08-12-14

Jamal Ouariachi, Louis de Bernières, Bill Bryson, Mary Gordon, Delmore Schwartz, Jim Morrison, Hervey Allen,

 

De Nederlandse schrijver Jamal Ouariachi werd geboren in Amsterdam op 8 december 1978. Zie ook alle tags voor Jamal Ouariachi op dit blog.

Uit: Vertedering

“Iemand had een mand met kittens langs de kant van de weg gezet. Rossige, grijs-witte, cyperse. Wie deed zoiets? Op een bedrijventerrein nog wel, waar de vindkans minimaal was. Waarom geen advertentie geplaatst? Kittens, gratis af te halen.
Hij keek om zich heen. Een vrachtwagen passeerde hem en stopte een eindje verderop met veel gepuf bij een kubusvormig kantoorgebouw, dat sprekend leek op het gebouw waar hij zelf werkte. De chauffeur toeterde, sprong naar buiten en opende de laadklep. Vanuit een zijingang van het gebouw kwam een oranje vorkheftruck op de vrachtwagen afgereden. Het laden en lossen nam een aanvang. Volle pallets eruit, lege pallets erin.
Wandelaars zag je hier zelden, zelfs niet vandaag, nu het zulk mooi lenteweer was, tweeëntwintig graden, flink wat warmer dan normaal voor de tijd van het jaar. In deze buurt recreëerde men binnen, in bedrijfskantines. Geen picknickers of hondenuitlaters op het grasveldje waar de mand stond. Het enige doel van het gras was om het braakliggende terrein tussen de kantoorgebouwen de schijn van bestemming te verlenen. Slechts uit conventie was het grasveld afgezoomd met een keurige strook trottoir.
Hij stapte op het gras, zijn knieën knakten toen hij bij de mand neerhurkte. Op een dag als deze verwachtte je te midden van zoveel groen de kruidige lucht van plantenlust, maar hij rook niets. Het gras had net zo goed kunstgras kunnen zijn.
Zeven waren het er. Zeven hompjes dons, elk ter grootte van een vuist. De mand was stevig en groot, gemaakt van gevlochten riet. Ruim genoeg voor zeker nog eens zeven katjes. Toch lagen déze zeven dicht tegen elkaar aan op een grote, Schots geruite deken.
Ze zagen er schoon uit. Als vanzelf ging zijn hand naar het dons om te aaien. Toen hij een van de kittens optilde, een rossige, voelde hij de ribbetjes over zijn vingers rollen.”

 

 
Jamal Ouariachi (Amsterdam, 8 december 1978)

Lees meer...

07-12-14

Advent (Marijke Hanegraaf)

 

Bij de tweede zondag van de Advent

 

 
De annunciatie door Paolo de Matteis, 1712

 

 

Advent

Ze stond bij coffeeshop The Doors en Stubbe's Haring
en onverwacht kuste de avondwind de laatste bloemen
van de venter. Een vrouw werd kind; warrelend blad
de carrousel, het slagwerk blik en plastic bekers.
 
Ze keek omhoog. Daar, op het herenhuis zag ze
de engel Gabriël, in blauw nog wel, zijn gouden
vleugels in de laatste zon een groet.
 
Vanaf de overzijde wiegde een hijskraan stuntelig
zijn tegenwicht; kon hij maar buigen. Geen zon
voor hem, hij had zijn eigen licht.
 
'Dag,' zei ze tot de reuzen van dit moment;
de ritselende grond leek een seconde lang gezegend.
De wind ging liggen, nu viel de nacht en Gabriël
verdween, alleen de hijskraan  hield de wacht.

 

 

 
Marijke Hanegraaf (Tilburg, 6 maart 1946)
Tilburg in winterse sferen.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 7e december ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

10:27 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: advent, marijke hanegraaf, romenu |  Facebook |

Tatamkhulu Afrika, Johann Nestroy, Joyce Cary, Gabriel Marcel

 

De Zuid-Afrikaanse dichter en schrijver Tatamkhulu Afrika werd geboren op 7 december 1920 in Egypte. Zie ook alle tags voor Tatamkhulu Afrika op dit blog.

