23-02-14

Henri Meilhac, B. Traven, Amoene van Haersolte, David Kalisch, Josephin Soulary

 

De Franse schrijver Henri Meilhac werd geboren op 23 februari 1831 in Parijs. Zie ook alle tags voor Henri Meilhac op dit blog.

Uit : La Belle Hélène

“Philocome.
Oui, seigneur !
Calchas.
Et le Tonnerre ... a-t-on rapporté le Tonnerre ?
Philocome.
Pas encore !
Calchas.
Comment, pas encore ?
Philocome.
Non, seigneur, mais je l’attends !
Calchas.
Nous pouvons nous passer de Tonnerre aujourd’hui, la journée sera chaude : la fête d’Adonis présidée par notre grâcieuse souveraine ... puis l’assemblée des Rois et en leur présence le concours des jeux d’esprit.
Philocome.
Sans compter l’imprévu.
Calchas.
Une pareille journée ne se passera pas sans oracle ... et il n’y a pas d’oracle sans tonnerre ... il me faut mon tonnerre.
Philocome.
Le forgeron Eutycles m’a bien promis ... et le voici...”

 

 
Henri Meilhac (23 februari 1831 – 6 juli 1897)
Uitvoering van “La Belle Hélène“ in Dijon, Théâtre des Feuillants, 2011

Lees meer...

23-02-13

Henri Meilhac, B. Traven, Amoene van Haersolte, David Kalisch, Josephin Soulary

 

De Franse schrijver Henri Meilhac werd geboren op 23 februari 1831 in Parijs. Zie ook alle tags voor Henri Meilhac op dit blog.

 

Uit : La Belle Hélène

 

“Scène II

PHILOCOME, CALCHAS.

CALCHAS.

Plus personne… pas de frais inutiles !… (Il éteint un trépied, Philocôme éteint l’autre.) Fais rentrer les offrandes, Philocôme.

PHILOCOME.

Oui, grand augure.

Sur l’ordre de Philocôme, deux esclaves emportent les offrandes dans le temple.

CALCHAS.

De piètres offrandes, en vérité… deux tourterelles, une amphore de laitage, trois petits fromages, des fruits très peu, et des fleurs beaucoup. Toutes ces guirlandes nous encombrent en pure perte… Il est passé, le temps des troupeaux de bœufs et de moutons… Voilà où en sont les sacrifices !… Les dieux s’en vont ! Les dieux s’en vont !

PHILOCOME.

Pas tous, seigneur ! Voyez Vénus…

CALCHAS.

Elle lutte, je ne dis pas le contraire, elle lutte… J’ai lu dans le Moniteur de Cythère le chiffre exact des offrandes du mois dernier… c’est énorme !

PPHILOCOME.

Il doit faire de bonnes affaires, le grand augure de Vénus !

CALCHAS.

Le fait est qu’il n’y en a plus que pour elle, depuis que, grâce au berger Pâris, elle a battu Junon et Pallas dans le concours du mont Ida… tandis que ce pauvre

Jupiter, le père des dieux et des hommes cependant, il est dans une baisse !… Que de fleurs !… que de fleurs !… enfin… tu porteras ce bouquet de roses à la petite Mégara, la joueuse de flûte qui demeure près du temple de Bacchus…”

 

 


Henri Meilhac (23 februari 1831 – 6 juli 1897)

Uitvoering van “La Belle Hélène“ in Bordeaux, Grand-Théâtre, 2011

Lees meer...

23-02-11

Jef Geeraerts, Erich Kästner, Bernard Cornwell, Elisabeth Langgässer, Amoene van Haersolte

 

De Vlaamse schrijver Jef Geeraerts werd geboren op 23 februari 1930 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 23 februari 2007 en ook mijn blog van 23 februari 2009 en ook mijn blog van 23 februari 2010.

 

Uit: De zaak Alzheimer 

 

Op ongeveer een kilometer in vogelvlucht daarvandaan, in de Seringenlaan, stond een man in de brede dreef recht tegenover nummer 15 B in de schaduw van een dikke beuk te wachten.

