24-09-17

Joke van Leeuwen, Mark Boog, A.L. Snijders, Alejandro Zambra, F. Scott Fitzgerald, Shamim Sarif

 

De Nederlandse dichteres, schrijfster, illustrator en cabaretière Johanna Rutgera van Leeuwen werd geboren op 24 september 1952 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Joke van Leeuwen op dit blog.

 

Melden

Is dus wel verplicht ja. In gebouw a staat b
als het daar niet tussen x en y uur dicht is
wegens middageten. Wat gemeld moet
want geweten: onder meer waarom niet
op de plaats gebleven, bewijs van nog
bestaan en mate van verstoren.

Is er een krijgen ook? Jazeker. Te noemen:
kansen. Maar hangt er wel van af. En wel.
Van af. Natuurlijk is er ook een wachten.
Er zijn rijen dus. Een rij is onvermijdelijk.
Een rij. Wordt genoeg afgehandeld? Schuiven
de wachtenden gestaag naar voren?

Men wordt verwerkt. Er wordt ingegrepen.
Maar melden moet eerst, want anders
geen beginnen aan. Ook niet ten overstaan
van wie bestaan ziet en in vel zal knijpen.
Vel telt niet. Nee. Helaas. Dus eerst bewijzen
er te zijn, want ooit te zijn geboren.

 

 

Daar

Hadden er lang naar gezocht, maar wat lag
het daar prachtig, precies op zijn plaats.
Overal groeisel, verschiet en bedoening.
Alles kon rijmen, ook als het niet.

Zaten daar gretig te willen ontvangen
aan lange ontsplinterde tafels waarop,
nog gesloten, schenkbaar te tillen getink.
Kregen te lezen wat eetbaar kon, drinkbaar kon,

alles beschreven. Keken soms over de regels heen,
zagen daar groeisel, verschiet en bedoening.
Iemand riep: Drinkt u maar, drink maar, ik
kom dalijk bij u! - terwijl hij verdween.

 

 

Opname

Uw bruikbaarste woorden zijn er bij gaan
liggen. Genoeg gebruikt, denken ze, neem maar
de onbeschadigde om te herhalen. Herhalen
doen ze op de televisie ook. Maar die
kapotte kleerhangers vraagtekens.

Wat het was waar u zich vijftig jaar
aan heeft geërgerd. Waar u uw man heeft
neergelegd. Er prijken al zo lang met haast
beschreven ansichtkaarten in uw territorium.
Mooie uitzichten, prachtige hoeheethet.

 

 
Joke van Leeuwen (Den Haag, 24 september 1952)

Lees meer...

24-09-16

Joke van Leeuwen, Mark Boog, A.L. Snijders, Alejandro Zambra, F. Scott Fitzgerald, Shamim Sarif

 

De Nederlandse dichteres, schrijfster, illustrator en cabaretière Johanna Rutgera van Leeuwen werd geboren op 24 september 1952 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Joke van Leeuwen op dit blog.

 
Kameel in de stad

Op hoge poten loopt het dorp de stad in
dat het past. Het plant zich voort, het heeft
pantoffels aan en hoort motoren.

Geduld van eeuw, van wie eens geboren uit
wie eens geboren uit wie eens geboren uit
wie door het zand moest van zijn dagen.

En door moet tussen gassen en geschreeuw.
Het snelle laat het trage voor, het blijvende:
de mooie wimpers en de bulten en de last.

 

 

Haar oude ouders

Haar oude ouders zonder oude spullen
die hun beroofde hoofden van nog gekker
weg wilden trekken, zijn op droge benen
hierheen gekomen, hopend op gedogen.
Hun Heer kwam mee, die kan hier ook aanbeden
en hun Maria heeft ook hier die ogen.
Hun tenen schieten wortel in hun schoenen.
Hun woorden durven zich niet te vertonen.
Ze krijgen tweedehandse voor het hullen.
Ze hebben al Tot ziens en Lekker.




Snorkelen

Half in zee, half in de lucht, gedragen
een schoorsteen op en naar beneden kijken
vragende vingers van de waterplanten

Kont in de lucht, rug naar de wolken
voeten met vinnen, hun gelijke lijken
maar hemellichaam blijken in den hoge

voor stille vissen, bezig er een te zijn
glad rond de graten, ogen altijd open
en geen benut van het immense droge.

