17-10-15

Arthur Miller, Nel Noordzij, Ernst Hinterberger, Anatoli Pristavkin, Alfred Polgar, Jupiter Hammon, Nathanael West, Tom Rachman

 

De Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller werd geboren in New York op 17 oktober 1915. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Arthur Miller op dit blog.

Uit: Death of a Salesman

„WILLY: No, I see everything. I came back ten miles an hour. It took me nearly four hours from Yonkers.
LINDA (resigned):Well, you’ll just have to take a rest, Willy, you can’t continue this way.
WILLY: I just got back from Florida.
LINDA: But you didn’t rest your mind. Your mind is overactive, and the mind is what counts, dear.
WILLY: I’ll start out in the morning. Maybe I’ll feel better in the morning. (She is taking off his shoes.)
These goddam arch sup-ports are killing me.
LINDA: Take an aspirin. Should I get you an aspirin? It’ll soothe you.
WILLY (with wonder): I was driving along, you understand? And I was fine. I was even observing the scenery. You can imagine, me looking at scenery, on the road every week of my life. But it’s so beautiful up there, Linda, the trees are so thick, and the sun is warm. I opened the windshield and just let the warm air bathe over me. And then all of a sudden I’m goin’ off the road! I’m tellin’ya, I absolutely forgot  I was driving. If I’d’ve gone the other way over the white line I might’ve killed somebody. So I went on again — and five minutes later I’m dreamin’ again, and I nearly... (He presses two fingers against his eyes.)  I have such thoughts, I have such strange thoughts.
LINDA: Willy, dear. Talk to them again. There’s no reason why you can’t work in New York.
WILLY: They don’t need me in New York. I’m the New England man. I’m vital in New England.
LINDA: But you’re sixty years old. They can’t expect you to keep travelling every week.
WILLY: I’ll have to send a wire to Portland. I’m supposed to see Brown and Morrison tomorrow morning at ten o’clock to show the line. Goddammit, I could sell them! (He starts putting on his jacket.“

 

 
Arthur Miller (17 oktober 1915 – 10 februari 2005)
Dustin Hoffmann (Willy) en John Malkovich (Biff) in de film van Volker Schlöndorff uit 1985

Lees meer...

17-10-11

Arthur Miller, Nel Noordzij, Ernst Hinterberger, Anatoli Pristavkin, Alfred Polgar, Jupiter Hammon, Nathanael West

 

De Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller werd geboren in New York op 17 oktober 1915. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2008 en ook mijn blog van 17 oktober 2009 en ook mijn blog van 17 oktober 2010

 

Uit: The Price

 

„The attic of a Manhattan brownstone soon to be torn down. WALTER: Vic, I wish we could talk for weeks, theres so much I want to tell you . . . . It is not rolling quite the way he would wish and he must pick examples of his new feelings out of the air. I never had friends—-you probably know that. But I do now, I have good friends. He moves, sitting nearer Victor, his enthusiasm flowing. It all happens so gradually. You start out wanting to be the best, and there’s no question that you do need a certain fanaticism; there’s so much to know and so little time. Until you’ve eliminated everything extraneous—-he smiles—-including people. And of course the time comes when you realize that you haven’t merely been specializing in something—-something has been specializing in you. You become a kind of instrument, an instrument that cuts money out of people, or fame out of the world. And it finally makes you stupid. Power can do that. You get to think that because you can frighten people they love you. Even that you love them.—-And the whole thing comes down to fear. One night I found myself in the middle of my living room, dead drunk with a knife in my hand, getting ready to kill my wife.

ESTHER: Good Lord!

WALTER: Oh ya—-and I nearly made it too! He laughs. But there’s one virtue in going nuts—-provided you survive, of course. You get to see the terror—-not the screaming kind, but the slow, daily fear you call ambition, and cautiousness, and piling up the money. And really, what I wanted to tell you for some time now—-is that you helped me to understand that in myself.

VICTOR: Me?

WALTER: Yes. He grins warmly, embarrassed. Because of what you did. I could never understand it, Vic—-after all, you were the better student. And to stay with a job like that through all those years seemed . . . He breaks off momentarily, the uncertainty of Victor’s reception widening his smile. You see, it never dawned on me until I got sick—that you’d made a choice.

VICTOR: A choice, how?

WALTER: You wanted a real life. And that’s an expensive thing; it costs.“

 

 

Arthur Miller (17 oktober 1915 – 10 februari 2005)

Lees meer...

17-10-10

Simon Vestdijk, Miguel Delibes, Georg Büchner, Nel Noordzij, Emanuel Geibel, Arthur Miller, Ernst Hinterberger, Anatoli Pristavkin, Alfred Polgar, Jupiter Hammon, Nathanael West

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 17e oktober mijn blog bij seniorennet.be 

  

Simon Vestdijk, Miguel Delibes, Georg Büchner 

                       

Zie voor de volgende schrijvers van de 17e oktober ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag.

 

Nel Noordzij, Emanuel Geibel, Arthur Miller 

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 17e oktober ook bij seniorennet.be mijn eerste blog van vandaag

 

Ernst Hinterberger, Anatoli Pristavkin, Alfred Polgar, Jupiter Hammon, Nathanael West

17-10-09

Simon Vestdijk, Georg Büchner, Nel Noordzij, Emanuel Geibel, Arthur Miller, Anatoli Pristavkin, Ernst Hinterberger, Alfred Polgar, Jupiter Hammon, Nathanael West


De Nederlandse schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2006 en ook mijn blog van 17 oktober 2007 en ook mijn blog van 17 oktober 2008.

 

Uit: Terug tot Ina Damman

 

“In de jaren dat hij nog op het Schoolplein woonde en door Janke naar school werd gebracht, onderscheidde Jan Breedevoort zich doordat hij zoo goed Jan Klaassen na kon doen. Het was toen een vleierige jongen met een hanglip, maar met hetzelfde roode, zalvende gezicht reeds, waarmee hij zijn buurman dan scheef en veel beteekenend vanaf de lessenaar van de bank aanstaarde, alsof hij wat van hem wist. Dan, ineens, lei hij zijn hoofd in zijn twee handen, en liet het heftig op en neer schudden, op de manier van lachen of snikken, dat viel moeilijk uit te maken, kwam dan dicht tegen je aanleunen, omarmde je spottend en innig, en meteen lag hij weer op zijn bank Jan Klaassen na te doen. Hij hield met Jan Klaassen op tot de volgende kermis, omarmde nog een paar keer, en toen was Anton ineens zijn zilveren potloodje kwijt, zoodat zijn vader zich wel genoodzaakt zag even een beleefd kattebelletje naar den overkant te sturen, met dat gevolg, dat juffrouw Mobach, een groote vrouw met paardetanden en schichtige oogen die alles zagen, het potloodje zonder veel omslag uit Jan Breedevoort's borstzakje haalde waar Anton het zelf ook wel had kunnen zien, waarop Jan Breedevoort volhield, dat hij het van Anton gekregen had, en toen duurde het nog een halve dag voordat Anton zijn potloodje terug had, en het laatste wat Jan Breedevoort zei was dat hij het natuurlijk wel had weggenomen, maar als ‘aandenken’ en 's middags na school knikkerden ze al weer samen.

