12-08-07

Marcellus Emants, Marguerite Radclyffe Hall, Hans-Ulrich Treichel, Thomas Mann


De Nederlandse schrijver Marcellus Emants werd op 12 augustus 1848 in Voorburg geboren. Na zijn eindexamen aan het Haags gymnasium wilde Emants ingenieur worden, maar hij ging overeenkomstig de wens van zijn vader rechten studeren in Leiden. Hij publiceerde in deze periode essays, beschouwingen en poëzie in het mede door hem opgerichte tijdschrift Quatuor.

Toen zijn vader in 1871 overleed, stopte Emants, vlak voor zijn doctoraalexamen, met zijn studie. Door de erfenis van zijn vader was hij financieel onafhankelijk geworden en hij besloot te gaan reizen en zich geheel aan de literatuur te wijden. Tot op zekere hoogte kon Emants gezien worden als één van de eerste naturalisten in Nederland. Naturalistisch was in elk geval zijn streven naar wetenschappelijkheid en objectiviteit. Ook zijn voorkeur voor het beschrijven van pathologische figuren was een typisch naturalistische trek. Toen Emants in een voorwoord zijn Een drietal novellen (1879) verdedigde tegen de kritiek, beriep hij zich op Taine en de door Zola van Taine overgenomen wetmatigheden in de bepaaldheid van de mens: ras, milieu en moment. Van al zijn romans en novellen is het vooral de roman Een nagelaten bekentenis (1894) die nog herhaaldelijk herdrukt is. In 1994 verscheen van deze roman een herdruk in de reeks Nederlandse Klassieken.

 

Uit: Een nagelaten bekentenis

 

“Mijn vrouw is dood en al begraven.

Ik ben alleen in huis, alleen met de twee meiden.

Dus ben ik weer vrij; maar wat baat me nu die vrijheid?

Ten naastenbij kan ik krijgen, wat ik sinds twintig jaar - ik ben vijf en dertig - verlangd heb; maar thans durf ik 't niet nemen en zoo heel veel zou ik er toch niet meer van genieten.

Ik ben te bang voor elke opwinding, te bang voor een glas wijn, te bang voor muziek, te bang voor een vrouw; want alleen in mijn nuchtere morgenstemming ben ik me zelf meester en zeker te zullen zwijgen over mijn daad.

Toch is juist die morgenstemming ondraaglijk.

In geen mensch, geen werk, geen boek zelfs eenig belang te stellen, doel- en willoos om te dwalen door een leeg huis, waarin alleen het onverschillig schuwe gefluister van twee meiden rondwaart als het verre gepraat van bewakers om de cel van een afgezonderde krankzinnige, nog maar aan één ding te kunnen denken met het laatste beetje begeerte van een uitgedoofd zenuwleven en voor dat ééne ding te sidderen als een eekhoorntje voor de fascineerende blik van een slang... hoe houd ik zoo'n afschuwelijk leven dag in dag uit, ten einde toe, nog vol?

Zoo dikwijls ik in de spiegel kijk - nog altijd mijn gewoonte - verbaast het me, dat zoo'n bleek, tenger, onbeduidend mannetje met doffe blik, krachteloos geopende mond - velen zullen zeggen: dat mispunt - in staat is geweest zijn vrouw.... de vrouw, die hij op zijn manier toch lief heeft gehad..... te vermoorden.”

 

 

emants
Marcellus Emants (12 augustus 1848 – 14 oktober 1923)

 

De Engelse schrijfster Marguerite Radclyffe Hall werd geboren op 12 augustus 1880 in Bournemouth. Ze was enig kind van gescheiden ouders. Haar vader, Radclyffe Radclyffe-Hall, zag ze zelden. Hij stierf toen ze achttien was en liet haar een vermogen na dat haar toeliet vanaf haar eenentwintigste een zelfstandig leven te leiden. Met haar moeder en stiefvader had ze een moeilijke relatie. Op een occasioneel gedicht na, vulde ze haar dagen met jagen, plezier maken en vrouwen het hof maken. Tussen 1901 en 1907 reisde Hall in Amerika en het Europese vasteland in het gezelschap van vriendinnen met wie ze een romantische relatie had en die ze financieel onderhield. In 1906 publiceerde de jonge Hall een eerste dichtbundel: 'Twix Earth and Stars'. Aan deze manier van leven kwam een einde toen Hall haar eerste grote liefde ontmoette: Mabel Batten, door haar steevast 'Ladye' genoemd. Zelf werd ze door Mabel 'John' genoemd, een naam die ze voor de rest van haar leven zou gebruiken. Na een aantal gelukkige jaren begon het leeftijdsverschil door te wegen. In 1915 ging Radclyffe Hall een relatie aan met de zeven jaar jongere Una Troubridge, een nichtje van Mabel en getrouwd met Kapitein Ernest Troubridge. Una zou Halls tweede grote liefde worden, met wie ze samenbleef tot aan haar dood. Mabel voelde zich erg gekwetst door Halls ontrouw en tijdens een hoogoplopende ruzie tussen de drie kreeg Mabel een aanval. Ze stierf aan een hersenbloeding. In 1924 verscheen Radclyffe Halls debuutroman The Forge en daarna nam haar carrière een grote vlucht. Ze publiceerde in korte tijd nog drie romans (The Unlit Lamp – 1924, A Saturday Life – 1925 en Adam’s Breed – 1926), die allemaal op goede kritieken konden rekenen. Hoewel Radclyffe en Una heel open waren over de aard van hun relatie, werd Hall in 1928 pas echt een icoon en martelares van de lesbische levensstijl. In dat jaar verscheen haar deels autobiografische roman The Well of Loneliness.

Uit: The Well of Loneliness

 

“Love me, only love me the way I love you. Angela, for God's sake, try to love me a little don't throw me away because if you do I am utterly finished. You know how I love you, with my soul and my body; if it's wrong, grotesque, unholyhave pity. I'll be humble. Oh, my darling, I am humble now; I'm just a poor, heart-broken freak of a creature who loves you and needs you more than its life...I'm some awful mistakeGod's mistake I don't know if there are any more like me, I pray not for their sakes, because it's pure hell"

 

(…)

 

All the loneliness that had gone before was as nothing to this new loneliness of spirit. An immense desolation swept down upon her, an immense need to cry out and claim understanding for herself, an immense need to find an answer to the riddle of her unwanted being. All round her were grey and crumbling ruins, and under those ruins her love lay bleeding; shamefully wounded by Angela Crossby, shamefully soiled and defiled by her mother a piteous, suffering, defenceless thing, it lay bleeding under the ruins.”

 

 

 

Hall
Marguerite Radclyffe Hall (12 augustus 1880 – 7 oktober 1943)

 

De Duitse schrijver en germanist Hans-Ulrich Treichel werd geboren op 12 augustus 1952 in Versmold. In zijn roman Der Verlorene uit 1998 verwerkte hij het verlies van zijn broer op de vlucht vanuit het oosten tijdens WO II en de traumatische ervaringen van zijn ouders die ook op zijn jeugd van invloed waren. Treichel studeerde in Berlijn germanistiek, filosofie en politicologie en promoveerde op een studie over Wolfgang Koeppen. Sinds 1995 doceert hij aan het Deutsche Literaturinstitut Leipzig.

 

Uit: Der irdische Amor (2002)

 

„Das einzige, was ihm wirklich helfen würde, war ein Anruf bei Elena. Doch er fürchtete eine Abfuhr. Er konnte nicht von sich behaupten, dass er besonders viele Lebensweisheiten erworben hatte. Aber eine dieser Weisheiten war: Wenn du bedürftig bist, sinken deine Chancen. Das hatte er schon sehr früh gelernt, im Grunde schon als Kleinkind. Obwohl er als Kleinkind überaus bedürftig gewesen war, glaubte er sich daran zu erinnern, dass ihm die Mutterbrust immer dann zur Verfügung stand, wenn er keinerlei Hungergefühle zeigte. Sobald er brüllte, strampelte und schrie, war keine Mutterbrust zu sehen. Wenn er aber gleichgültig dreinschaute, tauchte vor ihm dieser große weiße Mond mit Warze auf und drückte sich auf sein Gesicht. Also hatte er irgendwann nicht mehr gebrüllt, gestrampelt und geschrieen, sondern selbst während größter Hunger- und Durstattacken gleichgültig in die Welt geschaut.

Auch später hatte er versucht, sich nach diesem Muster zu verhalten, musste aber irgendwann einsehen, dass die Vortäuschung von Bedürfnislosigkeit zu dem Missverständnis führte, dass er auch bedürfnislos war. Er war aber nicht bedürfnislos. Schon als Kleinkind hatte er diese Hungerstürme gehabt, die ihn orkanartig in seinem Bettchen hin und her schüttelten. Zu den Hungerstürmen war später diese ebenfalls orkanartige Sehnsucht nach dem weiblichen Geschlecht hinzugekommen. Auch dem Hunger nach dem weiblichen Geschlecht hatte er lange Zeit damit zu begegnen versucht, dass er jedem Mädchen gegenüber, sobald es ihn auch nur ein wenig interessierte, ein gleichgültiges Gesicht aufsetzte. ALs Kleinkind war er trotz seiner gleichgültigen Miene gefüttert und versorgt worden. Wenn er aber einem Mädchen Gleichgültigkeit vorspielte, dann konnte er sicher sein, dass nichts geschah.“

 

 

 

treichel
Hans-Ulrich Treichel (Versmold, 12 augustus 1952)

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook mijn blog van 12 augustus 2006.

 

Anders dan zijn zoon Klaus Mann disciplineerde en sublimeerde Thomas Mann zijn liefde voor mooie, jonge mannen. Hij weerstond de verleiding en ontleende er kracht aan voor zijn werk. Toch overviel hem af en toe die betovering die ook een geheim thema van zijn eigen leven was. Tijdens een zomervakantie op het eiland Sylt in 1927 leerde hij de zeventienjarige Klaus Heuser kennen. Door de onverwachte hartstocht voor de jongen raakte hij bijna uit zijn evenwicht. Alleen zijn vrouw Katia vermoedde iets van deze ongeleefde liefdesgeschiedenis en tolereerde het. Mann nodigde de jongen uit voor een bezoek aan München. Later kwam hij op deze belevenis vaker terug in zijn Tagebüchern:

 

„24. Januar 1934

 

Gestern Abemd wurde es spät durch die Lektüre des alten Tagebuchbandes 1927/1928, geführt in der Zeit des Aufenthaltes von K. H. in unserem Hause und meiner Besuche in Düsseldorf. Ich war tief aufgewühlt, gerührt und ergriffen von dem Rückblick auf dieses Erlebnis, das mir heute einer anderen, stärkeren, Lebensepoche anzugehören scheint, und das ich mit Stolz und Dankbarkeit bewahre, weil es die unverhoffte Erfüllung einer Lebenssehnsucht was, das “Glück”, wie es im Buche des Menschen, wenn auch nicht der Gewöhnlichkeit, steht, und weil die Erinnerung daran bedeutet: “Auch ich”. Es machte mir hauptsächlich Eindruck, zu sehen, wie ich im Besitz dieser Erfüllung an das Früheste, an A. M. und ihm folgende zurückdachte und alle diese Fälle als mitaufgenommen in die späte und erstaunliche Erfüllung empfand, erfüllt, versöhnt und gut gemacht durch sie. –“

 

21. September 1935,

 

“Darin unterbrochen durch den Besuch Klaus Heusers, der über Zürich gereist, mich 10 Minuten wiederzusehen. Unverändert oder wenig verändert, zart, knabenhaft geblieben mit 24, die Augen die gleichen. Sah viel in sein Gesicht und sagte “Mein Gott”. Merkwürdig, daβ ich hier noch kürzlich seiner gedachte, mit der Dankbarkeit, die ich auch in seiner Gegenwart wieder für damals empfand. Er erwartete, daβ ich ihn küβte, ich tat es aber nicht, sondern sagte ihm nur vorm Abschied etwas Liebes. Er ging sehr rasch, er muβte bald fort.”

