12-01-15

Cees van der Pluijm, Jacques Hamelink, Kamiel Verwer, Haruki Murakami, Alain Teister, Jakob Lenz

De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Cees van der Pluijm overleed op 14 december jongstleden op 60-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor Cees van der Pluijm op dit blog.

 

PORTRETSONNETTEN 9

Je kunt met hem de humorberg beklimmen
Hij heeft voor iedereen altijd wel iets
Een kleine kwinkslag of een goede witz
Waar hij verschijnt, daar gaan de ogen glimmen

O al die keren dat we om hem lachten
Wat is die man toch vreselijk ad rem
Gebeurt er iets, dan kijken we naar hem
Je hoeft er nog geen oogwenk op te wachten

En heus, hij is nooit een seconde triest
Het lijkt wel alsof alles langs hem afglijdt
Waardoor hij nooit zijn goede zin verliest

Ik denk dat hij nog vrolijk naar zijn graf schrijdt
Waarop de hele stoet nog één keer briest
Om wat zijn laatste geintje wordt: zijn afscheid

 

 

PORTRETSONNETTEN 13

Ik vond mijn kind, hij waaide tot mij aan
Wat scheelt die vijfendertig jaar verschil?
Wanneer ik honderd word, is hij de spil
Daarna kan ik gerust ter ziele gaan

Nu ben ik nog ten vleze, het bestaan
Laveert weer tussen schreeuwstorm en windstil
Een mengeling van hoop, geloof en wil
Een innig rendez-vous van zon en maan

Twee kamers heeft het hart dat stadig klopt
Twee liefdes zijn het minste voor een man
Totdat de adem stokt, de motor stopt

Twee liefdes – veel voor wie niet veel verwacht
Meer dan waarop een zondaar hopen kan
De wind, de wind heeft mij een kind gebracht

 

 

Uit: Momenten

 

1978

Er was van dreiging helemaal geen sprake
Je kreeg een eigen huis, een flat met hem
Wat later kwam deed toen nog niet ter zake

Nog nergens dood als stimulans of rem
Wel engelen, maar niet nog die der wrake
Je zong je lied met ongebroken stem

Een zoete inval en een bruisend bad:
De tijd dat je nog geen ontvangstangst had

Het leven leek een feest vol zang en dans
Studeren? Ja, dat deed je er wel bij
Wat misging kreeg vanzelf een nieuwe kans

Dat eens het lied verstommen zou, dat jij
Er in zou tuinen als een domme gans –
Je was naïef, je leek maar frank en vrij

 

 

 
Cees van der Pluijm (12 januari 1954 – 14 december 2014)
Hier met Conny Palmen (l)

Lees meer...

12-01-14

Cees van der Pluijm, Jacques Hamelink, Kamiel Verwer, Haruki Murakami, Alain Teister, Jakob Lenz


De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook alle tags voor Cees van der Pluijm op dit blog.

 

Sonnet voor Elisabeth Eybers

Er klinken kinderstemmen in 't portiek
Hun schel geluid weerkaatst aan alle kanten

Geen oude dromen meer; ik ben weer thuis
Bepaalde bomen kan men niet verplanten

Melancholie: herinneringen aan stilte
Voorafgaand aan een storm voorbije vreugd

Verdriet: besef dat elke dag je heugt
Hoe liefde langzaam overging in kilte

En Heimwee: willen ruiken aan het zilte
Van zeewind die je aanwaait uit je jeugd

Ik lees verdoofd de verse ochtendkranten
Met al het vale nieuws, de dood incluis

En zie hem staan, als één dier emigranten
En weet opeens. Mijn droom had geen abuis.

 

 

Exodus

Er was een droom van duizend mooie jongens
Op witte paarden rijdend door de nacht
Met wapperende zachtfluwelen kleren

Ze hadden heel het leven in hun macht
De aarde draaide door hun galopperen
En waar zij reden, werd het nooit meer licht

Hun schoonheid was alleen nog te bezweren
Door 't magisch ritueel van een gedicht:
Er was een droom van duizend mooie jongens

Maar niemand kreeg die woorden uit zijn mond
Want wie hen zag, versteende waar hij stond

 

 

Kennelijk

Hij heeft de mooiste ogen die ik ken
Van diep en prachtig glanzend donkerbruin
Als hij me aankijkt, raakt ik zo bewogen
Dat ik het eerste uur van slag af ben

Soms stoeien wij een beetje in de tuin
Dan komt hij los en wordt hij opgetogen
Vooral als ik hem kietel en hem jen
(Zo rolden wij het rozenperk in puin!)

Wij hebben een apart soort dialogen
Waarvan nog nooit een derde iets verstond:
Verliefden kunnen praten met hun ogen

Mijn moeder vindt de omgang ongezond
(Als het aan haar lag had het niet gemogen)
Maar ja, ik houd nu eenmaal van mijn hond.

 

 
Cees van der Pluijm (Radio Kootwijk, 12 januari 1954)

Lees meer...

12-01-13

Cees van der Pluijm, Jacques Hamelink, Kamiel Verwer, Haruki Murakami, Alain Teister, Jakob Lenz, Fatos Kongoli

 

De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook alle tags voor Cees van der Pluijm op dit blog.

