Michael Carroll


Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijver Michael Carroll werd geboren in 1965 en groeide op in een wijk van Fort Caroline (nu Jacksonville), Florida. Hij verliet Jacksonville in de vroege jaren '90 om twee jaar te dienen bij het Peace Corps, eerst in Jemen, toen in de Tsjechische Republiek. Daarna verbleef hij weer een jaar in Jacksonville voordat hij naar Parijs trok om met de schrijver Edmund White, die hij zes maanden eerder op een reis had ontmoet te gaan samen wonen. Een paar jaar later verhuisden ze naar Princeton, New Jersey, daarna naar New York. Nadat ze vanaf 1995 partners waren geweest trouwde het stel in 20013. Carroll debuteerde met de verhalenbundel “Little Reef and Other Stories” in 2014. De bundel werd genomineerd voor de shortlist voor de Lambda Literary Award for Gay Fiction. Zijn korte verhalen zijn ook verschenen in Ontario Review, Boulevard en The New Penguin Book of Gay Short Stories.

Uit: After Memphis (Little Reef and Other Stories)

““My brother Jeff called. I’m not even sure why I answered, seeing on the landline’s display who it was, or at least recognizing the area code and the prefix of the number, though of course I was expecting him to call any day, any week, since I had heard from our mother that he’d broken up with his new girlfriend, after getting cold feet about divorcing his wife Deanne. I had not met the new girlfriend, Terri, now the new ex-girlfriend. Jeff still had a touch of the guilt, I could hear in his voice, but I could also discern a gratifying exasperation with Deanne. She had taken thirty hard years out of Jeff, bankrupted him, and was now daring him to follow through by hiring a second, more aggressive lawyer-whose services he was paying for. To top it off, the case was complicated by the fact that before he could finally be cut loose, my brother first had to settle up with the banks. I didn’t know much else except that he wasn’t expected to pay every cent of debt she’d rung up on the credit cards, just a big chunk of it. No doubt, Deanne’s pride had been hurt, because after all she was the one being left. Oh yes, Jeff said, Deanne was now officially pissed.
“But after the hundred and ten thousand,” he said, “how the fuck could she question it?”
That was new, the f-word. I hadn’t heard that or any other cussing out of Jeff ’5 mouth in thirty years. Of course I sympathized, but I couldn’t let on too strongly, not yet. I’d been highly supportive of their union then the shotgun wedding when we were in high school. But Deanne, really, over time she’d taken the cake. She’d raised and homeschooled three kids, but when you don’t work and your husband’s a firefighter, you really had to rein in the indulgences, and she had been quite indulgent, denying those kids nothing in the way of clothes and gadgets and meals out at Wagon Wheel and TGI Friday’s. I was finishing the cold coffee left in my Grumpy mug from Disneyland Paris and feeling seized upon and getting low on blood sugar as he dived right into all this and told me something none of us had ever known: that he’d always put Deanne in charge of the monthly bill paying. He was still getting to the bottom of how many cards were involved.
“But this,” he said, “I take partial, no, the lion’s share of responsibility for. I was an idiot, so I guess that’s what I get for my willful ignorance. Having to work three jobs to get untangled from responsibilities I take very seriously. I’ll be under the fucking water for a long-ass time.”


Michael Carroll (Fort Caroline, 1965)

18:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: michael carroll, romenu |  Facebook |


Cees van der Pluijm, David Mitchell, Jacques Hamelink, Kamiel Verwer, Haruki Murakami, Jakob Lenz, Fatos Kongoli


De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Cees van der Pluijm overleed op 14 december jongstleden op 60-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor Cees van der Pluijm op dit blog.


Uit: Momenten


Je ging er eerst eens met je vader kijken
Naar het gebouw en naar de weg erheen
Je moest per slot maar zien dat je er kwam

Je kreeg een tas, wat geld, een boterham
Je was pas zes, moest haasten, mocht niet wijken
Een hele tippel voor een kind alleen

Je stapte uit de bus en koos je pad
Je wandelde parmantig door de stad

Het leek haast of het vanzelfsprekend was –
Maar eenzaam was het, en een bange reis
De wereld zou nog lang je vijand blijven

Je zou bij juffrouw Broenink leren schrijven
Gekortwiekt keurig zittend in de klas
Voorgoed verdreven uit het paradijs



Uit: Portretsonnetten

Hij voelt zich als een lang vergeten jas
Die aan een lege kapstok bleef, alleen
Steeds meer alleen en zelden nog eens beet
Bij 't sluitingsuur van deez' of gene tent