 

20. Februar 1942,

 

Las lange in alten Tagebüchern aus der Klaus Heuser-Zeit, da ich ein glücklicher Liebhaber. Das Schönste und Rührendste der Abschied in München. Als ich zum ersten Mal der “Sprung ins Traumhafte” tat und seine Schläfe an meine lehnte. Nun Ja – gelebt und geliebet. Schwarze Augen, die Tränen vergossen für mich, geliebte Lippen, die ich küβte, - es war da, auch ich hatte es, ich werde es mir sagen können, wenn ich sterbe.“

 

 

 

 

MannThomas
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)

 

 

24-07-07

Alexandre Dumas père, Robert Graves, Banana Yoshimoto, Betje Wolff, Johan Andreas dèr Mouw, Hermann Kasack, Katia Mann, Frank Wedekind


De Franse dramaturg en schrijver Alexandre Dumas père werd geboren in (Villers-Cotterêts (Aisne) op 24 juli 1802. Zijn literair werk bestond in het begin hoofdzakelijk uit vaudevillestukken en melodrama’s, die hij schreef in samenwerking met zijn vriend Adolphe de Leuven, de zoon van een verbannen Zweedse edelman. Hun eerste stuk, La Chasse et l’Amour, werd vertoond in 1825. Dumas stelde zich echter niet tevreden met toneelschrijven alleen. Hij legde zich ook toe op het schrijven van romans. Via zijn vriend, de dichter Gérard de Nerval, maakte Dumas in 1839 kennis met de geschiedenisleraar Auguste Maquet (1813-1888). Beide mannen sloten een overeenkomst tot samenwerking, waarbij Maquet de nodige stof voor de romans zou leveren en Dumas de feiten op zijn levenskrachtige manier in de vorm van een roman zou gieten. Het eerste product van de samenwerking was de grootse roman Les Trois Mousquetaires (8 delen, 1844), gebaseerd op de memoires van d’Artagnan geschreven door Gatien de Courtilz de Sandras. De roman vertelt de avonturen van d’Artagnan, Athos, Porthos en Aramis, die het samen opnemen voor Anna van Oostenrijk tegen kardinaal de Richelieu. De bewonderaars van deze roman werden verblijd met twee vervolgen, Vingt Ans Après in 1845 (Twintig jaar later) en Le Vicomte de Bragelonne ou Dix ans plus tard uit 1848 (De burggraaf van Bragelonne of tien jaar later), waarvan het derde en laatste deel, De man in het ijzeren masker, het meest bekende is. Het succes van De drie musketiers was overweldigend, zozeer zelfs dat men Dumas vroeg of het ook op toneel mocht worden vertoond. Dumas stond er eerst weigerachtig tegenover door verscheidene toneelmislukkingen die hij geleden had. Uiteindelijk gaf hij toch toe, grotendeels onder impuls van geldgewin.

Meteen na De drie musketiers, in 1844-45, publiceerde Dumas een ander succesvol werk: Le Comte de Monte-Cristo (12 delen). Tijdens het schrijven van deze roman had Dumas een nieuwe bevlieging: hij moest en zou een kasteel hebben dat de naam Monte-Cristo zou dragen. Aldus geschiedde: het kasteel verrees in Le Port-Marly (departement Yvelines).

 

Uit: Les trois mousquetaires

 

« Et cette sensation avait été d'autant plus pénible au jeune d'Artagnan (ainsi s'appelait le don Quichotte de cette autre Rossinante), qu'il ne se cachait pas le côté ridicule que lui donnait, si bon cavalier qu'il fût, une pareille monture; aussi avait-il fort soupiré en acceptant le don que lui en avait fait M. d'Artagnan père. Il n'ignorait pas qu'une pareille bête valait au moins vingt livres: il est vrai que les paroles dont le présent avait été accompagné n'avaient pas de prix.

 

«Mon fils, avait dit le gentilhomme gascon -- dans ce pur patois de Béarn dont Henri IV n'avait jamais pu parvenir à se défaire --, mon fils, ce cheval est né dans la maison de votre père, il y a

tantôt treize ans, et y est resté depuis ce temps-là, ce qui doit vous porter à l'aimer. Ne le vendez jamais, laissez-le mourir tranquillement et honorablement de vieillesse, et si vous faites campagne avec lui, ménagez-le comme vous ménageriez un vieux serviteur. À la cour, continua M. d'Artagnan père, si toutefois vous avez l'honneur d'y aller, honneur auquel, du reste, votre vieille noblesse vous donne des droits, soutenez dignement votre nom de gentilhomme, qui a été porté dignement par vos ancêtres depuis plus de cinq cents ans. Pour vous et pour les vôtres – par les vôtres, j'entends vos parents et vos amis --, ne supportez jamais rien que de M. le cardinal et du roi. C'est par son courage, entendez-vous bien, par son courage seul, qu'un

gentilhomme fait son chemin aujourd'hui. »

 

 

 

Alexandre_Dumas_Nadar
Alexandre Dumas père (24 juli 1802 - 5 december 1870)
Foto van Felix Nadar

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. In zijn lange leven was hij goed voor 140 werken. Hij was de zoon van Alfred Perceval Graves, de Engels-Ierse schrijver. Zijn ervaringen als kapitein bij de Royal Welch Fusiliers aan het Westfront tijdens de WO I legde hij in 1929 vast in "Goodbye to all that". Het boek werd een bestseller maar kostte hem ook de vriendschap van een mede-veteraan, Siegfried Sassoon. Robert Graves is in het Nederlands taalgebied vooral bekend om zijn historische romans "I Claudius" en "Claudius the God", waarin een heel pikante, maar historisch niet altijd betrouwbare beschrijving wordt gegeven van de Romeinse hofkringen in de tijd van de keizers Augustus, Tiberius, Caligula en Claudius. De BBC heeft in 1976 naar aanleiding van deze romans een TV-serie gemaakt, met Derek Jacobi in de rol van Claudius.

 

Uit: Good-bye to all that

 

“When I was given leave in April 1916 I went to a military hospital in London and had my nose operated on. It was a painful operation, but performed by a first-class surgeon and cost me nothing. In peace-time it would have cost me sixty guineas, and another twenty guineas in nursing-home fees. After hospital I went up to Harlech to walk on the hills. I had in mind the verse of the psalm: "I will lift up mine eyes unto the hills, from whence cometh my help." That was another charm against trouble. I bought a small two-roomed cottage from my mother, who owned considerable cottage property in the neighborhood. I bought it in defiance of the war, as something to look forward to when the guns stopped ('when the guns stop' was how we always thought of the end of the war). I whitewashed the cottage and put in a table, a chair, a bed and a few dishes and cooking utensils. I had decided to live there by myself on bread and butter, bacon and eggs, lettuce in season, cabbage and coffee; and to write poetry. My war-bonus would keep me for a year or two at least. The cottage was on the hillside away from the village. I put in a big window to look out over the wood below and across the Morfa to the sea. I wrote two or three poems here as a foretaste of the good life coming after the war.”

 

 

 

robert-graves-1957
Robert Graves (24 juli 1895 - 7 december 1985)

Portret door Mati Klarwein   

 

De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto werd geboren op 24 juli 1964 in Tokyo. Zij studeerde literatuur aan de Nihon University. Haar schrijverloopbaan begon zij terwijl zij als serveerster werkte in hetrestaurant van een golfclub. Volgens haar zelf hadden de Amerikaanse schrijvers Stephen King, Truman Capote en Isaac Bashevis Singer de meeste invloed op haar werk.Haar debuutroman Kitchen was direct een fenomenaal succes, met meer dan zestig herdrukken in Japan alleen. Er werden naar het boek twee films en diverse televisieseries gemaakt. In 1990 werd er ook een film gemaakt naar een ander boek van haar, Goodbye Tsugumi.

Uit: Amrita

“I've often heard that if you go through something really intense your perception of the world will change entirely. Every now and then I wonder if things weren't different in my case.

Now I understand. I'm finally at a point where I can recall everything: all twenty-eight years since my birth, every one of the so-called "episodes" of my life as Sakumi Wakabayashi, that strange conglomeration of misfits who came together to form my family, those foods that I liked, those things that I didn't. Every element that had gone into making me who I was gradually made its way back to me, and now I have the power to reflect on all that has happened. It's like remembering a story someone told me in the past.

I can only perceive my past as a story. Nothing more.

In other words, at some point I had lost the power to distinguish what was real, all of those things that had happened in life prior to the accident. I no longer had any way of knowing how I felt about myself and the world. Perhaps I'd felt the same way all along, perhaps not. I really wonder what things were like.

Was my life, all those days and months and years, nothing more than past time, piled up like fallen snow?

How was I ever able come to terms with myself?

Apparently when you do something major like cutting off all your hair, your personality undergoes a transformation as well, because you change the way you act around other people.

...or at least that's what I've been told. “

 

banana-yoshimoto
Banana Yoshimoto (Tokyo, 24 juli 1964)

 

De Nederlandse schrijfster Betje Wolff (eig. Elizabeth Bekker) werd geboren in Vlissingen op 24 juli 1738. Zij stamde uit een gegoede calvinistische familie. Ze trouwde op 18 november 1759 met de 52-jarige predikant Adriaan Wolff. In 1763 debuteerde zij met de bundel Bespiegelingen over het genoegen. In 1777, na de dood van haar echtgenoot, ging Wolff samenwonen met Aagje Deken en begonnen zij gezamenlijk te publiceren. Hun grootste successen waren de briefromans De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782) en Historie van den heer Willem Leevend (1784-1785). In 1778 verhuisden Wolff en Deken naar De Rijp. In 1782 vestigden ze zich in Beverwijk.

Vanwege hun patriottische sympathieën verhuisden Wolff en Deken in 1788 naar Trévoux in Bourgondië. In 1789 verscheen Wandelingen door Bourgogne. Tussen 1793 en 1796 schreven ze aan Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, of De gevolgen van de opvoeding, een roman in 6 delen. Door financiële nood moesten zij in 1797 terugkeren naar Holland, waar ze in Den Haag woonden. Wolff stierf in Den Haag; enkele dagen na haar overlijden stierf ook Deken.

 

Uit: Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart

   Mejuffrouw Sara Burgerhart aan Mejuffrouw Aletta de Brunier.

  

  Chere Letje!

Verbeeld u eens een meisje van myne jaren en begrippen, dat zucht onder de magt eener vuilaartige kwezel; dat nergens uitkomst ziet, en dan eenen brief ontfangt, zo als ik, ma chere, van u ontfing: Dan zult gy bevatten, hoe ik opgenomen ben van blydschap, en dat ik u weinig minder dan myn Beschermgeest noem. Zo de Weduwe my gelieft in te nemen, dan kom ik ten eersten; hoe? weet ik nog niet; maar dat zal zich wel redden: antwoord my dan, of de Juffrouw my gelieft te logeeren.

Maar, myne lieve Letje, wie hadt ooit gedagt, toen wy te saam by Mademoiselle du Pin school gingen, dat gy my nog sulk een groten dienst zoudt moeten doen. Wat hebben wy daar pretjes gehadt? Ja, die lieve Mademoiselle du Pin is ook al dood, en weg. Dikwils heb ik gewenscht, dat ik ook maar dood was: maar 't is of de Dood ons beter kent dan wy ons zelf. Als wy hem roepen, doet hy zelf zo veel niet eens van te antwoorden. Hy weet, schynt het, dat wy het juist zo sterk niet menen, en dat het ons zelden gelegen komt hem te ontfangen; hoe zeer wy ook op zyn bezoek aandringen. Nu zou hy my ten minsten magtig over de hand zyn, nu ik weêr heldere punten in myn lot begin te zien. Letje! nu zullen wy eens recht gelukkig zyn: ouwe genegenheid groeit spoedig voort, en hoe lief hadden wy elkander, toen wy beiden nog in jurken gingen.

 

Adieu ma chere Letje, je suis pour jamais

Votre

Burgerhart.

 

PS. Hoe zyn die twee andere Juffrouwen? Hebje niet nog ergens een Broêr in de Waereld, die ook met ons, in de kleuterschool gegaan heeft, en die wy altoos van ons Lekkers medeelden? Nu, alles par bouche.

 

 

 

Wolff
Betje Wolff (24 juli 1738 - 5 november 1804)

 

De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd  geboren op 24 juli 1863 in Westervoort Zie ook mijn blog van 24 juli 2006.