Daar Jan Breedevoort niet alleen stal, maar ook loog, en zelfs liever loog dan stal, omdat dat minder gevaar opleverde, had hij een vriendje noodig die alles geloofde. Anton zou daarvoor wel in aanmerking gekomen zijn, maar die had zelf weer vriendjes, die Jan Breedevoort maar al te goed doorzagen, zoodat alleen de schele Kees Vlaming voor hem overbleef. (Frans ten Kate was ook wel dom, maar daarbij zoo nuchter en onaandoenlijk, dat hij niet eens aan het gelooven toekwam). De slappe, schele Kees Vlaming was het type van een zwakzinnig pretmaker, die overal voor te vinden was. Na een poos zou hij met graagte ieder zilveren potloodje gestolen hebben dat Jan Breedevoort hem had aangewezen. Hij rookte piraatjes van mest en hooi tot hij er van kotste, alleen omdat Jan Breedevoort, die ze hem opdrong, zei dat 't virginiëlief was. Woest ging hij grootere jongens te lijf, als Jan Breedevoort, die zelf nooit vocht, zich maar in de buurt had opgesteld. Hij werd, in éen woord, Jan Breedevoort's slaaf, en deze loog en fantaseerde er onderwijl zoo bandeloos op los, dat het bijna allemaal opnieuw waarheid werd, zooals ook een idealistisch wijsgeer de wereld, na haar eerst kapot geredeneerd te hebben, weer uit de brokstukken opbouwt. Hij gewaagde van bootwerkerstwisten, paling zoo dik als een vuist, en den omgang der geslachten, en op de kermis had hij dronken kerels gezien die de halve poffertjeskraam stuksloegen, en de Indiërs hadden als beesten met de worstelaars gevochten, en de ijzersterke Gonzalos sloeg er met halters bovenop, en losse hoofden rolden over de straat-steenen, en tot de tanden gewapend drong de politie een met bloed besmeurde tent binnen, terwijl de dikke Dina als een bezetene gilde, en Miss Sjerta handenwringend op de estrade vluchtte, achter een Turksche trom, en toen zelfs Kees Vlaming dit niet meer voor zoete koek opat, had hij de acrobate hooren vloeken, die op een gerafeld karpet toeren verrichtte met haar buik in de hoogte, zóo erg hooren vloeken, zóó'n verschrikkelijk vloekwoord..., dagen lang wou hij niet zeggen wát.“

 

 

 

Vestdijk
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Georg Büchner werd geboren op 17 oktober 1813 in Goddelau. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2006 en ook mijn blog van 17 oktober 2008.

 

Uit: Woyzeck

 

MARIE: Also dort hinaus is die Stadt. 's is finster.

WOYZECK: Du sollst noch bleiben. Komm, setz dich!

MARIE: Aber ich muss fort.

WOYZECK: Du wirst dir die Füße nit wund laufe.

MARIE: Wie bist du nur auch!

WOYZECK: Weißt du auch, wie lang es jetzt is, Marie?

MARIE: Am Pfingsten zwei Jahr.

WOYZECK: Weißt du auch, wie lang es noch sein wird?

MARIE: Ich muss fort, das Nachtessen richten.

WOYZECK: Friert's dich, Marie? Und doch bist du warm.

Was du heiße Lippen hast! Heiß, heißen Hurenatem! Und doch möcht' ich den Himmel geben, sie noch einmal zu küssen. Friert's dich? Wenn man kalt is, so friert man nicht mehr. Du wirst vom Morgentau nicht frieren.

MARIE: Was sagst du?

WOYZECK: Nix.

Schweigen.

MARIE: Was der Mond rot aufgeht!

WOYZECK: Wie ein blutig Eisen.

MARIE: Was hast du vor, Franz, du bist so blass?

Er holt mit dem Messer aus.

Franz, halt ein! Um des Himmels willen, Hilfe, Hilfe!

WOYZECK:

Sticht drauflos

Nimm das und das! Kannst du nicht sterben? So! So! Ha, sie zuckt noch; noch nicht? Noch nicht? Immer noch.

Stößt nochmals zu.

Bist du tot! Tot! Tot!

Er lässt das Messer fallen und läuft weg.

 

 

 

 

buchner
Georg Büchner
(17 oktober 1813 - 19 februari 1837)

 

 

 

De Nederlandse schrijfster en dichteres Nel Noordzij (Eig. Pieternella Margaretha Breevoort-Noordzij) werd geboren in Rotterdam op 17 oktober 1923. Zij studeerde pedagogiek en psychologie; was grafologe en werkte mee aan verschillende dagbladen. Noordzij won in 1954 de eerste prijs in de vara-prijsvraag voor aankomende talenten met de novelle Geen eten. Daarop publiceerde zij o.a. Om en om (1954), een bundel gedichten en verhalen en Wachtende mijn hart (1956), een dichtbundel. Zij trok vooral de aandacht met Het kan me niet schelen (1955), de met een nietsontziende waarheidsdrift geschreven roman over een jonge vrouwelijke arts die geremd is in de ontwikkeling van haar gevoelsleven. Voorts schreef zij een helder essay over Rilke, De dichter Rilke als mens (1960). Noordzij heeft zich als een der eerste schrijfsters van haar generatie een volwaardige plaats naast haar mannelijke collega's verworven. Met de zgn. `dameslectuur' heeft zij definitief afgedaan. Ook als dichteres brak zij een lans voor volkomen openhartige lyriek, zich daarmee aansluitend bij het werk van een dichteres als Emily Dickinson. Na 1964 trok zij zich steeds meer uit het literaire leven terug en hield zich vooral bezig met theosofie, parapsychologie en occultisme. Zij stelde een Woordenboek van magie, okkultisme en parapsychologie (1975) samen.

 

 

 

Je ligt zo neergelegd te slapen

 

Je ligt zo neergelegd te slapen
met twee ellebogen als wapen
en een kroontje haren aan je haar
al kijk ik er maar even naar
ik sla tot in mijn schoot alarm
en rijm een zoontje in je arm

 

 

 

 

Het Avondmaal

Er zijn zoveel mensen samen te brengen
in getallen, zoveel getallen in computers
te vermengen. Er zijn zoveel computers
samen te stellen, daar zijn zoveel levens
in op te tellen en er is zoveel psychologie
over groepen, over die en die, over mij,
over U. Zullen wij samen lachende
een wereld vergaren in dingen die men
herfst en lente noemt? U en ik?
Kijk!, een vogel! (Geen computer die van
vogels weet....) En kijk, een eikeblad,
één enkel eikeblad, dat niet van
eikebladen weet, en U, niet eens beseffende
dat ik Nel Noordzij heet. En ik wat U betreffende:
U bent mij langzaam goed geworden, wereldding,
dat loopt en praat, dat op zijn rechten staat,
mij spuugt en van zijn buurman gruwt:
dit alles doen wij samen. En samen zijn wij bang
voor samen, wij weten het tesamen, misschien
U niet vandaag, maar morgen in een doodzijn zeker,
als alle boosheid zachter wordt en luwt.
Kijk, zeggen wij dan, kijk, één enkel eikeblad,
dat niet van eikebladen weet, -- ik dronk U nooit,
maar schenk mij in, hier is mijn beker.


