29-03-18

Gethsemane (Jacqueline van der Waals)

 

Bij Witte Donderdag

 


Gethsemane door Carl Bloch, 1875

 

 

Gethsemane

Jezus, de laatste der nachten,
Ging naar de hof der olijven,
Liet zijn discipelen blijven
Buiten de duistere gaard;
Toen koos Hij drie uit hun midden,
Met Hem te waken, te bidden,
Maar door het bidden en wachten
Werden hun ogen bezwaard.

Kon dan niet één met Hem waken ?
Eén in die smartelijke uren
Met Hem de droefheid verduren
Van Zijn verwerping, Zijn smaad ?
Moest Hij, die zwartste der nachten,
Eenzaam de kruisdood verwachten,
Eenzaam de bitterheid smaken
Van de triomf van het kwaad?

'k Wil bij Uw droefheid verwijlen,
In Uwe smarten verzinken,
Gij, die de beker moest drinken,
Die de verzoening ons bracht,
Wie zal de angsten doorgronden
Van deze nachtelijke stonden ?
Wie zal de duisternis peilen
Van deze duistere nacht ?

 

 
Jacqueline van der Waals (26 juni 1868 – 29 april 1922)
De Elandkerk (O.L.V. Onbevlekt Ontvangen) in Den Haag, de geboorteplaats van Jacqueline van der Waals

 

 

Zie voor de schrijvers van de 29e maart ook mijn vorige blog van vandaag.

Geert van Istendael, Wim Brands, Eric Walz, Georg Klein, Ernst Jünger, Yvan Goll, R. S. Thomas, Jacques Brault, Denton Welch

 

De Vlaamse schrijver, dichter en essayist Geert van Istendael werd geboren in Ukkel op 29 maart 1947. Zie ook alle tags voor Geert van Istendael op dit blog.

 

Brievenweger

Jij kunt niets anders dan geheimen wegen,
één per keer, verzegeld in papier.
De benen open, even. Overwegen.
De prijs bepalen. Dun, metalig dier,
wie meet exacter, wie heeft meer verzwegen?

Jij weet van niets. Jij bent getal van alles.
Een kleine sprong en het gewicht kan gaan.
Jij wacht, onaangedaan, op nieuw bericht.

 

 

Rachida

De was is stijf bevrozen.
't Is zeker weer min tien.
'k Moet zien da'k er geen stukken afbreek.
Da's hier zijn schoonste hemd.
Ik was er nog zo fier op
toen ik het gekocht heb in de solden.
Min zeventig procent, 't is gene prijs,
dan kan 'ne mens
zich een folieke permitteren.
Amai, het is hier koud,
koud in dat windgat hier.

Die handdoeken,
dat zijn juist plankskes.
Maar droog, dat wel,
de zon staat er vlak op.
in de zomer
hangt uwe was nog niet goed op of
ge kunt de lakens er al af pakken.
Ze zijn dan nog niet helegans droog,
maar 'k heb dat feitelijk liever,
zo'n beetje vochtig,
dat strijkt veel beter.
Vooruit, Rachida,
een beetje rapper, maske,
ge krijgt hier anders nog
een dubbel fleurus seffens.

 

 

Wie schrijft vergeet

Dit zal ik van de steden 's zomers leren.
Op lanen stoeten auto's in de zon
en, met dik potlood ver geschetst,
flanerend, opgetogen, meisjes, heren.

Wat willen steden 's zomers aan mij kwijt?
Van zenuwknoop tot zenuwknoop verdwalen
en telkens het verschil: lijdzame straten,
terrassen, schelle pleinen, vuiligheid.

Maar tussen wat daar is en mij staat glas. Ik weet
dat wat ik zie, ruik, hoor, hermetisch is.
Een stad blijft onvoltooid. Op dit papier
staat orde, dus bedrog. Wie schrijft vergeet.

 

 
Geert van Istendael (Ukkel, 29 maart 1947)

Lees meer...

28-03-18

Walter van den Broeck, Joost de Vries, Mario Vargas Llosa, Chrétien Breukers, Steye Raviez, Nelson Algren, Marianne Frederiksson, Russell Banks, Léon-Gontran Damas

 

De Vlaamse roman- en toneelschrijver Walter van den Broeck werd geboren in Olen op 28 maart 1941. Zie ook alle tags voor Walter van den Broeck op dit blog.