 

 

WINTER & HET WYLERBERGMEER

 

II

 

O Wylerbergmeer: vlies van ijs
Bedekt in tinten zwart en grijs
Je diepte die zo lokken kon -
Je lacht als was je niet goed wijs

 

En dan opeens: de winterzon
De sneeuw geeft al haar schitt'ring prijs
Ik voel opnieuw: dit is de bron
Van wat mijn hoofd aan lichtheid won

 

Hier lijkt een boom niet op een kruis
Of op een galg; hier stroomt wat komt
Hier staan de takken zelfs in knop

 

Hier slikt het water door de sluis
Terwijl die dwaze lach verstomt -
Van hier kan ik de berg weer op

 

 

 

1960


Je ging er eerst eens met je vader kijken
Naar het gebouw en naar de weg erheen
Je moest per slot maar zien dat je er kwam

Je kreeg een tas, wat geld, een boterham
Je was pas zes, moest haasten, mocht niet wijken
Een hele tippel voor een kind alleen

Je stapte uit de bus en koos je pad
Je wandelde parmantig door de stad

Het leek haast of het vanzelfsprekend was –
Maar eenzaam was het, en een bange reis
De wereld zou nog lang je vijand blijven

Je zou bij juffrouw Broenink leren schrijven
Gekortwiekt keurig zittend in de klas
Voorgoed verdreven uit het paradijs

 

 

 

SOS

 

De nacht is zonder jou zo onvertrouwd

Dat ik – alleen – de slaap niet vatten kan

Wij hebben ons een veilig nest gebouwd

Als alle vogels doen zo nu en dan

 

Wij woelden door de jaren van de strijd

Die liefde heet, een lange warme nacht

Nu slapen wij ons gaten in de tijd

En spelen slechts wanneer dat wordt verwacht

 

Ons spel als echo van een symfonie

Waarvan alleen de paukenslag nog klinkt

Een nagalm die allengs nog sterker slinkt

Van lepeltjes in stille harmonie

 

De nacht is zonder jou zo onvertrouwd

Wij liggen samen stil, van man tot man

Alleen maar met elkaar, zoals dat kan

Wanneer men droef is maar daar niet om rouwt.

 

 

 

Cees van der Pluijm (Radio Kootwijk, 12 januari 1954)

Hier met de Nicaraguaanse dichter Ernesto Cardenal (links)

 

Lees meer...

12-01-12

Cees van der Pluijm, Jacques Hamelink, Kamiel Verwer, Haruki Murakami, Alain Teister, Jakob Lenz, Fatos Kongoli

 

De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook alle tags voor Cees van der Pluijm op dit blog.

 

 

1969


We lagen bij het avondlijke water
We waren 15, 16, en dan gaat er
Geen prikkeling voorbij aan jonge lijven

Wat loos gestoei en dan opeens, dan staat er
Iets strak, een bijna pijnlijk hard verstijven –
Iets wat voorbij moet gaan maar ook moet blijven

De zomeravond valt, je explodeert
Je hebt je teder aan elkaar bezeerd

Apollo daalde zachtjes naar de maan
Diezelfde nacht waarin jij had beslist
Dat jij die dag je zaad niet had verkwist

Wat daar begon, zou nooit meer overgaan
Jij kon de mensen en de toekomst aan
Je was geland en wist nu wat je wist

 

 

 

 

DE DOKTER EN DE DOOD


I

 

Awater was de naam die Nijhoff hoorde
Bij dokter Koch (de vader) op bezoek
Een naam die zich door diepe lagen boorde -
Als twee maal water was dit woord een bron

 

Een klein geschenk, uit onverwachte hoek
Awater was de naam, de man was ziek
Het ging niet goed, of dokter komen kon
Maar die had net de dichter bij hem thuis...

 

"Awater," dacht de dichter "hoe uniek
Een man met twee maal water in zijn naam
Met twee maal leven toch de dood in huis"

 

De dichter staarde peinzend uit het raam
En zag in Beek de allereerste geest
Van water dat de aanvang was geweest

 

 

 

DE NACHT


De nacht is maanloos, een gerezen kilte
Trekt langs je koude botten naar omhoog
Je stapt door nevelslierten. Hard als steen
Voelt aan je voet de aarde, hard en droog

Het kraakt nu en het krast, je hoort de stilte
Je kijkt met beide oren om je heen
Je proeft beweging, mist het katteoog
Maar tastbaar ben je meer dan niet alleen

Het park geeft zijn geheimen moeizaam prijs
Aan wie het duister niet als taal verstaat –
Toch hangt hier jachtlust, hunker en verlangen

En laat het prooidier zich gewillig vangen
Wanneer de roes het hazehart verslaat –
De nacht wordt dan trofee en eerbewijs

 

 

 

Cees van der Pluijm (Radio Kootwijk, 12 januari 1954)

 

Lees meer...

12-01-11

Cees van der Pluijm, Jacques Hamelink, Haruki Murakami, Alain Teister, Jakob Lenz

 

De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook mijn blog van 12 januari 2007 en ook mijn blog van 12 januari 2008 en ook mijn blog van 12 januari 2009 en ook mijn blog van 12 januari 2010.

