24-04-17

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, George Oppen, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer

 

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: De tuin der fantasie

“..Er is zoveel. dat vertelt op het ogenblik... Kijk eens naar buiten. Luister eens naar de stilte, en luister eens naar die vogel. die daar heel ver weg in avondzang zit te fluiten... En kijk eens naar de lucht. en zeg dan maar, dat de dichter van die psalm het wel geweten heeft toen hij zong: De hemelen verkondigen Gods eer, en het uitspansel Zijner handen werk... De dag aan de dag stort overvloediglijk sprake uit, de nacht aan de nacht toont weten-schap... Geen spraak, en geen woorden zijn er. waar hun stem niet wordt gehoord..." En de stem dezer stilte. de heerlijkheid van de sterrenhemel. en de wonderen der natuur in berg en bos. — dat alles is in Indië nog weer zo anders dan hier... Er is geen stilte zo stil als die van de Indische avonden. als de hemel helder en klaar is. en niets. niets beweegt rondom ons... Als er geen geluid klinkt, geen vogel zingt. geen kikvors roept... Alleen zit daar ergens in de verte een mens. en je weet niet waar. en die maakt op zijn gamelang die heel weemoedige. wonderlijke muziek bijna zonder melodie... 0 jongens. dat is onuitsprekelijk. deze stilte van de avonden in het gebergte van Sumatra of van Java..." ..Wat is er toch verschrikkelijk veel moois in de wereld." zei Tom zacht en als in zich zelf. ,.Grootvader. zou U denken. dat ik daar nog wel eens komen kon?" ..Hóór nou eens!" zei Wil plotseling luidruchtig...Dat is er nou een. die vanmiddag nog sprak van dat apenland..." Tom gaf geen antwoord. maar Grootvader zeide: ..Ja. we ver-nordeelen het allereerst wat we het allerminst kennen... Of jij er zoudt kunnen komen. Tom? Wel. natuurlijk kan dat. Als jij inge-nieur mag worden met Gods hulp, dan zijn er zeker in Indië allerlei betrekkingen voor je open... Maar, beste jongen. zolang. vooruit moeten we maar niet praten, dunkt me....er kan nog zoveel ge-beuren..." Tom zag Grootvader aan. Dat was nu de tweede maal al, dat hij dit antwoord hoorde vandaag. Kon Grootvader daarmeè iets bedoelen. iets bijzonders?”

 

 
Frans Coenen (24 april 1866 - 23 juni 1936)

 

Lees meer...

24-04-16

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, George Oppen, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer

 

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: Zondagsrust

“Een licht fronselen en kraken in het gangetje, doffen van haastige bloote voetjes op houten vloer, en de gangdeur, die op de trap uitkwam, knapte uit haar slot. Het was of hiermee het buitenleven van de straat intoog, en nu overal de gave stiltebol in geluiden openbarstte. Er was even een geplens van vocht overgieten, onverschillige mompelgroet van een grove stem... Daarna hosklosten zware schoenen de trap af en knapte de deur weer veilig dicht.
De vale alkoofschemering echter leefde nu in klein bewegen en geluiden van wakker worden. Het bovenlijf van juffrouw Verhoef was opgespookt uit de vaalschaduwige bedmassa en op zij gekeerd, steunend op de rechterarm, wreef zij zich met de vlakke linkerhand over de oogen, gerekt geeuwend. Naast haar ging het dek omhoog boven de magere knieën van haar man, die aan de muurkant lag, en zijn lange staakarmen hieven op, strekten langs het kussen met een doffe stoot tegen het beschot.
- Jesis... is 't nou al weer uit! geeuwde hij.
- Ja... hebbi nog niet genog gemaft? fluisterde zij schorrig, maar haar aandacht ging naar wat zij in de keuken hoorde: kleine scharrelige geluidjes, gekraak en bordengetik. En opeens riep zij luid:
- M'rietje, wat doe je? Nerges ankomme, hoor je? Ga maar vooreerst weer in bed....
En toen er iets na-kletterde, drifte zij op:
- Gà je!
- Ja... moeder... klonk een dunne kinderstem vleiïg-gedwee terug en toen:
- Mag ik bij u komme?
- Nee, nog niet, ga maar eerst weer in bed... Strakkies, as je vader d'r uit is...
En toen zij het zwakke kraken van de bedsteê in de gang gehoord had, lag de vrouw weer stil op de rug te kijken in het alkoofhokje, dat de morgen nu gevuld had met vuilgrijze schemer. In de kamer, in de gang en ook vòor, bij den commensaal heerschte weer stilte en van boven kwam evenmin geluid. Overal de Zondagochtendrust van lang uitslapen en genietende luiheid.
Tot beneden een klok sloeg met donkere klank.”

 

 
Frans Coenen (24 april 1866 - 23 juni 1936)

Lees meer...

24-04-15

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer

 

