06-12-16

Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Dirk Dobbrow, Sophie von La Roche

 

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Vrouw (Vertaald door Marianne Molenaar)

‘‘Maar het is niet voor jou’, zei Yngve. ‘Het is om iedereen die jou kent de kans te geven een feest ter ere van jou te vieren. En om überhaupt eens feest te vieren. Als je ruim op tijd uitnodigingen verstuurt zodat de mensen het kunnen plannen, een hotel en een vlucht en alles kunnen boeken, weet ik zeker dat iedereen komt. Ik heb er in elk geval hartstikke veel zin in.’
‘Daar twijfel ik niet aan’, zei ik met een glimlach. ‘Maar jij hebt je veertigste verjaardag zelf ook niet gevierd.’
‘En daar heb ik spijt van.’
‘Wat vind je ervan?’ vroeg Linda.
‘Nee’, zei ik.
Toch trok iets aan het voorstel me aan, het was waar wat Linda had gezegd, dat ik me lang genoeg had verstopt.
Waarom had ik dat gedaan?
Het was een manier om je te redden. In die vreselijke jaren als twintiger had ik geprobeerd deel te nemen aan het leven om me heen, aan het normale leven, dat wat iedereen leidde, maar het was me niet gelukt, en het gevoel van nederlaag en de glimpen van smaad waren zo sterk en zo intens dat ik langzamerhand, zelfs voor mezelf verborgen, mijn focus verplaatste, hem steeds meer op de literatuur richtte en wel op zo’n manier dat het niet de indruk wekte van een vlucht, alsof ik me schuilhield, maar dat het juist iets sterks en trots kreeg en voordat ik het wist mijn leven was geworden. Ik had verder niemand nodig, mijn leven achter de computer en met mijn gezin was voldoende, ja, meer dan voldoende. Ik trok me niet terug omdat ik problemen in sociale situaties had, het kwam doordat ik een groot schrijver was of zou worden. Dat loste al mijn problemen op en ik voelde me er lekker bij.
Maar als het klopte dat ik me verstopte, waar was ik dan bang voor?
Ik was bang voor het oordeel van de anderen en om dat te ontlopen, ontliep ik hen. Het idee dat iemand mij misschien mocht, was een bedreigende gedachte, misschien wel de meest bedreigende wat mij betrof. Ik dacht haar nooit bewust, dat durfde ik niet. Zelfs dat mama me eigenlijk wel moest mogen, dacht ik niet. Of Yngve, of Linda. Ik ging ervan uit dat ze me niet mochten, eigenlijk, maar dat de sociale en familiaire banden waarin we gevangenzaten, betekenden dat ze me toch moesten zien en moesten luisteren naar wat ik te zeggen had.”

 

 
Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

Lees meer...

06-12-15

Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer

 

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Vrouw (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Het idee om mijn veertigste verjaardag te vieren was geen moment bij me opgekomen, het was absoluut niet aan de orde. Maar vroeg in de herfst het jaar daarvoor, dat wil zeggen in september 2008 bij Yngve in Voss op bezoek, waren Yngve en Linda er plotseling over begonnen. Toen de kinderen naar bed waren, zaten we ’s avonds op het terras, elk met een glas rode wijn in de hand. De hemel boven ons was inktzwart en duizelde van de sterren. De lucht was koud en helder.
‘We hadden het even over je veertigste verjaardag’, zei Linda en ze keek me in het flauwe schijnsel van de deur naar het terras aan.
‘O?’ zei ik.
‘Ja. We zijn tot de conclusie gekomen dat je een echt feest moet geven en het groots moet vieren.’
‘Iedereen uitnodigen die je kent’, zei Yngve. ‘Dan kunnen de Kafkatrakterne en de Lemen spelen, bijvoorbeeld.’
‘Maar dat is het laatste wat ik wil’, zei ik. ‘Dat is echt het ergste wat ik me kan voorstellen.’
‘Dat weten we’, zei Linda. ‘Maar je hebt je lang genoeg verstopt gehouden, toch?’
‘Wie moet ik dan uitnodigen?’
‘O, dat zijn er een heleboel’, zei Yngve. ‘Je kent veel meer mensen dan je denkt. Je moet gewoon even nadenken.’
‘Kan zijn’, zei ik terwijl ik naar Linda keek. ‘Maar als ik mocht kiezen, zou ik het het liefst alleen met jullie vieren, als een doodnormale verjaardag. Dat is toch leuk. Jullie komen al zingend met kaarsjes en cadeautjes binnen. Dat is feestelijk genoeg wat mij betreft.’
‘Dat is duidelijk’, zei Linda.”

 

 
 Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

Lees meer...

06-12-14

Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer

 

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Vader (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Op hetzelfde moment dat het leven het lichaam verlaat, behoort dat lichaam tot het dode. Tot de lampen, de koffers, de kleden, de deurklinken, de ramen. Tot de akkers, de moerassen, de beken, de bergen, de wolken, de hemel. Niets van dat alles is ons vreemd. We zijn voortdurend omgeven door de voorwerpen en verschijnselen uit de wereld van het dode. Toch roepen weinig dingen een groter onbehagen bij ons op dan er een mens in gevangen te zien, in elk geval te oordelen naar de moeite die we ervoor doen om dode lichamen uit het zicht te houden. In grote ziekenhuizen worden ze niet alleen in speciale, ontoegankelijke ruimtes weggestopt, maar zijn zelfs de toegangswegen erheen verborgen met speciale liften en speciale keldergangen en ook al zou je daar per ongeluk terechtkomen, de dode lichamen die langs worden gereden, zijn altijd bedekt. Als ze het ziekenhuis uit worden gebracht, gebeurt dat via een speciale uitgang, in auto’s met geblindeerde raampjes; bij de kerk is een speciale ruimte voor ze zonder ramen; tijdens de afscheidsplechtigheid liggen ze in gesloten kisten waarin ze in de aarde worden neergelaten of in de oven worden verbrand. Welk nut deze handelwijze dient, is moeilijk te zeggen. De dode lichamen zouden bij wijze van spreken probleemloos onbedekt door de gangen van het ziekenhuis kunnen worden gereden en in een gewone taxi worden weggebracht zonder dat dat enig risico voor wie dan ook zou inhouden. De oude man die tijdens een bioscoopbezoek sterft, kan net zo goed op zijn stoel blijven zitten tot de film is afgelopen of zelfs nog gedurende de volgende voorstelling. De leraar die op het schoolplein een beroerte krijgt, hoeft niet per se onmiddellijk te worden weggebracht, het heeft absoluut geen nadelige gevolgen als hij daar blijft liggen tot de conciërge tijd heeft zich om hem te bekommeren, al zou dat pas ergens laat in de middag of ’s avonds gebeuren. Wat maakt het uit als er een vogel op hem neerstrijkt en in hem begint te pikken? Is wat hem in het graf te wachten staat minder erg alleen omdat we het niet zien?”

 

 
Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

Lees meer...

06-12-13

Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer


De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Nacht (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Na het laatste uur die dag belde ik mama. Kreeg haar nog net op haar werk te pakken voor ze naar huis zou gaan.
‘Hoi, mama’, zei ik. ‘Heb je even tijd om wat te praten?’
‘Ja, geen probleem. Is er iets gebeurd?’
‘Nee hoor. Alles is nog steeds hetzelfde hier. Maar het begint ontzettend zwaar te worden. Ik kom ’s morgens nauwelijks mijn bed uit. En toen bedacht ik vandaag dat ik in feite op kan zeggen. Ik heb het zo ontzettend slecht naar mijn zin, zie je. Ik ben hier natuurlijk ook niet voor opgeleid. Dus ik dacht dat ik in plaats daarvan na de Kerst kon gaan studeren. Gewoon mijn propedeuse halen.’
‘Ik begrijp dat je gefrustreerd bent en dat het zwaar is’, zei ze. ‘Maar ik vind dat je er nog even over na moet denken voor je een beslissing neemt. De kerstvakantie begint nu gauw, dan kun je ontspannen en het rustig aan doen, hier gewoon op de bank blijven liggen als je wilt. Dan geloof ik dat het er heel anders uitziet als je daar weer terugkomt.’
‘Maar dat is juist wat ik niet wil!’
‘Dat zijn schommelingen. Je vond het een tijdje ontzettend leuk. Het is heel normaal dat je nu een periode hebt waarin je wat down bent. Ik kan natuurlijk niet zeggen dat je niet mag ophouden, dat beslis je zelf. Maar dat hoef je niet per se nu te doen, dat is alles wat ik wil zeggen.’
‘Ik geloof niet dat je begrijpt wat ik wil zeggen. Het wordt niet beter. Het is zo verdomd zwaar. En waarvoor?’
‘Zo is het leven soms’, zei ze.
‘Dat zeg je altijd. Maar ook al is jouw leven zwaar, dan hoeft dat van mij het toch nog niet te zijn?’
‘Ik wilde je alleen een raad geven. Ik denk dat je dat kunt gebruiken.’
‘Oké,’ zei ik, ‘ik neig ertoe op te houden, echt, maar je hebt gelijk als je zegt dat ik dat niet per se nu hoef te beslissen.’