 

 

1954


Je was er pas een week of vier
De ouderwetse winterkou
Sloeg bikkelhard de kamer in

Je was de spil van het gezin
De wereld draaide nog om jou
Je leefde, gulzig als een dier

Je moeder in het kraambed lag
Te wachten op de laatste dag

Er werd gebeefd van kou en angst
Je vader was misschien het bangst
Want Oma voerde het gezag

Hij wierp wat plankjes toe naar haar:
Mijn luiers, van de vrieskou zwaar –
Zij brak haar armen bij de vangst

 

 

 

 

ST. JOZEFSSCHOOL


I

Je kunt de bel nog horen als je wilt
Hij staat nog immer in de hoge deur:
Die strenge man, driedelig in het pak
-
Hij luidt de bel, de kinderschaar verstilt

 

En schuifelt met een zweem van ongemak
En achting voor hem langs: hij is het Hoofd
Der School (het Hoofd, nog lang geen directeur)
In wiens gezag men moeiteloos gelooft

 

't Is winter en de grote kachel brandt
Met af en toe een plof. Je ruikt de geur
Van toen: van ijver, angst en kinderzweet

 

Zelfs nog in dit verbouwd gebouw; dit pand
Waar werd gezwoegd, gerekend, gedicteet
-
Men speelt er nu verantwoord interieur

 

 

 

 

LENTE IN 'T LAAG EN 'T HOOG 

 

II

Van bloesem wit de oevers van de beek
Waar pas nog sneeuw de koude grond bedekte;
En waar het uit de bomen constant lekte
Ontsprong het groen terwijl je net niet keek

 

De specht beukt elke ochtend op de bast
Van oud kastanjehout en alles zingt
Als jij het wakker worden nog bedwingt
En slaperig je ochtendplasje plast

 

Het kriekend licht komt daag'lijks vroeger binnen
En al wat leeft, is spoorslags buiten zinnen
De morgenstond is ongeremd Bacchantisch

 

En alles bloeit en lonkt en kwinkeleert
Terwijl jij Morpheus' armen prefereert
Natuur is onverdragelijk romantisch

 

 

 

 

Cees van der Pluijm (Radio Kootwijk, 12 januari 1954)

 

 

Lees meer...

12-01-10

Cees van der Pluijm, Jacques Hamelink, Haruki Murakami, Alain Teister, Jakob Lenz


De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook mijn blog van 12 januari 2007 en ook mijn blog van 12 januari 2008 en ook mijn blog van 12 januari 2009.

 

 

Voorlopige bestemming 8


Er was een lied in jou, pathetisch wel
Maar toch, je zong je groot: je ging door roeien
En door ruiten, tot beide oren tuitten
En tot het glas uit elke sponning sprong

Vanuit de diepten kwam je, hard en fel
Een joch dat zich met alles ging bemoeien
En zich steeds onbewimpelder ging uiten
En diepte zocht in alles wat hij zong

Totdat het deksel haast je neusbeen brak
Jouw wereld bleek opeens de jouwe niet
Niets was van jou waar jij je neus in stak

De
ander was je plotseling, je liet
Je overbluffen met het grootst gemak
Verstomd doorproefde je een oud verdriet

 

 

 

 

Uit: Portretsonnetten

 

17


Hij gaat niet meer naar feestjes of recepties
En als hij gaat, is hij als eerste weg
Bespaart zich hoogtepunten en decepties
Ontloopt vergadering en overleg

Begrafenis, verjaardag, presentatie
Als 't even kan, dan weigert hij beslist
Bij voorkeur mijdt hij iedere roulatie
Vermoedend dat hij toch niet wordt gemist

Thuis vindt hij wat hij liefheeft op de tast
Zijn vrienden staan geordend in de kast
Hij kent in deze wereld heg en steg

Maar zelden heeft hij zich in hen vergist
Hij deelt zijn zelfgewild isolement
Alleen met hen, slechts aan zichzelf gewend

 

 

 

 

De Apostelenberg


Eens waren het er twaalf naar men beweert
Toen elf. En nu? En morgen? Volgend jaar?
Waar werd de norse Judas om gerooid
Die nu gemist wordt in de stille kring?

De berg, verraden voor de zilverling
Die Belvédère heet en het park nu tooit
Als hoger uitzichtpunt – als middelaar
Die dichter bij het hemelse verkeert –

Zwijgt nu in stille trots en telt zijn linden
Weet dat de Belvédère ook achterhaald
Is door de tijd en door de hoge bomen

Dat wie, met veel gehijg ten top gekomen
En later moeizaam weer ter aarde daalt
Zijn rust bij vrome linden kan hervinden

 

 

 

 

 

VanDerPluijm_DrsP

Cees van der Pluijm (Radio Kootwijk, 12 januari 1954)

Hier met Drs P. (rechts)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jacques Hamelink werd geboren op 12 januari 1939 in Driewegen, bij Terneuzen. Zie ook mijn blog van 12 januari 2007  en ook mijn blog van 12 januari 2008 en ook mijn blog van 12 januari 2009.

 

 

De Amstel buiten Amsterdam

 

De vlakke boordevolle breedgespreide vloeirivier
van bleekallure heeft een luider en een stiller zijde.

Bedden met Monetlelies bloeiend eierdooiergeel, langs
de geschoren grasoever rietgaten zonder witvisvissertjes.

In het lichtmidden van de waterweg rugbuigingen der halende
roeiers. Hof Vredelust zal zijn. Minikasteel. 17e-eeuws werk.

Het bric á brac voorbij aldoor het vlakke blinkende dat over
het plein van paardeweidjes, van tuinerijen door Ouderkerk voert.

 

 

 

 

Zintuigen

 

Na dagreizen slaap komt denken vermurwend
een diep mes langs achter in mijn ruggemerg
en haastig breek ik je binnen

en word geboren genezen gedragen hersteld
in een oogwenk

reuk: een lichtende ingeving
mijn huid wordt bevleugeld met tastzin

smaak komt als bloed in mijn mond staan

gehoor breekt door het netvlies van mijn oren
de morgen

en stijgt naar mijn ogen
tot ik niet meer tot ik bijna zien kan.

