28-04-16

Zia Haider Rahman, Wim Hazeu, Roberto Bolaño, Gerhard Henschel, Harper Lee, Joop Waasdorp, Karl Kraus, Ğabdulla Tuqay

 

De Britse schrijver Zia Haider Rahman werd in 1969 geboren op het platteland van Bangladesh in de regio Sylhet. Zie ook alle tags voor Zia Haider Rahman op dit blog.

Uit: In het licht van wat wij weten (Vertaald door Anne Jongeling en Carla Hazewindus)

“Op een ochtend in september 2008 stond er een broodmagere man op de stoep van ons huis in South Kensington. Hij had een donkere huid, scherpe jukbeenderen en een woeste baard. Ik schatte hem achter in de veertig, begin vijftig en hij was ongeveer één meter tachtig, een centimeter of twee kleiner dan ik. Zijn waterdichte jack met een sluiting van klittenband, hing open. De mouwen waren iets te kort, en aan de lichte streep boven zijn rechterhand te zien had daar waarschijnlijk een horloge gezeten. De veters van zijn afgetrapte schoenen waren verschillend van kleur en de zakken van zijn cargobroek puilden uit van allerlei ondefinieerbare zaken. Er hing een rugzakje om zijn schouder en tegen de deurpost stond een canvas plunjezak.
Door zijn manier van spreken maakte hij een enigszins opgewonden indruk, niet warrig maar indringend, en duidelijk niet van zins zich in de rede te laten vallen, alsof hij een onderbroken gesprek hervatte. Ik stond daar maar zonder wat te zeggen terwijl ik mijn best deed om iets aan hem te ontdekken wat me bekend voorkwam, toen ik plotseling getroffen werd door een Duitse naam die ik al bijna twintig jaar niet had gehoord.
Op dat moment drongen de details van wat er gebeurde niet echt tot me door, die kwamen pas later bij me boven, toen ik bezig was alles wat ik me kon herinneren op papier te zetten. Ik heb altijd in de financiële sector gewerkt, een business waarin het om de fijne kneepjes gaat, zoals de kleine bewegingen in de beurskoersen waar het lot van miljoenen dollars, ponden, en zelfs yens van af kan hangen. Maar ik moet eerlijk bekennen dat het succes dat ik in mijn loopbaan heb gehad – als je tenminste kunt spreken van succes – niet zozeer te danken was aan mijn oog voor detail, een veel-voorkomende eigenschap in deze branche, als aan mijn vermogen patronen in het grote geheel te zien waarin zich nieuwe zakelijke mogelijkheden aftekenen.”

 

 
Zia Haider Rahman (Sylhet, 1969)

Lees meer...

28-04-15

Roberto Bolaño, Harper Lee, Karl Kraus, Nezahualcóyotl, Ğabdulla Tuqay

 

De Chileense dichter en schrijver Roberto Bolaño werd geboren op 28 april 1953 in Santiago de Chile. Zie ook alle tags voor Roberto Bolaño op dit blog.

Uit: 2666 (Vertaald door Natasha Wimmer)

“Reading these two novels only reinforced the opinion he’d already formed of Archimboldi. In 1983, at the age of twenty-two, he undertook the task of translating D’Arsonval. No one asked him to do it. At the time, there was no French publishing house interested in publishing the German author with the funny name. Essentially Pelletier set out to translate the book because he liked it, and because he enjoyed the work, although it also occurred to him that he could submit the translation, prefaced with a study of the Archimboldian oeuvre, as his thesis, and — why not? — as the foundation of his future dissertation.
He completed the final draft of the translation in 1984, and a Paris publishing house, after some inconclusive and contradictory readings, accepted it and published Archimboldi. Though the novel seemed destined from the start not to sell more than a thousand copies, the first printing of three thousand was exhausted after a couple of contradictory, positive, even effusive reviews, opening the door for second, third, and fourth printings.
By then Pelletier had read fifteen books by the German writer, translated two others, and was regarded almost universally as the preeminent authority on Benno von Archimboldi across the length and breadth of France.
Then Pelletier could think back on the day when he first read Archimboldi, and he saw himself, young and poor, living in a chambre de bonne, sharing the sink where he washed his face and brushed his teeth with fifteen other people who lived in the same dark garret, shitting in a horrible and notably unhygienic bathroom that was more like a latrine or cesspit, also shared with the fifteen residents of the garret, some of whom had already returned to the provinces, their respective university degrees in hand, or had moved to slightly more comfortable places in Paris itself, or were still there — just a few of them — vegetating or slowly dying of revulsion.”

 

 
Roberto Bolaño (28 april 1953 – 15 juli 2003)

Lees meer...

28-04-13

Auguste Barbier, Ğabdulla Tuqay, Charles Cotton, Bruno Apitz

 

De Franse dichter Auguste Barbier werd geboren op 28 april 1805 in Parijs.Zie ook alle tags voor Auguste Barbier op dit blog.

 

 

La curée (Fragment)

 

IV
C'est la vierge fougueuse, enfant de la Bastille,
Qui jadis, lorsqu'elle apparut
Avec son air hardi, ses allures de fille,
Cinq ans mit tout le peuple en rut ;
Qui, plus tard, entonnant une marche guerrière,
Lasse de ses premiers amants,
Jeta là son bonnet, et devint vivandière
D'un capitaine de vingt ans
C'est cette femme, enfin, qui, toujours belle et nue,
Avec l'écharpe aux trois couleurs,
Dans nos murs mitraillés tout à coup reparue,
Vient de sécher nos yeux en pleurs,
De remettre en trois jours une haute couronne
Aux mains des Français soulevés,
D'écraser une armée et de broyer un trône
Avec quelques tas de pavés.


V
Mais, ô honte ! Paris, si beau dans sa colère,
Paris, si plein de majesté
Dans ce jour de tempête où le vent populaire
Déracina la royauté,
Paris, si magnifique avec ses funérailles,
Ses débris d'hommes, ses tombeaux,
Ses chemins dépavés et ses pans de murailles
Troués comme de vieux drapeaux ;
Paris, cette cité de lauriers toute ceinte,
Dont le monde entier est jaloux,
Que les peuples émus appellent tous la sainte,
Et qu'ils ne nomment qu'à genoux,
Paris n'est maintenant qu'une sentine impure,
Un égout sordide et boueux,
Où mille noirs courants de limon et d'ordure
Viennent traîner dans leurs flots honteux ;
Un taudis regorgeant de faquins sans courage,
D'effrontés coureurs de salons,
Qui vont de porte en porte, et d'étage en étage,
Gueusant quelque bout de galons ;
Une halle cynique aux clameurs insolentes,
Où chacun cherche à déchirer
Un misérable coin de guenilles sanglantes
Du pouvoir qui vient d'expirer.

 

 

 

Auguste Barbier (28 april 1805 – 14 februari 1882)

Parijs, Le Pont du Carrousel met het Louvre, door Vincent van Gogh, 1886

Lees meer...

28-04-11

Ğabdulla Tuqay, Charles Cotton, Bruno Apitz, Aart G. Broek

 

De Tataarse dichter Ğabdulla Tuqay werd geboren op 28 april 1886 in Qoşlawıç in Kazan, Rusland (tegenwoordig Tatarstan). Zie ook mijn blog van 28 april 2007 en ook mijn blog van 28 april 2008 en ook mijn blog van 28 april 2009 en ook mijn blog van 28 april 2010.

 

 

God the Great

 

Oh worthy, oh precious, oh young child without sin!

HIS compassion is very deep, rely always on God!

Oh God! Show me in this world a bright path;

HE is merciful, has more compassion than your father or mother!

Your soul is still pure; no impure thought has entered it,

Your pure tongue has never used unfitting words.

Both your soul and your body are clean, all your body is clean!

You are the crumb of an angel; your face is pure white!

Pray, free of all ties kneel towards Kibla[8],

Know that from a pure soul there is a straight path to the Throne of God!

Oh worthy, oh precious, oh young child without sin!

HIS compassion is very deep, rely always on God!