Uit: Lang weekend

“– Joepiehajeejoepiehaho, dacht Hector de Waegenmaeckere. Joepiehajeejoepiehaho, drie dagen vakantie voor de boeg! Hij frunnikte de kraag van zijn regenjas in de vouw, knelde zijn zwartglimmende aktetas met de elleboog tegen zijn zij, en schreed met lange passen door de luchtgetemperde hal. Drie dagen vakantie. De klok boven de glazen deur wees 17u aan. Hector keek instinctmatig op zijn polshorloge, en zong zachtjes de dertien eerste noten van de Brabançonne. (TarAra BOEM tAra rAra rAra BOEM tara.)
In een der zijkantoren kreeg een nijdige schrijfmachine nog vlug een kortstondige zenuwcrisis, en daarna was er nog slechts het steriel gemompel en gehoest van enkele bejaarde bedienden hoorbaar. Hector luisterde naar de forse klank van zijn leren schoenzolen op het beslagen marmer, en stak zijn vrije hand uit naar de ingewikkelde, keramieken deurknop. De deurdrang bood slechts één ogenblik weerstand.
– Elke dag tweemaal indiaans worstelen, dacht hij. Zijn wagentje stond naast de slee van een der molochen, die op de bovenverdieping hun dagelijkse roes uitsliepen in kunstleren fauteuils en af en toe aan gloeiende filters nipten. Hector trok iets te ruw aan zijn linker oorlel, zei: au verdomme! en graaide toen in zijn zak naar zijn contactsleutel. De tijger onder de motorkap begon bij de eerste aanslag luidkeels te brullen. Bescheiden rolde het wagentje het parkeerterrein af. Vinnig drukte Hector op het gaspedaal.
– Drie dagen vakantie. Joepiehajee, dacht hij.
In vierde versnelling raasde hij over het beton. Aan het kruispunt genoot een Amerikaan zo uitvoerig van zijn voorrang dat Hector met een ruk zijn voertuig tot stilstand moest brengen. Hij draaide nerveus het raampje open en riep onvriendelijk:
– Enorm rotkreng van een zondagsrijder! Kan je verdomme niet uitkijken waar je met die afgrijselijke circuskar rijdt, of zijn je poten al zo erg verkalkt dat je niet eens meer behoorlijk met je stuurwiel kan manoeuvreren? Zijn laatste woorden rafelden uit in de wind, want de Amerikaan was reeds uit het gezicht verdwenen. Een voorbijganger keek Hector verbaasd aan en zei:
– Hier mag je niet blijven staan, je moet aan de oneven kant gaan staan.
– Krijg jij maar scheurbuik! gilde Hector, en nijdig rukte hij aan zijn contactsleutel. De motor weigerde. Hector vloog naar buiten en gooide de motorkap open. De tijger was door het bruuske stoppen met zijn staart tussen de schroefbladen klem geraakt. Tranen vloeiden hem uit de ogen.”

 

 
Walter van den Broeck (Olen, 28 maart 1941)
Cover

Lees meer...

27-03-18

Heinrich Mann, Shusaku Endo, Golo Mann, Carolina Trujillo, Patrick McCabe, Bob den Uyl, Dubravka Ugresić,, Francis Ponge, Alfred de Vigny

 

De Duitse schrijver Heinrich Mann werd geboren op 27 maart 1871 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Heinrich Mann op dit blog.

