Ion Creanga, Oktay Rifat, Peter Kurzeck, Antun Mihanović, Tijl Nuyts


De Roemeense schrijver Ion Creanga werd geboren op 10 juni 1839 in Humuleşti. Zie ook alle tags voor Ion Creanga op dit blog.

Uit: Memories of My Boyhood (Vertaald door Ana Cartianu en R.C. Johnston)

“One day what should come into the priest's head but to inspect our prayerbooks. Seeing them all bloodstained, he clutched his head in horror. As soon as he found out how they had got into this shocking state, he summoned each one of us in turn to Dapple-Grey's back and began to belabour us with St. Nicholas, bishop in partibus, as retribution for the pains the martyred flies and the holy bumble-bees had suffered at our hands.
Not long after this, one day in the month of May, close upon the Whitsun Moşi1 festival, the Evil One prompted Master Vasile, the blockhead, for I have no better word for him, to appoint a fellow called Nică, Costache's son, to test my knowledge. Nică, who was older than me and whose scholarship was a trifle more than non-existent, had quarrelled with me on account of little Smaranda, whom, one day, with every sign of regret, I had been forced to shove away because she would interfere with my catching flies. So Nică began to examine me, and just went on examining and examining and didn't he just score mistakes wholesale on a piece of shingle: one, two, three, and so on up to twenty-nine! "My word, this is past a joke," I said to myself. "He has not yet finished examining me, and think of all the mistakes to come!" All of a sudden, everything went black in front of me and I began to tremble with anger. "Well, well, I am in a hole! What's to be done about it?" I kept asking myself. Slyly I glanced at the door of salvation and kicked my heels impatiently, waiting for some loiterer outside to come in, for there was a school rule that two people should not walk out at the same time. My heart was fit to burst within me seeing that no one would come in and give me a chance of escaping mounting Dapple-Grey and receiving the blessing of St. Nicholas, that dispenser of black and blue.“


Ion Creanga (10 juni 1839 – 31 december 1889)
Het geboortehuis van Ion Creanga, nu museum

Lees meer...


Oktay Rifat, Peter Kurzeck, Ion Creanga, Antun Mihanović, Marcus Roloff


De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Zie ook mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.en ook mijn blog van 10 juni 2009 ook mijn blog van 10 juni 2010



Das Brot und die Sterne


Mein Brot auf dem Knie,

Die Sterne ferne, ganz ferne.

Die Sterne betrachtend ess ich mein Brot.

Ich bin versunken, dass ich wohl auch

Mich manchmal irre und statt des Brots

Sterne verzehre.



Vertaald door Prof. Annemarie Schimmel






He died, he doesn't know that he is


His hands are at his sides, they'll carry

him away,

He cannot say: 'I will not go'.

He couldn't taste the sweets and cakes,

He couldn't even thank the friends

Who carried off his coffin.

Ah, his death is not like someone else's!






I must give thanks

To my boots and my coat.

I must give thanks to the falling snow

To today, to this joy...

Thanks for having trodden the snow

Thanks to the sky and the earth

To the stars whose names I don't know-

Praise be to water and fire!




Vertaald door Bernard Lewis




Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988

Lees meer...


Louis Couperus, Saul Bellow, Oktay Rifat, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Peter Kurzeck, Ion Creanga, Norbert Bugeja

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blogs van 10 juni 2006 en van 16 juli 2006 en mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.


Uit: Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan...


De diepe basstem van Steyn klonk in de vestibule.

- Kom Jack, kom hond, kom je meê met den baas! Kom je meê!?

De blijde blaf van den terrier galmde op, en néêr over de trap stormde zijn uitbundige vaart, als struikelde hij over zijn eigen pooten.

- O, die stem van Steyn! siste mama Ottilie tusschen hare tanden, en zij sloeg driftig bladen om van haar boek.

Charles Pauws zag haar rustig aan, met zijn glimlachje, zijn lach om mama. Hij zat, vóór hij naar Elly zoû gaan, na den eten bij zijn moeder en hij dronk zijn kopje koffie. Steyn ging met Jack uit; de avondstilte effende zich door het kleine huis, en in de zitkamer, onpersoonlijk en ongezellig, suisde het gas. Charles Pauws keek naar de punten van zijn bottines, en vond, dat ze goed zaten.

- Waar is Steyn naar toe? vroeg mama, en hare stem siste, ongerust.

- Gaan wandelen met Jack, zei Charles Pauws; thuis noemde men hem Lot; zijn stem klonk zacht en kalmeerend.

- Naar zijn meid is hij toe! siste mama Ottilie.

Lot had een beweging van moê-zijn.

- Hè, mama, zeide hij. Wees nu kalm, en denk niet meer aan de scène. Ik ga straks naar Elly, en nu zit ik nog een oogenblikje gezellig bij u, niet waar. Steyn is toch je man... Je moest niet altijd zoo met hem kibbelen, en zulke dingen zeggen, of denken. Je bent weêr net een kleine furie geweest. Dat geeft rimpels, zoo boos te zijn.

- Ik ben tòch een oude vrouw.

- Maar je hebt nog een heel zacht velletje...

Mama Ottilie glimlachte en Lot stond op.

- Kom, zeide hij; geef me een zoen. Wil je niet? Moetik je een zoen geven? Kleine, booze moesje... En waarom? Om niets. Ik weet het ten minste niet meer, waarom. Ik zoû het niet meer kunnen analyzeeren. Ja, zoo gaat het... Hoe ben ik toch zoo kalm, met zoo een kleine furie van een mama.

