20-09-15

September (C. S. Adama van Scheltema)

 

Dolce far niente

 

 
September Afternoon door Joseph DeCamp, rond 1895

 

 

September

September blaas uw gouden vlammen
Door al de wijde wereld heen!
Blaas van nog boordevolle stammen
Het kwijnend afval naar beneên!
Begraaf ons in uw gulle goud,
Tot ons ontstuimige verlangen
Barst boven al uw wilde zangen
En feest in al uw vruchten houdt!

September blaas uw witte buien
Als blâren van een rozenstok!
Blaas aan ons hart, tot het gaat luien
Als de uit goud gegoten klok!
Totdat ons hoofd zijn lichten draagt
Als de aan uw goud ontstoken lampen,
Tot straalt door al uw blinde dampen
De dag, die uit uw donker daagt!

September blaas de hemel open!
Blaas door de wolken wagenwijd!
Tot onze harten overlopen
Van ’t goud dat uit de hemel glijdt!
Tot onze schoot uw licht bewaart,
Tot wij de lichte wereld loven –
Tot onze ogen gaan geloven
Aan alle heerlijkheid op aard!

 

 
C. S. Adama van Scheltema (26 februari 1877 - 6 mei 1924)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 20e september ook mijn blog van 20 september 2014 deel 1 en eveneens deel 2.

 

31-08-15

Das Gewitter (Nikolaus Lenau)

 

Dolce far niente

 

 
Het onweer bij de Handeck door Alexandre Calame, 1839

 

 

Das Gewitter

Noch immer lag ein tiefes Schweigen
Rings auf den Höhn; doch plötzlich fuhr
Der Wind nun auf zum wilden Reigen,
Die sausende Gewitterspur.

Am Himmel eilt mit dumpfem Klange
Herauf der finstre Wolkenzug:
So nimmt der Zorn im heißen Drange
Den nächtlichen Gedankenflug.

Der Himmel donnert seinen Hader;
Auf seiner dunklen Stirne glüht
Der Blitz hervor, die Zornesader,
Die Schrecken auf die Erde sprüht.

Der Regen stürzt in lauten Güssen;
Mit Bäumen, die der Sturm zerbrach,
Erbraust der Strom zu meinen Füßen; –
Doch schweigt der Donner allgemach.

Der Sturm lässt seine Flügel sinken,
Der Regen säuselt milde Ruh;
Da sah ich froh ein Hüttlein winken
Und eilte seiner Pforte zu.

 

 
Nikolaus Lenau (13 augustus 1802 - 22 augustus 1850)
Portret door Friedrich Amerling

 

 

Zie voor de schrijvers van de 31e augustus ook mijn blog van 31 augustus 2013.

18:55 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: nikolaus lenau, dolce far niente, romenu |  Facebook |

05-08-15

Dolce far niente, Frouke Arns, Richard Preston, Conrad Aiken, Wendell Berry, René Puthaar

 

Dolce far niente

 

 
Gezicht op Nijmegen vanaf Lent door Eugène Lücker, 1933

 

 

Liefdesliedje voor Nimma

Wij waren het eindpunt genaderd, maar hadden het niet gemerkt
jouw lichaam was tegen mij aan in slaap gevallen
en ik weet nog dat ik aan Doornroosje dacht
vlak voordat ook ik vertrok.

Op de spoorbrug schrik ik wakker. Geratel en een stem.
Ik versta bestemming en of we niets vergeten willen.
De Waal buigt zich als een aanzoek langs de kade,
en de stad houdt het antwoord voor zichzelf.

Iemand vouwt zijn krant tot hoed tot boot tot vogel
en vliegt op. Wij stappen uit. Slaapdronken nog
gapen we de maan in onze mond. Een late man
speelt piano op het perron. Weer thuis,

weer terug. Hoe waar dat ik je zo vaak verliet,
maar je nooit verlaten kon. Het geeft niet
dat ik een van velen ben. Het is genoeg
je kalme hart te voelen kloppen aan mijn rug.

 

 
Frouke Arns (Handorf, 1964)
Frouke Arns is momenteel stadsdichter van Nijmegen

Lees meer...

