25-09-17

Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen, Rebecca Gablé, Lu Xun

 

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Jij en ik (Vertaald door Etta Maris)

“Met een arm stevig om de ski’s geslagen, de skischoenentas in mijn hand en de rugzak op mijn rug, zag ik hoe mijn moeder de auto keerde. Met mijn andere hand zwaaide ik naar haar en wachtte tot de BMW was verdwenen over de brug.
Ik liep door de Viale Mazzini. Ik passeerde het gebouw van de RAI. Op ongeveer honderd meter van het kruispunt met de Via Col di Lana ging ik langzamer lopen, terwijl mijn hart sneller ging bonken. Ik had een vieze smaak in mijn mond, alsof ik aan een stuk koperdraad had gelikt. Al die spullen die ik moest dragen hinderden me. Het leek wel een sauna in dat ski-jack.
Bij het kruispunt aangekomen, leunde ik tegen een muur en keek om de hoek. Verderop, voor een moderne kerk, stond een grote Mercedes SUV. Ik zag Alessia Roncato en haar moeder, de Soemeriër en Oscar Tommasi, die de koffers in de kofferbak zette. Een Volvo met een paar ski’s boven op het dak parkeerde naast de Mercedes en Riccardo Dobosz stapte uit en rende naar de anderen toe. Even later stapte de vader van Dobosz uit.
Ik trok me terug tegen de muur. Ik legde de ski’s neer, ritste mijn jack open en gluurde opnieuw om de hoek. Nu waren de moeder van Alessia en de vader van Dobosz bezig de ski’s boven op de Mercedes te bevestigen. De Soemeriër sprong in het rond en deed alsof hij bokste tegen Dobosz. Alessia en Oscar Tommasi praatten tegen hun mobieltjes. Het duurde behoorlijk lang voordat ze eindelijk klaar waren, Alessia’s moeder werd boos op haar dochter omdat die niet meehielp, de Soemeriër sprong op het dak van de auto om de ski’s te controleren. Maar uiteindelijk vertrokken ze.
Tijdens de tramrit voelde ik me een idioot. Met die ski’s en skischoenen, geplet tussen ambtenaren in jasje-dasje en moeders die hun kinderen naar school brachten. Als ik mijn ogen dichtdeed leek het of ik in een kabelbaantje zat, tussen Alessia, Oscar Tommasi, Dobosz en de Soemeriër in. Ik kon de geur van cacaoboter en zonnebrandcrème ruiken. En terwijl we uit de cabine stapten zouden we elkaar duwen en lachen en hard praten en lak hebben aan alle andere mensen. Net als die lui die door mijn moeder en vader pummels genoemd werden. Ik zou grappige dingen zeggen en ze aan het lachen maken terwijl ze hun ski’s vastklikten. Typetjes doen, moppen vertellen. Ik wist nooit grappige moppen. Je moet heel erg zeker van jezelf zijn om moppen te kunnen vertellen.”

 

 
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

Lees meer...

25-09-16

Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen

 

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Anna (Vertaald door Etta Maris)

"Hij was drie, misschien vier jaar. Hij zat keurig op een kunstleren stoeltje, het hoofd gebogen boven een groen t-shirt met korte mouwen. De omgeslagen pijpen van de spijkerbroek op de gympen. Met een hand hield hij een houten treintje vast dat als een rozenkrans tussen zijn benen hing.
De vrouw die aan de andere kant van de kamer op het bed lag kon net zo goed dertig als veertig zijn. Haar met rode vlekken en donkere korsten bedekte arm zat vast aan een leeg infuus. Het virus had haar gereduceerd tot een hijgend skelet, bedekt met een droge, puistige huid, maar het had niet al haar schoonheid kunnen wegnemen, die nog was terug te vinden in de vorm van haar jukbeenderen en het wipneusje.
Het jongetje richtte zijn hoofd op en keek naar haar, pakte de armleuning vast, stond op uit de stoel en liep met het treintje in zijn hand naar het bed.
Zij merkte het niet. Haar ogen, diep weggezonken in twee donkere poelen, staarden naar het plafond.
De kleine begon te spelen met een knoop van het vieze kussensloop. Zijn blonde haren bedekten zijn voorhoofd en in de zon die door de witte gordijnen scheen leken ze net nylondraden.
Plotseling richtte de vrouw zich op haar ellebogen op en kromde haar rug alsof haar ziel uit haar lichaam werd weggerukt, klemde de lakens in haar vuisten en viel schokkend van het hoesten achterover. Naar adem happend strekte ze haar armen en benen uit. Toen ontspande haar gezicht, sperde ze haar mond open en stierf met open ogen.
Het jongetje pakte voorzichtig haar hand en begon aan haar wijsvinger te trekken. Met een zacht stemmetje fl uisterde hij: ‘Mama? Mama?’ Hij legde het treintje op haar borst en liet het over de plooien van het laken glijden. Even raakte hij de met opgedroogd bloed bedekte pleister aan die de naald van het infuus bedekte. Ten slotte liep hij de kamer uit.
De gang was nauwelijks verlicht. Ergens klonk het biep biep van een medisch apparaat.
Het jongetje liep langs het lijk van een dikke man die naast een brancard lag. Zijn voorhoofd tegen de vloer, een been op een onnatuurlijke manier gebogen. Tussen de azuurblauwe panden van zijn overhemd was zijn lijkbleke rug zichtbaar.”




Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

Lees meer...