 

 

 

 

hamelink
Jacques Hamelink (Terneuzen, 12 januari 1939)

 

 

 

 

De Japanse schrijver en vertaler Haruki Murakami werd geboren op 12 januari 1949 in Kioto. Zie ook mijn blog van 1 maart 2007  en ook mijn blog van 12 januari 2008 en ook mijn blog van 12 januari 2009.

 

Uit: Kafka on The Shore

 

“Cash isn't the only thing I take from my father's study when I leave home. I take a small, old gold lighter--I like the design and feel of it--and a folding knife with a really sharp blade. Made to skin deer, it has a five-inch blade and a nice heft. Probably something he bought on one of his trips abroad. I also take a sturdy, bright pocket flashlight out of a drawer. Plus sky blue Revo sunglasses to disguise my age.

I think about taking my father's favorite Sea-Dweller Oyster Rolex. It's a beautiful watch, but something flashy will only attract attention. My cheap plastic Casio watch with an alarm and stopwatch will do just fine, and might actually be more useful. Reluctantly, I return the Rolex to its drawer.

From the back of another drawer I take out a photo of me and my older sister when we were little, the two of us on a beach somewhere with grins plastered across our faces. My sister's looking off to the side so half her face is in shadow and her smile is neatly cut in half. It's like one of those Greek tragedy masks in a textbook that's half one idea and half the opposite. Light and dark. Hope and despair. Laughter and sadness. Trust and loneliness. For my part I'm staring straight ahead, undaunted, at the camera. Nobody else is there at the beach. My sister and I have on swimsuits--hers a red floral-print one-piece, mine some baggy old blue trunks. I'm holding a plastic stick in my hand. White foam is washing over our feet.

Who took this, and where and when, I have no clue. And how could I have looked so happy? And why did my father keep just that one photo? The whole thing is a total mystery. I must have been three, my sister nine. Did we ever really get along that well? I have no memory of ever going to the beach with my family. No memory of going anywhere with them. No matter, though--there is no way I'm going to leave that photo with my father, so I put it in my wallet. I don't have any photos of my mother. My father had thrown them all away.

After giving it some thought I decide to take the cell phone with me. Once he finds out I've taken it, my father will probably get the phone company to cut off service. Still, I toss it into my backpack, along with the adapter. Doesn't add much weight, so why not. When it doesn't work anymore I'll just chuck it.”

 

 

 

 

HarukiMurakami
Haruki Murakami (Kioto, 12 januari 1949)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en schilder Alain Teister (eig. Jacob Martinus Boersma werd geboren in Amsterdam op 12 januari 1932. Zie ook mijn blog van 12 januari 2009.

 

 

Poëzie

 

Poëzie is, voor mij althans,
niet het vermoeid, roerdompig
droevig geroep om de gemiste kans.
Het is meer iets van op klompen
lopen, knarsen op het grint.
Wie dit vindt zal niet
mee kunnen komen met lome
en oude symbolen:
de bleke maan voor 't bleke lief
is eerder week dan apocrief.
Meer dan op 't volkje dat betreurt
en klankrijk zeurt
als grond tussen gelieven splijt
hou ik het op wat bijt,
en wel om 't hardst.
Poëzie is meer
die barst zien, verifiëren,
en dat dan zeggen. Barst.

 

 

 

 

Teister_zevenluik

Alain Teister (12 januari 1932 – 6 februari 1979)

Zevenluik met bed, door Alain Teister (geen portret beschikbaar)

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Jakob Michael Reinhold Lenz werd geboren op 12 januari 1751 in Seßwegen. Zie ook mijn blog van 12 januari 2008 en ook mijn blog van 12 januari 2009.

 

 

 

Süße Schmerzen meiner Seele

 

Süße Schmerzen meiner Seele,

Angenehme Pein!

Und doch muß bey dem Gequäle

Diese Seele heiter seyn,

Muß geliebt von allem, was auf Erden

Liebenswerth und heilig ist,

Seiner Sehnsucht Opfer werden

Wie mein Bruder! du es bist.

 

 

 

 

Ein Mädele jung

 

Ein Mädele jung ein Würfel ist,

Wohl auf den Tisch gelegen:

Das kleine Rösel aus Hennegau

Wird bald zu Gottes Tisch gehen.

 

Was lächelst so froh mein liebes Kind,

Dein Kreuz wird dir'n schon kommen.

Wenns heißt, das Rösel aus Hennegau

Hab nun einen Mann genommen.

 

O Kindlein mein, wie thuts mir so weh,

Wie dir dein Äugelein lachen,

Und wenn ich die tausend Thränlein seh,

Die werden dein Bäckelein waschen.

 

 

 

 

lenz

Jakob Michael Reinhold Lenz (12 januari 1751- 24 mei 1792)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

12-01-09

Cees van der Pluijm, Jacques Hamelink, Haruki Murakami, Alain Teister, Jakob Lenz, Florian Havemann, Fatos Kongoli, William Nicholson, Ferenc Molnár, Jack London, Charles Perrault


De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook mijn blog van 12 januari 2007 en ook mijn blog van 12 januari 2008.