04-08-15

Dolce far niente, Kees van Beijnum, Rutger Kopland, Rudi van Dantzig, Percy Bysshe Shelley, Liao Yiwu

 

Dolce far niente

 

 
De Oudezijds Kapel aan de Zeedijk door Cornelis Springer, 1880

 

Uit: Dichter op de zeedijk

“Het grootste deel van zijn leven had Constant Wegman onder het biljart doorgebracht. Daar, in dat schemerige hol, bereikten de stemmen en de muziek hem als het holle gerommel van een schelp. Soms versmolten de mannen en vrouwen in het café voor zijn ogen tot een groot, drinkend, grommend en rokend wezen met tientallen koppen en handen die hun best deden de dorst van het monster te lessen. Een andere keer, zoals nu, trok juist een enkel paar benen zijn aandacht; de bedachtzame wijze waarop ze voor zijn hol langs schoven maakte hem onrustig, zonder dat hij precies begreep waarom.
(…)

Zijn grootmoeder belde vanaf de paardenkoers, een avondkoers in de buurt van Den Haag, om te vertellen, zeg maar gerust in zijn oor te brullen, dat ze samen met Gijs van Mexico City de ‘doorslag van haar leven’ had gehad. Ze was nogal opgewonden, struikelde over haar woorden. Het kostte hem moeite om uit het warrige verhaal over inzetten, startnummers, een op de baan debuterende merrie die Tosca M heette en een tipgever met de naam Drosse of Drossel af te leiden dat ze veertienduizend gulden had gewonnen. Ze was in de zevende hemel, zei ze, en moest het gewoon even aan hem kwijt. Hij vermoede dat zij die zevende hemel niet op eigen kracht had bereikt. Zo te horen had de brandewijn haar een eindje op weg geholpen.
‘Veertienduizend gulden,’ herhaalde ze. ‘We gaan van de week een bootje voor je kopen. Hoe lijkt je dat?
Hij wist geen boe of ba te zeggen.
‘Hoor je me,’ schreeuwde ze, ‘een bootje.’
‘Ja, ja,’ zei hij, ‘een bootje. Geweldig!
‘Het mooiste bootje van de gracht, voor mijn eigen jongen.’ Haar ademhaling stokte, na een seconde of wat volgde een diepe zucht. Hij meende te horen dat ze een slok nam. ‘Over drie kwartier is het hier afgelopen en dan komen we naar huis. Ga nog niet naar bed, blijf wachten tot ik er ben. Je hoeft morgen niet naar school . Ik wil jou en iedereen zien, dan maken we er nog een leuke avond van. Goed?’

 

 
Kees van Beijnum (Amsterdam, 21 maart 1954)
Danshal, Zeedijk, Amsterdam door Isaac Israels ca.1892-1893

Lees meer...

03-08-15

Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke, Radek Knapp, P. D. James, Marica Bodrozic, Leon Uris

 

Dolce far niente

 

 
Gezicht op het Centraal Station en het IJ door Jan Korthals, 1966

 

 

MONUMENT

'Deze metro gaat richting Centraal Station'
Het galmt. Mijn kleinzoon straalt. 'Oma,
ze zeggen het!' Het brandpunt van zijn wereld
ligt aan 't IJ. Roltrap. We stijgen op.

Hoofd in zijn korte nek, hand in mijn hand.
De treinen, trams, de bussen. Kleurige stenen,
torens met hun klokken, beelden en gouden slingers
aan de wand. Zo wordt de glorie van de stad

zijn hersens in geprent. Ik zie een pronkend
bouwsel dat de vluchtweg naar het water bruut
blokkeert. Sloopkogel, bomkanon? Kijk naar
zijn glad gezicht, aanvaard dit monument.

 

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
Het IJ bij het centraal station Amsterdam door Cornelis de Bruin (1870 – 1940)
Anna Enquist is momenteel stadsdichter van Amsterdam

Bewaren

Lees meer...

02-08-15

Dolce far niente, Albert Verwey, James Baldwin, Isabel Allende, Philippe Soupault

 

Dolce far niente

 

 
Zeelandschap in de morgen, Simon de Vlieger, 1640-45

 

 

De Noordzee

De Noordzee doet zijn gore golven dreunen
En laat ze op 't strand in lange lijnen breken.
Zijn voorjaarswater marmren groene streken
En schuim en zwart waaronder schelpen kreunen

Zie van 't balkon mij naar den einder leunen
Met ogen die sinds lang zo wijd niet keken:
Een droom in 't hart is me eer ik 't wist ontweken
En 't oog wil buiten me op iets komends steunen.

