim vergaan,

 

Zóó zag ik eens, in wonder-zoet genucht,

Uw half-verhulde beelt'nis voor mij staan, -

Dán, met een zachten glimlach en een zucht,

Voor mijn verwonderde oogen ondergaan.

 

Ik heb u lief, als droomen in den nacht,

Die, na een eind'loos heil van éénen stond,

Bij de eerste schemering voor immer vloôn:

 

Als morgen-rood en bleeke sterren-pracht,

Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,

Als alles, wat héél ver is en héél schoon.

 

 

 

 

XX.

 

Laat mij nog éénmaal, in gedachten, kussen

Die warme lippen, door mijn kus ontbloeid;

Laat mij nog éénmaal aan dien boezem sussen

Mijn arme hoofd, waarin de koorts-pijn gloeit.

 

Laat mij nog eens, klein kindje, rusten tusschen

Die armen, waar mijn hart aan was geboeid,

In dien zoo lieven tijd, toen, zonder blusschen,

't Vereend gelaat door passie werd verschroeid.

 

Mijn lippen kussen wild, mijn oog staat droef -

Niet waar? gij lief! nu er geen lief meer wezen,

Geen arm zich om mijn hals bewegen zal:

 

Maar ik heb haast: mijn trekken worden stroef,

Als in de koû des doods, mijn armen vreezen

In beven, hangende op hun laatsten val.

 

 

 

 

 

 

Toen ik rozen kreeg

 

Rozen, ik vind u droef,

Rozen, mijn tranen breken

Uit ogen, die anders stroef

En onverbreeklijk keken.

 

Rozen, uw wit en rood,

Fel in de lucht opbloeiend,

Schijnt mij géén morgenrood

Van nieuwe liefde, ontgloeiend.

 

Maar toch, ik vraag: Bloei door,

Bloei door in mijn nabijheid:

't Is of 'k u fluistren hoor

Het gouden woord van Vrijheid.

 

Vrijheid van iedereen,

Van mensen en van dingen,

Om, voor Mij-zelf alleen,

Mijn heerlijk Vers te zingen...

 

Ach, 't allerlaatste is dit

Van àl die mooie liefde:

Hij, die iets liefs bezit,

Is blijer dan wie liefde.

 

 

 

 

 

 

Kloos
Willem Kloos  (6 mei 1859 – 31 maart 1938)

Portret door Joseph Jessurun de Mesquita

 

 

 

 

 

De Chileens-Amerikaanse toneelschrijver, essayist, dichter, novellist, cartoonist Ariel Dorfman werd op 6 mei 1942 in Buenos Aires geboren. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007 en ook mijn blog van 6 mei 2008.

 

Uit: The Nanny and the Iceberg

 

“Surprise, Janice. It's me. Gabriel. Gabriel McKenzie. I'm back—though not really, not for long. I know, I know—I promised that I would write from—well, I didn't tell you what country I was going to, did I? Just those goodbye words, a year and a half ago, on July 8, 1991, promising to pop an E-mail message on your screen the next day, promising to come back and ball you, complete what we hadn't quite managed to do when we were fifteen. As if anybody keeps a promise in this world.

Sorry that I disappeared. Sorry to burden you with this bundle of pages in the real mail—the longest suicide note in history, I guess. Send it to the Guinness Book of Records. Send it to a dwarf I know there. Tell him he can celebrate. Tell him I killed myself in Sevilla one minute before October 12 dawned. Tell him I killed some other people, too. Yes: I've got three days left. That's how long it should take to write this and print it and send it. If I decide to send it instead of pressing the DELETE button, that is, and don't remain the only reader of my story. I could send it and still be the only reader. You could decide not to read till the end, not to reach the climax, so to speak. But I've tried to make sure you will. This is a promise I can deliver on: besides my own death at the end, there'll be violence and murder. More murder than I bargained for when I set out on this voyage back home. And sex.

Real sex. Not what I bragged to you about in my E-mail drips and drops. All that infinite experience, the ins and outs, the multiple orgasms in those many beds, what I boasted I had done to other women after I stopped seeing you, after we didn't quite make out—all that was my father, what I imagined he was doing, Cristóbal McKenzie, my dad, the greatest lover in the world. Would have been accepted as such by the Guinness Book of Records if I hadn't fucked up his getting recognized. So it wasn't my appendage that went into all those women and bodies, just like it never went into yours—all false, Janice. I used faraway words to seduce you. What I've always been best at. My teachers knew it. Kept on reporting to my mom that Gabriel is "too clever for his own good, mature beyond his years." Except for my face. They never mentioned my face.”

 

 

 

 

dorfman
Ariel Dorfman
(Buenos Aires, 6 mei 1942)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007 en ook mijn blog van 6 mei 2008.

 

 

Aber

 

Zuerst habe ich mich verliebt

in den Glanz deiner Augen

in dein Lachen

in deine Lebensfreude

 

Jetzt liebe ich auch dein Weinen

und deine Lebensangst

und die Hilflosigkeit

in deinen Augen

 

Aber gegen die Angst

will ich dir helfen

denn meine Lebensfreude

ist noch immer der Glanz deiner Augen

 

 

 

 

 

Abschied von Wien

 

Ich seh vor mir noch immer

Die nackten, leeren Zimmer.

Hier war ich sonst zu Haus.

Jetzt war es aus.

 

Ich seh verkratzte Stellen

Am Boden bei den Schwellen,

Wo man die Moebel schob,

Eh' man sie hob.

 

Als man sie fortgetragen

In diesen letzten Tagen.

Wo sonst der Spiegel stand

War an der Wand

 

Ein heller Fleck zu sehen.

Das Bild wird nie vergehen,

Hart, wie es vor mir lag

Am letzten Tag.

 

 

 

 

Dich

 

Dich nicht näher denken

und dich nicht weiter denken

dich denken wo du bist

weil du dort wirklich bist.

 

Dich nicht älter denken

und dich nicht jünger denken

nicht größer nicht kleiner

nicht hitziger und nicht kälter.

 

Dich denken und mich nach dir sehnen

dich sehen wollen

und dich liebhaben

so wie du wirklich bist,

 

 

 

 

 

 

Erich-fried
Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)

 

 

 

 

 

De Japanse schrijver Yasushi Inoue werd geboren op 6 mei 1907 in Asahikawa. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007.