 

Trespasser

I wheel my bike under
the cathedral’s dark overhang.
Seized by a rictus of the wind,
the trees shed rain.
Rain slides down
Wale Street’s sleek, steep fall:
air is an ocean booming round
high bare walls.
My hands freeze on
the bike’s crossbar,
seek the sodden saddle, toy
with the ice-cold bell:
I am suddenly fugitive,
homeless and cornered in
a of pressure and cloud. caprice

Then they cough and I know
I am not alone:
far back, against the great, nailed doors,
they huddle: troglodytes
of night’s alcoves,
daytime’s shopping-malls,
parking lots, sparse green lawns,
municipal benches where
lunchtime’s city workers, stripping down
their food-packs, sit
in sober rows.

I fear to turn around,
stiffen in expectation
of the inevitable tugging at my sleeve,
wonder of I have any coins
wonder why they do not bicker,
as they always do,
cursing their mother’s wombs
in tired robots’ tones,
why only this
curious, chuckling, liquid sound
drawing me around.

She has the usual wrappings on
stick-thin, brittle shins,
patchy-purple, quietly rotting
methylated spirits skin:
doekie of incongruous elegance crowns
the scabrous, half-bald skull
Her man, grotesque
as a gargoyle roused from stone,
cradles an infant on his lap,
feeds it from a bottle with a teat,
makes the chuckling, crooning sounds
that turned me round,
that hold me now spellbound.
‘Good morning, sir,’ he says,
and his voice is grave
as a paterfamilias in his lounge.
Only the odd man out,
leaning against the harsh green walls,
looks at me with carefully indifferent eyes,
finding me , alien on his home ground
wishing the clouds would break and I be gone,
ringing my bike’s absurd, small bell.

 

 
Tatamkhulu Afrika (7 december 1920 – 23 december 2002)

Lees meer...

Willa Cather, Noam Chomsky, Friedrich Schlögl, Samuel Gottlieb Bürde

 

De Amerikaanse schrijfster Willa Cather werd geboren op 7 december 1873 in de buurt van Winchester, Virginia. Zie ook alle tags voor Willa Cather op dit blog en ook mijn blog van 7 december 2010.

Uit: Sapphira and the Slave Girl

“Henry Colbert, the miller, always breakfasted with his wife—beyond that he appeared irregularly at the family table.
At noon, the dinner hour, he was often detained down at the mill. His place was set for him; he might come, or he might send one of the mill-hands to bring him a tray from the kitchen.
The Mistress was served promptly. She never questioned as to his whereabouts.
On this morning in March 1856, he walked into the diningroom at eight o'clock,—came up from the mill, where he had been stirring about for two hours or more. He wished his wife good-morning, expressed the hope that she had slept well, and took his seat in the high-backed armchair opposite her. His breakfast was brought in by an old, white-haired coloured man in a striped cotton coat. The Mistress drew the coffee from a silver coffee urn which stood on four curved legs. The china was of good quality (as were all the Mistress's things); surprisingly good to find on the table of a country miller in the Virginia backwoods. Neither the miller nor his wife was native here: they had come from a much richer county, east of the Blue Ridge. They were a strange couple to be found on Back Creek, though they had lived here now for more than thirty years.
The miller was a solid, powerful figure of a man, in whom height and weight agreed. His thick black hair was still damp from the washing he had given his face and head before he came up to the house; it stood up straight and bushy because he had run his fingers through it. His face was full, square, and distinctly florid; a heavy coat of tan made it a reddish brown, like an old port. He was clean-shaven,—unusual in a man of his age and station. His excuse was that a miller's beard got powdered with flour-dust, and when the sweat ran down his face this flour got wet and left him with a beard full of dough.“

 

 
Willa Cather (7 december 1873 – 24 april 1947)
Cover 

Lees meer...

06-12-14

Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer

 