Hoe ben ik altijd weer vervuld, verlaten:
Vervuld van liefde en hoop en schoon geloven;
Verlaten als mijn dromen mij begeven.

Maar dan komt, o Natuur, langs alle straten,
Uw kracht, uw groei, uw dreiging, uw beloven -
Hoe klopt mijn hart van nieuw, van eeuwig leven.

 

 
Albert Verwey (15 mei 1865 - 8 maart 1937)
Zicht op de Montelbaanstoren te Amsterdam, gezien vanaf de Sint Antoniesluis
door Cornelis Vreedenburgh, 1920. Verwey werd geboren in Amsterdam

Lees meer...

01-08-15

Dolce far niente, William Shakespeare, A. E. Housman, Friedrich Schiller, Gerrit Krol

 

Dolce far niente – Canal Parade

 

 
Gay Pride 2015, Amsterdam

 

 

Sonnet 104 - To me, fair friend, you never can be old

To me, fair friend, you never can be old,
For as you were when first your eye I ey'd,
Such seems your beauty still. Three winters cold,
Have from the forests shook three summers' pride,
Three beauteous springs to yellow autumn turn'd,
In process of the seasons have I seen,
Three April perfumes in three hot Junes burn'd,
Since first I saw you fresh, which yet are green.
Ah! yet doth beauty like a dial-hand,
Steal from his figure, and no pace perceiv'd;
So your sweet hue, which methinks still doth stand,
Hath motion, and mine eye may be deceiv'd:
For fear of which, hear this thou age unbred:
Ere you were born was beauty's summer dead.

 

 
William Shakespeare (23 april 1564 – 23 april 1616)
Joseph Fiennes als de jonge Shakespeare in de film Shakespeare in Love, 1998

 

 

You smile upon your friend to-day

You smile upon your friend to-day,
To-day his ills are over;
You hearken to the lover's say,
And happy is the lover.

'Tis late to hearken, late to smile,
But better late than never;
I shall have lived a little while
Before I die for ever.

 

 
A. E. Housman (26 maart 1859 – 30 april 1936)

 

 

Die Freundschaft

Freund! genügsam ist der Wesenlenker -
Schämen sich kleinmeisterische Denker,
    Die so ängstlich nach Gesetzen spähn -
Geisterreich und Körperweltgewühle
Wälzet eines Rades Schwung zum Ziele;
    Hier sah es mein Newton gehn.

Sphären lehrt es, Sklaven eines Zaumes,
Um das Herz des grossen Weltenraumes
    Labyrinthenbahnen ziehn -
Geister in umarmenden Systemen
Nach der grossen Geistersonne strömen,
    Wie zum Meere Bäche fliehn.

War's nicht dies allmächtige Getriebe,
Das zum ew'gen Jubelbund der Liebe
    Unsre Herzen an einander zwang?
Raphael, an deinem Arm - o Wonne!
Wag' auch ich zur grossen Geistersonne
    Freudigmuthig den Vollendungsgang.

Glücklich! glücklich! dich hab' ich gefunden,
Hab' aus Millionen dich umwunden,
    Und aus Millionen mein bist du -
Lass das Chaos diese Welt umrütteln,
Durcheinander die Atomen schütteln;
    Ewig fliehn sich unsre Herzen zu.

Muss ich nicht aus deinen Flammenaugen
Meiner Wollust Wiederstrahlen saugen?
    Nur in dir bestaun' ich mich -
Schöner malt sich mir die schöne Erde,
Heller spiegelt in des Freunds Geberde
    Reizender der Himmel sich.

Schwermuth wirft die bangen Thränenlasten,
Süsser von des Leidens Sturm zu rasten,
    In der Liebe Busen ab;
Sucht nicht selbst das folternde Entzücken
In des Freunds beredten Strahlenblicken
    Ungeduldig ein wollüst' ges Grab?