25-09-15

Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen

 

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Laat het feest beginnen! (Vertaald door Etta Maris)

“Saverio keek eens goed naar zijn discipelen. Hoewel ze over de dertig waren, kleedden ze zich nog steeds als een stelletje armzalige heavy-metalfans. En dat terwijl hij niets anders deed dan ze op het hart te drukken: jullie moeten er normaal uitzien, geen piercings, geen tatoeages, geen studs... Maar ze wilden niet luisteren.
Je moet roeien met de riemen die je hebt, dacht hij gelaten bij zichzelf.
Mantos keek op, zijn beeld werd weerspiegeld in de spiegel van Birra Moretti-bier die achter de bar van de pizzeria hing. Spichtig, een meter tweeënzeventig, metalen bril, donker haar, gekamd met een scheiding aan de linkerkant. Hij droeg een azuurblauw overhemd met korte mouwen en tot zijn kin dichtgeknoopt, een donkerblauwe ribfluwelen broek en collegeschoenen. Een normale kerel. Net als alle grote voorvechters van  het Kwaad: Ted Bundy, Andrej Chikatilo, Jeffrey Dahmer, de kannibaal van Milwaukee. Mannen die je niet eens zouden opvallen als je ze op straat tegenkwam. Maar zij waren wel de lievelingskinderen van de duivel.
Wat zou Charlie Manson in mijn plaats hebben gedaan als hij zulke armzalige volgelingen had gehad?
‘Meester, we willen met je praten... We hebben eens nagedacht over de sekte...’ overviel Edoardo Sambreddero, bijgenaamd Zombie, hem. Zombie was de vierde van de groep, een lange darm
die niet tegen knoflook, chocola en koolzuurhoudende frisdrank kon. Hij leed aan aangeboren oesophagitis. Hij hielp zijn vader met het monteren van elektrische installaties in Manziana. ‘Feite-
lijk bestaan wij als sekte niet.”
Saverio vermoedde waar zijn aanhanger heen wilde, maar deed alsof hij het niet begreep. ‘Wat bedoel je?’
‘Hoe lang geleden hebben wij de bloedeed afgelegd?’
Saverio haalde zijn schouders op. ‘Dat zal een paar jaar geleden zijn geweest.’
‘Op internet staat bijvoorbeeld nooit iets over ons. Maar over de Kinderen van de Apocalyps wordt wel heel veel geschreven,’ fluisterde Silvietta met zo’n zacht stemmetje dat niemand haar hoorde.
Zombie wees met een soepstengel naar zijn baas. ‘Wat hebben we in al die tijd feitelijk gedaan?’
‘Van al die dingen die jij had beloofd, wat hebben we daarvan feitelijk gedaan?’ sloot Murder zich aan. ‘Mensenoffers ho maar en je had gezegd dat we er heel veel zouden brengen. En die initiatieriten met maagden? En die satanische orgieën?’
‘Maar we hebben wel een mensenoffer gebracht, en hóe,’ preciseerde Saverio geïrriteerd. Het is misschien niet helemaal gelukt, maar we hebben het wel gedaan. En ook een orgie.’

 

 
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

Lees meer...

25-09-14

David Benioff, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen

De Amerikaanse schrijver David Benioff (pseudoniem van David Friedman) werd geboren in New York City op 25 september 1970. Zie ook alle tags voor David Benioff op dit blog en ook mijn blog van 25 september 2010.

Uit: The 25th Hour

Monty squats near the dog and inspects him. From this angle it is clear that the pit bull has been badly abused. One ear has been chewed to mince; his hide is scored with cigaretteburns; flies crawl in his bloodied fur.
MONTY (CONT'D)
I think maybe his hip—The dog pounces, jaws snapping,; lunging for Monty's face. Monty stumbles backwards. The dog, too badly injured to continue the attack, remains in his crouch, growling. Monty sits on the pavement, shaking his head.
MONTY (CONT'D)
Christ. (beat) He's got some bite left.
KOSTYA
I think he does not want to play with you. Come, you want police to pull over?You want police looking through your car?
MONTY
Look what they did to him. Used him for a fucking ashtray.Monty stands and dusts his palms on the seat of his pants.
MONTY (CONT'D) Let's get him in the trunk.
KOSTYA
What?
MONTY
There's a vet emergency room on the EastSide. I like this guy.
KOSTYA
You like him? He tries to bite your face off. Look at him, he is meat. You want some dog, I buy you nice puppy tomorrow. Monty is not listening. He walks back to his car, opens the trunk, pulls out a soiled green army blanket. Kostya holds up his hands: stop.
KOSTYA (CONT'D) Wait one minute, please. Please stop one minute? I do not go near pit bull. Monty? I do not go near pit bull. Monty, carrying the army blanket, walks back toward the dog.
MONTY
This is a good dog. I can see it in his eyes. He's a tough little bastard.
KOSTYA
Sometimes I think you are very stupid man."

 

 
David Benioff (New York, 25 september 1970)

Lees meer...

25-09-13

David Benioff, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen

 

De Amerikaanse schrijver David Benioff (pseudoniem van David Friedman) werd geboren in New York City op 25 september 1970. Zie ook alle tags voor David Benioff op dit blog.

 

Uit: The 25th Hour

 

“They found the black dog sleeping on the shoulder of the West Side Highway, dreaming dog dreams. A crippled castoff, left ear chewed to mince, hide scored with dozens of cigarette burns-a fighting dog abandoned to the mercy of river rats. Traffic rumbled past: vans with padlocked rear doors, white limousines with tinted glass and New Jersey plates, yellow cabs, blue police cruisers.

Monty parked his Corvette on the shoulder and shut off the engine. He stepped from the car and walked over to the dog, followed by Kostya Novotny, who shook his head impatiently. Kostya was a big man. His thick white hands hung from the sleeves of his overcoat. His face had begun to blur with fat; his broad cheeks were red from the cold. He was thirty-five and looked older; Monty was twenty-three and looked younger.

"See?" said Monty. "He's alive."

"This dog, how do you call it?"

"Pit bull. Must have lost somebody some money."

"Ah, pit bull. In Ukraine my stepfather has such dog. Very bad dog, very bad. You have seen dogfights at Uncle Blue's?"

"No."

Flies crawled across the dog's fur, drawn by the scent of blood and shit. "What do we do, Monty, we watch him rot?"