 

Uit: Shirobamba (Vertaald door Rose-Marie Makino-Fayolle en Anne Rabinovitch)

 

Quand ils en eurent assez de jouer ainsi, ils allèrent donner l'assaut du gouffre de Kinchaku, où se trouvaient les filles. Pour y aller, ils n'avaient qu'à descendre le courant en sautant de pierre en pierre. Quand elles étaient trop espacées, ils entraient dans l'eau. Il ne leur fallut même pas cinq minutes pour arriver à destination. Les filles avaient une serviette enroulée autour de la tête, qui leur servait à peine à se distinguer des garçons.

« À l'attaque ! » cria Yukio, debout sur un rocher, et les garçons se mirent à lancer une pluie de cailloux en direction du gouffre. Les filles n'eurent pas l'air particulièrement effrayées. Dès qu'elles aperçurent leurs assaillants, elles surent aussitôt ce qu'il leur restait à faire, mais conscientes du fait qu'elles n'étaient que des filles sans défense, elles semblaient presque y prendre un certain plaisir.

Kôsaku aimait les voir, toutes nues, leurs affaires à la main, remonter le petit sentier escarpé qui menait à la route. De grand lis blancs fleurissaient au bord du chemin envahi par des nuages de libellules.

Ses amis et lui avaient l'habitude de jouer près du gouffre jusqu'à la tombée de la nuit. Quand le soleil était vraiment couché et qu'ils ne pouvaient plus faire sécher leur carapace, ils savaient que le moment était venu de rentrer chez eux.“

 

 

 

 

Yasushi_Inoue
Yasushi Inoue
(6 mei 1907 – 29 januari 1991)

 

 

 

 

 

De Zweedse dichter en schrijver Harry Martinson werd geboren op 6 mei 1904 in Jämshög in het zuidoosten van Zweden. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007 en ook mijn blog van 6 mei 2008.

 

 

Have you seen a tramp collier ...

 

Have you seen a tramp collier come out of a hurricane—

with broken booms, gunwales shot to pieces,

crumpled, gasping, come to grief—

and her captain gone all hoarse?

Snorting, she puts in at the sunlit wharf,

exhausted, licking her wounds

while the steam thins in her boilers.

 

 

 

 

From Li Kan speaks beneath the tree

 

Waves from all upheavals turn swiftly old

and paths from all upheavals soon become highroads.

What is left is a longing for something not

the wheel of appetites or revenges.

 

Man is best when he wishes good he cannot do

and stops breeding evil he finds easier to do.

He will still have a direction. It will have no end in view.

It is free from unsparing endeavor.

 

 

 

 

Vertaald door Stephen Klass

 

 

 

 

 

martinson
Harry Martinson (6 mei 1904 – 11 februari 1978)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver,  journalist en criticus Carl Ludwig Börne werd in Frankfurt geboren als Juda Löb Baruch op 6 mei 1786. Na zijn studie medicijnen, recht en staatswetenschap, waar hij bekend werd om zijn aforismen werd hij actuaris bij de Pruisische politie, waar hij echter, vanwege zijn joodse achtergrond, werd ontslagen. Hierop liet zij zich in 1818 in de Evangelische Kerk dopen onder de naam Ludwig Börne. Als publicist en journalist ondernam hij vele reizen en vestigde zich in 1830 in Parijs, waar hij een van de proponenten van de beweging Junges Deutschland werd, die zich voor democratie als voorwaarde voor de vrijheid inzette. In zijn Briefe aus Paris (1830-1834) leidde hij uit de Juli-opstanden de noodzaak voor een revolutie in Duitsland af. Deze geschriften werden, samen met zijn kritiek aan het adres van Metternich verboden. Ook voor Johann Wolfgang von Goethe, Wolfgang Menzel en Heinrich Heine (met wie hij eens bevriend was) had hij kritische woorden. Zijn grootste verdienste is zijn inzet voor de Duits-Franse vriendschap.

 

Uit: Über Deutschland, von Heinrich Heine

 

“Der gewandtesten, schlausten, katzenartigsten Kritik würde es dennoch nie gelingen, Herrn Heine zu ertappen, der noch mehr Maus als die Kritik Katze ist. Er hat sich in allen Winkeln der moralischen, geistigen, religiösen und socialen Welt Löcher aufgespart, und alle diese Löcher haben unterirdische Verbindungsgänge unter einander. Ihr sehet Herrn Heine aus einer von diesen kleinen Meinungen heraustreten, ihr verjagt ihn, er begiebt sich dahin zurück: ihr umzingelt ihn; ihr werdet selbst ertappt, siehe, da entwischt er aus einer ganz entgegengesetzten Meinung. Ergebet euch, ihr verliert eure Mühe und eure List. Ihr leset die oder die Seite von Herrn Heine, wo ihr eine falsche, abgeschmackte, lächerliche Behauptung findet; beeilet euch nicht, sie zu widerlegen, wendet das Blatt um, Herr Heine hat umgewendet und widerlegt sich selbst. Wenn ihr solche schillernde Geister nicht zu schätzen wißt, um so schlimmer für euch, ihr seid nicht auf der Höhe der rhetorischen Küche; es giebt nichts Köstlicheres, als diesen Mischmasch von Meinungen.

Wie gesagt, ich wage nicht, mit der großen filosofischen Gelehrsamkeit des Herrn Heine zu streiten, welche die [66] Unterstützung der Vorsehung noch furchtbarer macht. Aus diesem Grunde werde ich nicht untersuchen ob die Darlegung der verschiedenen Sisteme deutscher Filosofie, die Herr Heine für den Gebrauch des Foyer der Oper gemacht, wahr oder falsch ist; doch ich kann nicht umhin, die geschmackvolle und angenehme Art zu beurtheilen, womit Herr Heine die schwierigsten Gegenstände behandelt. Dieser liebenswürdige Schriftsteller spricht von Liebe, wenn er gerade von Kant redet, von Weiberhemden, wenn er vom Christenthum, und von sich selbst, wenn er von Allem spricht.”

 

 

 

 

borne
Carl Ludwig Börne (6 mei 1786 – 12 februari 1837)

Portret van Moritz Oppenheim, 1827

 

 

 

 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Christian Morgenstern werd geboren in München op 6 mei 1871. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007 en ook mijn blog van 6 mei 2008.

 

 

Sieh nicht, was andre tun

 

Sieh nicht, was andre tun,

der andern sind so viel,

du kommst nur in ein Spiel,

das nimmermehr wird ruhn.

 

Geh einfach Gottes Pfad,

laß nichts sonst Führer sein,

so gehst du recht und grad,

und gingst du ganz allein.

