24-02-18

Leon de Winter, Alain Mabanckou, George Moore, Erich Loest, Herman Maas, Luc Verbeke, Wilhelm Grimm, Friedrich Spielhagen, Jacques Presser

 

De Nederlandse schrijver Leon de Winter werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 24 februari 1954. Zie ook alle tags voor Leon de Winter op dit blog.

Uit: God's gym

“Opnieuw knikte de man, met gebogen hoofd nu. Maar hij was zo lang dat Joop nog steeds onbelemmerd zijn gezicht kon zien. `Waar wacht je op! Weg! Wil je dat ik de politie bel!' `Het mag niet zo blijven,' zei de man terwijl hij naar zijn handen keek. 'Als mensen sterven hebben ze recht op een ritueel. Mirjam moet een graf krijgen. Ik bemoei me nergens mee, maar u reageert niet. U neemt de telefoon niet op. U haalt de post niet uit uw brievenbus. Ik moest iets doen. Ik zei maar dat ik namens u handelde. Doet u het dan alstublieft zelf. Doe 't voor haar. Ze heeft er recht op. Mister Koepm'n, ze heeft nog steeds rechten!' Het gezicht van de grote man trok opeens in een kramp en zijn ogen stroomden vol. Terwijl hij in zijn handen kneep, perste hij zijn lippen op elkaar en probeerde zijn tranen in te slikken. Maar de tranen bleven stromen en met diepe uithalen stond de man voor zijn deur te huilen. Zijn schouders schokten en hij opende zijn mond en haalde diep adem om de pijnscheuten van verdriet te kunnen weerstaan. De aanblik van de man was niet te verdragen. Joop deed een stap opzij en zocht steun bij de muur naast de kapstok, met zijn schouder tegen het rugzakje, en onttrok zich aan het uitzicht door het raam. Gedempt hoorde hij het gesnik van de man. De man had de motor bestuurd. Zijn dochter was gestorven, maar de man was ongedeerd, stond hier nu te janken alsof het zijn eigen kind was geweest. Hij had geen recht op medelijden. Niet van Joop. Niet hier. Joop wachtte tot er geen gesnik meer door de deur klonk. Na een paar minuten leek de man zijn huilende lijf onder controle te krijgen. Het gesnik stopte en Joop hoorde dat de man zijn neus snoot. `Mister Koepm'n, sir?' hoorde Joop vervolgens. 'Mister Koepm'n? Luistert u even naar me? Ik weet dat u me hoort. Mister Koepm'n, ik heb gisteren m'n zaak verkocht! U bent er geweest, pas geleden nog! Ik moet daar les blijven geven, maar ik heb het verkocht en ik heb er geld aan overgehouden! Real money! Mister Koepm'n, ik wil een gedenkteken voor haar oprichten! Een tempel, sir! Een beeld in een Griekse tempel met zuilen! Zoiets als de tempel van Artemis in Ephesus! Iets wat er eeuwig zal staan! Ik betaal alles, sir!”

 

 
Leon de Winter (’s-Hertogenbosch, 24 februari 1954)
Cover

Lees meer...

August Derleth, Keto von Waberer, Yüksel Pazarkaya, Erich Pawlu, Irène Némirovsky, Vincent Voiture, Rosalía de Castro, Paul Alfred Kleinert, Stanisł,aw Witkiewicz

 

De Amerikaanse schrijver en uitgever August William Derleth werd geboren op 24 februari 1909 in Sauk City, Wisconsin. Zie ook alle tags voor August Derleth op dit blog.

Uit: The Shuttered Room

“At dusk, the wild, lonely country guarding the approaches to the village of Dunwich in north central Massachusetts seems more desolate and forbidding than it ever does by day. Twilight lends the barren fields and domed hills a strangeness that sets them apart from the country around that area; it brings to every-thing a kind of sentient, watchful animosity—to the ancient trees, to the brier-bordered stone walls pressing close upon the dusty road, to the low marshes with their myriads of fireflies and their incessantly calling whippoorwills vying with the muttering of frogs and the shrill songs of toads, to the sinuous windings of the upper reaches of the Miskatonic flowing among the dark hills seaward, all of which seem to close in upon the traveller as if intent upon holding him fast, be-yond all escape. On his way to Dunwich, Abner Whateley felt all this again, as once in childhood he had felt it and run screaming in terror to beg his mother to take him away from Dunwich and Grandfather Luther Whateley. So many years ago! He had lost count of them. It was cu-rious that the country should affect him so, pushing through all the years he had lived since then—the years at the Sorbonne, in Cairo, in London—pushing through all the learning he had assimilated since those early visits to grim old Grandfather Whateley in his ancient house attached to the mill along the Miskatonic, the country of his childhood, coming back now out of the mists of time as were it but yesterday that he had visited his kinfolk. They were all gone now—Mother, Grandfather Whateley, Aunt Sarey, whom he had never seen but only knew to be living some-where in that old house—the loathsome cousin Wilbur and his terri-ble twin brother few had ever known before his frightful death on top of Sentinel Hill.”