"I was thinking of shooting him."

Awake now, the dog stared impassively into the distance, his face lit by passing headlights. The pavement by his paws was littered with broken glass, scraps of twisted metal, black rubber from blown tires. A concrete barricade behind the dog, separating north- and southbound traffic, bore the tag SANE SMITH in spray-painted letters three feet high.

"Shooting him? Are you sick in the head?"

"They just left him here to die," said Monty. "They threw him out the window and kept driving."

"Come, my friend, it is cold." A ship's horn sounded from the Hudson. "Come, people wait for us."

"They're used to waiting," said Monty. He squatted down beside the dog, inspecting the battered body, trying to determine if the left hip was broken. Monty was pale-skinned in the flickering light, his black hair combed straight back from a pronounced widow's peak. A small silver crucifix hung from a silver chain around his neck; silver rings adorned the fingers of his right hand.”

 

 

 

David Benioff (New York, 25 september 1970)

Lees meer...

25-09-12

Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Rebecca Gablé

 

De Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón werd geboren op 25 september 1964 in Barcelona. Zie ook mijn blog van 25 september 2010 en eveneens alle tags voor Carlos Ruiz Zafón op dit blog.

 

Uit: The Prisoner Of Heaven (Vertaald door Lucia Graves)

 

“That year at Christmas time, every morning dawned laced with frost under leaden skies. A bluish hue tinged the city and people walked by, wrapped up to their ears and drawing lines of vapour with their breath in the cold air. Very few stopped to gaze at the shop window of Sempere & Sons; fewer still ventured inside to ask for that lost book that had been waiting for them all their lives and whose sale, poetic fancies aside, would have contributed to shoring up the bookshop’s ailing finances.

‘I think today will be the day. Today our luck will change,’ I proclaimed on the wings of the first coffee of the day, pure optimism in a liquid state.

My father, who had been battling with the ledger since eight o’clock that morning, twiddling his pencil and rubber, looked up from the counter and eyed the procession of elusive clients disappearing down the street.

‘May heaven hear you, Daniel, because at this rate, if we don’t make up our losses over the Christmas season, we won’t even be able to pay the electricity bill in January. We’re going to have to do something.’

‘Fermín had an idea yesterday,’ I offered. ‘He thinks it’s a briljant plan that’ll save the bookshop from imminent bankruptcy.’

‘Lord help us.’

I quoted Fermín, word for word:

Perhaps if by chance I was seen arranging the shop window in my underpants, some lady in need of strong literary emotions would be drawn in and inspired to part with a bit of hard cash. According to expert opinion, the future of literature depends on women and as God is my witness the female is yet to be born who can resist the primal allure of this stupendous physique,’ I recited.

I heard my father’s pencil fall to the floor behind me and I turned round.

‘So saith Fermín,’ I added.”

 

 

Carlos Ruiz Zafón (Barcelona, 25 september 1964)

Lees meer...

25-09-11

Andrzej Stasiuk, Carlos Ruiz Zafón, William Faulkner, Rebecca Gablé

 

De Poolse schrijver en letterkundige Andrzej Stasiuk werd geboren op 25 september 1960 in Warschau. Zie ook mijn blog van 25 september 2008 en ook mijn blog van 25 september 2009 en ook mijn blog van 25 september 2010.

 

Uit: Hinter der Blechwand (Vertaald door Renate Schmidgall)

 

“Diese Stadt deprimierte mich, aber ich wußte, ich würde keine bessere finden. Ich betrachtete die Taxifahrer, die den ganzen Tag am Marktplatz standen, und spürte, daß ich im Grunde ein Glückspilz war. Ich hatte noch nie gesehen, daß einer von ihnen mit einem Kunden weggefahren wäre. Stundenlang standen sie da, redeten, gingen dann zu ihren Kutschen, lasen Zeitung, lösten Kreuzworträtsel: Fluß in Afrika, drei Buchstaben, erster "N", letzter "L", dann kehrten sie wie- der zu den anderen zurück, zu ihrem Gerede darüber, welches Auto wieviel auf freier Strecke verbrauchte und wieviel in der Stadt, daß die Juden die arabischen Ölfelder gekauft und jetzt das russische Gas im Auge hätten, also würde sich in ein, zwei Jahren gar nichts mehr lohnen, auch das Rumstehen in der Sonne und im Staub würde sich nicht mehr lohnen, nichts, nie mehr, in Ewigkeit amen. Das war der Refrain dieser Stadt: "Es lohnt sich nicht." Außer Stehen und Warten versuchten sie gar nichts, es hätte sich schließlich nicht gelohnt. Ja, diese Angst des Bauern, daß er wie ein Idiot dasteht, daß man ihn anpißt, daß die Wirklichkeit ihn nach Strich und Faden verarscht, hing über der Stadt wie eine Dunstglocke. Nur regloses Abwarten gab den Leuten das Gefühl von Sicherheit. Sie standen neben ihren Kutschen, klopften ihnen aufs Dach und öffneten die Türen, um die Fürze rauszulassen. Sie waren mir ein Trost. Verächtlich betrachteten sie den rostenden Ducato, wenn ich vorsichtig zwischen ihre herausgeputzten Mercedes rollte, die sie aus dem Reich angeschleppt hatten und mit denen sie in fünf Jahren fünftausend Kilometer fuhren. Ich glitt mit meiner nie gewaschenen Spaghettikiste an den fetten, auf Hochglanz polierten Hintern der deutschen Schrottwagen vorbei, und an der Ecke beim Tabakladen, wo wir uns gewöhnlich verabredeten, hielt ich Ausschau nach meinem Partner. Dort gab es die billigsten Zigaretten in der Stadt, dort deckte er sich ein. Ich fuhr ganz langsam, er lief mit und sprang herein, fiel auf den Sitz, holte Luft und fragte:

"Hast du getankt?"