 

Uit: Sonsbeeksonnetten

 

 

HET PAVILJOEN

Een warme zomeravond, als het meezit
Hoort wie goed luistert verre echo’s klinken:
Beschaafde zang, orkestmuziek, gerinkel
Van glazen, fluisterstemmen in de nacht

Geen schlagers of de laatste Doris-Day-hit
Maar wel weemoedig koper; kijk: ze drinken
Champagnewijn waarin het speels getwinkel
Van maan en kaarslicht dreigend leed verzacht

Geen tekens van geweld nog, slechts geruis
Van zomerjurken, schuldeloos vermaak

Maar dan: je knippert en het is voorbij

Wat rest: het hedendaags verkeersgesuis
Een populaire wok- en afhaalzaak

Geen schim meer van de oude schenkerij

 

 

 

Uit: Portretsonnetten

 

1

 

Van borst tot buik een strakke rechte lijn
Slechts rib of tepel bieden wat reliëf
Een lichaam zonder angst of schuldbesef

Ik ben hem zelf, ik ben hem eens geweest
Hij is nu zoals ik misschien wel was
Beloftevol, maar verder groen als gras
Een beetje engel en een beetje beest

Blondborstig zit hij in dezelfde trein
Een tors, met haartjes haast onzichtbaar nog
Een aaibaar en toch onaanraakbaar joch

Ik kijk naar buiten, quasi onbespied
Hij ziet mij aan, hij kijkt, verraadt zich niet
Lijkt opgelucht en blij, maar blij het meest:
Zo blij dat hij nog mij niet hoeft te zijn

 

 

 

12

Haast niemand die van meer belang voor mij is
Die machtiger en krachtiger dan hij is
Zo prachtig met zijn lange blonde haren
Zijn geest die ongebonden, sterk en vrij is

Ik kan soms uren naar zijn aanblik staren
Dan voel ik dat hij meer dan zeer nabij is
En zo passeren dagen, maanden, jaren
Van hartstocht, passie, niet te evenaren

Ik heb hem vaak naast mij in bed gelegd
Hoewel dat volgens velen slecht en fout is

Hoe fel brandt onze liefde, hoe oprecht
Terwijl het in de wereld om ons koud is

En hoe betreur ik dat zijn kruis van hout is
Maar ja, hij is er nogal aan gehecht

 

 

 

 

cees_van_der_pluijm
Cees van der Pluijm (Radio Kootwijk, 12 januari 1954)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jacques Hamelink werd geboren op 12 januari 1939 in Driewegen, bij Terneuzen. Zie ook mijn blog van 12 januari 2007  en ook mijn blog van 12 januari 2008.

 

 

 

Betrekkende mens

 

Langzaam neemt de mens

de schutkleur aan

van de aarde

die hem in steeds trager

welsprekende velden

en wegen van wolken betrekt

en ook de blaasbalg lucht

zijn piepend draaiorgel geworden

 

dan alom bekroond

met koude honger

met poriën voor regen en slaap

zijn ereteken zijn schamperste vuurslag

voldoende om de sterren ruwweg te ontbinden

 

verbergt hij taal en teken

in landschappen

die savonds dichtklappen

als een deur.

 

 

 

 

 

Werkelijk

 

Werkelijk,
men moest de steen
met menselijke waardigheid
bekleden, zijn woord
voor menswaardig
aannemen.

Men moest, om nog
in de mens
te kunnen geloven, zijn oor
te luister leggen
bij de steen of met de stem
spreken
van een steen.

Men moest,
om de eerste de beste
steen te citeren,
uit de steenrots een geheel
nieuwe mens
slaan.

 

 

 

 

 

 

JacquesHamelink
Jacques Hamelink (Terneuzen, 12 januari 1939)

 

 

 

 

 

 

De Japanse schrijver en vertaler Haruki Murakami werd geboren op 12 januari 1949 in Kioto. Zie ook mijn blog van 1 maart 2007  en ook mijn blog van 12 januari 2008.

 

Uit: After Dark Vertaald door Jay Rubin)

 

Eyes mark the shape of the city.
Through the eyes of a high-flying night bird, we take in the scene from midair. In our broad sweep, the city looks like a single gigantic creature—or more like a single collective entity created by many intertwining organisms. Countless arteries stretch to the ends of its elusive body, circulating a continuous supply of fresh blood cells, sending out new data and collecting the old, sending out new consumables and collecting the old, sending out new contradictions and collecting the old. To the rhythm of its pulsing, all parts of the body flicker and flare up and squirm. Midnight is approaching, and while the peak of activity has passed, the basal metabolism that maintains life continues undiminished, producing the basso continuo of the city’s moan, a monotonous sound that neither rises nor falls but is pregnant with foreboding.
Our line of sight chooses an area of concentrated brightness and, focusing there, silently descends to it—a sea of neon colors. They call this place an “amusement district.” The giant digital screens fastened to the sides of buildings fall silent as midnight approaches, but loudspeakers on storefronts keep pumping out exaggerated hip-hop bass lines. A large game center crammed with young people; wild electronic sounds; a group of college students spilling out from a bar; teenage girls with brilliant bleached hair, healthy legs thrusting out from micromini skirts; dark-suited men racing across diagonal crosswalks for the last trains to the suburbs. Even at this hour, the karaoke club pitchmen keep shouting for customers. A flashy black station wagon drifts down the street as if taking stock of the district through its black-tinted windows. The car looks like a deep-sea creature with specialized skin and organs. Two young policemen patrol the street with tense expressions, but no one seems to notice them. The district plays by its own rules at a time like this. The season is late autumn. No wind is blowing, but the air carries a chill. The date is just about to change.“

 

 

 

 

Haruki_Murakami
Haruki Murakami (Kioto, 12 januari 1949)

 

 

 

 

De Nederlandse dichter, schrijver en schilder Alain Teister (eig. Jacob Martinus Boersma werd geboren in Amsterdam op 12 januari 1932. Teister debuteerde in 1964 met de poëziebundel De huisgod spreekt. Daarna volgden nog diverse romans en poëziebundels. Zijn 'Zevenluik met bed en bezoekers', een installatie met bed, paspoppen, stoel, hout en verf' (1973-1974) werd aangekocht door het Centraal Museum Utrecht en de Rijksdienst voor Beeldende Kunsten. Hij was voorts de drijvende kracht achter de oprichting in 1975 van Theater de Engelenbak, een professioneel theater uitsluitend gericht op amateurvoorstellingen.