 

 
August Derleth (24 februari 1909 – 4 juli 1971)

Lees meer...

23-02-18

César Aira, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Ljoedmila Oelitskaja, Toon Kortooms, Jo Ypma, Sonya Hartnett, Maxim Februari

 

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit:An Episode in the Life of a Landscape Painter (Vertaald door Chris Andrews)

“The horse did indeed rise to its feet, bristling and monu-mental, obscuring halfthe mesh oflightning, his giraffe-like legs contorted by wayward steps; he turned his head, hear-ing the call of madness ... and took off ... But Rugendas went with him! He could not understand, nor did he want to—it was too monstrous. He could feel himself being pulled, stretching (the electricity had made him elastic), almost levitating, like a satellite in thrall to a dangerous star.The pace quickened, and off he went in tow, bouncing, bewildered ... What he did not realize was that his foot was caught in the stirrup, a classic riding accident, which still occurs now and then, even afterso many repetitions.The generation of electricity ceased as suddenly as it had begun, which was a pity, because a well-aimed lightning bolt, stopping the creature in its flight, might have spared the painter no end of trouble. But the current withdrew into the clouds, the wind began to blow, rain fell ... It was never known how farthe horse galloped, nor did it really matter.Whateverthe distance,shortorlong,thedisas-ter had occurred. Itwas not until the morning ofthe follow-ing day that Krause and the old guide discovered them.The horse had found his clover, and was grazing sleepily, with a bloody bundle trailing from one stirrup. After a whole night spent looking for his friend, poor Krause, at his wits' end, had more or less given him up for dead. Finding him was not entirely a relief: there he was, at last, but prone and motionless.They hurried on and, as they approached, saw him move yet remain face down, as if kissing the earth; the flicker of hope this aroused was quenched when they real-ized that he was not moving himself, but being dragged by the horse's blithe little browsing steps. They dismounted, took his foot from the stirrup and turned him over ...The horror struck them dumb. Rugendas's face was a swollen, bloodymass;theboneofhisforehead wasexposed and strips of skin hung over his eyes. The distinctive aquiline form of hisAugsburg nosewas unrecognizable,and his lips,splitand spread apart, revealed his teeth, all miraculously intact. The first thing was to see if he was breathing. He was. This gave an edge of urgency to what followed. They put him on the horse's back and set off. The guide, who had re-covered hisguiding skills,rememberedsomeranchesnearby and pointed the way. They arrived half way through the morning, bearing a gift that could not have been more dis-concerting for the poor, isolated farmers who lived there. It was, at least, an opportunity to give Rugendas some simple treatment and take stock of the situation.They washed his face and tried to put it back together, manipulating the pieces with their fingertips; they applied witch hazel dress-ings to speed the healing and checked that there were no broken bones.“

 

 
César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

Lees meer...

Lavinia Braniște

De Roemeense schrijfster en vertaalster Lavinia Braniște werd geboren op 23 februari 1983 in Brăila. Zij is in 2006 afgestudeerd aan de letterenfaculteit van de Babeș-Bolyaiuniversiteit in Cluj-Napoca, Zij behaalde een Master in het vertalen van literaire (Franse) literatuur aan de universiteit van Boekarest, en promoveerde in 2007 met een proefschrift over voetnoten in de literaire vertaling. Ook behaalde zij een Europese Master voor de opleiding van conferentietolken, universiteit van Boekarest, specialisatie Engels-Frans (2010-2012). Zij werkte als redacteur (o.a. Cluj, ART, Boekarest). Zij vertaalde boeken naar het Roemeens van o.a. Henry Miller, “A Devil in Paradise”; A.A. Milne – “When We Were Very Young; Now We Are Six”; Kate DiCamillo – T”he Miraculous Journey of Edward Tulane”; Ruth Stiles Gannett – “My Father’s Dragon”; Kate DiCamillo – “Flora and Ulysses”; Luis Sepulveda – “Historia de una gaviota y del gato que le enseñó a volar”; V.S. Naipaul – “Magic Seeds” etc. Gepubliceerd werk: Escapada (short stories), 2014; “Vijf minuten per dag” (“Cinci minute pe zi” - korte proza), 2011; "Verhalen bij mij" (Poveşti cu mine“ - gedichten), 2006. In 2016 verscheen haar eerste roman “Interior zero”.

Uit: Interior Zero (Vertaald door Alistair Ian Blyth)

« Mother has been working in Spain for so long that it seems like forever. She works in tourism, at the seaside, and comes home once a year, out of season. She arranges it so that she will catch the winter holidays. For years and years, she hasn’t seen Romania in leaf or in bloom, she always comes when it’s muddy, when people are grey and muffled up, and she gets the impression that the country is a depressing place. Sometimes she’ll be here when it snows and it makes her as happy as a small child, her woolly hat slips down over her eyes and she blows her nose and she shovels the snow out of the yard. And after that she tells the people in Spain that it was snowing here and they are amazed and they always say that they ought to come to visit Romania at least once.
When she comes to my house in Bucharest, I always draw up a plan for where we can go and what we can do to have fun, so that we won’t sit in my one room flat and get bored.