Uit: Die große Sache

„August Schattich nur einen einzigen Anlas besonderen Stolzes, seine Frau. Sie kam aus einer Familie von alten Reichen und brachte ihm 100 000 Mark Mitgift im Jahre 1911. Es blieb das einzige, was sie ihm jemals bringen sollte, denn der allzu gewohnte Reichtum der Ihren hielt den Gefahren der Zeit nicht stand. Sie verloren fast alles.
Nora Schattich, ursprunglich die Gebende, sah sich seitdem in die Lage der unterhaltenen Frau versetzt. Die unvergleichliche wirtschaftliche Uberlegenheit ihres Gatten nagte an ihr noch mehr, weil sie uberzeugt war, sie stehe als Geist und Mensch turmhoch uber Schattich. Tatsachlich durchschaute sie seine personliche Politik und wuste, was von ihm ubrigblieb, wenn man einige
Geschicklichkeit abzog. Je mehr sie ihn verachtete, um so mehr bestaunte sie sein unmasiges Gluck. Einmal muste es sich doch aber wenden, wenn es nicht geradezu ein Gluck aus dem Marchen war. Mit groser Neugier wartete Nora Schattich darauf, das es mit ihrem Gatten anders kame.
Er fuhlte ihre Uberlegenheit und leugnete sie nicht. Er wuste, das er seinerzeit nur genehmigt worden war, um hinter die Liebe Noras zu einem hochadligen Offizier den Punkt zu setzen. Schon diese Erinnerung ordnete ihn ihr dauernd unter. Ferner bedruckten auch noch den Erfolgreichen ihre asthetische Bildung, ihre gesellschaftliche Glatte und ihr damenhaftes Selbstbewustsein. Sie vertrat die Dame von fruher, die jede Tatigkeit, auch die nachstliegende, ablehnt. Sie hatten keine Kinder. Was ihn aber endgultig verhinderte, gegen sie aufzukommen, waren ihre korperlichen Mase, das ausgedehnte und grobe Knochengerust, ein Eigentum ihrer ganzen Familie. Das feste und weishautige Fleisch, das die Knochen der hubschen Person bedeckte, hatte im Lauf der Zeit aufgehort, ihm viel zu sagen; er betrog sie mit anderen. Aber die Achtung vor ihrem Gerust verlies den mittleren Dickwanst nie. Er blieb ihr gegenuber, wie hoch er auch stieg, der kleine Mann – korperlich, in seiner Rede und nach seiner Herkunft. Nie vergas er in ihrer Gegenwart, das sein eigener Vater nur Unteroffizier und Schreiber beim Magistrat gewesen war. In allen anderen Verhaltnissen bemuhte er sich mit wechselndem Erfolg, an seine Vergangenheit nicht zu erinnern. Am schwersten ward es ihm, wenn er gut gelaunt war; man fand ihn dann leicht gewohnlich. Dabei belustigte er sich so gern.“

 

 
Heinrich Mann (27 maart 1871 – 12 maart 1950)

Lees meer...

26-03-18

Tennessee Williams, Gregory Corso, Hwang Sun-won, Martin McDonagh, Robert Frost, Patrick Süskind, A. E. Housman, Bettina Galvagni, Erica Jong

 

De Amerikaanse schrijver Tennessee Williams (eigenlijk Thomas Lanier Williams) werd geboren in Columbus, Mississippi, op 26 maart 1911. Zie ook alle tags voor Tennessee Williams op dit blog.

 

We have not long to love

We have not long to love.
Light does not stay.
The tender things are those
we fold away.
Coarse fabrics are the ones
for common wear.
In silence I have watched you
comb your hair.
Intimate the silence,
dim and warm.
I could but did not, reach
to touch your arm.
I could, but do not, break
that which is still.
(Almost the faintest whisper
would be shrill.)
So moments pass as though
they wished to stay.
We have not long to love.
A night. A day....

 

 

The Soft City

I
Eastward the city with scarcely even a murmur
turns in the soft dusk,
the lights of it blur,
the delicate spires are unequal
as though the emollient dusk had begun to dissolve them...

And the soft air-breathers,
their soft bosoms rising and falling as ferns under water
responding to some impalpably soft pressure,
turn with the city, too.

The petals of tenderness in them,
their tentative ways of feeling, not quite reaching out
but ever so gently half reaching out and withdrawing,

withdrawing to where their feminine star is withdrawing,
the planet that turns with them,
faithfully always and softly...

 

 
Tennessee Williams (26 maart 1911 – 25 februari 1983)
Cover biografie

Lees meer...

25-03-18

Jezus intrede in Jeruzalem (Nicolaas Beets)

 

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Jezus in Jeruzalem door Anthony van Dyck, 1617

 

 

Jezus intrede in Jeruzalem
Matth. XXI. v. 1-9.

Wat feestelijk hozannagalmen,
Wat luid gewoel in Davids stad,
Gezwier van schaduwende palmen
En kleederspreiding over 't pad!
Wien groeten de opgetogen scharen?
Wiens statig' intocht viert haar drom?
Wien spreidt men bloem en groene blaren,
En voert Hem zegevierende om?

Een Zegepraler, wien, na 't strijden,
Een juichend volk met drift begroet?
Maar hij zou 't oorlogsros beschrijden,
Nog kleurig van vergoten bloed.
Een lijfwacht zou zijn zij' bekleeden,
De bloem van 't overwonnen heir
Zou in zijns kleppers voetspoor treden,
Een keten slepend, Hem ter eer.