 

 
Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

Lees meer...

06-12-11

Alfred Joyce Kilmer, Paul Adam, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione

 

De Amerikaanse journalist en dichter Alfred Joyce Kilmer werd geboren op 6 december 1886 in New Brunswick, New Jersey. Zie ook alle tags voor Alfred Joyce Kilmer op dit blog.

 

 

A Blue Valentine

(For Aline)

 

Monsignore,

Right Reverend Bishop Valentinus,

Sometime of Interamna, which is called Ferni,

Now of the delightful Court of Heaven,

I respectfully salute you,

I genuflect

And I kiss your episcopal ring.

 

It is not, Monsignore,

The fragrant memory of your holy life,

Nor that of your shining and joyous martyrdom,

Which causes me now to address you.

But since this is your august festival, Monsignore,

It seems appropriate to me to state

According to a venerable and agreeable custom,

That I love a beautiful lady.

Her eyes, Monsignore,

Are so blue that they put lovely little blue reflections

On everything that she looks at,

Such as a wall

Or the moon

Or my heart.

It is like the light coming through blue stained glass,

Yet not quite like it,

For the blueness is not transparent,

Only translucent.

Her soul's light shines through,

But her soul cannot be seen.

It is something elusive, whimsical, tender, wanton, infantile, wise

And noble.

She wears, Monsignore, a blue garment,

Made in the manner of the Japanese.

It is very blue --

I think that her eyes have made it more blue,

Sweetly staining it

As the pressure of her body has graciously given it form.

Loving her, Monsignore,

I love all her attributes;

But I believe

That even if I did not love her

I would love the blueness of her eyes,

And her blue garment, made in the manner of the Japanese.

 

Monsignore,

I have never before troubled you with a request.

The saints whose ears I chiefly worry with my pleas

are the most exquisite and maternal Brigid,

Gallant Saint Stephen, who puts fire in my blood,

And your brother bishop, my patron,

The generous and jovial Saint Nicholas of Bari.

But, of your courtesy, Monsignore,

Do me this favour:

When you this morning make your way

To the Ivory Throne that bursts into bloom with roses

because of her who sits upon it,

When you come to pay your devoir to Our Lady,

I beg you, say to her:

"Madame, a poor poet, one of your singing servants yet on earth,

Has asked me to say that at this moment he is especially grateful to you

For wearing a blue gown."

 

 

Alfred Joyce Kilmer (6 december 1886 – 30 juli 1918)

 

Lees meer...

06-12-10

Alfred Joyce Kilmer, Paul Adam, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione

 

De Amerikaanse journalist en dichter Alfred Joyce Kilmer werd geboren op 6 december 1886 in New Brunswick, New Jersey. Zie ook mijn blog van 6 december 2006 en ook mijn blog van 6 december 2008 en ook mijn blog van 6 december 2009. 

 

 

Main Street

 

I like to look at the blossomy track of the moon upon the sea,

But it isn't half so fine a sight as Main Street used to be

When it all was covered over with a couple of feet of snow,

And over the crisp and radiant road the ringing sleighs would go.

 

Now, Main Street bordered with autumn leaves, it was a pleasant thing,

And its gutters were gay with dandelions early in the Spring;

I like to think of it white with frost or dusty in the heat,

Because I think it is humaner than any other street.

 

A city street that is busy and wide is ground by a thousand wheels,

And a burden of traffic on its breast is all it ever feels:

It is dully conscious of weight and speed and of work that never ends,

But it cannot be human like Main Street, and recognise its friends.

 

There were only about a hundred teams on Main Street in a day,

And twenty or thirty people, I guess, and some children out to play.

And there wasn't a wagon or buggy, or a man or a girl or a boy

That Main Street didn't remember, and somehow seem to enjoy.

 

The truck and the motor and trolley car and the elevated train

They make the weary city street reverberate with pain:

But there is yet an echo left deep down within my heart

Of the music the Main Street cobblestones made beneath a butcher's cart.

 

God be thanked for the Milky Way that runs across the sky,

That's the path that my feet would tread whenever I have to die.

Some folks call it a Silver Sword, and some a Pearly Crown,

But the only thing I think it is, is Main Street, Heaventown.

 

 

 


Alfred Joyce Kilmer (6 december 1886 – 30 juli 1918)

 

Lees meer...

06-12-09

Dirk Dobbrow, Rafał Wojaczek, Peter Handke, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Paul Adam, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione


De Duitse schrijver en acteur Dirk Dobbrow werd geboren op 6 december 1966 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 6 december 2008.

 

Uit: Späte Störung

 

„Gelächter weckte ihn, er sah auf die Leuchtziffern seiner Uhr. Es war kurz vor halb sechs, Stimmen drangen zu ihm herauf. Er knipste das Licht an. Iris rührte sich nicht, sie hatte eine Tablette genommen. Warum musste sie immerzu Tabletten nehmen? »Hörst du nicht?«, flüsterte er. »Es ist jemand im Haus.« Sie schlief, eine Speichelblase klebte an ihren Lippen. Die Haut auf ihren Augenlidern schimmerte blau.

Sein Haus war sicher. Die Türen waren mit Zusatzschlössern ausgerüstet, Scharniersicherungen verhinderten, dass man sie aushebeln konnte. Fenster und Terrassentüren wurden von Stangenschlössern und Sperrbügeln gesichert. Die Kellerschächte waren mit Gitterrostsicherungen versehen. Hier kommt niemand ungebeten rein, hatte der Mann von der Sicherheitstechnik gesagt. Selbst ein Panzerriegelschloss für die Eingangstür hatte Frank ihm abgekauft. Der gehärtete Stahlbügel sei bruchfest bis einskommafünf Tonnen. Das hatte Frank überzeugt.

Er lauschte. Da war das Lachen wieder, jung und hell. Einbrecher lachen nicht. Sein Traum fiel ihm ein. Oben auf der Leiter hatte er gestanden, die Kabel in der Hand. Er musste die aus der Dose ragenden Adern mit dem Seitenschneider zurechtstutzen, ihre Isolation entfernen. Nicht die Kupferseele einschneiden, hatte er gedacht, niemals die Kupferseele einschneiden.

Wir brauchen mehr Licht, hatten sie von unten gerufen, Gestalten in grünen Operationskitteln mit Masken vor Nase und Mund. Beim Anklemmen der Adern achtete er auf eine korrekt leitende Verbindung. Das blanke Ende der Seele verschwand vollständig in der Klemme. Er zog die Schrauben fest. Licht flammte auf, er sah von der Leiter hinab auf den Tisch. Darauf lag das Mäd chen, es war nackt und mager. Sie wollten es an die Maschine anschließen. Das Fett wollten sie ihr absaugen. Sie ist zu mager, hatte er gerufen, viel zu mager. Dann war er erwacht.

Es war seine Tochter, die unten lachte. Jetzt erkannte er ihre Stimme. Jemand sprach leise zu ihr. Gläser klirrten. Frank setzte sich auf. Die Schlafzimmertür stand offen. Er mochte es nicht, an der offenen Tür zu schlafen. »Ich bekomme keine Luft«, sagte Iris, wenn er sie abends schloss. Kaum war er eingeschlafen, öffnete sie sie wieder.

Er sah auf seine nackten Füße hinab. Die Zehen waren gekrümmt, sie passten sich den Schuhen an im Laufe der Jahre. Die Adern auf dem Spann waren geschwollen. Ein paar Haare kräuselten sich auf der Haut. Er erkannte die Stelle, wo er sich verbrüht hatte als Kind. Da war die Haut rosa mit bräunlichen Flecken darauf, Pigmentstörungen. Ihm war der Topf mit dem kochend heißen Wasser aus der Hand geglitten.“

 

 

 

 

 

dobbrow
Dirk Dobbrow (Berlijn, 6 december 1966)

 

 

 

 

 

De Poolse dichter Rafał Wojaczek werd geboren in Mikołów op 6 decmber 1945. Zie ook mijn blog van 6 december 2008.

 

 

 

This process

 

This process, this is life driven by a will
Opposed to it, because it finds death
Inside. This friction, benevolent resistance
Aimed toward staying in the background

 

Of one infinity. This heavy inertia
Weighing toward a cozy genesis filled with
Stale blood. This propensity to falling
On a sure bed - a safe and sated bottom.