We’ve set aside a whole day to do a tour of Berceni and the new housing blocks. So that we can see what they’re like, because I’ve been sending her links about the new blocks, and if I decide to take out a loan, she’ll give me the deposit.
There’s a little bit of sun in the morning, but by the time we leave the house, we’ve missed it. The day turns grey again, like it was yesterday and the day before yesterday. We get on the metro, change at Victoriei and then sit next to each other during the long journey to Dimitrie Leonida.
I tell her that the new metro trains are built in Spain. And that the woman who announces the stations has taken Metrorex to court, because they didn’t pay her. I don’t know what else to tell her about Romania.
“But isn’t she from the time of Ceausescu ?”
“No, it’s a young woman. An actress.”
The Dimitrie Leonida metro station is a time capsule and Mother likes it. But when we come outside onto the boulevard she doesn’t like it.
“Oh dear.”
We turn left at random and the asphalt immediately peters out. Here and there between the new housing blocks you can see a rustic yard, which has survived the real estate invasion.
A cowpat, a horse neighing, a cockerel. I think it’s nice. Far from the madness of the city. And this is the only area where a one room flat costs twenty thousand.
“Where are the drains ?” wonders Mother.
“I read on the chat rooms that the ones that are farther from the main road don’t have drains. They have septic tanks.”
“What’s a septic tank ?”

 

 
Lavinia Braniște (Brăila, 23 februari 1983)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: lavinia braniște, romenu |  Facebook |

22-02-18

Arnon Grunberg, Rob Schouten, Ruben van Gogh, Paul van Ostaijen, Hugo Ball, Danilo Kis, Sean O'Faolain, Ishmael Reed, Edna St. Vincent Millay

 

De Nederlandse schrijver Arnon Grunberg werd geboren in Amsterdam op 22 februari 1971. Zie ook alle tags voor Arnon Grunberg op dit blog.

Uit:Aan nederlagen geen gebrek

„Aan Jan Ritsema Amsterdam, 25 februari 1991
Geachte heer Jan Ritsema,
Ons gesprek van verleden week in Scheltema heeft mij met de neus op de feiten gedrukt, of was althans de katalysator daarvoor. Dat mijn tekstjes emotionele interrupties zouden zijn gaat nog niet ver genoeg, afscheidingen van een zieke zijn het. En was die ziekte nog maar iets verhevens, maar het is de meest triviale, banale ziekte die een mens zich kan indenken. Als tussen de mieren de handen waren, die mij langdurig zouden verdoven, die mij uiteen zouden rijten, geloof me, ik zou dat armzalige geploeter laten voor wat het is en tussen de mieren gaan wonen. Hierbij een kort tekstje van mij, niet naar jou gestuurd in enige functie of hoedanigheid. Meer om als wij elkaar weer eens ontmoeten in smoezelige cafés, braakliggende etablissementen, wij naast de belangrijke dingen van het leven 't een en ander de revue kunnen laten passeren. Intussen hoop ik dat de helse depressiviteit, die zo ik weet, ook jouw megalomane stemmingen met een satanisch genoegen afbreekt en doet omslaan in walging en nog eens walging, uit is gebleven.
Morgen reis ik weer af naar Rotterdam en 's avonds zal ik in café Scheltema Johanna ter Steegem treffen. Of ik daar dan werkelijk gewichtig moet doen over een of andere monoloog die ik nog moet gaan schrijven of bij gebrek aan iets beters Baudelaire zal citeren (dronken moet je zijn, dronken van de poëzie, het leven, de liefde, maar dronken moet je zijn) weet ik nog niet. Het zal wel weer bij een hoop grote woorden blijven.
Ik houd je op de hoogte, een groet en sterkte,
Arnon

 

 
Arnon Grunberg (Amsterdam, 22 februari 1971)
Cover

Lees meer...

Philip Kerr

 

De Britse schrijver Philip Ballantyne Kerr werd geboren in Edinburgh op 22 februari 1956. Kerr studeerde rechten en juridische filosofie aan de universiteit van Birmingham en werkte daarna in een reclamebureau. 1989, zijn eerste roman, “March Violets”, die speelt in de jaren 1930 in Berlijn, een mix van historische roman en thriller die internationale erkenning ontving en waaraan in Frankrijk de Prix du Roman d'Aventures en de Prix Mystère de la critique werd toegekend. Vanuit het debuut ontwikkelde zich de misdaadtrilogie “Berlin Noir” over de privédetective en voormalige hoofdinspecteur Bernhard Gunther. Verschillende bijfiguren zijn niet fictief, zoals Ernst Gennat (destijds politiecommissaris van Berlijn), Reinhard Heydrich, Bernhard Weiß (een Joods politicus), Arthur Nebe, Adolf Eichmann, Horst Carlos Fuldner (een nazi-agent in Argentinië) en Joseph Mengele. Zijn romans en thrillers schreef hij onder zijn eigen naam en zijn kinderboekenserie “Children of the Lamp” als P.B. Kerr.