- Als je denkt, dat je vader kalm was...!

Lot lachte, zijn lachje; antwoordde niet. Mevrouw Steyn de Weert las rustiger door; zij zat voor haar boek als een kind. Zij was een vrouw van zestig jaren, maar haar blauwe oogen waren als van een kind, teeder mooi, lief en onschuldig, en haar stem, wat schelletjes, klonk altijd kinderlijk, en had nu geklonken als van een stoùt kind. Kleintjes en recht in haar stoel, las zij nu door, met aandacht, zich kalmeerende, omdat Lot zoo kalm gesproken had en haar zoo lief had een zoen gegeven. Het gas suisde en Lot dronk zijn koffie, en ziende naar zijn bottines, vroeg hij zich af, waarom hij ging trouwen.





Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

Standbeeld in Den Haag





De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellow werd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007  en ook mijn blog van 10 juni 2008.


Uit: Herzog


„If I am out of my mind, it's all right with me, thought Moses Herzog.

Some people thought he was cracked and for a time he himself had doubted that he was all there. But now, though he still behaved oddly, he felt confident, cheerful, clairvoyant, and strong. He had fallen under a spell and was writing letters to everyone under the sun. He was so stirred by these letters that from the end of June he moved from place to place with a valise full of papers. He had carried this valise from New York to Martha's Vineyard, but returned from the Vineyard immediately; two days later he flew to Chicago, and from Chicago he went to a village in western Massachusetts. Hidden in the country, he wrote endlessly, fanatically, to the newspapers, to people in public life, to friends and relatives and at last to the dead, his own obscure dead, and finally the famous dead.

It was the peak of summer in the Berkshires. Herzog was alone in the big old house. Normally particular about food, he now ate Silvercup bread from the paper package, beans from the can, and American cheese. Now and then he picked raspberries in the overgrown garden, lifting up the thorny canes with absent-minded caution. As for sleep, he slept on a mattress without sheets – it was his abandoned marriage bed – or in the hammock, covered by his coat. Tall bearded grass and locust and maple seedlings surrounded him in the yard. When he opened his eyes in the night, the stars were near like spiritual bodies. Fires, of course; gases – minerals, heat, atoms, but eloquent at five in the morning to a man lying in a hammock, wrapped in his overcoat.“





Saul Bellow (10 juni 1915 - 5 april 2005)






De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Zie ook mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.



Once upon a time


From behind each tree you appeared

in such great numbers that I felt alone,

and amid the gust of your mad movements

my laffer against the fortress whirled away.


I met you at the corner of each street,

you were so absent that I cried, lost myself.

Within clouds reminiscent of ancient seas

floated rocks gnawed down with your blood.


What a pity! You vanished in great numbers

as if coexistent with a time that never was.

I bent and picked up the sky from the ground,

the sky you had carelessly dropped, dropped.




Vertaald door Taner Baybars








To fall behind; in science, in art, leafless

And without blossom in the spring; an aching star

    Imprinted on the forehead.


To fall behind; doomed to the wooden plough

When you could cut through steel like paper

    Vanquished in time.


To fall behind; buried in the caves of religion

Hands to your flanks and starved, against the torrent

    Against the others.


To fall behind; fear men as one fear jackals

Where one could live in brotherhood, to grasp

    At snakes instead.


To fall behind; ignorant and louse-ridden

Tight as a bow within a sombre gorge;

    To break loose with that impetus!





Vertaald door Nermin Menemencioglu.






Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988)






De Nederlandse schrijfster Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.


Uit: Van lieverlede


“Uit alle macht smeet Dannie het rotankrukje de kamer in. De zitting vloog eraf en brak een ruit van de tuindeuren, kledingstukken fladderden naar buiten en bij het neerkomen van het krukje sloeg de tegen de bodem aangestopte rest van het wasgoed in een hoekige prop over de rand. Met een langgerekte gil rende Coby naar de keuken. Dannie merkte het niet, hij zocht een volgend voorwerp om zijn woede op te koelen, greep de stoel, sloeg hem tegen de muur tot het onderstel afbrak en zonder op de richting te letten wierp hij de rugleuning van zich af. Hanna gaf een schreeuw van pijn. Van een afstand hoorde ze haar zusters laarzen over het zeil. Even was het stil en toen begon Coby te lachen, eerst zenuwachtig, dan in lange uithalen en ten slotte liet ze zich onder een stroom van tranen op haar knieën vallen. Het bloed was uit zijn gezicht getrokken. Hij bracht zijn hand omhoog, raakte met zijn vingers de vork die Coby in zijn nek geplant had en trok hem eruit.”





Mensje van Keulen (Den Haag, 10 juni 1946)






De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.


Uit: De wil en de weg


In de periode dat hij ieder jaar een boek voltooide, was Jan Wolkers een dagschrijver. Hij stond om zeven uur op. Na de ochtendgymnastiek en het ontbijt ging hij van de Zomerdijkstraat in Amsterdam-Zuid naar zijn huisje in de volkstuin aan de Amstel. Tussen de bamboe en de Hindoe-Javaanse beelden schreef hij daar van tien tot twee.

‘Het koele ochtendlicht,’ vertelde hij me, ‘is een goed begin. Vroeger verwarmde ik het huisje met een petroleumkachel, die een vochtige hitte gaf. Na een uur besloegen de ramen en zo vormde zich vanzelf een scherm om me heen.’