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Vader (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Op hetzelfde moment dat het leven het lichaam verlaat, behoort dat lichaam tot het dode. Tot de lampen, de koffers, de kleden, de deurklinken, de ramen. Tot de akkers, de moerassen, de beken, de bergen, de wolken, de hemel. Niets van dat alles is ons vreemd. We zijn voortdurend omgeven door de voorwerpen en verschijnselen uit de wereld van het dode. Toch roepen weinig dingen een groter onbehagen bij ons op dan er een mens in gevangen te zien, in elk geval te oordelen naar de moeite die we ervoor doen om dode lichamen uit het zicht te houden. In grote ziekenhuizen worden ze niet alleen in speciale, ontoegankelijke ruimtes weggestopt, maar zijn zelfs de toegangswegen erheen verborgen met speciale liften en speciale keldergangen en ook al zou je daar per ongeluk terechtkomen, de dode lichamen die langs worden gereden, zijn altijd bedekt. Als ze het ziekenhuis uit worden gebracht, gebeurt dat via een speciale uitgang, in auto’s met geblindeerde raampjes; bij de kerk is een speciale ruimte voor ze zonder ramen; tijdens de afscheidsplechtigheid liggen ze in gesloten kisten waarin ze in de aarde worden neergelaten of in de oven worden verbrand. Welk nut deze handelwijze dient, is moeilijk te zeggen. De dode lichamen zouden bij wijze van spreken probleemloos onbedekt door de gangen van het ziekenhuis kunnen worden gereden en in een gewone taxi worden weggebracht zonder dat dat enig risico voor wie dan ook zou inhouden. De oude man die tijdens een bioscoopbezoek sterft, kan net zo goed op zijn stoel blijven zitten tot de film is afgelopen of zelfs nog gedurende de volgende voorstelling. De leraar die op het schoolplein een beroerte krijgt, hoeft niet per se onmiddellijk te worden weggebracht, het heeft absoluut geen nadelige gevolgen als hij daar blijft liggen tot de conciërge tijd heeft zich om hem te bekommeren, al zou dat pas ergens laat in de middag of ’s avonds gebeuren. Wat maakt het uit als er een vogel op hem neerstrijkt en in hem begint te pikken? Is wat hem in het graf te wachten staat minder erg alleen omdat we het niet zien?”

 

 
Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

Lees meer...

Baldassare Castiglione, Paul Adam, Dirk Dobbrow, Sophie von La Roche

 

De Italiaanse schrijver Baldassare Castiglione, graaf van Novellata werd geboren op 6 december 1478 te Casatico, bij Mantua. Zie ook alle tags voor Baldassare Castiglione op dit blog.

Uit: Het boek van de Hoveling (Vertaald door Anton Haakman)

“Wel komen er soms, onder een gunstig gesternte of als gevolg van natuurwetten, mensen ter wereld met zoveel gaven dat het wel lijkt of ze niet zijn geboren maar of een god hen eigenhandig heeft gevormd en begiftigd met alle goede geestelijke en lichamelijke eigenschappen; tegelijk zien we ook heel wat mensen die zo onhandig en lomp zijn dat we wel moeten geloven dat de natuur hen tot hoon of spot ter wereld heeft gebracht. Terwijl deze laatsten ondanks onverdroten ijver en een goede opvoeding meestal weinig presteren, kunnen de eersten met weinig moeite de top van de uitverkorenen bereiken. Om een voorbeeld te geven, kijk eens naar don Ippolito d'Este, kardinaal van Ferrara, die bij zijn geboorte zoveel geluk heeft meegekregen en zoveel innemende eigenschappen dat zijn persoon, zijn voorkomen, zijn taal en zijn handelen erdoor zijn gevormd en verder ontwikkeld; en nu geniet hij ondanks zijn jeugd zelfs onder de oudste prelaten een zo groot gezag dat hij eerder geschikt lijkt om anderen te onderwijzen dan dat hij zelf nog moet leren; ook is hij in gesprekken met mannen en vrouwen van allerlei slag, bij het spel, wanneer hij lacht of schertst, zo vriendelijk en vertoont hij zodanige goede manieren dat hij iedereen die hem spreekt of alleen maar ziet, voorgoed voor zich inneemt. Maar om op ons onderwerp terug te komen, tussen buitengewone innemendheid en stompzinnige domheid ligt een middenweg; en zij die van nature niet zulke volmaakte gaven hebben meegekregen, kunnen door ijver en inspanning hun natuurlijke gebreken bijvijlen en verbeteren.”

 

 
Baldassare Castiglione (6 december 1478 – 2 februari 1529)
Casatico, Corte Castiglioni

Lees meer...