De jeugd werd almaar jonger om hem heen
En hij steeds meer een afgeleefd karkas

Hij heeft de barricaden nog gekend
Hij stond er bovenop destijds en streed
De goede strijd; er bleef hem bijna geen
Die weet wat vechten voor je rechten was

Hij rolt er nog maar een en kijkt absent
Met lege ogen naar het volle glas

Ze zeggen, op den duur, dat alles went
Zelfs hangen ja, wanneer je dat maar weet



Hij neemt nog steeds haar foto met zich mee
En telkens weer als hij zijn portemonnee
Gebruikt, kijkt zij hem stralend lachend aan:
Beschermengel en eeuwig goede fee

En thuis ziet hij haar oude spullen staan
Hij heeft er nog niet dát van weggedaan
Nog steeds dezelfde bril op de wc
Dat geeft een warm gevoel bij 't zitten gaan

Zijn vrienden zeggen: "Zet haar van je af
't Is ongezond, het leven gaat toch door?"
En dat is waar, maar staat hij bij haar graf
Dan klinkt haar stem weer dwingend in zijn oor:

"Mijn jongen laat zijn moeder niet alleen"
Blijf mij nabij staat smekend op haar steen


Cees van der Pluijm (12 januari 1954 – 14 december 2014)
Hier met Robert Long (links), eind jaren 1990

Lees meer...


Jasper Fforde, Katharina Hacker, Nikos Kavvadias, Marc Acito, Mart Smeets, Oswald de Andrade, Eduardo Mendoza


De Britse schrijver en cameraman Jasper Fforde werd geboren op 11 januari 1961 in Londen. Zie ook alle tags voor Jasper Fforde op dit blog.

Uit: Lost in a Good Book

« I didn’t ask to be a celebrity. I never wanted to appear on The Adrian Lush Show. And let’s get one thing straight right now – the world would have to be hurtling towards imminent destruction before I’d agree to anything as dopey as The Thursday Next Workout Video.
The publicity surrounding the successful rebookment of Jane Eyre was fun to begin with but rapidly grew wearisome. I happily posed for photocalls, agreed to newspaper interviews, hesitantly appeared on Desert Island Smells and was thankfully excused the embarrassment of Celebrity Name That Fruit! The public, ever fascinated by celebrity, had wanted to know everything about me following my excursion within the pages of Jane Eyre, and since the Special Operations Network have a PR record on a par with that of Vlad the Impaler, the top brass thought it would be a good wheeze to use me to boost their flagging popularity. I dutifully toured all points of the globe doing signings, library openings, talks and interviews. The same questions, the same SpecOps-approved answers. Supermarket openings, literary dinners, offers of book deals. I even met the actress Lola Vavoom, who said that she would simply adore to play me if there were a film. It was tiring, but more than that – it was dull. For the first time in my career at the Literary Detectives I actually missed authenticating Milton.
I’d taken a week’s leave as soon my tour ended so Landen and I could devote some time to married life. I moved all my stuff to his house, rearranged his furniture, added my books to his and introduced my dodo, Pickwick, to his new home. Landen and I ceremoniously partitioned the bedroom closet space, decided to share the sock drawer, then had an argument over who was to sleep on the wall side of the bed. We had long and wonderfully pointless conversations about nothing in particular, walked Pickwick in the park, went out to dinner, stayed in for dinner, stared at each other a lot and slept in late every morning. It was wonderful.
On the fourth day of my leave, just between lunch with Landen’s mum and Pickwick’s notable first fight with the neighbour’s cat, I got a call from Cordelia Flakk. She was the senior SpecOps PR agent here in Swindon and she told me that Adrian Lush wanted me on his show. I wasn’t mad keen on the idea – or the show. But there was an upside. The Adrian Lush Show went out live and Flakk assured me that this would be a ‘no holds barred’ interview, something that held a great deal of appeal. Despite my many appearances, the true story about Jane Eyre was yet to be told – and I had been wanting to drop the Goliath Corporation in it for quite a while. Flakk’s assurance that this would finally be the end of the press junket clinched my decision. Adrian Lush it would be.”


Jasper Fforde (Londen, 11 januari 1961)

Lees meer...