 

This process is the dying not yet traversed
By anyone on the road; through which a reverse
Rememberance of the dead does not shine.

 

This process, believe me, is real in time
By which the heroism will mature in my chest
To allow me to rightfully nurse at your breast.

 

 

 

 

 

Vademecum

 

Who gives the dark ones a white woman of day
Will have to restart and begin as I say

 

Who of holy harmony will dream
Death invent he must and entrust in him

 

Lose fear of the knife where its point
Near the fifth rib marks the joint

 

And do not fear or mock the truth
That the knife is faith's serious tool

 

And don't let it wait for the years
Will crush it and wither its veneers

 

But with religious hand one must grasp
And with immense strength and joy one must thrust

 

To begin the fight with self one takes up
Who - fluent in script of doom - doom will have for naught

 

 

 

 

 Vertaald door Tomasz Gil

 

 

 

Cross

I am level
You are vertical
You are the mountain
I am the valley
I am the Earth
You are the Sun
I am the shield
You are the sword
I am the wound
You are the pain
I am the night
You are God
You are fire
I am water
I am naked
You are in me
I am level
But not always
You are vertical
But not forever
I am the vertical
Mountain of orgasm
You are level
Near me

 

 

 

 

 

wojaczek2

Rafał Wojaczek (6 december 1945 – 11 mei 1971)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse schrijver Peter Handke werd op 6 december 1942 in Griffen in Karinthië geboren. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.  en ook mijn blog van 6 december 2007 en ook mijn blog van 6 december 2008.

 

Uit: Es leben die Illusionen (Peter Handke, Peter Hamm)

 

"Und wenn die Geschichte geschrieben ist, wenn man nichts tut, wenn man wieder im Müßiggang lebt, im verdienten oder im nicht verdienten, wenn dann die Geschichte sozusagen aus der Luft zu einem zurückkommt, ist es eigentlich ... die schönste Zeit. Man hört ja immer wieder: Der was geschrieben hat, fällt dann in ein Loch, oder er fühlt die Leere im Innern. Das ist ganz und gar nicht so bei mir. Bei mir kommt dann die Geschichte zu mir zurück, und dann denke ich: Ja, ich hab's geschrieben. Dieses Gefühl: Ich habe geschrieben, ist eigentlich ein größeres und besseres Gefühl als: Ich schreibe. Wenn ich das in der Gegenwart, im Präsens ausdrücke. Dann komm ich mir oft wie ein Halunke oder wie ein Schurke vor, der sich drückt vor ... dem, was seine Bürgerpflicht ist. (Lacht.)

 

In einem Gespräch mit André Müller hast du zwei Sachen gesagt: Einmal: man brauche eine gewisse Schamlosigkeit zum Schreiben. Und dann: Es habe dich hingezogen zum Schreiben aus einem Bedürfnis zu lieben. Was meinst du mit 'Schamlosigkeit'?

 

Ja, Schamlosigkeit, das trifft auch nicht mehr zu. Und das Bedürfnis zu lieben ist vielleicht auch nicht mehr etwas so ... Umfassendes, 'etwas sanft Umfassendes herzustellen', wie es da im 'Nachmittag eines Schriftstellers' einmal steht. Ein Werk ist etwas, das sich durch Benutzung nicht abnützt. Es wird benützt, nutzt sich aber nicht ab. Früher hat man 'Werk' gesagt, und das ist ein eigentlich gar nicht so unschönes Wort. Ich fand das lange lächerlich, aber warum nicht ab und zu an einer bestimmten Stelle das Wort Werk verwenden? Um das mit der Liebe abzuschwächen oder vielleicht zu variieren, würde ich sagen: irgend etwas Umfassendes und zugleich Leichtes, das schwebt mir vor. Das Haus der Winde, denke ich oft, das wäre ein Buch, Haus aller Winde, und keiner ist dann so gefährlich wie der Mistral oder es sind wirklich die Winde, wie sie bei Vergil stehen, der kalte Bora in Jugoslawien, und so weiter..."

 

 

 

 

Handke
Peter Handke (Griffen, 6 december 1942)

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver en schilder Henk van Woerden werd op 6 december 1947 geboren te Leiden. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.  en ook mijn blog van 6 december 2007 en ook mijn blog van 6 december 2008.

 

Uit: Tikoes

 

Ze ontwaakte schielijk, zoals ze meestal deed. Haar arm strekte over mij heen en trok het gordijn op een kier; het licht deed de slaapkamer blozen. We voelden een driehoekje tocht uit de tuin; het bracht geruis en geuren die thuis gingen betekenen, maar niet ogenblikkelijk. En welk thuis precies? De tuin bleef zweven: struikgewas en doorkijkjes voorzien van gekwetter en gekwinkeleer dat de vogelgeluiden van vroeger doubleerde. Een deuntje op zijn kant gekeerd.
We hoorden vensterluiken schuiven. Een tuinman kwam langs om jaloezieën te ontgrendelen en het landhuis een voor een de ogen te openen. Hij wrong zich telkens door de begroeiing heen en deed zijn ronde met een vanzelfsprekende alledaagsheid die wij nog niet goed begrepen. Toen hij uit het zicht was verdwenen werd een tuinslang kronkelend over het gazon getrokken. Op enige afstand klonk een schelle roep, die onmiddellijk weer wegstierf, gevolgd door hondengeblaf achter de hoge bomen.
Tikoes snoof een keer aan de lucht uit de tuin, en daarna aan beide oksels. Ze trok een zuur gezicht, gleed uit bed en tripte geruisloos naar de badkamer om de wasbak vol te laten stromen.
In deze vleugel van Eikenhof liep roestwater uit de kranen, waarvoor ik had gewaarschuwd, een kleur van onder de grond. Ze poetste haar tanden en zong toen:

‘Spieglein, Spieglein an der Wand,
Wer ist die schönste im ganzen Land?’

Ondertussen bekeek ze met schuimende mond haar evenbeeld in het spiegeltje, en maakte ten slotte met getuite tong een afdruk op het glas, zodat twee tongen naar elkaar reikten. Er stond kippenvel op de huid van haar taille.

Ik volgde mijn neus door de kamers, niet echt op zoek naar de gastheer. In een aangrenzend vertrek stonden nog zijn twee piano’s. Het schemerde er; tijdens mijn afwezigheid leek het huis te zijn dichtgegroeid, het zicht op de tuin ontnomen. In het halfduister hing een voorjaarsachtige koelte die naar vroeger rook, een geur die onmiddellijk vrolijk stemde.
In de bibliotheek waren de kasten tot aan het plafond gestegen. Cliffords verzamelwoede had gelijke tred gehouden met het woekeren van gewassen rond het erf. En trok je hier of daar een leren band uit de keurige rijen op de plank, dan sloeg dezelfde ondergrondse lucht je tegemoet die het kraanwater kleurde, okerrood, brakkig en aangenaam om redenen die niet meteen waren te achterhalen. Het slib in het meertje, the dam, rook zo, wist ik, en veel langer geleden: het teer van de straten, vlak voor het onweer.
De neus keert eerder dan het oog naar huis. In de zitkamer geurde het naar koude haard. In de gangen naar slak en hond. In de hal naar wijnschimmel. Ik sloop over de krakende vloer van de salon waar Engelse meubels sluimerden – kaarsvet, stof van prenten – en betrad de keuken: onbestemd bezinksel, roerei, en mijn vriend aan het fornuis.

 

 

 

 

henk_van_woerden

Henk van Woerden (6 december 1947 - 16 november 2005)

Getekend door Karel Kindermans

 

 

 

 

 

De Amerikaanse journalist en dichter Alfred Joyce Kilmer werd geboren op 6 december 1886 in New Brunswick, New Jersey. Zie ook mijn blog van 6 december 2006 en ook mijn blog van 6 december 2008.

 

 

 

To Certain Poets

 

Now is the rhymer's honest trade
A thing for scornful laughter made.

 

The merchant's sneer, the clerk's disdain,
These are the burden of our pain.

 

Because of you did this befall,
You brought this shame upon us all.

 

You little poets mincing there
With women's hearts and women's hair!

 

How sick Dan Chaucer's ghost must be
To hear you lisp of "Poesie"!

 

A heavy-handed blow, I think,
Would make your veins drip scented ink.

 

You strut and smirk your little while
So mildly, delicately vile!

Your tiny voices mock God's wrath,
You snails that crawl along His path!

 

Why, what has God or man to do
With wet, amorphous things like you?

 

This thing alone you have achieved:
Because of you, it is believed

 

That all who earn their bread by rhyme
Are like yourselves, exuding slime.

 

Oh, cease to write, for very shame,
Ere all men spit upon our name!

 

Take up your needles, drop your pen,
And leave the poet's craft to men!