Uit: The Other Side of Silence

„Yesterday I tried to kill myself.
It wasn’t that I wanted to die as much as the fact that I wanted the pain to stop. Elisabeth, my wife, left me a while ago and I’d been missing her a lot. That was one source of pain, and a pretty major one, I have to admit. Even after a war in which more than four million German soldiers died, German wives are hard to come by. But another serious pain in my life was the war itself of course, and what happened to me back then, and in the Soviet POW camps afterwards. Which perhaps made my decision to commit suicide odd considering how hard it was not to die in Russia; but staying alive was always more of a habit for me than an active choice. For years under the Nazis I stayed alive out of sheer bloody mindedness. So I asked myself, early one Spring morning, why not kill yourself? To a Goethe-loving Prussian like me the pure reason of a question like that was almost unassailable. Besides, it wasn’t as if life was so great anymore, although in truth I’m not sure it ever was. Tomorrow and the long, long empty year to come after that isn’t something of much interest to me, especially down here on the French Riviera. I was on my own, pushing sixty and working in a hotel job that I could do in my sleep, not that I got much of that these days. Most of the time I was miserable. I was living somewhere I didn’t belong and it felt like a cold corner in hell, so it wasn’t as if I believed anyone who enjoys a sunny day would miss the dark cloud that was my face.
There was all that for choosing to die, plus the arrival of a guest at the hotel. A guest I recognized and wished I hadn’t. But I’ll come to him in a moment. Before that I have to explain why I’m still here.
I went into the garage underneath my small apartment in Villefranche, closed the door, and waited in the car with the engine turning over. Carbon monoxide poisoning isn’t so bad. You just close your eyes and go to sleep. If the car hadn’t stalled or perhaps just run out of gas I wouldn’t be here now. I thought I might try it again another time, if things didn’t improve and if I bought a more reliable motor car. On the other hand, I could have returned to Berlin, like my poor wife, which might have achieved the same result. Even today it’s just as easy to get yourself killed there as it ever was and if I were to go back to the former German capital, I don’t think it would be very long before someone was kind enough to organize my sudden death. One side or the other has got it in for me, and with good reason. When I was living in Berlin and being a cop or an ex-cop, I managed to offend almost everyone, with the possible exception of the British.”

 

 
Philip Kerr (Edinburgh, 22 februari 1956)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: philip kerr, romenu |  Facebook |

J.M.A. Biesheuvelprijs voor Annelies Verbeke

 

J.M.A. Biesheuvelprijs voor Annelies Verbeke

De Vlaamse schrijfster Annelies Verbeke krijgt de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste Nederlandstalige korteverhalenbundel voor haar boek “Halleluja”. De Biesheuvelprijs wordt volledig gefinancierd met crowdfunding en de hoogte hangt daar ook van af. Aan de prijs is deze keer een geldbedrag verbonden van 7336 euro. De prijs wordt voor de vierde keer uitgereikt. In 2015 won Rob van Essen, in 2016 Marente de Moor, in 2017 Maarten 't Hart. Annelies Verbeke werd geboren op 6 februari 1976 in Dendermonde. Zie ook alle tags voor Annelies Verbeke op dit blog.

Uit: Halleluja (De beer)

“De auteur is een beer geworden. Een oude, bruine beer.
Van het mannelijke geslacht maar impotent, zo meent hij te ontdekken, voorzichtig tastend met zijn kromme klauw.
Omdat hij vindt dat hij over zoiets open kaart moet spelen, vertelt hij het meteen aan de partner van de auteur, naast hem in bed. De partner draait zich slapend om en verstrengelt zich blindelings met de beer, zijn mond om diens rechtertepel. De beer gromt zacht en fronst.
Wankel en houterig loopt hij de trap af. Onderweg naar het toilet bemerkt hij harde, schilferige stukken huid op zijn knieën. Op zijn ellebogen eveneens. Alsof hij door zijn vacht is gebarsten. Eczeem misschien, denkt de beer, of schurft. Spierpijn heeft hij ook, en diarree. Een oude, zieke beer.
Of hij een bruine beer is, weet hij niet zeker, mogelijk is hij een kleine grizzly. Hij bestudeert zichzelf voor de badkamerspiegel: geen haar op zijn neus, geen bult op zijn rug. De voetafdruk die hij na een stap op de natte badkamermat achterlaat toont tenen die uit elkaar staan. Op vier poten bevindt zijn achterste zich hoger dan zijn schouders. Heel zeker een bruine beer. Geen grizzly. Ach, wat kan het me ook bommen, denkt de beer.
‘Gelukkig ben ik geen ijsbeer, het is een warme lente.’ Hij probeert positief te blijven. Het lukt niet. Waarom net deze metamorfose? Beter als beer ontwaken dan als insect? De beer heeft daar sterk zijn twijfels over. Hij herinnert zich een film die de auteur ooit zag, eentje uit de jaren tachtig, hij kan
niet op de titel komen, iets met een randpersonage dat een berenpak droeg na een verkrachting. Dat was hier niet het geval, tenzij de verkrachting metaforisch moest worden opgevat, maar de kop van de beer staat nu absoluut niet naar metaforen. Hij draagt ook geen berenpak, er valt niets uit te trekken.
Dat de auteur de voorbije maanden steeds grotere hoeveelheden honing had gegeten had een waarschuwing moeten zijn. Hoewel de weegschaal het tegensprak, had ze zich steeds zwaarder gevoeld. Het was onvoorstelbaar hoeveel ze in korte tijd was verloren, wat er buiten haar wil of inbreng om was opgeheven, afgerond en opgeblazen.”