Van twee tot zes was hij op zijn atelier, waar hij schilderde of beeldhouwde. Tijdens dat werk kwam hij volledig tot rust. ’s Avonds konden voor Wolkers wel boeiende passages ontstaan, maar ze moesten de volgende morgen met een koel en nuchter oog gecontroleerd worden. Wolkers schreef zeven dagen per week. Het boek liet hem geen minuut los. Als hij ’s nachts naar de wc moest, liep hij langs zijn bureau en nam hij de tekst mee die hij overdag geschreven had. Plus een potlood. Anders zou hij, als hij op de wc zat en een fout in het manuscript ontdekte, onmiddellijk opstaan om alsnog een potlood uit zijn atelier te halen. Met alle vieze gevolgen van dien.





Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949)






De Duitse schrijver Peter Kurzeck werd geboren op 10 juni 1943 in Tachau, Bohemen. In 1946 werd zijn familie uit Tsjechoslowakije verdreven. Vanaf 1977 woont hij afwisselend in Frankfurt am Main en in Zuidfrankrijk. Kurzeck schrijft sterk autobiografische romans en verhalen, waarin Hessen en Frankfurt am Main vaak een grote rol spelen.  Sinds het midden van de jaren negentig werkt hij aan een meerdelig romanproject, een minitieuze kroniek van een enkel jaar uit zijn leven


Uit: Oktober und wer wir selbst sind


„Wieder Oktober. Du kommst aus dem Haus. Am Morgen, noch früh. Die Straße ist naß. Du kommst aus dem Haus und mußt stehenbleiben, so riecht es nach Herbst. Das abgefallene Laub. Gerade eben hast du aus der Nacht deinen Traum noch gewußt und jetzt ist er weg. Du spürst noch, wie er sich entfernt. Ein Luftzug, ein Vorhang, der sich bewegt. Flügel, die sich sacht regen, die Schatten von Flügeln, und dann ist er gegangen. Weg für immer. Die Tür fällt hinter dir zu. Man kommt aus dem Haus. Das Leben ist fremd.

Schon Herbst? Der Erzähler geht mit Frau und Kind hinter Bockenheim am Bahndamm entlang. Immer auf den Horizont zu und mit den Augen die Ferne suchen. Überall Kinder. Lassen Drachen steigen. Müssen rennen im Wind. Aber wo sind die Indianerwiesen hin, die noch kürzlich hier waren?

Das Jahr 1983. Ein Frankfurter Herbst, durch den wir gehen, als sei es ein einziger langer Tag. Man geht und denkt, man weiß genau, wer man ist – und dann kommt man abends heim und das Telefon klingelt.

Sein Freund Jürgen. Er ruft aus Frankreich an, aus Barjac, einer Kleinstadt weit im Süden. Dort hat er mit Pascale, die er liebt, ein winziges Restaurant, ein Restaurant mit drei Tischen. Der Erzähler am Telefon und sieht alles vor sich.“





Peter Kurzeck (Tachau, 10 juni 1943)






De Roemeense schrijver Ion Creanga werd geboren op 10 juni 1839 in Humuleşti. Hij volgde een opleiding tot priester en leraar. Zijn exentrieke gedrag en zijn kritiek op kerkelijke functionarissen brachten hem vaak in moeilijkheden. In 1875 leerde hij de dichter Mihai Eminescu kennen toen die als onderwijsinspecteur naar zijn school kwam. Zij raakten bevriend en Eminescu stimuleerde hem om de verhalen die hij vaak vertelde op te schrijven. Het grootste deel van zijn werk, waaronder ook de herinneringen aan zijn jeugd, ontstond tussen 1875 en 1883.


Uit: Memories of My Boyhood (Vertaald door Ana Cartianu and R.C. Johnston)


„I sometimes stop and call to mind the customs and people there used to be in my part of the world at the time when I had, so to speak, just begun to put a foot over the threshold of boyhood in my home in the village of Humuleşti. It faced the town on the other side of the waters of the River Neamţ; it was a large and cheerful village, divided into three closely connected parts: the village itself, the Deleni and the Bejeni. Moreover, Humuleşti in those days was not just a village of ne'er-do-wells but a prosperous and ancient village of freeholders, its reputation and standing having long since been assured, with farmers who knew their job, with stalwart young men and comely girls who could swing in the dance and swing the shuttle too, so that the village would buzz with the sound of looms on every side. It had a fine church and outstanding clergy, church elders and parishioners, who were a credit to their village. As for Father Ion, who lived at the foot of the hill, Lord, what an active and kindly man he was! On his advice lots of trees were planted in the graveyard—which graveyard was surrounded by a high fence of thick planks with eaves of shingles—and the fine room at the gate of the church precincts was built to serve as a village school. You should have seen this untiring priest going round the village, entering one house after another, together with one of his elders, Master Vasile, the son of Ilioaia, a sturdy, good-looking, handsome bachelor. The two of them would persuade people to send their children to get some schooling, and you should have seen the number of boys and girls who flocked into the school from all parts, myself among them, a puny, timid lad, afraid of my own shadow!“





Ion Creanga (10 juni 1839 – 31 december 1889)






Onafhankelijk van geboortedata:


De Maltese dichter Norbert Bugeja werd geboren in Siġġiewi in 1980. Hij studeerdeEngelse Taal-en Literatuur aan de universiteit van Malta en werkt momenteel aan een proefschrift aan de universiteit van Warwick. Zijn gedichten verschen o.a. in tijdschriften als Cadences, Rodopi, The Drunken Boat.

