15-09-17

Lucebert, Jan Slauerhoff, Sergio Esteban Vélez, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf, James Fenimore Cooper, Claude McKay

 

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

 

de rivier

uit al haar armen brandt de rivier onder de rotsen
en onder de kleine zon boven de bossen
spuwt naar tellurische wortels naar de staart van de wolk
en met gesperde muil dwars door deinende scherven zij zwermt
met grillige warmte over de wereld

de duisternis dicht bij haar buik buigen gulzige bloemen
en daar is een hol en een poel en het kraken en zoemen
van een paar draken in de avond niet veraf op een graf
staande een uil staart naar een glazen galg daar grof
gebouwde rotsen omringen de melodische afgrond

ach altijd en altijd hangen natte tongen aan de trieste bergen
gespleten tongen getande tongen en opgeblazen
ronkende tongen en in de dalen in de stenen en lemen cocons
academisch zingende mannen manmoedig wanhopig
zingende mannen en vrouwen vaag draperend de ruimte

maar een adder de lichtgeaderde rivier spartelt en
knaagt aan het wenende vlees van de wind
wat geeft dat klagen? sneeuw sneeuwt over vervaarlijke
en ook over bedaagde ogen en alles raakt los in de nacht
voort stromende argeloos tomeloos maar niet verlost
van de klagende nacht

 

 

lente-suite voor lilith

introductie:

als babies zijn de dichters niet genezen
van een eenzaam zoekend achterhoofd
velen hebben liefde uitgedoofd
om in duisternis haar licht te lezen

in duisternis is ieder even slecht
de buidel tederheid is spoedig leeg
alleen wat dichters brengen het te weeg
uit poelen worden lelies opgedregd

kappers slagers beterpraters
alles wat begraven is
godvergeten dovenetels laat es
aan uw zwarte vlekken merken dat het niet te laat is

wie wil stralen die moet branden
blijven branden als hij liefde meent
om in licht haar duisternis op handen
te dragen voor de hele goegemeent


1
o-o-oh
zo god van slanke lavendel te zien
en de beek koert naar de keel
en de keel is van de anemonen
is van de zee de monen zingende bovengekomen

kleine dokter jij drinkende huid van bezien
zie een mond met de torens luiden de tong
een wier van geluid de libbelen tillende klei

en jij
wassen jij klein en vingers in de la in de ven
lavendel in de lente love lied
laat zij geuren
pagodegeuren
lavendelgoden
geuren

 

 
Lucebert (15 september 1924 - 10 mei 1994)
Lucebert: Prinsenpaar, 1962

Lees meer...

15-09-16

Dolce far niente, Alfred Tomlinson, Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf

 

Dolce far niente

 

 
Gustavo Silva Nuñez poseert voor een door hem geschilderde zwemmer, 2015.

 

 

Swimming Chenango Lake

Winter will bar the swimmer soon.
   He reads the water’s autumnal hestitations
A wealth of ways: it is jarred,
    It is astir already despite its steadiness,
Where the first leaves at the first
    Tremor of the morning air have dropped
Anticipating him, launching their imprints
    Outwards in eccentric, overlapping circles.
There is a geometry of water, for this
    Squares off the clouds’ redundances
And sets them floating in a nether atmosphere
    All angles and elongations: every tree
Appears a cypress as it stretches there
    And every bush that shows the season,
A shaft of fire. It is a geometry and not
    A fantasia of distorting forms, but each
Liquid variation answerable to the theme
    It makes away from, plays before:
It is a consistency, the grain of the pulsating flow.
    But he has looked long enough, and now
Body must recall the eye to its dependence
    As he scissors the waterscape apart
And sways it to tatters. Its coldness
    Holding him to itself, he grants the grasp,
For to swim is also to take hold
    On water’s meaning, to move in its embrace
And to be, between grasp and grasping, free.
    He reaches in-and-through to that space
The body is heir to, making a where
    In water, a possession to be relinquished
Willingly at each stroke. The image he has torn
    Flows-to behind him, healing itself,
Lifting and lengthening, splayed like the feathers
    Down an immense wing whose darkening spread
Shadows his solitariness: alone, he is unnamed
    By this baptism, where only Chenango bears a name
In a lost language he begins to construe —
    A speech of densities and derisions, of half-
Replies to the questions his body must frame
    Frogwise across the all but penetrable element.
Human, he fronts it and, human, he draws back
    From the interior cold, the mercilessness
That yet shows a kind of mercy sustaining him.
    The last sun of the year is drying his skin
Above a surface a mere mosaic of tiny shatterings,
    Where a wind is unscaping all images in the flowing obsidian,
The going-elsewhere of ripples incessantly shaping.