 

 

 

 

 

Kilmer
Alfred Joyce Kilmer (6 december 1886 – 30 juli 1918)

 

 

 

 

 

De Franse dichter en romanschrijver Paul Adam werd geboren in Parijs op 6 december 1862. Zie ook mijn blog van 6 december 2008.

 

 

L'ARGENT

 

Il peut acheter une maison

Mais pas un foyer

Il peut acheter un lit

Mais pas le sommeil

Il peut acheter une horloge

Mais pas le temps

Il peut acheter un livre

Mais pas la connaissance

Il peut acheter une position

Mais pas le respect

Il peut payer le médecin

Mais pas la santé.

Il peut acheter du sang

Mais pas la vie

Il peut acheter du sexe

Mais pas de l'amour.

 

 

 

 

 

Adam_Paul
Paul Adam (6 december 1862 - 2 januari 1920)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Sophie von La Roche werd geboren op 6 december 1730 in Kaufbeuren als Marie Sophie Gutermann von Gutershofen. Zie ook mijn blog van 6 december 2006 en ook mijn blog van 6 december 2008.

 

Uit: Geschichte des Fräuleins von Sternheim

 

„Erschrecken Sie nicht, meine Freundin, anstatt der Handschrift von Ihrer Sternheim eine gedruckte Copey zu erhalten, welche Ihnen auf einmal die ganze Verräterei entdeckt, die ich an Ihnen begangen habe. Die Tat scheint beim ersten Anblick unverantwortlich. Sie vertrauen mir unter den Rosen der Freundschaft ein Werk Ihrer Einbildungskraft und Ihres Herzens an, welches bloß zu Ihrer eigenen

Unterhaltung aufgesetzt worden war. »Ich sende es Ihnen (schreiben Sie mir), damit Sie mir von meiner Art zu empfinden, von dem Gesichtspunkt, woraus ich mir angewöhnt habe, die Gegenstände des menschlichen Lebens zu beurteilen, von den Betrachtungen, welche sich in meiner Seele,

wenn sie lebhaft gerührt ist, zu entwickeln pflegen, Ihre Meinung sagen und mich tadeln, wo Sie finden, daß ich unrecht habe. Sie wissen, was mich veranlaßt hat, einige Nebenstunden, die mir von der Erfüllung wesentlicher Pflichten übrig blieben, dieser Gemüts-Erholung zu widmen.

Sie wissen, daß die Ideen, die ich in dem Charakter und in den Handlungen des Fräuleins von Sternheim und ihrer Eltern auszuführen gesucht habe, immer meine Lieblings- Ideen gewesen sind; und womit beschäftigt man seinen Geist lieber als mit dem, was man liebt? Ich hatte Stunden, wo diese Beschäftigung eine Art von Bedürfnis für meine Seele war. So entstund unvermerkt dieses kleine Werk, welches ich anfing und fortsetzte, ohne zu wissen, ob ich es würde zum Ende bringen können; und dessen Unvollkommenheit Sie selbst nicht besser einsehen können, als ich sie fühle. Aber es ist nur für Sie und mich — und, wenn Sie, wie ich hoffe, die Art zu denken und zu handeln dieser Tochter meines Geistes gutheißen, für unsre Kinder bestimmt.

Wenn diese durch ihre Bekanntschaft mit jener in tugendhaften Gesinnungen, in einer wahren, allgemeinen, tätigen Güte und Rechtschaffenheit gestärket würden — welche Wollust für das Herz Ihrer Freundin.« — So schrieben Sie mir, als Sie mir Ihre Sternheim anvertrauten; — und nun, meine Freundin, lassen Sie uns sehen, ob ich Ihr Vertrauen beleidiget, ob ich wirklich ein Verbrechen begangen habe, da ich dem Verlangen nicht widerstehen konnte, allen tugendhaften Müttern, allen liebenswürdigen jungen Töchtern unsrer Nation. ein Geschenke mit einem Werk-- zu machen, welches mir geschickt schien, Weisheit und Tugend — die einzigen großen Vorzüge der Menschheit,

die einzigen Quellen einer wahren Glückseligkeit — unter Ihrem Geschlechte und selbst unter dem meinigen zu befördern.“

 

 

 

 

LaRoche

Sophie von La Roche (6 december 1730 – 18 februari 1807) 

 

 

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver Baldassare Castiglione, graaf van Novellata werd geboren op 6 december 1478 te Casatico, bij Mantua. Zie ook mijn blog van 6 december 2006 en ook mijn blog van 6 december 2008.

 

Uit: The Book of the Courtier

 

“These French gentlemen slander me and  declare that I am an Imperialist, because they see  how kindly the Emperor and his courtiers treat me.

As you know, I have never discouraged their attentions, hoping that by retaining His Majesty's confidence I may better be able to serve the Pope ; and  I really do not think it necessary to alter my conduct  in order to be held an honest man, and should be  ashamed if at my time of life anyone ventured to  doubt my integrity. Certainly I have never had so  difficult a task as that of managing these affairs, on  such a footing and in such company. If this goes  on much longer it will become intolerable. I ought  at least to receive precise instructions as to what  I am to say and do, for at present I have to refer  everything to these French ambassadors, and what  kind of men they are God only knows ! . . . Now  Bayard has gone back to France, after making many  threats of vengeance, and Calvimont refuses to utter  a word. Such conduct may well exasperate the other  confederates, who have brought war into their own  lands for no other reason than to gratify the King of  France. Now His INIajesty gives himself up to  pleasure at home, while poor Italy is on fire and the  Apostolic See has sunk to the lowest depths of  degradation. And yet, if we only knew it, just now  we might obtain any terms that we chose to ask from  the Emperor.”

 

 

 

 

Castiglione
Baldassare Castiglione (6 december 1478 – 2 februari 1529)

 

 

06-12-08

Peter Handke, Rafał Wojaczek, Dirk Dobbrow, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Paul Adam, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione


De Oostenrijkse schrijver Peter Handke werd op 6 december 1942 in Griffen in Karinthië geboren. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.  en ook mijn blog van 6 december 2007.

 

Uit: Rund um das große Tribunal

 

Nichts Lächerlicheres und vor allem Kläglicheres aber als die mannigfaltigen Verschwörungstheorien, welche von diesen und jenen aus den verschwindenden oder fast schon verschwundenen Minderheiten gegen die herrschenden Sicherheiten ins Feld geführt werden. Die Juden; die islamische Gefahr; der Balkan in westlicher Hand für den Zugang und Zugriff auf die östlichen und südöstlichen Erdölfelder etc.: Denn die mächtigen und reichen Länder haben gleichwelche Verschwörung oder Munkelei gar nicht nötig; sie sind von vornherein, durch den Stand der Dinge, schon verschworen, natur- und sachverschworen, ohne irgendwelche Packeleien in Hinterzimmerkonferenzen. Verschworenheit ohne Verschwörung: Strahlt das nicht von jedem lässigen Zusammenstehen der gerade Mächtigen - wenn sie es denn sind - in den freien Weitgegenden aus? Als Verschwörer dagegen wirken zunehmend gerade die Leutchen mit den Verschwörungstheorien: kleine, zersplitterte, traurige, hoffnungslose Verschwörer im Niemandsland, oder eben in der Diaspora, verschworen und sich täglich neu verschwörend - für nichts und wieder nichts; Verschwörer ohne Ziel, oder mit unerreichbarem Ziel (ein anderer Augenschein). Wieder so eine verkehrte Welt? Oder doch wieder die richtige - die maßgebliche?“

 

 

 

 

handke-artikel
Peter Handke (Griffen, 6 december 1942)

 

 

 

 

 

De Poolse dichter Rafał Wojaczek werd geboren in Mikołów op 6 decmber 1945. Zijn vader was leraar aan een gymnasium, zijn moeder werkte voor een uitgeverij. Wojaczek bezocht verschillende gymnasia. Na zijn eindexamen studeerde hij Pools in Krakau, maar brak die studie af en trok naar Breslau, waar hij verschillende baantjes uitprobeerde. Hij leidde een leven van uitspattingen en had een soort zelfvernietigingsdrang. Het leidde tot alcoholisme en zelfmoordpogingen. Een daarvan slaagde in 1971.  Hem werd postuum nog de Andrzej-Bursa-Prijs verleend

 

 

ich bin die waagerechte

 

ich bin die waagerechte

du bist senkrecht

du bist der berg

ich bin das tal

ich bin die erde

du bist die sonne

ich bin das schild

du bist das schwert

ich bin die wunde

du bist der schmerz

ich bin die nacht

du bist gott

du bist das feuer

ich bin das wasser

ich bin nackt

du bist in mir

ich bin die waagerechte

nicht immer

du bist senkrecht

auf zeit

ich bin die senkrechte

berg des orgasmus

du bist waagerecht

bei mir

 

 

 

 

I, Kafka

 

Heart has overgrown me

I'm all inside

root

 

White grasses

grow from my

lips

 

Julia daughter of a eunuch

with lips by her farther

trained

tills my illness

 

 

 

 

You Have to Fear the Rose . . .