 



Joke van Leeuwen (Den Haag, 24 september 1952)

Lees meer...

24-09-15

Joke van Leeuwen, Mark Boog, A.L. Snijders, Alejandro Zambra, F. Scott Fitzgerald, Shamim Sarif, Hendrik Tollens

 

De Nederlandse dichteres, schrijfster, illustrator en cabaretière Johanna Rutgera van Leeuwen werd geboren op 24 september 1952 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Joke van Leeuwen op dit blog.

 

Velouté

Wat vale vlekken heeft, de doordeweekse,
wat licht gerimpeld raakt van niet gebruiken,
wat wacht op afgeraspt tot naakt en sappig,
wat valt te snijden tot minieme velen,
wat slaag verdraagt, wat tegen donker kan.

Dat in een pan.

Vermalen tot geen vorm om wie of wat
op aan te spreken. Verzameld in een geur.
Daarmee van deur tot deur, dat iedereen mag ruiken.

Soldaten hebben zich vermomd als struiken,
De nachten vallen om, de dagen duiken,
Wat niet verkocht kan worden wordt versleten.

Achter de muur is ruzie, achter de ruzie muur,
achter de muur twee die het niet meer weten,
Daarachter straat, heet asfalt, niemand aan het stuur.

Nooit meer kleinzerig zijn. En appels eten.

 

 

Wil je met mij naar

Wil je met mij naar
toejeweetwel?
toejeweetwel?
wil je met me naar toejeweetwelwaar?

Ja, ik wil met jou
naar hoeheettut,
naar hoeheettut,
ja, ik wil met jou
naar hoeheettutnou.

Gaan we samen in de dinges
en de weetnietmeerzovlug,
even naar de komwatwasset
en dan weer naar huis terug.

 

 

Ready Made, twee kleuters

Jij was de goeie en ik was de slechte.
Ik wil liever de slechte zijn.
Nee, ik ben de slechte. Jij bent de goeie.
Waarom moet ik altijd de goeie zijn?

Waarom wil jij niet de goeie zijn?
Twee goeien is niet spannend.
Mag ik dan straks de slechte zijn?
Straks. Maar nu ben jij de goeie.

 

 
Joke van Leeuwen (Den Haag, 24 september 1952)

Lees meer...

24-09-14

Alejandro Zambra

 

De Chileense schrijver Alejandro Zambra werd op 24 september 1975 geboren in Santiago de Chile, waar hij ook opgroeide. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Alejandro Zambra op dit blog.

Uit: Manieren om naar huis terug te keren (Vertaald door Luc de Rooy)

“Het was al laat geworden en ik werd naar bed gestuurd. Met tegenzin probeerde ik een plek te vinden in de tent. Ik was bang dat ik in slaap zou vallen, maar ik vond afleiding in het luisteren naar de stemmen die opgingen in de nacht. Ik begreep dat Raúl de vrouwen was gaan wegbrengen, want nu begonnen ze over hen te roddelen. Een stem zei dat het meisje raar was. Ik had haar helemaal niet raar gevonden. Ik had haar juist mooi gevonden. En de vrouw, zei mijn moeder, leek helemaal niet op een docente Engels – ze had de uitstraling van een doodgewone huisvrouw, voegde een andere buurman eraan toe, en zo gingen ze nog even op een lacherige toon verder.
Ik dacht aan het gezicht van een docente Engels, aan hoe het gezicht van een docente Engels eruit moest zien. Ik dacht aan mijn moeder, aan mijn vader. Ik dacht: wat voor een gezicht hebben mijn ouders. Maar ouders hebben eigenlijk nooit echt een gezicht. We leren nooit goed naar ze te kijken.
Ik dacht dat we weken, misschien wel maanden onder de blote hemel zouden doorbrengen, wachtend op een vrachtwagen met voedsel en dekens in de verte, en ik zag zelfs voor me dat ik op televisie zou komen, waar ik alle Chilenen zou bedanken voor de hulpgoederen, zoals bij overstromingen – ik dacht aan die vreselijke overstromingen van de voorbije jaren, toen ik de straat niet op kon en het bijna verplicht was voor het televisiescherm te blijven zitten om te kijken naar de mensen die alles verloren hadden.
Maar zo verliep het niet. De rust keerde zo goed als meteen weer terug. In die verlaten uithoek ten westen van Santiago had de aardbeving eigenlijk alleen maar voor flinke ongerustheid gezorgd. Er gingen nogal wat muren tegen de vlakte, maar meer schade, laat staan doden of gewonden, was er niet. Op televisie werd de verwoeste haven van San Antonio getoond en verschillende straten die ik gezien had of meende te hebben gezien tijdens de zeldzame keren dat ik in het centrum van Santiago was geweest. Verward voelde ik aan dat daar wel echt werd geleden.”