 

 
Annelies Verbeke (Dendermonde, 6 februari 1976)

 

21-02-18

Herman de Coninck, Tom van Deel, Jonathan Safran Foer, Hans Andreus, David Avidan, Chuck Palahniuk, Wystan Hugh Auden, Laure Limongi, Justus van Effen

 

De Vlaamse dichter, essayist, journalist en tijdschriftuitgever Herman de Coninck werd geboren in Mechelen op 21 februari 1944. Zie ook alle tags voor Herman de Coninck op dit blog.

 

Kleurenstudie

En de zwarte kraai kwam
van over de zeven bergen gevlogen en
bracht een brief in z'n bek:

een zwarte omslag met een zwart
kaartje er in waarop in witte
letters het woord 'zwart'.

Zo donker is de nacht van de dood
en zo wit is onze schrik.

 

 

Om echt te lezen

Om echt te lezen
moet je alle lichten uit doen,
woorden houden van duisterheid
zoals het beeld houdt van de donkere kamer.
Onder hen beiden zouden ze zonder geluid
te maken de wereld kunnen vervangen.

 

 

Alles deed pijn

Alles deed pijn. Twee uur lang in kleren
gehesen worden deed pijn. Zijn vrouw zijn
deed pijn, lachen deed pijn, grijnzen al minder,
moed niet. Moed wordt ervan gemaakt

zoals een vuist van vijf vingers.
En verdriet is die vuist weer opendoen.

Sterven doe je alleen.
Niet sterven ook.

Dood zijn doe je met twee
Achterblijven ook.

 

 
Herman de Coninck (21 februari 1944 - 22 mei 1997)
Cover

Lees meer...

20-02-18

P. C. Boutens, David Nolens, Ellen Gilchrist, Julia Franck, Georges Bernanos, William Carleton, Cornelis Sweerts, Johann Heinrich Voß, Pierre Boulle

 

De Nederlandse dichter Pieter Cornelis Boutens werd geboren in Middelburg op 20 februari 1870. Zie ook alle tags voor P. C. Boutens op dit blog.

 

Sonnet II

Hemel, eindloos blauw lokkend zieleweiland, -
Zee, die in zon- en maanstilte of wolkdonderen
Aandrijft de veelheid der wereldsche wonderen
Wier vrije vlotte vloot bij ieder tij landt,
Zie ons, bleek menschdom, uit ons eng afzonderen
Op dit uw zielenvol dagegroen eiland,
Als slaven naar hun overzeesch en vrij land,
Wringen ons handen van vervoerings vlonderen:

Diep in een ouden droom die altijd weêrkomt,
Ligt opgetrokken aan den havenkant
Vleugelen boot waarmeê we eens zijn geland
Als zon en maan en sneeuw en regen neêrkomt, -
Tot laten einddroom wanneer ge openbreidt:
Windbreede vaart naar alle oneindigheid.

 

 

Sonnet VIII

Kom: ik ben enkel lust en lieflijkheid,
Een zilvervolle hof altijdig ooft,
Waar knop en bloesem eeuwge vrucht belooft,
Een levend maal op ieder uur bereid.

En waar het hart der stilte welft en spreidt,
Aardkoele woon doorluchtig overloofd,
Houdt zon en maan om Uw hoog-heerlijk hoofd
Haar gulde' afspraken tot in eeuwigheid.

O kom: geen weet het enge steile pad
Dat door de bergen naar den wijngaard leidt,
Dan Gij alleen en die den hof geplant heeft:
God, die eens zeker komt te Zijner tijd
En streng-rechtvaardig U de tienden schat
Van vele aardsche oogsten die Hij U verpand heeft.