You have to fear the rose; it is the mouth
of the wound that bleeds continually inside you.

Because my tongue, oh naked one, can’t find you.
Tell me you are afraid, I’ll believe you exist.

That you exist in yourself; conscious of your body.
The body is a shutter the gentlest breeze’s hand

can turn into a windowpane of blood.
A firestorm will seize the neighboring district,

burn out the eyes of every newborn baby,
while the blind, grieving mothers lose their hair.

Tell me then, so that only my hair can hear you,
so that my skin can tell the lips, with a quick shudder

of whisper, whether you still live in this muddy person;
before I’ve flowed through it entirely, tell me.

 

 

 

 

 

Wojaczek2
Rafał Wojaczek (6 december 1945 – 11 mei 1971)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver en acteur Dirk Dobbrow werd geboren op 6 december 1966 in Berlijn. Hij werkte na het gymnasium en de toneelschool twee jaar als acteur aan het Stadttheater Lüneburg, daarna bij verschillende theaters in Berlijn, zoals het Schlossparktheater. In 2004 kreeg hij een werkbeurs van de Kulturverwaltung des Berliner Senats. Dirk Dobbrow schrijft romans, theaterstukken en verhalen.

 

Uit: Der Mann der Polizistin

 

DaBaby fürchtete die Dunkelkammer wie eine große Maschine. Große Maschine, die ihn gleich verschlucken würde, wenn er den Schlüssel ins Schloß gesteckt, herumgedreht, die Tür zum verbotenen Bezirk geöffnet hätte. DaBaby liebte seine Furcht. Es war eine Furcht, die ihm dieses gewisse Kribbeln verschaffte, ein Kribbeln, das den Rücken hinauf und hinunter fuhr und irgendwo zwischen den Pobacken verschwand, bis es wieder von vorn oben zwischen den Schulterblättern startete.
Er knipste die kleine Osram-Funzel an. Funzliges Dämmerlicht sollte ihm genügen, gehörte zur Dunkelkammeratmosphäre dazu, fand er. Er schloß die Metallschränke auf. War nicht weiter schwierig, hier steckte der Schlüssel. Was diese Metallschränke gekostet haben, dachte DaBaby, ein Vermögen, und er zog eine Schublade auf, darein paßten auch die großformatigen Abzüge, Daddys Ausstattung entsprach dem gehobenen Standard, Ma hatte geflucht, als Arbeiter die prächtigen Metallschränke in die Wohnung schleppten, fette teure Ziffer auf dem Lieferschein, Pa zahlte ohne mit der berühmten Wimper zu zucken, hast du dir schon einmal ausgerechnet, fluchte Ma, hast du dir schon einmal ausgerechnet, was deine Arbeit einbringt, CASH meine ich, unterm Strich, und hinter ihrem Fluch zuckte ein riesiges Fragezeichen auf, flatterte durch den Raum, gespenstischer schwarzer Vogel, DaBaby atmete ein, DaBaby schnappte nach Luft, es würde einer der mittelschweren Kräche beginnen, nicht einer der äußerst schweren, ein äußerst schwerer begann, wenn Mammie fragte, was sein H o b b y einbringt, hörte Pa das Wort Hobby, umschrieb jemand seine schweißtreibende Arbeit mit dem Wort Hobby, schwoll ihm am Hals eine Ader, die nichts Gutes versprach.“
 

 

 

Dobbrow
Dirk Dobbrow (Berlijn, 6 december 1966)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver en schilder Henk van Woerden werd op 6 december 1947 geboren te Leiden. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.  en ook mijn blog van 6 december 2007.

 

Uit: Ultramarijn

 

“Op donderdag 11 augustus 1955 klimt Joakim met zijn plunjezak aan boord van een autobus en neemt opgelucht zijn plaats in tussen de anderen. Het is een vierkant voertuig met stoffige raampjes, afgedankt door het leger, en het zal hen naar de bergen brengen. Ook als de bus eenmaal optrekt weigert hij achterom te kijken. Hij weet dat zijn ouders er nog zullen staan, bij de kiosk op de hoek van de Karagözstraat. Vader – pet en donkere bril – zal hem de rug al hebben toegekeerd. Moeder werpt zeker nog een blik en schikt haar sjaal. Aysel, zijn halfzus, is thuisgebleven. Ze heeft geen afscheid willen nemen.
Samen op pad, veertig in uniform gestoken verkenners onderverdeeld in vier patrouilles met ieder een voorman. De autobus ruikt naar benzine en door de zon uitgebeten kunstleer, een geur die hij later precies zal kunnen oproepen. Als ze eenmaal de buitenwijken bereiken, door straten rijden die hij niet meer herkent, komt Djavid langs. Djavid is adjudant – nog geen patrouilleleider. Hij deelt reukwater uit aan ieder die zijn handen uitsteekt. Dat is op lange tochten zo de gewoonte, denkt hij; hij durft het niet te vragen. Hij ontvangt het vocht, wrijft het in zijn hals en langs zijn slapen en door zijn haar, sluik zwart haar, niet de krullen van Aysel.
Buiten Kusaliman steken ze het schiereiland over. Hij laat voor het eerst de stad achter zich, in zijn eentje op reis. Ze passeren de oliedepots langs de kust en het wit uitgeslagen skelet van een cementfabriek. Dan denderen ze over een brug en gaan langzaam omhoog naar de rand van de hoogvlakte. Tergend langzaam. Om hem heen wordt gepocht. De reis duurt minstens een dag, zeggen zij die jaarlijks meegaan. Soms twee dagen, wanneer er een brug is weggespoeld of de weg door rotsen en boomstronken wordt versperd. En ten slotte is er nog een gevaarlijke pas naar het hoogland.

 

 

 

VanWoerden
Henk van Woerden (6 december 1947 - 16 november 2005)

 

 

 

 

 

 

De Amerikaanse journalist en dichter Alfred Joyce Kilmer werd geboren op 6 december 1886 in New Brunswick, New Jersey. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.

 

 

Apology

 

For blows on the fort of evil
That never shows a breach,
For terrible life-long races
To a goal no foot can reach,
For reckless leaps into darkness
With hands outstretched to a star,
There is jubilation in Heaven
Where the great dead poets are. 

There is joy over disappointment
And delight in hopes that were vain.
Each poet is glad there was no cure
To stop his lonely pain.
For nothing keeps a poet
In his high singing mood
Like unappeasable hunger
For unattainable food. 

So fools are glad of the folly
That made them weep and sing,
And Keats is thankful for Fanny Brawne
And Drummond for his king.
They know that on flinty sorrow
And failure and desire
The steel of their souls was hammered
To bring forth the lyric fire. 

Lord Byron and Shelley and Plunkett,
McDonough and Hunt and Pearse
See now why their hatred of tyrants
Was so insistently fierce.
Is Freedom only a Will-o'-the-wisp
To cheat a poet's eye?
Be it phantom or fact, it's a noble cause
In which to sing and to die!.

So not for the Rainbow taken
And the magical White Bird snared
The poets sing grateful carols
In the place to which they have fared;
But for their lifetime's passion,
The quest that was fruitless and long,
They chorus their loud thanksgiving
To the thorn-crowned Master of Song.

 

 

 

 

joyce-kilmer
Alfred Joyce Kilmer (6 december 1886 – 30 juli 1918)

 

 

 

 

 

 

De Franse dichter en romanschrijver Paul Adam werd geboren in Parijs op 6 december 1862. Adam schreef een serie historische romans over de periode van de napoleontische oorlogen en de nasleep daarvan. De eerste aflevering in de reeks, La Force, verscheen in 1899. Samen met Jean Moréas schreef hij Les Demoiselles Goubert, een roman die de overgang markeerde tussen het naturalisme en het symbolisme in de Franse literatuur. Zijn roman Stephanie (1913) pleit voor het 'geregelde' of verstandshuwelijk in plaats van huwelijken gebaseerd op romantische gevoelens.