 

 

 

rotterdam1923
Nel Noordzij (17 oktober 1923 – 7 september 2003)

Rotterdam, Kolkkade in 1923 (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Emanuel Geibel werd geboren op 17 oktober 1815 in Lübeck. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2006 en ook mijn blog van 17 oktober 2008.

 

 

 

Herbstlich sonnige Tage

 

Herbstlich sonnige Tage,

mir beschieden zur Lust,

euch mit leiserem Schlage

grüßt die atmende Brust.

 

O wie waltet die Stunde

nun in seliger Ruh’!

Jede schmerzende Wunde

schließet leise sich zu.

 

Nur zu rasten, zu lieben,

still an sich selber zu baun,

fühlt sich die Seele getrieben

und mit Liebe zu schaun.

 

Jedem leisen Verfärben

lausch ich mit stillem Bemühn,

jedem Wachsen und Sterben,

jedem Welken und Blühn.

 

Was da webet im Ringe,

was da blüht auf der Flur,

Sinnbild ewiger Dinge

ist’s dem Schauenden nur.

 

Jede sprossende Pflanze,

die mit Düften sich füllt,

trägt im Kelche das ganze

Weltgeheimnis verhüllt.

 

 

 

 

 

geibel
Emanuel Geibel (17 oktober 1815 - 6 april 1884)

Standbeeld in Lübeck

 

 

 

 

De Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller werd geboren in New York op 17 oktober 1915. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2008.

 

Uit: The Crucible

 

“Hale: Mary Warren, a needle have been found inside this poppet.

Mary Warren, bewildered: Why I meant no harm by it, sir.

Proctor, quickly: You stuck that needle in yourself?

Mary Warren: I--I believe I did, sir I--

Proctor, to Hale: What say you now?

Hale, watching Mary Warren closely: Child, you are certain this be your natural memory? May it be, perhaps that someone conjures you even now to say this?

Mary Warren: Conjures me? Why no sir, I am entirely myself, I think. Let you ask Susanna Walcott—-she saw me sewin’ it in court. Or better still: Ask Abby, Abby sat beside me when I made it.

Proctor, to Hale and Cheever: Bid him begone. Your mind is surely settled now. Bid him out, Mr. Hale.

Elizabeth: What signifies a needle?

Hale: Mary—-you charge a cold and cruel murder on Abigail.

Mary Warren: Murder! I charge no—-

Hale: Abigail was stabbed tonight; a needle were found stuck into her belly—-

Elizabeth: And she charges me?

Hale: Aye.

Elizabeth, her breath knocked out: Why—-! The girl is murder! She must be ripped out of the world!

Cheever, pointing at Elizabeth: You’ve heard that, sir! Ripped out of the world! Herrick, you heard it!

Proctor, suddenly snatching the warrant out of Cheever’s hands: Out with you.

Cheever, Proctor, you dare not touch the warrant.

Proctor, ripping the warrant: Out with you!

Cheever: You’ve ripped the Deputy Governor’s warrant, man!

Proctor: Damn the Deputy Governor! Out of my House!

Hale: Now, Proctor, Proctor!

Proctor: Get y’gone with them! You are a broken minister.

Hale: Proctor, if she is innocent, the court—-

Proctor: If she is innocent! Why do you never wonder if Parris be innocent, or Abigail? Is the accuser always holy now? Were they born this morning as clean as God’s fingers? I’ll tell you what’s walking Salem—-vengeance is walking Salem. We are what we always were in Salem, but now the little crazy children are jangling the keys of the kingdom, and common vengeance writes the law! This warrant’s vengeance! I’ll not give my wife to vengeance!”

 

 

 

 

 

miller
Arthur Miller (17 oktober 1915 – 10 februari 2005)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Ernst Hinterberger werd geboren op 17 oktober 1931 in Wenen. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2008.

 

Uit: Salz der Erde

 

“An einem regnerischen Frühlingsabend kam alles ins Rollen.

Edmund Sackbauer stand mit entblößtem Oberkörper vor dem Waschbecken und trocknete sich schnaubend ab. Er war ein mittelgroßer, klobiger Mann, zweiundfünfzig Jahre alt und selbstsicherer Herrscher über seine etwas jüngere, füllige Frau Toni, den Sohn Karl und die Tochter Hanni. Manchmal allerdings

drohte seine Position zu wanken, denn die Kinder waren drauf und dran, dem väterlichen Machtbereich zu entwachsen und eigene Wege zu gehen.

Edmund Sackbauer hatte ausgiebig gegessen, sich anschließend

gewaschen und machte sich jetzt fertig, um zum abendlichen

Training zu gehen. Er war zufrieden, denn was brauchte

schließlich der Mensch mehr als ordentliches Fressen und Saufen, eine brave Frau, eine schöne Wohnung, anhängliche Kinder und zu alledem noch die Abende der Triumphe im Athletenverein?

Stand dann einer wie er noch ab und zu in der Zeitung

– E. Sackbauer, so und so viel Kilo im Drücken, Reißen und Stoßen –, konnte er ruhig behaupten, den Gipfel erreicht zu haben.

»Du, Mundl«, sagte seine Frau verdrossen, »ein bissl könntest

schon aufpassen beim Waschen und nicht gar so herumspritzen!

Schau doch, was du wieder für eine Schweinerei gemacht

hast. Ich weiß nicht – andere waschen sich doch auch, ohne wie Nilpferde mein frisch eingelassenes Linoleum anzuspritzen!

« Sie holte ein Tuch und begann, die großen, wie Quecksilber glänzenden Wassertropfen aufzuwischen. »Meiner

Seel! Wissen möcht ich, warum ich mich mit der Wohnung so plag, wenn du kein bissl Acht gibst?«

Edmund Sackbauer war nicht aus der Ruhe zu bringen. Er betrachtete wohlgefällig seine Frau, deren Hinterteil sich unter dem gespannten Kleid abzeichnete. So einem Anblick konnte er nicht widerstehen. Edmund schmunzelte und griff mit beiden

Händen zu.

»Wenn man so etwas Appetitliches sieht«, sagte er gemütlich,

»lacht einem direkt das Herz!« Er ließ seine Frau los und trat einen Schritt zurück. »Meiner Seel, wenn ich jetzt kein Sportler wär und nicht zum Training müsst ... Aber ein Athlet muss halt für den Sport seine Opfer bringen, und wenn’s ihm noch so schwerfällt.«

Toni richtete sich unwillig auf. Wenn sie schimpfte, kam er stets mit solchen Späßen und zog alles ins Lächerliche. »Wenn du einmal mir ein Opfer bringen würdest, wäre es mir viel lieber

– nicht nur immer dem Verein! Ja, für den tust du alles, aber daheim spritzt du das Linoleum voll ...«

 

 

 

 

ernst-hinterberger
Ernst Hinterberger (Wenen, 17 oktober 1931)

 

 

 

De Russische dichter en schrijver Anatoli Pristavkin werd geboren op 17 oktober 1931 in Ljuberzy. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2008.