Of is 't een uitgeroepen Koning,
Die 't rijk aanvaard heeft door zijn recht,
Ten dage, die met praalvertooning
De kroon Hem op den tulband legt?
Maar neen, geen stoet van vorstenmagen,
Die voor zijn schreden zich verdringt;
Geen schepter wordt vooruitgedragen;
Geen schelle feestbazuin weerklinkt.

En toch een Vorst, maar niet van de aarde,
Is Hij wien 't ezelveulen draagt;
Een prins, dien Davids dochter baarde,
Maar die geen zetel Davids vraagt,
Daar Hij zijn afkomst hooger rekent,
En hooger troon bestijgen zal;
Wiens naam Gezalfde Gods beteekent,
Wiens staf trekt over 't wijd heelal.

Wie kent, van die zijn intocht vieren,
In Davids zegenrijke stad,
Wier handen hem de meien zwieren,
En kleedren spreiden op zijn pad;
Schoon zij den grooten Meester eeren,
Den Wonderdoener en Profeet,
Wie kent in Hem den Heer der Heeren,
Die Satan op den gorgel treedt?

Die d' ijselijken strijd beginnen,
De schrikbre worstling aan zal gaan,
Waarin Hij Dood en Hel verwinnen,
En, zegevierder, op zal staan?
En hoe? Door lijden boven maten,
Door sterven, 't menschdom ten rantsoen, -
Die nu Hem toejuicht op de straten,
Een lot, dat gij Hem aan zult doen!

Wij weten van uw zegepralen,
O Heer, in wien ons hart gelooft!
Wij koestren ons in 't licht der stralen,
Die schittren om uw zeegrijk hoofd.
Wij heffen oog en hand en harte
Tot U, die op de wolken troont;
Gij waart op aarde een man van smarte,
Maar nu met hemelsche eer gekroond.

Hozanna! Koning, dien wij groeten;
Hozanna! Heer en Hoofd der Kerk!
Wij vallen needrig aan uw voeten,
Alleen door uw genade sterk.
Bekrachtig ons, gij Heer der Heeren,
Opdat wij, in uw naam gegord,
Verwinnaars, uit het strijdperk keeren,
Waarin ons zonde en dwaasheid stort.

 

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
De Nieuwe Kerk in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

 

Zie voor de schrijvers van de 25e maart ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

12:07 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: palmzondag, nicolaas beets, romenu |  Facebook |

Pol Hoste, Menno Van der Beek, Jung Chang, Paul Meeuws, Flannery O'Connor, Jaime Sabines, Peter Van Straaten, Toni Cade Bambara, Romenu

 

De Vlaamse schrijver Pol Hoste werd geboren in Lokeren op 25 maart 1947. Zie ook alle tags voor Pol Hoste op dit blog.

Uit: Thee

“Aan mijn broer heb ik een foto gestuurd van het huis. Ik heb hem geschreven dat ik kunstgeschiedenis studeer. Hij kan de keuken zien en de ramen van de kamers en mijn vrienden lachen hem toe. Het is zomer en in de achtertuin eten we gebraden vlees met look en veel ajuin zodat we gespaard blijven van wormen. Ik lust geen rauw vlees. Men zal geen bloed drinken. Maar als er bloedworst wordt opgediend, eet ik en klaag niet.
Of de brief zijn bestemming zal bereiken, weet ik niet. Waar mijn familie leeft is het oorlog. Mijn grootvader werd vervolgd en gedood. Wij waren prinsen. Nu woon ik hier. Zal mijn broer ooit zien hoe mijn vrienden en ik kefir drinken en tomaten eten met brood? Dit hier zijn de stallen van de buren.
- Ga verder.
- Als het zondag was zette ik thee voor mijn vrienden. Maar ik kwam er niet achter waarom ze niet graag thee dronken. Kan men vragen waarom? Ik dacht dat het aan het water lag. Hier is er veel kalk in het water.
Op de markt kocht ik een nieuw kannetje. Ik vertelde de handelaar dat het water veel kalk bevatte.
‘Waarom keert u niet terug naar uw land?’ zei hij. ‘Als het water hier niet deugt?’ Ik verzweeg voor hem dat mijn familie in de woestijn woonde.
‘In mijn land, meneer,’ zei ik, ‘kookt het water als men er vuur onder maakt. En daarom heb ik een kannetje nodig.’ Dit vond ik een goed antwoord.
Het kostte me moeite om op de oude markt een waterdicht kannetje te vinden. Hoe kon ik weten dat men zich alles in winkels aanschaft? Ik zag geen winkels waar men kannetjes verkoopt.
‘Wat u zoekt,’ zei de handelaar die zich warmde aan een flesje cognac, ‘vindt men enkel bij oude boeren op het platteland.’ Later heb ik begrepen dat hij de warenhuizen bedoelde die buiten de stad zijn gevestigd. Dat begreep ik niet.
Maar ook nadat ik het water in een nieuw kannetje had gekookt leken mijn vrienden niet graag thee met mij te drinken. Daarom kocht ik wijn voor hen, kefir of verse geitemelk, kaas, vijgen en tomaten. En als ze op bezoek kwamen begon ik zelf smakelijk te eten om te tonen dat alles lekker was en net van de markt kwam en dat er voor iedereen voldoende was.”