 

 

 

La première fois quand je l'ai vue

 

La première fois quand je l'ai vue
J'ai tout de suite remarqué son regard
J'en étais complètement hagard

 

Dans ce jardin du Luxembourg
Je me suis dit Faut que je l'aborde
Pour voir si tous deux on s'accorde

 

J'ai déposé mon baluchon
Alors j'ai vu tes gros yeux doux
J'en suis devenu un peu comme fou

 

Quand je t'ai dit que tu me plaisais
Que j'aimerai bien te revoir
Tu m'as donné rendez-vous le soir

 

Et je t'ai dis Oh Pénélope
Que tu étais une sacrée belle fille
Que je t'aimerai toute ma vie

 

Quand dans ce lit de marguerites
Tu m'as caressé doucement la tête
Ma vie entière est une fête

 

Et sous les regards de la foule
J'ai posé ma main sur ta main
Vous voyez bien que ce n'est pas malsain

 

À l'ombre des eucalyptus
Je t'ai dit Je veux que tu me suives
Je te sentais d'humeur lascive

 

Alors comme ça dans les tulipes
Tu m'as fait une petite promesse
Gage d'affection et de tendresse

 

Si notre amour devait céder
Je n'aurais plus qu'à me faire prêtre
Je ne pourrai jamais m'en remettre

 

Car si un jour notre amour rouille
Je m'en mordrai très fort les doigts
Chérie vraiment je n'aime que toi !

 

 

 

 

 

Adam
Paul Adam (6 december 1862 - 2 januari 1920)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Sophie von La Roche werd geboren op 6 december 1730 in Kaufbeuren als Marie Sophie Gutermann von Gutershofen. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.

 

 

Uit:Miß Kery und Sophie Gallen

 

“»Der Himmel hat mir in meinen Söhnen die Freude genommen, dich in ihnen erneuert aufwachsen zu sehen, aber jedermann sagt, unsere Sophie habe deinen Geist und deine Augen, so wie man zugleich behauptet, daß sie meinen Mund, meinen Wuchs, und meine Geberden hat. Jede Hofnung auf andere Kinder ist verlohren: – da möchte ich wohl, mein Bester! daß wir die Ähnlichkeit, welche dieses einzige Kind mit uns theilt, auf das vollkommenste machen. Gieb, mein Lieber! dem guten Mägdchen jeden Anbau deines Geists, denn es sollte mich sehr freuen, wenn ich einen Theil deines Verstands von Lippen wiedertönen hörte, die den meinigen gleichen. Ich will sie in allen weiblichen Arbeiten unterrichten: – Unsere Liebe aber soll sich in ihrem Herzen vereinen.«

 

 

 

 

Roche
Sophie von La Roche (6 december 1730 – 18 februari 1807) 

 

 

 

 

 

 

De Italiaanse schrijver Baldassare Castiglione, graaf van Novellata werd geboren op 6 december 1478 te Casatico, bij Mantua. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.

 

Uit: The Book of the Courtier

 

In this way affectation is avoided or hidden; and now you can see how incompatible it is with gracefulness and how it robs of charm every movement of the body or of the soul, about which, admittedly, we have so far said very little. However, we should not neglect it; for, as the soul is far more worthy than the body, it deserves to be all the more cultivated and adorned. As for what our courtier ought to do in this respect, we shall leave aside the precepts of all the many wise philosophers who have written on the subject, defining the virtues of the soul and discussing their worth with such subtlety; instead, keeping to our purpose, we shall state very simply that it is enough if he is, as we say, a man of honour and integrity. For this includes prudence, goodness, fortitude and temperance of soul, and all the other qualities proper to so honourable a name. And I believe that he alone is a true moral philosopher who wishes to be good; and for this he needs few precepts other than the ambition itself. Therefore Socrates was perfectly right in affirming that in his opinion his teaching bore good fruit when it encouraged someone to strive to know and understand virtue; for those who have reached the stage where they desire nothing more eagerly than to be good have no trouble in learning all that is necessary. So I shall say no more about this.”

 

 

 

Castiglione
Baldassare Castiglione (6 december 1478 – 2 februari 1529)

 

 

06-12-07

Peter Handke, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione


De Oostenrijkse schrijver Peter Handke werd op 6 december 1942 in Griffen in Karinthië geboren als zoon van een kokkin. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.

 

 

Uit: Kindergeschichte

 

Ein Zukunftsgedanke des Heranwachsenden war es, später mit einem Kind zu leben. Dazu gehörte die Vorstellung von einer wortlosen Gemeinschaftlichkeit, von kurzen Blickwechseln, einem Sich-dazu-Hocken, einem unregelmäßigen Scheitel im Haar, von Nähe und Weite in glücklicher Einheit. Das Licht dieses wiederkehrenden Bildes war die Düsternis kurz bevor es zu regnen anfängt, in einem grobsandigen leeren Hof, der von einem Grasnarbenkranz eingefaßt wird, vor einem nie deutlichen, nur im Rücken gefühlten Haus, unter dem dichtgefügten Laubdach hoher, breiter, hier und dort rauschender Bäume. Der Gedanke an ein Kind war so selbstverständlich wie die beiden anderen großen Zukunftserwartungen, welche von der nach seiner Überzeugung ihm bestimmten und sich seit je in geheimen Kreisen auf ihn zubewegenden Frau handelten, und von der Existenz in dem Beruf, wo allein ihm eine menschenwürdige Freiheit winkte; ohne daß freilich diese drei Sehnsüchte auch nur einmal in einem Bild zusammen erschienen.

Am Tag der Geburt des gewünschten Kindes stand der Erwachsene dann an einem Sportplatz in der Nähe der Klinik. Es war ein hellsonniger Sonntagvormittag im Frühjahr, in den graslosen Torräumen Pfützen, im Lauf des Spiels zu Schlamm gestampft, aus dem die Dunstschwaden aufstiegen. In der Klinik erfuhr er, daß er zu spät kam; das Kind sei schon da. (Er hatte wohl auch eine Scheu empfunden, bei dem Geburtsvorgang Augenzeuge zu sein.) Seine Frau wurde an ihm vorbei durch den Flur gefahren, den Mund weiß ausgetrocknet. Die Nacht davor hatte sie allein in einem sonst fast leeren Bereitschaftsraum auf dem sehr hohen Räderbett gewartet; als er ihr etwas zu Hause Vergessenes dorthin nachbrachte, hatte sich zwischen den beiden, dem mit einem Plastiksack in der Tür stehenden Mann und der auf dem hohen metallischen Gestell mitten im kahlen Zimmer liegenden Frau, ein Augenblick tiefer Sanftheit ergeben. Der Raum ist ziemlich groß. Sie befinden sich in einem ungewohnten Abstand voneinander. Auf der Strecke von der Tür zum Bett glänzt der nackte Linoleumboden im weißlichen, sirrenden Neonlicht. Das Gesicht der Frau hatte sich schon im Anschaltgeflacker ohne Überraschung oder Erschrecken dem Eintretenden zugewendet. Hinter diesem dehnen sich die weitläufigen, halbschattigen Korridore und Stiegenhäuser des Gebäudes, lang nach Mitternacht, in einer einmaligen, durch nichts zu störenden, in den leeren Stadtstraßen dann weiterschwingenden Aura des Friedens.”

 

 

 

 

Handke
Peter Handke (Griffen, 6 december 1942)

 

 

 

 

Schilder en schrijver Henk van Woerden werd op 6 december 1947 geboren te Leiden. Zie ook mijn blog van 6 december 2006.

 

 

Uit:  Notities van een luchtfietser

“Het laat me niet onberoerd. Op het strandje waar ik vlak na de dood van mijn moeder zoveel middagen heb doorgebracht, ligt een zeeolifant. Wat doet het dier hier? Hij is meestal thuis in de wateren rond de pool, vierduizend kilometer zuidwaarts. Iets heeft hem naar de Kaap gedreven – of gelokt. Drieankerbaai is niet de mooiste baai langs deze kust. Een dicht woud van zeewier schermt haar schoot van de oceaan af. Onlangs zijn hoeveelheden kelp door een zomerstorm losgerukt en op de vloedlijn geworpen. Op dit bed van wier nu, strekt de zeeolifant zich uit alsof hij even met vakantie is.
Het is vroeg in de ochtend, maar de zon schijnt al ongenadig op ons neer.
Ik herinner me de zee van toen. Ik weet nog precies hoe het is om hier na een zwemtocht naar het strand te ploeteren. Het water is ijskoud, zelfs midden in de Afrikaanse zomer. Eerst baan ik me een weg door het wier, langs zeeplanten die onverschillig het blote lichaam betasten. Dan voel ik rotsen voorbijkomen: basaltrichels begroeid met alg en poliep, glasscherpe kliffen. Wanneer het ondiepe wordt bereikt, is er de geruststelling van de bodem en het zand. Het strand ligt bezaaid met kelp, wat de aanblik biedt van afgerukte tentakels. Tussen deze tentakels trek ik mezelf aan land. Buiten adem, bevend van inspanning, met bonzende borst en kippenvel. Verder dan de vloedlijn kom ik aanvankelijk niet. Ik blijf uitgeput liggen totdat de warmte van de zon het beven tot bedaren heeft gebracht. Het water kabbelt aan doorweekte voeten. Zandvlooien en muggen kruipen door de neerslag van het schuim dat de branding achterlaat. De ingewanden van de oceaan braken een zware lucht: stank van rottend wier en halfvergaan kelp. Om me heen krijsen de meeuwen. Ze dobberen op de golfslag. Ze tonen geen belangstelling voor wat de zee heeft opgebracht. Ze laten me ongemoeid.