 

 

Pakjesavond

Dan denk ik aan 't konijntje, dat ik zag
Als kind vóór Sint Niklaas achter het glas
Van dure speelgoedwinkel. O! dat was
Zo'n prachtig beestje, grijs en wit; het lag

Gezellig in zijn mandje in mooi-groen gras;
En als 'k van school kwam, bleef ik iedre dag
Staan kijken, bang, dat 't weg zou zijn. En, ach!
Eens was het weg: en toen begreep ik pas,

Dat ik toch heimlijk steeds was blijven hopen,
dat ik 't zou krijgen. Thuis heb 'k niet gepraat
Over 't konijntje, maar 'k wou niet meer lopen,

Omdat 'k dan huilde, aan die kant van de straat.
Nu zou 'k me zo'n konijntje kunnen kopen,
Maar ik word zelf al grijs. Want alles komt te laat.

 

Door kelken van onwezenlijk kristal

 

Door kelken van onwezenlijk kristal
schijnt de ondergrond van tragisch-paars fluweel
Onzichtbaar is de lamp; langs ied're steel
hangt, smal en stil, een zonn'ge waterval.

Melkwegen welven; nevels, overal;
en sterrebeelden flikk'ren, puntig geel:
boven 't diep-werklijk paars tilt, irreëel,
iedere kelk, een spieg'lend niets, 't heelal.

Zo zie ik, fijngeslepen, diafaan,
boven 't verdriet dat doorschijnt, zwevend staan
't kristalwerk van mijn verzen, rein en koel:

tot wereldnevel van stemming vervloeid,
tot flikk'rende gedachte ineen gegloeid,
zie 'k overal eenzelfde Godsgevoel
.

 

 

 

Hij ligt er nog, de steen: een jaar geleden

 

Hij ligt er nog, de steen: een jaar geleden
heb 'k zelf hem daar gelegd; en ik herken
heel goed de plek, vlak naast die scheve den,
waar 't zandpad, wit, loopt naar de hei beneden.

'k Dacht: "Wat 'k doe, lijkt op wat farao's deden;
eenzelfde ontzetting vroeg in mij en hen:
alles vergaat: ben ik niet, die ik ben,
en was en blijven zal in eeuwigheden?

Ik was gaan liggen, 't hoofd dicht bij de steen;
en die, in 't langzaam dieper donker, scheen
een monument, egyptisch oud en groot.

Een kleine ster erboven. 'k Dacht: "Zijn licht
vertrok, toen 't graf van Ramses werd gesticht."
En 'k voelde duidelijk: 'k was zijn tijdgenoot

 

DerMouw
Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)

 

De Duitse schrijver Hermann Kasack werd geboren op 24 juli 1896 in Potsdam. In 1915 publiceerde hij zijn eerste gedicht in het tijdschrift Die Aktion met de titel Mutter. Zijn eerste boek Der Mensch. Verse verscheen in 1918. In 1920 ging hij werken voor de uitheverij den Gustav-Kiepenheuer in Potsdam als lector. In deze functie bracht hij een uitgave tot stand van de verzamelde werken van Friedrich Hölderlin. In 1925 verliet hij de uitgeverij en werd hij literair medewerker bij de Funk-Stunde Berlin waar hij o.a. verantwoordelijk was voor programma’s over moderne dichtkunst. In 1926 werd zijn drama Die Schwester voor het eerst opgevoerd en werd hij directeur bij de S. Fischer Verlag. In 1947verscheen zijn bekendste roman Die Stadt hinter dem Strom waar hij in 1949 de Theodor-Fontane-Preis voor kreeg.

 

Uit: Mechanischer Doppelgänger

 

“Zweifelnd und mißtrauisch betrachtet der Unternehmer das seltsame Geschöpf, das vorgibt, sich in vielen Sprachen verständigen zu können, wozu nur verschiedene Knöpfe an der Weste zu drehen sind. Alle Themen und Vokabeln aus den Bereichen Film, Sport, Politik, abstrakte Kunst seien in ihm vorrätig. Auch eine Spule von Gemeinplätzen sei vorhanden. Der Vorteil eines mechanischen Doppelgängers sei, wie er betont, daß man an mehreren Tagungen gleichzeitig teilnehmen und überall gesehen werden kann. "Sie haben einen Stellvertreter Ihres Ich... Sie können sogar sterben, ohne daß die Welt etwas davon merkt. Denn wir Automaten beziehen unsere Existenz aus jeder Begegnung mit wirklichen Menschen." Der Unternehmer, der immer hellhöriger wird und bald nicht mehr weiß, ob er einen Menschen oder einen Automaten vor sich hat, befürchtet, daß solche Automaten den Menschen allmählich völlig ersetzen. Doch diese Befürchtung weist das seltsame Wesen energisch zurück: "Zwei Menschenautomaten können mit sich selber nur wenig anfangen... Darf ich also ein Duplikat von Ihnen herstellen lassen? Morgen wird ein Herr kommen und Maß nehmen." Der Unternehmer ist von dieser ihm dargebotenen Kostprobe verblüfft. Er möchte nur noch erfahren, ob der Herr, der morgen kommen soll, nun ein Automat oder ein richtiger Mensch ist. "Ich nehme an, noch ein richtiger Mensch. Aber es bliebe sich gleich." Mit diesen Worten empfiehlt er sich.

Irgend etwas muß jedoch diesem Geschöpf nach dem Besuch zugestoßen sein, denn in den folgenden Tagen ist niemand gekommen, um für des Unternehmers Doppelgänger Maß zu nehmen. Seit jener Unterhaltung ist ihm jedenfalls bewußt geworden, im Theater und im Kino, bei Versammlungen und auf Gesellschaften und bei vielen anderen Gelegenheiten nicht wenigen Menschen begegnet zu sein, die bestimmt nicht sie selber, sondern bereits ihre mechanischen Doppelgänger gewesen sind.”

 

 

 

kasackkl
Hermann Kasack (24 juli 1896 – 10 januari 1966)

 

Katia Mann, vrouw, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Tot de voorouders van Katia behoren kooplieden en ondernemers, maar eveneens schrijvers. Haar grootmoeder was Hedwig Dohm die al in de negentiende eeuw hartstochtelijk streed voor gelijke rechten voor de vrouw, en romans, verhalen en essays schreef. Ze was getrouwd met Ernst Dohm, redacteur van het satirische tijdschrift Kladderadatsch. Eén van hun dochters, ook Hedwig geheten, werd actrice aan het destijds beroemde hoftheater van Meinigen, maar bleef daar niet lang, want in 1878 huwde zij met Alfred Pringsheim. In 1883 werd Katia geboren in Feldafing bij München. De strijd van haar grootmoeder voor emancipatie werkte door in de opvoeding van Katia. Ze was een van de eerste meisjes in München die slaagden voor het eindexamen gymnasium (1901) en dat in een tijd dat er nog geen gymnasium voor meisjes bestond. Ze werd thuis onderwezen. Na haar eindexamen ging ze colleges volgen aan de universiteit van München. Zij deed dat tot ze begin 1905 trouwde met Thomas Mann.

 

Uit: Katia Mann: Meine ungeschriebenen Memoiren

 

„Ich habe tatsächlich mein ganzes, allzu langes Leben immer im strikt Privaten gehalten. Nie bin ich hervor getreten, ich fand das ziemte sich nicht. Ich sollte immer meine Erinnerungen schreiben. Dazu sage ich: In dieser Familie muß es einen Menschen geben, der nicht schreibt. Daß ich mich jetzt auf dieses Interview einlasse, ist ausschließlich meiner Schwäche und Gutmütigkeit zuzuschreiben.“

 

 

 

KatiaMann
Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)

Katia en Thomas Mann in Lübeck, 1955

 

De Duitse schrijver en acteur (Benjamin Franklin) Frank Wedekind werd geboren in Hannover op 24 juli 1864. Wedekind begon na de problematische middelbare school (die hij uiteindelijk afbrak en privéonderwijs kreeg) aan een rechtenstudie, maar brak deze af. Zijn vader verbrak daarop het contact met Wedekind, die voortaan ook geen financiële bijdragen van zijn ouders meer zou ontvangen. In Zürich maakte hij kennis met Gerhart Hauptmann en John Henry Mackay, twee spilfiguren uit de latere Friedrichshagener Kreis. In oktober 1888 stierf Wedekinds vader, wat Wedekind blijkbaar definitief deed afzien van zijn studie. Begin 1889 reisde hij naar Berlijn, waar hij verbleef bij de naturalisten van de Friedrichshagener Kreis. Later dat jaar, 1889, trok hij naar München. De uitbetaling van zijn vaders erfdeel maakte het mogelijk nog iets langer rond te reizen, zodat Wedekind in 1894 enkele maanden in Londen verbleef, waar hij met Georg Brandes in contact raakte. Hij vervolgde zijn reis naar Parijs, waar hij Lou Andrea-Salomé, August en Frieda Strindberg en Albert Langen leerde kennen. Via Berlijn en Zürich belandde hij in 1896 weer terug in München. In 1896 was hij met Albert Langen en Thomas Theodor Heine een van de oprichters van het satireblad Simplicissimus. Hij werd samen met Heine tot gevangenisstraf veroordeeld wegens majesteitsschennis. Hoewel voorstander van de oorlog, werden met het uitbreken van de WO I Wedekinds werken ongewenst verklaard.

 

Uit: Frühlings Erwachen

„Wendla Warum hast du mir das Kleid so lang gemacht, Mutter?

Frau Bergmann Du wirst vierzehn Jahr heute!

Wendla Hätt' ich gewußt, daß du mir das Kleid so lang machen werdest, ich wäre lieber nicht vierzehn geworden.

Frau Bergmann Das Kleid ist nicht zu lang, Wendla. Was willst du denn! Kann ich dafür, daß mein Kind mit jedem Frühling wieder zwei Zoll größer ist? Du darfst doch als ausgewachsenes Mädchen nicht in Prinzeßkleidchen einhergehen.

Wendla Jedenfalls steht mir mein Prinzeßkleidchen besser als diese Nachtschlumpe. - Laß mich's noch einmal tragen, Mutter! Nur noch den Sommer lang. Ob ich nun vierzehn zähle oder fünfzehn, dies Bußgewand wird mir immer noch recht sein. - Heben wir's auf bis zu meinem nächsten Geburtstag; jetzt würd' ich doch nur die Litze heruntertreten.

Frau Bergmann Ich weiß nicht, was ich sagen soll. Ich würde dich ja gerne so behalten, Kind, wie du gerade bist. Andere Mädchen sind stakig und plump in deinem Alter. Du bist das Gegenteil. - Wer weiß, wie du sein wirst, wenn sich die andern entwickelt haben.

Wendla Wer weiß - vielleicht werde ich nicht mehr sein.

Frau Bergmann Kind, Kind, wie kommst du auf die Gedanken!

Wendla Nicht, liebe Mutter; nicht traurig sein!

Frau Bergmannsie küssend Mein einziges Herzblatt!

Wendla Sie kommen mir so des Abends, wenn ich nicht einschlafe. Mir ist gar nicht traurig dabei, und ich weiß, daß ich dann um so besser schlafe. - Ist es sündhaft, Mutter, über derlei zu sinnen?“

 

 

 

Wedekind
Frank Wedekind (24 juli 1864 - 9 maart 1918)

 

07-06-07

Orhan Pamuk, Nikki Giovanni, Mascha Kaléko, Gwendolyn Brooks, Elizabeth Bowen, Monika Mann, Harry Crews


De Turkse schrijver Orhan Pamuk werd geboren op 7 juni 1952 in Istanbul. Zie ook mijn blog van 12 oktober 2006.

 

Uit: My name is red

 

I am nothing but a corpse now, a body at the bottom of a well. Although I drew my last breath long ago and my heart has stopped beating, no one, apart from that vile murderer, knows what's happened to me. As for that wretch, he felt for my pulse and listened for my breath to be sure I was dead, then kicked me in the midriff, carried me to the edge of the well, raised me up and dropped me below. As I fell, my head, which he had smashed with a stone, broke apart; my face, my forehead and cheeks, were crushed; my bones shattered, and my mouth filled with blood.

For nearly four days I have been missing: My wife and children must be searching for me; my daughter, spent from crying, must be staring fretfully at the courtyard gate. Yes, I know they're all at the window, hoping for my return.

But, are they truly waiting? I can't even be sure of that. Maybe they've gotten used to my absence-how dismal! For here, on the other side, one gets the feeling that one's former life persists. Before my birth there was infinite time, and after my death, inexhaustible time. I never thought of it before: I'd been living luminously between two eternities of darkness.