 

 
Alfred Tomlinson (8 januari 1927 – 22 augustus 2015)
Stoke-on-Trent, Old Town Hall. Alfred Tomlinson werd geboren in Stoke-on-Trent.

Lees meer...

15-09-15

Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal, Karl Philipp Moritz

 

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

 

gedicht

I
van vaste duisternissen ik laat mij een lied zingen
van hoe de mensen webben spinnen en sterven
van savonds versierde hyenaas en cocons in de ochtend
van zwaar slapen aanblazen en van de vraatzucht

II
hoe in de heldere natuur eender werken de dingen en wezens
bruisend zich rekken de takken en huilende vallen de stenen
een denkende mier of een denkende ster en een slang
zacht vertrekt uit zijn zwangere staart als de beken
uit hun drabbig foedraal zoals de leliën ook en
van verdriet of van vrede blauw zijn de bloemende bergen

III
altijd en overal anders zijn de mensen want anders
dragen zij de aarde: vaak door de slaafse spreekbuis
hinkend zij dragen de aarde of vallend van de statietrap
zij torsen de aarde maar nooit en te nimmer zij nemen
de aarde aan als een wind in ’t gezicht in het web

IV
door donkerte nader zij komen met allen en alles
en daar gelijk is het oor aan de mond het hoofd aan het hart
aan alles aan allen gelijk het licht zij vloeien het toe

 

 
Lucebert, Het geschenk, 1986

 

V
maar daaraan terstond zij maken bodemloze fotoos van de almacht
als was de nacht hun moeder niet de avond niet hun vader
zij steken de zon in de mond verorberen de wolken
zij beduimlen de bliksem met hun smeulende tongen
en bootsen de maan na met hun pluimstrijkende ogen
of gaan wonen in hoge wisselstromen onttronend de diepte

VI
spook en talisman zij trouwen en bouwen hun huizen daarom
maar buiten zij breken graag de glazen derwisch van het water
en gehaast zij plukken de magnetische springveren
die van het vuur en de maandragende paarden der zee
blazen zij op en het steen het steen zij besmetten het met
rokende rivieren of sluizen en aldus ook hun mummies
zij sluimren of mijmren niet maar zij stomen zij bonzen

VII
oh de moede man die de sleutels der dubbelzinnigheid smolt
of wegwierp dat hij staat voor de zo vaak vertoonde kasten en laden
die zo gehoond gelijk zij geloofd zijn dat hij er staat en vraagt
naar een deur om daar door te gaan

VIII
zie dan voor zijn vetgemeste spiegel wil hij vliegen en zweven
hoor dan door zijn mulle microfonen wil hij van vrede lachen en zingen
deze die eens de sleutels der dubbelzinnigheid smeedde
hem opent geen vrede

 

 
Lucebert (15 september 1924 - 10 mei 1994)

Lees meer...

15-09-14

Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal

 

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

 

Vrede is eten met muziek

Vredig eten is goed eten
Want lekker eten doet men alleen in rust en vrede
Voor een goede spijsvertering is het een vereiste
Dat men elk hapje minstens vijftienmaal kauwt
Daarom eet men met muziek ook beter
Want onder vrolijke tonen bewegen de kaken vanzelf
Harmonieus en met de kaken ook de slokdarm
En later zelfs de overige dertig meter
Lange darmen in de buik

Vrede is goed eten met goede muziek
Met marsmuziek kan men beter lopen dan eten
Als men dan ook maar vredig loopt
En niet meemarcheert met een troep soldaten
Tegen andere soldaten
Dan is marsmuziek net zo bedorven
Als besmet voedsel

Maar bij dansmuziek is het zeker goed eten
Want dansen is geen vechten
Wie danst houdt rekening met andere dansers
Zoals men onder het eten niet alle
Lekkere hapjes alleen verorbert maar die deelt
Met overig disgenoten.

 

 
Lucebert, En zij wendden zich af van het kruis, 1985

 

 

Van de econoom

onverschrokken bij braindrain de schoonprater
springt van nest naar vogel en blijft opgetogen
in de spaghetti van glossolalie lepelen

bepaalde aspecten moeten worden meegenomen
als je niet bepaalde effecten voorkomt
maar kunnen ook blijven liggen als vorm van antwoord
zoals de schepping ook is bepaald die met mensen in de supermarkt
al te toevallige offers heeft afgewend daar komen we onszelf tegen
in de ethiek van het economisch leven

zorgvuldig produceren en consumeren
er is een omslag ontstaan in de omgang
een kwestie van gewenning
invulling van verantwoordelijkheden meer vulsel
dat uitspruit tot vullus
toegevoegde waarde
strijkstok van strijkages

 

 
Lucebert (15 september 1924 - 10 mei 1994)
Lucebert, verkleed als Keizer der Vijftigers, 1954

Lees meer...