Hij was klein van postuur, maar opvallend breed gebouwd. Hij was van kop tot teen in het zwart

gekleed en zijn gestalte versmolt zo volmaakt met de omgeving, dat zelfs voorbijgangers hem met moeite zouden kunnen onderscheiden, maar daarvoor was geen gevaar: op dat uur lag de omgeving er als uitgestorven bij. De bewoners van wat zijzelf een exclusieve buurt noemden maar wat in werkelijkheid een enclave van nouveaux riches was, sliepen of zaten gezellig in hun comfortabele huizen, omgeven met grote tuinen, meestal voorzien van een stil alarmsysteem, een peperdure modetrend waar weinigen van wat in het jaar vijfentachtig voor de elite doorging, aan konden weerstaan. Telkens als er een wagen aan kwam rijden, keek de man met een katachtig rukje van zijn hoofd in die richting, maar bewoog verder niet. De wagens reden voorbij en dan werd het, afgezien van het drukke verkeer op de E3-Ring die vlakbij was, opnieuw relatief stil.

Net nadat hij op de verlichte wijzerplaat van zijn kwartshorloge had gezien dat het tien voor middernacht was, draaide een zware wagen geruisloos vanuit de Acacialaan de Seringenlaan in, vertraagde, stak zijn knipperlamp aan en stopte op twee meter van het hek. De man in de schaduw stak snel de straat over, bracht intussen de rechterhand omhoog, trok de ritssluiting van zijn jack open en haalde iets tevoorschijn. Het portier van de wagen ging open en een zwaargebouwde man die een sigaar rookte, stapte uit en zocht naar de sleutel om het hek te openen.

De man in de schaduw naderde. Net toen de andere zich vooroverboog om naar het sleutelgat te zoeken, was hij vlakbij en richtte het voorwerp dat hij zopas uit zijn jack had gehaald (en dat mat glansde in de straatverlichting) op het hoofd met de sigaar, dat zich abrupt omdraaide, hevige angst uitdrukte en iets uitstootte met een euh-klank erin.“

 

 


Jef Geeraerts (Antwerpen, 23 februari 1930)

 

Lees meer...

23-02-10

Elisabeth Langgässer, Amoene van Haersolte, B. Traven, David Kalisch, Samuel Pepys, Josephin Soulary, Henri Meilhac


De Duitse dichteres en schrijfster Elisabeth Langgässer werd geboren op 23 februari 1899 in Alzey. Zie ook mijn blog van 23 februari 2009.

 

 

Mein Ursprung ...

 

Begreift ihr nun? Mein Ursprung ist der Hauch.

Ein Hauch ist nichts. Und ist der Name auch.

 

Erfühlt es tief. Mein Ende ist der Duft.

Sehr sanft entläßt ihn meines Namens Gruft.

 

Die Gruft ist leer. O neu gehauchtes Glück:

Die Welt strömt ein. Ich atme sie zurück.

 

 

 

 

Aufzuspringen rot vor Glück

   

Aufzuspringen rot vor Glück,

drängt jetzt auch das Jahr.

Weiß die Rose, daß ihr Blick

eine traf, die - denk' zurück! -

schon im sechsten war ?

 

In dem sechsten Monat ist

heute alles Kraut.

Nur sie selbst, ohne Zwist,

ohne Paarung, Trug und List

Mutter bleibt und Braut.

 

 

 

 

Langgaesser
Elisabeth Langgässer (23 februari 1899 – 25 juli 1950)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijfster Amoene van Haersolte (eig. Ernestine Amoene Sophia van Haersolte-van Holthe tot Echten)  werd geboren in Utrecht op 23 februari 1890. Ze trouwde op 7 maart 1916 met Johan Frederik baron van Haersolte, wethouder van Zwolle, rechter-plaatsvervanger en dijkgraaf. Zij kregen samen vier kinderen. Van Haersolte publiceerde onder andere in Onze Eeuw, Leven en Werken en Den Gulden Winckel. Na de Tweede Wereldoorlog publiceerde ze in De Nieuwe Stem en Overijssel, Jaarboek voor cultuur en historie.

 

Uit: Het joodsche lied’ door Jacob Israël de Haan

 

„Er ligt geen verwijt aan den auteur De Haan in deze woorden. We moeten daarlaten, of er een kleineering van den mensch in gezocht moet of kan worden. Want wie zal bepalen of de bron van een geluk de waarde van hem dien ze gelukkig maakt doet tanen? Voor den ingewijden beschouwer dezer verzen zal het schokkend, verontrustend blijken, dat Gods woord -

 

En God sprak: ‘Ik, Ik vaag de wolken voort,

Als wolken veeg Ik uw zonden voorbij.