 

 

 

 

The Twentieth Century

 

This has been the century of science and capability,
This has been the century of ascending humanity,
But the events demonstrate that, indeed,
This has been the century of evil and depravity.

 

 

 

 

Ğabdulla Tuqay (28 april 1886 – 15 april 1913)

Mozaïek in het metrostation van Kazan

 

 

Lees meer...

28-04-10

Roberto Bolaño, Harper Lee, Karl Kraus, Nezahualcóyotl, Auguste Barbier, Ğabdulla Tuqay, Charles Cotton, Bruno Apitz


De Chileense schrijver Roberto Bolaño werd geboren op 28 april 1953 in Santiago de Chile. Zie ook mijn blog van 28 april 2009.

 

Uit: 2666 (Vertaald door Natasha Wimmer)

 

“The first time that Jean-Claude Pelletier read Benno von Archimboldi was Christmas 1980, in Paris, when he was nineteen years old and studying German literature. The book in question was D’Arsonval. The young Pelletier didn’t realize at the time that the novel was part of a trilogy (made up of the English-themed The Garden and the Polish-themed The Leather Mask, together with the clearly French-themed D’Arsonval), but this ignorance or lapse or bibliographical lacuna, attributable only to his extreme youth, did nothing to diminish the wonder and admiration that the novel stirred in him.

From that day on (or from the early morning hours when he concluded his maiden reading) he became an enthusiastic Archimboldian and set out on a quest to find more works by the author. This was no easy task. Getting hold of books by Benno von Archimboldi in the 1980s, even in Paris, was an effort not lacking in all kinds of difficulties. Almost no reference to Archimboldi could be found in the university’s German department. Pelletier’s professors had never heard of him. One said he thought he recognized the name. Ten minutes later, to Pelletier’s outrage (and horror), he realized that the person his professor had in mind was the Italian painter, regarding whom he soon revealed himself to be equally ignorant.

Pelletier wrote to the Hamburg publishing house that had published D’Arsonval and received no response. He also scoured the few German bookstores he could find in Paris. The name Archimboldi appeared in a dictionary of German literature and in a Belgian magazine devoted — whether as a joke or seriously, he never knew — to the literature of Prussia. In 1981, he made a trip to Bavaria with three friends from the German department, and there, in a little bookstore in Munich, on Voralmstrasse, he found two other books: the slim volume titled Mitzi’s Treasure, less than one hundred pages long, and the aforementioned English novel, The Garden.”

 

 

 

roberto-bolano
Roberto Bolaño (28 april 1953 – 15 juli 2003)

 

 

 

 

De Amerikaans schrijfster Nelle Harper Lee werd geboren in Monroeville op 28 april 1926. Zie ook mijn blog van 28 april 2009.

 

Uit: To Kill a Mockingbird

 

Mindful of John Wesley's strictures on the use of many words in buying and selling, Simon made a pile practicing medicine, but in this pursuit he was unhappy lest he be tempted into doing what he knew was not for the glory of God, as the putting on of gold and costly apparel. So Simon, having forgotten his teacher's dictum on the possession of human chattels, bought three slaves and with their aid established a homestead on the banks of the Alabama River some forty miles above Saint Stephens. He returned to Saint Stephens only once, to find a wife, and with her established a line that ran high to daughters. Simon lived to an impressive age and died rich.

It was customary for the men in the family to remain on Simon's homestead, Finch's Landing, and make their living from cotton. The place was self-sufficient: modest in comparison with the empires around it, the Landing nevertheless produced everything required to sustain life except ice, wheat flour, and articles of clothing, supplied by river-boats from Mobile.

Simon would have regarded with impotent fury the disturbance between the North and the South, as it left his descendants stripped of everything but their land, yet the tradition of living on the land remained unbroken until well into the twentieth century, when my father, Atticus Finch, went to Montgomery to read law, and his younger brother went to Boston to study medicine. Their sister Alexandra was the Finch who remained at the Landing: she married a taciturn man who spent most of his time lying in a hammock by the river wondering if his trot-lines were full.“

 

 

 

harper-lee
Harper Lee (Monroeville, 28 april 1926)

 

 

 

 

De Joods-Oostenrijkse dichter, schrijver en journalist Karl Kraus werd geboren in Jičin, Bohemen, Oostenrijk-Hongarije (thans Tsjechië) op 28 april 1874. Zie ook mijn blog van 28 april 2007 en ook mijn blog van 28 april 2008 en ook mijn blog van 28 april 2009.

 

 

 

Wiese im Park

 

(Schloß Janowitz)

 

Wie wird mir zeitlos. Rückwärts hingebannt

weil' ich und stehe fest im Wiesenplan,

wie in dem grünen Spiegel hier der Schwan.

Und dieses war mein Land.

 

Die vielen Glockenblumen! Horch und schau!

Wie lange steht er schon auf diesem Stein,

der Admiral. Es muß ein Sonntag sein

und alles läutet blau.

 

Nicht weiter will ich. Eitler Fuß, mach Halt!

Vor diesem Wunder ende deinen Lauf.

Ein toter Tag schlägt seine Augen auf.

Und alles bleibt so alt.

 

 

 

 

Flieder

 

Nun weiß ich doch, 's ist Frühling wieder.

Ich sah es nicht vor so viel Nacht

und lange hatt' ich's nicht gedacht.

Nun merk' ich erst, schon blüht der Flieder.

 

Wie fand ich das Geheimnis wieder?

Man hatte mich darum gebracht.

Was hat die Welt aus uns gemacht!

Ich dreh' mich um, da blüht der Flieder.

 

Und danke Gott, er schuf mich wieder,

indem er wiederschuf die Pracht.

Sie anzuschauen aufgewacht,

so bleib' ich stehn. Noch blüht der Flieder

 

 

 

 

Sehnsucht

 

Es war einmal.

Ich leb' am Tage vom Gedanken,

nachts von der Qual;

oft träum' ich nur vom Traum.

Du gehst dahin und bist dir selbst es kaum.

In meinem Wahn jedoch, dem fieberkranken,

sind deine Wesen ohne Zahl.

 

 

 

 

Kraus
Karl Kraus (28 april 1874 - 12 juni 1936)

 

 

 

 

De Azteekse dichter en filosoof Nezahualcóyotl werd geboren in Texcoco op 28 april 1402.

 

Uit: SONG OF NEZAHUALCOYOTL (Fragment)

 

Our drums are ready; already I inspire the eagles and jaguars to

dance. Already you are on your feet, song flower. I search for

songs, our adornments. Ayyo.

 

Toward the end of it all I, Nezahualcoyotl, go weeping. Why must I

go lose myself in the land of the dead? Already I leave you, by

whom all live, you command me to lose myself in the land of the

dead. Ayyo.

 

How will things continue on Earth, in Acolhuacan? In time will

you disperse all your dependents, spirit of all I leave behind?

 

Only songs are our adornments. Already He destroys our painted

books, the princes. Be joyful here, no one has his house on earth;

we must leave the fragrant flowers. Ayyo.

 

Drums: Quititi quititi quiti quiti tocoto tocoti tocototocoti. Just

thus it will come back in.

 

Let there be flower songs. Let my younger brothers sing. I drink

intoxicating flowers; already they have arrived, the flowers that

make us dizzy, they come to glorify. Ayyo.

 

Let there be flowers. Bouquets of flowers have already arrived here;

flowers of pleasure are scattered, many-colored flowers rain

entwined. The drum resounds: let the dance begin. Ayyo.

 

 

 

 

nezahualcoyotl
Nezahualcóyotl (28 april 1402 - 4 juni 1472)

 

 

 

 

De Franse dichter Auguste Barbier werd geboren op 28 april 1805 in Parijs.

 

 

La curée

I

 

Oh ! lorsqu'un lourd soleil chauffait les grandes dalles

Des ponts et de nos quais déserts,

Que les cloches hurlaient, que la grêle des balles

Sifflait et pleuvait par les airs ;

Que dans Paris entier, comme la mer qui monte,

Le peuple soulevé grondait,

Et qu'au lugubre accent des vieux canons de fonte

La Marseillaise répondait,

Certe, on ne voyait pas, comme au jour où nous sommes,

Tant d'uniformes à la fois ;

C'était sous des haillons que battaient les coeurs d'homme

C'étaient alors de sales doigts

Qui chargeaient les mousquets et renvoyaient la foudre ;

C'était la bouche aux vils jurons

Qui mâchait la cartouche, et qui, noire de poudre,

Criait aux citoyens : Mourons !