Zo verging het me als twaalfjarige op die zonovergoten middagen in de verlaten zomer van 1960. Zo zal het de zeeolifant nu, veertig jaar later, wel ongeveer zijn vergaan, toen hij hier aan wal kroop. De verschillen tussen mens en dier zijn kleiner dan de overeenkomsten.
De zeeolifant ligt ontspannen op zijn rug, met zijn neus en ogen in kelp gedrukt. In zijn vel staat het verhaal van een zwervend bestaan geschreven: een vacht vol littekens en beschadigingen. Hij is met gemak de grootste van de vinpotigen, de zeehondenfamilie. Een immens log wezen met een torpedovormig lijf. En toch is het niet zijn formaat of zijn gewicht – zo’n vierduizend kilo – dat de meeste eerbied afdwingt, maar zijn fabelachtige vermogen om te duiken. De Tafelberg achter ons is één kilometer hoog. dat het hem aan iets ontbreekt. Dat hij dierbaren heeft achtergelaten, of dat hij door iets dierbaars verlaten is. Hij zal het vermoeden hebben dat er een vrouwelijke soortgenoot op hem wacht. Hij hunkert naar een metgezel, het kan bijna niet anders. En zijn hunkeren komt met het mijne overeen. Niet helemaal, maar in belangrijke mate. In dezelfde mate waarin onze lichamen met elkaar te vergelijken zijn (hij zal ongeveer de oren, de ogen en de longen van mijn verlangen bezitten).
Of er daadwerkelijk een lief is dat uitkijkt naar zijn terugkeer – ergens op een eiland onder arctische luchten – is van minder belang. Ik ben nieuwsgierig naar zijn vermogen zich haar voor te stellen. Naar de contouren van zijn verbeelding. En zelfs al wacht zij daar wél, dan is de zeeolifant waarschijnlijk niet bij machte zich voor te stellen dat haar wachten vergeefs zal zijn.”

 

 

 

 

 

WoerdenHenkvan
Henk van Woerden (6 december 1947 - 16 november 2005)

 

 

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 6 december 2006.

 

De Amerikaanse journalist en dichter Alfred Joyce Kilmer werd geboren op 6 december 1886 in New Brunswick, New Jersey.

 

De Duitse schrijfster Sophie von La Roche werd geboren op 6 december 1730 in Kaufbeuren als Marie Sophie Gutermann von Gutershofen.

 

De Italiaanse schrijver Baldassare Castiglione, graaf van Novellata werd geboren op 6 december 1478 te Casatico, bij Mantua.

 

 

06-12-06

Henk van Woerden, Peter Handke, Alfred Joyce Kilmer, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione


Schilder en schrijver Henk van Woerden werd op 6 december 1947 geboren te Leiden. Hij verhuisde op negenjarige leeftijd met zijn ouders naar Kaapstad. Na een Afrikaanstalige lagere school volgde hij middelbaar onderwijs in het Engels. Hij studeerde in 1967 af aan de Michaelis School of Fine Art, onderdeel van de Universiteit van Kaapstad, en remigreerde naar Europa in mei 1968. Henk van Woerden woonde en werkte in de jaren zeventig en tachtig in Griekenland en Nederland. Werk van Van Woerden bevindt zich inmiddels in vele particuliere collecties in binnen- en buitenland, en in musea als het Stedelijk Museum Amsterdam, het Gemeente Museum Arnhem en het Frans Hals Museum in Haarlem. In 1980 werd hem de Koninklijke Subsidie voor de Schilderkunst toegekend. Hij doceerde vanaf 1987 beeldende kunst aan de AKI Academie, Enschede.
In 1998 voltooide hij zijn drieluik over Zuid-Afrika (Moenie kyk nie, Tikoes en Een mond vol glas). In 2001 beleefde hij zijn internationale doorbraak. In dat jaar kreeg hij o.a. voor zijn boek Een mond vol glas de prestigieuze Sunday Times Fiction/Alan Paton Award uitgereikt, de prijs voor het beste boek van Zuid-Afrika op het gebied van fictie of non-fictie. Nog niet eerder is deze prijs aan een schrijver buiten Zuid-Afrika toegekend. De Frans Kellendonk-prijs mocht Van Woerden in 2003 in ontvangst nemen. Henk van Woerden is op 16 november 2005 onverwachts tijdens zijn slaap overleden. Hij verbleef in zijn appartement in Ann Arbor, waar hij als Writer in Residence doceerde aan de Universiteit van Michigan. In 2006 kreeg hij postuum De Gouden Uil, de belangrijkste Belgische literatuurprijs voor zijn boek Ultramarijn.

Uit: Een mond vol glas

 

“De zorgzaam klinkende welzijnswerkster is niet de enige die zich moeilijk een voorstelling kan maken van wat iemand als Demitrios bezielde, van het dilemma van een ’baster’. Hoe zijn zelfbeeld van meet af aan werd verminkt, en de wanhoop die dat veroorzaakte. Niet-blanken waren smerig, dierlijk, onrein en onbetrouwbaar en de halfbloed was het ergste, want hij zat het dichtst op de blanke huid.
    ’You smaaks chocolate?’ werd er zeven jaar geleden naar mijn hoofd geslingerd door een joelende menigte kleurlingen, toen ik op een Kaaps station in het voetspoor van een donkere vrouw liep en niet durfde om te kijken. De woede, de megeling van hoon en afgunst, de verbazing en de spot: het was zonneklaar waarom ik ter verantwoording werd geroepen.
Welcome to the real world.
   
Nu het rassenvooroordeel in de rest van de wereld bijna antiek aandoet, uitsterft of tenminste luidkeels wordt ontkend, wordt ook de geschiedenis van de kleurling weggedrukt en onbegrijpelijk gemaakt. We zijn ineens de lelijke contouren van onze waan vergeten, de verpletterende lelijkheid van de blanke, voornamelijk Noord-Europese, vrees voor het bastaardschap. Simpele feiten. De kleurling werd gedefinieerd aan de hand van wat hij niet was. Niet blank en niet zwart. Zelfs de ’natuurvolken’ waren nog te prefereren boven de halfbloed, dié waren ten minste zuiver. Het verbod op seksuele omgang tussen blank en zwart (in Zuid-Afrika ingevoerd met de Immorality Act van 1927) kwam voort uit een fundamentele afkeur, niet slechts van ’zwarten’ in het algemeen, maar heel in het bijzonder van wat als het product van bestialiteit werd beschouwd. Dat was de werkelijke, beladen betekenis van ’baster’. De overschreden grens tussen de soorten waaruit -kon het erger? -nageslacht was voortgekomen. Iedere kleurling was het vleesgeworden bewijs van blanke verdorvenheid, een wandelend schaamteobject.”

 

 

 

HENK_VAN_WOERDEN
Henk van Woerden (6 december 1947 - 16 november 2005)

 

Peter Handke werd op 6 december 1942 in Griffen in Karinthië geboren als zoon van een kokkin. Zijn biologische vader was een bankbediende die tijdens de Tweede Wereldoorlog soldaat was; zijn moeder huwde een tramchauffeur uit Berlijn, en tussen zijn tweede en zesde levensjaar woonde Handke aldaar.

Hij ging echter naar de plaatselijke school in Griffen, en oorspronkelijk op internaat te Tanzenberg, met de bedoeling priester te worden. Hij veranderde echter van school en ging naar Klagenfurt. Tussen 1961 en 1965 studeerde hij recht te Graz, waar hij lid van het Forum Stadtpark werd, waartoe ook Thomas Bernhard behoorde. Toen zijn eerste roman, Hornissen, gepubliceerd werd, brak hij zijn studie af en leefde sinds 1966 als vertaler en vrij auteur. In 1966 liet hij zich opmerken op een vergadering van de Gruppe 47 in Princeton, waar hij fulmineerde tegen de beschrijvingsdrang in de literatuur, waarmee hij bedoelde dat de taal een wereldopvatting is die de mens wordt opgelegd, een idee dat geïnspireerd is door de taalfilosofie van Wittgenstein. Zijn notoire toneelstuk Publikumsbeschimpfung keert de rollen van het theater om: de acteurs beschimpen het publiek, zonder dat er een handeling op de scène plaatsgrijpt. Veel van Handkes toneelstukken zijn als luisterspelen opgevat. Vooral zijn vroege periode toonde een verregaande neiging tot experimenteren met de mogelijkheden van de taal; Die Angst des Tormanns beim Elfmeter bevat symbolen en schrifttekens die geen inhoud hebben. Handke joeg velen tegen zich in het harnas met zijn uitgesproken estheticistische denkbeelden en afkeer van taalconventies: Kaspar, een op Kaspar Hauser gebaseerd toneelstuk, toont hoe iemand steeds geïndoctrineerd wordt, zoals de anderen te zijn, door voortdurend dezelfde zinnen te herhalen (Kaspar is tevens een woordspeling op 'Kasperle', marionet). Handke woonde langere tijd in Salzburg en in Chaville, maar reisde de wereld rond en verbleef langdurig in Alaska en Japan. In 1973 won hij de Georg Büchner-Preis.