05-12-14

Sinterklaas, Drs. P., Hanif Kureishi, Joan Didion, Christina Rossetti, Fjodor Tjoettsjev

 

Bij Sinterklaas

 

Sinterklaaslied

U zult het niet geloven
Maar mensen, het is waar
Ik heb alweer een beetje minder zin dan vorig jaar
Een beetje minder adem
Een beetje minder kracht Wat had u anders van zo'n hoogbejaarde man verwacht

Mijn knecht die staat te lachen
En huppelt op en neer
O nee, dat doet mijn paard, enfin, het hoeft voor mij niet meer
Het is hier in het noorden
Zo schemerig en koud
En wat ik ook vertel of doe, de kinderen blijven stout

Als ik in mijn kazuifel
Door Kathedralen schuifel
Dan kan het leven er nog wel mee door
Maar komt de maand november
Dan denk ik aan december
En met een holle stem bereid ik mij op 't ergste voor

 

 
Illustratie uit St. Nikolaas en zijn knecht, Jan Schenkman (1905)

 

't Is altijd weer die poespas
En steeds in vol ornaat
Ze noemen mij kapoentje, ik weet niet waar dat op slaat
En altijd die gezichten
Dat snerpende gezang
En niemand die beseft hoe ik naar mijn pensioen verlang

Ze hebben immers weken
Hier naar me uitgekeken
Belust op speculaas en pepernoot
Toe jongens, niet zo dringen
En geen beschadigingen
Hij komt, hij komt, de goede Sint, hij zit weer in de boot

De maan schijnt door de bomen
Het bos niet meer te zien
Maar ja, die zit daar lekker boven in zijn vliegmachien
En ik loop hier beneden
Van 't kastje naar de muur
Er moet toch wel iets mis zijn met de maatschappijstructuur
Maar ik moet eerlijk zeggen
Ik vind het toch wel fijn
Om net zo populair als Drs. P te zijn..

 

 

 
Drs. P (Thun, 24 augustus 1919)

Lees meer...

04-12-14

Rainer Maria Rilke, Geert Mak, Nikoloz Baratashvili, Emil Aarestrup, Nikolay Nekrasov

 

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

 

Kindheit

Es wäre gut viel nachzudenken, um
von so Verlornem etwas auszusagen,
von jenen langen Kindheit-Nachmittagen,
die so nie wiederkamen - und warum?

Noch mahnt es uns -: vielleicht in einem Regnen,
aber wir wissen nicht mehr was das soll;
nie wieder war das Leben von Begegnen,
von Wiedersehn und Weitergehn so voll

wie damals, da uns nichts geschah als nur
was einem Ding geschieht und einem Tiere:
da lebten wir, wie Menschliches, das Ihre
und wurden bis zum Rande voll Figur.

Und wurden so vereinsamt wie ein Hirt
und so mit großen Fernen überladen
und wie von weit berufen und berührt
und langsam wie ein langer neuer Faden
in jene Bilder-Folgen eingeführt,
in welchen nun zu dauern uns verwirrt.

 

 

Der Leser

Wer kennt ihn, diesen, welcher sein Gesicht
wegsenkte aus dem Sein zu einem zweiten,
das nur das schnelle Wenden voller Seiten
manchmal gewaltsam unterbricht?

Selbst seine Mutter wäre nicht gewiß,
ob er es ist, der da mit seinem Schatten
Getränktes liest. Und wir, die Stunden hatten,
was wissen wir, wieviel ihm hinschwand, bis

er mühsam aufsah: alles auf sich hebend,
was unten in dem Buche sich verhielt,
mit Augen, welche, statt zu nehmen, gebend
anstießen an die fertig-volle Welt:
wie stille Kinder, die allein gespielt,
auf einmal das Vorhandene erfahren;
doch seine Züge, die geordnet waren,
blieben für immer umgestellt.

 

 

Uit: Die Sonette an Orpheus, Erster Teil 

Sonett IV

O ihr zärtlichen, tretet zuweilen
in den Atem, der euch nicht meint,
laßt ihn an eueren Wangen sich teilen,
hinter euch zittert er, wieder vereint.

O ihr Seligen, o ihr Heilen,
die ihr der Anfang der Herzen scheint.
Bogen der Pfeile und Ziele von Pfeilen,
ewiger glänzt euer Lächeln verweint.

Fürchtet euch nicht zu leiden, die Schwere,
gebt sie zurück an der Erde Gewicht;
schwer sind die Berge, schwer sind die Meere.

Selbst die als Kinder ihr pflanztet, die Bäume,
wurden zu schwer längst; ihr trüget sie nicht.
Aber die Lüfte... aber die Räume....

 

 

 
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Standbeeld in Ronda, Spanje

Lees meer...