Zijn eerste eigen publicatie verscheen onder de titel Stay, Fairy tale, Stay! Memoirs of a City Cast Adrift.




Where does this wind hail from?
Where from this darkness?
Why are these ripe words falling from the trees?

From the street's end a voice was heard announcing:
“the city's lost itself in the poet's hair!”
Deep in the green bone-marrow of time-worn doors,
accents which slept through centuries crack open,
sentences invade the narrow alleys,
words ride the rain like earrings,
each syllable woven into a red mane
which screams its way amongst the curling streets.
In rue de l'union at five a.m.
the elderly Arab gazes at the sky:
“Somewhere a slightly alien phrase
must have been uttered,
and the city's lost control of her own body.”

On the city's outskirts, a little girl emerges,
her eyes dancing together with the roadsigns:
“why all this wind, mama, why all this darkness?”
And then she gets up on her bike without another word
and disappears in the anarchy of cadence.





Norbert Bugeja (Siġġiewi, 1980)






Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 10 juni 2007.

De Kroatische dichter en diplomaat Antun Mihanović
werd geboren in Zagreb op 10 juni 1796.



Louis Couperus, Oktay Rifat, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Antun Mihanović

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blogs van 10 juni 2006 en van 16 juli 2006 en mijn blog van 10 juni 2007.


Uit: Psyche


Reusachtig massief, met driehonderd torens, op den hoogsten top van een rotsgebergte, rees het koningsslot in de wolken.

Maar de top was breed vlak als een hoogland, en het slot breidde zich mijlen er uit, met wallen, met muren van tinnen, mijlen, mijlen ver uit...

En overal rezen de torens op, verloren in de wolken, en het slot was als een stad, hoog op de rots van bazalt.

Rondom het slot cirkelden lager en verder, lager en verder, de valleien van het rijk, verschietende met horizonnen, de een achter den ander en altijd, altijd door.

Achter de kimmen daagden weêr kimmen; achter de rozige zilveren; achter de blauwende goudene; achter de grauwende bleekende nevelende, wemelende weg, en nooit was de laatste te zien: bij helder weêr doemde achter den einder altijd een einder weêr.

Ze cirkelden eindeloos achter elkaâr, ze verloren zich in wegtrillende misten, en plotseling teekende scherper zich af de silhouet van hun kim.

Over de hooge torens streek soms een waas van wolkfloers heen, maar onder bruiste een vloed, die zich stortte wanhopig als waterval in een afgrond van peillooze duizeling.

Zoo scheen het of het kasteel oprees tot de hoogste starren, en daalde tot in de diepste middenpuntnaven der aarde.

Langs de meer dan mannehoogen kanteelen dwaalde Psyche veel rond, rondom het slot, dwaalde ze van toren naar toren, van tinne naar tin, met een glimlach van gedroom. Dan keek ze naar boven en strekte de hand als naar de starren, of keek naar beneden in het regenbogende watergeklots, tot het duizelde in haar hoofdje, en zij ijlings zich trok terug en de handjes sloeg voor de oogen. En heel lang kon zij dan zitten in den hoek van een kanteel, de oogen ver, een lachje om hare lippen, de knieën opgetrokken en met de armen omvangen, en hare kleine vleugels lagen uitgespreid aan tegen het mossige steen, als een kapelletje, dat zat onbewegelijk.

En zij tuurde naar de kimmen.

En hoe zij ook tuurde, zij zag er altijd meerdere.

Dichtbij waren het groene valleien, met grazende schapen bespikkeld, sappige weiden met vette vee; wuivende korens, scheeprijke kanalen; en het huizengevlak an een dorp. Verder werden het lijnen van wouden, toppen van heuvels, kammen van bergen, of ruw uitgehakt, onverwachts, een massa van hoekig bazalt. Nog verder, nevelden steden weg met minaretten en dommen, koepels en spitsen, schoorsteenen, die rookten, het lint van een breede rivier... Nog verder, verteederden horizonnen in melkblank en opaal gedroom, geen lijn meer, maar tint alleen, weêrschijn van laatsten zonneglans, verheveling of er meren spiegelden, eilanden rezen laag aan de lucht, luchtparadijzen, waterstrepen van hemelzee, oceanen van ether en lichttrillende niets...

En Psyche tuurde, tuurde voor zich uit...

Zij was het derde prinsesje, de jongste dochter van den ouden koning, vorst van het Rijk van Verleden... Zij was altijd heel eenzaam, hare zusters zag ze weinig, haar vader maar een enkel oogenblik des avonds, voor zij slapen ging, en, zoo ze kans zag, vluchtte zij weg van de mummelende voedster, en dwaalde zij langs de tinnen, en droomde zij, met haar oogen ver, ver turende uit naar het wijde rijk, dat cirkelde weg in het niets... O, hoe ze verlangde te gaan, verder dan het slot, te gaan naar de weiden, de wouden, de steden, te gaan naar de spiegelende meren, opalen eilanden, oceanen van ether, en dan naar dat verre, verre niets, dat zoo trilde als een bleek, bleek licht... Zoû zij ooit nog de poorten uit kunnen gaan? O, hoe zij verlangde te dwalen, te zoeken, te vliegen... Te vliegen, o te vliegen, te vliegen als de musschen, de duiven, de arenden...!