I was happy; I realize now that I'd been happy. I made the best illuminations in Our Sultan's workshop; no one could rival my mastery. Through the work I did privately, I earned nine hundred silver coins a month, which, naturally, only makes all this even harder to bear.

I was responsible for painting and embellishing books. I illuminated the edges of pages, coloring their borders with the most lifelike designs of leaves, branches, roses, flowers and birds. I painted scalloped Chinese-style clouds, clusters of overlapping vines and forests of color that hid gazelles, galleys, sultans, trees, palaces, horses and hunters. In my youth, I would decorate a plate, or the back of a mirror, or a chest, or at times, the ceiling of a mansion or of a Bosphorus manor, or even, a wooden spoon. In later years, however, I applied myself only to manuscript pages because Our Sultan paid well for them. I can't say it seems insignificant now. You know the value of money even when you're dead.”


Pamuk
Orhan Pamuk (Istanbul, 7 juni 1952)

 

De Amerikaanse dichteres Yolande Cornelia "Nikki" Giovanni werd geboren op 7 juni 1943 in Knoxville, Tennessee. In 1960 ging zij studeren aan de universiteit van Nashville. Zij studeerde met lof af in 1967. De burgerrechtbeweging en Black Power inspireerden haar vroege gedichten die verzameld werden in bundels als Black Feeling, Black Talk (1967), Black Judgement (1968), en Re: Creation (1970). Sindsdien schreef zij meer dan twee dozijn boeken, waaronder gedichtenbundels, kinderboeken en essays. Sinds 1987 werkt zij als docente Engels aan de Virginia Tech in Blacksburg, waar op 16 april van dit jaar de student Seung-Hui Cho een bloedbad aanrichtte onder studenten en docenten.

A Poem Of Friendship

We are not lovers
because of the love
we make
but the love
we have

We are not friends
because of the laughs
we spend
but the tears
we save

I don't want to be near you
for the thoughts we share
but the words we never have
to speak

I will never miss you
because of what we do
but what we are
together

 

Kidnap Poem

Ever been kidnapped
by a poet
if i were a poet
i'd kidnap you
put you in my phrases and meter

You to jones beach
or maybe coney island
or maybe just to my house
lyric you in lilacs
dash you in the rain
blend into the beach
to complement my see

Play the lyre for you
ode you with my love song
anything to win you
wrap you in the red Black green
show you off to mama
yeah if i were a poet i'd kid
nap you

 

 

giovanni
Nikki Giovanni (Knoxville, 7 juni 1943)

 

De Duitstalige dichteres Mascha Kaléko (eig. Golda Malka Aufen) werd geboren op 7 juni 1907 in Krenau of Schidlow in Galicië in het toenmalige Oostenrijk-Hongarije, nu Polen. Tegen het einde van de jaren twintig kwam zij in contact met de literaire avant-garde in Berlijn die elkaar ontmoette in het Romanische Café. Daar leerde zij o.a. Else Lasker-Schüler, Erich Kästner, Kurt Tucholsky en Joachim Ringelnatz kennen. In 1929 verschenen haar eerste gedichten in kranten en in 1933 publiceerde zij haar eerste bundel, het Lyrische Stenogrammheft. Met haar tweede man Chemjo Vinaver en hun zoon emigreerde zij in 1938 naar de VS. Na de oorlog keerde zij terug en vond zij opnieuw een lezerspubliek in Duitsland.

 

An mein Kind

 

Dir will ich meines Liebsten Augen geben

Und seiner Seele flammenreiches Glühn.

Ein Träumer wirst du sein und dennoch kühn

Verschloßne Tore aus den Angeln heben.

 

Wirst ausziehn, das gelobte Glück zu schmieden.

Dein Weg sei frei. Denn aller Weisheit Schluß

Bleibt doch zuletzt, daß jedermann hienieden

All seine Fehler selbst begehen muß.

 

Ich kann vor keinem Abgrund dich bewahren,

Hoch in die Wolken hängte Gott den Kranz.

Nur eines nimm von dem, was ich erfahren:

Wer du auch seist, nur eines - sei es ganz!

 

Du bist, vergiß es nicht, von jenem Baume,

Der ewig zweigte und nie Wurzeln schlug.

Der Freiheit Fackel leuchtet uns im Traume -

Bewahr den Tropfen Öl im alten Krug!

 

 

 

Kurzer Epilog

Du hast mir bis zuletzt noch "Sie" gesagt
Und schwiegst per "du". Ich lernte warten, leiden.
Du sahst mir zu. Und dann sprachst du vom Scheiden.
Ich habe nicht warum, wohin gefragt.

Du hörtest mich mit all den andern lachen
Und wußtest wohl, daß mir an keinem lag.
Du sahst sie mich verwöhnen Tag um Tag,
Mir unerwünschte Komplimente machen.

Kein Wort aus deinem Mund. Du hattest Zeit...
Kein Ton aus meinem. Denn ich hatte Ehre.
Ich tat so kühl. Ein Hauch von dir, ich wäre
Dir nachgefolgt in die Unendlichkeit.

Kein Sommer war wie jener groß und klar.
Wir haben ihn mit dummer Hand verschwendet.
Nun aber, da das Kinderspiel beendet,
Begreifen wir, daß es der letzte war.

Gleich als du fort warst, fing es an zu regnen.
- Ich wußte, daß ein Ende so beginnt.
Weil wir nie wieder denen begegnen,
Die für uns ausersehen sind.

 

 

 

 

kaleko
Mascha Kaléko (7 juni 1907 – 21 januari 1975)

 

De Amerikaanse dichteres Gwendolyn Brooks werd geboren op 7 juni 1917 in Topeka, Kansas, maar haar ouders verhuisden al snel daarna naar Chicago. Zij begon met publiceren in de Chicago Defender, een krant voor Amerikanen van Afrikaanse afkomst. In 1950 kreeg zij als eerste zwarte schrijfster de Pulitzerprijs voor haar dichtbundel  Annie Allen. In totaal ontving Brooks meer dan 75 prijzen en onderscheidingen wereldwijd. In veel van haar gedichten hield zij zich bezig met het leven van de armen in Chicago. Haar bekendste gedicht is wellicht We Real Cool, dat in veel Engelstalige schoolboeken terug te vinden is. Brooks geldt als een van de leidende figuren van de Black Arts beweging.

 

 

My Dreams, My Works, Must Wait Till After Hell

 

I hold my honey and I store my bread
In little jars and cabinets of my will.
I label clearly, and each latch and lid
I bid, Be firm till I return from hell.
I am very hungry. I am incomplete.
And none can give me any word but Wait,
The puny light. I keep my eyes pointed in;
Hoping that, when the devil days of my hurt
Drag out to their last dregs and I resume
On such legs as are left me, in such heart
As I can manage, remember to go home,
My taste will not have turned insensitive
To honey and bread old purity could love

 

 

The sonnet-ballad

 

Oh mother, mother, where is happiness?
They took my lover's tallness off to war,
Left me lamenting. Now I cannot guess
What I can use an empty heart-cup for.
He won't be coming back here any more.
Some day the war will end, but, oh, I knew
When he went walking grandly out that door
That my sweet love would have to be untrue.
Would have to be untrue. Would have to court
Coquettish death, whose impudent and strange
Possessive arms and beauty (of a sort)
Can make a hard man hesitate--and change.
And he will be the one to stammer, "Yes."
Oh mother, mother, where is happiness?

 

 

We Real Cool

 

THE POOL PLAYERS.
SEVEN AT THE GOLDEN SHOVEL.



We real cool. We
Left school. We

Lurk late. We
Strike straight. We

Sing sin. We
Thin gin.
We

Jazz June. We
Die soon.

 

 

 

gbrooks2
Gwendolyn Brooks (7 juni 1917 – 3 december 2000)

 

De Ierse schrijfster Elizabeth Bowen werd geboren op 7 juni 1899 in Dublin. Als kind verhuisde zij met haar oudders naar Londen. Ndat haar moeder was gestorven en haar vader ziek werd werd zij vanaf 1907 door tantes opgevoed. Haar eerste boek Encounters  verscheen in 1923. Bowen wordt vaak vergeleken met Virginia Woolf, met wie zij bevriend was, en met Jane Austen vanwege de psychologische beschrijving van haar personages.

 

Uit: The House in Paris

 

“In a taxi skidding away from the Gare du Norde one dark greasy February morning before the shutters were down, Henrietta sat beside Miss Fisher. She embraced with one arm a plush toy monkey with limp limbs; a paper-leather despatch case lay at her feet. Miss Fisher and she still both wore, pinned to their coats, the cerise cockades which had led them to claim one another, just now, on the platform: they had not met before. For the lady in whose charge Henrietta had made the journey from London, Miss Fisher's cockade, however, had not been enough; she had insisted on seeing Mrs. Arbuthnot's letter which Miss Fisher said she had in her bag. The lady had been fussy; she took every precaution before handing over a little girl to a stranger at such a sinister hour and place. Miss Fisher had looked hurt. Henrietta, mortified and embarrassed, wanted to tell her that the suspicious lady was not a relation, only a friend's friend. Henrietta's trunk was registered straight through to Mentone, so there had been no further trouble about that.”

 

 

Bowen
Elizabeth Bowen (7 juni 1899 – 22 februari 1973)

 

De Duitse schrijfster Monika Mann werd als vierde kind van Thomas Mann geboren op 7 juni 1910 in München. In 1955 schreef zij haar autobiografie Vergangenes und Gegenwärtiges, waarin zij zich nogal kritisch over haar vader uitliet. Naast deze autobiografie schreef zij nog twee andere boeken en verder nog korte gedichtachtige teksten zonder al te grote literaire waarde, zoals Der Vater.

 

Der Vater

 

Rührend, ja erschütternd mutet es an, wenn über das helle knabenhafte Anlitz ein Schatten zieht – das Mahnen daran, daß er das Haupt einer Familie ist, sie ernähren muß und zu jeder Zeit für sie einzustehen hat.

 

Uit: Vergangenes und Gegenwärtiges

 

„Ein sanft-fanatischer Sinn für Gleichmaß und ein Sichgleichbleiben kennzeichnete von jeher das väterliche Wesen. So mochte auch mein kindlicher oder elfischer Überschwang ihn etwas verdrossen haben.“ (...) „Er war wie ein Dirigent, der seinen Taktstock gar nicht zu regen brauchte und das Orchester durch sein bloßes Dastehen beherrschte.“

 

 

Mann_Moni
Monika Mann (7 juni 1910 – 17 maart 1992)

 

 

 

 

MannFam
Familie Mann in 1919,

v.l.n.r. Monika, Golo, Michael, Katia, Klaus, Elisabeth, Erika.

 

De Amerikaanse schrijver Harry Crews werd geboren op 7 juni 1935 in Bacon County, Georgia.Tijdens de Koreaanse oorlog diende hij in de marine. Hij bezocht de universiteit van Florida, maar verliet die voortijdig om te gaan reizen. Uiteindelijk keerde hij er toch terug, studeerde af, verhuisde met zijn gezin naar Jacksonville en begon te werken als docent Engels. Hij debuteerde in 1968 met de roman The Gospel Singer.

 

Werk o.a.:  A Feast of Snakes (1976), Body (1990), Scar Lover (1993), Karate Is A Thing of the Spirit (1971), All We Need of Hell (1987), The Mulching of America (1995) and Celebration. A Childhood: The Biography of a Place (1998)

 

Uit: An American Family: The Boy With the Curious Markings (2006)

”It was Sunday, Major Melton's second wedding anniversary. As soon as he opened his eyes he heard the demented barking of the pit bulldog. Then all the way from the other room he smelled the baby. The baby boy with the strange markings. The dog's barking got louder. Curled beside him under the thin blanket, his wife snored counterpoint to the sound of the dog. he knew the dog was probably as crazy as it was ever going to get by now. Poor bastard. Major was sympathetic. The dog had gone beserk from being tied on a leash that was too short. Major's own problem exactly, which hardly make him or the dog unique. Everybody he knew was going quietly mad from being tied on a leash that was too short.”