 

 

Toekomst

Als die mij nogal lief zijn
- vrouw, bomen, vrienden - van mij heen zijn
wil ik een snaterende grijsaard worden,
wonend op het Maliebaan-station
en in de zon.
Gekleed in conducteurscostuum
van Engels laken
een goede indruk voor de spiegel maken,
en zachtjes krijsen op het zoveelste perron:
'honnepon,
honnepon ...'

 

 

 

 

Teister_Boekomslag
Alain Teister (12 januari 1932 – 6 februari 1979)

Boekomslag (Geen portret beschikbaar) 

 

 

 

 

 

De Duitse dichter en schrijver Jakob Michael Reinhold Lenz werd geboren op 12 januari 1751 in Seßwegen. Zie ook mijn blog van 12 januari 2008.

 

 

Urania

Du kennst mich nicht,
Wirst nie mich kennen
Wirst nie mich nennen
Mit Flammen im Gesicht.

Ich kenne dich
Und kann dich missen –
Ach mein Gewissen
Was peinigest du mich?

Dich missen? Nein,
Für mich geboren –
Für mich verloren?
Bei Gott es kann nicht sein.

Sei hoch dein Freund
Und groß und teuer –
Doch ist er treuer
Als dieser, der hier weint?

Und dir mißfällt – –
O Nachtgedanken!!
Kenn ihn, den Kranken,
Sein Herz ist eine Welt.

 

 

 

 

lenz
Jakob Michael Reinhold Lenz (12 januari 1751- 24 mei 1792)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver, schilder en componist Florian Havemann werd geboren op 12 januari 1952 in Oost-Berlijn. Hij is een zoon van de bekende DDR-criticus Robert Havemann. In 1971 vluchtte hij naar het westen. Wolf Biermann, die zelf toen nog zijn uitburgering probeerde te voorkomen,  schreef naar aanleiding daarvan het lied Enfant perdu, waarin hij de vlucht bekritiseert. Havemann studeerde in West-Berlijn vervolgens Scenografie aan de Hochschule der Künste. Hij schreef diverse stukken voor het toneel, o.a. over Albert Speer en Rosa Luxemburg en componeerde ook muziek voor het theater.  Sinds 2005 publiceert hij op het internet de Zeitschrift für unfertige Gedanken. Onder de titel Havemann schreef hij een 1100 pagina’s tekllende, zogenaamde „Tatsachenroman“ over zijn grootvader, zijn vader en zichzelf. Al voor het verschijnen leidde het werk tot controverses, o.a. omdat hij erin suggereerde dat Wolf Biermann sexuele contacten had met Margot Honecker, de vrouw van partijleider Erich Honecker. Het boek werd door de uitgeverij later uit de handel genomen en in een verkorte vorm vorig jaar opnieuw uitgebracht.

 

Uit: Havemann

 

Havemann, das beginnt mit einem Saathändler. Für mich beginnt Havemann mit einem Saathändler, aber natürlich weiß ich, daß es vor diesem Saathändler andere Havemänner gegeben haben muß, Havemänner, von denen dieser Saathändler abstammt und mit ihm dann wir, mein Großvater,

mein Vater und ich, und natürlich auch noch die vielen anderen, die zur Sippschaft gehören. Vielleicht waren das Bauern, Saatgüterproduzenten, die sich eines Tages auf den Handel mit Saatgut allein verlegt haben, vielleicht aber waren das lange und immer schon Havemänner, to have Männer, Männer und ihre Familien, die was hatten, Besitz, vielleicht aber auch waren das Hafenmänner, diese Havemänner, und damit schon Händler von alters her, Leute, die im Hafen ankommende Ware kauft en und dann weiterverkauft en, in andere Städte, ins Hinterland.

Hamburger Hafenmänner zum Beispiel, denn die habe ich mir immer als unsere Vorfahren vorgestellt, von denen dann einer auf der halben Strekke zwischen Hamburg und Berlin hängengeblieben ist, in Grabow, der kleinen Stadt Grabow. Besser ein großer Händler sein in Grabow als ein kleiner Hafenmann in Hamburg. Besser ein to-have-Mann in einem kleinen Nest wie Grabow sein, ein Habenmann, ein Habemann dort als von der Hamburger Hafenkonkurrenz erdrückt werden – an irgendwelche Bauern, die Saatgut produzierten und dann zu Saatguthändlern wurden, habe ich nie geglaubt, denn das ist für mich nicht Havemann. Havemann, das ist für mich: eine Gelegenheit ergreifen, die sich einem bietet. Den Saatguthandel in einer kleinen Provinzstadt wie Grabow zum Beispiel.

Havemann, das ist: lieber in einem kleinen Nest ein König zu sein als sich in einer Weltstadt, in einer Hafenstadt mit Verbindung in die ganze Welt, der Konkurrenz der ganzen Welt ausgesetzt, abmühen zu müssen.

Havemann, das ist: DDR und im doofen Rest der Klügste sein zu wollen.”

 

 

 

 

Havemann
Florian Havemann (Oost-Berlijn,12 januari 1952)

 

 

 

 

 

De Albanese schrijver Fatos Kongoli werd geboren op 12 januari 1944 in Elbasan. In zijn kinderjaren verhuisde zijn familie naar Tirana. Hij studeerde wiskunde in Tirana, maar ook in China. Vanaf 1970 werkte hij als cultuurredacteur bij uitgeverijen, tijdschriften en kranten.