En zij klepte met hare wiekjes, zwak. het waren, aan hare schoudertjes teêr, twee wiekjes als van een heel groote kapel, doorschijnende vlies, karmozijn bestuifde en zachtgeel, azuurtjes en rozig geaderd, waar ze vasthechteden aan haar rug, en op ieder wiekje gloeiden twee oogen, zooals op de staart van een pauw, maar fijner van kleur, en schitterend als gestampt juweel: gestampt saffier en smaragd op fluweel, en het fluweelen oog viermalen gezet in het schitterstof van de wiekjes.

Ze klepte er meê, ze kon er niet meê vliegen.

Dàt, dat was haar groote verdriet, en dàt, dat was haar peinzen, waarvoor ze dan dienden, die vleugeltjes, daar aan haar schouderblaadjes. En ze schokte er meê, en klepte er meê, maar ze rees niet boven den grond: haar fijne figuurtje verluchtigde niet, haar naakte voetje bleef vast aan den grond, en alleen haar heel fijne sluiertje, dat sleepte een beetje rondom haar blank-blanke leedjes heen, werd even gewapperd òp, door een vlaagje van vleugeltjeswaai.”





Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)





De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Zie ook mijn blog van 10 juni 2007.




It's torturing me:

I am an accountant

but I can't do Maths.

My favourite food is Prophet's Passion Aubergines -

they don't agree with me,

I know a girl with freckles,

I love her,

she doesn't love me.

Blacker than a grape,
waist finer than a needle,
how does the ant climb
the slopes with its burden?
Look at the state of this world,
look at the ruined order,
hatched yesterday,
today the dove of passion.
In the twinkling of an eye
the hawk swoops on the swallows.
When the monster's by the waterside
the gazelle is covered in blood.
I'm carrying the whole burden.
I have to think about each of them one by one,
the young coming into the world
ignorant of the world.
The sun rise in the east -that's for sure-
no surprise.
Then I'm the one who has to worry
when the bee stings a child.
The fox's paw is bloody-
something happens to the lamb.
What is the point, Oktay,
of paint for wolf and bird?




Vertaald door Richard McKane


Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988)







De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellow werd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007.


Uit : Seize The Day


« By that time Wilhelm too had taken his new name. In California he became Tommy Wilhelm. Dr. Adler would not accept the change. Today he still called his son Wilky, as he had done for more than forty years. Well, now, Wilhelm was thinking, the paper crowded in disarray under his arm, there's really very little that a man can change at will. He can't change his lungs, or nerves, or constitution or temperament. They're not under his control. When he's young and strong and impulsive and dissatisfied with the way things are he wants to rearrange them to assert his freedom. He can't overthrow the government or be differently born; he only has a little scope and maybe a foreboding, too, that essentially you can't change. Nevertheless, he makes a gesture and becomes Tommy Wilhelm. Wilhelm had always had a great longing to be Tommy. He had never, however, succeeded in feeling like Tommy and in his soul had always remained Wilky. When he was drunk he reproached himself horribly as Wilky. "You fool, you clunk, you Wilky!" he called himself. He thought that it was a good thing perhaps that he had not become a success as Tommy since that would not have been a genuine success. Wilhelm would have feared that not he but Tommy had brought it off, cheating Wilky of his birthright. Yes, it had been a stupid thing to do, but it was his imperfect judgment at the age of twenty which should be blamed. He had cast off his father's name, and with it his father's opinion of him. It was, he knew it was, his bid for liberty, Adler being in his mind the title of the species, Tommy the freedom of the person. But Wilky was his inescapable self.  
In middle age you no longer thought such thoughts about free choice. Then it came over you that from one grandfather you had inherited such and such a head of hair which looks like honey when it whitens or sugars in the jar; from another, broad thick shoulders; an oddity of speech from one uncle, and small teeth from another, and the wide gray eyes with darkness diffused even into the whites, and a wide-lipped mouth like a statue from Peru. Wandering races have such looks, the bones of one tribe, the skin of another. From his mother he had gotten sensitive feelings, a soft heart, a brooding nature, a tendency to be confused under pressure.  
The changed name was a mistake, and he would admit it as freely as you liked. But this mistake couldn't be undone now, so why must his father continually remind him how he had sinned? It was too late. He would have to go back to the pathetic day when the sin was committed. And where was that day. Past and dead. Whose humiliating memories were these? His and not his father's. What had he to think back on that he could call good? Very, very little. You had to forgive. First, to forgive yourself, and then general forgiveness. Didn't he suffer from his mistakes far more than his father could.  
"Oh God," Wilhelm prayed. "Let me out of my trouble. Let me out of my thoughts, and let me do something better with myself. For all the time I have wasted I am very sorry. Let me out of this clutch and into a different life. For I am all balled up. Have mercy."





Saul Bellow (10 juni 1915 - 5 april 2005)





De Nederlandse schrijfster Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag als Mensje Francina van der Steen, roepnaam Mennie. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007.