 

crews
Harry Crews (Bacon County, 7 juni 1935)

 

 

06-06-07

Aleksandr Poesjkin, Thomas Mann, Pierre Corneille, Louis Mercier, Hendrik van Teylingen


De Russische dichter Aleksandr Sergejevitsj Poesjkin werd geboren in Moskou op 6 juni 1799. In zijn kinderjaren werd Poesjkin bijna volledig in het Frans opgevoed, en doordat hij over een fenomenaal geheugen beschikte, kende hij op zijn elfde praktisch de complete toenmalige Franse literatuur uit zijn hoofd. Het is door zijn kindermeisje, zijn 'njanja', dat hij met de Russische taal, sprookjes en volksverhalen vertrouwd raakte. De bewerking van een van deze sprookjes, Roeslan en Ljoedmila, maakte hem op jonge leeftijd in heel Rusland beroemd. In 1811 begon Poesjkin zijn studies aan het door de tsaar opgerichte elitelyceum van Tsarskoje Selo, nabij Sint-Petersburg. Zijn uitzonderlijke talent als dichter werd er zeer vlug opgemerkt. In het tsaristische Rusland was de censuur echter streng, de pen van Poesjkin vlijmscherp. Zijn doen en laten werden nauwlettend gevolgd en een gedicht zoals 'Ode aan de vrijheid' (1818) en talrijke epigrammen circuleerden in vrijheidsgezinde en anti-tsaristische kringen. In 1820 werd Poesjkin verbannen uit Sint-Petersburg. Dit redde waarschijnlijk zijn leven, want het heeft hem belet om, zoals vele van zijn literaire vrienden, deel te nemen aan de Dekabristenopstand van 1825. Tijdens zijn ballingschap op het platteland schreef Poesjkin een groot deel van zijn meesterwerk, hét gedicht van de Russische literatuur, Jevgeni Onegin.

 

 

Dream

 

Not long ago, in a charming dream,

I saw myself -- a king with crown's treasure;

I was in love with you, it seemed,

And heart was beating with a pleasure.

I sang my passion's song by your enchanting knees.

Why, dreams, you didn't prolong my happiness forever?

But gods deprived me not of whole their favor:

I only lost the kingdom of my dreams.

 

 

"Good for the Poet Who..."

 

Good for the poet who applies

His art in royal chambers' splendor.

Of tears and laughter crafty vendor,

Adding some truth to many lies,

He tickles the sated taste of lords

For more greatness and awards.

And decorates all their feasts,

Receiving clever praise as fees...

But, by the doors, so tall and stout --

On sides of stables and backyards --

The people, haunted by the guards,

Hark to this poet in a crowd.

 

 

Prisoner

 

I'm sitting by bars in the damp blackened cell --

The juvenile eagle, who's bred by the jail,

My mournful friend, with his wings stretching wide,

Is picking at bloody food right by my side.

 

He’s picking and looking at me through the bars,

Like having a thought that is common to us,

Like calling to me with a glance and a sight,

And wanting to say, "Let us fly outside!

 

We're free proud birds; it is time for the friends

To fly to the white of the rock in a haze,

To fly to the blue of the sea and the sky,

Where evenly dwell only tempests ... and I!"

 

 

Vertaald door Yevgeny Bonver

 

 

 

pushkin
Aleksandr Poesjkin (6 juni 1799- 10 februari 1837)

Portret door Orest Kiprensky

 

De Duitse schrijver Thomas Mann werd geboren in Lübeck op 6 juni 1875.

 

Zie ook mijn blog van 6 juni 2006 en van 12 augustus 2006 en het actuele blog van collega blogger Duits die onlangs aan een reeks over de schrijver begonnen is.

 

In 1941 waren de Manns (die sinds 1936 in de VS woonden) verhuisd van Princeton naar Pacific Palisades, gelegen tussen Santa Monica en Malibu, ten noorden van Los Angeles. Daar begon Thomas Mann na voorstudies op 23 mei 1943 met het schrijven van zijn roman Doktor Faustus. Hij zou er bijna vier jaar aan werken, onderbroken door de lezingen die hij in de VS hield en door een zware, maar succesvolle operatie wegens longkanker in het voorjaar van 1946. Op 6 februari 1947 voltooide hij het boek. Het dagboek verneldt:

 

„Champagner-Abendessen zur Feier der Beendigung des Faustus und Verlesung der Echo-Kapitel. Sichtliche Ergriffenheit. Die Gestalt des Kindes zweifellos das Beste und Dichterischste in dem Buch. Weiterer Champagner“.

 

Uit: Doktor Faustus

 

„Nepomuk, oder “Nepo”, wie die Seinen ihn riefen, oder “Echo”, wie er, schon seit er zu lallen begonnen hatte, in wunderlicher Verfehlung der Milaute sich selber nannte, war sehr schlicht-sommerlich und kaum städtisch gekleidet in ein weiß-baumwollenes Hemd-Jäckchen mit kurzen Ärmeln, ganz kurze Leinenhöschen und ausgetretene Lederschuhe an den bloßen Füßen. Trotzdem war einem bei seinem Anblick nicht anders, als sähe man ein Elfenprinzchen. Die zierliche Vollendung der kleinen Gestalt mit den schlanken, wohlgeformten Beinchen, der unbeschreibliche Liebreiz des länglich ausladenden, von blondem Haar in unschuldiger Wirnis bedeckten Köpfchen, dessen Gesichtszüge, so kindlich sie waren, etwas Ausgeprägt-Fertiges und Gültiges hatten, sogar der unsäglich holde und reine, zugleich tiefe und neckische Aufschlag der langbewimperten Augen von klarstem Blau, - nicht einmal so sehr dies alles war es, was jenen Eindruck von Märchen, von Besuch aus niedlicher Klein- und Feinwelt hervorrief. Hinzu kam das Stehen und Gehaben des Kindes unter dem umringenden, lachenden, sowohl leise Jubelrufe wie Seufzer der Rührung ausstoßenden Großvolk, sein selbstverständlich von Koketterie und Wissen um seinen Zauber nicht ganz freies Lächeln, Antworten und Bedeuten, das etwas lieblich Lehrendes  und Bodenhaftes hatte, das Silberstimmchen der kleinen Kehle und dieses Stimchens Rede, die, noch mit kindlichen Fehllauten wie „iß“ und „nißt“ untermischt, den vom Vater ererbten und von der Mutter früh übernommenen, leicht bedächtigen, leicht feierlich schleppenden und bedeutsamen schweizerischen Tonfall, mit Zungen-r und drollig stockender Silbenfolge, wie „stut-zig“ und „schmut-zig“ hatte, und die das Mänchen, wie ich es nie bei Kindern gesehen, mit erläuternden, aber, weil sie oft nicht recht dazu paßten, seine Worte eher verschwindenden und verfremdenden und dabei höchst anmutigen, vag ausdrucksvollen Gebärden seiner Ärmchen und Spielhändchen begleitete.“

 

 

 

 

Thomas_Mann
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)
 

 

amalfi
Manns huis in Pacific Palisades.

 

De Franse schrijver Pierre Corneille werd geboren in Rouen op 6 juni 1606. Al op jonge leeftijd raakte hij aan het jezuïetencollege onder de indruk van de Romeinse schrijvers uit de Oudheid. Hij heeft onder meer klassieke tragedies geschreven waarin de held al zijn hartstochten overwint.

In 1629 schreef hij zijn eerste toneelstuk, Mélite, een blijspel dat door het publiek goed werd ontvangen. Er zouden in totaal nog ruim 30 toneelstukken volgen.

De echte doorbraak van Corneille kwam in 1637, met de eerste opvoeringen van de in 1636 geschreven tragikomedie Le Cid. In dit stuk toont hij de moeilijke keuze tussen de liefde en de eer, waarbij de eer een doorslaggevende rol speelt. Aanvankelijk werd Corneille bekritiseerd, omdat hij het onderwerp niet in de Klassieke Oudheid had gezocht. Hem werd tevens verweten dat hij zich niet aan de klassieke regels voor toneel had gehouden, de zogenaamde wetten van Aristoteles. Na "Le Cid" schreef hij klassieke tragedies waarin hij zich zoveel mogelijk aan de regels hield. Hij schreef onder andere: Horace, Cinna, Polyeucte en Tite et Bérénice. In 1647 werd hij lid van de in 1635 door Richelieu opgerichte Académie française.

 

Uit: Le Cid

 

CHIMÈNE

Elvire, m'as-tu fait un rapport bien sincère ?

Ne déguises-tu rien de ce qu'a dit mon père ?

 

ELVIRE

Tous mes sens à moi-même en sont encor charmés :

Il estime Rodrigue autant que vous l'aimez,

Et si je ne m'abuse à lire dans son âme,

Il vous commandera de répondre à sa flamme.

 

CHIMÈNE

Dis-moi donc, je te prie, une seconde fois

Ce qui te fait juger qu'il approuve mon choix ;

Apprends-moi de nouveau quel espoir j'en dois prendre ;

Un si charmant discours ne se peut trop entendre ;

Tu ne peux trop promettre aux feux de notre amour

 

 

 

CORNEILLE
Pierre Corneille (6 juni 1606 – 1 oktober 1684)

 

De Franse schrijver en politicus Louis Sébastien Mercier werd geboren in Parijs op 6 juni 1740. Mercier was een van de meest productieve schrijvers van zijn tijd. Hij is de auteur van een vijftigtal toneelstukken die de Romantiek aankondigen en waarin hij zijn bewondering voor Shakespeare duidelijk naar voor brengt. Hij schreef ook enkele populaire drama's, zoals La Brouette du vinaigrier. Mercier was niet alleen een bewonderaar van Shakespeare, maar ook van Jean-Jacques Rousseau. Hij was een van de verantwoordelijken voor het uitgeven van het volledige oeuvre van Rousseau. Na de Franse Revolutie bracht hij het werk De J.-J. Rousseau considéré comme l'un des premiers auteurs de la Révolution uit, waarin hij Rousseau bestempelt als een van de grondleggers van de Franse Revolutie. Hij was ook de pittoreske verteller van het Parijse leven van de jaren 1780. Hij schetste het leven van de Franse maatschappij aan het einde van het Ancien Regime in zijn werk Tableau de Paris uit 1781. In dit werk beschrijft hij voornamelijk de zeden en gewoonten van de Parijse middenklasse en de lagere klassen.

Het meest bekende werk van Mercier is waarschijnlijk L'An 2440, rêve s'il en fût jamais, uitgegeven vanaf 1770 en uitgebreid met een dertigtal nieuwe hoofdstukken in 1786. Dit werk kan worden beschouwd als de eerste moderne sciencefictionroman.

 

Uit: Tableau de Paris

 

« Que de substances se fondent dans un si petit espace ! Paris peut être considéré comme un large creuset, où les viandes, les fruits, les huiles, les vins, le poivre, la cannelle, le sucre, le café, les productions les plus lointaines viennent se mêlanger ; et
les estomacs sont les fourneaux qui décomposent ces ingrédiens. La partie la plus subtile doit s' exhaler et s' incorporer à l' air qu' on respire : que de fumée ! Que de flammes ! Quel torrent de vapeurs et d' exhalaisons ! Comme le sol doit être profondément imbibé de tous les sels que la nature avait distribués dans les quatre parties du monde ! Et comment de tous ces sucs rassemblés et concentrés dans les liqueurs qui coulent à grands flots dans toutes les maisons, qui remplissent des rues entieres (comme la rue des lombards), ne résulterait-il pas dans l' athmosphere des parties atténuées qui pinceroient la fibre là plutôt qu' ailleurs ? »

 

 

mercier
Louis Sébastien Mercier ( 6 juni 1740 - 25 april 1814)

 

De Nederlandse dichter en vertaler Hendrik van Teylingen werd geboren op 6 juni 1938 in IJmuiden. Hij publiceerde de gedichtenbundels De baron fietst rond (1966), Van aldoor groter hoogte plat op het zeil (1973) en Voortdurend gepiep (1974). Hij werkte als journalist voor het maandblad Avenue. Reportages hieruit verschenen onder de titel Bedek je schande. Suriname van binnen uit (1972). In 1975 sloot hij zich aan bij de Hare Krishna-beweging,een westerse vorm van de godsdienst die officieel Gaudiya Vaishnavisme heet. Hij ontving van zijn Goeroe A.C. Bhaktivedanta Swami de naam Hayeshvara Das en vertaalde diens boeken. In 1981 werd hij uit de beweging gezet en begon hij in 1985 zijn eigen gemeenschap, de Sri Chaitanya Gemeenschap, die bestaan bleef tot aan zijn overlijden.