 

 

II

 

Verlange nichts von irgendwem,

laß jedermann sein Wesen,

du bist von irgendwelcher Fehm

zum Richter nicht erlesen.

 

Tu still dein Werk und gib der Welt

allein von deinem Frieden,

und hab dein Sach auf nichts gestellt

und niemanden hienieden.

 

 

 

 

christian_morgenstern
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter Ferdinand Sauter werd geboren op 6 mei 1804 in Wenen. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007.

 

 

Frühlingsaufschwung

 

Wald und Fluren grünen wieder,

Tausendstimmig tönen Lieder

Von den zarten Frühlingssängern;

Bunte Blumenhäupter schwängern

Aromatisch laue Lüfte,

Hold betäubend wiegen Düfte

Jedes Herz in süße Träume,

Und im Sturz der Wogenschäume

Schifft der Geist mit raschen Schlägen

Kühn dem Weltenmeer entgegen,

In den unermeß’nen Weiten

Seine Bahnen auszubreiten,

In den ahnungsvollen Tiefen

Seine Schöpfungskraft zu prüfen,

Und mit neu gestählten Schwingen

Sich zum Aether aufzuringen,

Aus dem tausend Sternenaugen

Quell der Gottheit einzusaugen

Und gesättigt von dem Glanze

Wieder zu dem Blüthenkranze

Erdenwärts herabzusteigen,

Wo er in den Geisterreigen

Schlingt mit sich verwandte Seelen,

Höchstem Sein sich zu vermählen.

 

 

 

 

 

sauter_ferdinand_portrait
Ferdinand Sauter (6 mei 1804 – 30 oktober 1854)

 



 

 

De Franse (blijspel)schrijver Eugène Marin Labiche werd geboren op 6 mei 1815 in Parijs. Na zijn opleiding aan het College Bourbon reisde hij door Italië, van waaruit hij stukjes voor de krant schreef. In 1837 verscheen zijn eerste stuk La cuvette d'eau en in 1838 had hij veel succes met Monsieur de Coislin. Vervolgens bleef hij veertig jaar lang voor de Parijse theaters schrijven.

 

Uit: Si jamais je te pince!...

 

Scène première

Papavert, Lucien; puis Léopardin

 

Lucien, au fond, parlant à la cantonade. - Oui, mam'zelle Pichenette!... soyez tranquille, je lui remettrai votre clef... et je lui dirai de vous attendre. (Redescendant la scène.) Elle est gentille, cette jeunesse... C'est une élève du Conservatoire... classe de piano... mais elle se dérange... elle a des rendez-vous avec un petit musicien... Oh! les musiciens! c'est tous farceurs!... (Apercevant Papavert qui est assis à une table et cherche des papiers dans un portefeuille.) Voilà! voilà!

Papavert, étonné. - Quoi?

Lucien, frottant la table avec sa serviette. - Grog? absinthe? vermouth?

Papavert. - Tu m'ennuies!... je ne prends jamais rien!...

Lucien. - En voilà une pratique!...

Il rentre dans le café.

Papavert, seul, se levant. - Je suis bien en train de prendre du vermouth!... un homme qui donne un bal ce soir!... Quel ennui! j'en perds la tête!... C'est ma femme, madame Papavert, qui l'a voulu... elle dit que pour marier notre nièce, il faut la faire connaître... Moi, ce n'est pas mon avis... parce que Emerantine...

Air: Un homme pour faire un tableau

Elle a des talents d'agrément,

Elle dessine comme un ange...

Mais sur le dos de cet enfant

Se passe un phénomène étrange:

Une épaule grandit au mieux,

L'autre à la suivre perd courage;

Et cependant toutes les deux

Ont exactement le même âge!

Toutes les deux ont le même âge!

 

 

 

 

Eugene_Labiche_par_Desboutin
Eugène Labiche (6 mei 1815 – 22 januari 1888)

Portret door Marcellin Desboutin

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Paul Alverdes werd geboren op 6 mei 1897 in Straatsburg. Toen hij 17 jaar was meldde hij zich tijdens WO I vrijwillig als soldaat. Met zware verwondingen aan zijn hoofd keerde hij vanm het front aan de Somme terug. Hij begon aan een studie rechten in Jena, maar ruilde deze al snel in voor germanistiek en kunstgeschiedenis in München. Daar leerde hij Martin Bodmer en Herbert Steiner, met wie hij samenwerkte voor het tijdschrift Corona. Daarnaast werkte hij samen met schrijvers als Hans Carossa, Hermann Hesse, Hugo von Hofmannsthal, Ricarda Huch, Max Mell en Emil Strauß. Alverdes werkte ook als vertaler.

 

Uit: Kleine Reise Aus einem Tagebuch

 

Jetzt sitze ich an meinem Fenster unter dem Dach des Hotels und blicke auf die Blaue Schale des Luganer Sees unter

mir. Ich denke immer noch an den geistlichen Greis und sein großes Schwärmen und Entzücktsein. Er hatte keinen der übrigen Mitreisenden auch nur gewahrt. Was wird er einst gewahren? Ob er zu jenen Gestalten kommen wird, die er zu grüßen und zu verehren schien? Wie aber, er käme zwar in eine Ewigkeit, aber es wäre alles ganz anders, kein Heiliger Geist selbdritt zu sehen und keine Gottesmutter? Mir fällt die fürchterlich nachdenkliche Anekdote von jenem sterbenden Bauern ein, der über der letzten Ölung ein trübselig=verschmitztes Lächeln hatte. Befragt, was ihn so heiter stimme, antwortete er: «O mei, .Herr Pfarrer, grad' lachen müßt ich, wenn wir den falschen GIauben gehabt hätten.»

Der Bahnhof von Lugano liegt hoch über der Stadt, erst ein paar Gassen hangabwärts gewahrt man tief unten zwischen den Schluchten der hohen weißen Häuser den blauen Spiegel des Sees. Anfangs fallen die Gassen so steil hinab, daß kein Fuhrwerk auf ihnen verkehren kann; eine Zahnradbahn lärmt zwischen den gestuften Gehsteigen bis zu dem schmalen Streifen flacheren Ufers hinunter, auf welchem die alte Stadt Lugano erbaut ist.”