 

 
Pol Hoste (Lokeren, 25 maart 1947)

Lees meer...

Antonio Fogazzaro, Jacques Bens, Jacques Audiberti, Filip De Pillecyn, Erica Pedretti, Evliya Çelebi, Anne Fanshawe, Daniel Schiebeler, Mary Webb

 

De Italiaanse schrijver Antonio Fogazzaro werd geboren op 25 maart 1842 in Vicenza. Zie ook alle tags voor Antonio Fogazzaro op dit blog.

Uit: The Saint

“Nonsense,” answered the author. “It is not progressing at all.” He was making no headway, but was, in fact, floundering hopelessly in the shallows of a desperate situation. Two personages had stuck in the author’s throat, and could move neither up nor down; one fat and good-natured, the other thin and sarcastic, like Mademoiselle d’Arxel. He felt like a certain unfortunate Tuscan peasant, who had lately swallowed a fig with a bee upon it, and had died in consequence. The “bee” understood that he really wanted to talk of his book; she stung him again and again to such a degree that he actually did talk about it. His story was founded on a curious case of spiritual infection. The hero was a French priest, an octogenarian, pious, pure, and learned. French? Why French? Simply because the character must be possessed of a certain tinge of poetic fancy, a certain elasticity of sentiment, and according to Carlino, not one Italian priest in a thousand was likely to possess these exalted attributes. It happened one day that this priest received the confession of a man of great intellect whose faith was assailed by terrible doubts. His confession over, the penitent went his way completely reassured, leaving the confessor shaken in his own faith. Here would follow a long and minute analysis of the different phases through which the old man’s conscience passed. He lived in daily expectation of death with a feeling of dismay akin to that of the schoolboy who waits his turn for examination in the ante-room, conscious only of his empty head. The priest comes to Bruges. At this point the hostile critic exclaimed:
“To Bruges? Why?”
“Because,” answered Carlino, “I send him wherever I wish. Because at Bruges there is the silence of the ante-chamber of Eternity, and that carillon (which honestly is beginning to exasperate me) may pass for the voices of summoning angels. Finally, because at Bruges there is a dark young lady slight, tall, and whom we may also call intelligent, although she speaks Italian badly, and does not understand music.”
Noemi pursed her lips and wrinkled her nose.
“What nonsense,” she said.”

 

 
Antonio Fogazzaro (25 maart 1842 – 7 maart 1911)
Cover 

Lees meer...

24-03-18

Peter Bichsel, Joy Ladin, Martin Walser, Dario Fo, Lawrence Ferlinghetti, Jacob van Lennep, Jeroen Mettes, Harry Prenen, Willem van Iependaal

 

De Zwitserse schrijver Peter Bichsel werd geboren op 24 maart 1935 in Luzern. Zie ook alle tags voor Peter Bichsel op dit blog.