Gustav Falke


De Duitse dichter en schrijver Gustav Falke werd geboren op 11 januari 1853 in Lübeck als zoon van de koopman Johann Friedrich Christian Falke en zijn vrouw Elisabeth Franziska Hoyer. De historicus Johannes Falke en Jacob von Falke waren ooms van vaders kant. Falke volgde hoger voortgezet onderwijs aan het Katharineum in Lübeck en voltooide in 1868 in Hamburg een opleiding tot boekhandelaar. Omdat zijn stiefvader zijn wens om literatuur of muziek te studeren afwees verliet Falke in 1870 Hamburg. In 1870-1877 werkte hij als boekhandelaar in Essen, daarna in Stuttgart en uiteindelijk in Hildburghausen. In 1878 keerde hij terug naar Hamburg, waar hij particulier muziekonderwijs kreeg van Emil Krause. Vervolgens verdiende hij zijn brood als pianoleraar. In 1890 trouwde hij met zijn voormalige pianostudenet Anna Heissel. In de jaren 1890 begon hij zijn eigen literaire werken te publiceren en zo kwam hij zeer snel in contact met de kring van Hamburgse schrijvers rond Otto Ernst, Jacob Lowenberg en Emil von Schoenaich-Carolath. Een gedicht van Falke had de aandacht getrokken van Detlev von Liliencron. met wie in de loop der jaren een intensieve vriendschap ontstond. Gustav Falke begon zijn literaire carrière als impressionistisch dichter. Beïnvloed werd hij vooral door Richard Dehmel, Paul Heyse en Detlev von Liliencron, maar hij zag zich ook in de traditie staan van dichters als Mörike, Eichendorff, Storm en Geibel. Falkes romans, waar veel Hamburg lokale kleur in te vinden is, kunnen gerekend worden tot het gematigde naturalisme. Hij schreef verder ook heldendichten en romans. Een opmerkelijk deel van zijn werk vormen zijn kinderboeken in poëzie en proza, waarmee hij aan het begin van de eeuw veel succes had. Bij het begin van WO I toonde Falke zich een compromisloze nationalist die zijn literaire werk volledig in diens stelde van de Duitse nationale doelstellingen. Muzikale composities bij Gustav Falkes poëzie schreven onder meer Leo Blech, Engelbert Humperdinck, Alma Mahler-Werfel, Max Reger, Paul Scheinpflug, Max von Schillings, Arnold Schönberg, Richard Strauss en Anton Webern. De muziekafdeling van de Koninklijke Bibliotheek in Berlijn telde bij Falkes dood meer dan 480 verschillende composities op teksten van de dichter.



Der Mond scheint auf mein Lager.
ich schlafe nicht,
meine gefalteten Hände ruhen
in seinem Licht.

Meine Seele ist still, sie kehrte
von Gott zurück,
und mein Herz hat nur einen Gedanken:
dich und dein Glück.




O Einsamkeit, tiefinnere Einsamkeit!
An deinem stillen Feuer wärm' ich mein Gemüt.
Nur manchmal schrei ich nach Gemeinsamkeit,
ob dort des Lebens rote Rose blüht.
Dann rufst du wieder mich zurück,
o Einsamkeit, zu deinem Glück.



Das Birkenwäldchen

Inmitten öder Heide träumt
Ein Birkenwäldchen, sumpfumsäumt.
Die stillen Wasser blinken,
Daraus die Wurzeln trinken.

Hier geht sobald kein Menschenfuß
Und klingt kein Sommervogelgruß,
Hier ist in ihrer Klause
Die Einsamkeit zu Hause.

Und nächtens stellt bei Mondenschein
Ein Wispern sich und Flüstern ein,
Und weiße Schatten heben
Gespenstisch sich ins Leben.

Und mittags, wenn die Sonne glüht,
Dass fast die Heide Funken sprüht,
Scheint dort in kühlen Schauern
Ein Seltsames zu lauern.

Ein Jäger, den die Heideglut
Hintrieb, war einst dort eingeruht,
Ihm träumt' –; er konnt's nicht sagen,
Er starb in wenig Tagen.


Gustav Falke (11 januari 1853 - 8 februari 1916)
Portret door Ernst Wilhelm Heinrich Eitner, z.j.

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: romenu, gustav falke |  Facebook |


Antonio Muñoz Molina, Annette von Droste-Hülshoff, Dennis Cooper, Saskia Stehouwer, Adrian Kasnitz, Mies Bouhuys, Harrie Geelen


De Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina werd geboren op 10 januari 1956 in Úbeda in de provincie Jaén. Zie ook alle tags voor Antonio Muñoz Molina op dit blog.