 

Uit: The Inseparable Twins

 

". . . I remember that feeling of anxiety that grew in us on the way from the station to this place in the wooded foothills. We had grown used to the train, the carriages and the railway; it had become our element. We felt relatively secure in those stations, in those markets among peasant traders and among refugees on the noisy platforms and the trains. All Russia was on the move. All Russia was on the move, all Russia was going somewhere, and we were a part of that human torrent, flesh of its flesh; we were its children. 
Now we were being led along a hard, pot-holed road, beside which bloomed flowers that no one picked; where apple trees were ripening; where raws of tall, blackening sunflowers stood, their petals and seeds half shed. And where there was not a single human being, not one . . . 
For the whole of our long trek, lasting several hours, we had not seen a cart, a car or a chance passer-by. The whole place was empty. The crops in the fields were ripening. Someone must have sown them, someone must have hoed and weeded them. But who . . . ? 
We had passed through a village on our way, where people should have been living . . . yet why had this beautiful countryside greeted us with nothing but dumb, blank silence? Even the buildings of the technical college, with its hastily altered makeshift noticeboard that actually referred to us and our orphaned state, had been deserted, devoid of human life. 
And we ourselves seemed like a flock of little animals, cast into a desert as part of some inconceivable zoological experiment: ‘Five Hundred Orphans.’ This was the official description of our breed . . . 
Another explosion reverberated in the mountains behind us, and a little girl in the very middle of the column – we could all hear her – cried, ‘I want to go home,’ and burst into tears. Everyone shuffled, turned round and listened as the grown-ups tried to comfort her. Saying, ‘Now, now, what’s the matter? There’s nothing to be frightened of! Look – there’s our new home. See? Everything here is ours from now on - the houses, the river and the mountains . . . We’ve come to live here!’ "

 

 

 

Anatoli_Pristavkin
Anatoli Pristavkin  (17 oktober 1931 – 11 juli 2008)

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver, vertaler en criticus Alfred Polgar werd geboren op 17 oktober 1873 in Wenen. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2008.

 

Uit: Das große Lesebuch

 

„Die lila Wiese

 

Soundso viele Meter über dem Meeresspiegel liegt die Kleewiese. Seit mindestens zweimal hunderttausend Jahren schon. Die Nacht wirft ein dunkles Tuch über sie, der Tag zieht es wieder fort. Die Wolke weint sich an ihrem Busen aus, der Sturm bestürmt sie, das Lüft­chen plaudert mit Gräsern und Blumen. Der Nebel stülpt eine silbergraue, von schwachen Rauchfäden durchwirkte Tarnkappe über die Wiese, der Frost reißt ihr die Haut in Fetzen, die Sommersonne kocht sich ein Ragout aus Duft und Dunst.

Der Wiese ist das alles ganz lila. Kalt oder warm, feucht oder trocken, Leben oder Tod ... sie duldet es in vollkommener Gleichgültigkeit. Das liegt schon so in der Natur der Natur.

Daß die Kühe sie berupfen, treten und düngen, scheint der Wiese nicht wesentlich. Auch nicht, daß Menschen sie ansehen und sich Verschiedenes dabei denken.

Viele kommen vorüber, achten ihrer nicht. Viele bleiben stehen, ziehen einen kräftigen Schluck Berg­wiese in die Seele.

Die Bergwiese liegt da, läßt sich geruhig abweiden von Kuhmäulern und Menschenaugen.

Sie gibt jedem das Ihre, das das Seine ist.

Einer kommt gerade vom Friedhof. da ist es ein Brocken Schwermut, den er auf der Wiese findet.

Einer vom Mahl, Verdauungsglück in den Eingewei­den. Ihm rauschen die Gräser: Der Mensch ist gut.

 

Einer vom geschlechtlichen Exzeß: ihm predigt die Wiese sanfte Wonnen des Verzichts.

Einer aus dem Kaffeehaus, taumligen Herzens, ver­giftet von Nikotin und Koffein und Nebenmensch­-Atem. Ihm bietet die Wiese einen Splitter vom Stein der Weisen, der heißt: Natur!

Einer von der Landpartie mit der eigenen Frau; da ist es ein anderer Splitter vom Stein der Weisen und heißt: Fiche-toi de la nature!

Dabei kann der eine auch ganz gut immer derselbe sein.

Jeder Wanderer glaubt, die Stimme der Kleewiese zu vernehmen; aber er vernimmt immer nur seine eigene. Am gründlichsten in diesem Punkt täuscht sich der Dichter. Wär' er's sonst?

Jahreszeiten und Wetterlaunen der Menschenseele läßt die Wiese so gelassen über sich ergehen wie Sonne, Schnee, Nebel und den munteren Sausewind. Seufzen und Lachen hört sie, das Tirilieren der Zärtlichen, die Debatte der Botaniker, die Fachgespräche der Bauern, das innere Geschrei des Lyrikers. Publikum!

Den Dichter aber wurmte es, als Publikum genom­men zu werden wie die andern. Es paßte ihm nicht, daß er ein Verhältnis zur Wiese hatte, die Wiese aber kein Verhältnis zu ihm. Und dann: was hat denn ein Dichter von seiner Beziehung zur Natur, wenn niemand weiß, daß er sie hat?“

 

 

 

 

Polgar
Alfred Polgar (17 oktober 1873 - 24 april 1955)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter Jupiter Hammon werd geboren op 17 oktober 1711. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2006 en ook mijn blog van 17 oktober 2008.

 

 

Poem to Phillis Wheatley

 

O, come you pious youth: adore
The wisdom of thy God.
In bringing thee from distant shore,
To learn His holy word.

 

Thou mightst been left behind,
Amidst a dark abode;
God's tender Mercy still combin'd,
Thou hast the holy word.

 

Fair wisdom's ways are paths of peace,
And they that walk therein,
Shall reap the joys that never cease,
And Christ shall be their king.

 

God's tender mercy brought thee here,
tost o'er the raging main;
In Christian faith thou hast a share,
Worth all the gold of Spain.

 

While thousands tossed by the sea,
And others settled down,
God's tender mercy set thee free,
From dangers still unknown.

 

That thou a pattern still might be,
To youth of Boston town,
The blessed Jesus thee free,
From every sinful wound.

 

The blessed Jesus, who came down,
Unveil'd his sacred face,
To cleanse the soul of every wound,
And give repenting grace.

 

That we poor sinners may obtain
The pardon of our sin;
Dear blessed Jesus now constrain,
And bring us flocking in.