 

 
Alejandro Zambra (Santiago de Chile, 24 september 1975)

18:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: alejandro zambra, romenu |  Facebook |

10-11-13

Friedrich Schiller, Rick de Leeuw, Jan van Nijlen, Arnold Zweig, Jacob Cats, Alejandro Zambra

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Christoph Friedrich von Schiller werd geboren op 10 november 1759 in Marbach. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Friedrich Schiller op dit blog.

 

Uit:Der Spaziergang unter den Linden

 

„Wollmar und Edwin waren Freunde und wohnten in einer friedlichen Einsiedelei beisammen, in welche sie sich aus dem Geräusch der geschäftigen Welt zurückgezogen hatten, hier in aller philosophischen Muße die merkwürdigen Schicksale ihres Lebens zu entwickeln. Edwin, der glückliche, umfaßte die Welt mit frohherziger Wärme, die der trübere Wollmar in die Trauerfarbe seines Mißgeschicks kleidete. Eine Allee von Linden war der Lieblingsplatz ihrer Betrachtungen. Einst an einem lieblichen Maientag spazierten sie wieder; ich erinnere mich folgenden Gespräches:

Edwin. Der Tag ist so schön – die ganze Natur hat sich aufgeheitert, und Sie so nachdenkend, Wollmar?

Wollmar. Lassen Sie mich. Sie wissen, es ist meine Art, daß ich ihr ihre Launen verderbe.

Edwin. Aber ist es denn möglich, den Becher der Freude so anzuekeln?

Wollmar. Wenn man eine Spinne darin findet – warum nicht? Sehen Sie, Ihnen malt sich jetzt die Natur wie ein rothwangigtes Mädchen an seinem Brauttag. Mir erscheint sie als eine abgelebte Matrone, rothe Schminke auf ihren grüngelben Wangen, geerbte Demanten in ihrem Haar. Wie sie sich in diesem Sonntagsaufputz belächelt! Aber es sind abgetragene Kleider und schon hunderttausendmal gewandt. Eben diesen grünen wallenden Schlepp trug sie schon vor Deukalion, eben so parfümiert und eben so bunt verbrämt. Jahrtausende lang verzehrt sie nur mit dem Abtrag von der Tafel des Todes, kocht sich Schminke aus den Gebeinen ihrer eigenen Kinder und stutzt die Verwesung zu blendenden Flittern. Es ist ein unfläthiges Ungeheuer, das von seinem eigenen Koth, viele tausendmal aufgewärmt, sich mästet, seine Lumpen in neue Stoffe zusammenflickt und groß thut und sie zu Markte trägt und wieder zusammenreißt in garstige Lumpen. Junger Mensch, weißt du wohl auch, in welcher Gesellschaft du vielleicht jetzo spazierest? Dachtest du je, daß dieses unendliche Rund das Grabmal deiner Ahnen ist, daß dir die Winde, die dir die Wohlgerüche der Linden herunterbringen, vielleicht die zerstobene Kraft des Arminius in die Nase blasen, daß du in der erfrischenden Quelle vielleicht die zermalmten Gebeine unsrer großen Heinriche kostest? Pfui! Pfui! Die Erderschütterer Roms, die die majestätische Welt in drei Theile rissen, wie Knaben einen Blumenstrauß unter sich theilen und an die Hüte stecken, müssen vielleicht in den Gurgeln ihrer verschnittenen Enkel einer wimmernden Opernarie frohnen.“

 

 

 

Friedrich Schiller (10 november 1759 - 9 mei 1805)

Portret door Louis Ammy Blanc, 1861

Lees meer...

10-11-12

Friedrich Schiller, Rick de Leeuw, Jan van Nijlen, Arnold Zweig, Jacob Cats, Alejandro Zambra

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Christoph Friedrich von Schiller werd geboren op 10 november 1759 in Marbach. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Friedrich Schiller op dit blog.

 

Uit: Die Räuber

 

“Erster Akt. Erste Scene. Franken.