15-09-13

Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie

 

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

 

 

Over schilders IV

 

het atelier staat wijd open
maar eerst worden van licht de tere benen
gebroken voordat de bezoeker zo kan staan
als de schilder zijn bezoeker droomt

maar vaak is de bezoeker in het atelier
een haan met haar en veel
zitvlees met stemverheffing
geen schilderij kan hem aan

soms ook komt als op kousevoeten
de beschouwende bezoeker die diep in gedachten
wat mee- nee wat napenseelt
omdat juist die kompositie die kleur niet past
bij zijn kiekeboe-museumcarrière of kamer
bij zijn kiekeboe-ega of zijn kiekeboe-kantoor

al die gasten waren toch gewaarschuwd
op het palet blijft het eeuwig een smeerboel
parasieten beulen zelfs de koddebeier van 't heelal
alles roert in de verf fervent en met verve

et la belle peinture o la la dat is het móóie schilderen
dat is uit de knieën van geknielde spuiten tranen
omdat zij zich schamen voor het bloed dat niet is te stuiten

 

 

 

 

Lucebert, Orpheus en de dieren, 1952

 

 

 

kleine strateeg

 

de kleine zonnetafel was immens
waaraan ik als kind mijn dromen speelde
de bergen hier de dalen daar
en het gevaar daartussen met zijn woeste baard

alles was toen geel onder gelukkige ogen
geen schaduw werd er ingedeeld
zelfs de despoot bleef onbewogen en in stilte
aan de altijd zingende slaven uitgespeeld

 

 

 

Slaap

 

De oude wind beweent met as de gouden zee
daarop traag en treurend drijft de dag weg
het sterft het streng en trouw gesprek en een zucht
verheft zich tussen de donkere doornen
wit schichtig de tred van de maan

In de diepte en onder zwijgzaamheid
trekken toekomstige handen naar
het werk aan waters en aan de wortel.

In wolken echter rusten
nu overbodige ogen uit
hun ijle vleugels sluiten alom
in het sterstijve licht.

 

 

 

 

Lucebert (15 september 1924 - 10 mei 1994)

Lees meer...

15-09-12

Jan Slauerhoff, Lucebert, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Jacob Slauerhoff werd geboren in Leeuwarden op 15 september 1898. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Jan Slauerhoff op dit blog.

 

 

De laatste herfst

 

Ver stond de strakke lucht
Als een grijszijden scherm
Gespannen voor de dood.
Aan deze zijde een vlucht
Vogelen met gekerm,
Onze hoofden over, vlood.

De grond bekroop wat groen.
Schril staken stengels riet.
De wereld stond ontbladerd
Uitstervend in seizoen,
Dat zon voorgoed verliet,
Weer tot de maan genaderd.
Wij vonden nog een zoen.
Ergens zijn wij ons toen
Ontweken of genaderd?

 

 

 

 

Eenzaamheidsverlangen

 

Ik wilde alleen zijn met mijn droefenis
En ik verborg mij in 't gewoekerd gras.
Maar tevergeefs: mijn droefenis verried mij,
Mijn smartkreet overstemt de roep der vogels.
Waarom kan men niet lijden ongehoord
En ongezien, terwijl men toch alleen,
Alleen de lange levensweg moet gaan,
En toch nooit eenzaam leven kan: altijd
Zijn broeders, zusters, zonen, dochters, ouders
Aanwezig en bewijzen zorg en aandacht.
Ontvlucht men in de tempel, dan moet men
Voorouders aandacht wijden, offers brengen,
Om door demonen niet omringd te worden.
Ach, alles, eer en welstand, wilde ik offren
Om met mijn droefenis alleen te zijn.

 

 


 

De wijze

 

Mijn huis is vuil, mijn kinderen, talrijk, krijsen.
De varkens wroeten ronkend in de hof.
Maar bergen, blauw en ver verheven, eisen
Mijn aandacht op, die stijgt uit stank en stof.

 

 

 

 

Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936)

Lees meer...