 

 

 

Alvardes
Paul Alverdes (6 mei 1897 – 28 februari 1979)

 

 

 

 

 

De Braziliaanse schrijver Júlio César de Mello e Souza werd geboren op 6 mei 1895 in Rio de Janeiro. Hij gebruikte ook de pseudoniemen Malba Tahan en Breno de Alencar Bianco. De Mello e Souza was hoogleraar wiskunde. Hij heeft meer dan zestig boeken met verhalen en 51 boeken over wiskunde op zijn naam staan. Zijn beroemdste boek is The Man Who Counted dat in 2001 aan zijn 54e herdruk toe was.

 

Uit: The Man Who Counted (Vertaald door B. A. Bianco)

 

“...In all the universe, mathematics is number and measure. Oneness, the symbol of the Creator, is the beginning of everything, which would not exist but for the unvarying proportions and relations of numbers. All of life's great enigmas can be reduced to simple combinations of either variable or constant, known or unknown, elements that we can solve.

"So that we can understand this science, we must begin with numbers. We will see how to examine them, with the help of Allah, the All-Merciful!

"Uassalan!"

With those words the Man Who Counted ended his first class. And then, as an agreeable surprise, we heard the voice of the invisible student, hidden behind the velvet curtain, speaking the following prayer:

"O omnipotent God, Creator of heaven and earth, forgive the poverty, the meanness, the naïveté of our hearts. Listen not to our voices but to our inarticulate cries; attend not to our desires but to the clamor of our needs. How many times do we ask for something that can never be ours!

"God is great!

"O God! We thank you for this world, our great home, its size and wealth, the multifarious life of the world of which we are a part. We praise you for the splendor of the blue skies and for the evening breeze and for the clouds and for the stars in the heavens. We praise you, Lord, for the immense oceans, for the water that runs in the streams, for the eternal hills, for the luxuriant ttrees, and for the carpet of grass that soothes our feet.”

 

 

 

Souza
Júlio César de Mello e Souza (6 mei 1895 – 18 juni 1974)

 

 

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

 

De Nederlandse dichter, schilder en vertaler Erik Bindervoet werd geboren in het jaar 1962 in Oostzaan. Hij studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens de bezetting van een universiteitsgebouw in 1982 ontmoette hij Robbert-Jan Henkes. Sinds die bezetting maken Bindervoet en Henkes samen Platforum, een onregelmatig maar geregeld verschijnend literair-maritiem-filosofisch tijdschrift.  Vanaf 1986 publiceren Bindervoet en Henkes in het tijdschrift Hollands Maandblad, Filosofie Magazine en andere periodieken. Samen vertaalden ze onder meer Tarkovski, Mariëngof, Joyce ('Finnegans Wake'), De Quincey, Stanshall en Shakespeare, maar ook songteksten van The Beatles en Bob Dylan. Daarnaast schreven ze de romans 'Bloemsdag' (2004) en 'De intocht van Christus in Amsterdam' (2005)  Bindervoet werkt ook afzonderlijk van Henkes. Hij publiceerde de dichtbundels 'Tijdelijk zelfportret met hoofd en plaatsbepaling, oranje' (1995), 'De saaiste jongen ter wereld' (1998), 'De schilder en zijn model' (1999) en 'Aap' (2002). In 2008 verscheen de bundel 'Voor altijd voor het eerst'.

 

 

Ongeschreven regels (Fragment)

 

In zekere zin heb ik mooie paarse schoenen.
Het zijn puntschoenen,
Maar ik had ze vroeger.
Het zijn mooie paarse puntschoenen van vroeger,
In zekere zin,
Want ik heb ze niet meer.
Ik weet ook niet meer
Waar of onder welke omstandigheden
Ik ze gekocht heb,
Maar ik had het gevoel
Dat ik het
moest doen.
Ze waren heel snel op,
Ze gingen niet lang mee, eigenlijk.
De veters gingen niet meer door de gaatjes
Omdat ik er knopen in had getrokken die ik er niet meer uitkreeg
En omdat de uiteinden niet meer bijeengehouden werden
Door de stukjes plastic die er aanvankelijk nog omheen zaten.
Het leer werd droog en barstte open
In een landschap van verdorde adertjes, zeg maar gerust
Craquelures.
De kleine hamertenen van mijn bindervoeten
Verkenden op het scherpst van de snede de loze ruimte
Tussen de feitelijke schoenwand en het bodemoppervlak.
Ik zweer het.
U moet me geloven,
Want ik ben van niet-dromend spul gemaakt
(En als ik ga zwemmen heb ik twee zwembroeken aan).

 

 

 

 

Bindervoet
Erik Bindervoet
(Oostzaan, 1962)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 6 mei 2007.

 

De Franse schrijver Gaston Leroux werd geboren op 6 mei 1868 in Parijs.

 

 

06-05-08

Willem Kloos, Ariel Dorfman, Harry Martinson, Christian Morgenstern, Erich Fried, Yasushi Inoue, Ferdinand Sauter, Gaston Leroux


De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007 en ook mijn blog van 7 mei 2006.

 

Verzen      

 

I

 

Ik denk altoos aan u, als aan die droomen,

Waarin, een ganschen, langen zaalgen nacht,

Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht,

Zóó onuitspreek'lijk lief, dat bij het doomen

 

Des bleeken uchtends, nog de tranen stroomen

Uit halfgelokene oogen, tot we ons zacht

En zwijgend heffen met de stille klacht,

Dat schoone droomen niet weerommekomen...

 

Want álles ligt in eeuw'gen slaap bevangen,

In de' eeuw'gen nacht, waarop geen morgen daagt -

 

En héel dit leven is een wond're, bange,

Ontzétbre dróom, dien eens de nacht weêr vaagt -

 

Maar in dien droom een droom, vol licht en zangen,

Mijn droom, zoo zoet begroet, zoo zacht beklaagd...

 

 

 

 

VI.

 

Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht

De witte bloesems in de scheemring - ziet,

Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,

Een enkele, al te late vogel vliedt.

 

En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht

Als perlemoer, waar ied're tint vervliet

In teêrheid.., Rust - o, wonder-vreemd genucht!

Want alles is bij dag zóó innig niet.

 

Alle geluid, dat nog van verre sprak,

Verstierf - de wind, de wolken, alles gaat

Al zacht en zachter - alles wordt zoo stil...

 

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,

Dat al zóó moê is, altijd luider slaat,

Altijd maar luider, en niet rusten wil.

 

 

 

XXXV.

 

De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,

De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;

De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning,

Zij is een levend Schoon en kent zich-zelve niet.

 

Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,

En wendt zich altijd òm en keert weer waar zij vliedt,

Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijning

En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.