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: Bleeke levens

“In den vroegen ochtend, met een treintje, dat aansloot aan een van die groote, stormende internationale treinen zouden wij gaan.
Den avond tevoren, na het souper, werd het eenigermate duidelijk in welke verhouding de oude heer en de jonge vrouw tot elkaar stonden, de twee menschen, waarin deze kleine maatschappij het meest belangstelde. Iemand had hun vier schoenen voor een kamerdeur zier staan en den volgenden dag, toen de kamer open stond ter schoonmaak, even naar binnen gekeken. En het was maar één kamer en er was maar één ledikant! Een ander had bij den hôtelhouder geinformeerd en er was nog iemand die hen zeide te kennen en uit hetgeen zij gezamenlijk er van wisten, moest het nu blijken dat de oude heer een ‘vieux farceur’ was en de jonge vrouw zijn maîtres.
Wij, alle logeergasten, hadden de hoofden bij elkaar gestoken en bespraken het geval met een aangename geheimzinnigheid. Nog altijd had de meneer niets in het boek geschreven, maar dat zou nu toch wel moeten, dacht men. En wat hij er dan van maken zou! En zij met haar mooi engelengezichtje en schuchtere manieren! Het was een curieus geval, een verzamelpunt voor de leege nieuwsgierigheid en het wekte alle gedachten, die zulk een verhouding van een ouden verliefden rijkaard en een arm, mooi meisje, dat zich prostitueert, pleegt te wekken bij de menschen, die de wereld meer uit boeken, dan uit eigen aanzien kennen.
Den volgenden ochtend, toen wij vroeg beneden kwamen in de nog druilige gang en doffe eetzaal, zat het paar daar al te ontbijten. Zij wilden blijkbaar met denzelfden trein als wij afreizen. Er was den vorigen avond niets van bekend geweest onder de andere gasten en het geleek wel iets naar een overhaaste vlucht. Terwijl, in de stille kamer, wij te ontbijten zaten, kwamen onze blikken telkens naar het zonderlinge paar terug. Zij zagen echter nooit naar ons, maar hielden hun oogen voor zich, alsof zij wel wisten, dat zij altijd bekeken werden.
Hij had een lichtbruinen slappen hoed op, te jeugdig voor zijn leeftijd, en was overigens in dezelfde sjofele kleeding der vorige dagen. Zij zat weer met hoed en voile en een vellerig-dun, grijs stofmanteltje omhing haar schouders. Geen woord spraken ze tot elkaar.”

 

 
Frans Coenen (24 april 1866 - 23 juni 1936)
Hier in het midden met zijn vader Frans Coenen Sr. (rechts) en een onbekende.

Lees meer...

24-04-14

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Carl Immermann

 

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: Een avond

"Sakkerloot!’ zei de ander weer, om ièts te zeggen. Cnoop was door zijn verhaal in vuur geraakt, vertelde ijverig verder.
‘O! je wist gewoon niet waar je je bergen zou.... en geen boòm, dat begrijp je.... 't bestuur wou dan ook....’
‘En is t'r nog gerejen?’ viel de andere in, uit zijn dofheid zich dwingend tot eenige belangstelling.
‘Gereje?... nee! dat kè'je begrijpen,... of wacht is!... ja toch nog... maar d'r kwam geloof ik onweer... ja, zóó was 't! d'r kwam onweer...’
Ze waren bij ‘Schreuder’, gelukkig!
Hij werd wee en wrevelig van dat enthousiast gedane verhaal, dat zoo onnut klonk en wezenloos en leeg. Hij wilde binnengaan in het café, maar Cnoop hield hem staande, de hand uitstekend:
‘Hier zal ik de eer hebben afscheid van u te nemen, meneer... ik wou naar huis toe, weet u?’
In zijn toon klonk het zich schrapzetten tegen mogelijk aandringen om toch mee binnen te gaan.
Maar de ander dacht er niet aan hem te bidden, hij voelde eer een kleine verluchting, nu Cnoop weg wilde.
‘Toe, ga nou effen mee, je bent nou al zoò ver,’ zeide hij echter uit beleefdheid.
‘Nee meneer! ik heb je gezegd ik breng je tot aan “Schreuder”, maar d'r in ga ik nièt... en ik moet ook thuis wezen: die arme Kees zit misschien al een half uur op me te wachten.’
‘Nou, in godsnaam!... als je niet kan, dan kan je niet... adieu dan! veel plezier dan!’...
‘Insgelijks, amuseert u verder,... dag meneer!’
Een vischig-slappe handdruk, toen ging Cnoop met een haastigen, ietwat gemaniereerden omdraai van hem af, weer naar de brug toe. Zijn kleine gestalte, in een fattig, grijs pak, wipte haastig op en neer in geaffaireerde stappen. Een keurig heertje! was de indruk, dien de ander kreeg, toen hij hem even nazag, half wrevelig, half medelijdend”

 


Frans Coenen (24 april 1866 - 23 juni 1936)

Lees meer...

24-04-12

Carl Spitteler, Marcus Clarke, Anthony Trollope, Carl Immermann

 

De Zwitser dichter, schrijver, essayist en criticus Carl Friedrich Georg Spitteler (eig. Carl Felix Tandem) werd geboren op 24 april 1845 in Liestal bij Basel. Zie ook alle tags voor Carl Spitteler op dit blog.

 

 

Pfauenauge

 

Ein kühles Schloß, ein schattiger Palast von Nesseln. -

 

Dicke Marienkäferchen mit rundem Schild

Reisen geschäftig trippelnd durch die Jalousien.

Zuoberst unterm Dache, am Mansardenfenster

Sitzt äsend eine schwarze, blaugeperlte Raupe.

 

Plötzlich ein dunkler Tulpenschein verdeckt die Aussicht -

Und schlüpfend in die Nesseln durch das schmale Fenster

Ein Pfauenauge zieht in seine Jugendheimat.

 

Flatternd durcheilt es die geliebten Säle, rot

Mit blut'gem Flammenlicht erhellend den Palast.

 

Plötzlich entspringt es durch die Tür. Ein Blitz. Verschwunden.

 

Aber die Raupe, ob dem Purpurflammenspiel

Jählings erfaßt von unnennbarer Seelensehnsucht,

Steigt auf das Dach und klettert an der steilen Mauer

Empor zum Sims. Daselbst, hangend in freier Luft,

Spinnt sie sich ab von aller Welt und träumt und dichtet.

 

Ob ihrem Träumen färbt und schildert sich ihr Wesen;

Ob ihrem Dichten füllt sie sich mit rotem Herzblut;

Während die Wintersonne, glitzernd überm Eis,

Schmückt ihr den Helm mit Gold und stählt den Schild und Panzer.