 

 

 

 

Barbier
Auguste Barbier (28 april 1805 – 14 februari 1882)

 

 

 

Zie voor de twee bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 28 april 2008 en ook mijn blog van 28 april 2009.

 

 

 

 

De Tataarse dichter Ğabdulla Tuqay werd geboren op 28 april 1886 in Qoşlawıç in Kazan, Rusland (tegenwoordig Tatarstan). Zie ook mijn blog van 28 april 2007 en ook mijn blog van 28 april 2008 en ook mijn blog van 28 april 2009.

 

 

 

Ô, ma langue maternelle! (Fragment)

 

Ô, langue chérie de mon enfance

Ô, langue enchanteresse de ma mère !

C'est toi qui m'a permis de chercher à connaître

Le monde, depuis mes jeunes années

 

Quand tout enfant je n'arrivais pas à dormir

Ma mère me chantait des berceuses

Et grand-maman me racontait des histoires

À travers l'obscurité pour me fermer les yeux

 

Ô, ma langue! Tu as toujours été

Mon soutien dans la douleur et dans la joie

Je te comprends et je te chéris tendrement

Depuis l'âge où j'étais un petit garçon

 

Dans ma langue, j'ai appris avec patience

À exprimer ma foi et à dire :

« Ô, Créateur! Bénis mes parents

Allah, emporte mes péchés! »

 

 

 

 

tuqay
Ğabdulla Tuqay (28 april 1886 – 15 april 1913)

 

 

 

 

De Engelse dichter en vertaler Charles Cotton werd geboren op 28 april 1630 in Beresford in Staffordshire. Zie ook ook mijn blog van 28 april 2009.

 

 

 

The Noon Quatrains 

 

THE Day grows hot, and darts his rays

From such a sure and killing place,

That half this World are fain to fly

The danger of his burning eye.

His early glories were benign,

Warm to be felt, bright to be seen,

And all was comfort, but who can

Endure him when Meridian?

Of him we as of kings complain,

Who mildly do begin to reign,

But to the Zenith got of pow'r,

Those whom they should protect devour.

Has not another Phaeton

Mounted the chariot of the Sun,

And, wanting art to guide his horse,

Is hurri'd from the Sun's due course.

If this hold on, our fertile lands

Will soon be turn'd to parched sands,

And not an onion that will grow

Without a Nile to overflow.

The grazing herds now droop and pant,

E'en without labour fit to faint,

And willingly forsook their meat

To seek out cover from the heat.

The lagging ox is no unbound,

From larding

the new turn'd up ground, [pressing down]

Whilst Hobbinal alike o'er-laid

Takes his coarse dinner to the shade.

Cellars and grottos now are best

To eat and drink in, or to rest,

And not a soul above is found

Can find a refuge under ground.

When pagan tyranny grew hot,

Thus persecuted Christians got

Into the dark but friendly womb

Of unknown subterranean Rome

. [the Roman catacombs]

And as that heat did cool at last,

So a few scorching hours o'er-pass'd,

In a more mild and temp'rate ray

We may again enjoy the Day.

 

 

 

 

CharlesCotton

Charles Cotton (28 april 1630 – 16 februari 1687)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 28 april 2007.

 

De Duitse schrijver Bruno Apitz werd geboren in Leipzig op 29 april 1900.

28-04-09

Roberto Bolaño, Harper Lee, Karl Kraus, Nezahualcóyotl, Auguste Barbier, Ğabdulla Tuqay, Alistair MacLean, Charles Cotton, Bruno Apitz


De Chileense schrijver Roberto Bolaño werd geboren op 28 april 1953 in Santiago de Chile. Een groot deel van zijn jeugd bracht hij door in Mexico. Toen Salvador Allende in 1972 aan de macht was gekomen keerde hij naar Chili terug. Na de militaire staatsgreep van 1973 zat hij acht dasgen vast. Daarna kon hij het land weer verlaten, ging eerst naar El Salvador en daarna weer naar Mexico. Toen in Spanje het Franco regime verdwenen was vestigde hij zich daar. Hij voorzag in zijn levensonderhoud via allerlei jobs tot hij in de jaren tachtig van het prijzengeld van verschiilende literaire wedstrijden kon leven. Na surrealistische gedichten begon hij proza te schrijven. In 1999 kreeg hij voor zijn hoofdwerk Los detectives salvajes" de Premio Herralde de Novela en de Premio Rómulo Gallegos.

 

Uit: The Savage Detectives

 

“I’m not really sure what visceral realism is. I’m seventeen years old, my name is Juan García Madero, and I’m in my first semester of law school. I wanted to study literature, not law, but my uncle insisted, and in the end I gave in. I’m an orphan, and someday I’ll be a lawyer. That’s what I told my aunt and uncle, and then I shut myself in my room and cried all night. Or anyway for a long time. Then, as if it were settled, I started class in the law school’s hallowed halls, but a month later I registered for Julio César Álamo’s poetry workshop in the literature department, and that was how I met the visceral realists, or viscerealists or even vicerealists, as they sometimes like to call themselves. Up until then, I had attended the workshop four times and nothing ever happened, though only in a manner of speaking, of course, since naturally something always happened: we read poems, and Álamo praised them or tore them to pieces, depending on his mood; one person would read, Álamo would critique, another person would read, Álamo would critique, somebody else would read, Álamo would critique. Sometimes Álamo would get bored and ask us (those of us who weren’t reading just then) to critique too, and then we would critique and Álamo would read the paper.

It was the ideal method for ensuring that no one was friends with anyone, or else that our friendships were unhealthy and based on resentment.

And I can’t say that Álamo was much of a critic either, even though he talked a lot about criticism. Really I think he just talked for the sake of talking. He knew what periphrasis was. Not very well, but he knew. But he didn’t know what pentapody was (a line of five feet in classical meter, as everybody knows), and he didn’t know what a nicharchean was either (a line something like the phalaecean), or what a tetrastich was (a four-line stanza). How do I know he didn’t know? Because on the first day of the workshop, I made the mistake of asking. I have no idea what I was thinking. The only Mexican poet who knows things like that by heart is Octavio Paz (our great enemy), the others are clueless, or at least that was what Ulises Lima told me minutes after I joined the visceral realists and they embraced me as one of their own.”

 

 

 

 

Roberto_Bolano_Estrella_distante_Chile
Roberto Bolaño (28 april 1953 – 15 juli 2003)

 

 

 

 

 

De Amerikaans schrijfster Nelle Harper Lee werd geboren in Monroeville op 28 april 1926. Zij is vooral bekend geworden door haar boek To Kill a Mockingbird uit 1960 dat een Pulitzer-prijs won in 1961. Lee is de jongste uit een gezin van vier kinderen. n haar jeugdjaren was ze het buurmeisje van schrijver Truman Capote, met wie ze een levenslange vriendschap had en wie tevens een inspiratiebron was voor een van de karakters in Mockingbird. Na het behalen van haar diploma voor secundair onderwijs, studeerde ze aan Huntingdon College. Na een jaar ging ze daar weg om rechten te studeren aan de University of Alabama. Daarnaast heeft ze een jaar in Oxford gestudeerd, voordat ze naar New York City verhuisde in 1950. Lee schreef een serie korte verhalen over het leven in het zuiden van de Verenigde Staten. Deze bood ze een uitgever aan voor publicatie in 1957. Haar redacteur Tay Hohoff moedigde haar echter aan om deze verhalen om te zetten in een roman, dit werd To Kill a Mockingbird. Tot op de dag van vandaag is het een bestseller in de Verenigde Staten.

Na dit boek trok ze zich grotendeels terug uit het publieke leven en publiceerde vrijwel niks meer. Ze begeleidde Truman Capote bij zijn onderzoek naar In Cold Blood.