 

Come you, Phillis, now aspire,
And seek the living God,
So step by step thou mayst go higher,
Till perfect in the word.

 

While thousands mov'd to distant shore,
And others left behind,
The blessed Jesus still adore,
Implant this in thy mind.

 

Thou hast left the heathen shore;
Thro' mercy of the Lord,
Among the heathen live no more,
Come magnify thy God.

 

I pray the living God may be,
The sheperd of thy soul;
His tender mercies still are free,
His mysteries to unfold.

 

Thou, Phillis, when thou hunger hast,
Or pantest for thy God;
Jesus Christ is thy relief,
Thou hast the holy word.

 

The bounteous mercies of the Lord,
Are hid beyond the sky,
And holy souls that love His word,
Shall taste them when they die.

 

These bounteous mercies are from God,
The merits of his Son;
The humble soul that loves his word,
He chooses for his own.

 

Come, dear Phillis, be advisíd,
To drink Samaria's flood;
There nothing is that shall suffice,
But Christ's redeeming blood.

 

When thousands muse with earthly toys,
And range about the street,
Dear Phillis, seek for heaven's joys,
Where we do hope to meet.

 

When God shall send His summons down,
And number saints together.
Blest angels chant, (triumphant sound)
Come live with me forever.

 

The humble soul shall fly to God,
And leave the things of time,
Start forth as 'twere at the first word,
To taste things more divine.

 

Behold! the soul shall waft away,
Wheneíer we come to die,
And leave this cottage made of clay,
In twinkling of an eye.

 

Now glory be to the Most High,
United praises given,
By all on earth, incessantly,
And all the host of heavín.

 

 

 

jupiter
Jupiter Hammon
  (17 oktober 1711 - 1790 – 1806)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 17 oktober 2008.

 

De Amerikaanse schrijver Nathanael West werd geboren  op 17 oktober 1903 in New York als Nathan Wallenstein Weinstein.

17-10-08

Simon Vestdijk, Georg Büchner, Emanuel Geibel, Arthur Miller, Anatoli Pristavkin, Ernst Hinterberger, Nathanael West, Alfred Polgar, Jupiter Hammon


De Nederlandse schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2006 en ook mijn blog van 17 oktober 2007.

 

Uit: Bericht uit het hiernamaals

 

Mijn situatie is hoogst zonderling, en met niets te vergelijken, dat wil zeggen: met niets op aarde te vergelijken. Toch, luisteraars, - of laat mij u luistervrienden noemen, zoals sommige radiosprekers hun gehoor schijnen te betitelen, - toch zie ik geen kans u enige notie van mijn, van onze zozeer onvergelijkelijke toestand bij te brengen zonder de steun juist van vergelijkingen, al houdt de zindelijke denker zich daar gewoonlijk verre van. Wellicht omdat men door vergelijkingen zijn persoonlijkheid verraadt? Hiervan enkele voorbeelden.

Ik voor mij, op aarde een simpel bioloog, zou geneigd kunnen zijn om de toespraak of lezing, waar ik zo juist aan begonnen ben, in verband te brengen met het geheimzinnige vermogen van vogels en vleermuizen om zich in de ruimte te oriënteren, zonder gebruik te maken van de hogere zintuigen (gezicht, gehoor).

Een psychiater, met mijn taak belast, zou waarschuwen tegen een voor de hand liggend - in zijn ogen voor de hand liggend - misverstand. Iedere keer, dat hij zijn lezing ten gehore bracht, zou hij, de onzichtbare en in geen enkel opzicht existerende wijsvinger opgeheven, u de half sinistere, half potsierlijke overeenkomst voorhouden tussen zijn pogingen u te bereiken en de bemoeiingen van schizofrenen, die hun omgeving menen te kunnen beïnvloeden door middel van een elektrisch apparaatje.

Daarentegen heeft Theo de Vije - Ukkie, zoals hij op aarde werd genoemd, een naam waartegen hij ook hier geen overwegende bezwaren heeft - ons vaak genoeg vermoeid met de parallel tussen onze bestaansvorm en de zogeheten fenomenologische reductie. Met deze monsterterm schrik ik u af; maar ik kom er zo aanstonds op terug, en de filosofisch geschoolden onder u zullen het halve woord reeds begrepen hebben, beter dan De Vije zelf, die op aarde alles eerder dan een filosoof was. Veeleer was hij een eerzaam aardrijkskundige, een leraar voor God en de mensen en in het zweet zijns aanschijns.

Was hij, deze zelfde Ukkie, in overeenstemming met zijn ongedurige aard onderzoekingsreiziger geworden, en had hij bijgeval Tibet doorkruist, - de laatste twintig jaar kan dat weer, - wij hadden op heel andere dingen verdacht moeten zijn. De telepathische vermogens van eerbiedwaardige kluizenaars, hoog in het gebergte zetelend, zouden hem een geschikte inleiding tot zijn toespraak hebben geleken, want wat doe ik op het ogenblik anders dan de telepathie beoefenen?

Dat ik u op aarde met mijn gedachten bereiken zal, luistervrienden, staat intussen allerminst vast. Het is een illusie van ons, en wij hopen onze gedachten tegen de uwe te kunnen uitwisselen. Doch laat ik mij eerst bekend maken. Ik ben Dr. G.H. Hildevoort, bioloog zoals ik al zei, gestorven in 1910, en evenals Ukkie gewezen leraar bij het middelbaar onderwijs. Nooit getrouwd geweest. Ook Minderbragt en Drakestein waren leraren, en academisch gevormd. Met ons vieren hebben wij ons een jaar geleden in onderzoekingen gestort, die ten slotte geleid hebben tot het project A, dat wil zeggen tot de gedenkwaardige onderneming seinen naar de aarde te zenden, in de vorm van deze zorgvuldig samengestelde lezing, die telkens opnieuw herhaald zal worden. Mij, G.H. Hildevoort, heeft men als zender aangewezen. De tekst, waarvan het opzeggen ongeveer zeven uur kost, is bij mij niet in slechte handen.”

 

 

 

 

vestdijk
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)

 

 

 

 

De Duitse schrijver Georg Büchner werd geboren op 17 oktober 1813 in Goddelau. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2006.