 

Bis daß nach langer Zeit an einem Mai und Morgen

Die Grille zirpt und schreit die Lerche überm Saatfeld:

 

Da zwängt und drängt sie sich ans Licht nach heft'gen Krämpfen

Und weint fünf Tropfen zähen Blutes. Plötzlich - ha! -

 

Bin ich es selbst? Mich dünkt, ich spüre Geist und Flügel!

Es hebt und trägt mich! Auf! empor zum hohen Himmel!

Gefahr zu suchen und die weite Welt zu messen.

 

Das höchste Los und Glück auf Erden nenn' ich mein:

 

Leibhaft zu wissen meinen besten Seelenschein

Und was ich vormals stumm bewundert selbst zu sein.

 

 

Carl Spitteler (24 april 1845 – 29 december 1924)

Lees meer...

24-04-11

Carl Spitteler, Marcus Clarke, Anthony Trollope, Carl Immermann

 

De Zwitser dichter, schrijver, essayist en criticus Carl Friedrich Georg Spitteler (eig. Carl Felix Tandem) werd geboren op 24 april 1845 in Liestal bij Basel. Zie ook mijn blog van 24 april 2007 en ook mijn blog van 24 april 2008 en ook mijn blog van 24 april 2009en ook mijn blog van 24 april 2010.

 

 

Die Blütenfee


Maien auf den Bäumen, Sträußchen in dem Hag.
Nach der Schmiede reitet Janko früh am Tag.
Blütenschneegestöber segnet seine Fahrt,
Lilien trägt des Rößleins Mähne, Schweif und Bart,
Lacht der muntre Knabe: »Sag' mir, Rößlein traut:
Bist bekränzt zur Hochzeit, doch wo bleibt die Braut?«

Horch, ein Pferdchen trippelt hinter ihm geschwind,
auf dem Pferdchen schaukelt ein holdselig Kind.
Solche kleine Fante nimmt man auf den Schoß,
auf die Schulter wirft er's spielend: Ei! wie groß!
Zappelnd schreit die Kleine: »Böser Bube du!
Weh! ich hab verloren meinen Lilienschuh.«

Rückwärts sprengt er suchend ein geraumes Stück.
Wie er mit dem Schuhe eilends kam zurück,
an des Kindes Stelle saß die schönste Maid.
Da geschah dem Jungen süßes Herzeleid.
Flüsterte die Schöne: »Liebster Janko mein,
hab' ein kostbar Ringlein, strahlt wie Sonnenschein.
Bin dir hold gewogen, schenk' es dir zum Pfand.
Weh! ich hab's vergessen, badend an dem Strand.«

Wie er mit dem Wasser kam zum selben Ort,
war zu Staub und Asche Weib und Pferd verdorrt.

 

 

 

 

Carl Spitteler (24 april 1845 – 29 december 1924)

 

 

Lees meer...

24-04-10

Frans Coenen, Eric Bogosian, Michael Schaefer, Robert Penn Warren, Carl Spitteler, Marcus Clarke, Anthony Trollope

 

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook mijn blog van 24 april 2007 en ook mijn blog van 24 april 2008.en ook mijn blog van 24 april 2009.

 

Uit: Bleeke levens

 

“....Een dier dagen kwam in het hôtel, dat levendig aan den grooten weg lag en dikwijls vroolijk weergalmde van jonge, driftige stemmen - heele zwermen jongelui, te voet of op rijwielen - een zonderling paar van een ouden heer en een jonge vrouw. De oude heer was lang en hoekigmager in zijn slof omhangende kleeren. Zijn beenig, grof gezicht met holle oogen onder borstelig-grijze wenkbrauwen, en grauwe bakkebaarden, die langs de vale wangen neergingen aan beide zijden van den paarschen, speekseligen lippenmond, had de somber-fatale uitdrukking van een ontvleeschden paardekop. De jonge vrouw met zuiver-ovaal gezichtje, donkere amandel-oogen, altijd neergeslagen onder zwarte wimpers, en glanzig zwart haar, was van een ideale zuidelijke schoonheid, een waar Odalisken-mooi. Zij kwam zeer eenvoudig gekleed, droeg altijd een hoed met een voile, die zij juist ver genoeg opsloeg om te kunnen eten.

Wij zagen hen het eerst bij tafel, om één uur. Zij wisselden maar enkele woorden met elkaar en spraken heel niet met anderen. Er was iets terruggetrokkens en schuws in hunne manieren en blikken, dat juist de aandacht op hen trok; en tot elkaar gebogen hoofden fluisterden gissingen en zagen hen van terzijde aan met snelle blikken. ‘Vader en dochter’ scheen niet aannemelijk, omdat zij zoo weinig op elkaar geleken, ‘man en vrouw’ was meer waarschijnlijk, maar het bleek moeilijk te ontdekken of onder de ringen, die de jonge vrouw aan haar kleine bruine handen droeg, ook een trouwring was. De een meende van ja, de ander van neen, en de nieuwsgierigheid werd er grooter van, telkens als zij weer voor een maaltijd binnentraden, met nietsziende blikken, zich haastig aan een leeg tafeleinde zettend. Het hôtelboek zou het ten slotte moeten uitwijzen, maar zij haastten zich niet met teekenen.

....Twee dagen later zouden wij vertrekken.”

 

 

Coenen
Frans Coenen (24 april 1866 - 23 juni 1936)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver en acteur Eric Bogosian werd geboren op 24 april 1953 in Woburn, Massachusetts. Zie ook mijn blog van 24 april 2009.

 

Uit: Perforated Heart

 

Last night Leon dangled the carrot of a fancy literary award before my greedy snout and I, like the pig I am, lurched for it.