 

Uit: Die albanische Braut (Vertaald door Joachim Roehm)

 

„Natürlich wußte ich, daß Vilma im Labor arbeitete. Ich hatte sie n weißen Leinenhosen und im weißen Arbeitsmantel hinten aus er Fabrik kommen sehen, auf dem Kopf die unvermeidliche nd gleichfalls weiße Haube. Allerdings immer nur von weitem.

In der Hölle, in der ich mich bewegte, bewies mir ihre Erscheinung, aß es irgendwo noch ein anderes Leben gab als das, das ir alltäglich in Gestalt sündiger Teufel entgegentrat. Jemand, er von solch unglückseligen Bevölkerern der Hölle umgeben ar, konnte nicht anders, als ein paradiesisches Wesen in ihr u sehen. Darauf war es wahrscheinlich auch zurückzuführen, aß ich meinte, das Reich der Schatten in Richtung Garten den zu verlassen, als Dori einen ehemaligen Studenten der industriellen

Chemie im dritten Semester für geeignet hielt, den latz der jählings entführten Laborantin zu besetzen. In Wahrheit andelte es sich dabei um einen absolut gewöhnlichen aum mit absolut gewöhnlichen Geräten, in dem Tag und Nacht in ohrenbetäubender Lärm herrschte. Von einem Paradies war

wirklich nichts zu spüren. Die einzige Veränderung in meinem eben war die, daß ich auf meinem Weg ins Labor keine in Zeitungspapier ingewickelte Pausenzehrung bei mir führte. Und aß ich nicht mehr mit Teufeln zu tun hatte, sondern den Tag n Gesellschaft zweier von Kopf bis Fuß in Weiß gehüllter Wesen erbrachte. Eines davon war Vilma.

Das gütige Geschick führte mich in Vilmas Labor auf dem mweg über ein Büro, in dem es weder Staub noch Lärm gab.

Es war darin weder besonders hell noch besonders dunkel, und as einzige Fenster war vergittert. Wollte man hineingelangen, ußte man erst an einer mit emailliertem Blech beschlagenen

Tür anklopfen. Wenn man sie dann öffnete, stand man verdutzt or einem Käfig: von einer Wand zur anderen erstreckte sich in deckenhohes Eisengitter. Es war, als würde man eine Gefängniszelle

betreten. Doch es handelte sich um kein Verlies, ondern um das Kaderbüro. In dem eisernen Käfig saß zwischen egalen und Tresoren ein Mensch.“

 

 

 

Fatos_kongoli
Fatos Kongoli (Elbasan, 12 januari 1944)

 

 

 

 

 

De Britse schrijver William Nicholson werd geboren op 12 januari 1948 in Tunbridge Wells, Kent. Hij bezocht de Downside School, Somerset, en  Christ's College, Cambridge. Zijn vrouw Virginia is eveneens schrijfster en kan beroemde voorgangsters als Vanessa Bell en Virginia Woolf tot haar familie rekenen. Nicholson werkte jarenlang voor de BBC en maakte documentaire films. Hij werd bekend als schrijver toen het eerste deel van zijn Wind On Fire trilogie hem de Blue Peter best book award opleverde in 2000.

 

Uit: The Society of Others

 

„On this random day from all that time ago, longer ago than yesterday, I'msitting alone in my room, the blind down over the window and the door locked.There's music playing to which I am not listening. The television is on, with nosound. I'm not watching. It's just there like the crack of light on thewindowsill and the pressure in my bladder that tells me I need to piss. MaybeI'll go soon. I'm doing nothing in particular. I do nothing most days. You couldsay it's what I do, like it's my occupation. This is not a problem. I don't wantanything. I have the animal needs like you do, to eat and excrete, to mate andto sleep, but as soon as the needs are met they go away, and everything's theway it was before. That stuff is necessary. We're not talking desire.
I don't even want money. What's the point? You see something you want to buy,you get excited about having it, you buy it, the excitement fades. Everything'sthe way it was before. I've seen through that game. They make you want things sothey get your money. Then they take your money and then they've got it, and whatdo they do? They use it to buy things someone else has made them want. For a fewmoments they think they're happy, and then it all fades and everything's the wayit was before. How stupid can you get? It's like fish. Fish swim about all dayfinding food to give them energy to swim about all day. It makes me laugh. Thesepeople who hurry about all day making money to sell each other things. Anyonewith eyes to see could tell them their lives are meaningless and they aren'tgetting any happier.“
 

 

 

William_Nicholson
William Nicholson (Tunbridge Wells,12 januari 1948)

 

 

 

 

 

De Hongaarse schrijver Ferenc Molnár werd op 12 januari 1878 in een burgerlijk-joods gezin van Duitse afkomst geboren. Tussen 1887 en 1895 bezocht hij het Gereformeerde Gymnasium in Boedapest. In 1895 studeerde hij rechten in Boedapest en Genf en daarna ging hij naar Parijs. In 1896 kwam hij terug naar Boedapest, maar voltooide zijn studie niet. Zijn eerste verhaalbundel is in 1898 verschenen. Zijn eerste roman kwam in 1901 uit en zijn eerste drama werd in 1902 opgevoerd. Zijn hele leven leefde Molnar onder bijzonder goede omstandigheden. Hij werd heel snel de meest populaire Hongaarse (toneel)schrijver. Zijn werken werden in veel talen vertaald en in de hele wereld opgevoerd. Zijn artistieke en persoonlijke beoordeling zijn echter tegenstrijdig, zelfs extreem verschillend. In 1906 werd hij tot mederedacteur van de krant Budapesti Napló gekozen. Zijn snelle succes bracht de klassieke jeugdroman A Pál utcai fiúk (De jongens van de Paulstraat) (1907) die in veertien talen vertaald en in meerdere landen verfilmd werd. Dit boek is ook tegenwoordig bijzonder populair. Het succes werd bekroond door de toneelstukken Liliom en A testõr (1910).