Want uw hartdaad was en uw drijvend woord

Als Mijn open hemel is uw hart Mij.

 

in precies gelijke mate syncopisch gerythmeerd klinkt als het relaas van Jacob Israël de Haan's jeugdvaart van het ouderlijke Zaandam naar het groote Amsterdam:

 

Toen mijn vader, des morgens in den zomer,

Mij plotsling verrast op reis medenam.

Klaar als een waker, verrukt als een droomer,

Verliet ik met de boot den lagen Dam.

 

Ook zal het dien beschouwer in onrust brengen, dat iedere zinsdeel-combinatie tot drie-, vier- of vijfvoudige alliteratie aanleiding moet geven. De Haan is in zijn gedichten de functioneele afgedwongenheid van de alliteratie allang voorbij; hij kruidt er zijn wijsgeerig-huppelende zinnen mee, tot een samengaan van klankdrachtigheid en denkbeelden-hypertrophie ze te gronde voert. Daaraan werken het stuipachtige der zinsformatie en de onophoudelijke zelfherhaling van zijn, uit wonderbaarlijke taal-abyssen opgediepte, naamwoorden mee. En nogmaals, door niets zoo hevig als door deze verwrongen onevenredigheden toont De Haan - hem ten heil! - zijn ‘kunst’ onafhankelijk te kunnen houden van zijn kameleontische menschelijkheid. Want meer waarachtig dan fraai is het gezegd: het kunstwerk is een edel gerecht, uit tallooze ingrediënten toebereid; maar welken weg uit alle de maatschappelijke wegen zij volgden, het kunstwerk verliest zijn adel, zoo men, elk der wegen terug-zoekende, den oorsprong niet vindt in de humaniteit.“

 

 

 

Utrecht_Oudegracht_Domtoren

Amoene van Haersolte (23 februari 1890 - 1 augustus 1952)
Utrecht (Geen portret beschikbaar)

 

 

 

De Duitstalige schrijver B. Traven werd (vermoedelijk op 23 februari) 1890 geboren. Er is heel weinig over hem bekend, omdat hij nooit interviews toestond en opzettelijk iedere poging tot demystificatie dwarsboomde. Over het algemeen wordt hij geïdentificeerd met Ret Marut, het pseudoniem van een Duitse schrijver die zich in anarchistische kringen bewoog. B. Traven werd beroemd met de romans das Totenschiff en Der Schatz der Sierra Madre, maar hij maakte zijn debut met Die Baumwollpflücker in 1925.  Niet alleen over de identiteit van de schrijver bestaat veel onduidelijkheid, ook zijn biografie is in nevelen gehuld. De man die we als "B. Traven" kennen overleed in 1969 in Mexico. Hij stond officieel bekend als Bernhard Traven Torsvan en had het verhaal dat hij de autoriteiten verteld had oncontroleerbaar gemaakt. Volgens zijn papieren was hij geboren in 1892 in San Francisco geboren, een stad die in 1905 volkomen was verwoest door een aarbeving, waardoor alle archieven verloren gingen. Zijn testament vermeldde echter dat hij in 1890 in Chicago geboren was. Als hij dezelfde is als Ret Marut die van 1919 tot 1921 in het anarchistische tijdschrift Der Ziegelbrenner publiceerde, wat waarschijnlijk lijkt, zou hij, als deelnemer aan de Beierse Revolutie standrechtelijk worden geëxecuteerd, maar wist te ontvluchten en publiceerde zijn tijdschrift vanuit Keulen. In 1923 duikt zijn spoor op in de archieven van de Britse vreemdelingenpolitie; de foto van „Otto Feige“ uit Schwiebus is onmiskenbaar Traven. Men vermoedt dat Traven van hier naar Canada is vertrokken en vandaar naar Mexico.