Stünd' im All der Schöpfung ich alleine,
Seelen träumt' ich in die Felsensteine,
    Und umarmend küsst' ich sie -
Meine Klagen stöhnt' ich in die Lüfte,
Freute mich, antworteten die Klüfte,
    Thor genug! der süssen Sympathie.

Todte Gruppen sind wir - wenn wir hassen,
Götter - wenn wir liebend uns umfassen!
    Lechzen nach dem süssen Fesselzwang -
Aufwärts durch die tausendfachen Stufen
Zahlenloser Geister, die nicht schufen,
    Waltet göttlich dieser Drang.

Arm in Arme, höher stets und höher,
Vom Mongolen bis zum griech'schen Seher,
    Der sich an den letzten Seraph reiht,
Wallen wir, einmüth'gen Ringeltanzes,
Bis sich dort im Meer des ew'gen Glanzes
    Sterbend untertauchen Mass und Zeit. –

Freundlos war der grosse Weltenmeister,
Fühlte Mangel - darum schuf er Geister,
    Sel'ge Spiegel seiner Seligkeit!
Fand das höchste Wesen schon kein gleiches,
Aus dem Kelch des ganzen Seelenreiches
    Schäumt ihm - die Unendlichkeit.

 

 
Friedrich Schiller (10 november 1759 - 9 mei 1805)
Borstbeeld in Rudolstadt

Lees meer...

31-07-15

Dolce far niente, Henry Lawson, Cees Nooteboom, Wouter Godijn, Grand Corps Malade

 

Dolce far niente

 

 
Gleaming Waters door Henry Scott Tuke, 1910

 

 

The Days When We Went Swimming

The breezes waved the silver grass,
Waist-high along the siding,
And to the creek we ne'er could pass
Three boys on bare-back riding;
Beneath the sheoaks in the bend
The waterhole was brimming -
Do you remember yet, old friend,
The times we 'went in swimming'?

The days we 'played the wag' from school -
Joys shared - and paid for singly -
The air was hot, the water cool -
And naked boys are kingly!
With mud for soap the sun to dry -
A well planned lie to stay us,
And dust well rubbed on neck and face
Lest cleanliness betray us.

And you'll remember farmer Kutz -
Though scarcely for his bounty -
He leased a forty-acre block,
And thought he owned the county;
A farmer of the old world school,
That grew men hard and grim in,
He drew his water from the pool
That we preferred to swim in.

And do you mind when down the creek
His angry way he wended,
A green-hide cartwhip in his hand
For our young backs intended?
Three naked boys upon the sand -
Half buried and half sunning -
Three startled boys without their clothes
Across the paddocks running.

 

 
Henry Lawson (17 juni 1867 – 2 september 1922)
Als 14-jarige in 1881

Lees meer...

30-07-15

Dolce far niente, Israël Querido, Patrick Modiano, Emily Brontë, Cherie Priest, Martijn Simons

 

Dolce far niente

 

 
Brouwersgracht, Jordaan, tegenwoordig

 

Uit: De Jordaan: Amsterdamsch epos

“- Ze bescholden en teisterden elkaar en konden toch noóit zonder elkaar. Het jonge volk had de meest zorgelooze pret. Schuine pet, roode of geruite stropdas en spuuglok, ontmoetten blooten kop, fluweelen jak en baaien rok, en niet één zou hebben willen ruilen voor meheertjes met branieboorden of medammetjes met platheupen. Ze bevochtigden hun woeste of zinlijk-tartende gesprekken met zuursap van augurken, of bezogen ijswafels, en in geen stad ter wereld knauwden de kerels en jongens hun wijven en meisjes zóó wreed en beulig als in den Jordaan, in opzichtige luidruchtigheid en schaamteloos kabaal. Zelfs het liefde-gestoei der jongens was één lomp-neerploffend, zinnelijk-hardhandig gebof op borsten en dijen, hoofden en armen der meiden. En over al het geminnekoos en het wreed gebeuk werd nágebabbeld. - Ook Neeltjes nerinkje was beruchte verzamelplaats voor buurpraat en voor overden-hekel-halerij. -
- Juyst!.... schoot met opgewonden stem een garnalen-pelster uit, nauw merkende dat Neel haar een pond rijst in de handen had geduwd.... d'r mèn hep 'n tèk fèn 't lireum,.... Kris Hàrdebol is 'r 'n draugie bei.... sau'n nèthèls....
Er gloeide weer kwaadsprekende hittigheid in haar zinnen. Haar dikke, doorsproetelde huid verplooide bij de neerzinkende mondhoeken viezige trekjes; trekjes van weerzin en wantrouwelijkheid.
- Nou maàde.... ik set de spèt.... as maàn keirel komp en hèi fint me nie, kraàg ik de duufel op 'n printje.... aju!
Een wit-jak sprong haastig den winkel uit. Allen hadden wat ze wilden, maar plakken deden ze toch.”