Uit: Ein Tisch ist ein Tisch

„Er lächelte.
„Jetzt wird sich alles ändern“, dachte er. Er öffnete den obersten Hemdknopf, nahm den Hut in die Hand, beschleunigte seinen Gang, wippte sogar beim Gehen in den Knien und freute sich.
Er kam in seine Straße, nickte den Kindern zu, ging vor sein Haus, stieg die Treppe hoch, nahm die Schlüssel aus der Tasche und schloss sein Zimmer auf.
Aber im Zimmer war alles gleich, ein Tisch, zwei Stühle, ein Bett. Und wie er sicht hinsetzte, hörte er wieder das Ticken, und alle Freude war vorbei, denn nichts hatte sich geändert. Und den Mann überkam eine große Wut. Er sah im Spiegel sein Gesicht rot anlaufen, sah, wie er die Augen zukniff; dann verkrampfte er seine Hände zu Fäusten, hob sie und schlug mit ihnen auf die Tischplatte, erst nur einen Schlag, dann noch einen, und dann begann er auf den Tisch zu trommeln und schrie dazu immer wieder:
„Es muss sich etwas ändern.“ Und er hörte den Wecker nicht mehr. Dann begannen seine Hände zu schmerzen, seine Stimme versagte, dann hörte er den Wecker wieder, und nichts änderte sich.
„Immer derselbe Tisch“, sagte der Mann, „dieselben Stühle, das Bett, das Bild. Und zu dem Tisch sage ich Tisch, zu dem Bild sage ich Bild, das Bett heißt Bett, und den Stuhl nennt man Stuhl. Warum denn eigentlich?“ Die Franzosen sagen zu dem Bett „li“ , zu dem Tisch „tabl“, nennen das Bild „tablo“ und den Stuhl „schäs“, und sie verstehen sich. Und die Chinesen verstehen sich auch. „Warum heißt das Bett nicht Bild“, dachte der Mann und lächelte, dann lachte er, lachte, bis die Nachbarn an die Wand klopften und „Ruhe“ riefen.
„Jetzt ändert es sich“, rief er, und er sagte von nun an zu dem Bett „Bild“.
Ich bin müde, ich will ins Bild“, sagte er, und morgens blieb er oft lange im Bild liegen und überlegte, wie er nun zu dem Stuhl sagen wolle, und er nannte den Stuhl „Wecker“. Hie und da träumte er schon in der neuen Sprache, und dann übersetzte er die Lieder aus seiner Schulzeit in seine Sprache, und er sang sie leise vor sich hin.
Er stand also auf, zog sich an, setzte sich auf den Wecker und stützte die Arme auf den Tisch.“

 

 
Peter Bichsel (Luzern, 24 maart 1935)

Lees meer...

Top Naeff, Robert Hamerling, Fanny Lewald, Christian Schubart, Gabriele von Baumberg, Olive Schreiner, William Morris, Richard Leising

 

De Nederlandse schrijfster Top Naeff (eig. Anthonetta van Rhijn-Naeff) werd geboren op 24 maart 1878 in Dordrecht. Zie ook alle tags voor Top Naeff op dit blog.

Uit: School-ydillen

“En alle vier stelden zij zich haar voor als Kaatje, 't Brebis. - 't Model, verrukt over 't effect van den nu glimmenden armband aan haar fijn blank polsje, verbrak 't eerst de stilte: ‘Is 't de volgende week Woensdag of Donderdag groote lijst?’
Noes dook op: ‘Woensdag al,’ zei ze.
‘O hemel,’ zuchtte Jeanne en Jet trommelde fanfares.
Met 'n vinnigen blik op Jeanne, zei Lien: ‘Jij hoeft niet te zuchten, jij hebt altijd goeje cijfers en iedereen weet, dat je je best doet. Maar wij, hé Noes?’
‘Wij hebben altijd slechte cijfers, en iedereen weet, dat wij niet ons best doen,’ beaamde deze gelaten. ‘En we krijgen altijd zoo'n standje van ma.’
‘Vooral ik, ik zit voor 't tweede jaar,’ en Lien's gezicht werd meer en meer benauwd.
‘'t Kan jou niet schelen, hé Jet?’
Jet was juist aan haar derde fanfare. Zij draaide zich met een vaartje op den pianostoel om, stopte de veters van haar laarzen in, en met 'n allergenoeglijkst gezichtje zei ze:
‘Ik? kind ben je mal! als ik me dat allemaal aan moest trekken, kon ik wel aan den gang blijven. Laat eens zien.... ik was zes jaar toen ik op school kwam, 'k ben nou vijftien, dus negen jaar op school geweest, en in al die negen jaren heb ik nog nooit, zegge nooit, een goed rapport gehad. Dat kan ik me toch niet voortdurend aan blijven trekken, 't zou compleet geen leven zijn!.... Och, 'n mensch went aan alles, en men moet zich in 't onvermijdelijke leeren schikken....’
Jeanne keek met heimelijke bewondering naar haar op:
‘Vindt je dan 't oogenblik, dat de lijst wordt opgelezen en juffrouw Prior je zoo woedend aankijkt ook niet akelig? Je ziet er toch altijd net uit of je 't je erg aantrekt.’
‘Dat's mijn “groote-lijst-gezicht”, dat zet ik altijd bij die gelegenheid.’ Jet maakte de mimiek er bij. ‘Ik houd m'n hoofd zoo'n beetje scheef, kijk zóó en dan staar ik stijf op één punt, meestal naar 't lintje om Mies Vermeulen's vlecht. Dan vouw ik m'n handen zedig over elkaar, zet m'n boventanden in m'n onderlip en trek m'n kin 'n beetje in. Zóó. 't Is heel gemakkelijk te leeren, als....’