 

 

Zwaan

 

Verwaten groet hij

vis en ander onderkruipsel

met zijn voeten.

 

 

Zweefduik

 

Languit, fenomeen,

duiken spiegelbeeld, schaduw

en jijzelf - ineen.

 

 

Epitaaf

 

Als dit U troosten mag:

hoe smaller mijn gezicht,

hoe breder mijn lach.

 

 

 

TEYLINGEN
Hendrik van Teylingen  (6 juni 1938 – 25 december 1998)

 

 

01-06-07

Patrick Besson, Colleen McCullough, John Masefield, Ferdinand Raimund, Peter de Mendelssohn


De Franse schrijver en journalist Patrick Besson werd geboren op 1 juni 1956 in Montreuil. Zijn vader was Russisch, zijn moeder Kroatisch. In 1974, op zeventienjarige leeftijd, publiceerde hij zijn eerste roman Les Petits maux d'amour. In 1985 ontving hij de Grand prix du roman de l'Académie française voor Dara en in 1995 de Prix Renaudot voor Les Braban. Tijdens de oorlog in Joegoslavië stond hij aan de kant van Servië. Hij schreef er een boek over, Contre les calomniateurs de la Serbie, dat hem polimieken opleverde met andere intelectuelen als Michel Polac, Romain Goupil et Didier Daeninckx.

 

Uit : Le deuxième couteau

 

« La dernière fois que Sandra Gamelin mit les pieds à la brasserie Lipp, ce fut le 21 novembre 1979. Un petit homme fluet vint à sa rencontre, précédant de peu le maître d'hôtel. C'était Jérôme Bernotte, conseiller littéraire chez un éditeur parisien. Elle lui serra la main. Serrer la main à tout propos était une habitude qu'elle avait prise à l'usine, où elle avait travaillé quelques années avant de devenir secrétaire, secrétaire de direction puis écrivain.
Elle dit quelques mots à l'oreille de Bernotte, qui lui indiqua obligeamment un escalier où elle s'engouffra. Elle ne devait plus jamais le remonter.
Quand Bernotte sortit du commissariat, il était 15 h 40. Un froid sec et lumineux régnait sur le boulevard Saint-Germain. Les cafés étaient pleins de gens et de fumée de cigarettes. Cela se mélangeait un peu dans les yeux de Bernotte, qui avait la tête ailleurs.
Il s'accouda à un comptoir et but deux petits blancs à la file.
Son bureau se trouvait au deuxième étage d'un immeuble de la rue des Saints-Pères, dans un appartement où s'entassaient tant bien que mal une comptable, une directrice commerciale, une attachée de presse et le P.-D. G. de la maison d'édition, Gaston Cooper.
En traversant le boulevard, Bernotte se demandait quelle tête ferait Gaston, quand il apprendrait la mort de la seule personne qui aurait pu le sauver de la faillite. Peut-être connaissait-il déjà la nouvelle. Les nouvelles vont vite, dans ce quartier de Paris où les choses ont à peine le temps d'arriver qu'on n'en parle déjà plus. »

 

Besson
Patrick Besson (
Montreuil, 1 juni 1956)

 

De Australische schrijfster Colleen McCullough werd geboren op 1 juni 1937 in Wellington. Ze studeerde neurofysiologie, en werkte in verschillende ziekenhuizen in Sydney en in Engeland. Ze gaf later ook les aan Yale. Ze is lid van de New Yorkse Academy of Sciences en is een fellow van de Amerikaanse Association for the Advancement of Science. In de late jaren zeventig vestigde ze zich Norfolk, waar ze sindsdien met haar echtgenoot, Ric Robinson, woont. Zij schreef o.a. Tim, (waarvan een film werd gemaakt met Mel Gibson and Piper Laurie), De Doornvogels, Obsessie, Het lied van Troje. Voor haar onderzoek voor haar boek Macht & liefde. De mannen en vrouwen van Rome kreeg ze een doctoraat in de letteren van de Macquarie Universiteit in 1993.

 

Uit: The Thorn Birds

 

“On December 8th, 1915, Meggie Cleary had her fourth birthday. After the breakfast dishes were put away her mother silently thrust a brown paper parcel into her arms and ordered her outside. So Meggie squatted down behind the gorse bush next to the front gate and tugged impatiently. Her fingers were clumsy, the wrapping heavy; it smelled faintly of the Wahine general store, which told her that whatever lay inside the parcel had miraculously been bought, not homemade or donated.

Something fine and mistily gold began to poke through a corner; she attacked the paper faster, peeling it away in long, ragged strips."Agnes! Oh, Agnes!" she said lovingly, blinking at the doll lying there in a tattered nest.

A miracle indeed. Only once in her life had Meggie been into Wahine; all the way back in May, because she had been a very good girl. So perched in the buggy beside her mother, on her best behavior, she had been too excited to see or remember much. Except for Agnes, the beautiful 'doll sitting on the store counter, dressed in a crinoline of pink satin with cream lace frills all over it. Right then and there in her mind she had christened it Agnes, the only name she knew elegant enough for such a peerless creature.”

 

 

 

McCulloun
Colleen McCullough (Wellington, 1 juni 1937)

 

De Engelse dichter en schrijver John Edward Masefield  werd geboren op 1 juni 1878 in Ledbury, in Herefordshire. Zie ook mijn blog van 1 juni 2006.

 

 

Roadways

 

One road leads to London,

One road leads to Wales,

My road leads me seawards

To the white dipping sails.

 

One road leads to the river,

And it goes singing slow;

My road leads to shipping,

Where the bronzed sailors go.

 

Leads me, lures me, calls me

To salt green tossing sea;

A road without earth's road-dust

Is the right road for me.

 

A wet road heaving, shining,

And wild with seagull's cries,

A mad salt sea-wind blowing

The salt spray in my eyes.

 

My road calls me, lures me

West, east, south, and north;

Most roads lead men homewards,

My road leads me forth.

 

To add more miles to the tally

Of grey miles left behind,

In quest of that one beauty

God put me here to find.

 

 

Beauty

 

I have seen dawn and sunset on moors and windy hills

Coming in solemn beauty like slow old tunes of Spain:

I have seen the lady April bringing the daffodils,

Bringing the springing grass and the soft warm April rain.

 

I have heard the song of the blossoms and the old chant of the sea,

And seen strange lands from under the arched white sails of ships;

But the loveliest thing of beauty God ever has shown to me,

Are her voice, and her hair, and eyes, and the dear red curve of her lips.

 

 

 

Masefield
John Edward Masefield (1 juni 1878 – 12 mei 1967)

 

De Oostenrijkse schrijver en dichter Ferdinand Raimund werd geboren op 1 juni 1790 in Wenen In de zomer van 1828 schreef hij, in het besef dat hij rekening diende te houden met wat zijn publiek gewend was, Der Alpenkönig und der Menschenfeind. Dit werd zijn allergrootste succes; het stuk heeft meer psychologische diepgang dan Raimunds eerdere werk en toch kent het de sprookjesachtige sfeer van het Biedermeier-volkstheater. Het enthousiaste onthaal van de Alpenkönig was eveneens te danken aan de muziek van Wenzel Müller, in zijn tijd een razend populair componist en concurrent van Mozart, voor wie de muziek bij dit toneelstuk een laatste grote meesterwerk is geweest. De Alpenkönig was zodanig populair, dat het stuk in een Engelse vertaling in 1831 drie maand lang in het Adelphi-theater te Londen werd gespeeld. Raimund werd in die periode over heel Europa een gevierd auteur.

 

Zie ook mijn blog van 1 juni 2006.

 

Uit: Der Alpenkönig und der Menschenfeind

 

Astragalus.

 

Wohl soll in der Geister Walten

Lieb und Großmut mächtig schalten,

Und ihr Wesen hoher Art,

Wo sich Kraft mit Freiheit paart,

Soll, befreit von irdschem Band,

Schwingen sich an Äthers Rand.

Doch, so wies im Menschenleben

Bös und gut Gesinnte gibt,

Jener haßt und dieser liebt:

So ists auch in Geistersphären,

Daß nicht all nach oben kehren

Ihr entkörpert Schattenhaupt,

Und, des liebten Sinns beraubt,

Auch der Böse schaut nach unten,

An die finstre Macht gebunden.

Und so wird der Krieg bedinget,

Der die Welt mit Leid umschlinget,

Der die Wolken jagt durch Lüfte,

Der auf Erden baut die Grüfte,

Der den Geist gen Geist entzweiet,

Der dem Hai die Kraft verleihet,

In des Meeres Flut zu wüten,

Der dem Nordhauch schenkt die Blüten,

Der den Sturm peitscht gegen Schiffe,

Daß zerschmettern sie am Riffe,

Der die Menschen reiht in Heere,

Daß sie zu des Hasses Ehre

Über ihrer Brüder Leichen

Sich des Sieges Lorbeer reichen -

Doch ich liebe Geisterfrieden,

Bin dem Menschen gut hienieden,

Hause nicht in Bergesschlünden,

Laß in freier Luft mich finden.

Hab auf Höhen, glänzend weiß,

Auf des Gletschers kühnstem Eis,

Mein kristallnes Schloß erbaut,

Das der Sterne Antlitz schaut.

Und dort blick aus klaren Räumen

Auf der Menschheit eitles Träumen

Mitleidsvoll ich oft herab.

Doch wenn ich am Pilgerstab

Manch Verirrten wandern sehe,

Steig von meiner wolkgen Höhe

Nieder ich zum Erdenrunde,

Reich ihm schnell die Hand zum Bunde

Und leit ihn mit Freundessinn

Zum Erkenntnistempel hin. (Ab.)

 

 

 

Raimund
Ferdinand Raimund (1 juni 1790 - 5 september 1836)
   
Geschilderd door Christoph Frank

 

De Duitse schrijver, essayist en journalist Peter de Mendelssohn werd op 1 juni 1908 in München geboren als zoon van een goudsmid. Hij groeide op in Dresden-Hellerau. Al tijdens zijn redacteurschap van het Berliner Tageblatt in de jaren twintig publiceerde hij eigen teksten. In 1933 emigreerde hij naar Engeland. Na WO II was hij perschef bij de Britse controlecommissie in Düsseldorf, was hij als verslaggever aanwezig bij de Neurenberger processen en werkte hij mee aan de opbouw van de Berliner Tagesspiegel en van Die Welt. In 1970 keerde hij naar München terug, waar hij tot aan zijn dood bleef wonen. Vooral als biograaf van Thomas Mann en als uitgever van diens dagboeken werd de Mendelssohn in de jaren zeventig bekend. Fertig mit Berlin?, zijn eerste roman. verscheen voor het eerst in 1930.

 

Uit: Fertig mit Berlin?

 

„Ich nahm ein Taxi und fuhr hinaus. Am Romanischen Café vorbei, an Schwanneke vorbei, an den Zeitungshändlern vorbei, an den kleinen Kokotten vorbei, an den Frierenden, am tauben Wurstwaren vorbei, Lietzenburger Ecke Uhland. Vorbei Berlin!
Tiefe Stille empfing mich. Felix saß lang ausgestreckt in seinem Fauteuil, rauchte englische Zigaretten, Manfred, ein wenig zur Lampe gerückt, las ihm vor. Hier gehörst du auch nicht mehr hin - dachte ich, als ich das dunkle, friedliche Bild der beiden Versunkenen sah. Leise hängte ich Hut und Mantel hinter die Tür, setzte mich behutsam auf meinen alten Platz, Felix schob wortlos Zigaretten hin, Manfred las, Felix lauschte ehrlich hingegeben, ich brauchte zwei Minuten, um die neue Stimmung aufzunehmen, dann lauschte auch ich. Der unvergeßliche Abend aus dieser ganzen verwickelten, schönen, traurigen, schwierigen Zeit.“

 

 

 

Medelssohn
Peter de Mendelssohn (1 juni 1908 – 10 augustus 1982)

 

 

09-11-06

Ivan Toergenjev, Mohammed Iqbal, Imre Kertész, Velemir Chlebnikov, Erika Mann


Ivan Sergejevitsj Toergenjev werd geboren op 9 november 1818 in Orjol, in de Oekraïne. Toergenjew studeerde in Moskou, St. Petersburg en Berlijn. Vanaf 1843 werkte hij als ambtenaar in Moskou, waar hij zich ook in literaire kringen bewoog. Hij publiceerde vanaf 1847 gedichten en verhalen in het tijdschrift Sovremennik.  Met zijn roman uit 1862, Vaders en zonen, verwierf hij internationale roem. Later volgden onder meer Rook, Een maand buiten en Nieuwe grondenVaders en zonen bezorgde Toergenjew in Rusland problemen met de censuur. Bovendien werd hij ervan beschuldigd contacten te onderhouden met revolutionaire emigranten. Hoewel deze aanklachten in 1864 weer werden ingetrokken, besloot hij zich definitief in het Westen te vestigen. Tot zijn dood op 3 september 1883 keerde hij nog slechts af en toe terug naar zijn vaderland.