Uit : Bleekers zomer


“Annie woonde boven een loodgieter op de Geldersekade. De voorkamer werd vrijwel geheel in beslag genomen door een wit plastic bankstel om een kloostertafel. In de hoek hing een kastje waarin een rij lichte lectuur, het theeservies en de radio stonden. Verder waren de muren, schoorsteen en vensterbanken opgedirkt door schreeuwerige snuisterijen.
Ze schopte haar schoenen uit en kneep in haar voeten. 'Wou je nog wat drinken, schatje?'
'Liever niet,' zei Bleeker en liep naar het achterste vertrek waar ie zich op bed liet vallen. Het kostte hem geen enkele moeite zijn ogen dicht te doen. Wel om ze weer te openen en daar had ie geen zin in. Hij sliep bijna toen Annie z'n schoenen los veterde en 'm z'n kleren uittrok.
'Geef es 'n beetje mee,' zei ze hijgend onder het sjorren aan hem en het dek waar ze hem onder wou hebben.
Hij ging enigszins overeind zitten. Door de spleetjes van z'n ogen zag ie hoe Annie in haar vette nakie de dekens over z'n eigen blote lichaam trok. Daarna kwam ze in bed en kroop onmiddellijk tegen hem aan.
'Hé,' fluisterde ze, 'draai je es even om.' En toen het stil bleef: 'Je slaapt toch niet?' Ze wachtte even. 'Ik maak je wakker hoor.'
Bleeker had, op slapen na, nergens trek in. Hij haalde zo regelmatig mogelijk adem en bleef, alhoewel dat inspanning kostte, roerloos liggen.
Annie voegde de daad bij het woord en prikte een vinger tussen zijn billen.
'Aaah,' kreet hij en draaide zich met 'n slag op z'n rug. Het volgende moment werd ie bedolven onder haar zware bovenlichaam. Ze beet in z'n buik, likte z'n navel, draaide haar vingers in het weinige borsthaar dat ie bezat en gaf niet op ondanks zijn 'nee nee' geroep. Ze draaide zich zelfs om en leunde haar handen op z'n heupen, terwijl ze met een been over hem heen stapte om met haar volle gewicht boven op z'n borst te gaan zitten.




Mensje van Keulen (Den Haag, 10 juni 1946)






De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007.


Uit : Iets van Bach


“De kerk schuifelde leeg. Moeder droeg een wijde witte mantel en een blauwe hoed; ze hield mijn hand stevig vast en ik peinsde er niet over die koele kanten handschoen los te laten. Het orgel speelde; de kerkgang was die pinkstermorgen niet anders dan op gewone zondagen - gewichtig en voornaam.

Op het grintpad kwam mevrouw Tak naast ons lopen. De wind veegde de laatste wolken uit de hemel; mevrouw Tak sprak op fluistertoon en bij iedere stap zag ik het gezicht van moeder opklaren.

Aan tafel glom ze. Mevrouw Tak, die van haar meisjesnaam Jørensen heette, had ons zomaar haar zomerhuis aangeboden. Vader wriemelde aan zijn stijve boord en knikte instemmend; het aanbod verraste hem allerminst; hij had pakkend gepreekt en bovendien uit de Tafelredes geciteerd; die lutherse mevrouw mocht tevreden wezen.

Een paar maanden eerder was ze in Portland komen wonen, een met een Rotterdamse havenbaron getrouwde Deense, blond natuurlijk, en nogal opzichtig. Moeder had het direct goed met haar kunnen vinden. Waarom begreep ik niet, of wilde ik niet begrijpen; voor mij paste die opgedirkte mevrouw niet bij mijn moeder, want behalve beschilderd was ze ver in de dertig èn kinderloos, wat ik met mijn gezonde polderogen en mijn al behoorlijk scherpe kijk op de wereld van een onbetamelijke zorgeloosheid vond getuigen.

Het zomerhuis lag hoog in Jutland, op een heuvel. Het was van hout en keek uit over een fjord. We reisden er met de trein heen; de broer van mevrouw Tak-Jørensen kwam ons van het station in Vejle afhalen. Hij had een brede neus, een brede mond en een brede glimlach. Professor Jørensen was ronduit aardig - misschien zelfs te aardig; we kenden hem nauwelijks of hij nodigde ons al uit de volgende zaterdag bij hem thuis te komen eten. Hij woonde in een verbouwde boerderij, niet ver van het zomerhuis.

Voor hij vertrok, kuste hij de hand van moeder. Ik had nog nooit iemand de hand van mijn moeder zien kussen, en schrok. Vader lette er niet op. Sloom over de balustrade leunend staarde hij naar de dotten avondnevel die als watten op het gladde water tussen de heuvels dreven en mompelde geheel in zichzelf gekeerd: ‘Dit is nou echt het noorden.’

Moeder was erg mooi die zomer. Ze had haar haren kort laten knippen en dat maakte haar een stuk jonger. Voor in de veertig leek ze weer op de foto die in de late jaren twintig van haar genomen was, ergens in midden-Europa. Op die foto vond ik haar wonderlijk.

Eenmaal weg uit Portland werd ze dat opnieuw. Ze keek niet op een streepje lippenstift meer of minder en stak af en toe een sigaretje op, gniffelend als een nog niet helemaal volwassen meisje.”




Jan Brokken
(Leiden, 10 juni 1949)






Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 10 juni 2007.


De Kroatische dichter en diplomaat Antun Mihanović werd geboren in Zagreb op 10 juni 1796.





Louis Couperus, Oktay Rifat, Antun Mihanović, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blogs van 10 juni 2006 en van 16 juli 2006.