15-09-11

Gunnar Ekelöf, Agatha Christie, Jim Curtiss, Ina Seidel

 

De Zweedse dichter en schrijver Bengt Gunnar Ekelöf werd geboren op 15 september 1907 in Stockholm. Zie ook mijn blog van 15 september 2007 en ook mijn blog van 16 september 2008 en ook mijn blog van 15 september 2009 en ook mijn blog van 15 september 2010

 

 

De bloemen

 

de bloemen slapen voor het raam en de lamp staart licht

en het raam staart gedachteloos in het donker daarbuiten

de schilderÿen tonen onntzield de hun toevertrouwde oinhoud

en de vliegen staan stil op de muur en denken

 

de bloemen leunen tegen de nacht en de lamp spint licht

in de hoek spint de kat wollen draden om mee te slapen

op het fornuis snurkt de koffieketel af en toe met welbehagen

en de kinderen spelen stil met woorden op de vloer

 

de wit gedekte tafel wacht op iemand

wiens stappen nooit de trap opkomen

 

een trein die in de verte de stilte doorboort

ontsluiert het geheim der dingen niet

maar het lot telt de slagen van de klok in decimalen.

 

 

 

 

Ik geloof in de eenzame mens

 

Ik geloof in de eenzame mens,

in hem die eenzaam dwaalt,

die niet als een hond zijn reuk achterna rent,

die niet als een wolf de reuk van mensen mijdt:

mens en anti-mens tegelijk.

 

Hoe gemeenschap te vinden?

Mijd de hoge buitenweg:

wat vee is in anderen is ook vee in jou.

Neem de lage binnenweg:

wat bodem is in jou is ook bodem in anderen.

Moeilijk om aan jezelf te wennen.

Moeilijk jezelf te ontwennen.

 

Wie het doet wordt toch nooit alleen gelaten.

Wie het doet blijft toch altijd soldair.

Het onpraktische is het enig praktische

op den duur.

 

 

 

Vertaald door H.C. ten Berge en Marguérite Törnqvist

 


Gunnar Ekelöf (15 september 1907 – 16 maart 1968)

Lees meer...

15-09-10

Jan Slauerhoff, Lucebert, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf, Agatha Christie, Ina Seidel, Jim Curtiss

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 15e september mijn blog bij seniorennet.be  

 

Jan Slauerhoff, Lucebert, Orhan Kemal 

 

Zie voor de volgende schrijvers van de 15e september ook bij seniorennet.be mijn vorige blog van vandaag  

 

Gunnar Ekelöf, Agatha Christie, Ina Seidel, Jim Curtiss

 

15-09-09

Gunnar Ekelöf, Agatha Christie, Ina Seidel, Jim Curtiss


De Zweedse dichter en schrijver Bengt Gunnar Ekelöf werd geboren op 15 september 1907 in Stockholm. Zie ook mijn blog van 15 september 2007 en ook mijn blog van 16 september 2008.

 

 

Sonata Form Denatured Prose

 

crush the alphabet between your teeth yawn vowels, the fire is burning in hell vomit and spit now or never I and dizziness you or never dizziness now or never.

we will begin over

crush the alphabet macadam and your teeth yawn vowels, the sweat runs in hell I am dying in the convolutions of my brain vomit now or never dizziness I and you. i and he she it. we will begin over. i and he she and it. we will begin over. i and he she it. we will begin over. i and he she it. scream and cry: it goes fast what tremendous speed in the sky and hell in my convolutions like madness in the sky dizziness. scream and cry: he is falling he has fallen. it was fine it went fast what tremendous speed in the sky and hell in my convolutions vomit now or never dizziness i and you. i and he she it. we will begin over. i and he she it. we will begin over. i and he she it. we will begin over. i and he she it.

we will begin over.

crush the alphabet between your teeth yawn vowels the fire is burning in hell vomit and split now or never i and dizziness you or never dizziness now or never.

 

 

 

Vertaald door Robert Bly en Christina Paulston

 

 

 

 

Ekelof
Gunnar Ekelöf (15 september 1907 – 16 maart 1968)

 

 

 

 

 

De Britse schrijfster Agatha Christie werd geboren in Torquay (Devon) op 15 september 1890. Zie ook mijn blog van 16 september 2008.

 

Uit: The Mysterious Affair at Styles

 

“The intense interest aroused in the public by what was known at the time as "The Styles Case" has now somewhat subsided. Nevertheless, in view of the world-wide notoriety which attended it, I have been asked, both by my friend Poirot and the family themselves, to write an account of the whole story. This, we trust, will eVectually silence the sensational rumours which still persist.

I will therefore brieXy set down the circumstances which led to my being connected with the aVair.

I had been invalided home from the Front; and, after spending some months in a rather depressing Convalescent Home, was given a month's sick leave. Having no near relations or friends, I was trying to make up my mind what to do, when I ran across John Cavendish. I had seen very little of him for some years. Indeed, I had never known him particularly well. He was a good Wfteen years my senior, for one thing, though he hardly looked his forty-Wve years. As a boy, though, I had often stayed at Styles, his mother's place in Essex.