Uit: Fathers and sons (vertaling Richard Hare)

 

"WELL, PYOTR, STILL NOT IN SIGHT?" WAS THE QUESTION ASKED ON 20th May, 1859, by a gentleman of about forty, wearing a dusty overcoat and checked trousers, who came out hatless into the low porch of the posting station at X. He was speaking to his servant, a chubby young fellow with whitish down growing on his chin and with dim little eyes.

The servant, in whom everything--the turquoise ring in his ear, the hair plastered down with grease and the polite flexibility of his movements--indicated a man of the new improved generatio, glanced condescendingly along the road and answered, "No, sir, definitely not in sight."

"Not in sight?" repeated his master.

"No, sir," replied the servant again.

His master sighed and sat down on a little bench. We will introduce him to the reader while he sits, with his feet tucked in, looking thoughtfully around.

His name was Nikolai Petrovich Kirsanov. He owned, about twelve miles from the posting station, a fine property of two hundred serfs or, as he called it--since he had arranged the division of his land with the peasants--a "farm" of nearly five thousand acres. His father, a general in the army, who had served in 1812, a crude, almost illiterate, but good-natured type of Russian, had stuck to a routine job all his life, first commanding a brigade and later a division, and lived permanently in the provinces, where by virtue of his rank he was able to play a certain part.”

 

 

TOERGENJEV
Ivan Toergenjev (9 november 1818 – 3 september 1883)

 

Mohammed Iqbal werd geboren op 9 november 1877 in Sialkot in het tegenwoordige Pakistan. Hij studeerde eerst filosofie in Lahore. Voor verdere studies ging hij van 1905 tot 1907 naar Europa. Hij studeerde in Cambridge, München en Heidelberg rechten en filosofie en promoveerde in München in de filosofie. Het waren deze studiejaren die de jonge Iqbal ertoe brachten de oriënt en zijn filosofie met die van het westen te vergelijken. Hij ontwikkelde een uitgesproken zendingsbewustzijn en eiste na zijn terugkeer in het vaderland een sterkere solidariteit tussen moslims, waardoor zij na jaren van verval weer tot geestelijke bloei zouden komen. Tot zijn belangrijkste werken horen Asrar-e-Khudi ("De geheimen van het zelf"), 1915 en Payam-e-Mashriq ("De boodschap van het Oosten"), 1923, dat als antwoord geschreven is op Goethes West-östlicher Diwan .

Uit: Message from the East

The world is under His proud power’s sway
Whom all things were created to obey.
The sun itself is nothing but a mark
Of long prostration on the brow of day.

                               *

My heart is lit up by an inner flame;
Tears of blood lend my eyes a cosmic frame.
May he stray farther from life’s mystery
Who thinks that madness is Love’s other name.

                               *

Love breathes spring breezes upon garden bowers,
And it star-spangles hills and dales with flowers.
Its sunbeams pierce the darkness of the sea
And give the eyes of fish path-seeing powers.

 

iqbal
Mohammed Iqbal (9 november 1877 – 21 april 1938)

 

De joods-Hongaarse schrijver Imre Kertész werd geboren op 9 november 1929 in Boedapest. Kertész bracht twee jaar in de concentratiekampen Auschwitz en Buchenwald door, een ervaring die zijn werk als schrijver gestalte gaf. Later keerde hij terug naar Hongarije en leefde vier decennia lang onder de beperkingen van het communistische regime aldaar. De werken van Kertész gaan over oorlog en het verblijf in een vernietigingskamp, maar hij behandelt deze onderwerpen als een deel van het dagelijks leven waarin soms zelfs sprake kan zijn van geluk.In 2002 ontving Kertész de Nobelprijs voor de Literatuur.

Uit:  Sorstalanság  (Roman eines Schicksallosen, vertaling Christina Viragh  )

 

"Das ungarische Lagerkomitee ...", und ich dachte: nun, sieh an, das hätte ich auch nicht geglaubt, dass es so etwas gibt. Aber ich konnte noch so Acht geben, auch bei ihnen war, wie bei allen anderen vorher, nur von Freiheit die Rede und keine Andeutung, kein Wort von der noch ausstehenden Suppe. Auch ich war, natürlich, äußerst erfreut, dass wir frei waren, aber ich konnte halt nichts dafür, ich musste andererseits einfach denken: gestern hätte so etwas zum Beispiel noch nicht vorkommen können. Draußen war der Aprilabend schon dunkel, auch Pjetka war wieder da, erhitzt, aufgewühlt, voll von unverständlichen Worten, als sich der Lagerälteste endlich über den Lautsprecher wieder meldete. Diesmal wandte er sich an die ehemaligen Mitglieder des Kartoffelschälkommandos und bat sie, so freundlich zu sein und ihre alten Plätze in der Küche wieder einzunehmen, die anderen Bewohner des Lagers hingegen ersuchte er, wach zu bleiben, und wenn es sein müsse, bis Mitternacht, denn man sei im Begriff, sich an die Zubereitung einer kräftigen Gulaschsuppe zu machen: da erst sank ich erleichtert auf mein Kissen zurück, da erst löste sich langsam etwas in mir, da erst dachte auch ich – wohl zum ersten Mal ernstlicher – an die Freiheit. (pag. 228)

 

 


kertesz
Imre Kertész Boedapest, (9 november 1929)

 

Velemir Chlebnikov werd geboren op 9 november 1885 in Tundotovo. Hij behoorde tot  de belangrijke groep futuristen Gileas (Гилея).  Samen mey Wladimir Majakowski, David Dawidowitsj Burljuk ne Alexej Krucenych publiceerde hij in 1912 het manifest „Een oorvijg voor de algemene smaak“ dat als het manifest van het Russische Futurisme geldt..Maar ook daarvoor al had hij een reeks uitstekende gedichten geschreven. In zijn werk experimenteerde Chlebnikov met de Russische taal. Hij ging terug naar haar wortels en vormde talrijke neologismen. Samen met Aleksej Krutschonych (tekst) en Michail Matjuschin (muzie), en met Kasimir Malevitsj (decor –en kostuumontwerpen) hoorde hij tot de schrijvers van de eerste „futuristische opera „Zege over de zon“ die in december 1913 voor het eerst werd opgevoerd in Sint Petersburg.

Bo-beh-o-bi Sang The Lips
 

Bo-beh-o-bi, sang the lips,
Veh-eh-o-mi, sang the glances,
Pi-eh-eh-o, sang the brows,
Li-eh-eh-ey, sang the visage,
Gzi-gzi-gzeh-o, sang the chain.
Thus on a canvas of some correspondences
Beyond dimension lived the face.

 

 

Where The Waxwings Used To Dwell

 

Where the waxwings used to dwell,
Where the pine trees softly swayed,
A flock of airy momentwills
Flew around and flew away.
Where the pine trees softly whooshed
Where the warblewings sang out
A flock of airy momentwills
Flew around and flew about.
In wild and shadowy disarray
Among the ghosts of bygone days,
Wheeled and tintinnabulated.
A flock of airy momentwills
A flock of airy momentwills!
You're warblewingish and beguilish,
You besot my soul like strumming,
Like a wave invade my heart!
Go on, ringing warblewings,
Long live airy momentwills!

 

 

 

 

CHELEBNIKOV
Velemir Chlebnikov (9 november 1885 - 28 juni 1922)

Portret door Vladimir Burliuk

 

Erika Mann werd geboren op 9 november 1905 in München als oudste dochter van Thomas Mann. Samen met haar broer Klaus Mann begon zij in 1927 aan een maanden durende wereldreis die later door broer en zus zijn literaire neerslag vond in „Rundherum“. Het opkomende nationaal-socialisme brengt haar er toe zich steeds sterker politiek te engageren, iets wat zijn neerslag vond in talloze krantenartikelen. Haar confrontatie met de nazi’s betekende echter wel het einde van haar toneelloopbaan. Samen met Klaus, haar levenspartner Therese Giehse en enkele andere vrienden richt zij in 1933 het politieke cabaret "Die Pfeffermühle" op in München op. Een paar maanden later verlaat de familie Mann Duitsland. In de zomer van 1937 vestigt Erika Mann zich definitief in de VS. Haar ouders volgen een jaar later. De „Peppermill“ wordt in de VS echter geen succes en daarom zette Erika Mann haar strijd tegen het Derde Rijk op een andere manier voort. Zij publiceerde veel in kranten en  reisde de VS door om lezingen te geven. Op haar vader had zij daarmee een grote invloed, Zij stimuleerde zijn kritische houding ten opzichte van Duitsland.

 

„Überall stürzte [..] sich [die Jugend] in wilde Genüsse und Ausschweifungen. Neue und wilde Musik kam aus Amerika und berauschte sie. [...] Es war ganz allgemein ein offenes und bewusstes Sich-Berauschen ohne Grund. Um dies zu verstärken, waren alle Mittel erlaubt: Musik und Alkohol, Marihuana, Morphium und Kokain.“ (E.M., Don’t make the same mistakes)

 

"Der Erfolg spornte, wir engagierten neue Leute, alle Herzogparkkinder rissen sich um uns, Gretel und Lotte, Bruno Walters schmucke Töchter, wurden verpflichtet, W.E. Süskind, der Dichter, 16-jährig damals, machte mit [...]. Wir lebten für den Mimikbund, was unseren Eltern unlieb war. Ricki malte Programme, Klaus dichtete. [...] Und überhaupt, der ‚Laienbund Deutscher Mimiker’ war ein einzigartiges, edles und famoses Institut." (E.M., in Tempo)

 

 

 

 

ERIKA_MANN
Erika Mann (9 november 1905 - 27 augustus 1969)

 

12-08-06

Thomas Mann


Op 12 augustus 1955 stierf de Duitse schrijver Thomas Mann. Van 23 mei 1943 tot 29 januari 1947 had hij in Pacific Palisades bij Los Angeles, waar hij in 1941 een huis had gekocht, gewerkt aan de roman Doktor Faustus. De vertellersfiguur in de roman, Serenus Zeitblom, laat zijn terugblik op Leverkühns levensweg en werk steeds weer samenvloeien met beschrijvingen van en commentaren op de gebeurtenissen gedurende de oorlogsjaren van 1943 tot 1945. Via deze kunstgreep om verteltijd en vertelde tijd met elkaar in verband te brengen laat Thomas Mann het lot van Adrian Leverkühn, de hoofdpersoon van de roman,  met dat van Duitsland parallel lopen.