Uit: De kleine zielen


“Het stortregende en Dorine van Lowe was doodmoe, toen zij, die middag, vóór het diner nog even bij Karel en Cateau aanwipte, maar Dorine was tevreden over zichzelf. Zij was na de lunch dadelijk uitgegaan en had heel Den Haag doortrippeld en doortramd; zij had veel bereikt zo niet alles en haar vermoeide gezicht stond heel blij en haar levendige zwarte ogen flonkerden.

- Meneer en mevrouw nog niet aan tafel, Sientje? vroeg zij de meid, buiten adem, zenuwachtig, en eensklaps schrikkende, dat het te laat zou zijn.

- Neen, juffrouw, maar het is op slag van zessen, zei Sientje streng.

Dorine van Lowe wipte door de vestibule, holde de trap op, vergetende haar natte parapluie in de standaard te zetten. Zij hield die krampachtig in de ene hand, tegelijk met haar rok, die zij vergat los te laten; in haar arm drukte zij een pakje tegen zich aan, onder haar pélerine; in de andere hand had zij haar mof en haar oude, zwart satijnen réticule; met diezelfde hand zocht zij in een bovenmenselijke inspanning naar haar zakdoek en wist zich de neus te snuiten zonder iets te laten vallen; alleen waaiden vier, vijf trambilletjes rondom haar heen, terwijl zij dit deed.

Oude Sientje volgde haar even met de blik, streng. Toen ging zij naar de keuken, haalde een doek, veegde kalm langs de vestibule en trap een spoortje van regen en wat natte druppels af en plukte zorgvuldig de trambilletjes weg van de loper.

Dorine trad in de zitkamer van haar broer, Karel van Lowe. Hij zat rustig bij een goed vuur en las: een man van vijf-en-veertig; zijn fris geschoren gelaat glom rozig en jong; zijn dik, glanzend haar was netjes gekamd met een fikse kuif; zijn snor verfde hij zwart en hij had, als Dorine, de zwarte ogen der Van Lowe's. Zijn brede figuur had in zijn nette kleren iets degelijks en goed doorvoeds; zijn vest plooide dik om zijn maag, en de horloge-ketting deinde op een rustige ademhaal: zó had hij iets kalms en gezonds, van bedachtzaam overleg en egoïste bezadigdheid...”




Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)


De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Tijdens zijn middelbare schooltijd in Ankara raakte hij bevriend met Orhan Veli en Melih Cevdet, met wie hij de dichtergroep Garip oprichtte. Rifat studeerde rechten in Parijs. Na zijn terugkeer naar Turkije werkte hij o.a als advocaat. Met Veli nam hij in 1950 deel aan een hongerstaking uit solidariteit met de gearresteerde Hikmet. Rifat was een van de vernieuwers van de Turkse poëzie.





Achterstand, in wetenschap, in kunst; op een bladloze

Bloesemloze voorjaarsdag; een pijnlijke ster

Dragen op 't voorhoofd
 Achterstand, de val van grond onder de houten ploeg;

Terwijl het staal dun als papier te snijden is

De tijd verdoen


Achterstand, in begraven godsdienstholen

Werkloos toezien, hongerig, tegen de regenvloed

Tegenover de hele wereld


Achterstand, de mens vrezen als ware het een jakhals

Terwijl met mensen broederlijk te leven is

De slang omhelzen


Achterstand, geen lering en geen licht, alleen maar luis

Als een boog gespannen staan, met het vuur na aan de schenen

Zich ontladen met die vaart!



Vertaald door Thijs Rault





He died -

he doesn't know he died,

his two hands lie by his side.

They'll carry him away,

nor can he say,

'I won't go!'

He couldn't even give thanks

to the friends who bore his coffin.

Ah, his death is like no other's.

Vertaald door Ruth Christie
Das Brot und die Sterne

Das Brot auf meinen Knien
Die Sterne in der Ferne, ganz fern
Ich esse das Brot, zu den Sternen schauend
Bin ich so in Gedanken versunken
Dass ich manchmal statt Brot
Die Sterne esse.





Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988)


De Kroatische dichter en diplomaat Antun Mihanović werd geboren in Zagreb op 10 juni 1796. Hij studeerde in Zagreb filosofie aan het gymnasium. Na die studie volgde hij een studie rechten in Wenen. Na zijn studies verbleef hij in Zagreb, Venetië en Padua tot hij in de diplomatieke dienst van het Habsburgse Rijk terecht kwam. Mihanović had een grote interesse in de filologie en hield enorm veel van zijn moedertaal, het Kroatisch. In 1815 publiceerde hij een brochure waarin hij pleitte voor de invoering van de Kroatische taal in het openbare leven in plaats van het Latijn. Dit besluit werd door het Kroatische parlement pas in 1847 genomen. In 1835 schreef hij Lijepa naša domovino, het volkslied van Kroatië.


Unsere schöne Heimat (Lijepa naša domovino)


Unsere schöne Heimat,

Heldenhaftes liebes Land,

Alten Ruhmes Vätererbe,

Ewig sollst du glücklich sein!


Lieb bist du uns, wie du ruhmreich,

Lieb bist du uns, du allein,

Lieb bist du uns, wo du eben,

Lieb, wo du Gebirge bist.


Fließe Sava, Drau fließe,

Auch du Donau, verliere deine Kraft nicht.