Arrived on time for the Humphrey, freshly shaved, in suit and tie, and joined the throng of hipster literati milling outside the ballroom. I was shown to a table near the back of the room. Not a good sign. An aging socialite stinking of chardonnay and Chanel No. 5 leaned in, "Are you a writer? I hope someone at this table is a writer!" I beamed as if we were sharing a witty joke. A salad adorned with flower petals was put in front of me. Wine was poured.

I spied Leon seated three tables closer to the front of the room. He waved. I nodded. He turned away. My own editor could not be bothered to come over to my table and say hello. Of course, Leon wanted me there because he can't waste precious bucks promoting my new novel. No budget means there will be no display ads. No audio book. No parties given in my honor at Balthazar or the Four Seasons. All I will get is an abbreviated book tour (flying coach and residing at budget hotels). No NPR appearances. No magazine covers. If I'm lucky, I'll get two or three guest lecture gigs at second-rate colleges. It's all nickels and dimes to him.

At my table for eight, the chocolate mousse lay unforked and the decaf cooled as the jovial movie stars onstage speculated on the names of the winners present in the crowd (forgetting to mention me, of course). An honorary award was given out to a publisher of progressive children's books. A eulogy was intoned for the CEO of a major media corporation who had died rock climbing a week earlier. And so the circus draggedon and on. Finally, a winner was announced.

Upon hearing a name, not my name, my neighbors dropped their eyes to inspect their silverware. At adjacent tables, heads turned to gauge my humiliation. An obese publicist to my right patted my hand in consolation. "I'm sure your book was much better, Richard." His pupils dilated with the thrill of witnessing my pain.“

 

 

EricBogosian
Eric Bogosian (Woburn, 24 april 1953)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Michael Schaefer werd geboren op 24 april 1976 in Bielefeld. Al op jonge leeftijd schreef hij korte verhalen, meestal in het fantasy genre. In 1991 schreef hij zijn eerste complete roman die echter niet gepubliceerd werd. De roman had homosexualiteit als thema en Schaefer had zijn eigen coming out pas in 1994. In 2006 verscheen zijn debuutroman Liebe auf Raten, in 2008 volgde Touch me, Coach!, Onder het pseudoniem Eric Raven schrijft hij verder nog steeds fantasy verhalen als Krieger der Engel.

 

Uit: Love me,coach

 

„Louis zieht das Bein an den Oberkörper und blickt aus dem großen Fenster in die Nacht hinaus. Noch immer trägt er seinen Anzug. Eigentlich hätte er diesen schon längst ausgezogen. Spätestens dann, als Louis die aufgeregt wippenden, vollen Brüste von Rhiana berührte und sie zärtlich knetete ... wäre zumindest seine Krawatte inklusive Hemd ein Opfer ihrer gemeinsamen Lust geworden. Er hätte aber spätestens nach dem zärtlichen Saugen ihrer Brustwarzen eine gierige Erregung spüren müssen! Doch nichts! Als Rhiana ihre Finger mit stöhnenden Lustlauten zu seiner Gürtelschnalle bewegte, sie öffnen wollte, legte er seine Hand auf ihre und zog sie zurück. Er konnte es nicht. Sein Verstand überschlug sich, sein Gewissen ackerte auf Hochtouren. In seinem Kopf waren immer die strahlenden Augen seines jungen Stars präsent. Evans Stimme durchfloss seinen Verstand. Die vielen Berührungen, die Schwärmereien ... und zum guten Schluss, als Louis gewaltsam versuchte seine innere Stimme zum Schweigen zu bringen ... Der Kuss in seinem Büro kurz nach der Regionalmeisterschaft! Evan hatte es geschafft, einen Kuss zu fabrizieren, der tatsächlich so schnell nicht in Louis' Hirn bedeutungslos versickert war!"

 

 

 

Bielefeld_Altes_Rathaus
Michael Schaefer (Bielefeld, 24 april 1976)

Bielefeld, oude raadhuis (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Penn Warren werd geboren op 24 april 1905 in Guthrie, Kentucky. Zie ook mijn blog van 24 april 2007 en ook mijn blog van 24 april 2008 en  ook mijn blog van 24 april 2009.

 

Uit:All the King's Men

 

“To get there you follow Highway 58, going northeast out of the city, and it is a good highway and new. Or was new, that day we went up it. You look up the highway and it is straight for miles, coming at you, with the black line down the center coming at and at you, black and slick and tarry-shining against the white of the slab, and the heat dazzles up from the white slab so that only the black line is clear, coming at you with the whine of the tires, and if you don't quit staring at that line and don't take a few deep breaths and slap yourself hard on the back of the neck you'll hypnotize yourself and you'll come to just at the moment when the right front wheel hooks over into the black dirt shoulder off the slab, and you'll try to jerk her back on but you can't because the slab is high like a curb, and maybe you'll try to reach to turn off the ignition just as she starts the dive. But you won't make it, of course. Then a nigger chopping cotton a mile away, he'll look up and see the little column of black smoke standing up above the vitriolic, arsenical green of the cotton rows, and up against the violent, metallic, throbbing blue of the sky, and he'll say, "Lawd God, hit's a-nudder one done done hit!" And the next nigger down the next row, he'll say, "Lawd God," and the first nigger will giggle, and the hoe will lift again and the blade will flash in the sun like a heliograph. Then a few days later the boys from the Highway Department will mark the spot with a little metal square on a metal rod stuck in the black dirt off the shoulder, the metal square painted white and on it in black a skull and crossbones. Later on love vine will climb up it, out of theweeds.

But if you wake up in time and don't hook your wheel off the slab, you'll go whipping on into the dazzle and now and then a car will come at you steady out of the dazzle and will pass you with a snatching sound as though God-Almighty had ripped a tin roof loose with his bare hands. Way off ahead of you, at the horizon where the cotton fields are blurred into the light, the slab will glitter and gleam like water, as though the road were flooded.”