Saal im Moorischen Schloß. Franz. Der alte Moor.

 

Franz. Aber ist Euch auch wohl, Vater? Ihr seht so blaß.

D. a. Moor. Ganz wohl, mein Sohn, – was hattest du mir zu sagen?

Franz. Die Post ist angekommen – ein Brief von unserm Correspondenten in Leipzig –

D. a. Moor (begierig). Nachrichten von meinem Sohne Karl?

Franz. Hm! Hm! – So ist es. Aber ich fürchte – ich weiß nicht – ob ich – Eurer Gesundheit? – Ist Euch wirklich ganz wohl, mein Vater?

D. a. Moor. Wie dem Fisch im Wasser! Von meinem Sohne schreibt er? – Wie kommst du zu dieser Besorgniß? Du hast mich zweimal gefragt.

Franz. Wenn Ihr krank seid – nur die leiseste Ahnung habt, es zu werden, so laßt mich – ich will zu gelegenerer Zeit zu Euch reden. (Halb zu sich.) Diese Zeitung ist nicht für einen zerbrechlichen Körper.

D. a. Moor. Gott! Gott! was werd' ich hören?

Franz. Laßt mich vorerst auf die Seite gehn und eine Thräne des Mitleids vergießen um meinen verlornen Bruder – ich sollte schweigen auf ewig – denn er ist Euer Sohn; ich sollte seine Schande verhüllen auf ewig – denn er ist mein Bruder. – Aber Euch gehorchen, ist meine erste, traurige Pflicht – darum vergebt mir.

D. a. Moor. O Karl! Karl! wüßtest du, wie deine Aufführung das Vaterherz foltert! wie eine einzige frohe Nachricht von dir meinem Leben zehn Jahre zusetzen würde – mich zum Jüngling machen würde – da mich nun jede, ach! – einen Schritt näher ans Grab rückt!

Franz. Ist es Das, alter Mann, so lebt wohl – wir alle würden noch heute die Haare ausraufen über Eurem Sarge.

D. a. Moor. Bleib! – Es ist noch um den kleinen kurzen Schritt zu thun – laß ihm seinen Willen! (Indem er sich niedersetzt.) Die Sünden seiner Väter werden heimgesucht im dritten und vierten Glied – laß ihn's vollenden.

Franz (nimmt den Brief aus der Tasche). Ihr kennt unsern Correspondenten! Seht! den Finger meiner rechten Hand wollt' ich drum geben, dürft' ich sagen, er ist ein Lügner, ein schwarzer, giftiger Lügner – – Faßt Euch! Ihr vergebt mir, wenn ich Euch den Brief nicht selbst lesen lasse – Noch dürft Ihr nicht Alles hören.

D. a. Moor. Alles, Alles – mein Sohn, du ersparst mir die Krücke.

Franz (liest). »Leipzig, vom 1sten Mai. – Verbände mich nicht eine unverbrüchliche Zusage, dir auch nicht das Geringste zu verhehlen, was ich von den Schicksalen deines Bruders auffangen kann, liebster Freund, nimmermehr würde meine unschuldige Feder an dir zur Tyrannin geworden sein. Ich kann aus hundert Briefen von dir abnehmen, wie Nachrichten dieser Art dein brüderliches Herz durchbohren müssen; mir ist's, als säh' ich dich schon um den Nichtswürdigen, den Abscheulichen« – – (Der alte Moor verbirgt sein Gesicht.) Seht, Vater! ich lese Euch nur das Glimpflichste – »den Abscheulichen in tausend Thränen ergossen;« – Ach, sie flossen – stürzten stromweis von dieser mitleidigen Wange – »mir ist's, als säh' ich schon deinen alten, frommen Vater todtenbleich« – Jesus Maria! Ihr seid's, eh' ihr noch das Mindeste wisset?

D. a. Moor. Weiter! Weiter!”

 

 

Friedrich Schiller (10 november 1759 - 9 mei 1805)

Matthias Schweighöfer als Schiller in de gelijknamige Duitse film uit 2005

Lees meer...