Blaues Meer, sage der Welt:

Dass der Kroate sein Volk liebt,


So lange die Sonne seine Felder wärmt,

So lange die Bora seine Eichen umweht,

So lange das Grab seine Toten bedeckt,

So lange ihm sein lebendiges Herz schlägt.




Antun Mihanović (10 juni 1798 – 14 november 1861)


De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellow werd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006.


Uit: Ravelstein (2000)


“Odd that mankind's benefactors should be amusing people. In America at least this is often the case. Anyone who wants to govern the country has to entertain it. During the Civil War people complained about Lincoln's funny stories. Perhaps he sensed that strict seriousness was far more dangerous than any joke. But critics said that he was frivolous and his own Secretary of War referred to him as an ape.

Among the debunkers and spoofers who formed the tastes and minds of my generation H. L. Mencken was the most prominent. My high school friends, readers of the American Mercury, were up on the Scopes trial as Mencken reported it. Mencken was very hard on William Jennings Bryan and the Bible Belt and Boobus Americanus. Clarence Darrow, who defended Scopes, represented science, modernity, and progress. To Darrow and Mencken, Bryan the Special Creationist was a doomed Farm Belt absurdity. In the language of evolutionary theory Bryan was a dead branch of the life-tree. His Free Silver monetary standard was a joke. So was his old-style congressional oratory. So were the huge Nebraska farm dinners he devoured. His meals, Mencken said, were the death of him. His views on Special Creation were subjected to extreme ridicule at the trial, and Bryan went the way of the pterodactyl - the clumsy version of an idea which later succeeded - the gliding reptiles becoming warm-blooded birds that flew and sang.”




Saul Bellow (10 juni 1915 - 5 april 2005)


De Nederlandse schrijfster Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag als Mensje Francina van der Steen, roepnaam Mennie. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006.


Uit: De laatste gasten


“Dat jaar was er een hittegolf die maar niet wilde ophouden. Ik had het raam in mijn kamer al voor de achtste of negende nacht wijd openstaan en werd wakker van een slurpend geluid. Ik dacht dat het eindelijk was gaan regenen en de goot het niet aankon, maar het bleek Lena die achter een kussen aan mijn kamer binnenkroop. Pas toen ik het licht had aangedaan, zag ik dat het kussen haar eigen lijf was in het grote T-shirt met het hart van glitter dat tot boven haar middel was opgestroopt. Ze leek er erger aan toe dan de vorige keer. Misschien was ze aan het doodgaan. Dat was dan niet mijn schuld, al zouden ze kunnen zeggen van wel als ik haar zo liet liggen. Waarom was ze niet netjes in haar bed gebleven? Ze was niet netjes. Ze wilde mij ermee opzadelen. Ik trok haar T-shirt omlaag en stapte over haar heen om te bellen. Binnen een halfuur werd ze door twee mannen vastgesnoerd op een brancard en de trap af gedragen. De een had zijn blonde haar in een staartje gebonden, de ander was gemillimeterd, Lena zou hem als ‘een drietje’ hebben ingeschat. Uit hun hemden met korte mouwen staken gespierde armen, de blonde man droeg zijn trouwring om zijn horloge. De warmte in het trappenhuis was verstikkend en er hing een lucht van aardappelschillen en kerrie.”



Mensje van Keulen (Den Haag, 10 juni 1946)


De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006.


Uit: Schrijven is goed waarnemen en goed denken


“Hella S. Haasse (60) wipt uit haar stoel en loopt naar de werkkamer in haar flat in Den Haag; ik loop achter haar aan.

Zij: ‘Hier mag u niet kijken, het is een verschrikkelijke rommel.’ Lacht. Ik steek mijn hoofd om de deur, en inderdaad, de wanorde heerst in dit kleine vertrek: rond de bureaustoel staan vele dozen en op haar schrijftafel liggen hopen papier en enkele boeken.

‘Ik heb veel te weinig ruimte,’ zegt zij.

Zij pakt twee margarinedozen.

‘Dit is Mevrouw Bentinck.’

Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakter is de titel van haar achttiende en laatstverschenen boek; het is het uit fragmenten en brieven opgebouwde portret van een jonge vrouw die overhoop ligt met haar omgeving, die niet past in de tijd waarin zij leeft: het begin van de achttiende eeuw.

In de woonkamer zet zij de dozen op de grond. Er komen stapels fotokopieën uit. ‘Dit zijn de brieven van Charlotte Sophie - mevrouw Bentinck dus. Dit is het handschrift van Lottgen, haar zuster. Na een ongeluk kon zij niet meer met haar rechterhand schrijven; zij probeerde het met haar linkerhand, maar haar handschrift is zogoed als onleesbaar; ze schreef houterige verticale letters. Bovendien kon ze niet spellen, zij schreef fonetisch Frans. Die brieven moest ik hardop lezen om ze te begrijpen.’

Uit de tweede doos komen een stuk of tien blocnotes, aantekenboekjes en dummy's (‘lekker stevig papier’). Haar aantekeningen: klein, schuin handschrift, priegelig bijna. Vele doorhalingen. Citaten. Titels van boeken. Namen. Data. Een rijstebrij.

Geknield op de grond bekijken we het materiaal.

Zij, enthousiast: ‘Het is een labyrint waar niemand wijs uit kan worden, behalve ik. Ja, ik weet waar ik de dingen kan vinden, ik beschik over een visueel geheugen, ik kan ook zo een passage in een boek opslaan.”




Jan Brokken
(Leiden, 10 juni 1949)