 

 

Warren-R
Robert Penn Warren (24 april 1905 – 15 september 1989)

 

 

 

 

De Zwitser dichter, schrijver, essayist en criticus Carl Friedrich Georg Spitteler (eig. Carl Felix Tandem) werd geboren op 24 april 1845 in Liestal bij Basel. Zie ook mijn blog van 24 april 2007 en ook mijn blog van 24 april 2008 en ook mijn blog van 24 april 2009.

 

 

 

Zitronenfalter

I

 

Aufrechten Hauptes eine Jungfrau eifrig schrieb.

 

Da blitzt' ein Maigewittersturm herein und trieb

Kastanienblüten streuend auf die nassen Blätter.

Und mitten in dem Blütensturm und Maienwetter

Ein gelb Oranien-Vögelein, im Todesbangen

Zitternd und sterbend, blieb an ihrem Finger hangen.

 

Da holte sie ein neu' Papier mit sachter Hand,

Und auf den Tisch gebeugt, seitwärts das Haupt gewandt,

Mit feuchten Blicken und mit träumerischem Sinnen

Entschloß sie sich, ein ander Schreiben zu beginnen.

 

Also mit seinem Sterben ein Zitronenfalter

Erschmeichelte das Lebensglück dem Brieferhalter.

 

 

II

 

"Geh weg! du häßlich Gretchen! Was kommt dir in den Sinn,

So nah' bei mir zu stehen, die ich so lieblich bin?"

So rief die schöne Stephie. - Da kam ein gelbes Ding

Von Schmetterling geflogen, den sie behende fing.

 

Das Gretchen trat daneben, vergessend ihren Zwist:

"Nicht wahr? du läßt ihn leben? - Da er so lieblich ist."

 

 

 

spitteler
Carl Spitteler (24 april 1845 – 29 december 1924)

 

 

 

 

De Australische schrijver Marcus Clarke werd geboren op 24 april 1846 in Londen. Zie ook mijn blog van 24 april 2009.

 

Uit: Australian Tales of the Bush

 

POOR JOE. was the ostler at Coppinger's, and they called him Poor Joe. Nobody knew whence he came; nobody knew what misery of early mutilation had been his. He had appeared one evening, a wandering swagman, unable to speak, and so explain his journey's aim or end -- able only to mutter and gesticulate, making signs that he was cold and hungry, and needed fire and food. The rough crowd in Coppinger's bar looked on him kindly, having for him that sympathy which marked physical affliction commands in the rudest natures. Poor Joe needed all their sympathies: he was a dwarf, and dumb. Coppinger -- bluff, blasphemous, and good-hearted soul -- dispatched him, with many oaths, to the kitchen, and when the next morning the deformed creature volunteered in his strange sign-speech to do some work that might " pay for his lodging," sent him to help the ostler that ministered to King Cobb's coach-horses. The ostler, for lack of a better name, perhaps, called him " Joe," and Coppinger, finding that the limping mute, though he could speak no word of human language, yet had a marvellous power of communication with horseflesh, installed him as under-ostler and stable-helper, with a seat at the social board, and a wisp of clean straw in King Cobb's stable. " I have taken him on," said Coppinger, when the township cronies met the next night in the bar. "Who," asked the croniest, bibulously disregarding grammar.' " Poor Joe," said Coppinger. The sympathetic world of Bullocktown approved the epithet, and the deforme...“

 

 

Marcus_Clarke
Marcus Clarke (24 april 1846 – 2 augustus 1881)

 

 

 

 

De Engelse schrijver Anthony Trollope werd geboren in Londen op 24 april 1815. Zie ook mijn blog van 24 april 2009.

 

Uit: Cousin Henry

 

Uncle Indefer "I have a conscience, my dear, on this matter," said an old gentleman to a young lady, as the two were sitting in the breakfast parlour of a country house which looked down from the cliffs over the sea on the coast of Carmarthenshire. "And so have I, Uncle Indefer; and as my conscience is backed by my inclination, whereas yours is not--" "You think that I shall give way?" "I did not mean that." "What then?" "If I could only make you understand how very strong is my inclination, or disinclination--how impossible to be conquered, then--" "What next?" "Then you would know that I could never give way, as you call it, and you would go to work with your own conscience to see whether it be imperative with you or not. You may be sure of this,--I shall never say a word to you in opposition to your conscience. If there be a word to be spoken it must come from yourself." There was a long pause in the conversation, a silence for an hour, during which the girl went in and out of the room and settled herself down at her work. Then the old man went back abruptly to the subject they had discussed. "I shall obey my conscience." "You ought to do so, Uncle Indefer. What should a man obey but his conscience?" "Though it will break my heart." "No; no, no!" "And will ruin you." "That is a flea's bite. I can brave my ruin easily, but not your broken heart." "Why should there be either, Isabel?" "Nay, sir; have you not said but now, because of our consciences? Not to save your heart from breaking,--though I think your heart is dearer to me than anything else in the world,--could I marry my cousin Henry. We must die together, both of us, you and I, or live broken-hearted, or what not, sooner than that. Would I not do anything possible at your bidding?" "I used to think so." "But it is impossible for a young woman with a respect for herself such as I have to submit herself to a man that she loathes. Do as your conscience bids you with the old house. Shall I be less tender to you while you live because I shall have to leave the place when you are dead? Shall I accuse you of injustice or unkindness in my heart? Never! All that is only an outside circumstance to me, comparatively of little moment. But to be the wife of a man I despise!" Then she got up and left the room.”

 

 

Anthony_Trollope
Anthony Trollope (24 april 1815 - 6 december 1882)
Portret door Samuel Laurence

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e april ook mijn vorige blog van vandaag.

24-04-09

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, Carl Spitteler, Marcus Clarke, Anthony Trollope, Carl Immermann


De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook mijn blog van 24 april 2007 en ook mijn blog van 24 april 2008.
 