03-12-14

Hendrik Conscience, Joseph Conrad, Herman Heijermans, Grace Andreacchi, Ugo Riccarelli, France Prešeren, F. Sionil José

 

De Vlaamse schrijver Henri (Hendrik) Conscience werd geboren in Antwerpen op 3 december 1812. Zie ook alle tags voor Hendrik Conscience op dit blog.

Uit: Wat eene moeder lijden kan

“Het was uitermate koud in de laatste dagen der maand Januari 1841. De straten der stad Antwerpen hadden haar winterkleed aangenomen en glinsterden van zuivere witheid; de sneeuw viel echter niet bij zachte vlokken, noch verheugde het oog met hare duizend dooreenspelende pluimkens; integendeel, zij viel kletterend en als hagel tegen de vensterglazen der geslotene huizen, - en de bittere noorderwind joeg de meeste burgers, die zich op hunnen dorpel vertoonden, terug naar de gloeiënde kachel.
Niettegenstaande de bitsigheid der koude, en alhoewel het slechts negen ure in den morgen was, zag men, mits den Vrijdag, vele personen voorbijgaan. De jonge lieden poogden zich door loopen te verwarmen, de goede burgers bliezen grimmend in de vingeren en de werklieden sloegen zich met geweld de armen om het lichaam.
Op dit oogenblik ging er eene vrouw vrij langzaam door de Winkelstraat, welker inwoners zij wel moest kennen, daar zij uit en in de arme huizen ging, en deze telkens met eene uitdrukking van genoegen verliet. Een satijnen mantel, die gewis met watten gevuld was, bedekte hare fijne leden, een fluweelen hoed drukte haar zwierig hoofd en hare wangen, die een weinig door de zure lucht verpurperd waren; eene boa omslingerde haren hals, en hare handen verborgen zich in eene fraaie moffel. Deze juffer, die genoegzaam rijk scheen, bevond zich op den dorpel van een huis, in hetwelk zij gereed stond om binnen te treden, toen zij eensklaps in de verte eene andere juffer harer kennis zag aankomen; zij bleef bij de deur der arme woning staan, totdat hare vriendin haar nabij was; dan ging zij haar met eenen gullen lach te gemoet, en sprak haar aldus aan:
‘Eenen goeden dag, Adela. Hoe gaat het?’
‘Tamelijk wel, en met u?’
‘God zij dank, ik ben gezond en zoo verheugd dat ik het u niet zeggen kan.’

 

 
Hendrik Conscience (3 december 1812 – 10 september 1883)
Borstbeeld in Sint-Niklaas

Lees meer...

02-12-14

Frédéric Leroy, Botho Strauß, Ann Patchett, Hein Boeken, T. C. Boyle, George Saunders

 

De Vlaamse dichter Frédéric Leroy werd geboren op 2 december 1974 in Blankenberge. Zie ook alle tags voor Frédéric Leroy op dit blog.

 

Aanzoek

Of ze wilde trouwen

nog dezelfde dag
maar dan blootsvoets en in gebroken
leeuwentandenwit en alleen
als het regenen zou

ik lachte omdat lachen
nog net in mijn macht lag
en zij schopte met een grimas
de schoenen uit

haar lege schoenen botsten
over het vergeelde gras en het regende
zoals het nog nooit geregend had

het werd een huwelijk

haar handen droegen plechtig
een paar dode insecten ik hield
van haar en zij waarachtig veel
van de geur van natte aarde.

 

 

Dagelijks brood

3.
Maar verval nu ook weer niet
in mensonterend ontzag, nee

meet je liever een goddeloze
glimlach aan of vloek en trek
je kleren uit, laat mij kruimels
strooien in je lies, op je hals
met bebloemde vingers wolken
achterlaten, want laat ons geven

wat we aan elkaar ontbreken,
samen zweren, zoals behoort,
dat we bij brood alleen niet
zullen leven (maar bij alle woord).

 

 

Maritiem

Als je dan toch al zou willen, volle vrouw,
dat ik je lichaam met de zee vergelijk, hoop dan niet
op rollende verzen en opspattend woordenschuim
dat wit als de meeuwenborst of de stranden van Aitutaki
triomfeert in het zonlicht, maar hou ogen en neusgaten open,
verwacht een lading zure guano en de stank van algen,

dan breng ik je een lallend zeemanslied over scheurbuik
en gezwellen in kabeljauwlever, een ode aan de onregelmatigheid
van geïncrusteerde parasieten op die glibberige golfbrekers van je,
ach ja, misschien wat ongezouten piratenpraat bovenop, een slag
in het gezicht met een rotte, afgeknauwde droogvis,

en weet dat deze matroos nog het meeste houdt
van die mosselbaard die stug tussen je dijen pronkt.