"Halb", erwiderte ich. "Für mehr hat’s nicht gereicht."

"Das heißt?"
"Für circa vierhundert Kilometer, knapp die Hälfte." "In Mariafalva ist heute große Kirchweih."

 

 


Andrzej Stasiuk (Warschau, 25 september 1960)

Lees meer...

25-09-10

Andrzej Stasiuk, Carlos Ruiz Zafón, William Faulkner, Rebecca Gablé, Lu Xun, Patricia Lasoen, Maj Sjöwall, August Kühn, Manouchehr Atashi, Herbert Heckmann, William Michael Rossetti, Charles Robert Maturin

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 25e september mijn blog bij seniorennet.be

  

Andrzej Stasiuk, Carlos Ruiz Zafón, William Faulkner, Rebecca Gablé

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 25e september ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.

 

Lu Xun, Patricia Lasoen, Maj Sjöwall, August Kühn

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 25e september ook bij seniorennet.be mijn eerste blog van vandaag.

 

Manouchehr Atashi, Herbert Heckmann, William Michael Rossetti, Charles Robert Maturin

 

25-09-09

Andrzej Stasiuk, Niccolò Ammaniti, William Faulkner, Rebecca Gablé, Lu Xun


De Poolse schrijver en letterkundige Andrzej Stasiuk werd geboren op 25 september 1960 in Warschau. Zie ook mijn blog van 25 september 2008.

 

Uit: Tales Of Galicia (Vertaald door Margarita Nafpaktitis)

 

Simon Wasylczuk showed up at Kosciejny's and said "come on." Kosciejny took a long, narrow knife out from behind the doorframe. They walked two houses further down. Simon led out a mournful-faced sheep and averted his gaze. Mount Cergowa was holding up the sky as usual, and snow still lay on its peak between the trees. It was over in a second. They lifted the animal up and hung it on a bare apple tree by a tendon in its hind leg.
Kosciejny looked like he usually did, a little like a scarecrow that had just escaped from the garden. That's exactly how skinny, forty-year-old men in overalls look. Time rubs their features away, and it's only in old age, when they have become reconciled with it, that they get their own one-of-a-kind faces back. Maybe so death can tell them apart.
But he wasn't thinking about death. Life was keeping him busy. He cut off the head with short, quick strokes. Two mongrels were hanging around nearby. Then the tip of the knife slipped along the belly, along the legs, and the skin came off like a stocking. Steam was rising in the cold morning air. It was already over — skin, carcass, entrails, everything neatly separated. A simple and precise dissection of existence.
"Should I cut it up?" asked Kosciejny.
"I'll cut it up myself. I just don't like doing the killing," said Simon Wasylczuk. He went into the house and came back with a bottle. They sat down against the wall of the barn, in the sun, and drank to each other and lit their cigarettes, watching Cergowa hold up the sky.

"Well I like it," said Kosciejny. "The most important thing is that the little beast doesn't get scared. Makes a bad job of it, and the meat's no good. Stinks of fear. It's worst with a pig. You can't fool a pig, it's smart. I'm doin' a pig tomorrow at your sister's."
"Yeah," Simon Wasylczuk replied.
Who was Kosciejny? His restless spirit drove him to do so many things. In winter he wore a nylon cap with a brim, and in summer he went bareheaded, shriveled by the sun and just as waterproof.“

 

 

 

 

stasiukd
Andrzej Stasiuk (Warschau, 25 september 1960)

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Ammaniti's eerste boek ‘branchie!’ is in 1994 uitgekomen. In 1995 heeft hij ’Nel nome del figlio’ gepubliceerd op initiatief van zijn vader, Massimo Ammaniti. Het is een verhaal over de problemen van adolescenten. In 1996 volgde ‘Fango’, een verzameling verhalen die hem bekendheid gaf bij het grotere publiek. En een jaar later werd van hem het hoorspel ‘Anche il sole fa schifo’ (Ook de zon staat tegen) uitgezonden op RadioRai. Ammaniti’s bestseller Io non ho paura (Ik ben niet bang) bezorgde hem in 2001 il Premio Viareggio en door de vele herdrukken, waaronder een editie voor scholieren, stond het boek lange tijd hoog in de lijst met best verkopende boeken. De verfilming door Gabriele Salvatores, met een script geschreven door Niccolò zelf en Francesca Marciano, levert hen zelfs een Oscarnominatie op voor beste buitenlandse film.

 

Uit: Zo God het wil (Vertaald door Etta Maris)

 

Cristiano wist nog wat hij droomde toen zijn vader hem wakker had gemaakt.
Beneden in de woonkamer, naast de televisie, stond een groot, lichtgevend aquarium met daarin een groene, glibberige kwal die een heel vreemde taal sprak met allemaal
c’s, z-en en r-en. En het mooie was dat hij die kwal helemaal kon verstaan.
Hoe laat is het eigenlijk? vroeg hij zich gapend af.
De lichtgevende wijzerplaat van de radiowekker op de grond wees drie uur drieëntwintig aan.
Zijn vader stak een sigaret op en blies de rook uit. ‘Die hond hangt me de keel uit.’ ‘Die hond is gewoon gek. Komt door al die stokslagen die hij krijgt...’
Nu zijn hart niet meer zo bonkte, voelde Cristiano de slaap zwaar op zijn oogleden drukken. Hij had een droge mond die smaakte naar de knoflook van de kip van de snackbar. Misschien zou die vieze smaak verdwijnen als hij wat dronk, maar het was te koud om naar de keuken te gaan.
Hij was graag verdergegaan met zijn droom over de kwal op het punt waar hij gebleven was. Hij wreef in zijn ogen.
Waarom ga je niet naar bed? De vraag kwam in hem op, maar hij slikte hem in. Uit de manier waarop zijn vader door de kamer liep viel op te maken dat hij niet van plan was te gaan slapen.
Drie sterren.
Cristiano had een schaal van nul tot vijf om de irritatie van zijn vader te meten.”