 

O, Zee was Ik als Gij in àl uw onbewustheid,

Dan zou ik eerst gehéél en gróót gelukkig zijn;

 

Dan had ik eerst geen lust naar menschlijke belustheid

Op menschelijke vreugd en menschelijke pijn;

 

Dan wás mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid,

Zou, wijl Zij grooter is dan Gij, nóg grooter zijn.

 

 

 

 

 

Kloos
Willem Kloos  (6 mei 1859 – 31 maart 1938)

 

 

 

 

 

 

De Argentijnse toneelschrijver, essayist, dichter, novellist, cartoonist Ariel Dorfman werd op 6 mei 1942 in Buenos Aires geboren. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007.

 

Uit: Blake's Therapy

 

I want you to take a good look at him. I want you to take a good lazy look at Graham Blake. True, you'll get tired of looking at him during this coming month of therapy. Some of you may get tired of having him look at you. But now's the chance, now that there's no pressure and you haven't met our new patient yet, go ahead, spend some time with him at your leisure, plunge into him. Before he walks through that door and turns his considerable charms on you and you begin to entertain doubts as to whether he really requires this painful treatment I have prescribed for him.

You can see the answer by yourselves: Blake is a sick man, a man broken, delirious, needing our help more than he can divine. Just watch him pack his bags for this trip to our

Clinic. Can you recognize the symptoms? The way the fingers shake-only the index finger firm-as he smooths the shirts, discards the blue-and-white striped tie his lover's given him for Christmas, stares at that tie for several seconds as if it were about to snake up and sting him. Remark how he retrieves it with a hand that cannot stop trembling, folds it uncertainly, can't fit it into the bag so it won't crumple. Look at how he waves away the valet-that's Hector, who's trying to be of assistance-angrily shoos him out the door, sinks onto the bed, our Graham takes his head in his hands as if it were about to roll off a cliff, those hands rubbing downward to the eyes, massaging eyes that have not slept in so many days that he's lost count. But we haven't. Lost count, I mean. We know it's been ninety-five days that he hasn't managed more than one or two hours a night, some nights nothing at all. Staying up till dawn, even knockout pills only working for a few minutes and then he's up again, desperate drunken eyes wide open, sitting rigid for hours in the dark just like he's sitting now, those slender pianist fingers of his scraping and stroking his temples, the headache that will not go away. Ninety-five days exactly since that headache kicked in, the everlasting midnights, his crisis, his rage at himself and everything. His doubts, his endless self-doubts.”

 

 

 

dorfman460
Ariel Dorfman
(Buenos Aires, 6 mei 1942)

 

 

 

 

De Zweedse dichter en schrijver Harry Martinson werd geboren op 6 mei 1904 in Jämshög in het zuidoosten van Zweden. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007.

 

The inner light

 

In the inmost of the smallest of all spaces
runs a mute and constant play of color, inaccessible to eyes.
It is the light shut in that once in the moment of creation
was born inward and abode there, going on,
once it had broken up into the smallest of spectra
in keeping with prismatic law
at frequencies that by the sighted would be called colors
if they encountered eyes able to see.
It moved in periods
unimaginably small for time and space
but still with time and space enough for the least of the small.
In fact it found it had ample room and time.
It moved in cycles of nanoseconds and microspaces
from white light and the colors of the spectrum and back to white light.
A kind of breathing for light.

 

The photons breathed and pulsated with one another,
alternating signs and levels.
So the light kept going in spectral balance
from dense light to split
and back to dense light and split,
in spectral cycles infinitely repeated.

 

It was like a play of fans,
in keeping with the same law that holds for rainbows,
but with spread and folded fans
alternating with one another
in keeping with the law of light inscribed in them.
It was the light when it dances enclosed
when it is not traveling abroad and seen.
It belongs to the nature of light
that it can be shut in
and still not die out in its movement
that it preserves itself thus in the darkness
as thought, intent and aptitude,
that it remembers its changes
and performs its dance, its interplay.
With this art the light keeps together
the innumerable swarms of matter
and sings with light's spectral wings
the endless song in honor of the fullness of the world.

 

 

 

Vertaald door Stephen Klass

 

 

 

 

Along the paths of echo

 

Along the paths of echo backwards.
There the words lie in the chest of their old meanings.
But, sad, so foreign. What is it they are saying, those lips.
They speak of different connections and conditions.
As you listen to them speaking
they form a thing that is also changed by them
spell in a language even farther removed
in still another of the chests
inside the mount of the seven chests
thousands and thousands of years before Babylon.

 

 

 

 

Vertaald door Stephen Klass en Carolyn Skantz

 

 

 

 

Martinson-opt
Harry Martinson (6 mei 1904 – 11 februari 1978)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Christian Morgenstern werd geboren in München op 6 mei 1871. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007.

 

 

Bundeslied der Galgenbrüder

 

O schauerliche Lebenswirrn,
wir hängen hier am roten Zwirn!
Die Unke unkt, die Spinne spinnt,
und schiefe Scheitel kämmt der Wind.

 

O Greule, Greule, wüste Greule!
Du bist verflucht! so sagt die Eule.
Der Sterne Licht am Mond zerbricht.
Doch dich zerbrach's noch immer nicht.

 

O Greule, Greule, wüste Greule!
Hört ihr den Ruf der Silbergäule?
Es schreit der Kauz: pardauz! pardauz!
da taut's, da graut's, da braut's, da blaut's!

 

 

 

 

Der Zwölf-Elf

Der Zwölf-Elf hebt die linke Hand:
Da schlägt es Mitternacht im Land.

Es lauscht der Teich mit offnem Mund
Ganz leise heult der Schluchtenhund.

Die Dommel reckt sich auf im Rohr
Der Moosfrosch lugt aus seinem Moor.

Der Schneck horcht auf in seinem Haus
Desglelchen die Kartoffelmaus.

Das Irrlicht selbst macht Halt und Rast
auf einem windgebrochnen Ast-

Sophie, die Maid, hat ein Gesicht:
Das Mondschaf geht zum Hochgericht.

Die Galgenbrüder wehn im Wind.
Im fernen Dorfe schreit ein Kind.

Zwei Maulwürf küssen sich zur Stund
als Neuvermählte auf den Mund.

Hingegen tief im finstern Wald
ein Nachtmahr seine Fäuste ballt:

Dieweil ein später Wanderstrumpf
sich nicht verlief in Teich und Sumpf.

Der Rabe Ralf ruft schaurig: »Kra!
Das End ist da! Das End ist da!«

Der Zwölf-Elf senkt die linke Hand:
Und wieder schläft das ganze Land.