 

Uit: Lenz

 

Den 20.Jänner ging Lenz durchs Gebirg. Die Gipfel und hohen Bergflächen im Schnee, die Täler hinunter graues Gestein, grüne Flächen, Felsen und Tannen.
Es war naßkalt; das Wasser rieselte die Felsen hinunter und sprang über den Weg. Die Äste der Tannen hingen schwer herab in die feuchte Luft. Am Himmel zogen graue Wolken, aber alles so dicht - und dann dampfte der Nebel herauf und strich schwer und feucht durch das Gesträuch, so träg, so plump.
Er ging gleichgültig weiter, es lag ihm nichts am Weg, bald auf-, bald abwärts. Müdigkeit spürte er keine, nur war es ihm manchmal unangenehm, daß er nicht auf dem Kopf gehn konnte.
Anfangs drängte es ihm in der Brust, wenn das Gestein so wegsprang, der graue Wald sich unter ihm schüttelte und der Nebel die Formen bald verschlang bald die gewaltigen Glieder halb enthüllte; es drängte in ihm, er suchte nach etwas, wie nach verlornen Träumen, aber er fand nichts. Es war ihm alles so klein, so nahe, so naß; er hätte die Erde hinter den Ofen setzen mögen. Er begriff nicht, daß er so viel Zeit brauchte, um einen Abhang hinunterzuklimmen, einen fernen Punkt zu erreichen; er meinte, er müsse alles mit ein paar Schritten ausmessen können. Nur manchmal, wenn der Sturm das Gewölk in die Täler warf und es den Wald herauf dampfte, und die Stimmen an den Felsen wach wurden, bald wie fern verhallende Donner und dann gewaltig heranbrausten, in Tönen, als wollten sie in ihrem wilden Jubel die Erde besinnen, und die Wolken wie wilde, wiehernde Rosse heransprengten, und der Sonnenschein dazwischen durchging und kam und sein blitzendes Schwert an den Schneeflächen zog, so daß ein helles, blendendes Licht über die Gipfel in die Täler schnitt; oder wenn der Sturm das Gewölk abwärts trieb und einen lichtblauen See hineinriß und dann der Wind verhallte und tief unten aus den Schluchten, aus den Wipfeln der Tannen wie ein Wiegenlied und Glockengeläute heraufsummte, und am tiefen Blau ein leises Rot hinaufklomm und kleine Wölkchen auf silbernen Flügeln durchzogen, und alle Berggipfel, scharf und fest, weit über das Land hin glänzten und blitzten riß es ihm in der Brust, er stand, keuchend, den Leib vorwärts geboren, Augen und Mund weit offen, er meinte, er müsse den Sturm in sich ziehen, alles in sich fassen, er dehnte sich aus und lag über der Erde, er wühlte sich in das All hinein, es war eine Lust, die ihm wehe tat; oder er stand still und legte das Haupt ins Moos und schloß die Augen halb, und dann zog es weit von ihm, die Erde wich unter ihm, sie wurde klein wie ein wandelnder Stern und tauchte sich in einen brausenden Strom, der seine klare Flut unter ihm zog. Aber es waren nur Augenblicke; und dann erhob er sich nüchtern, fest, ruhig, als wäre ein Schattenspiel vor ihm vorübergezogen - er wußte von nichts mehr.
Gegen Abend kam er auf die Höhe des Gebirgs, auf das Schneefeld, von wo man wieder hinabstieg in die Ebene nach Westen. Er setzte sich oben nieder. Es war gegen Abend ruhiger geworden; das Gewölk lag fest und unbeweglich am Himmel; soweit der Blick reichte, nichts als Gipfel, von denen sich breite Flächen hinabzogen, und alles so still, grau, dämmernd. Es wurde ihm entsetzlich einsam; er war allein, ganz allein.“

 

 

 

 

Buechner
Georg Büchner
(17 oktober 1813 - 19 februari 1837)

 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Emanuel Geibel werd geboren op 17 oktober 1815 in Lübeck. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2006.

 

 

Melancholie

 

Wann, wann erscheint der Morgen,
Wann denn, wann denn!
Der mein Leben löst aus diesen Banden?
Ihr Augen, vom Leide so trübe,
Saht nur Qual für Liebe,
Saht nicht eine Freude,
Saht nur Wunde auf Wunde,
Schmerz auf Schmerz mir geben,
Und im langen Leben
Keine frohe Stunde.
Wenn es endlich doch geschähe,
Daß ich säh' die Stunde,
Wo ich nimmer sähe!
Wann erscheint der Morgen,
Der mein Leben löst aus diesen Banden?

 

 

 

 

Nachts

 

Dem Mondesaufgang wandl' ich gern entgegen,
Wenn alles schlummert, durch die stillen Gassen;
Des Marktes Brunnen rauschet noch verlassen,
Sonst tiefes Schweigen rings auf allen Wegen.

 

Da spricht die Nacht auch über mich den Segen,
In sanfte Wehmut schmilzt das trotz'ge Hassen,
Die Liebe naht, mich gläubig zu umfassen,
Und will das Haupt an meine Schulter legen.

 

Mir ist's, als käme mir die Jugend wieder,
Und wieder streben in sehnsücht'ger Weise
Aus dieser Brust zur Heimat meine Lieder.

 

So schwingt von Schwänen eine Schar sich leise
Aus dunklem See auf wallendem Gefieder,
Wenn sie beginnt nach Süden ihre Reise.

 

 

 

 

 

emanuel_geibel
Emanuel Geibel
(17 oktober 1815 - 6 april 1884)

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller werd geboren in New York op 17 oktober 1915. Miller verwierf faam met het toneelstuk Dood van een Handelsreiziger. Hij won daarmee in 1949 de Pulitzer-prijs. Het stuk verhaalt van Willy Loman, een vertegenwoordiger in schrijfwaren, die zijn werk verliest. Het stuk is grotendeels realistisch maar Miller maakt gebruik van een aantal theatrale effecten, zoals flashbacks en locaties die in elkaar overlopen. Het toneelstuk The Crucible uit 1952 handelt over de heksenprocessen van Salem. Miller schreef het stuk naar aanleiding van de communistenjacht door het House Committee on Un-American Activities onder leiding van de Amerikaanse senator Joseph McCarthy. Miller zag een sterke analogie tussen de bijna middeleeuwse heksenjacht en de jacht op communisten. Andere bekende werken van Miller zijn A View from the Bridge, All My Sons en Homely Girl, dat in 2001 werd verfilmd onder de titel Eden.

 

Uit: Death of a Salesman

 

WILLY, desperately: Just let me tell you a story, Howard—

HOWARD: ’Cause you gotta admit, business is business.

WILLY, angrily: Business is definitely business, but just listen for a minute. You don't understand this. When I was a boy—eighteen, nineteen— I was already on the road. And there was a question in my mind as to whether selling had a future for me. Because in those days I had a yearning to go to Alaska. See, there were three gold strikes in one month in Alaska, and I felt like going out. Just for the ride, you might say.

HOWARD, barely interested: Don't say.’