 

Uit: A Matter Of Husbands (Vertaald door Benjamin Glazer)

 

„ FAMOUS ACTRESS: You wished to see me?

EARNEST YOUNG WOMAN: [She gulps emotionally] Yes.

FAMOUS ACTRESS: What can I do for you?

EARNEST YOUNG WOMAN: [Extends her arms in a beseeching gesture] Give me back my husband!

FAMOUS ACTRESS: Give you back your husband!

EARNEST YOUNG WOMAN: Yes. [The FAMOUS ACTRESS only stares at her in speechless bewilderment.] You are wondering which one he is.... He is a blond man, not very tall, wears spectacles. He is a lawyer, your manager's lawyer. Alfred is his first name.

FAMOUS ACTRESS: Oh! I have met him--yes.

EARNEST YOUNG WOMAN: I know you have. I implore you, give him back to me.

[There is a long pause.]

FAMOUS ACTRESS: You mustn't mistake my silence for embarrassment. I am at a loss because--I don't quite see how I can give you back your husband when I haven't got him to give.

EARNEST YOUNG WOMAN: You just admitted that you knew him.

FAMOUS ACTRESS: That scarcely implies that I have taken him from you. Of course I know him. He drew up my last contract. And it seems to me I have seen him once or twice since then--backstage. A rather nice-spoken, fair-haired man. Did you say he wore spectacles?

EARNEST YOUNG WOMAN: Yes.

FAMOUS ACTRESS: I don't remember him with spectacles.

EARNEST YOUNG WOMAN: He probably took them off. He wanted to look his best to you. He is in love with you. He never takes them off when I'm around. He doesn't care how he looks when I'm around. He doesn't love me. I implore you, give him back to me!“

 

 

 

Molnar
Ferenc Molnár (12 januari 1878 – 1 april 1952)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Jack London (eig. John Griffith Chaney) werd geboren op 12 januari 1876 in San Francisco, Californië. Al vanaf zijn jonge jaren had hij het moeilijk om rond te komen. Hij nam allerlei baantjes aan. In 1893 kreeg hij  een gevangenisstraf voor landloperij. Daarna - hij was toen 17 - besloot hij alsnog een opleiding te volgen. Met succes, in een jaar, rondde hij een programma af dat normaal 6 jaar duurde. Een universiteitsopleiding maakte hij niet af omdat hij deelnam aan de Alaska goldrush. In Alaska begon hij met schrijven. Boeken als 'The Call of the Wild' (Roep van de Wildernis), 'White Fang' (Witte Hoektand) en 'Martin Eden' maaktem hem wereldberoemd.

 

Uit: The Call of the Wild

 

But his strength ebbed, his eyes glazed, and he knew nothing when the train was flagged and the two men threw him into the baggage car.

The next he knew, he was dimly aware that his tongue was hurting and that he was being jolted along in some kind of a conveyance. The hoarse shriek of a locomotive whistling a crossing told him where he was. He had travelled too often with the Judge not to know the sensation of riding in a baggage car. He opened his eyes, and into them came the unbridled anger of a kidnapped king. The man sprang for his throat, but Buck was too quick for him. His jaws closed on the hand, nor did they relax till his senses were choked out of him once more.

"Yep, has fits," the man said, hiding his mangled hand from the baggageman, who had been attracted by the sounds of struggle. "I'm takin' 'm up for the boss to 'Frisco. A crack dog-doctor there thinks that he can cure 'm."

 

 

 

London
Jack London (12 januari 1876 - 22 november 1916)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Charles Perrault werd geboren op 12 januari 1628 in Parijs uit een rijke familie. Zie ook mijn blog van 12 januari 2008.

 

Uit: Le chat botté (De gelaarsde kat)

 

Un meunier ne laissa pour tous biens à trois enfants qu'il avait, que son moulin, son âne et son chat. Les partages furent bientôt faits, ni le notaire, ni le procureur n'y furent point appelés. Ils auraient eu bientôt mangé tout le pauvre patrimoine. L'aîné eut le moulin, le second eut l'âne, et le plus jeune n'eut que le chat. Ce dernier ne pouvait se consoler d'avoir un si pauvre lot :
-"Mes frères, disait-il, pourront gagner leur vie honnêtement en se mettant ensemble; quant à moi, lorsque j'aurai mangé mon chat, et que je me serai fait un manchon de sa peau, il faudra que je meure de faim."

Le chat qui entendait ce discours, mais qui n'en fit pas semblant, lui dit d'un air posé et sérieux :
-"Ne vous affligez point, mon maître, vous n'avez qu'à me donner un sac, et me faire faire une paire de bottes pour aller dans les broussailles, et vous verrez que vous n'êtes pas si mal partagé que vous croyez."

Quoique le maître du chat n'y croyait guère, il lui avait vu faire tant de tours de souplesse, pour prendre des rats et des souris, comme quand il se pendait par les pieds, ou qu'il se cachait dans la farine pour faire le mort, qu'il ne désespéra pas d'en être secouru dans sa misère.

 

 

 

 

Charles_Perrault
Charles Perrault (12 januari 1628 – 16 mei 1703)