 

 
Israël Querido (1 oktober 1872 - 5 augustus 1932)
Brouwersgracht, vroeger

Lees meer...

29-07-15

Dolce far niente, Theo Thijssen, Guillermo Martínez, Harry Mulisch, Chang-Rae Lee

 

Dolce far niente

 

 
Bloemstraat met de Westertoren in Amsterdam door Jan Korthals (1916 - 1972)

 

Uit: Jongensdagen

““Terwijl de jongens hun dikke boterhammen opsmulden, praatten ze over de uitbreng-klanten.
Hun vader was al eenige jaren dood; moe had nu een kruidenierswinkel met brooddepôt; elken morgen moesten er een vijf-en-twintig brooden worden rondgebracht; dat deden de jongens altijd natuurlijk; de eene week Henk de ‘verre’, de andere week Ko. En 's Woensdagsmiddags, als er geen school was, moest één van beiden een mand kruidenierswaren brengen naar nicht Simons, die wel een klein uur ver woonde.
‘Jij hebt de verre,’ merkte Ko op.
‘Jij moet vanmiddag naar nicht Simons,’ zei Henk terug.
Maar ze waren in een véél te goed humeur om er ruzie over te maken.
‘Voor mijn part moet ik vanochtend alle klanten loopen,’ sprak Ko, ‘tijd zat hé.’
En Henk was even inschikkelijk: ‘Nou; wil ik ze allemaal doen?’ stelde hij voor.
‘Och nee,’ kwam Ko weer, ‘maar weet je wàt? Ga mee vanmiddag sàmen naar nicht Simons. Jà?’
Henk keek wantrouwig. ‘En het geld dan?’ vroeg hij, want nicht Simons had de gewoonte aan den brenger van haar boodschappen een paar centen te geven. Ko aarzelde even; toen antwoordde hij: ‘Oók samen.’ ‘Goed dan,’ beloofde Henk.
Ze hadden hun brood op; Ko liep fluitend naar voren: Henk ging even kijken, of zus Miep nog niet wakker was. Maar ze sliep nog. ‘Lekker dier!’ mompelde Henk; en hij gaf haar een zoen en holde weg, óók naar den winkel. Er was geen ‘volk’.
Moe pakte een mand vol met brood, en deed er een doek over. Ko nam de mand van de toonbank, en liep vroolijk de deur uit. Hij ging de klanten op de gracht en om den hoek ‘doen’. ‘Kruier krijg je nog van gisteren óók!’ riep Moe hem na.
Toen kreeg Henk ook zijn deel; zorgvuldig telde hij de brooden in zijn mand na, en noemde de klanten op: ‘Ouë juffrouw één, dokter drie, 't Hoffie twee....’ En hij stapte ook weg. Moe ging naar achteren.”

 

 
Theo Thijssen (16 juni 1879 - 23 december 1943)
De Frans Halsstraat waar Thijssens moeder korte tijd een brooddepot had.

Lees meer...

28-07-15

Dolce far niente, Robert Frost, Remco Campert, Malcolm Lowry, Gerard Manley Hopkins

 

Dolce far niente

 

 
Evening After a Storm door Frederic Edwin Church, 1849

 

 

A Line-Storm Song

The line-storm clouds fly tattered and swift,
The road is forlorn all day,
Where a myriad snowy quartz stones lift,
And the hoof-prints vanish away.
The roadside flowers, too wet for the bee,
Expend their bloom in vain.
Come over the hills and far with me,
And be my love in the rain.

The birds have less to say for themselves
In the wood-world’s torn despair
Than now these numberless years the elves,
Although they are no less there:
All song of the woods is crushed like some
Wild, easily shattered rose.
Come, be my love in the wet woods; come,
Where the boughs rain when it blows.