 

Uit: To Kill a Mockingbird

 

“When he was nearly thirteen, my brother Jem got his arm badly broken at the elbow. When it healed, and Jem's fears of never being able to play football were assuaged, he was seldom self-conscious about his injury. His left arm was somewhat shorter than his right; when he stood or walked, the back of his hand was at right angles to his body, his thumb parallel to his thigh. He couldn't have cared less, so long as he could pass and punt.

When enough years had gone by to enable us to look back on them, we sometimes discussed the events leading to his accident. I maintain that the Ewells started it all, but Jem, who was four years my senior, said it started long before that. He said it began the summer Dill came to us, when Dill first gave us the idea of making Boo Radley come out.

I said if he wanted to take a broad view of the thing, it really began with Andrew Jackson. If General Jackson hadn't run the Creeks up the creek, Simon Finch would never have paddled up the Alabama, and where would we be if he hadn't? We were far too old to settle an argument with a fist-fight, so we consulted Atticus. Our father said we were both right.

Being Southerners, it was a source of shame to some members of the family that we had no recorded ancestors on either side of the Battle of Hastings. All we had was Simon Finch, a fur-trapping apothecary from Cornwall whose piety was exceeded only by his stinginess. In England, Simon was irritated by the persecution of those who called themselves Methodists at the hands of their more liberal brethren, and as Simon called himself a Methodist, he worked his way across the Atlantic to Philadelphia, thence to Jamaica, thence to Mobile, and up the Saint Stephens.”

 

 

 

 

Harper_lee
Harper Lee (Monroeville, 28 april 1926)

 

 

 

 

 

De Joods-Oostenrijkse dichter, schrijver en journalist Karl Kraus werd geboren in Jičin, Bohemen, Oostenrijk-Hongarije (thans Tsjechië) op 28 april 1874. Zie ook mijn blog van 28 april 2007 en ook mijn blog van 28 april 2008.

 

 

 

Der Funktionär

 

Entgegenkommend zu sein und verbindlich

des k.k. Beamten äußerstes Lob war,

das in der Amtssprache jemals empfindlich,

wenn er nicht hinsichtlich dessen auch grob war.

 

Um die Bestandteile gut zu verbinden,

mußte der Funktionär konnivent sein,

nach oben, nach unten, nach hinten sich winden,

hauptsächlich, weil mr eh schon am End sein.

 

Nun, da sie doch auseinandergegangen,

was soll ihm noch seine Verbindlichkeit frommen?

Höchstens, um rücksichtlich anzufangen,

unserem Ende entgegenzukommen.

 

 

 

 

 

Das arme Leben

 

Tust du nicht unrecht diesen Freuden?

Verbergen sie nicht Gram und Qual?

Verzittert nicht das tiefste Leiden

in einem Tränenbach-Kanal?

 

Hat doch der Glaube sie zum Narren,

daß jeder Schritt ins Freie drängt,

wenn sie in diese Enge starren,

die sich nur immer mehr verengt.

 

Bange macht jedem jede Stunde,

die von ihm abnimmt Stück für Stück,

und jeder zieht mit einer Wunde

in sein Verhängnis sich zurück.

 

Wer fühlt das Leben nicht vertropfen

und wie es in den Tod verfällt!

Sie hören ihre Herzen klopfen,

und eben darum lärmt die Welt.

 

Jeglicher Blick verkürzt das Dauern

von der bemessnen Wartezeit,

und jeder Atemzug ist Schauern,

und jeder Gang ein Grabgeleit.

 

Wenn sie verrucht den andern nahmen

den zugeteilten Henkerschmaus,

es hat zum vorbestimmten Amen

der vollste Magen nichts voraus.

 

Heben vergebens ihre Hände,

eh sie vereint das letzte Band.

Sie reichen alle doch am Ende

einander ihre Totenhand.

 

 

 

 

 

kraus - Kokoschka
Karl Kraus (28 april 1874 - 12 juni 1936)

Karl Kraus door Oskar Kokoschka, 1925

 

 

 

 

 

De Azteekse dichter en filosoof Nezahualcóyotl werd geboren in Texcoco op 28 april 1402. Zie ook mijn blog van 28 april 2008.

 

Uit: SONG OF NEZAHUALCOYOTL (Fragment)

 

 

   I, the singer, plumes of narcotic flowers tint my heart; already I

   scatter flowers, they are quickly taken. Enjoy. Within my heart the

   song flowers burst, already I scatter flowers. Ayyo.

 

   With songs I must deck m+yself, with flowers my heart must be

   entwined: they are princes, they are kings! Ayyo.

 

   For this I cry sometimes and say: The fame of my flowers, the renown

   of my songs, I will leave abandoned someday: with flowers my heart

   must be entwined: they are princes, they are kings! Ayyo.

 

   Drums: Tico toco tocoto. At the end: ticoto ticoto.

 

   As a parrot, as a quechol bird, I fly above the earth, my heart

   drunk. Ahuayyai.

 

   I am a quetzal, I arrive in the One Spirit's place of rain,

   beautifully over the flowers; singing, my heart fills with joy.

   Ahuayyai.

 

   Flowers flood the earth: my heart is drunk. Ahuayyai.

 

   I cry and grieve, for no one has a home on earth. Ahuayyai.

 

   I, a Mexica, say, let me have pleasure as I march to Tecuantepec:

   I go to destroy the Chiltepecans, so the Tecuantepecans may weep.

 

   If only these warriors of mine, these Mexicas, were not so warlike!

   They destroy! Ahuayyai.

 

   A comet showers down upon them. Perished are the Xochitecans,

   weeping are the Amaxtecans, weeping are the Tecuantepecans.

   Ahuayyai.

 

 

 

 

nezahualcoyotl
Nezahualcóyotl (28 april 1402 - 4 juni 1472)

 

 

 

 

 

De Franse dichter Auguste Barbier werd geboren op 28 april 1805 in Parijs. Zie ook mijn blog van 28 april 2008.

 

 

Iambes, le progres

 

à quoi servent, grand dieu ! Les leçons de l' histoire

pour l' avenir des citoyens,

et tous les faits notés dans une page noire

par la main des historiens,

si les mêmes excès et les mêmes misères

reparaissent dans tous les temps,

et si de tous les temps les exemples des pères

sont imités par leurs enfants ?

ô pauvres insensés ! Qui, le front ceint de chêne

devant l' univers enchanté,

voilà six ans bientôt, entonnions d' une haleine

l' hymne brûlant de liberté !

Nous chantions tous en choeur, dans une sainte ivresse,

la vierge pure comme l' or,

sans penser que plus tard l' immortelle déesse

devait tant nous coûter encor.

Nous rêvions un ciel doux, un ciel exempt d' orages,

un éternel et vaste azur,

tandis que sur nos fronts s' amassaient les nuages :

l' avenir devenait obscur.

Et nous avons revu ce qu' avaient vu nos pères,

le sang humain dans les ruisseaux,

et l' angoisse des nuits glaçant le coeur des mères,

quand le plomb battait les carreaux ;

le régicide infect aux vengeances infâmes

et ses stupides attentats,

la baïonnette ardente entrant au sein des femmes,

les enfants percés dans leurs bras :

enfin les vieux forfaits d' une époque cruelle

se sont tous relevés, hélas !

Pour nous faire douter qu' en sa marche éternelle

le monde ait avancé d' un pas.

 

 

 

 

barbier
Auguste Barbier (28 april 1805 – 14 februari 1882)

 

 

 

 

 

De Tataarse dichter Ğabdulla Tuqay werd geboren op 28 april 1886 in Qoşlawıç in Kazan, Rusland (tegenwoordig Tatarstan). Zie ook mijn blog van 28 april 2007 en ook mijn blog van 28 april 2008.

 

 

The Shuraleh (Fragment)

(A mythical horned demon,

which inhabits the forests of Qazan.)

 

Past Qazan into the country

There's a village called Qirlay.

In that village even hens cluck.

God alone could tell you why.

 

Even though I was not born there,

For a while it was my home.