We had a good yarn about old times, and it ended in his inviting me down to Styles to spend my leave there.

"The mater will be delighted to see you again?after all those years," he added.

"Your mother keeps well?" I asked.

"Oh, yes. I suppose you know that she has married again?"

I am afraid I showed my surprise rather plainly. Mrs. Cavendish, who had married John's father when he was a widower with two sons, had been a handsome woman of middle-age as I remembered her. She certainly could not be a day less than seventy now. I recalled her as an energetic, autocratic personality, somewhat inclined to charitable and social notoriety, with a fondness for opening bazaars and playing the Lady Bountiful. She was a most generous woman, and possessed a considerable fortune of her own.”

 

 

 

 

Christie
Agatha Christie (15 september 1890 – 12 januari 1976)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijfster en dichteres Ina Seidel werd geboren op 15 september 1885 in Halle. Zie ook mijn blog van 15 september 2007.

 

 

Regenballade

 

Ich kam von meinem Wege ab, weil es so nebeldunstig war. 

Der Wald war feuchtkalt wie ein Grab und Finger griffen in mein Haar. 

Ein Vogel rief so hoch und hohl, wie wenn ein Kind im Schlummer klagt 

und mir war kalt, ich wußte wohl, was man von diesem Walde sagt! 

 

Dann setzt' ich wieder Bein vor Bein und komme so gemach vom Fleck 

und quutsch' im letzen Abendschein schwer vorwärts durch Morast und Dreck. 

Es nebelte, es nieselte, es roch nach Schlamm, verfault und naß, 

es raschelte und rieselte und kroch und sprang im hohen Gras. 

 

Auf einmal, eh ich's mich versehn, bin ich am Strom, im Wasser schier. 

Am Rand bleib ich erschrocken stehn, fast netzt die Flut die Sohle mir. 

Das Röhricht zieht sich bis zum Tann und wiegt und wogt soweit man blickt 

und flüstert böse ab und an, wenn es im feuchten Windhauch nickt. 

 

Das saß ein Kerl! Weiß Gott, mein Herz stand still, als ich ihn sitzen sah! 

Ich sah ihn nur von hinterwärts, und er saß klein und ruhig da. 

Saß in der Abenddämmerung, die Angelrute ausgestreckt, 

als ob ein toter Weidenstrunk den dürren Ast gespenstisch reckt. 

 

"He, Alter!" ruf ich, "beißt es gut?" Und sieh, der Baumstamm dreht sich um 

und wackelt mit dem runden Hut und grinst mit spitzen Zähnen stumm. 

Und spricht, doch nicht nach Landesart, wie Entenschnattern, schnell und breit, 

kommt's aus dem algengrünen Bart: "Wenn's regnet, hab' ich gute Zeit"! 

 

"So scheint es", sag ich und ich schau in seinen Bottich neben ihn. 

Da wimmelts blank und silbergrau und müht sich mit zerfetzem Kiem´, 

Aale, die Flossen zart wie Flaum, glotzäugig Karpfen. Mittendrin, 

ich traue meinen Augen kaum, wälzt eine Natter sich darin! 

 

"Ein selt'nes Fischlein, Alter, traun!" Da springt er froschbehend empor. 

"Die Knorpel sind so gut zu kaun" schnattert listig er hervor. 

"Gewiß seid ihr zur Nacht mein Gast! Wo wollt ihr heute auch noch hin? 

Nur zu, den Bottich angefaßt! Genug ist für uns beide drin!" 

 

Und richtig watschelt er voraus, patsch, patsch am Uferrand entlang. 

Und wie im Traume heb ich auf und schleppe hinterdrein den Fang. 

Und krieche durch den Weidenhag, der eng den Rasenhang umschmiegt, 

wo, tief verborgen selbst am Tag, die schilfgebaute Hütte liegt. 

 

Da drinnen ist nicht Stuhl, nicht Tisch, der Alte sitzt am Boden platt, 

es riecht nach Aas und totem Fisch, mir wird vom bloßem Atmen satt. 

Er aber greift frisch in den Topf und frißt die Fische kalt und roh, 

packt sie beim Schwanz, beißt ab den Kopf und knirscht und schmatzt im Dunkeln froh. 

 

"Ihr eßt ja nicht! Das ist nicht recht!" Die Schwimmhand klatscht mich fett aufs Knie. 

"Ihr seid vom trockenen Geschlecht, ich weiß, die Kerle essen nie! 

Ihr seid bekümmert? Sprecht doch aus, womit ich Euch erfreuen kann!" 

"Ja", klappre ich: "Ich will nach Haus, aus dem verfluchten Schnatermann." 