 

 

Uit: Strofen en andere verzen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe

 

Negende strofe

Daar is niet éen die eenzaam gaat als ik,
en geen der andren draagt zijn harts geheim -
dit donker zaad dat zwelt naar lichten bloei,
dit stomme leed dat hijgt naar luid geluk -
in zulk een klem van onverbreekbaar zwijgen.
Want als een kind, in vroegste jeugd verdoold
naar een ver land, moeder en moedertaal
alleen nog weet als felbewust gemis,
ergens achter den bleeken horizon
een lang verloren onbereikbren schat;
en als zijn hart in druk van smart of vreugd
zich uit moet spreken aan een ander hart,
keert het vreemd woord in ledige echo weder,
ijdel en dood zoodra zijn mond het sprak -:
zóo, waar ik door de lichte volten dwaal
van dit ontelbaar levendschoone volk,
wenken van de overzij der dubble stilte
oogen alzijds mijn oogen als gelijken,
en mijn hart bonst in luideloozen zang;
maar als mijn schuwe groet hun nadertreedt,
en van hun lippen ruischt het helder antwoord,
dan voel ik hoe ik nimmer halen zal
den simplen aanslag van dien heemschen toon,
en 't teedre lied blijft op mijn lippen stom...
En andren onderwijl, als duistre schimmen,
met oogen achter schaduwmom versmeuld,
sluipen en duiken door het dichtst gewoel,
en vaak benadert mij hun half gebaar
als een dof grijnzen: ‘gij zijt éen van ons’ -
en van hun lippen valt een heesch gefluister,
een taal waarin geen schepsel zingen kan,
maar waarvan iedre klank mijn hart doorpriemt
en ieder woord mijn diepste wezen schokt,
en tranen wellen, die mijn oogen branden...
O daar is geen die eenzaam gaat als ik!

 

 
Pieter Cornelis Boutens (20 februari 1870 – 14 maart 1943)
Portret door Willem van Konijnenburg, 1914

Lees meer...

19-02-18

Michiel Stroink, Siri Hustvedt, Helen Fielding, Jaan Kross, Helene Hegemann, Björn Kuhligk, Thomas Brasch, Dmitri Lipskerov, Wolfgang Fritz

 

De Nederlandse schrijver Michiel Stroink werd geboren in Oss op 19 februari 1981. Zie ook alle tags voor Michiel Stroink op dit blog.

Uit: De notaris en het meisje

“Voor Anna was het de vijfde keer dat ze het begrafenisritueel aanschouwde. Bij de vorige processie mocht ze voor het eerst met de vrouwen meelopen. Ze droeg toen een zwarte overrok die ze bij iedere stap tot aan haar enkels de kleigrond in trapte. Nu zat ze gehurkt achter de kruiwagen met het zware gevoel in haar keel en kon ze zich niet eens meer voorstellen hoe licht het leven was toen ze met de kinderen mee mocht huppelen, achter de bellen en de fakkels aan.
De stoet trok langs het ondiep en zou nog eenmaal in de richting van het dorp komen voor hij afboog naar het droogveld. De dikke mist die over het laagland dreef, leek er altijd te zijn als er dingen gebeurden die God niet mocht zien. Nu zorgde Hij ervoor dat Anna alleen de kop, het midden en de staart van de meanderende rouwstoet zag.
‘Het lijkt op een aal.’ De krassende mannenstem kwam van achteren, naast de schuur. ‘Hij kronkelt het moeras in.’ De man was niet van het laagland. Hij droeg een zwarte overjas over een donker pak, en onder de hoed die tot aan zijn wenkbrauwen over zijn voorhoofd was getrokken, staarden twee kraalogen haar onafgebroken aan. Onder zijn linkeroog liep een litteken, als een traan, langs zijn neus tot aan zijn mondhoek.
Het duurde even voor Anna de man vanuit hurkzit durfde aan te spreken.
‘Wie bent u, meneer? Bent u soms familie?’ Anna stond op en wilde een stap naar achteren zetten, maar stootte tegen de kruiwagen aan.
‘Je bent mooi. Geen kleikop, je hebt een fijn gezicht. Hoe oud ben je, meisje?’
‘Ik ben zeventien, bijna achttien. Ik heet Anna. Wie bent u?’
De glimlach van de man drukte het litteken schuin omhoog.
‘Bijna achttien, toe maar. Waar zijn je ouders, meisje?’
‘Mijn vader en moeder lopen mee. Ze lopen naar het droogveld.
Ze zijn pas rond de middag weer terug.’
‘Werkt je vader aan het veen of op het veld?’

 

 
Michiel Stroink (Oss, 19 februari 1981)

Lees meer...

18-02-18

De verzoeking in de woestijn (Nicolaas Beets)

 

Bij de eerste zondag van de vasten

 

 
De verzoeking van Christus door Ary Scheffer, 1854

 

 

De verzoeking in de woestijn
Matth. IV. v. 1-11.