 

 

 

Ammaniti
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver William Faulkner werd geboren op 25 september 1897 in New Albany, Mississippi. Zie ook mijn blog van 25 september 2008. en ook mijn blog van 25 september 2007 en  mijn blog van 25 september 2006.

 

Uit: The Sound And The Fury 

 

“Through the fence, between the curling flower spaces, I could see them hitting. They were coming toward where the flag was and I went along the fence. Luster was hunting in the grass by the flower tree. They took the flag out, and they were hitting. Then they put the flag back and they went to the table, and he hit and the other hit. Then they went on, and I went along the fence. Luster came away from the flower tree and we went along the fence and they stopped and we stopped and I looked through the fence while Luster was hunting in the grass.

"Here, caddie." He hit. They went away across the pasture. I held to the fence and watched them going away.

"Listen at you, now." Luster said. "Aint you something, thirty three years old, going on that way. After I done went all the way to town to buy you that cake. Hush up that moaning. Aint you going to help me find that quarter so I can go to the show tonight."

They were hitting little, across the pasture. I went back along the fence to where the flag was. It flapped on the bright grass and the trees.

"Come on." Luster said. "We done looked there. They aint no more coming right now. Les go down to the branch and find that quarter before them niggers finds it."

It was red, flapping on the pasture. Then there was a bird slanting and tilting on it. Luster threw. The flag flapped on the bright grass and the trees. I held to the fence.

"Shut up that moaning." Luster said. "I cant make them come if they aint coming, can I. If you dont hush up, mammy aint going to have no birthday for you. If you dont hush, you know what I going to do. I going to eat that cake all up. Eat them candles, too. Eat all them thirty three candles. Come on, les go down to the branch. I got to find my quarter. Maybe we can find one of they balls. Here. Here they is. Way over yonder. See." He came to the fence and pointed his arm. "See them. They aint coming back here no more. Come on."

We went along the fence and came to the garden fence, where our shadows were. My shadow was higher than Luster's on the fence. We came to the broken place and went through it.

"Wait a minute." Luster said. "You snagged on that nail again. Cant you never crawl through here without snagging on that nail."

 

 

 

 

william-faulkner
William Faulkner (25 september 1897 - 6 juli 1962)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Rebecca Gablé (pseudoniem van Ingrid Krane-Müschen) werd geboren op 25 september 1964 in Wickrath / Mönchengladbach. Zie ook mijn blog van 25 september 2008.

 

Uit: Die Hüter der Rose

 

Windsor, Mai 1429

John hatte die Hände auf die Oberschenkel gestützt und wollte einen Moment verschnaufen, als der harte Lederball ihn mit einem satten Klatschen in den Rücken traf.
„Na warte, mein König. Das wird dir noch Leid tun!“ Er hob den Ball auf und lief los.
Lachend rannte der siebenjährige Henry vor ihm davon und brüllte über die Schulter: „Ich war’s nicht! Ich war’s nicht! Tudor hat geworfen!“
John blieb stehen, bedachte den Waliser mit einem erbosten Blick, täuschte und warf dann doch nach Henry. Aber der Junge reagierte schnell. Ehe der Ball vor seine magere Brust prallen konnte, fing er ihn auf, lief zum Flussufer hinab und warf ihn über die Schulter Tudor zu, der ihn ins Gras fallen ließ und zu John kickte. Doch der Schuss ging fehl, der Ball rollte zwischen John und dem kleinen König aufs Wasser zu, und alle drei setzten ihm nach. Sie erreichten ihn gleichzeitig und rangelten um ihr kostbares Spielzeug, benutzten Füße und Ellbogen, um die Mitstreiter abzudrängen. Henry steckte so wacker ein, wie er austeilte. Schließlich stellte er Tudor ein Bein, der der Länge nach hinschlug, den König mit sich riss und es irgendwie auch schaffte, John bei diesem Manöver zu Fall zu bringen.
Lachend und keuchend lagen sie schließlich alle drei im Gras.
„Oh nein!“, rief Henry aus. „Nun ist er doch ins Wasser gerollt!“
Betrübt sahen sie dem Ball hinterher, der rasch in die Flussmitte getrieben wurde und mit der eiligen Strömung Richtung London schwamm.
Tudor seufzte. „Ein Jammer, Sire. Das war mit Abstand der beste, den wir dieses Frühjahr hatten.“
„Und er hat erstaunlich lange gehalten“, stimmte John zu.
Henry setzte sich auf. „Nun, wenn ich meinen Treasurer artig bitte, bekommen wir bestimmt einen neuen.“

 

 

 

 

Gable-Schloss
Rebecca Gablé (Wickrath, 25 september 1964)

 

 

 

 

De Chinese schrijver Lu Xun werd in 1881 in Shaoxing in de provincie Zhejiang geboren als Zhou Shuren. Zie ook mijn blog van 25 september 2008.

 

Uit: Tomorrow (Vertaald door Yang Hsien-yi en Gladys Yang)

 

 "Not a sound—what's wrong with the kid?"

A bowl of yellow wine in his hands, Red-nosed Kung jerked his head towards the next house as he spoke. Blue-skinned Ah-wu set down his own bowl and punched the other hard in the back.

"Bah ..." he growled thickly. "Going sentimental again!"

Being so out-of-the-way, Luchen was rather old-fashioned. Folk closed their doors and went to bed before the first watch sounded. By midnight there were only two households awake. Prosperity Tavern where a few gluttons guzzled merrily round the bar, and the house next door where Fourth Shan's Wife lived. Left a widow two years earlier, she had nothing but the cotton-yarn she spun to support herself and her threeyear-old boy; this is why she also slept late.

It was a fact that for several days now there had been no sound of spinning. But since only two households were awake at midnight, Old Kung and the others were naturally the only ones who would notice if there were any sound from Fourth Shan's Wife's house, and the only ones to notice if there were no sound.