 

Da hebt der Kerl ein Lachen an, es klang nicht gut, mir wurde kalt. 

"Was wißt denn Ihr vom Schnatermann?" "Ja", sag ich stur," so heißt der Wald." 

"So heißt der Wald?" Nun geht es los, er grinst mich grün und phosphorn an: 

"Du dürrer Narr, was weißt du bloß vom Schnater-Schnater-Schnatermann?!" 

 

Und schnater-schnater, klitsch und klatsch, der Regen peitscht mir ins Gesicht. 

Quatsch´ durch den Sumpf, hoch spritzt der Matsch, ein Stiefel fehlt - ich acht es nicht. 

Und schnater-schnater um mich her, und Enten- ,Unken-, Froschgetöhn. 

Möwengelächter irr und leer und tief ein hohles Windgestöhn... 

 

Des andern Tags saß ich allein, nicht weit vom prasslenden Kamin 

und ließ mein schwer gekränkt´ Gebein wohlig von heißem Grog durchziehn. 

Wie golden war der Trank, wie klar, wie edel war sein starker Duft! 

Ich blickte nach dem Wald - es war noch sehr viel Regen in der Luft... 

  

 

 

 

Seidel
Ina Seidel (15 september 1885 – 2 oktober 1974)

 

 

 

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

 

De Amerikaanse schrijver Jim Curtiss werd geboren in 1969 in Beaver Falls, Pennsylvania. In 2008 verscheen van hem een fictie en nonfictie onder de titel „Stories from elsewhere". Zijn roman Every Thing Counts is nog niet gepubliceerd, maar delen ervan zijn opgenomen in de bundel „Stories from elsewhere" en in de bloemlezing „Falling in Love Again" van de Outrider Press.

 

Uit: Every Thing Counts

 

„When I wasn't examining it, I carried the ring in my pocket. I thought of it as a charm, a type of connection with my grandmother's spirit. It had been her ring, after all, and perhaps it would bring me some of her wisdom. Perhaps it would see me through the turmoil of deciding between tying myself to a Central European lady or remaining Mr. Freeandeasy. Both paths beckoned, and the situation really didn't need exacerbated by the re-appearance of rock-and-roll hoochie-koo. But sometimes I suppose these things happen for a reason.

The story: On Feb. 1st I told Liliana I was going into town to meet Josh. No problem, she said. She had a lot of work.

Into town I went. After two beers and no Josh, I called my messages and he'd left one saying he couldn't make it. Great.

So, being the in-love fool that I was, I hurried back to spend a quiet evening with baby.

But when I knocked on her dorm room there was no answer.

Ok…

Since I didn't have to teach the next day, I headed over to the big campus bar to see if Karel was there. Maybe we'd play some pool.

I went in, got a beer, and looked around the large hall. There were perhaps 30 square tables in the middle of the room, pool tables off to the right. Being a weeknight and sparsely peopled, it was easy to pick out Liliana.

She was sitting with Mr. Rock and Roll himself, Zdenek I-forget-his-last-name (Ok, I do remember it, but I'm spiting it out of memory).

Liliana was sitting with her back to me, Zdenek to her left. I could partially see his face.

Like an idiot, I skulked over to a nearby table and watched them. They were enjoying each other's company, and every now and again they'd explode in laughter.“

 

 

 

Curtiss
Jim Curtiss (Beaver Falls, 1969)

 

16-09-08

Jan Slauerhoff, Lucebert, Gunnar Ekelöf, Agatha Christie, Ina Seidel


De Nederlandse dichter Jan Jacob Slauerhoff werd geboren in Leeuwarden op 15 september 1898. Zie ook mijn blog van 15 september 2006 en ook mijn blog van 15 september 2007.

 

Oud

 

Verwaaide heesters in een leegen tuin.

Klimrozen in de luwte van den muur.

Wat zonnebloemen, spruitend tusschen 't puin

Der vorige winter ingestorte schuur.

Het vage pad door hei naar 't lage duin,

Vanwaar ik 's middags op den einder tuur

 

Over mijn boot, gekanteld, half in 't zand,

Door 't laatste springtij hoog op 't strand getild.

Een meisje gaat, de rokken in de hand,

Als zeilde zij - wat lijkt ze slank, jong, wild -

Boven de golven, raaklings langs den rand

Van 't leven, enkel leunend op den wind.

 

Ben ik het zelf, die vroeger met een vrouw,

Jeugdig als zij, hier speelde nymph en sater,

En haar in 't doodstil zand, het deinend blauw,

Bezeten heb, bemind en toch verlaten:

Die nu mij hier voel staan, te stram, te grauw,

En dezen buit voorbij laat langs het water?