 

 
Top Naeff (24 maart 1878 – 21 april 1953)
Illustratie uit School-ydillen

 

Lees meer...

23-03-18

Cri Stellweg, Jonathan Ames, Yō,ko Tawada, Gary Whitehead, Mitch Cullin, Roger Martin du Gard, Madison Cawein, Nils-Aslak Valkeapää, Federica de Cesco

 

De Nederlandse schrijfster en columniste Margaretha Hendrika (Cri) Stellweg (alias Saartje Burgerhart) werd geboren in Nijmegen op 23 maart 1922. Zie ook alle tags voor Cri Stellweg op dit blog en ook mijn blog van 27 november 2006.

Uit: Ontbijten in je eentje

Het was 1939, een oorlog dreigde. Beneden in de kelder stonden blikken met pakjes koffie, met thee. Dozen met zeep. Vele krakende zakjes gedroogde groenten, die later door vader in zijn pijp gestopt opgerookt zouden worden omdat proefondervindelijk bewezen was dat er echt niets anders, iets eetbaars van te bereiden viel. De moeder had goed gezorgd; zo, dacht zij, zou het uit vijf personen bestaande gezin een oorlog wel doorkomen. Dat pakte dus anders uit. Maar hoe had zij kunnen voorzien dat zij voor vier jaren vet, olie, suiker, zout, naaigaren, pantoffels, breiwol, worst en brandstof had moeten inslaan? Twee grote wasmanden vol turven in de kelder voor je-weet-maar-nooit, alla. Maar mudden antraciet, nootjes nr. 4, voor vier winters achtereen? En water? Had ze soms water moeten en kunnen hamsteren? Terwijl toch de tijd kwam dat vier personen hun tandenborstel uitspoelden in een en hetzelfde bekertje water, waarna de vijfde er het kunstgebit in te weken legde. Nee, de moeder kon dat niet helpen, het was de schuld van een Tommy die zijn bom liet vallen op de waterinstallatie van de stad, denkend dat hij al boven Duitsland was, terwijl dat net een krappe vijftig kilometer verderop lag. Een tankwagen kwam tweemaal daags op de hoek van de straat, de bewoners groepten eromheen met emmers, teilen, kannen en soms met een door twee man aangezeulde wasketel.
Toch werd eind april 1945 levend gehaald, mede dankzij de hamstervoorraad, hoewel de rijst muf begon te smaken en de bonen tenslotte boontje voor boontje moesten worden ontdaan van een wittige uitslag. Dankzij groezelige handeltjes met familiesieraden, moeders bontjas en beddengoed, dankzij ook de Centrale Keuken, maar vooral God was het die luid en langdurig dank diende te worden gezegd.”

 

 
Cri Stellweg (23 maart 1922 - 26 november 2006)
Cover

Lees meer...

22-03-18

Billy Collins, Theo Kars, Eveline Hasler, Érik Orsenna, Arnold Sauwen, Wolfgang Bächler, Ilse Kleberger, Léon Deubel, Karel Poláček

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Billy Collins werd geboren in New York op 22 maart 1941. Zie ook alle tags voor Billy Collins op dit blog.