 

 

 

 
morgenstern
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook mijn blog van 6 mei 2007.

 

Nachtgedicht

 

Dich bedecken
nicht mit Küssen
nur einfach
mit deiner Decke
(die dir
von der Schulter
geglitten ist)
daß du
im Schlaf nicht frierst

Später
wenn du
erwacht bist
das Fenster zumachen
und dich umarmen
und dich bedecken
mit Küssen
und dich
entdecken

 

 

 
Sind wir alt

 

In Katzenjahren gerechnet
ist sie nicht viel älter als ich
Sie bewegt sich vorsichtig:
Vom Fensterbrett springt sie
zuerst auf den Stuhl hinunter
und dann zögernd zu Boden

 

Sie geht langsam zu ihrem Napf:
Jede Bewegung ein Schmerz

 

Ich beginne aufzustehen
um ihr Futter zu geben
Ich zucke zusammen
und muß stillstehend
einatmen
ausatmen

 

Richtig:
Jede Bewegung ein Schmerz

 

 

 

 

Ungewiß

 

Aus dem Leben
bin ich
in die Gedichte gegangen

 

Aus den Gedichten
bin ich
ins Leben gegangen

 

Welcher Weg
wird am Ende
besser gewesen sein?

 

 

 

 

Fried
Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 6 mei 2007.

 

De Japanse schrijver Yasushi Inoue werd geboren op 6 mei 1907 in Asahikawa.

 

De Oostenrijkse dichter Ferdinand Sauter werd geboren op 6 mei 1804 in Wenen.

 
De Franse schrijver Gaston Leroux werd geboren op 6 mei 1868 in Parijs.

 

 

06-05-07

Willem Kloos, Yasushi Inoue, Ariel Dorfman, Harry Martinson, Ferdinand Sauter, Christian Morgenstern, Gaston Leroux, Erich Fried, Marie-Aude Murail


De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Tijdens zijn studententijd leerde hij Jacques Perk kennen, wiens gedichten hij na Perks dood uitgaf. De inleiding die Kloos schreef bij deze uitgave (1882) is later gaan gelden als manifest van de Beweging van Tachtig. In 1880 debuteerde hij in het tijdschrift Nederland met het gedicht Rhodopis. Kloos' gedichten uit de jaren 80 van de 19e eeuw zijn beïnvloed door de Engelse dichter Shelley. In 1885 richtte hij samen met Frederik van Eeden, Albert Verwey, Frank van der Goes en Willem Paap het tijdschrift De Nieuwe Gids op. In dit tijdschrift publiceerde Kloos een reeks literaire kronieken, die samen een beeld geven van zijn poëtica.

 

Zie ook mijn blog van 7 mei 2006.

 

 

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten

 

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij zelf en 't al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

 

En als een heir van donkerwilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor 't heffen van mijn hand en heldere kroon:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.

 

-- En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond
Úw overdierb're leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

 

En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.

 

 

 

 

Doodgaan

 

I

 

De bomen dorren in het laat seizoen,
En wachten roerloos den nabijen winter...
Wat is dat alles stil, doodstil... ik vind er
Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.

 

Ach, 'k had zo graag heel, héél veel willen doen,
Wat Verzen en wat Liefde, -- want wie mint er
Te sterven zonder dees? Maar wie ook wint er
Ter wereld iets door klagen of door woên?

 

Ik ga dan stil, tevreden en gedwee,
En neem geen ding uit al dat Leven meê
Dan dees gedachte, gonzende in mij om:

 

Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen:
De dode bloemen komen niet weêrom,
Maar Ik zal heerlijk in mijn Vers herrijzen.

 

 

 

 

KloosWillem
Willem Kloos  (6 mei 1859 – 31 maart 1938)

 

De Japanse schrijver Yasushi Inoue werd geboren op 6 mei 1907 in Asahikawa. Hij studeerde kunstgeschiedenis en geschiedenis in Tokio en Kyoto. Inoue schreef poëzie, essays, korte verhalen en romans. Zijn werk is veel vertaald en diverse keren verfilmd.

 

Uit: Der Stierkampf

 

„In der zweiten Hälfte Dezember gab die Neue-Osaka-Abendzeitung jeden Tag mit großen Lettern bekannt, daß vom zwanzigsten Januar des kommenden Jahres an drei volle Tage lang im Hanshin-Stadion Stierkämpfe veranstaltet werden sollten. Als die ersten Korrekturfahnen mit dieser Anzeige aus der Setzerei kamen, steckte sich Chefredakteur Tsugami ein Exemplar in die Tasche und ging mit Tashiro, den er in dem kalten Empfangsraum hatte warten lassen, auf die nachmittägliche Straße hinaus. Es war seit einigen Tagen ziemlich kalt geworden, und ein frostiger Dezemberwind wirbelte unruhig Staub auf. 
"Oh, fertig?" 
Mit diesen Worten nahm Tashiro den Korrekturabzug entgegen. Sein Gesicht belebte sich für einen Augenblick, aber es wurde gleich wieder ernst, und er sagte: 
"Von jetzt ab gilt es also, die Reklametrommel zu rühren! Wir müssen mit aller Kraft den Erfolg herbeizwingen!"

 

 

inoue
Yasushi Inoue
(6 mei 1907 – 29 januari 1991)

 

De Argentijnse toneelschrijver, essayist, dichter, novellist, cartoonist Ariel Dorfman werd op 6 mei 1942 in Buenos Aires geboren. In 1945 week het gezin - de ouders zijn van Russisch joodse afkomst en communist - uit naar New York, uit angst voor het opkomend militarisme in Argentinië onder Perón. De kleine Ariel, genoemd naar de luchtgeest uit De Storm van Shakespeare, groeide op in New York. In de jaren vijftig moest het gezin de McCarthy-heksenjacht ontvluchten en vertrok naar Chili. Vanaf 1964 was Dorfman nauw betrokken bij de Unidad Popular, de partij van Salvador Allende.In 1971 ging hij deel uitmaken van diens socialistische regering. Na de staatsgreep van Pinochet in 1973 sloeg hij op de vlucht: eerst naar Parijs, dan naar de VS. Sindsdien doceerde hij aan de universiteit van North-Carolina als professor in de Latijns-Amerikanistiek, maar bleef ook schrijven. Tussen 1976 en 1980 was hij verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Sinds de val van de dictatuur in 1990 keert hij regelmatig terug naar Chili.

 

Uit: Konfidenz


”As soon as the woman enters room 242, the phone rings.