There in spring I tilled and harrowed,

In the autumn reaped the loam.

 

I recall in all directions

Lay the backwood's broad delight.

Grasslands there of glossy velvet

Dazzled everybody's sight.

 

And is the village large? О no!

It's just a hamlet in a ring.

All its daily drinking water

Comes from one, lone tiny spring.

 

 

 

 

Tuqay_monument_in_St-Peterburg
Ğabdulla Tuqay (28 april 1886 – 15 april 1913)

Standbeeld in Sint Petersburg

 

 

 

 

 

De Schotse schrijver Alistair Stuart MacLean werd geboren op 28 april 1922 in Glasgow. Zie ook  Zie ook mijn blog van 28 april 2007 en ook mijn blog van 28 april 2008.

 

Uit: Ice Station Zebra

 

" My executive offucer, Torpedoman Rawlings and Radioman Zabrinski," Swanson said formally, " don't like this."

...

" They won't let you go through with it," Swanson went on, " unless, that is, you will permit them to accompany you, which they have volunteered to do."

" Volunteered," Rawlings sniffed. " You, you, and you."

" I don't want them," I said.

" Gracious, ain't he?" Rawlings asked of no one in particular. " You might at least have said thanks, Doc."

" You are putting the lives of your men in danger, Commander Swanson. You know what your orders said....

" What do your men think of your making them risk their lives to save the good name of the submarine service?"

" You heard the captain," Rawlings said. " We're volunteers. Look at Zabrinski there, anyone can see that he is a man cast in a heroic mould."

" Have you thought of what happens," I said, " if the ice closes in when we're away and the captain has to take the ship down."

" Don't even talk of it," Zabrinski urged. " I'm not all that heroic."

 

 

 

 

Alistair_MacLean
Alistair MacLean (28 april 1922 - 2 februari 1987)

 

 

 

 

 

 

De Engelse dichter en vertaler Charles Cotton werd geboren op 28 april 1630 in Beresford in Staffordshire. Hij is bekend geworden door zijn vertaling van het werk van Michel de Montaigne en door zijn bijdragen aan The Compleat Angler en zijn invloed op The Compleat Gamester.

 

 

To Coelia

  

WHEN, Coelia, must my old day set,

   And my young morning rise

In beams of joy so bright as yet

   Ne'er bless'd a lover's eyes?

My state is more advanced than when

   I first attempted thee:

I sued to be a servant then,

   But now to be made free.

 

I've served my time faithful and true,

   Expecting to be placed

In happy freedom, as my due,

   To all the joys thou hast:

Ill husbandry in love is such

   A scandal to love's power,

We ought not to misspend so much

   As one poor short-lived hour.

 

Yet think not, sweet! I'm weary grown,

   That I pretend such haste;

Since none to surfeit e'er was known

   Before he had a taste:

My infant love could humbly wait

   When, young, it scarce knew how

To plead; but grown to man's estate,

   He is impatient now.

 

 

 

 

 

charles-cotton-1-sized

Charles Cotton (28 april 1630 – 16 februari 1687)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 28 april 2007.

 

De Duitse schrijver Bruno Apitz werd geboren in Leipzig op 29 april 1900.

 

 

28-04-08

Nezahualcóyotl, Karl Kraus, Auguste Barbier, Ğabdulla Tuqay, Alistair MacLean, Bruno Apitz


De Azteekse dichter en filosoof Nezahualcóyotl werd geboren in Texcoco op 28 april 1402. Hij was koning van Acolhuacan, een deelstaat van het Azteekse Rijk. Onder zijn bestuur bloeide de hoofdstad Texcoco op. Het werd de belangrijkste stad, op Tenochtitlan na, binnen het Azteekse rijk. Nezahualcóyotl was ook vaardig in technische zaken. Er werd van hem gezegd dat hij persoonlijk de dijk door het Texcocomeer heeft ontworpen. Hij liet bovendien een botanische en dierentuin aanleggen. Hij liet de wetten van Texcoco opschrijven en bewaren in een bibliotheek, de eerste in Amerika. De Spaanse veroveraars zouden Texcoco later "het Athene van het westelijk halfrond" noemen. Nezahualcóyotl was de zoon van koning Ixtlilxochitl I en zijn vrouw Matlalcihuatzin, een dochter van de Azteekse keizer Huitzilihuitl. Nezahuatlcoyotl was er vanuit een boom getuige van hoe zijn vader in 1418 of 1419 door koning Tezozomoc van Atzcapotzalco werd vermoord. Nezahualcóyotl werd gevangen genomen. Met behulp van een vriend van zijn vader wist hij te overleven. Deze verkleedde zich als Nezahualcóyotl zodat de soldaten van Tezozomoc hem doodden, in de veronderstelling dat ze Nezahualcóyotl te pakken hadden.

De echte Nezahualcóyotl wist te ontvluchten naar Tenochtitlan, en hij zwoer de dood van zijn vader te wreken. Nezahuatlcoyotl wordt in Mexico beschouwd als symbool van verzet tegen onderdrukking en tirannie. Hij was een aanhanger van de monotheïstische religie omtrent de godheid Tloque Nahuaque, terwijl het grootste deel van zijn bevolking aanhanger was van de polytheïstische Azteekse religie. Om zijn onderdanen niet te kwetsen besteedde Nezahualcóyotl ook aandacht aan de reguliere Azteekse goden. Nezahualcóyotl probeerde de zelfstandigheid van Texcoco ten opzichte van de Azteken uit Mexico-Tenochtitlan te bewaren. Hij voerde een politiek die haast pacifistisch is te noemen. Hij verwierp de Azteekse oorlogszuchtigheid en was fervent tegenstander van de bloemenoorlogen. Er zijn ongeveer 30 gedichten van Nezahualcóyotl bewaard gebleven. Nezahualcóyotl stierf in 1472 op 70-jarige leeftijd. Hij liet 110 kinderen na, van talloze vrouwen en bijvrouwen. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Nezahualpilli.

 

 

SONG OF THE FLIGHT

 

In vain I was born. Ayahue.

 

In vain I left the house of god and came to earth. I am so wretched! Ohuaya, Ohuaya!

 

I wish I'd never been born, truly that I'd never come to earth. That's what I say. But what is there to do? Do I have to live among the people? What then? Princes, tell me! Aya. Ohuaya, Ohuaya!

 

Do I have to stand on earth? What is my destiny? My heart suffers. I am unfortunate. You were hardly my friend here on earth, Life Giver. Ohuaya, Ohuaya!

 

How to live among the people? Does He who sustains and lifts men have no discretion? Go, friends, live in peace, pass your life in calm! While I have to live stooped, with my head bent down when I am among the people. Ohuaya, Ohuaya!

 

For this I cry - Yeehuya!- feeling desolate, abandoned among men on the earth. How do you decide your heart - Yeehuya! - Life Giver? Already your anger is vanishing, your compassion welling! Aya! I am at your side, God. Do you plan my death? Ohuaya, Ohuaya!

 

Is it true we take pleasure, we who live on earth? Is it certain that we live to enjoy ourselves on earth? But we are all so filled with grief. Are bitterness and anguish the destiny of the people of earth? Ohuaya, Ohuaya!

 

But do not anguish, my heart! Recall nothing now. In truth it hardly gains compassion on this earth. Truly you have come to increase bitterness at your side, next to you, Oh Life Giver. Yyao yyahue auhuayye oo huiya.

 

I only look for, I remember my friends. Perhaps they will come one more time, perhaps they will return to life? Or only once do we perish, only one time here on earth? If only our hearts did not suffer! next to, at your side, Life Giver. Yyao yyahue auhuayye oo huiya.

 

 

Vertaald door John Curl

 

 

 

 

Nezahualcoyotl
Nezahualcóyotl (28 april 1402 - 4 juni 1472)

 

 

 

 

De Joods-Oostenrijkse dichter, schrijver en journalist Karl Kraus werd geboren in Jičin, Bohemen, Oostenrijk-Hongarije (thans Tsjechië) op 28 april 1874. Zie ook mijn blog van 28 april 2007.