 

Uit: Das Totenschiff

 

Nach dem Aussehen eines Schiffes kann man genau die Beköstigung und Behandlung der Mannschaft beurteilen, sobald man erst einmal eine Weile Salzwasser gerochen hat. Da bildet sich manch einer ernsthaft ein, daß er vom Meere, von Schiffen und Seeleuten etwas verstünde, wenn er ein dutzendmal auf einem Passagierschiff, vielleicht sogar Staatskabine, über Ozeane gefahren ist. Aber ein Fahrgast lernt weder etwas vom Meer noch etwas von einem Schiff und noch viel weniger etwas vom Leben der Mannschaft. Die Stewards sind keine Mannschaft, und die Offiziere sind auch keine Mannschaft. Die einen sind nur Kellner und Hausdiener, und die anderen sind nur Beamte mit Pensionsberechtigung. Der Skipper kommandiert das Schiff, aber er kennt es nicht. Wer auf dem Kamel reitet und den Ort angibt, wo er hinreiten will, weiß nichts von dem Kamel. Der Kameltreiber allein kennt das Kamel, zu ihm spricht das Kamel, und er spricht zu dem Kamel. Er allein kennt seine Sorgen und seine Schwächen und seine Wünsche. So ist es auch mit einem Schiff. Der Skipper ist der Kommandant, der Vorgesetzte, der immer anders will, als das Schiff will. Ihn haßt das Schiff, wie alle Vorgesetzten und Kommandanten gehaßt werden. Und lediglich wenn Kommandanten wirklich einmal geliebt werden, oder es wird gesagt, daß sie geliebt seien, so werden sie nur darum geliebt, weil man in dieser Weise am besten mit ihnen und mit ihren Schrullen zurechtkommt. Aber die Mannschaft ist es, die das Schiff liebt. Die Mannschaft sind die echten und wahren Kameraden des Schiffes. Sie putzen an dem Schiff herum, sie streicheln es, sie kosen es, sie küssen es. Die Mannschaft hat häufig kein andres irgendwo auf dem Lande, er hat seine Frau, er hat seine Kinder. Es haben auch manche Seeleute eine Frau oder Kinder, aber ihre Arbeit mit dem Schiff und auf dem Schiff ist so hart und ermüdend, daß sie nur an das Schiff denken können und die Familie daheim völlig vergessen, weil sie keine Zeit haben, an ihr Zuhause zu denken. Denn wenn sie anfangen wollen, an das Zuhause zu denken, dann beginnen sie gleich zu schlafen, weil sie zu müde sind. Das Schiff weiß ganz genau, daß es keinen Schritt gehen könnte, wenn die Mannschaft nicht wäre.“

 

 

 

 

Traven
B. Traven (vermoedelijk 1890 - 26 maart 1969)

 

 

 

 

De Duitse schrijver David Kalisch werd geboren op 23 februari 1820 in Breslau. Zie ook mijn blog van 23 februari 2009.

 

Uit: Berlin, wie es weint und lacht

 

BERNHARD gewinnt und verliert.

SCHLEPPER die leere Flasche sehend. Ist denn kein Stoff mehr da? Heda, Ferdinand!

FERDINAND. Hm! Was denn?

SCHLEPPER. Sekt her!

FERDINAND sitzen bleibend, laut für sich. I bewahre! Noch länger hier sitzen bleiben. Es kann ja nicht weit vom Morgen sein. Was ist denn die Uhr? – Er sieht nach. Dreiviertel auf Sechs! – Er sieht durchs Fenster. Heller, lichter Tag! Die schöne Nacht wieder um die Ohren geschlagen! Wenn man nicht seinen Profit davon hätte, es wäre nicht zum Aushalten. Aber ich denke, man muß sich nichts daraus machen. Andere Leute leben in den Tag hinein und kommen zu nichts, unsereins lebt in die Nacht hinein und kommt dadurch zu etwas. Er liest in dem Buche.

BERNHARD. Den letzten Louis auf die sept.

EISLEBEN wie oben. Madame et deux! Sept et roi!

BERNHARD. Pfui! – Alles fort! – Alles verloren!

EISLEBEN. Dix et l'as!

BERNHARD. Attention! Zwanzig Louisdor auf die neuf!

EISLEBEN zögert, den Einsatz des Geldes erwartend. Wenn ich bitten darf.

BERNHARD. Auf Ehrenwort!

EISLEBEN. Auf Ehrenwort! Gut! Er zieht ab. Roi et dix! – Roi et Madam! – Neuf et trois! – Sie haben verloren.“

 

 

 

kalisch
David Kalisch (23 februari 1820 – 21 augustus 1872)

 

 

 

 

De Engelse schrijver Samuel Pepys werd geboren op 23 februari 1633 in Londen. Zie ook mijn blog van 23 februari 2007 en ook mijn blog van 23 februari 2009.