After being punched, Old Kung—looking quite at his ease—took a great swig at his wine and piped up a folk tune.

Meanwhile Fourth Shan's Wife was sitting on the edge of her bed, Pao-erh—her treasure—in her arms, while her loom stood silent on the floor. The murky lamplight fell on Paoerh's face, which showed livid beneath a feverish flush.

"I've drawn lots before the shrine," she was thinking. "I've made a vow to the gods, he's taken the guaranteed cure. If he still doesn't get better, what can I do? I shall have to take him to Dr. Ho Hsiao-hsien. But maybe Pao-erh's only bad at night; when the sun comes out tomorrow his fever may go and he may breathe more easily again. A lot of illnesses are like that."

Fourth Shan's Wife was a simple woman, who did not know what a fearful word "but" is. Thanks to this "but," many bad things turn out well, many good things turn out badly. A summer night is short. Soon after Old Kung and the others stopped singing the sky grew bright in the east; and presently through the cracks in the window filtered the silvery light of dawn.“

 

 

 

 

lu_xun
Lu Xun (25 september 1881 – 19 oktober 1936)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e september ook mijn vorige blog van vandaag.

25-09-08

William Faulkner, Rebecca Gablé, Andrzej Stasiuk, Lu Xun, Patricia Lasoen, Herbert Heckmann, Carlos Ruiz Zafón


De Amerikaanse schrijver William Faulkner werd geboren op 25 september 1897 in New Albany, Mississippi. Zie ook mijn blog van 25 september 2007 en ook mijn blog van 25 september 2006.

 

Uit Absalom, Absalom!

 

“Her voice would not cease, it would just vanish. There would be the dim coffin-smelling gloom sweet and oversweet with the twice-bloomed wistaria against the outer wall by the savage quiet September sun impacted distilled and hyperdistilled, into which came now and then the loud cloudy flutter of the sparrows like a flat limber stick whipped by an idle boy, and the rank smell of female old flesh long embattled in virginity while the wan haggard face watched him above the faint triangle of lace at wrists and throat from the too tall chair in which she resembled a crucified child; and the voice not ceasing but vanishing into and then out of the long intervals like a stream, a trickle running from patch to patch of dried sand, and the ghost mused with shadowy docility as if it were the voice which he haunted where a more fortunate one would have had a house. Out of quiet thunderclap he would abrupt (man-horse-demon) upon a scene peaceful and decorous as a schoolprize water color, faint sulphur-reek still in hair clothes and beard, with grouped behind him his band of wild niggers like beasts half tamed to walk upright like men, in attitudes wild and reposed, and manacled among them the French architect with his air grim, haggard, and tatterran. Immobile, bearded and hand palm-lifted the horseman sat; behind him the wild blacks and the captive architect huddled quietly, carrying in bloodless paradox the shovels and picks and axes of peaceful conquest. Then in the long unamaze Quentin seemed to watch them overrun suddenly the hundred square miles of tranquil and astonished earth and drag house and formal gardens violently out of the soundless Nothing and clap them down like cards upon a table beneath the up-palm immobile and pontific, creating the Sutpen's Hundred, the Be Sutpen's Hundred like the oldentime Be Light. Then hearing would reconcile and he would seem to listen to two separate Quentins now-the Quentin Compson preparing for Harvard in the South, the deep South dead since 1865 and peopled with garrulous outraged baffled ghosts, listening, having to listen, to one of the ghosts which had refused to lie still even longer than most had, telling him about old ghost-times; and the Quentin Compson who was still too young to deserve yet to be a ghost but nevertheless having to be one for all that, since he was born and bred in the deep South the same as she was-the two separate Quentins now talking to one another in the long silence of notpeople in notlanguage, like this: It seems that this demon-his name was Sutpen-(Colonel Sutpen)-Colonel Sutpen. Who came out of nowhere and without warning upon the land with a band of strange niggers and built a plantation -(Tore violently a plantation, Miss Rosa Coldfield says)-tore violently. And married her sister Ellen and begot a son and a daughter which-(Without gentleness begot, Miss Rosa Coldfield says)-without gentleness. Which should have been the jewels of his pride and the shield and comfort of his old age, only-(Only they destroyed him or something or he destroyed them or something. And died)-and died. Without regret, Miss Rosa Coldfield says-(Save by her) Yes, save by her. (And by Quentin Compson) Yes. And by Quentin Compson.”

 

 

 

 

william_faulkner
William Faulkner (25 september 1897 -
6 juli 1962)

 

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Rebecca Gablé (pseudoniem van Ingrid Krane-Müschen) werd geboren op 25 september 1964 in Wickrath / Mönchengladbach. Na het gymnasium volgde zij een opleiding in het bankwezen. In 1991 begon zij aan een studie literatuurwetenschap en Mediëvistiek aan de Heinrich-Heine-Universität Düsseldorf. In 1996 studeerde zij af en sindsdien is zij zelfstandig schrijfster en vertaalster. Haar eerste roman Jagdfieber, een detective, verscheen in 1995. Haar doorbraak kwam echter met de historische roman Das Lächeln der Fortuna. Zij schreef nog wel een paar detectives, maar richt zich toch sinds 2000 hoofdzakelijk op historische romans.