Uit: Reizen, een uitweiding en inwijding

 

“WEIMAR is een trouwhartig stadje, dat zich geeft zooals het is. Het heeft sedert anderhalve eeuw een schat van herinneringen, maar laat er zich niet op voorstaan, het doet niet archaïstisch, het neemt niet de houding aan alsof het in den Goethe-tijd ontstaan was en sedert precies zoo gebleven. Alleen op de Markt staan enkele middeleeuwsche gebouwen, die dat ook met eenige opzettelijkheid zijn willen. Overigens heeft men het oorspronkelijk stadje uit het eind der 18e eeuw ongedwongen in het nieuwe Weimar laten overgaan, blijkbaar alleen de ergste excessen van steden- en woningbouw vermijdende. Zoo kan de vreemdeling zich eenvoudig wijden aan het vele, dat er inderdaad uit den historischen tijd over is, de talrijke paleizen en burgerhuizen, de doorkijkjes, de aardige pleintjes en hoekjes met de grappige rococofonteinen en pompen, die, eenigszins breed-uit en gewichtig, den tijd suggereeren, toen meisjes en vrouwen hier tenminste één keer daags bij elkaar kwamen, om het onontbeerlijk water te halen en de even onontbeerlijke ‘Klatsch’ te bedrijven.

De bedoelde vreemdeling zal zich dan allereerst er over verbazen hoe klein het stadje was en hoe groot, hoe overheerschend het paleizen-complex, dat al in de 17e eeuw bestond. Uit de centrale burcht met den hoogen uitzichtstoren, door talrijke grachten omringd, en waaromheen zich schuchtere wijken van beschermingzoekenden kwamen sluiten, is blijkbaar op den duur het stadje gegroeid. Het burchtgeheel, telkens door brand vernield, kromp in en vervormde zich tot een open vierhoek, op de wijze van het paleis te Versailles, welks indrukwekkenden aanblik de laatste groothertog nog juist voor zijn onttroning bedierf door de open zijde met een nieuw paleis te vullen. De langgestrekte vierhoek met zijn toren domineert thans nog het stadje, hoeveel meer zal dit dan geweest zijn, toen hetzooveel kleiner was en het vorstelijk leven ongeveer alle

ruimten en alle uren vulde.”

 

 

 

Coenen
Frans Coenen (24 april 1866 - 23 juni 1936)

Frans Coenen Jr., 1894. Door F. Hart Nibbrig

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver en acteur Eric Bogosian werd geboren op 24 april 1953 in Woburn, Massachusetts. Bogosians meestal cynische komedies zijn een-persoons-stukken die ook wel door een ensemble kunnen worden opgevoerd. Een microfoon en een klapstoeltje is alles wat de hoofdrolspeler nodig heeft. Bogosian won voor deze stukken drie Obie Awards. Voor zijn bekendste stuk Talk Radio kreeg hij een nominatie voor de Pulitzer Prijs. De schrijver bewerkte het stuk zelf voor de verfilming ervan door Oliver Stone en speelde zelf de hoofdrol.

 

Uit: Love's Fire: Seven New Plays Inspired by Seven Shakespearean Sonnets

 

„Inspired by Shakespeare's Sonnet 118

A couch in the midst of the small living room of a small apartment. On the couch sits RENGIN, a beautiful young woman, in a white wedding gown. She is drinking from a pint flask of bourbon. The phone rings. She doesn't bother with it. Instead, she rises unsteadily and checks herself out in a mirror.

A voice can he heard on the message machine.

HERMAN(voice): Rengin, it's me. Are you there? Please pick up if you are. Rengin? I'm sorry. Whatever I did. I'm such an ass. Please pick up. Please? OK. I'm coming home. I'm actually downstairs. If you are there, don't be surprised when you see me. Maybe you're in the bathroom. Then I understand why you're not picking up.

RENGIN has walked over to the answering machine and is watching it record the message.

RENGIN: Herman, you don't get it. You never got it. She goes back to the mirror.

RENGIN: What is this I am wearing? A white dress. Meaning what? Virginity? That the male proboscis has not slid through my vaginal lips? What bullshit! (drinks) What the fuck am I here? A human sacrifice? I am a womb being readied for impalement and fertilization. Yech!!!

She touches the bodice, feels it, as she drinks.

RENGIN: But I can't take it off. I'm drunk as shit and I can't take it off. He's got to see me like this. We should go out together like this. Maybe someplace that has a mosh pit. I should mosh in my wedding dress and then find some bikers and have three guys screw me at the same time. And make Herman watch. Prepare him...

She drinks and wails.

RENGIN: FUCKING "A," MAN, HOW THE FUCK DID THIS HAPPEN?

HERMAN enters.

HERMAN: Rengin, what's wrong? Why didn't you answer the phone?

RENGIN: I'm getting shit-faced.

HERMAN: Why, honey? You don't like your wedding gown?

RENGIN: No, I don't like my wedding gown. Hey, I have an idea. You wear the wedding gown and I'll wear the tux. And then when we go on our honeymoon I'll fuck you. How about that?“

 

 

 

 

Eric_Bogosian
Eric Bogosian (Woburn, 24 april 1953)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Penn Warren werd geboren op 24 april 1905 in Guthrie, Kentucky. Zie ook mijn blog van 24 april 2007 en ook mijn blog van 24 april 2008. 

 

 

A Way to Love God    

 

Here is the shadow of truth, for only the shadow is true.

And the line where the incoming swell from the sunset Pacific

First leans and staggers to break will tell all you need to know

About submarine geography, and your father's death rattle

Provides all biographical data required for the Who's Who of the dead.