 

Enkele citaten uit Doktor Faustus:

 

„ ... dies ist auch die Meinung des Hauptes unserer Freisinger theologischen Hochschule ,Monsignore Hinterpförtner , wie er mir beim Abendschoppen unter vier Augen unumwunden eingestand , - ein Mann , der keine Ähnlichkeit hat mit dem leidenschaftlichen Gelehrten , um den sich im Sommer der gräßlich im Blut erstickte Münchener Studentenaufruhr zentrierte , aber dessen Weltverstand ihm keine Illusionen erlaubt , auch die nicht , die sich an den Unterschied klammert zwischen dem Nichtgewinnen und dem Verlieren des Krieges , also den Menschen die Wahrheit verschleiert , daß wir va banque gespielt haben , und daß das Fehlschlagen unseres Welteroberungsunternehmens einer nationalen Katastrophe ersten Ranges gleichkommen muß ...“

 

 

„ ... ich will es nicht gewünscht haben , weil viel zu tief mein Mitleid , mein jammervolles Erbarmen ist mit diesem unseligen Volk , und wenn ich an seine Erhebung und blinde Inbrunst , den Aufstand , den Aufbruch , Ausbruch und Umbruch , den vermeintlich reinigenden Neubeginn , die völkische Wiedergeburt von vor zehn Jahren denke - diesen scheinbar heiligen Taumel , in den sich freilich , zum warnenden Zeichen seiner Falschheit , viel wüste Roheit , viel Schlagetot-Gemeinheit , viel schmutzige Lust am Schänden , Quälen , Erniedrigen mischte , und der , jedem Wissenden unverkennbar , den Krieg , diesen ganzen Krieg schon in sich trug - , so krampft sich mir das Herz zusammen vor der ungeheueren Investition an Glauben , Begeisterung , historischem Hochaffekt , die damals getätigt wurde und nun in einem Bankerott ohnegleichen verpuffen soll ...“

 

 

“ …ja , ich fürchte , es wird uns zum Verderben ausschlagen , daß eine fatal inspirierte Politik uns zugleich mit der menschenreichsten , überdies revolutionär gehobenen Macht und der an Erzeugungskapazität gewaltigsten in Konflikt gebracht hat , - wie es ja aussieht , als ob diese amerikanische Produktionsmaschine nicht einmal auf höchsten Touren zu laufen brauchte , um eine alles erdrückende Fülle von Kriegsgerät hervorzuschleudern ….”

 

 

„ ...diese Vorstellung , um nicht zu sagen : Idee , beherrschte die Köpfe in einträchtigem Beieinander mit der , daß wir zum Kriege gezwungen seien , daß die heilige Not uns zu den allerdings wohl vorbereiteten und eingeübten Waffen rief , von deren Vortrefflichkeit immer die geheime Versuchung ausgegangen sein mochte , davon Gebrauch zu machen , - zusammen also mit der Furcht , von allen Seiten überflutet zu werden , wovor uns nur unsere ungeheure Kraft , das heißt : die Fähigkeit schützte , den Krieg sofort in anderer Leute Land zu tragen ...“

 

 

„...überhaupt ließ ich mir Sinn und Gefühl für Deutschlands Notdrang , seine moralische Vereinsamung und öffentliche Ächtung , die , so schien mir , nur Ausdruck der allgemeinen Angst vor seiner Kraft und seinem Vorsprung in der Kriegsbereitschaft war ( wobei ich zugab , daß diese , die Kraft und der Vorsprung , nun wieder uns zum derben Trost in unserer Verfemtheit gereichten ) - überhaupt , sage ich , ließ ich mir meine patriotische Ergriffenheit , die so viel schwieriger zu vertreten war als die der andern , nicht verkümmern durch die Humorisierung des Charakteristischen und verlieh ihr , im Zimmer auf und ab gehend , Worte , während Schildknapp im tiefen Stuhl seine Shag-Pfeife rauchte und Adrian , wie es sich traf , vor seinem altdeutschen Arbeitstisch mit der vertieften Mittelplatte und dem aufgesetzten Schreib- und Lesepult stand ...“

 

 

Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)

De laatste jaren van zijn leven woonde Thomas Mann in Kilchberg, Zwitserland.

"Anfang 1954 kaufte sich Thomas Mann in Kilchberg ein Haus. Es war etwas kleiner als die Domizile in München, Princeton und Pacific Palisades. Für alle Kinder Platz zu haben, war nicht mehr nötig: Klaus hatte sich am 21. Mai 1949 in Cannes das Leben genommen, Golo kam gelegentlich aus Deutschland herüber, Elisabeth wohnte in Chicago, Monika auf Capri, Michael in Berkeley. Einzig Erika hatte ihren Standort noch bei den Eltern, aber sie war häufig unterwegs. Der Familien- und Freundeskreis war enger geworden. Alle paar Monate waren Nachrufe zu schreiben, Gedenkreden zu halten, auf Alfred Neumann und Emil Oprecht, auf Gerhart Hauptmann und Max Reinhardt, auf Albert Einstein. Die hohen Geburtstage mehrten sich: Hesse, Feuchtwanger, Katja, Reisiger, Trebitsch, Lukács. Ursachen zur Zersplitterung gab es viele. Aber hatte die Arbeitskraft nicht überhaupt nachgelassen? Thomas Mann kränkelte oft, fühlte sich müde, merkte, daß er langsamer vorankam als früher. Aber er arbeitete unentwegt - wenigstens versuchte er es. Er wußte: Er lebte, solange er schrieb."

Uit: Thomas Mann. Ein Leben in Bildern, hrsg. von Hans Wysling und Yvonne Schmidlin, 2. Aufl., München etc.: Artemis und Winkler 1994, S. 310.

 


Alte Landstrasse 39, Kilchberg

 

21:35 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: thomas mann |  Facebook |

06-06-06

Thomas Mann


Vorig jaar was een Thomas Mann jaar. Op 12 augustus 2005 was het namelijk 50 jaar geleden dat deze Duitse schrijver overleed. Zelf ben ik op die dag in Lübeck geweest. Manns geboortehuis is tijdens WO II verwoest, maar het huis dat zo'n centrale rol speelt in Buddenbrooks, is nog wel te bezoeken, in de Mengstraße 4. Trouwens ook van dit huis bleef door de bombardementen op Lübeck alleen de fassade over.

Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle “Gefallen”. Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de ‘Duitse ziel’ in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.

 

 

...“die reinigende heiligende Wirkung der Literatur , die Zerstörung der Leidenschaften durch die Erkenntnis und das Wort , die Literatur als Weg zum Verstehen , zum Vergeben und zur Liebe , die erlösende Macht der Sprache , der literarische Geist als edelste Erscheinung des Menschengeistes überhaupt , der Literat als vollkommener Mensch , als Heiliger - : aus dieser strahlenden Tonart ging Herrn Settembrini's apologetischer Lobgesang...“

 

 

„...und er brach eine Lanze für die Unschuld der Wollust - wobei Hans Castorp an sein Humanistenstübchen im Dache mit dem Stehpult , den Strohstühlen und der Wasserflasche denken musste , - während Naphta , behauptend , nie könne Wollust ohne Schuld sein und die Natur habe angesichts des Geistigen gefälligst ein schlechtes Gewissen zu haben , die kirchliche Politik und Indulgenz des Geistes als " Liebe " bestimmte , um den Nihilismus des asketischen Prinzips zu widerlegen , - wobei Hans Castorp fand , dass das Wort " Liebe " dem scharfen , mageren kleinen Naphta recht sonderbar zu Gesichte stehe ...“

 

 

„...das ist vollkommene Eindeutigkeit in der Zweideutigkeit , denn Liebe kann nicht unkörperlich sein in der äussersten Frömmigkeit und nicht unfromm in der äussersten Fleischlichkeit , sie ist immer sie selbst , als verschlagene Lebensfreundlichkeit wie als höchste Passion , sie ist die Sympathie mit dem Organischen , das rührend wollüstige Umfangen des zur Verweisung Bestimmten , - Charitas ist gewiss noch in der bewunderungsvollsten oder wütendsten Leidenschaft...“

 

 

Uit: Der Zauberberg

 

 

„...die Überlieferung will wissen , dass ihm sein Gott , der Gott , an dessen Wesensbild sein Geist arbeitete , der Höchste unter den anderen , dem ganz allein zu dienen er aus Stolz und Liebe entschlossen war , der Gott der Aeonen , dem er Namen suchte und hinlängliche nicht fand , weshalb er ihm die Mehrzahl verlieh und ihn Elohim , die Gottheit , versuchsweise nannte : dass also Elohim ihm ebenso weitreichende wie fest umschriebene Verheissungen gemacht hatte , des Sinnes nicht nur ,er, der Mann aus Ur , solle zu einem Volke werden , zahlreich wie Sand und Sterne , und allen Völkern ein Segen sein , sondern auch dahingehend , das Land , in dem er nun als Fremder wohne und wohin Elohim ihn aus Chaldaea geführt hätte , solle ihm und seinem Samen zu ewiger Besitzung gegeben werden in allen seinen Teilen , - wobei der Gott der Götter ausdrücklich die Völkerschaften und gegenwärtigen Inhaber des Landes aufgeführt hätte...“

 

 

„...und da > schön > das Beiwort war , das man vor allem auf den Mond , und zwar auf den vollen , unverdunkelten und unverhüllten , anzuwenden pflegte , ein Mondwort , das in der himmlischen Sphäre eigentlich zu Hause war und auf den Menschen genaugenommen nur übertragenerweise Anwendung fand , so flossen ihm die Denkbilder > schön > und > nackt > fast ohne Unterschied ineinander über , und es schien ihm klug und fromm , die Schönheit des Gestirnes mit der eigenen Nacktheit zu beantworten , damit Vergnügen und Bewunderung gegenseitig seien...“

 

 

„...dass aber des Jünglings Neigung zu einem nicht mustergültigen Entzücken mit Nacktheit zu tun hatte , mit Preisgabe also , mit Baal und Scheol also , mit Todeszauber und erdunterer Unvernunft , entging nicht dem sittlichen Scharfsinn Jaakobs , des Vaters , und ebendarum denn nun begünstigte er des Schreibers Einfluss auf den Geliebten -...“

 

 

Uit: Joseph und seine Brüder

 

 

 
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)
 

 

 

 

21:00 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: thomas mann |  Facebook |

23-03-06

Een onverwacht weerzien


Vorige week de film Brokeback Mountain gezien. Prachtige acteurs en met zijn drie Oscars een opmerkelijke film voor Amerikaans begrip. Mijn gedachten gingen terug naar begin jaren zeventig en naar een film die, na de novelle van Thomas Mann, Der Tod in Venedig, wel de grootste impact ooit op mij heeft gehad: Luchino Visconti’s Death in Venice. Wat is internet toch een heerlijk medium, want na een paar minuten surfen was hij daar ineens weer: Tazio!



                 Bjorn Andresen als Tadzio


Uit: Der Tod in Venedig

 

“und zwar ging sein Verlangen dahin , in Tadzio's Gegenwart zu arbeiten , beim Schreiben den Wuchs des Knaben zum Muster zu nehmen , seinen Stil den Linien dieses Koerpers folgen zu lassen , der ihm goettlich schien , und seine Schoenheit ins Geistige zu tragen , wie der Adler einst den troischen Hirten zum Aether trug .”

 

“...nie hatte er die Lust des Wortes suesser empfunden , nie so gewusst , dass Eros im Worte sei , wie waehrend der gefaehrlich koestlichen Stunden , in denen er , an seinem rohem Tische unter dem Schattentuch , im Angesicht des Idols und die Musik seiner Stimme im Ohr , nach Tadzio's Schoenheit seine kleine Abhandlung , - jene anderthalb Seiten erlesener Prosa formte , deren Lauterkeit , Adel und schwingende Gefuehlsspannung binnen kurzem die Bewunderung vieler erregen sollte .”

 

In 1954, zo'n 14 maanden voor zijn dood op 12 augustus 1955, beschrijft Thomas Mann zichzelf in de woorden die ooit op de Aschenbach uit de novelle van toepassing waren. Hij is nog éénmaal verliefd geweest, op de jonge kelner Franzl.

 

"Kilchberg, Freitag den 11.6.54


Verwirrtes, zerfranstes, überfordertes, leidendes Dasein dieser Tage, gehetzt, überreizt, dekonzentriert, missbraucht. Bestellung einer gedruckten Dankeskarte zur Erledigung von hundert Anreden.

Verzweiflung und Todeswünsche. Begann nach Stockholm zu schreiben und hörte mittags zitternd und verzweifelt auf, weil es unmöglich ist, bis morgen oder übermorgen das Nötige zu komponieren.

Ich sollte aufhören, dies nutzlose, leere Tagebuch zu führen, aus Scham vor meiner gegenwärtigen elenden Existenz.

Wunderlich, wie ich gestern im Theater und Hotel selbst ganz wie eine Königliche Hoheit behandelt wurde und so reagierte. Wunderlicher Lebenstraum, der bald ausgeträumt sein wird. Kurios, kurios. Das habe ich früh gesagt und werde es zuletzt sagen. Völlig unfähig zu arbeiten. Den ganzen Tag krank. Nachmittags im Bett. Qualvolle Erregung statt Ruhe."

21:23 Gepost door Romenu | Permalink | Commentaren (0) | Tags: thomas mann, romenu |  Facebook |

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8