I.
De booze.
Hoe? Is des Boozen euvelmoed
Zoo groot, dat niets hem vreezen doet,
Dat hij den Reinen aan durft blikken
En tarten tot zijn worstelperk?
Durft hij, door list en lagen sterk,
Den Heilgen lokken in zijn strikken?

Vernam hij, in de afzichtbre hel,
Van Gods genade 't grootsch bestel,
Zoo is de tijd zijns wroks gekomen;
Want de aarde, 't voorwerp van zijn wensch,
Met den door hem gevallen mensch,
Zijn roof, zijn buit wordt hem ontnomen.

Verborgen voor zijns volks gezicht,
Bereidt zich Jezus tot den plicht,
Waarop hij 't oog des geestes vestte,
En toeft in 't hart der woestenij.
Reeds veertig dagen vastte hij,
Maar nu, nu hongert hem ten leste.

Daar treedt, geoefend op verraad,
Met vriendlijk oog en heusch gelaat,
De Satan voor des Heilands oogen:
‘Hoe? Lijdt Gods zoon hier hongersnood?
Hij vordre van dees rotsen brood;
Wat zou Zijn almacht niet vermogen?’

Naar 's Tempels tinnen voert hij hem.
‘Welnu,’ klinkt des Verzoekers stem,
‘Werp, werp u af! Gij moogt het wagen.
Zijt Gij Gods Zoon, voor u geen nood!
Daar de Englen Gods Gods Gunstgenoot,
Op hunne handen zullen dragen.’

Hij voert hem op een hoogen berg,
Dat hij zijn hart met eerzucht terg:
‘Ziehier al 's werelds vorstendommen!
Indien gij neervalt aan mijn kniên,
Zult gij ze in Uwe handen zien,
Ten top van grootheid opgeklommen.’

De Heilige blijft onverlokt;
Geen list des Satans, die hem schokt
Of in zijn hart den lust kan wekken;
Hij keert de pijlen, die hij spilt,
Op 't godlijk woord als op een schild,
En dwingt hem schaamrood af te trekken.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
Sint Bavo kathedraal in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

 

Zie voor de schrijvers van de 18e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

07:47 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: nicolaas beets, romenu, vasten |  Facebook |

Nick McDonell, Robbert Welagen, Bart FM Droog, Maarten Mourik, Huub Beurskens, Gaston Burssens, Toni Morrison, Elke Erb, Charlotte Van den Broeck, J. C. Bloem, Clara Eggink

 

De Amerikaanse schrijver Nick McDonell werd geboren op 18 februari 1984 in New York. Zie ook alle tags voor Nick McDonell op dit blog.

Uit: The Third Brother

“When dinner started, the children would go to the playroom and eat with the nannies. They lounged on heavy couches, watching movies until they fell asleep and the nannies went outside for cigarettes. Lyle especially loved these dinners and made a point of talking to everybody, lingering in the dining room rather than watching movies with the other children. He loved listening to adults talk. So did Mike, but he knew he didn't understand the way his older brother did. The adults sat and drank wine and laughed and smiled at one another in the fall candlelight. Many of them had started families late or had been married once before and had only recently started new ones. Jobs were interesting; there was much travel. There was a lot to talk about, and the subtext was that they were lucky to have the lives they had. Mike remembered everyone being very happy.
Before one of these dinners, Lyle decided that he and Mike would be spies. Lyle had gotten a small tape recorder, only a toy really, for his birthday earlier that fall. Their plan was to hide it in the dining room to record the dinner conversation. While the servants were setting up, and Mike's mother was upstairs dressing, and Mike's father was out walking along the ocean, Lyle and Mike secured the tape recorder under the table with duct tape. As the guests arrived and had drinks, the boys slid between them and crawled under the table and switched on the recorder. They were very excited all through dinner, but they didn't tell any of the other children what they were up to. By dessert, Mike couldn't wait any longer. He wanted to go get the recorder. No, said Lyle, they'll be there for a long time. Let's just look. When they peeked around the dining room door, Elliot Analect saw them and held up the tape recorder, which he must have found much earlier, maybe when he first sat down. Analect wasn't a regular guest at these dinners. He was usually abroad somewhere. At this point he was a correspondent in East Asia, and Mike's father was especially glad to have him for Thanksgiving. Mike's mother didn't like Analect. Mike didn't know this the way Lyle did, but he had a sense of it too. When Analect held up the recorder Mike knew instantly they would be in trouble. He saw the way the adults laughed but didn't think it was funny. One of them, drunker than the rest and not a very good friend of Mike's parents, was even a little angry. Mike remembered that he worked for one of the networks. Their mother was embarrassed and that always made her cross as well. Mike's father called the boys over and tried to set things right by giving them a talk in front of the table that was both funny and serious. Analect removed the tape from the recorder and put it in his pocket.”

 
Nick McDonell (New York, 18 februari 1984)

Lees meer...