There is the gale to urge behind
And bruit our singing down,
And the shallow waters aflutter with wind
From which to gather your gown.
What matter if we go clear to the west,
And come not through dry-shod?
For wilding brooch shall wet your breast
The rain-fresh goldenrod.

Oh, never this whelming east wind swells
But it seems like the sea’s return
To the ancient lands where it left the shells
Before the age of the fern;
And it seems like the time when after doubt
Our love came back amain.
Oh, come forth into the storm and rout
And be my love in the rain.

 

 
Robert Frost (26 maart 1874 – 29 januari 1963)
San Francisco, Market Street door Thomas Kinkade, z.j.
Robert Frost werd geboren in San Francisco.

Lees meer...

27-07-15

Dolce far niente, Rainer Maria Rilke, Michael Longley, Hilde Domin, Graeme C. Simsion

 

Dolce far niente

 

 
De regenboog door Willem Roelofs, 1875

 

 

Vor dem Sommerregen

Auf einmal ist aus allem Grün im Park
man weiß nicht was, ein Etwas fortgenommen;
man fühlt ihn näher an die Fenster kommen
und schweigsam sein. Inständig nur und stark

ertönt aus dem Gehölz der Regenpfeifer,
man denkt an einen Hieronymus:
so sehr steigt irgend Einsamkeit und Eifer
aus dieser einen Stimme, die der Guß

erhören wird. Des Saales Wände sind
mit ihren Bildern von uns fortgetreten,
als dürften sie nicht hören was wir sagen.

Es spiegeln die verblichenen Tapeten
das ungewisse Licht von Nachmittagen,
in denen man sich fürchtete als Kind.

 

 
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Blik over de Moldau richting de burchtwijk van Praag door Jaroslav Setelik, 1920.
Rilke werd geboren in Praag.

Lees meer...

25-07-15

Dolce far niente, F. Starik, Lieke Marsman, Max Dauthendey, Jovica Tasevski – Eternijan, Annette Pehnt

 

Dolce far niente

 

 
Open Raam, Collioure door Henri Matisse, 1905 

 

 

Museum

Alles komt goed. Tijd gaat voorbij met een vloek
en een zucht. Wat nieuw is zal oud zijn. Waar je
naar zocht raakt toch zoek. Wat dicht leek kan open.
Donker bleek licht. Blijf hopen. Alles komt terug.
Wat hier achter zit. Verborgen. Onder dit doek.
Een gereinigde gevel. Lege zalen vol bouwstof.
Een man die met zijn vinger de tijd wegpoetst.
Aanwezig. Afwezig. Alsof. Zucht en vervloek.
Wat we bewaren bestond al. Alleen jouw ogen
nog niet. Gesloten. Laten we doen alsof je wat ziet.
Leef in vertrouwen. Wat oud was zal nieuw zijn.
Blijf bouwen. Alles wat zoek lijkt komt terug. Straks
valt het doek. Echt. Tijd gaat zo vlug. Alles komt goed.
Alles komt terug. Alleen jij niet. Kijk dus. Ga open.

 

 


F. Starik (Apeldoorn, 1 juli 1958)
Stedelijk Museum Amsterdam, waar nu een Matisse tentoonstelling te zien is.

Lees meer...

24-07-15

Dolce far niente, Nescio, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw

 

Dolce far niente

 

 
Titaantjes in het Oosterpark, beeld door Hans Bayens, Amsterdam

                              

 

Uit: Titaantjes

“Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.
Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z’n baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte, zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan zat Bavink met z’n hoofd in z’n handen, over de zon te praten, bij ’t sentimenteele af. En we vonden dat ’t zonde was naar bed te gaan, dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat zouden we veranderen. Kees zat te slapen.
En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in ’t water maakte. Stapelmal werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep. Maar aan den kant van ’t water bleef-i toch maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim stond. Bavink sloeg met z’n vuist tegen z’n voorhoofd en vloekte: „God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit.” Nu zit-i in een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd niets zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meer dan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen te staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen.”

 

 
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)
 Nescio op het terras van het (nu verdwenen) Noord- en Zuidhollands koffiehuis tegenover het Centraal Station in Amsterdam

Lees meer...