 

Uit: Wunschloses Unglück

„Bald nach Kriegsende fiel meiner Mutter der Ehemann ein, und obwohl niemand nach ihr verlangt hatte, fuhr sie wieder nach Berlin. Auch der Mann hatte vergessen, dass er einmal [...] auf sie aus gewesen war und lebte mit einer Freundin zusammen; damals war ja Krieg gewesen.
Aber sie hatte das Kind mitgebracht, und lustlos befolgten beide das Pflichtprinzip.
Zur Untermiete in einem großen Zimmer in Berlin-Pankow, der Mann, Straßenbahn-Fahrer, trank, Straßenbahn-Schaffner, trank, Bäcker, trank, die Frau ging immer wieder mit dem inzwischen zweiten Kind zum Brotgeber und bat, es noch einmal zu versuchen, die Allterweltsgeschichte.
In diesem Elend verlor meine Mutter die ländlichen Pausbacken und wurde eine recht elegante Frau. Sie trug den Kopf hoch und bekam einen Gang. Sie war nun so weit, dass sie sich alles anziehen konnte, und es kleidete sie. Sie brauchte keinen Fuchs um die Schultern. Wenn der Mann, nach dem Rausch wieder nüchtern, sich an sie hängte und ihr bedeutete, dass er sie liebe, lächelte sie ihn erbarmungslos mitleidig an. Nichts mehr konnte ihr etwas anhaben.
Sie gingen viel aus und waren ein schönes Paar. Wenn er betrunken war, wurde er FRECH, und sie musste STRENG zu ihm werden. Dann schlug er sie, weil sie ihm nichts zu sagen hatte und er es doch war, der das Geld heimbrachte.
Ohne sein Wissen trieb sie sich mit einer Nadel ein Kind ab.“

 

 

PETER_HANDKE
Peter Handke (Griffen, 6 december 1942)

 

De Amerikaanse journalist en dichter Alfred Joyce Kilmer werd geboren op 6 december 1886 in New Brunswick, New Jersey. Zijn bekendste werk is een gedicht, “Trees”, dat voor het eerst gepubliceerd werd in de bundel Trees and Other Poems in 1914. Opvallend in het gedicht is de antropomorfe beeldspraak: de boom drukt zijn mond tegen de borst van de aarde, kijkt naar God en heft zijn armen om te bidden. Het gedicht werd op muziek gezet en was heel populair gedurende de jaren veertig en vijftig. In 1917 meldde Joyce Kilmer zich vrijwillig aan bij het leger. Tijdens de Tweede Slag bij de Marne in 1918 sneuvelde hij in de buurt van Seringes in Frankrijk.

 

 

Trees

 

I think that I shall never see

A poem lovely as a tree.

 

A tree whose hungry mouth is prest

Against the sweet earth's flowing breast;

 

A tree that looks at God all day,

And lifts her leafy arms to pray;

 

A tree that may in summer wear

A nest of robins in her hair;

 

Upon whose bosom snow has lain;

Who intimately lives with rain.

 

Poems are made by fools like me,

But only God can make a tree.

 

 

 

Kilmer
Alfred Joyce Kilmer (6 december 1886 – 30 juli 1918)

 

De Duitse schrijfster Sophie von La Roche werd geboren op 6 december 1730 in Kaufbeuren als Marie Sophie Gutermann von Gutershofen. Ze was een jeugdvriendin van Christoph Martin Wieland. In 1753 trouwde ze met Georg Michael Frank La Roche, met wie ze acht kinderen kreeg. Ze is de grootmoeder van Bettina von Arnim en Clemens Brentano. Sophie von La Roche had enige tijd een literaire salon in Trier, waar ze onder andere Johann Wolfgang von Goethe ontmoette. Ze debuteerde in 1771 met het boek Geschichte des Fräuleins von Sternheim.

Uit: Geschichte des Fräuleins von Sternheim

 

„Erschrecken Sie nicht, meine Freundin, anstatt der Handschrift von Ihrer Sternheim eine gedruckte Copey zu erhalten, welche Ihnen auf einmal die ganze Verräterei entdeckt, die ich an Ihnen begangen habe. Die Tat scheint beim ersten Anblick unverantwortlich. Sie vertrauen mir unter den Rosen der Freundschaft ein Werk Ihrer Einbildungskraft und Ihres Herzens an, welches bloß zu Ihrer eigenen Unterhaltung aufgesetzt worden war. »Ich sende es Ihnen (schreiben Sie mir) damit Sie mir von meiner Art zu empfinden, von dem Gesichtspunkt, woraus ich mir angewöhnt habe, die Gegenstände des menschlichen Lebens zu beurteilen, von den Betrachtungen, welche sich in meiner Seele, wenn sie lebhaft gerührt ist, zu entwickeln pflegen, Ihre Meinung sagen, und mich tadeln, wo Sie finden, daß ich unrecht habe. Sie wissen, was mich veranlaßt hat, einige Nebenstunden, die mir von der Erfüllung wesentlicher Pflichten übrig blieben, dieser Gemüts-Erholung zu widmen. Sie wissen, daß die Ideen, die ich in dem Charakter und in den Handlungen des Fräuleins von Sternheim und ihrer Eltern auszuführen gesucht habe, immer meine Lieblings-Ideen gewesen sind; und womit beschäftigt man seinen Geist lieber als mit dem, was man liebt?“

 

 

 

 

Roche
Sophie von La Roche (6 december 1730 – 18 februari 1807)

 

De Italiaanse schrijver Baldassare Castiglione, graaf van Novellata werd geboren op 6 december 1478 te Casatico, bij Mantua  Hij schreef in 1528 in Venetië zijn boek "Il libro del Cortegiano" (Het boek van de Hoveling). Dit boek wordt, samen met "Il Principe" (De Vorst) van Machiavelli uit 1513, door verschillende bronnen als belangrijk boeken van de Renaissance gerekend. Het boek is, na zijn uitgave in Italië, verspreid geweest over heel Europa, en heeft effect gehad op vele hovelingen, die hun levensstijl aanpasten aan de neergeschreven levensstijl in het boek zelf.

Uit: The Book of the Courtier (Het boek van de Hoveling)

 

“I HAVE a longe time doubted with my self (most loving M. Alphonsus) which of the two were harder for me, either to denye you the thinge that you have with suche instance manye tymes required of me, or to take it in hande: bicause on the one side me thoughte it a verye harde matter to denye anye thynge, especially the request beinge honest, to the personne whom I love deerlye, and of whom I perceyve my selfe deerlye beloved. Againe on the other syde, to undertake an enterpryse whiche I do not knowe my selfe able to brynge to an end, I judged it uncomely for him that wayeth due reproofes so much as they oughte to be wayed. At length after muche debatynge, I have determined to prove in this behalfe what ayde that affection and great desyre to please, can bring unto my dilygence, whyche in other thynges is wont to encreace the laboure of menne. You then require me to wryte, what is (to my thynkynge) the trade and maner of Courtyers, whyche is most fyttynge for a Gentilman that lyveth in the Court of Princes, by the whiche he maye have the knoweleage howe to serve them perfectlye in everye reasonable matter, and obtaine thereby favour of them and prayse of other men. Fynallye, of what sort he ought to be that deserveth to be called so perfect a Courtyer, that there be no wante in him: wherefore I, considering this kinde of request, say, that in case it should not appeare to my selfe a greater blame to have you esteame me to be of smal frendeshippe, then all other men of litle wysdome, I woulde have ryd my handes of this laboure, for feare leaste I shoulde bee counted rashe of all such as knowe, what a harde matter it is, emonge suche diversitye of maners, that are used in the Courtes of Christendome, to picke out the perfectest trade and way, and (as it were) the floure of this Courtiership.”

 

 

baldassare
Baldassare Castiglione (6 december 1478 – 2 februari 1529)