10-11-11

Aka Morchiladze, August De Winne, Oliver Goldsmith, Alejandro Zambra, Werner Söllner, Willem Penning, Pieter Frans van Kerckhoven

 

De Georgische schrijver Aka Morchiladze werd geboren op 10 november 1966 in Tbilisi. Zie ook mijn blog van 10 november 2008 en ook mijn blog van 10 november 2010

 

Uit: Santa Esperanza

 

„As I had saved a considerable sum of money long beforehand, and had a strong intention to visit the Isles once more, I decided to avoid the "human bondage" of getting the British visa, then going to London and suffering a lot more from getting the Johnish visa, and found a shorter and safer way: I planned an easier trip to Istanbul, where I would search for the Office of the third Supreme Commissioner.
The Commissioner hated Georgians… Or rather didn't very much approve of them (to put it mildly to sound more European). He might have had some serious reasons for his disapproval, but he didn't trouble much to reveal those to me. Strangely enough, he was a Georgian himself, but spoke exceptionally English.
In the course of our conversation, I inserted a couple of Georgian words into my speech, as I felt rather short of my English. But the man replied in English, saying he didn't understand my Georgian (he himself spoke the Johnish variety of the language). In the end, he ordered me to come back three hours later.
When I was back to his office, he kept inquiring, for good twenty minutes, about my occupation and the reasons for my need of a six-month visa. I did my best to make my answers sound impressive. The whole procedure felt like being at an exam, a rather stiff one. He made me answer numerous questions from the history of his own country. My answers must have sounded too ambiguous, for the only information I had about the past of the country had been obtained from a tiny brochure by a Mr. Nebieridze. I was quite certain though, that the Commissioner had already given me the visa, and even stamped it in my passport, but he hated to tell me about it.
In the end he somehow managed to give the passport to me, and advised me to go by sea. That was a really good piece of advice, for it proved to be much cheaper that way.
So, this is how I went to John's Isles for the second time and stayed there for half a year.
During the last two months of my stay, I had been living in a rented apartment in the coastal quarter.
February was already there, and I had to return home. The winters are generally very mild on those Isles, and one doesn't actually have to think about the frost at all. On the other hand, it's rather damp all around, especially for those who dwell near the sea, but it's always dry downtown. The sea is often stormy, and along the shore, twenty feet into the land, it seems to be drizzling non-stop. The sun is very rare in this season, but very welcome and very lovely. Such is the winter in Santa City.“

 

 

Aka Morchiladze (Tbilisi, 10 november 1966)

 

Lees meer...

10-11-10

Aka Morchiladze, August De Winne, Willem Penning, Pieter Frans van Kerckhoven, Oliver Goldsmith, Alejandro Zambra

 

De Georgische schrijver Aka Morchiladze werd geboren op 10 november 1966 in Tbilisi. Zie ook mijn blog van 10 november 2008. 

 

Uit: Santa Esperanza

 

The owner of such a passport will also have to indicate, in some other papers, his future address and the exact sum of money which is or will be at his disposal. And so on, and so forth.
But a real pilgrim never knows where he is going to end his pilgrimage. A real pilgrim simply likes to travel a lot. Anyway, it seems to be rather difficult for him to deal with the Europe without any borders ( if he is not a citizen of such Europe, of course), as far as the borderless Europe is always very curious about the aim of the pilgrim's pilgrimage, and about the sum of money the pilgrim is going to live on.
Well now, it's somewhat clear with Europe. But Santa Esperanza is not a part of this borderless continent. It lies off the Black Sea Coast.
Quite recently though, there was a war, and for that very reason it must have restricted its rules towards those other miserable Europeans who are not from the borderless Europe either (and who don't seem to be quite European at all).
This, in its turn, must have been done for the sake of preventing them from fleeing away from their Patria.
But where on earth could the visa for Santa Esperanza ever be obtained? This tiny country has no Embassies or Consulates anywhere in Georgia, not even in Russia. The answer to this difficult question was to be found in the internet tourist sites of the country. So, I started searching for the answer and, before long, I got it.
It turned out that the country had no Ambassadors, as is the case with many former British colonies that now are the members of the Commonwealth. These three small islands have their Supreme Commissioner who resides in London, and ranks as high as a consul. The British side also has the Supreme Commissioner who resides in St. John Citadel. Furthermore, if one tries hard, one will find in Istanbul the man who might be considered the Consul of Santa Esperanza, and who is able to give a non-European European (who is not likely to be a real European at all) the cherished visa. The position the man holds is called that of the Supreme Commissioner too.”
 

 

 

 

Aka Morchiladze (Tbilisi, 10 november 1966)

 

Lees meer...