 

I cannot recall what I started to tell you, but at least

I can say how night-long I have lain under the stars and

Heard mountains moan in their sleep.  By daylight,

They remember nothing, and go about their lawful occasions

Of not going anywhere except in slow disintegration.  At night

They remember, however, that there is something they cannot remember.

So moan.  Theirs is the perfected pain of conscience that

Of forgetting the crime, and I hope you have not suffered it.  I have.

 

I do not recall what had burdened my tongue, but urge you

To think on the slug's white belly, how sick-slick and soft,

On the hairiness of stars, silver, silver, while the silence

Blows like wind by, and on the sea's virgin bosom unveiled

To give suck to the wavering serpent of the moon; and,

In the distance, in plaza, piazza, place, platz, and square,

Boot heels, like history being born, on cobbles bang.

 

Everything seems an echo of something else.

 

And when, by the hair, the headsman held up the head

Of Mary of Scots, the lips kept on moving,

But without sound.  The lips,

They were trying to say something very important.

 

But I had forgotten to mention an upland

Of wind-tortured stone white in darkness, and tall, but when

No wind, mist gathers, and once on the Sarré at midnight,

I watched the sheep huddling.  Their eyes

Stared into nothingness.  In that mist-diffused light their eyes

Were stupid and round like the eyes of fat fish in muddy water,

Or of a scholar who has lost faith in his calling.

 

Their jaws did not move.  Shreds

Of dry grass, gray in the gray mist-light, hung

From the side of a jaw, unmoving.

 

You would think that nothing would ever again happen.

 

That may be a way to love God.

 

 

 

 

 

warren
Robert Penn Warren
(24 april 1905 – 15 september 1989)

 

 

 

 

 

De Zwitser dichter, schrijver, essayist en criticus Carl Friedrich Georg Spitteler (eig. Carl Felix Tandem) werd geboren op 24 april 1845 in Liestal bij Basel. Zie ook mijn blog van 24 april 2007 en ook mijn blog van 24 april 2008. 

 

 

Das Begräbnis

 

Mir war im Traum, sie täten dich begraben,

An einem Sonntag, draußen unterm wald,

Mit Singen und mit Beten. Leisen Trittes

Durch eine Seitenpforte naht ich traurig,

Entblößten Haupts von hinten der Versammlung.

 

Da stockte plötzlich der Gesang. Erstaunt,

Mit scheuen Blicken starrten sie nach mir.

Die Mesner zischelten. Ein Gärtnerjunge

Schob mir mit dienstbeflißnem Grinsen heimlich

Durch meine Finger einen Kranz von Dornen.

Aber die Menge teilend trat der Pfarrer

Mir feierlich entgegen, schrieb das Kreuz

Auf meine Stirne, hielt die Heilige Schrift

Mir auf die Brust und las mit lauter Stimme:

"Vergib, auf daß man dir vergebe", las er.

Da regte sichs im Dornenkranz und wuchs

Und quoll wie Blust im Frühling. Rote, samtne,

Großmächtge Königsrosen fraßen wuchernd

Die lichte Luft, den leiderfüllten Kirchhof.

Blieb nichts mehr übrig als ein stilles Antlitz,

Von Schmerz verschönt, die lieben Heimataugen,

Wehmütigen Blicks mich grüßend durch die Rosen.

 

 

 

 

 

spitteler
Carl Spitteler (24 april 1845 – 29 december 1924)

Portret door Ferdinand Hodler

 

 

 

 

 

De Australische schrijver Marcus Clarke werd geboren op 24 april 1846 in Londen. Zijn belangrijkste roman is His Natural Life die oorspronkelijk, onder tijdsdruk geschreven, als feuilleton in een krant verscheen tussen 1870 en 1872. Het werk beschrijft de lotgevallen van Rufus Dawes die ten onrechte voor moord veroordeeld wordt en in een gevangenis belandt.  Bewerkt, ingekort en van een nieuw tragisch einde voorzien verscheen het boek in 1874. In 1908 werd er al een korte film van gemaakt, in 1927 een Hollywood film.  In 1983 volgde een televisieserie, gebaseerd op de roman.

 

Uit: His Natural Life

 

„We have some dim notion of what life on a convict ship means; and we have seen through what a furnace Rufus Dawes had already passed before he set foot on the barren shore of Hell’s Gates. But to appreciate in its intensity the agony he had suffered since that time, we must multiply the infamy of the ‘tween decks of the Malabar an hundred fold. In that prison was at least some ray of light. All were not abominable; all were not utterly lost to shame and manhood. Stifling though the prison, infamous the companionship, terrible the memory of past happiness—there was yet ignorance of the future, there was yet Hope. But at Macquarie Harbour was poured out the very dregs of this cup of desolation. The worst had come, and the worst must for ever remain. That pit of torment was so deep that one could not even see Heaven. There was no hope there as long as life remained. Death alone kept the keys of that island prison.

Is it possible to imagine, even for a moment, what an innocent man, gifted with ambitions and disgusts, endowed with power to love and to respect, must have suffered during one week of such a punishment? We ordinary men, leading ordinary lives—walking, riding, laughing, marrying and giving in marriage—can form no notion of such misery as this. Some dim ideas we may have about the sweetness of liberty and the loathing that evil company inspires; but that is all. We know that were we chained and degraded, fed like dogs, employed as beasts of burden, driven to our daily toil with threats and blows, and herded with wretches among whom all that savoured of decency and manliness was an open mock and scorn, we would—what? Die, perhaps, or go mad. But we do not know, and can never know, how unutterably loathsome life must become when shared with such beings as those who dragged the tree trunks to the banks of the Gordon, and toiled, blaspheming, in their irons, on the dismal sandspit of Sarah Island. No human creature could describe to what depth of personal abasement and self-loathing one week of such a life would plunge him. Even if he had the power to write, he dared not. As one who, in a desert, seeking for a face, comes to a pool of blood, and, seeing his own reflection, flies—so would such a one hasten from the contemplation of his own degrading agony. Imagine such an agony endured for six years!“