 

 

 

 

 

Nocturne

 

Ook zonder serenade

Weet je mijn komst te raden

Aan 't zinken van de zon.

De nacht wordt zwart en heet;

Al lag je reeds ontkleed,

Kom op het smal balkon.

 

Ja kom, ik zal je kussen

Met drift aantasten, tusschen

De traliën door omstrenglen

En woelen in je boezem,

Vruchtlooze dubble bloesem

Zwellend door harde stenglen

 

Die er niet toe behooren,

En toch, want zij verstoren

Ons nachtelijk genot

Even scherp als de scheiding

Der dagen de toewijding

Aan ons verbonden lot.

 

Ik hoor je bloed, je hijgen,

Je staat zoo zwoel te zwijgen,

Je ziel wordt gloed, wordt geur;

Ik weet je zoo volmaakt,

Al blijf je altijd, hoe naakt,

Geheim en zonder kleur.

 

Je houdt je lijf mij toe,

Wij blijven voelen hoe

De scherpgeschaarde staven

't Vermoeden dat lust, pijn

Te saam eerst liefde zijn

Met stage schrijning staven.

 

En wanklend, ieder aan

De grens van zijn bestaan,

Naar de ander overreikend,

Groeit drift wanhopig sterk.

't Onwrikbaar rasterwerk

Is nauwelijks toereikend.

 

 

 

 

 

Fernando Po

 

Stil stuk oerwoud op een steile kust

Waar rondom de aarde is weggestort

In een zee die 't wrevelig omgordt,

Zijn heet blauw tot witte branding bluscht.

 

Planten, boomen kampen om gebied,

Ander leven is hier uitgesloten,

Naar het vasteland gevlucht in booten:

Holle stammen die het woud uitstiet.

 

Palmen rekken boven 't struikgewoel,

Lange stammen, als een rechte spoel,

Dragen als een starre groene vlam

Bladerkronen op aan heuvelkam.

 

Op de helling heerscht het zwijgend woud.

Waar het eiland oprijst uit de reven

Is 't alsof een kreet van dreigend leven

De oertijd oproept, landing tegenhoudt.

 

 

 

 

 

 

 

SLAUERERHOFF
Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936)

 

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2006 en ook mijn blog van 15 september 2007.

 

 

Ik tracht op poëtische wijze

Ik tracht op poëtische wijze
Dat wil zeggen
Eenvouds verlichte waters
De ruimte van het volledige leven
Tot uitdrukking te brengen

Ware ik geen mens geweest
Gelijk aan menigte mensen
Maar ware ik die ik was
De stenen of vloeibare engel
Geboorte en ontbinding hadden mij niet aangeraakt
De weg van verlatenheid naar gemeenschap
De stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg
Zou niet zo bevuild zijn
Als dat nu te zien is aan mijn gedichten
Die momentopnamen zijn van die weg

In deze tijd heeft wat men altijd noemde
Schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand
Zij troost niet meer de mensen
Zij troost de larven de reptielen de ratten
Maar de mens verschrikt zij
En treft hem met het besef
Een broodkruimel te zijn op de rok van het universum

Niet meer alleen het kwade
De doodsteek maakt ons opstandig of deemoedig
Maar ook het goede
De omarming laat ons wanhopig aan de ruimte
Morrelen

Ik heb daarom de taal
In haar schoonheid opgezocht
Hoorde daar dat zij niet meer menselijks had
Dan de spraakgebreken van een schaduw
Dan die van het oorverdovend zonlicht

 

 

 

Nazomer

 

ik heb in het gras mijn wapens gelegd
en mijn wapens gaan geuren als gras
ik heb in het gras mijn lichaam gelegd
mijn lichaam is geurig als hout bitter en zoet

dit liggen dit nietige luchtige liggen
als een gele foto liggend in het water
glimmend gekruld op de golven
of bij het bos stoffig van lichaam en schaduw

oh grote adem laat de stenen nog niet opstaan
maak nog niet zwaar hun wangen hun ogen
kleiner gebrilder en grijzer

laat ook de minnaars nog liggen en stilte
zwart tussen hun zilveren oren en ach
laat de meisjes hun veertjes nog schikken en glimlachen

 

 

 

 

 

Visser van Ma Yuan

 

onder wolken vogels varen
onder golven vliegen vissen
maar daartussen rust de visser

golven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser

 

 

 

 

 

lucebert
Lucebert (15 september 1924 - 10 mei 1994)

 

 

 

 

 

De Zweedse dichter en schrijver Bengt Gunnar Ekelöf werd geboren op 15 september 1907 in Stockholm. Zie ook mijn blog van 15 september 2007.