In diesem Land

In diesem Land wird niemand lächerlich,
als der die Wahrheit sagte. Völig wehrlos
zieht er den grinsend flachen Hohn auf sich.
Nichts macht in diesem Lande ehrlos.

In diesem Land münzt jede Schlechtigkeit,
die anderswo der Haft verfallen wäre,
das purste Gold und wirkt ein Würdenkleid
und scheffelt immer neue Ehre.

In diesem Land gehst du durch ein Spalier
von Beutelschneidern, die dich tief verachten
und mindestens nach deinem Beutel dir,
wenn nicht nach deinem Gruße trachten.

In diesem Land schließt du dich nicht aus,
fliehst du gleich ängstlich die verseuchten Räume.
Es kommt die Pest dir auch per Post ins Haus
und sie erwürgt dir deine Träume.

In diesem Land triffst du in leer Luft,
willst treffen du die ausgefeimte Bande,
und es begrinst gemütlich jeder Schuft
als Landsmann dich in diesem Lande.

 

 

Vergleichende Erotik

So wird das Wunderbild der Venus fertig:
Ich nehme hier ein Aug, dort einen Mund,
hier eine Nase, dort der Brauen Rund.
Es wird Vergangenes mir gegenwärtig.

Hier weht ein Duft, der längst verweht und weit,
hier klingt ein Ton, der längst im Grab verklungen.
Und leben wird durch meine Lebenszeit
das Venusbild, das meinem Kopf entsprungen.

 

 

Und liebst doch alle, liebt dich einer so

So brauchst du niemand außer dir zu lieben
und liebst doch alle, liebt dich einer so.
Und länger weilt der Augenblick, wo hüben
dein Auge blickt, der Ewigkeiten froh.

Und Freudenfeuer brannten lichterloh,
als ich aus jenes Zweikampfs Kräftemessen
in deine unbesiegte Ohnmacht floh,
und Wissen sank in seliges Vergessnen.

Sag mir die Landschaft, die dein Auge sah,
da du dir nichts und alles ließt gefallen,
und welcher Himmelskörper war dir nah?

Und welche Sphäre hörtest du erschallen?
Denn außer dir war nichts zur Liebe da,
und sie war nicht von einem, nur von allen.

 

 

 

 

kraus2
Karl Kraus (28 april 1874 - 12 juni 1936)

 

 

 

 

De Franse dichter Auguste Barbier werd geboren op 28 april 1805 in Parijs. Hij werd op slag bekend door zijn bundel Iambes uit 1830, een serie heftige gedichten, geïnspireerd door de Julirevolutie. Het bekendst is het gedicht La Curée. Latere bundels, zoals Lazare uit 1837, behaalden hetzelfde niveau niet meer. Andere werken van Barbier waren onder meer Les Mauvais Garçons, een satirische roman in samenwerking met Alphonse Royer, en Benvenuto Cellini, een operalibretto in samenwerking met Léon de Wailly (op muziek gezet door Hector Berlioz). Zijn benoeming tot lid van de Académie française in 1869 was vooral een politieke daad: Barbier was een uitgesproken tegenstander van het keizerrijk van Napoleon III.

 

 

Les Victimes

 

Une nuit je rêvais... et dans mon rêve sombre,
         Autour d'un ténébreux autel,
Passaient, passaient toujours des victimes sans nombre,
         Les bras tendus vers l'éternel.
Toutes avaient au front une trace luisante ;
         Toutes, comme un maigre troupeau
Qui laisse à l'écorcheur sa tunique pesante,
         Portaient du rouge sur la peau.
Et toutes, ce n'étaient que vieillards à grand âge,
         Le bâton d'ivoire à la main,
Comme ceux que la mort, en un jour de carnage
         Trouva sur le fauteuil romain ;
Que jeunes gens amis, à la vaste poitrine,
         Au coeur solide et bien planté,
Frappés, la bouche ouverte, et d'une voix divine
         Chantant la belle liberté ;
Ce n'étaient que des corps meurtris et noirs de fange,
         Du sable encor dans les cheveux,
Et battus bien longtemps, sur une rive étrange,
         Des vents et des flots écumeux ;
Ce n'étaient que des flancs consumés par les flammes
         Dans le creux des taureaux d'airain,
Que membres déchirés sous mille dents infâmes
         Devant le peuple souverain ;
Que des porteurs divins de blessures infimes,
         Des sages couronnés d'affront,
Des orateurs sacrés, des poètes sublimes,
         Tombés en se touchant le front ;
Puis des couples d'amants, puis la foule des mères
         Traînant leurs enfants par le bras,
Et les petits enfants pleins de larmes amères
         Et soupirant à chaque pas
Et ces ombres, hélas ! Avides de justice,
         Plaintives, les mains dans les airs,
Demandaient vainement le prix du sacrifice
         Au dieu puissant de l'univers.

 

 

 

 

Barbier1
Auguste Barbier (28 april 1805 – 14 februari 1882)

 

 

 

 

 

De Tataarse dichter Ğabdulla Tuqay werd geboren op 28 april 1886 in Qoşlawıç in Kazan, Rusland (tegenwoordig Tatarstan). Zie ook mijn blog van 28 april 2007.

 

Uit: Oh My Mother Tongue!

 

Oh, beloved native language

Oh, enchanting mother tongue!

You enabled my search for knowledge

Of the world, since I was young

As a child, when I was sleepless

Mother sung me lullabies

And my grandma told me stories

Through the night, to shut my eyes

Oh, my tongue! You have been always

My support in grief and joy

Understood and cherished fondly

Since I was a little boy

In my tongue, I learned with patience

To express my faith and say:

"Oh, Creator! Bless my parents

Take, Allah, my sins away!"

 

 

 

 

Tuqay
Ğabdulla Tuqay (28 april 1886 – 15 april 1913)

 

 

 

 

 

De Schotse schrijver Alistair Stuart MacLean werd geboren op 28 april 1922 in Glasgow. Zie ook mijn blog van 28 april 2007.

 

Uit: Fear Is the Key

 

"Gangsters and hoodlums are notoriously the world's worst marksmen, their usual method being to come within a couple of yards before firing or spraying the landscape with a sufficient hail of bullets to make the law of averages work for them and I had heard a hundred times that those boys couldn't hit a barn door at ten paces. But maybe Larry had never heard of this, or maybe the rule applied only to barn doors."

 

 

 

 

alistairmaclean
Alistair MacLean (28 april 1922 - 2 februari 1987)

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 28 april 2007.

 

 
De Duitse schrijver Bruno Apitz werd geboren in Leipzig op 29 april 1900.

 

 

 

28-04-07

Alistair MacLean, Ğabdulla Tuqay, Bruno Apitz, Karl Kraus


De Schotse schrijver Alistair Stuart MacLean werd geboren op 28 april 1922 in Glasgow. Hij schreef vele spannende avonturenverhalen en succesvolle thrillers, waarvan The Guns of Navarone en Where Eagles Dare de meest bekende zijn. Van 1941 tot 1946 diende MacLean in de Koninklijke Marine. Daarna ging hij Engels studeren aan de Universiteit van Glasgow, slaagde in 1953, en ging daarna werken als leraar. Tijdens zijn studie aan de universiteit begon MacLean met het schrijven van korte verhalen, om wat extra inkomsten te verdienen. Hij won een schrijfwedstrijd in 1954 met het zeevaardersverhaal Dileas. De uitgeverij Collins vroeg hem een novelle te schrijven en hij gaf hun Zr.MS. Ulysses, een verhaal gebaseerd op zijn eigen oorlogservaringen én die van zijn broer Ian, een Meester Marinier. De novelle was een groot succes en MacLean kon zich al vrij snel geheel wijden aan het schrijven van oorlogsverhalen, spionnenverhalen en andere avonturen.

 

Uit: Circus

 

“A pair of giant hands reached under [the driver's] armpits, plucked him from his seat as if he were a puppet and deposited him on the floor of the van.

Manuelo applied adhesive to the unfortunate driver's mouth and then set about fixing a blindfold. He said: 'I am grieved that we should have to treat an innocent citizen in this manner.'