WILLY: Oh, yeah, my father lived many years in Alaska. He was an adventurous man. We've got quite a little streak of self-reliance in our family. I thought I'd go out with my older brother and try to locate him, and maybe settle in the North with the old man. And I was almost decided to go, when I met a salesman in the Parker House. His name was Dave Singleman. And he was eighty-four years old, and he’d drummed merchandise in thirty-one states. And old Dave, he’d go up to his room, y’understand, put on his green velvet slippers—I’ll never forget—and pick up his phone and call the buyers, and without ever leaving is room, at the age of eighty-four, he made his living. And when I saw that, I realized that selling was the greatest career a man could want. ’Cause what could be more satisfying than to be able to go, at the age of eighty-four, into twenty or thirty different cities, and pick up a phone, and be remembered and loved and helped by so many different people? Do you know? When he died—and by the way he died the death of a salesman, in his green velvet slippers in the smoker of the New York, New Haven and Hartford, going into Boston—when he died, hundreds of salesmen and buyers were at his funeral. Things were sad on a lotta trains for months after that. He stands up. Howard has not looked at him. In those days there was personality in it, Howard. There was respect, and comradeship, and gratitude in it. Today, it’s all cut and dried, and there’s no chance for bringing friendship to bear—or personality. You see what I mean? They don’t know me anymore. “

 

 

 

 

ArthurMiller
Arthur Miller (17 oktober 1915 – 10 februari 2005)

 

 

 

 

 

 

De Russische dichter en schrijver Anatoli Pristavkin werd geboren op 17 oktober 1931 in Ljuberzy. Zijn literaire carrière startte in de Sovjet-Unie onder Chroesjtsjov. Een belangrijk boek over zijn dramatische kindertijd in de Kaukasus, in het geheim geschreven in 1982, kon pas vijf jaar later in de perestrojka verschijnen. Het boek werd door Gerard Rasch in het Nederlands vertaald als Kaukasus! Kaukasus! (1989). Pristavkin beschreef erin onder meer hoe hij in 1944 als weeskind naar Tsjetsjenië werd "overgeplaatst" en er maar ternauwernood kon overleven - in de orthodoxe Sovjet-Unie een verhaal dat niet verteld mocht worden. In 1994 verscheen ook in het Nederlands van Rasch het jeugdboek Koekoeksjongen, of Treurlied tot troost van het hart (1994), dat de Deutscher Jugendliteraturpreis won. In 1981 werd Pristavkin leraar aan het Maxim-Gorki-Instituut, later ook decaan. Hij was erelid van de Russische PEN-club.
Van 1992 tot 2001 leidde Pristavkin de onder Boris Jeltsin werkzame presidentiële commissie die amnestieaanvragen van veroordeelden moest overwegen. Ook onder Poetin bleef hij tot aan zijn dood presidentiële raadgever voor deze kwesties. Hij was een felle tegenstander van de doodstraf. Dat Rusland een moratorium daarop invoerde, wordt als zijn grote verdienste gezien. Pristavkin ontving voor zijn literaire en humanitaire werk verschillende belangrijke onderscheidingen.

 

Uit: Ich flehe um Hinrichtung (Vertaald door Thomas Reschke)

 

»In der Nacht vom 30. Juni zum 1. Juli fuhren Noskow und Orlow in betrunkenem Zustand zu der Kreuzung der Autostraße Perm-Kudymkar und der Straße in die Siedlung Mendelejewo. Dort trafen sie die Jugendlichen Bogdanow, Korjakin, Filimonow und die Geschädigte Lichatschowa, die mit der Vorortbahn von Perm zur Station Mendelejewo gefahren und zu dieser Kreuzung gegangen war, um von hier per Anhalter zu ihrer Mutter im Kreis Kudymkar zu fahren.« Ich bitte den Leser, den Protokollstil zu entschuldigen, aber so sind die Gerichtsakten nun einmal abgefaßt. Also: »Mit dem Ziel, Lichatschowa zu vergewaltigen, bedrängten Noskow und Orlow sie hartnäckig, mit ihnen irgendwohin zu gehen, und Noskow riß ihr die Reisetasche von der Schulter und entfernte sich mit Orlow in der Annahme, daß Lichatschowa ihnen wegen ihrer Sachen schon folgen würde. Bogdanow und Korjakin wollten Lichatschowa gegen die Nachstellungen der ersten beiden in Schutz nehmen und boten ihr an, sie zu einer Hütte unweit der Station Mendelejewo zu bringen, und sie stimmte zu. Orlow und Noskow konnten sich denken, wo Lichatschowa war, sie fuhren zu der Hütte, jagten Bogdanow und Korjakin davon und versuchten, Lichatschowa zu vergewaltigen, doch sie leistete heftigen Widerstand, riß sich los und lief weg, aber Noskow holte sie ein und warf sie zu Boden. Um weiteren Mißhandlungen zu entgehen, riß Lichatschowa Noskow das Messer aus der Tasche und versuchte sich umzubringen, sie fiel auf die Klinge und verlor das Bewußtsein. Noskow und Orlow faßten die Geschädigte unter den Armen und schleiften sie zurück in die Hütte, wo sich auch Olschewski befand, der die beiden zu der Hütte gefahren hatte. Im Beisein von Olschewski schlug Noskow vor, Lichatschowa tiefer in den Wald zu bringen, zu vergewaltigen, sie dann umzubringen und zu vergraben, und Orlow stimmte zu. Sie boten dem minderjährigen Olschewski an, ihnen zu helfen, er fand sich bereit und blieb mit Orlow bei der Geschädigten. Noskow ging in die Siedlung, um einen Spaten zu holen, fand jedoch keinen und kam mit zwei Hacken zurück. Als Lichatschowa zu sich kam, wollte Orlow erst gar keinen Widerstand aufkommen lassen und schlug sie ein paarmal ins Gesicht, dann führten die drei sie tiefer in den Wald und begannen vor ihren Augen, das Grab für sie auszuheben.“

 

 

 

 

pristavkin
Anatoli Pristavkin  (17 oktober 1931 – 11 juli 2008)

 

 

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Ernst Hinterberger werd geboren op 17 oktober 1931 in Wenen. Hij volgde een opleiding tot electicien en politieagent, maar werkte als bibliothecaris en als procurator in een fabriek. De held uit zijn roman Das Salz der Erde  „Mundl“ Edmund Sackbauer werd via de op het boek gebaseerde televisieserie Ein echter Wiener geht nicht unter  tot inbegrip van de Weense huurkazernebewoner.

 

Uit: Ein Abschied. Lebenserinnerungen

 

„Nach dieser Nacht des Abschiednehmens von Greti und meiner Vergangenheit sind für mich all diese Fotos und Erinnerungen wie meine Frau gestorben, wie auch die Welt für mich gestorben ist, obgleich sie objektiv und für andere nach wie vor weiterbesteht und eine entweder schöne oder hässliche ist.
Ich bin dabei, mich von allem zu lösen - nicht zu entsagen, der Begriff schließt ja etwas Wehmütiges und Verzichtendes ein, sondern die Welt als etwas, das für mich jede tiefere Bedeutung verloren hat, abzustreifen und sie, was auch den vielen Fotos bevorsteht, wegzugeben und als etwas zu vergessen, das einen wie Träume irritiert und über kürzere oder längere Strecken, aber nicht lebenslang beeinflusst, weil es ein komplexes Geflecht von nicht leicht zu durchschauenden Phantomen ist.
Was zu tun war, ist, meine ich, getan und kann abgehakt werden. Ich brauche keine Fotos mehr und muss zu einem Ende kommen. Irgendwann habe ich den Satz geschrieben: Vergangenheit steht auf und öffnet alle Türen. Was war, wird immer und immer wieder sein.
Aber jetzt erkenne ich, dass er nur teilweise stimmt. Denn für mich ist zwar in dieser Nacht die Vergangenheit aufgestanden und hat nicht alle, aber viele Türen geöffnet. Aber diese werden nun von mir geschlossen werden um nie mehr aufzugehen.
Meine Greti ist nicht mehr, ich habe vor einigen Tagen, was an ihr sterblich war, in die Erde gelegt und gehe daran, jetzt, nach einer langen Nacht, auch ihr Bild und alles, was diese Frau für mich bedeutete, selbst die Erinnerungen an 44 unwiederbringliche Jahre, zu begraben“