 

Uit: Das Lächeln der Fortuna

 

"Wenn sie uns erwischen, wird es sein, als sei das Jüngste Gericht über uns hereingebrochen", prophezeite Lionel düster. Sein rundes Jungengesicht wirkte besorgt, und er schien leicht zu frösteln. Eine schwache Brise bauschte seine Novizenkutte auf.
"Du kannst immer noch umkehren", erwiderte Robin kühl. Er war beinah einen Kopf größer als sein gleichaltriger Schulkamerad, und er nutzte diesen Größenunterschied, um verächtlich auf ihn hinabzublicken.
Lionel war oft der Verzagtere und immer der Vernünftigere von beiden. Doch seine Furcht, vor seinem Freund an Gesicht zu verlieren, war größer als die vor den möglichen Folgen ihres Unterfangens. "Wofür hältst du mich?"
"Das kommt darauf an ..."
Sie grinsten sich zu. Robin konnte das Gesicht seines Freundes schwach erkennen, und er sah seine Zähne aufblitzen. Die Nacht war nicht dunkel, denn in zwei Tagen war Vollmond. Zu ihrer Rechten erahnten sie die Umrisse des Kapitelsaals, wo die Mönche ihre täglichen Versammlungen abhielten. Er bildete die nördliche Begrenzungsmauer des Kreuzganges. Genau vor ihnen lag der schnurgerade Weg zum Haupttor. Die alten Linden, die ihn säumten, standen reglos in der Finsternis, wie eine Reihe Soldaten vor einem Nachtangriff. Robin und Lionel nahmen diesen Weg jedoch nicht. Lautlos überquerten sie den grasbewachsenen Innenhof, umrundeten den Fischteich und glitten schließlich in den schwarzen Schatten der Klostermauer, die sich zu beiden Seiten erstreckte und nach ein paar Ellen mit der Dunkelheit verschmolz.
Lionel ging drei Schritte nach rechts und blieb dann stehen. "Hier ist es am besten", wisperte er. "Auf der anderen Seite steht ein Baum, an dem wir herunterklettern können."
Robin sah an der Mauer hinauf und nickte. "Du zuerst."
Er machte eine Räuberleiter. Lionel legte eine Hand auf seine Schulter, stellte den rechten Fuß in Robins ineinander verschränkte Hände und stieg hoch. Er bekam die Mauerkante zu fassen und zog sich mit seinen kräftigen Armen hinauf. Dann brachte er sich in eine sitzende Haltung, ließ die Beine baumeln und spähte hinunter. "Und jetzt?"

 

 

 

 

 

rebecca_gable
Rebecca Gablé (Wickrath, 25 september 1964)

 

 

 

 

 

 

De Poolse schrijver en letterkundige Andrzej Stasiuk werd geboren op 25  september 1960 in Warschau. Volgens eigen zeggen werd hij van school gestuurd. Als pacifist deserteerde hij uit militaire dienst, wat hem anderhalf jaar gevangenisstraf opleverde. In de gevangenis schreef hij aan zijn debuut, de verhalenbundel Mury Hebronu (De muren van Hebron) dat in 1992 verscheen en hevig opzien baarde in Polen. In 1995 verscheen de roman Biały kruk (De witte raaf) die nog in hetzelfde jaar als Gnoje werd verfilmd door Jerzy Zalewski. Stasiuk schrijft ookal jaren kritieken en essays, zowel voor Poolse, Duitse en Italiaanse kranten en tijdschriften.

 

Uit: White Raven

 

"What a fucking mess," said Bandurko, stuck to his waist in slushy snow. All he could do was to start digging himself out.
It was early February and we got a bloody thaw. We'd been wading in snow for hours, getting soaked to the balls. It wouldn't be so bad if the snow were a bit firmer, but it wasn't. The south westerly wind blew hard, and every step meant a knee-deep hole with water sloshing underneath. The woods boomed above our heads without let-up, and this alone could drive anyone mad. We were halfway up the third mountain. Bandurko said it was a good short cut: even stray dogs didn't stray here. He was right about that. But not about the short cut. I was keeping my mouth shut but I was sure we were lost. That thaw was making a hell of a noise. To the boom above was added the sound of streams gushing through even the smallest valleys. The water was turbid, freezing cold, and the same everywhere.
When everything is frozen still, when it's quiet, the brain works better. I observed Bandurko as his head turned nervously in every direction. He claimed he knew the area well, so he should be pushing ahead like a blinkered horse. But we seemed to have got inside some kind of a massive mill, or a nightmare city of thousands of crossroads, each a wrong turn. Yes, that beech wood boomed like a mill. Roared and crashed. 1 wasn't hungry or thirsty; all 1 wanted was to go deaf, at least for a moment. Not a flake of snow on branches, everything bent in a motionless tension, giving to the southerly wind.
My eyes rested on Bandurko's buttocks, working rhythmically in tight, green drill trousers - an element of stability in the surrounding chaos - and pushing forward. We didn't fancy a night in the woods. With no food, no dry clothes to change into. We had three hours before it got dark.
When we reached the top of the ridge I said:
"All right, let's take five and have a smoke."
Bandurko looked around as if the view could have offered anything new. Then he pushed the snow off the trunk of a fallen tree and sat down.
"I don't know. I've done this route twice, but it was summer. One could see paths, trails, something."

 

 

 

stasiuk_ciemny
Andrzej Stasiuk (Warschau, 25 september 1960)

 

 

 

 

 

 

De Chinese schrijver Lu Xun werd in 1881 in Shaoxing in de provincie Zhejiang geboren als Zhou Shuren. Zijn familie behoorde tot de gentry,was oorspronkelijk behoorlijk rijk, maar door de mislukte carrière van Lu Xuns grootvader Zhou Fuqing verloor de familie zowel haar rijkdom als haar respect.

Lu Xun ging naar een van de beste scholen in Shaoxing, en later naar de Marineacademie in Nanking. Hier leerde hij Engels en Duits, en maakte hij bovendien kennis met westerse wetenschap en ideeën. In 1902 ging Lu Xun naar Japan, waar hij na Japans te hebben geleerd medicijnen ging studeren aan de Sendai-universiteit. Dat bleek geen goede keus, en na een jaar ging Lu Xun terug naar Tokio.  Hij besloot dat het belangrijker was 'gedachten te genezen' dan lichamen, en werd schrijver.

Vanaf 1906 publiceerde Lu Xun in Tokio, soms in samenwerking met zijn jongere broer Zhou Zuoren, verschillende essays en vertalingen. Deze werden echter geen succes.