'Agreed, agreed.' Kan Dahn shook his head sadly and tightened the last knot on their victim's wrists. 'But the greatest good of the greatest number. Besides,' he said hopefully, he may not be an innocent citizen'

 

 

 

ALISTAIR
Alistair MacLean (28 april 1922 - 2 februari 1987)

 

De Tataarse dichter Ğabdulla Tuqay werd geboren op 28 april 1886 in Qoşlawıç in Kazan, Rusland (tegenwoordig Tatarstan). Zijn vader stierf toen hij vijf maanden oud was. Nadat enkele jaren later ook zijn moeder overleed groeide hij op bij zijn grootvader. In 1895 kwam hij bij een tante en kreeg hij een opleiding aan een Russische school. Hij kwam in contact met de wereldliteratuur en begon gedichten te schrijven. In de herfst van 1907 kwam hij naar Kazan, waar hij kennis maakte met andere Tataarse dichters en schrijvers. Zijn gedichten worden gekenmerkt door de liefde voor zijn vaderland. Tuqay stierf op de jonge leeftijd van zevenentwintig jaar aan tbc.

 

The Shuraleh

(A mythical horned demon,

which inhabits the forests of Qazan.)

 

Past Qazan into the country

There's a village called Qirlay.

In that village even hens cluck.

God alone could tell you why.

 

Even though I was not born there,

For a while it was my home.

There in spring I tilled and harrowed,

In the autumn reaped the loam.

 

I recall in all directions

Lay the backwood's broad delight.

Grasslands there of glossy velvet

Dazzled everybody's sight.

 

And is the village large? О no!

It's just a hamlet in a ring.

All its daily drinking water

Comes from one, lone tiny spring.

 

Neither cold nor hot, its water

Mild and soft will ever please;

At times it rains, at times it snows,

And sometimes comes a gentle breeze

 

Strawberries red and raspberries redder

Thrive in plenty in the woods.

In a trice you'll fill your bucket

Brim-full with these earthy goods.

 

Marvellously lined in rows

Stand pines and fir-trees, warriors proud;

Amidst their roots I used to lie

While gazing at a passing cloud.

 

Under birches, under limes grow

Sorrel, mushrooms in a glade;

Lovely flowers bloom and flourish

In the dappled light and shade.

 

Red and scarlet, blue and yellow

Blossoming in sunlit bowers;

All the world is fragrant from

The heady perfume of those flowers.

 

Butterflies which love the blooms

Return to find out now and then

How they fare; then flit and flutter,

Off once more and back again.

 

All at once the birds of Allah

Fill the woods with their sweet song.

Ah, those tunes! They tear my heart-strings;

Up into the sky they throng.

 

Bird-song outstrips dancing parties,

Orchestras and sidewalk clubs;

Circuses, theatres, concerts -

All replaced by trees and shrubs.

 

Like the ocean, vast and boundless

Stretch the woodlands in their breadth;

Like the hordes of Chingiz Khan

No limit to their awesome depth.

 

In an instant old men's stories

Are forgotten; names, domains -

All those glories of the past!

At present nothing much remains

 

Then the curtain slowly rises

And our present lot we see.

Alas! Alas! What happened to us?

Slaves of God we too must be.

 

I've talked a little of the summer,

Autumn, winter - that's my style.

What of girls red-cheeked and black-eyed?

Dusky brows can wait a while!

 

I'll forgot my recollections

Of the Plough-Day, Harvest-Day.

If I mused too long on those things,

I should surely lose my way.

 

But wait! I dwell on pleasant things

And I may easily go astray.

How could I forget the title

Of this poem is Shuraleh?

 

You will have the tale, my reader.

Have some patience. Be so kind.

When I think about my village,

I quite often lose my mind.

 

You might guess that in those thickets

Many birds and beasts reside:

Bears and wolves, and then the fox

For villainy known far and wide.

 

Hare and squirrel, moose and mink

And other sorts are often met

By the huntsman who dares roam

The wide, broad woodland with his net.

 

In those woods, so thick and gloomy

There live demons - so they say:

Ghostly forms like albasti

And ub'r and even shuraleh !

 

This is the most likely reason

Why those woods are broad and wide.

In this world devised by God

Can any wonder be denied?

 

About such wonders I shall utter

A word or two, If that I may;

Sing a little, lilt a little -

That's my custom, that's my way.

 

Once a fellow from the village

Harnessed up and took his horse.

In the moonlight, all alone,

Through the woods he steered his course.

 

Soon he drove into a thicket,

Heaved his axe and set to work,

Feeling trees and chopping branches,

Chipping trunks of bark and cork.

 

The air was silent and quite chilly,

Usual for a summer's night;

Birds were sleeping in the forest,

Hushed beneath the pale moonlight.

 

With such calm and clement weather

There in good and cheerful mood,

See our fellow working bravely

In the darkness of the wood.

 

Axe in hand, he stopped awhile

To wipe his brow, then jerked his head.

A piercing cry within the forest

Filled him with a sudden dread.

 

Chilled and startled, our poor fellow

Looks and sees a dread sight.

Something strange and eerie greets him,

Comes towards him from the night.

 

What can this be? Ghost or demon?

Fugitive? He could not tell.

Such a foul and ugly creature

As might live this side of hell!

 

See its nose, hooked like a moose's.

See how from its face it shoots.

Arms and legs all curved and crooked,

Looking more like twins and roots.

 

Eyes deep set in burning sockets,

Sparkling in the moon;

In broadest daylight, even here,

A beast like that would make you swoon

 

Its feet are bare with bony toes;

Its form like man of woman born.

From its forehead of the size

Of a middle finger sticks a horn.

 

Then the fingers, thin and narrow

From its hands stretch straight and long;

Ugly fingers like the devil's,

Each of them six inches long.

 

Both began to eye each other;

Then our man courageously

Asked the ugly creature, saying:

"What is it you want of me?"

 

The beast replied to him: "Please trust me.

I'm no robber in this wood.

I don't bar the road to people,

Though to some I bring no good."

 

"I am fond of tickling humans.

That's the practice I employ.

When I saw you in my thicket,

I could only jump for joy."

 

"Come to me; come closer, fellow!

Let me brighten your sad eyes.

Let us play a game of tickling.

Let us laugh till someone dies."

 

"I'll not argue", said the fellow.

"Gladly I shall play, but see

Let me make my own condition.

"I've no doubt that you'll agree."

 

"Your condition?" said the beast.

"Well, make it now, without delay.

"I shall do whatever's needed.

But for God's sake, let us play!"

 

"Listen", said the man, "I'll tell you

What is needed right away.

Over there I want to move

That heavy trunk that blocks my way.'

 

"I shall help you", said the beast.

The work is hard, but I'll agree.

First we'll load it on the carriage,

Then we'll trust in destiny."

 

The woodsman said: "The work's begun.

I've split the end of the trunk already.

Now can you put your hand inside,

My forest ram, to hold it steady?"

 

The Shuraleh made no objection,

And obedient as a dog,

Clumsily and awkwardly

He hobbled over to the log.

 

Into the cleft he slipped his fingers.

Now, dear reader, can you find

The answer to this simple question:

What did the woodsman have in mind?

 

With the butt-end of his axe

He rammed a wedge beside the hand.

Step by step and knock by knock

His ruse was working as he planned.

 

The Shuraleh sat by the log

His fingers stuffed into the end.

What the forester was up to

He could just not comprehend.

 

Finally the wedge dropped out

And then the heavy log at once,

As the forester had plotted,

Squeezed the fingers of the dunce!

 

The Shuraleh began to howl,

Tried to escape and break away

But how to get of his trap?

He simply could not find the way.

 

Then finally he understood

The nature of this clever hoax

Forced to give up all his efforts,

He began to plead and coax.

 

"Have pity on me. Let me go,

Dear human. Please be kind and fair.

In the future I'll not worry

Your dear kinsmen. This I swear!

 

"Nor shall I allow the others

To molest your family.

All the other shuralehs will hear me:

"He's my brother! Let him be!

 

"Ah what awful pain I suffer!