Níkos Kazantzákis, Jean M. Auel, Audre Lorde, Mór Jókai, Hedwig Courths-Mahler, Alexander Kielland, Wallace Stegner, Leone Battista Alberti

 

De Griekse dichter en schrijver Níkos Kazantzákis werd geboren in Heraklion op 18 februari 1883. Zie ook alle tags voor Níkos Kazantzákis op dit blog.

Uit: The Odyssey (Vertaald door Kimon Friar)

Snatch prudence from me, God, burst my brows wide, fling far
the trap doors of my mind, let the world breathe awhile.
Ho, workers, peasants, you ant-swarms, carters of grain,
I fling red poppies down, may the world burst in flames!
Maidens, with wild doves fluttering in your soothing breasts,
brave lads, with your black-hilted swords thrust in belts,
no matter how you strive, earth's but a barren tree,
but I, ahoy, with my salt songs shall force the flower!
Fold up your aprons, craftsmen, cast your tools away,
fling off Necessity's firm yoke, for Freedom calls.
Freedom, my lads, is neither wine nor a sweet maid,
not goods stacked in vast cellars, no, nor sons in cradles,
it's but a scornful, lonely song the wind has takenŠ
Come, drink of Lethe's brackish spring to cleanse your minds,
forget your cares, your poisons, your ignoble profits,
and make your hearts as babes, unburdened, pure and light.
.
O brain, be flowers that nightingales may come to sing!
Old men, howl all you can to bring your white teeth back,
to make your hair crow-black, your youthful wits go wild,
for by our Lady Moon and our Lord Sun, I swear
old age is a false dream and Death but fantasy,
all playthings of the brain and the soul's affectations,
all but a mistral's blast that blows the temples wide;
the dream was lightly dreamt and thus the earth was made;
let's take possession of the earth with song, my lads!
Aye, fellow craftsmen, seize your oars, the Captain comes;
and mothers, give your sweet babes suck to stop their wailing!
Ahoy, cast wretched sorrow out, prick up your ears-
I sing the sufferings and torments of renowned Odysseus!

 

 
Níkos Kazantzákis (18 februari 1883 - 26 oktober 1957)

Lees meer...

17-02-18

Shahrnush Parsipur, Willem Thies, Sadegh Hedayat, Yevgeni Grishkovetz, Albert Kuyle, Jaroslav Vrchlický, Chaim Potok, Mo Yan, Frederik Hetmann

 

De Iraanse schrijfster Shahrnush Parsipur werd geboren op 17 februari 1946 in Teheran. Zie ook alle tags voor Shahrnush Parsipur op dit blog.

Uit: Touba and the Meaning of Night (Vertaald door Kamran Talattof and Havva Houshmand)

“Haji Adib thought, "I am old." His heart sank. There was not much time left to spend on the subject of becoming and metamorphosis, or the spirit of dust in part and whole, or to contemplate the trees as a whole or the minute parts making up the whole. He thought that probably each in its own minute society had a few Haji Adibs and Moshir O'Dolehs and Englishmen who fought each other. He laughed and imagined that probably Asdolah their local butcher chopped their meat for them. And then he laughed loudly again.
Suddenly the rhythmic sound of the shuttle comb stopped in the basement. Haji Adib could no longer hear the soft conversations of the women. The sun had not yet reached the middle of the sky. Haji Adib still sat on the edge of the octagonal pool, his fist under his chin. He turned his head around and, through the sharp angle that formed between his head and his arm, looked in the direction of the basement. The women had gathered by the basement window staring in his direction and were whispering. He had a feeling that they were talking about him. He remembered that just a few seconds ago he had laughed, loud and without inhibition, in a manner that was not appropriate to his position, and that the women had never seen such behavior in him. As he slowly tapped his foot on the ground, he thought, "They think. Unfortunately, they think. Not like the ants nor like the minute parts of the tree, nor like the particles of dust, but more or less as I do." But, he was certain that they would never have thoughts about Mullah Sadra.
Suddenly he was shaken again, for of course they could think about Mullah Sadra as well. Had that not been the case with that rebellious and audacious woman who lived in their town when he was a child, who created all that uproar and sensation? People said that she was a prostitute, but they also said that she was learned. How much talking there was about her! He remembered someone telling his father that she was the messiah. The women were laughing behind the basement window. Haji thought disparagingly that they were behaving with typical women's foolishness. One pushed and the others burst out laughing; one was tickled while the other tried to get away. If there had not been a man in the house, their laughter would probably have been heard all over. Undoubtedly some of them were going crazy for not having a husband, but it was not possible to find husbands for them. They were dependent on Haji Adib, and there was not a man available at the moment who was rich enough to take one of them. Besides, if they did get married who would then weave the carpets? For that, he couldn't bring strange women into the house. They might then participate in some perverse activities with one another.”

 

 
Shahrnush Parsipur (Teheran, 17 februari 1946)
Cover

Lees meer...