She does not answer immediately. She remains there in the doorway, her suitcase in one hand and the key in the other, examining the empty room, as if waiting for someone to appear out of nowhere and answer.

The phone rings again.

I see the woman hesitate for one more moment. Then, suddenly in a hurry, she lets the suitcase fall, crosses the room, and picks up the receiver. Before she can speak, she hears the voice of a man.

"Barbara?"

It's a voice the woman has never heard before.

"Who's this?"

"One of Martin's friends."

"That's a relief. I was beginning to get worried. Martin wasn't waiting for me at the …"

"But the chauffeur did come to …"

"Yes, but he didn't bring any message from Martin. He seemed deaf and dumb. And the truth-"

"The truth?"

"It seemed strange that Martin should send a limousine. Not exactly his style."

"I sent the limo, Barbara."

"Thanks, but you shouldn't have bothered."

"I wanted to make sure you had a smooth arrival, Barbara. Your departure must have been a bit difficult."

"It wasn't, well-easy."

"But you're here."

"My father has connections."

"So you shouldn't have trouble going back."
"Why should I have trouble?"

"Some people do."

"I don't expect any trouble whatsoever."

"I'm glad to hear that, for your sake. It's always good to be able to go back to one's own country."

"You're also from…?"

"I thought you would have guessed by now."

 

 

dorfman
Ariel Dorfman
(Buenos Aires, 6 mei 1942)

 

De Zweedse dichter en schrijver Harry Martinson werd geboren in Jämshög in het zuidoosten van Zweden. Al op jonge leeftijd verloor hij beide ouders en kwam hij in een pleeggezin. Toen hij zestien was liep hij weg, monsterde aan op een schip en kwam zo in landen als Indië en Brazilië. Problemen met zijn longen dwongen hem om naar Zweden terug te keren. Hij zwierf zonder vaste baan door het land. In 1929 debuteerde hij als dichter. Een van zijn beroemdste werken is de gedichtencyclus Aniara uit 1958. Het werd in 1959 door Karl-Birger Blomdahl tot opera omgewerkt. Martinson ontving in 1974 de Nobelprijs voor literatuur.

 

 

The Visions

 

With fright in their eyes
the soldiers of salvation beheld
from the helmeted observatory tower: the heavenly harps;
the swaying, titanic nebulae
and their chaotic strings of gaseous gold.

 

Far off in the boundless crystal of places beyond time
where thought in fright
can plunge everlastingly through millennia
stirred the gaslike golden bowers of the harps
effervescing in Sagittarius.

 

 

 

Visit to the observatory

 

We viewed a nebula inside a tube.
To us a golden herd of mist it seemed.
In larger tubes it might have gleamed
as suns in thousands in their boundless space.

 

Our dizziness of mind imagined
that it rose, high up from war on earth,
from time and space—our life's naivety—
to new dimensions in their majesty.

 

There no law rules of this life's type.
There laws rule for the world where worlds abound.
There the suns roll out till they are ripe
and deep in the hearth of every sun resound.

 

Suns in plenitude are present there.
And there, to cosmic law, each sun pulsates
in larger suns' unfathomable blaze.
And there all is brightness and the daylight of all days.

 

 

 

Vertaald door Stephen Klass

 

 

martinson-harry
Harry Martinson (6 mei 1904 – 11 februari 1978)

 

De Oostenrijkse dichter Ferdinand Sauter werd geboren op 6 mei 1804 in Wenen. Met zijn volksliedachtige gedichten maakte hij naam als  dichter-bohemien in kringen van de Weense Vormärz rondom Nikolaus Lenau en Adalbert Stifter. In het revolutiejaar 1848 schreef hij ook politieke gedichten zoals "Geheime Polizei“ en steunde hij de opstandelingen.

 

Kartoffelgedicht

 

Solang wir die Kartoffelfrucht

in unserm Lande sehen,

kann keine große Hungersnot

aus Mißwuchs mehr entstehen.

 

Gott hat sie wie das liebe Brot

zur Nahrung uns gegeben,

wie viel Millionen Menschen sind,

die von Kartoffeln leben.

 

Salat davon, gut angemacht,

mit Feldsalat durchschossen,

der wird mit großem Appetit

von jedermann genossen.

 

Gebrätelt schmecken sie auch sehr gut,

in saurer Brüh' nicht minder,

Erdbirnenknöpfe essen gern

die Eltern und die Kinder.

 

Und selbst die schlechten

kann man noch zu etwas Gutem brauchen:

Man thut sie in ein Faß hinein

und thut sie recht verstauchen.

 

Und wenn sie dann verstauchet sein,

dann läßt man sie recht schweißen:

das gibt dann den Kartoffelschnaps,

der Fusel ist geheißen.

 

Hat jemand sich die Hand verbrannt

und hilft dafür kein Segen,

so thut man auf die Hand sogleich

Kartoffelschabig legen.

 

 

 

sauter
Ferdinand Sauter (6 mei 1804 – 30 oktober 1854)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Christian Morgenstern werd geboren in München op 6 mei 1871. De poëzie van Morgenstern is nog steeds zeer populair in Duitsland, zijn filosofische en mythische werken zijn beïnvloed door Nietzsche en Rudolf Steiner. De dichter had een onregelmatig bestaan als kind en na de dood van zijn moeder werd hij vaak opgenomen in sanatoria. Morgenstern werkte eerst als journalist voor diverse bladen in Berlijn. In 1895 verscheen zijn eerste bundel In Phanta’s Schloß .

 

 

Drei Hasen

 

Eine groteske Ballade


Drei Hasen tanzen im Mondschein
im Wiesenwinkel am See:
Der eine ist ein Löwe,
der andre eine Möwe,
der dritte ist ein Reh.


Wer fragt, der ist gerichtet,
hier wird nicht kommentiert,
hier wird an sich gedichtet;
doch fühlst du dich verpflichtet,
erheb sie ins Geviert
und füge dazu den Purzel
von einem Purzelbaum,
und zieh aus dem Ganzen die Wurzel
und träum den Extrakt als Traum.


Dann wirst du die Hasen sehen
im Wiesenwinkel am See,
wie sie auf silbernen Zehen
im Mond sich wunderlich drehen
als Löwe, Möwe und Reh.

 

 

 

Der Lattenzaun

 

Es war einmal ein Lattenzaun,
mit Zwischenraum, hinidurchzuschaun.