 

 
Frédéric Leroy (Blankenberge, 2 december 1974)

Lees meer...

In Memoriam Mark Strand

 

In Memoriam Mark Strand

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand is zaterdag, 29 november, op 80-jarige leeftijd overleden. Mark  Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.

 

The Coming of Light

Even this late it happens:
the coming of love, the coming of light.
You wake and the candles are lit as if by themselves,
stars gather, dreams pour into your pillows,
sending up warm bouquets of air.
Even this late the bones of the body shine
and tomorrow's dust flares into breath.

 

 

My Life

The huge doll of my body
refuses to rise.
I am the toy of women.
My mother

would prop me up for her friends.
"Talk, talk," she would beg.
I moved my mouth
but words did not come.

My wife took me down from the shelf.
I lay in her arms. "We suffer
the sickness of self," she would whisper.
And I lay there dumb.

Now my daughter
gives me a plastic nurser
filled with water.
"You are my real baby," she says.

Poor child!
I look into the brown
mirrors of her eyes
and see myself

diminishing, sinking down
to a depth she does not know is there.
Out of breath,
I will not rise again.

I grow into my death.
My life is small
and getting smaller. The world is green.
Nothing is all.

 

 
Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)

01-12-14

Pierre Kemp, Tahar Ben Jelloun, Billy Childish, Henry Williamson, Daniel Pennac, Ernst Toller

 

De Nederlandse dichter Pierre Kemp werd geboren in Maastricht op 1 december 1886. Zie ook alle tags voor Pierre Kemp op dit blog.

 

Dromend van zulk blauw

Als ik nog lang naar dat blauw blijf kijken
mis ik mijn trein,
maar om zulk blauw zonder gelijke
moet het zo zijn.
Treinen kan ik nog vaak betreden,
maar deze straling zal ik misschien
in al zij innigheid na heden
bij leven niet meer zien.

 

 

Na het feest

De kleine mensen gaan tussen de grote
met het speelgoed van hun ogen.
Er slapen ook zulke vette bloemen in de sloten
en de takken waren zo blauw toen de maan
aan de andere kant van het huis ging staan.
In héél dit zacht delirium
van nacht en fruit en bloem
klinkt dof een weggedragen trom.

 

 

Kind voor een raam

Een kind voor een raam kijkt naar een korte trein.
Zo ben ik ook geweest, al zag
ik langere treinen over de lijn
glijden uit de opening van de dag.
Een kind voor een raam ben ik nog en ik tel
met héél klein vingertje de wielen
van andere dingen, zo snel
als zielen.

 

 
Pierre Kemp (1 december 1886 - 21 juli 1967)

Lees meer...

Arthur Sze

 

De Chinees-Amerikaanse dichter Arthur Sze werd geboren op 1 december 1950 in New York. Sze studeerde aan de Universiteit van California, Berkeley. Zijn gedichten zijn verschenen in The American Poetry Review, Boston Review, Conjunctions, The Kenyon Review, Manoa, The Paris Review, The New Yorker en de Virginia Quarterly Review,, en zijn vertaald in het Albanees, Chinees, Nederlands, Italiaans, Roemeens en Turks. Hij heeft acht bundels poëzie op zijn naam staan, waaronder The Ginkgo Light (2009) en de Windroos (2014), auteur. De laatste bundel was finalist voor de 2015 Pulitzer Prize voor Poëzie. Zijn werk is opgenomen in vele bloemlezingen. Hij was Visiting Hurst hoogleraar aan de Universiteit van Washington, een Doenges Visiting Artist aan Mary Baldwin College, en werkte aan de Brown University, Bard College en Naropa-universiteit. Hij is emeritus hoogleraar aan het Institute of American Indian Artsis, de eerste Poet Laureate van Santa Fe. In 2012 werd Sze gerkozen als Chancellor of the Academy of American Poets.

 

Shooting Star

1
In a concussion,
the mind severs the pain:
you don’t remember flying off a motorcycle,
and landing face first
in a cholla.

But a woman stabbed in her apartment,
by a prowler searching for
money and drugs,
will never forget her startled shriek
die in her throat,
blood soaking into the floor.