 

 

 

marcus_clarke
Marcus Clarke (24 april 1846 – 2 augustus 1881)

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver Anthony Trollope werd geboren in Londen op 24 april 1815 als zoon van de bekende schrijfster van reisverhalen Frances Trollope. Als kind werd hij naar een serie kostscholen gestuurd, totdat de familie Trollope verhuisde naar België. Zijn ervaringen op deze kostscholen waren ongunstig en hij bekende later aan zelfmoord te hebben gedacht. Na de dood van zijn vader, een advocaat, zag zijn moeder zich gedwongen door te gaan met het schrijven van reisverhalen om de kost te verdienen. Trollope zelf kreeg in 1834 een baan bij de Britse post, waarvoor hij in 1841 moest verhuizen naar Ierland. Deze verhuizing zou later doorklinken in zijn eerste romans, een aantal waarvan zich daar afspeelden. Door de vele treinreizen die Trollope nodig had in zijn baan als postbeambte, had hij veel tijd over om te schrijven. Hij zette zichzelf de taak een bepaald aantal woorden per dag te schrijven en mede hierdoor werd hij al snel de meest productieve schrijver van zijn generatie. In zijn baan als postbeambte wordt Trollope verantwoordelijk geacht voor de introductie van de bekende rode brievenbussen die nog steeds dienst doen in het Verenigd Koninkrijk. Dankzij het succes van zijn romans kon hij in 1867 zijn baan bij de post opgeven en na een mislukte poging tot verkiezing in het parlement wijdde hij zich geheel aan het schrijven.

 

Uit: The Warden

 

„The Rev. Septimus Harding was, a few years since, a beneficed clergyman residing in the cathedral town of ———; let us call it Barchester. Were we to name Wells or Salisbury, Exeter, Hereford, or Gloucester, it might be presumed that something personal was intended; and as this tale will refer mainly to the cathedral dignitaries of the town in question, we are anxious that no personality may be suspected. Let us presume that Barchester is a quiet town in the West of England, more remarkable for the beauty of its cathedral and the antiquity of its monuments, than for any commercial prosperity; that the west end of Barchester is the cathedral close, and that the aristocracy of Barchester are the bishop, dean, and canons, with their respective wives and daughters.

Early in life Mr. Harding found himself located at Barchester. A fine voice and a taste for sacred music had decided the position in which he was to exercise his calling, and for many years he performed the easy but not highly paid duties of a minor canon. At the age of forty a small living in the close vicinity of the town increased both his work and his income, and at the age of fifty he became precentor of the cathedral.

Mr. Harding had married early in life, and was the father of two daughters. The eldest, Susan, was born soon after his marriage; the other, Eleanor, not till ten years later. At the time at which we introduce him to our readers he was living as precentor at Barchester with his youngest daughter, then twenty-four years of age; having been many years a widower, and having married his eldest daughter to a son of the bishop, a very short time before his installation to the office of precentor“.

 

 

 

Trollope
Anthony Trollope 24 april 1815 - 6 december 1882)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Carl Leberecht Immermann werd geboren op 24 april 1796 in Magdeburg. Hij werkte als jurist in Magdeburg, Münster en Düsseldorf. In 1832 richtte hij het Düsseldorfer Stadttheater op dat hij leidde tot 1837. Immermann stond in vriendschappelijk contact met tijdgenoren als Heine , Grabbe , Tieck , Fouqué , Eckermann , Goethe , Gutzkow , Freiligrath , Brockhaus, Campe , Cotta en Felix Mendelssohn-Bartholdy.

 

Uit: Der Karneval und die Somnambule

 

Der arme Schelm, aus dessen Papieren wir die folgenden Blätter mitteilen, gehörte zu den Leuten, aus denen andere nichts machen, weil sie selbst wenig aus sich machen. Er war der Meinung, daß in einer Zeit, welche Reiche entstehen und fallen sah, während ein Knabe kaum zum Manne wurde, das Schicksal eines einzelnen im Grunde nicht viel zu bedeuten habe. Es ist ihm zuweilen sehr übel gegangen; er fand aber immer bald den Ton der Gleichgültigkeit oder des Scherzes über sein Unglück; denn er mußte an die Schlachtfelder Europas denken und an die Völker, deren Gebeine auf ihnen bleichen.Wir wollen dies weder loben noch tadeln, sondern die Leser nur bitten, sich durch den Ton seiner Reminiszenzen nicht täuschen zu lassen. Es folgt denselben so viel Herzeleid, als eine gefühlvolle deutsche Romanleserin wünschen kann, wenn der Held der Geschichte auch verschmäht hat, seine Schmerzen jammernd vorher zu verkündigen.Ich bin von jeher ein großer Liebhaber alles Merkwürdigen gewesen, und wenn es mir nach meinen Wünschen im Leben gegangen wäre, so hätte ich die ägyptischen Pyramiden und den Niagarafall sehen müssen. Ich kam aber nicht bis zu diesen Wunderdingen, sondern blieb meistens auf die Wanderung um den runden Tisch meines Studierzimmers beschränkt. Als ich mich eben anschickte, wenigstens die Tour durch Frankreich und Italien zu machen, lernte ich meine nachherige Frau kennen, die mit ihrem Oheim gerade von Neapel über Rom, Mailand und Paris zurückkehrte. Ich wollte die Gelegenheit benutzen, mich aus ihrem Munde über so manches, was mir als einem gründlich Reisenden not tat, unterrichten zu lassen, und besuchte den Oheim und die Nichte täglich in den Abendstunden.“

 

 

 

 

immermann_1828
Carl Immermann (24 april 1796 – 25 augustus 1840)