 

 

Zur Kunst des Unmöglichen

 

Zur Kunst des Unmöglichen

bekenne ich mich,

bin demnach ein Gläubiger 

von einem Glauben den man Irrglauben nennt.

 

Ich weiß 

Man bekümmert sich hier um das Mögliche

Mich aber laßt unbekümmert sein 

um das was möglich ist oder unmöglich. 

 

So trägt auf Ikonen der Täufer das Haupt

auf gesunden Schultern 

und gleichzeitig vor sich auf einer Schüssel.

 

 

 

 

 

Ekelof
Gunnar Ekelöf (15 september 1907 – 16 maart 1968)

 

 

 

 

 

 

De Britse schrijfster Agatha Christie werd geboren in Torquay (Devon) op 15 september 1890. Zij greide uit tot de meest succesvolle auteur aller tijden. Haar werken werden niet alleen in de meeste talen vertaald (56); ook rolden niet minder dan ruim 4 miljard exemplaren van de drukpersen. Agatha Christies oeuvre omvat 80 detectiveromans, 20 toneelstukken, 4 non-fictiewerken, 6 romans (onder het pseudoniem Mary Westmacott) en ongeveer 150 korte verhalen. Er zijn bijna 200 verfilmingen van/over Christies werk en over het leven van de auteur op het witte doek en de beeldbuis verschenen (de Japanse animatieserie over Hercule Poirot en Miss Marple uitgezonderd).

 

Uit: Death Comes As the End

 

In the distance she could hear faintly the upraised voices of her brothers, Yahmose and Sobek, disputing as to whether or not the dikes in a certain place needed strengthening. Sobek's voice was high and confident as always. He had the habit of asserting his views with easy certainty. Yahmose's voice was low and grumbling in tone; it expressed doubt and anxiety. Yahmose was always in a state of anxiety over something or other. He was the eldest son and during his father's absence on the northern estates, the management of the farm lands was more or less in his hands. Yahmose was slow, prudent and prone to look for difficulties where none existed. He was a heavily built, slow-moving man with none of Sobek's gaiety and confidence.

From her early childhood Renisenb could remember hearing these elder brothers of hers arguing in just those selfsame accents. It gave her suddenly a feeling of security.... She was at home again. Yes, she had come home....

Yet as she looked once more across the pale, shining river, her rebellion and pain mounted again. Khay, her young husband, was dead.... Khay with his laughing face and his strong shoulders. Khay was with Osiris in the Kingdom of the Dead-and she, Renisenb, his dearly loved wife, was left desolate. Eight years they had had together-she had come to him as little more than a child-and now she had returned widowed, with Khay's child, Teti, to her father's house.

It seemed to her at this moment as though she had never been away....

She welcomed that thought....

She would forgetthose eight years -- so full of unthinking happiness, so torn and destroyed by loss and pain.

Yes, forget them, put them out of her mind. Become once more Renisenb, Imhotep the ka-priest's daughter, the unthinking, unfeeling girl. This love of a husband and brother had been a cruel thing, deceiving her by its sweetness. She remembered the strong bronze shoulders, the laughing mouth-now Khay was embalmed, swathed in bandages, protected with amulets in his journey through the other world. No more Khay in this world to sail on the Nile and catch fish and laugh up into the sun whilst she, stretched out in the boat with little Teti on her lap, laughed back at him....

Renisenb thought:

"I will not think of it. It is over! Here I am at home. Everything is the same as it was. 1, too, shall be the same presently. It will all be as before. Teti has forgotten already. She plays with the other children and laughs."

Renisenb turned abruptly and made her way back towards the house, passing on the way some loaded donkeys being driven towards the riverbank. She passed by the combins and the outhouses and through the gateway into the courtyard. It was very pleasant in the courtyard. There was the artificial lake, surrounded by flowering oleanders and jasmines and shaded by sycamore fig trees. Teti and the other children were playing there now, their voices rising shrill and clear. They were running in and out of the little pavilion that stood at one side of the lake. Renisenb noticed that Teti was playing with a wooden lion whose mouth opened and

shut by pulling a string, a toy which she herself had loved as a child. She thought again, gratefully, "I have come home. . . ." Nothing was changed here; all was as it had been. Here life was safe, constant, unchanging. Teti was now the child and she one of the many mothers enclosed by the home wallsbut the framework, the essence of things, was unchanged.”

 

 

 

 

 

Christie
Agatha Christie (15 september 1890m – 12 januari 1976)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijfster ook mijn blog van 15 september 2007.

 
De Duitse schrijfster en dichteres Ina Seidel werd geboren op 15 september 1885 in Halle.