 

 

 

 

 

Hinterberger
Ernst Hinterberger (Wenen, 17 oktober 1931)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Nathanael West werd geboren  op 17 oktober 1903 in New York als Nathan Wallenstein Weinstein. Hij was in 1933 van de Oostkust naar Los Angeles vertrokken om als scenarist te werken aan een verfilming van zijn succesroman Miss Lonelyhearts, over een mannelijke Lieve Lita die het leed van al zijn correspondenten op zijn schouders neemt. Het leidde tot niets, maar twee jaar later keerde West toch terug naar Hollywood, waar hij in een goedkoop hotelletje dito scripts afleverde en voortschreef aan zijn magnum opus The Cheated. De roman, over een viertal sappelaars in de marge van de filmindustrie, zou onder de titel The Day of the Locust verschijnen – een jaar voordat West bij een auto-ongeluk om het leven kwam.

 

Uit: The Day of the Locust

 

„Around quitting time, Tod Hackett heard a great din on the road outside his office. The groan of leather mingled with the jangle of iron and over all beat the tattoo of a thousand hooves. He hurried to the window.

An army of cavalry and foot was passing. It moved like a mob; its lines broken, as though fleeing from some terrible defeat. The dolmans of the hussars, the heavy shakos of the guards, Hanoverian light horse, with their flat leather caps and flowing red plumes, were all jumbled together in bobbing disorder. Behind the cavalry came the infantry, a wild sea of waving sabretaches, sloped muskets, crossed shoulder belts and swinging cartridge boxes. Tod recognized the scarlet infantry of England with their white shoulder pads, the black infantry of the Duke of Brunswick, the French grenadiers with their enormous white gaiters, the Scotch with bare knees under plaid skirts.

While he watched, a little fat man, wearing a cork sun-helmet, polo shirt and knickers, darted around the corner of the building in pursuit of the army.

“Stage Nine—you bastards—Stage Nine!” he screamed through a small megaphone.

The cavalry put spur to their horses and the infantry broke into a dogtrot. The little man in the cork hat ran after them, shaking his fist and cursing.

Tod watched until they had disappeared behind half a Mississippi steamboat, then put away his pencils and drawing board, and left the office. On the sidewalk outside the studio he stood for a moment trying to decide whether to walk home or take a streetcar. He had been in Hollywood less than three months and still found it a very exciting place, but he was lazy and didn’t like to walk. He decided to take the streetcar as far as Vine Street and walk the rest of the way.

A talent scout for National Films had brought Tod to the Coast after seeing some of his drawings in an exhibit of undergraduate work at the Yale School of Fine Arts. He had been hired by telegram. If the scout had met Tod, he probably wouldn’t have sent him to Hollywood to learn set and costume designing. His large, sprawling body, his slow blue eyes and sloppy grin made him seem completely without talent, almost doltish in fact.“

 

 

 

nathanael_west
Nathanael West (17 oktober 1903 – 22 december 1940)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver, vertaler en criticus Alfred Polgar werd geboren op 17 oktober 1873 in Wenen. Na het gymnasium en de handelsschool werd hij in 1895 redacteur bij de Wiener Allgemeine Zeitung. Vanaf 1905 begon hij regelmatig te schrijven voor Die Schaubühne. Zijn eerste boek Der Quell des Übels verscheen in 1908. In deze jaren was Polgar vaak aan te treffen in Café Central, waar hij verkeerde in het gezelschap van  Peter Altenberg, Anton Kuh en Egon Friedell. Tijdens WO I werkte Polgar voor het oorlogsarchief, maar bleef ook voor kranten schrijven. In de jaren 1920 leefde hij overwegend in Berlijn. In 1933 emigreerde hij via een omweg naar de VS. Hij werkte er o.a als draaiboekschrijver voor Metro-Goldwyn-Mayer. In 1943 werd hij Amerikaans staatsburger en woonde hij in New York. In 1949 keerde hij terug naar Europa en vestigde zich in Zürich.

 

 

Uit: Der Dienstmann

 

“Mein Dienstmann ist alt und bucklig. Er trägt große Röhrenstiefel, einen dicken grauen Schal und Wollhandschuhe, die durch eine um den Nacken gelegte Schnur miteinander verbunden sind. Sozusagen: kommunizierende Handschuhe. Er hat eine rote, aufgequollene Nase und einen schwarzen Schnurrbart, dessen struppige Bürste die Oberlippe ganz verdeckt. In seinen wässerigen, runden Augen spiegelt sich unbedingte Treuherzigkeit.

Sein Standplatz ist an der Straßenecke. Vor der Apotheke. An den drei andern, durch die Straßenkreuzung gebildeten Ecken stehen auch Dienstmänner. Ein glattrasierter, ein langer, ein rotblonder Durchschnittsdienstmann. Die drei sind miteinander gut Freund, meinen Buckligen mögen sie nicht. Er hat ihnen kaum was

 

Böses getan, aber er ist billig. Er drückt die Preise. Nicht um den Kollegen schäbige Konkurrenz zu machen, sondern aus kaufmännischem Zartgefühl. Niemals wird er auf die Frage: »Was bekommen Sie?« anders antworten als: »Was der Herr meinen.«

Mein Dienstmann ist ein Muster an Takt. Kürzlich holte er mir die Uhr aus dem Versatzamt. Ich wartete beim Friseur. Er kam mit der Uhr und sagte laut: »So, da ist sie. Der Uhrmacher meint, jetzt wird sie schon richtig gehen.« Ich fragte: »Was haben Sie dafür gezahlt?«

Er, vor Verlegenheit und so leise wie möglich: »61 Schilling.« Der Friseur empörte sich: »Na, so was! Jetzt kost’ eine Uhr reparieren so viel wie früher a neue. Gauner, miserablige.« Der Dienstmann stimmte lebhaft zu, und die beiden sangen ein Klagelied auf die schlechten Zeiten. »Was bekommen Sie?« . . . »Was der Herr meinen.«

Er hatte ein hölzernes, schwarz und hohl gesessenes Bänkchen. Das stand tagsüber vor der Apotheke, nachts genoß es Gastfreundschaft in ihr. Es ereignete sich, daß dieses Bankdepot meines Dienstmanns abhanden kam.“

 

 

 

 

Polgar
Alfred Polgar (17 oktober 1873
- 24 april 1955)

 

 

 

 

 

 

 

De dichter Jupiter Hammon werd geboren op 17 oktober 1711. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2006.