Ein Architekt, der dieses sah,
stand eines Abends plötzlich da -


und nahm den Zwischenraum heraus
und baute draus ein großes Haus.


Der Zaun indessen stand ganz dumm,
mit Latten ohne was herum,


Ein Anblick gräßlich und gemein.
Drum zog ihn der Senat auch ein.


Der Architekt jedoch entfloh
nach Afri - od - Ameriko.

 

 

 

 

MORGENSTERN
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914)

 

De Franse schrijver Gaston Leroux werd geboren op 6 mei 1868 in Parijs Leroux is vooral bekend door The Phantom of the Opera (1910) waarvan verschillende toneelstukken en films bestaan en een afgeleide novelle van de hand van Susan Kay genaamd Phantom. Leroux volgde school in Normandië en studeerde rechten in Parijs waar hij afstudeerde in 1889. Hij leefde breed met de miljoenen die hij geërfd had tot het geld op was. In 1890 ging hij werken voor L'Echo de Paris als theatercriticus en rechtsverslaggever. Zijn belangrijkste journalistieke werk was echter als internationaal correspondent voor Le Matin. In 1905 was hij aanwezig bij en deed hij verslag over de Russische Revolutie. Vanaf 1907 verliet hij de verslaggeving om zich toe te leggen op het schrijven van fictie. Vanaf 1919 startte hij een eigen filmhuis Cinéromans.

 

 

Uit: The phantom of the opera (vertaald door Lowell Bair)

 

“Is It the Ghost? It was the evening on which MM. Debienne and Poligny, the managers of the Opera, were giving a last gala performance to mark their retirement. Suddenly the dressing-room of La Sorelli, one of the principal dancers, was invaded by half-a-dozen young ladies of the ballet, who had come up from the stage after “dancing” Polyeucte. They rushed in amid great confusion, some giving vent to forced and unnatural laughter, others to cries of terror. Sorelli, who wished to be alone for a moment to “run through” the speech which she was to make to the resigning managers, looked around angrily at the mad and tumultuous crowd. It was little Jammes—the girl with the tip-tilted nose, the forget-me-not eyes, the rose-red cheeks and the lily-white neck and shoulders—who gave the explanation in a trembling voice:
“It’s the ghost!” And she locked the door.”

 

 

Leroux
Gaston Leroux (6 mei 1868 – 15 april 1927)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Fried wasnaast Hans Magnus Enzensberger de belangrijkste vertegenwoordiger van de politieke poëzie van na WO II. Hij is ook de belangrijkste vertaler van Shakespeare in het Duits.

Bovendien vertaalde hij werk van T. S. Eliot en Dylan Thomas. Fried bemoeide zich direct met de politiek in zijn tijd. Hij hield lezingen, deed mee aan demonstaties en nam openlijk kritische, linkse posities in.

 

Vorübungen für ein Wunder

 

Vor dem leeren Baugrund
mit geschlossenen Augen warten
bis das alte Haus
wieder dasteht und offen ist

 

Die stillstehende Uhr
so lange ansehen
bis der Sekundenzeiger
sich wieder bewegt

 

An dich denken
bis die Liebe
zu dir
wieder glücklich sein darf

 

Das Wiedererwecken
von Toten
ist dann
ganz einfach

 

 

 

Zu guter Letzt

 

Als Kind wußte ich:
Jeder Schmetterling
den ich rette
Jede Schnecke
und jede Spinne
und jede Mücke
jeder Ohrwurm
und jeder Regenwurm
wird kommen und weinen
wenn ich begraben werde

 

Einmal von mir gerettet
muß keines mehr sterben
Alle werden sie kommen
zu meinem Begräbnis

 

Als ich dann groß wurde
erkannte ich:
Das ist Unsinn
Keines wird kommen
ich überlebe sie alle

 

Jetzt im Alter
frage ich: Wenn ich sie aber
rette bis ganz zuletzt
kommen doch vielleicht zwei oder drei?

 

 

 

Fried
Erich Fried (6 mei 1921 – 22 november 1988)

 

De Franse schrijfster Marie-Aude Murail werd geboren op 6 mei 1954 in Le Havre. Zij stamt uit een familie van schrijvers. Ook haar broer Lorris Murail is schrijver en haar vader Gérard Murail is dichter. Murail studeerde filosofie aan de Sorbonne. Zij een in een in Frankrijk uiterst succesvolle schrijfster van, voornamelijk, jeugdboeken. Zij schrijft echter ook essays, columns en verhalen.

 

Uit: Simple (Duitse vertaling)

 

Auch Colbert war den ganzen Vormittag gestresst.Wie sollte er seinen Bruder vorstellen? Würde er ihn reden lassen?

»Hast du dir die Hände gewaschen? «Simpel hielt sie jetzt zum zehnten Mal unters Wasser. Die Nervosität seines Bruders verschreckte ihn. »Okay. Und du nimmst deinen Verolver nicht mit, verstanden?«

»Ich hab mein Messer.«

Colbert sah ihn mit noch düstererem Blick an als gewöhnlich.

»Hannihösöhaseheem«, stammelte Simpel.

»Was?«

Simpel stellte sich auf die Zehenspitzen und flüsterte seinem Bruder ins Ohr: »Kann ich Monsieur

Hasehase mitnehmen?«

Er flehte. Colbert zögerte, dann dachte er an die Wirkung, die das Auftauchen des Hasen hervor-

gerufen hatte und entschied klar:

»Du lässt ihn hier.«

Als sie aufbrachen, suchte er jedoch sein neues Handy, und Simpel nutzte die Gelegenheit, um

Monsieur Hasehase in seine Tasche zu stopfen.

»Warum hab ich denn kein Tefelon?«, fragte er mit ganz unschuldigem Gesicht.

»Weil du meins kaputt gemacht hast.«

»Warum hab ich dein Tefelon kaputt gemacht?«

»Weil du bescheuert bist.«

»Oh, oh …«

»Ja, ja, böses Wort!« Colbert wurde hysterisch.

Die WG war nur zwei Straßenecken entfernt.

»Ich drück den Knopf, ich bin’s!«, rief Simpel vor der Sprechanlage an der Haustür.Sein Bruder schnappte ihn an der Jacke. »Jetzt hör mir mal zu. Entweder verhältst du dich ruhig, oder ich schicke dich nach Malicroix zurück.«

Simpel wurde bleich, und Colbert bekam augenblicklich Gewissensbisse. Er drückte die Klingel,

neben der WG stand.“

 

 

Murail
Marie-Aude Murail (Le Havre, 6 mei 1954)