 

The Only Day In Existence

The early sun is so pale and shadowy,
I could be looking up at a ghost
in the shape of a window,
a tall, rectangular spirit
looking down at me in bed,
about to demand that I avenge
the murder of my father.
But the morning light is only the first line
in the play of this day--
the only day in existence--
the opening chord of its long song,
or think of what is permeating
the thin bedroom curtains

as the beginning of a lecture
I will listen to until it is dark,
a curious student in a V-neck sweater,
angled into the wooden chair of his life,
ready with notebook and a chewed-up pencil,
quiet as a goldfish in winter,
serious as a compass at sea,
eager to absorb whatever lesson
this damp, overcast Tuesday
has to teach me,
here in the spacious classroom of the world
with its long walls of glass,
its heavy, low-hung ceiling.

 

 

The Five Spot

There’s always a lesson to be learned,
whether in a hotel bar
or over tea in a teahouse,
no matter which way it goes,
for you or against,
what you want to hear or what you don’t.

Seeing Roland Kirk, for example,
with two then three saxophones
in his mouth at once
and a kazoo, no less,
hanging from his neck at the ready.

Even in my youth I saw
this not as a lesson in keeping busy
with one thing or another,
but as a joyous impossible lesson
in how to do it all at once,

pleasing and displeasing yourself
with harmony here and discord there.
But what else did I know
as the waitress lit the candle
on my round table in the dark?
What did I know about anything?

 

 
Billy Collins (New York, 22 maart 1941)

Lees meer...

21-03-18

Willem de Mérode, Pim te Bokkel, Kees van Beijnum, Hamid Skif, Jean Paul

 

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies twaalf jaar. Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit Blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en voor het overige de Willem de Mérode tags op dit blog bij Skynet.

 

 
The Blue Boy door Thomas Gainsborough, 1779

 

 

The blue boy

Ik draag het leven in zijn rijksten tooi,
Gelijk mijn zachte blauwe zijden kleeren.
Een weelge wappering van koele veeren
Is ’t aan mijn oren: ’t leven is zoo mooi!

Zie mijn gestalte: kostelijk en trotsch
De kloeke bouw der lenig jonge leden.
Nog ken ik niet dan moeders teederheden
En ben zoo rein gelijk een engel Gods.

Maar om mijn mond schemert het weeke smachten
Naar liefde, die mijn droomen slechts vermoeden,
En in mijn oogen leeft de glans van nachten,

Wier heerlijkheid geen daglicht kan vergoeden.
En rustig wacht ik vreugden, die nog komen,
’t Leven is heerlijk als het wordt genòmen!

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)

Lees meer...

Hubert Fichte, Peter Hacks, Michel Bartosik, Youssef Rzouga, Günter Vallaster, Siegfried Kapper

 

De Duitse schrijver Hubert Fichte werd geboren op 21 maart 1935 in Perleberg, Brandenburg. Zie ook alle tags voor Hubert Fichte op dit blog.

Uit: Detlevs Imitationen „Grünspan”

„Oder vielleicht ist auch alles verbrannt. Der junge und die Fotografien. Die Buchstaben schmolzen. Bücher verbrannten. Die Gehirne, die Buchstaben zusammenfügten, verbrannten.
Es gibt neue Buchstaben, mit dmm über das Verbrennen berichtet wird.
Ziffirn.
70000.
Einige behaupten.·
-240000.
Gibt es einen Ausdruck dafür?
Buchstaben verbrennen lassen. Bleilettern schmelzen ? Keine Ulanen daraus gießen?
Sollen sich Schriftsteller anzünden?
Oder Ideogramme nfindm wie Kaiser Njoja für die Bamum?
Lateinische Buchstaben und arabische Ziffern vermitteln nur Mengenangaben und Entfernungen-Unterschiede.
Vermitteln Ideogramme das Feuer selbst und die Asche?
- Die BBkellerschrumpjleiche.
Vermitteln Ideogramme das Gefühl des ertrinkenden Matrosen Paul oder das Verbrennen
seines Sohnes?
Zwei Seiten dieses Buches schwarz ein.fiirben:
- Dies sei die Zerstörung!
Oder einen schwarzen, Jettglänundm Fleck auf zwei Seiten des Buches drucken - in der Mitte, winzig. den fünfzackigen Stern der Amerikaner aussparen, den Glücksstern an den Waffin - und am Rande des Kleckses Silben rausgucken lassen - ev, ma, o - oder Frau Wichmanns Ohrläppchen?
War in der Literatur eine große Kühnheit, wäre als Grafik wahrscheinlich ziemlich dünn.
Die Buchstaben sind nicht alle verbrannt.“

 

 
Hubert Fichte (21 maart 1935 – 8 maart 1986)
Cover 

Lees meer...