Set me free I beg and pray.

Do you really find such joy

In torturing a Shuraleh?

 

The Shuraleh was squirming, swearing

That one he'd his part.

In the meantime our brave woodsman

Made all ready to depart.

 

He checked the bridle and the harness

Placed his axe upon his mare.

What happened to the Shuraleh

He did not have slightest care.

 

"You are so ruthless. Set me free.

Where do you go? This is no game!

But if you are so hard of heart,

At least tell me your own good name."

 

"Well then, listen and remember.

I am called "A Year Ago".

Learn it carefully for the future.

As for me I ought to go!"

 

The Shureleh, all writhing, groaning

Tried to tear himself away,

As he pondered in the future

How he'd make this man his prey.

 

He yelled: "A Year Ago! He squeezed

My fingers with a log. What pain!

Now who will rescue me from here?

And who will save me from this bane?

 

Next morning all the forest cursed him,

Beasts of every shape and kind.

"You're insane", they said. "You're crazy.

Have you gone out of our mind?

 

Why disturb the sleep of others,

Howling, yelling, shouting so?

What's the point of telling us

That you were squeezed a year ago?"

 

 

 

Tuqay
Ğabdulla Tuqay (28 april 1886 – 15 april 1913)

 

De Duitse schrijver Bruno Apitz werd geboren in Leipzig op 29 april 1900. Tijdens WO I was hij een enthousiaste aanhanger van Karl Liebknecht. Toen hij 19 jaar was hield hij een toespraak tot de stakende werknemers van een munitiefabriek waarvoor hij 19 maanden gevangenis kreeg. In 1924 schreef hij zijn eerste toneelstuk Der Mensch im Nacken. In 1927 werd hij lid van de KPD. Na WO I werd hij diverse keren wegens anti-oorlogspropaganda veroordeeld en door de nazi’s in concentratiekampen vastgezet. Na 1945 was hij een van de oprichters van de SED. Als zelfstandig schrijver publiceerde hij in 1958 zijn roman Nackt unter Wölfen, die hem, vertaald in dertig talen, wereldroem opleverde. In 1963 werd het boek door de DEFA verfilmd onder de regie van Frank Beyer. Apitz werkte zelf als acteur en draaiboekauteur aan de film mee. In 1976 verscheen de autobiografische roman Der Regenbogen.

 

Uit: Nackt unter Wölfen

 

“Die Bäume auf dem Gipfel des Etterberges troffen vor Nässe und ragten reglos in das Schweigen hinein, das den Berg umhüllte und ihn absonderte von der Landschaft ringsum. Laub, vom Winter ausgelaugt und verbraucht, moderte nassglänzend am Boden. Hier kam der Frühling nur zögernd herauf. Schilder, zwischen den Bäumen aufgestellt, schienen ihn zu warnen. "Kommandaturbereich des Konzentrationslagers Buchenwald, Achtung, Lebensgefahr! Beim weitergehen wird ohne Anruf scharf geschossen." Darunter ein Totenkopf und zwei sich kreuzende Knochen als Signum. Der ewige Nebelregen klebte auch an den Mänteln der fünfzig SS-Leute, die an diesem Spätnachmittag des März 1945 auf der betonierten Plattform standen, die von einem Regendach geschützt wurde. Diese Plattform, Bahnhof Buchenwald genannt, war das Ende des Eisenbahngleises, das von Weimar nach dem Gipfel des Berges führte. In der Nähe befand sich das Lager. Auf seinem weitgestreckten, nach Norden hin abfallenden Appellplatz waren die Häftlinge zum Abendappell angetreten. Block neben Block, Deutsche, Russen, Polen, Franzosen, Juden, Holländer, Österreicher, Tscheschen, Bibelforscher, Kriminelle..., eine unübersehbare Masse, zu einem exakt ausgerichteteten Riesenquadrat zusammenkommandiert. Heute gab es unter den angetretenden Häftlingen ein heimliches Geflüster. Irgendwer hatte die Nachricht mit ins Lager gebracht, die Amerikaner hatten bei Remagen den Rhein überschritten...... .”

 

 

 

Apitz
Bruno Apitz (28 april 1900 – 7 april 1979)

 

De Joods-Oostenrijkse dichter, schrijver en journalist Karl Kraus werd geboren in Jičin, Bohemen, Oostenrijk-Hongarije (thans Tsjechië) op 28 april 1874. In 1899 stichtte hij het eenmanstijdschrift Die Fackel, dat hem in het Wenen voor en na de Eerste Wereldoorlog grote faam bezorgde als 'opiniemaker'. Hij was links en democratisch, maar bovenal stelde hij zich op als een scherp cultuurcriticus die boven de partijen stond. De Eerste Wereldoorlog maakte hem tot een van de felste tegenstanders van het (toen nog) Oostenrijks-Hongaarse rijk en een onverzoenlijk bestrijder van 'oorlog en domheid'. Hiervan getuigt zijn toneelwerk Die letzten Tage der Menschheit (1919), een gigantische satire op Oostenrijk en het verloop van de oorlog. Centraal in het stuk staat de Nörgler (mopperaar), een alter ego van Kraus, die voortdurend commentaar levert op de corruptie en de oorlogshetze, veelal in dialoog met de Optimist. Het stuk bevat meer dan 500 personages en zou, indien integraal uitgevoerd, 10 avonden beslaan; reden waarom het lang als leesdrama gold. Hitlers machtsovername in 1933 sloeg Kraus bijna letterlijk met stomheid; wel schreef hij nog een scherpe kritiek tegen het nationaalsocialisme, maar hij zag er geen heil in het uit te geven en staakte zijn uitgave van Die Fackel.

 

 

Die Lage der Deutschen in Österreich

 

Sie war, man denke an die Friedenszeiten,

halt immer eine rechte Menschheitsplage.

Nichts hörte man als täglich Zank und Klage,

Vereinskrakeel und Zeitungsstreitigkeiten.

 

Ob Schande! man, ob Hanba! dazu sage,

blieb ein Problem, und einmal zu entscheiden

wer recht wohl hätte von den beiden: beiden

erst recht war eine nationale Frage.

 

Und dies zumal erbitterte die Böhmen:

die Deutschen hatten wahrlich alle Tage

in Östreich ihre ganz besondre Lage,

und jene wollten sich nicht anbequemen.

 

Um endlich auf des Krieges Völkerwage

das Hochgelegene zu Fall zu bringen,

konnt' ihnen doch der große Wurf gelingen:

die Deutschen hatten nun die Niederlage.

 

Es war geglückt, den Sieger zu besiegen,

und ob er an dem deutschen Gott verzage,

er kam in jene fürchterliche Lage,

in Österreich einmal allein zu liegen.

 

Doch daß dem andern der Triumph behage,

und daß die Katze munter weitermause,

behielt er einen Teil von ihm im Hause,

und daß geteiltes Leid sich leichter trage.

 

Sich selbst bestimmend, hat er's eingerichtet,

damit kein Zweifel am Gewissen nage

und er mit jenem dieses gleich erschlage;

und also ward der alte Streit geschlichtet:

 

Der Antwort folgt die nationale Frage.

Denn um sich ganz an Österreich zu rächen,

bestimmten sie, die konsequenten Czechen,

den Deutschen selbst nun eine neue Lage.

 

Die liegt nun gut in Tschechien gebettet;

und daß die Qual in alle Neuzeit rage,

die alte Klage, Frage, Menschheitsplage,

sie werden österreichisch fortgefrettet.

 

Und klingts nicht anders doch mit einem Schlage?

Ists nicht die Umkehr aller bösen Geister?

Der Arrestant versperrt den Kerkermeister,

Tag ward aus Nacht und diese folgt dem Tage.

 

Nur offen bleibt die nationale Frage,

ob denn die Katze nicht bei ihrer Jause

sich und der Maus gönnt eine Atempause,

damit die Katze halt, in solcher Lage,

nicht mehr die Maus, doch sich mit ihr vertrage.

 

 

 

 

kkraus
Karl Kraus (28 april 1874 - 12 juni 1936)

Portret door Oskar Kokoschka