 

Uit: The Diary of Samuel Pepys

 

„Friday 22 February 1666/67

Up, and to the office, where I awhile, and then home with Sir H. Cholmly to give him some tallies upon the business of the Mole at Tangier, and then out with him by coach to the Excise Office, there to enter them, and so back again with him to the Exchange, and there I took another coach, and home to the office, and to my business till dinner, the rest of our officers having been this morning upon the Victuallers’ accounts. At dinner all of us, that is to say, Lord Bruncker, [Sir] J. Minnes, [Sir] W. Batten, [Sir] T. Harvy, and myself, to Sir W. Pen’s house, where some other company. It is instead of a wedding dinner for his daughter, whom I saw in palterly clothes, nothing new but a bracelet that her servant had given her, and ugly she is, as heart can wish. A sorry dinner, not any thing handsome or clean, but some silver plates they borrowed of me. My wife was here too. So a great deal of talk, and I seemingly merry, but took no pleasure at all. We had favours given us all, and we put them in our hats, I against my will, but that my Lord and the rest did, I being displeased that he did carry Sir W. Coventry’s himself several days ago, and the people up and down the town long since, and we must have them but to-day. After dinner to talk a little, and then I away to my office, to draw up a letter of the state of the Office and Navy for the Duke of York against Sunday next, and at it late, and then home to supper and to bed, talking with my wife of the poorness and meanness of all that Sir W. Pen and the people about us do, compared with what we do.“

 

 

 

samuel_pepys1
Samuel Pepys (23 februari 1633 – 26 mei 1703)

Portret door J. Hayles, 1666

 

 

 

De Franse dichter Josephin Soulary werd geboren op 23 februari 1815 in Lyon. Zie ook mijn blog van 23 februari 2009.

 

 

Sonnet De Decembre

 

L’hiver est là. L’oiseau meurt de faim; l’homme gèle.

Passe pour l’homme encor ; mais l’oiseau, c’est pitié !

Dans un bouquin rongé des rats plus qu’à moitié

j’ai lu qu’il paie aussi la faute originelle.

 

La bise a mangé l’air, durci le sol, lié

Les ruisseaux. - Temps propice aux heureux ! La flanelle

Les couvre ; au coin du feu le festin les appelle.

Mais les autres ?.. Sans doute ils auront mal prié !

 

Le soleil disparaît sous la brume glacée ;

C’est l’acteur des beaux jours qui, la toile baissée,

Prépare sa rentrée au prochain renouveau ;

 

et, tandis qu’on grelotte, il vient, par intervalle,

regarder plaisamment, l’oeil au trou du rideau,

La grimace que fait son public dans la salle.

 

 

 

 

Soulary
Josephin Soulary (23 februari 1815 – 28 maart 1891)

Muurportret in Lyon

 

 

 

 

De Franse schrijver Henri Meilhac werd geboren op 23 februari 1831 in Parijs. Zie ook mijn blog van 23 februari 2009.

 

Uit: Carmen

 

„SCÈNE PREMIÈRE

MORALÈS, MICAËLA, Soldats, Passants.

Au lever du rideau, une quinzaine de soldats (Dragons du régiment d’Alcala) sont groupés devant le corps de garde, les uns assis et fumant, les autres accoudés sur la balustrade de la galerie. – Mouvement de passants sur la place : des gens pressés, affairés, vont, viennent, se rencontrent, se saluent, se bousculent, etc.

 

CHŒUR

Sur la place

Chacun passe,

Chacun vient, chacun va ;

Drôles de gens que ces gens-là !

MORALÈS.

À la porte du corps de garde,

Pour tuer le temps,

On fume, on jase, l'on regarde

Passer les passants.

[ 396 ]

REPRISE DU CHŒUR

Sur la place

Etc.

Depuis quelques minutes, Micaëla est entrée : – jupe bleue, nattes tombant sur les épaules ; – hésitante, embarrassée, elle regarde les soldats avance, recule.

MORALÈS, aux soldats.

Regardez donc cette petite

Qui semble vouloir nous parler…

Voyez, elle tourne, elle hésite…“

 

 

 

 

Meihac
Henri Meilhac (23 februari 1831 – 6 juli 1897)

Portret door Jules Elie Delaunay