The quotidian violence of the world
is like a full moon rising over the Ortiz mountains;
its pull is everywhere.
But let me live a life of violent surprise
and startled joy. I want to
thrust a purple iris into your hand,
give you a sudden embrace.

I want to live as Wang Hsi-chih lived
writing characters in gold ink on black silk—
not to frame on a wall,
but to live the splendor now.

 

2
Deprived of sleep, she hallucinated
and, believing she had sold the genetic
research on carp, signed a confession.
Picking psilocybin mushrooms in the mountains

of Veracruz, I hear tin cowbells
in the slow rain, see men wasted on pulque
sitting under palm trees. Is it
so hard to see things as they truly are:

a route marked in red ink on a map,
the shadows of apricot leaves thrown
in wind and sun on a wall? It is
easy to imagine a desert full of agaves

and golden barrel cactus, red earth, a red sun.
But to truly live one must see things
as they are, as they might become:
a wrench is not a fingerprint

on a stolen car, nor baling wire
the undertow of the ocean. I may hallucinate,
but see the men in drenched clothes
as men who saw and saw and refuse to see.

 

 
Arthur Sze (New York,1 december 1950)

18:30 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: arthur sze, romenu |  Facebook |

Herinnering aan Ramses Shaffy

 

Herinnering aan Ramses Shaffy

Nederlands grootste chansonnier Ramses Shaffy is vandaag precies vijf jaar geleden op 76-jarige leeftijd overleden.

De Nederlandse chansonnier en acteur Ramses Shaffy werd op 29 augustus 1933 geboren in de Parijse voorstad Neuilly-sur-Seine als zoon van een Egyptische diplomaat en een Poolse gravin van Russische afkomst. Zie ook alle tags voor Ramses Shaffy op dit blog.

 

 
Ramses Shaffy (29 augustus 1933 – 1 december 2009)

 

 

Mateloos

Als ik je aankijk, heb ik nergens meer greep op
Ik voel me wegdrijven, ik los op
Ik sta voor je, verlegen als een kind
Mateloos stroom ik over, mateloos

Als ik je aankijk, heb ik nergens meer greep op
Ik swing door de straten als een discodanser
Ik sta voor je, trillend van dankbaarheid
Mateloos stroom ik over, mateloos

En dan in bad, lach niet, ik kus je voeten over en weer
Je haalt adem alsof je slaapt, maar je slaapt niet
Ik zeg hardop: Wat ben jij prachtig
Je schiet in een lach omdat ik vroeger
Een liedje heb gemaakt over twee deftige
Oude dames in het bad, die tegen elkaar zeien
Wat zijn wij prachtig
Wat zijn wij prachtig allebei
We komen niet meer bij

Dan zijn we stil, je beroert me
Ik kus je voeten een eeuwigheid
We steken het licht aan en nemen een sigaret
En kleden ons aan om ergens wat koffie te drinken
Om op de tramhalte stil tegen je aan te staan
Met gesloten ogen de auto's voorbij te horen gaan
En de stemmen van mensen, voetstappen, de fietsen
Stil tegen je aan te staan in eeuwigheid

Om dan later een beetje lachend
De eerste de beste zijstraat in te slaan
Om dan in bed stil tegen je aan te liggen met open ogen
Je vindt me een klein jongetje
Je aait m'n neus, m'n hoofd, m'n haar
Stil tegen je aan te liggen in eeuwigheid

Je maakt grapjes tegen me dat je straks
Een boterham met pindakaas klaar zult maken
En morgen mag ik naar de speeltuin
Want eens zul je er niet meer zijn
Een eeuwigheid stil naast je te liggen
En tot die tijd wil je me alles geven

Als ik je aankijk, heb ik nergens meer greep op
Ik adem je in tot ik niet meer kan
Ik ben nog bij je
Mateloos stroom ik over in jou, mateloos

Na een moment te zijn gestorven
Geef ik je terug aan de natuur
Ik geef je terug aan je dans tussen de mensen
Ik help je terug naar de ruimte
En de vrijheid en de lente
Met heel mijn hart help ik je terug naar jou
Wat ben je stil

Als ik je aankijk, heb ik nergens meer greep op
Je straalt onder je huid in de nacht
Open, zonder verweer
Mateloos stroom je over, mateloos hou ik van jou

 

 

18:21 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ramses shaffy, romenu |  Facebook |