In 1909 kwam Lu Xun terug naar China. Na de revolutie in 1911 werd hij ambtenaar bij het Ministerie van Onderwijs, aanvankelijk in Nanking, later in Peking. Het was samen met mensen van deze universiteit dat Lu Xun één van zijn beroemdste verhalen publiceerde, Dagboek van een gek. Vanaf die tijd publiceerde hij vele verhalen, essays en vertalingen, en werd hij steeds beroemder. Lu Xuns verhalen en essays waren vaak zeer maatschappijkritisch. Naast het schrijven gaf Lu Xun les op de Universiteit van Peking, en was hij redacteur van verschillende literatuurtijdschriften.

Vanaf 1926 steunde Lu Xun de Chinese Communistische Partij, hoewel hij er nooit lid van is

 

Uit: A MADMAN'S DIARY

 

I can't sleep at night. Everything requires careful consideration if one is to understand it.

Those people, some of whom have been pilloried by the magistrate, slapped in the face by the local gentry, had their wives taken away by bailiffs, or their parents driven to suicide by creditors, never looked as frightened and as fierce then as they did yesterday.

The most extraordinary thing was that woman on the street yesterday who spanked her son and said, "Little devil! I'd like to bite several mouthfuls out of you to work off my feelings!" Yet all the time she looked at me. I gave a start, unable to control myself; then all those green-faced, long-toothed people began to laugh derisively. Old Chen hurried forward and dragged me home.

He dragged me home. The folk at home all pretended not to know me; they had the same look in their eyes as all the others. When I went into the study, they locked the door outside as if cooping up a chicken or a duck. This incident left me even more bewildered.

A few days ago a tenant of ours from Wolf Cub Village came to report the failure of the crops, and told my elder brother that a notorious character in their village had been beaten to death; then some people had taken out his heart and liver, fried them in oil and eaten them, as a means of increasing their courage. When I interrupted, the tenant and my brother both stared at me. Only today have I realized that they had exactly the same look in their eyes as those people outside.

Just to think of it sets me shivering from the crown of my head to the soles of my feet.

They eat human beings, so they may eat me.

I see that woman's "bite several mouthfuls out of you," the laughter of those green-faced, long-toothed people and the tenant's story the other day are obviously secret signs. I realize all the poison in their speech, all the daggers in their laughter. Their teeth are white and glistening: they are all man-eaters.

It seems to me, although I am not a bad man, ever since I trod on Mr. Ku's accounts it has been touch-and-go. They seem to have secrets which I cannot guess, and once they are angry they will call anyone a bad character. I remember when my elder brother taught me to write compositions, no matter how good a man was, if I produced arguments to the contrary he would mark that passage to show his approval; while if I excused evil-doers, he would say: "Good for you, that shows originality." How can I possibly guess their secret thoughts—especially when they are ready to eat people?

Everything requires careful consideration if one is to understand it. In ancient times, as I recollect, people often ate human beings, but I am rather hazy about it. I tried to look this up, but my history has no chronology, and scrawled all over each page are the words: "Virtue and Morality." Since I could not sleep anyway, I read intently half the night, until I began to see words between the lines, the whole book being filled with the two words—"Eat people."

All these words written in the book, all the words spoken by our tenant, gaze at me strangely with an enigmatic smile.

I too am a man, and they want to eat me!

 

 

 

 

luxun1
Lu Xun (25 september 1881 – 19 oktober 1936)

 

 

 

 

 

 

 

De Belgische dichteres en schrijfster Patricia Lasoen werd geboren op 25 september 1948 in Brugge.Zie ook mijn blog van 25 september 2007 en ook mijn blog van 25 september 2006.

 

 

Weeën

 

Er zijn dagen:
vroeggeboren slakken.
op het hete middaguur
zoeken zij de schaduw
en smelten sissend
in hun eigen slijm

 

dan later het uur
waarop de maan gebaard wordt
maar nog niet ademt
en niet huilt.
toch helpen schallende cymbalen.

 

 

 

 

 

Plafonds

 

Er zijn er
door Michelangelo beschilderd,
met rozetten versierd,
door zuilen gestut,
maar ook gewone
tijdens grote schoonmaak
met ammoniak gewassen en gewit
of :
niets -
crèmekleurige hoge plafonds
van op een ziekenhuisbed op hoge poten,
en oude plafonds
bekeken door
versleten mensen
die liggen in oude kamers
omdat lopen lastig wordt
een stofnet wordt
verward met barsten
met zimperend vocht
een spin in de hoek wordt
een monster;
er is de angst,
de angst die neerdaalt als damp.

 

 

 

 

 

Lasoen
Patricia Lasoen (Brugge, 25 september 1948)

 

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter, schrijver en literatuurwetenschapper Herbert Heckmann werd geboren op 25 september 1930 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 25 september 2007

 

Der gelbe Akrobat

Die Schultern stoßen eckig in den Tag
sind hilflos krumm
aus dürren Händen schüttelt Tricks
ein gelber Akrobat

Abenteuer vom Kothurn

Kiesel im Mund werden die Worte glätten
aber die Zunge stolpert über das Fremde
und die Füße verankern den Schritt
und Gefahr geht dem Stolz aus dem Wege

Aber
im Spiel allein
Gelächter ausgesetzt
dem stieren Blick von Messeraugen
schamlos preisgegeben
sucht er - wohin?

Die Köpfe staunen spitz

Der gelbe Akrobat
liegt gläsern
blauen Mundes
in den Scherben seines Leibes.

 

 

 

 

 

Heckmann
Herbert Heckmann (25 september 1930 – 18 oktober 1999)

 

 

 

 

 

 

De Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón werd geboren op 25 september 1964 in Barcelona. Zie ook mijn blog van 25 september 2006 en ook mijn blog van 25 september 2007