Uit: Die Nacht der Erinnerungen (Vertaald doorWilli Zurbrüggen)

„Ich habe ihn immer deutlicher gesehen, wie er aus dem Nichts auftauchte, aus dem Nirgendwo kommend wie aus einem Gedankenblitz heraus, mit dem Koffer in der Hand und ermüdet vom Hinaufeilen der von den schrägen Schatten der Marmorsäulen schraffierten Treppe, benommen von der maßlosen Weite, in die er eintritt und in der rechtzeitig seinen Zug finden zu können er sich nicht ganz sicher ist. Ich habe ihn unter all den anderen erkannt, unter denen er nicht auffällt in seinem dunklen Anzug, dem gleichfalls dunklen Regenmantel und Hut. Seine Kleidung ist europäischen Schnitts und für die Stadt und die Jahreszeit vielleicht etwas zu formell, genau wie der Koffer in seiner Hand, solide und teuer, aus Leder, doch ziemlich abgenutzt schon nach all dem Reisen, mit Aufklebern von Hotels und Reedereien, mit Kreideresten von Zollabfertigungen; ein Koffer, der schwer in seiner vom Umklammern des Tragegriffs schmerzenden Hand hängt und für eine so lange Reise dennoch unzureichend scheint. Mit der Präzision eines Polizeiberichts oder eines Traums nehme ich alle Einzelheiten der Wirklichkeit wahr.
Ich sehe sie in dem Moment vor mir auftauchen und Gestalt annehmen, als Ignacio Abel mitten im Geschiebe der Menge einen Augenblick stehen bleibt und sich umdreht wie einer, der gehört hat, dass man seinen Namen ruft. Vielleicht hat ihn jemand gesehen und sagt oder ruft seinen Namen, um über dem Tumult gehört zu werden, der von Marmorwänden und Eisengewölben widerhallt, über dem tönenden Wirrwarr von Stimmen, Schritten, kreischenden Lokomotiven, vibrierenden Böden, dem blechernen Echo der Lautsprecherdurchsagen und den Rufen der Zeitungsverkäufer, die die Abendblätter feilbieten. Ich erforsche seine Gedanken genauso wie seine Taschen und das Innere seines Koffers. Ignacio Abel betrachtet die Titelseiten der Zeitungen stets in der Erwartung und der Furcht, eine Schlagzeile zu lesen, in der das Wort Spanien, das Wort Krieg oder der Name Madrid auftaucht.“


Antonio Muñoz Molina (Úbeda, 10 januari 1956)

Lees meer...

Jared Carter, Yasmina Khadra, Jutta Treiber, Franz Kain, Philip Levine, Renate Schostack, Ingeborg Drewitz


De Amerikaanse dichter Jared Carter werd geboren op 10 januari 1939 in Elwood, een dorpje in Indiana, VS. Zie ook alle tags voor Jared Carter op dit blog.


Dark Transit

Always the passing of trains in the night,
The sound becoming a part of sleep, unnoticed,
Until one night you hear the call, and know
That a certain train has come for you at last.

The cars illumined with strange empty light,
The dining room with its starched tablecloths,
Its gleaming chairs, the lanterns swinging
In time with the headlong surge of the wheels.

Diesel engine, steam engine, wood-burner,
It does not matter, it is slowing down now,
And it has come for you, already you can see
How it glides to a stop in the empty station.
The stationmaster waves his yellow lantern
And confers with the conductor. 
It is time.
The train has arrived.  You must go forward.
Passengers peer from the clouded windows.

The conductor folds down the steps, he beckons,
It is time, it is time, the whistle calls, the engine
Lets off steam, steam roiling and billowing
Far down the edge of the long dark platform.




At every hand there are moments we
cannot quite grasp or understand. Free

to decide, to interpret, we watch rain
streaking down the window, the drain

emptying, leaves blown by a cold wind.
At least we sense a continuity in

such falling away. But not with snow.
It is forgetfulness, what does not know,

has nothing to remember in the first place.
Its purpose is to cover, to leave no trace…


Jared Carter (Elwood, 10 januari 1939)

Lees meer...

Robinson Jeffers, Giselher Werner Hoffmann, Jan H. Eekhout, Vicente Huidobro, Aubrey Thomas de Vere, Alexei Tolstoy


De Amerikaanse dichter en schrijver John Robinson Jeffers werd geboren op 10 januari 1887 in Allegheny, nu Pittsburgh, Pennsylvania. Zie ook ook alle tags voor Robinson Jeffers op dit blog.


Hurt Hawks

The broken pillar of the wing jags from the clotted shoulder,
The wing trails like a banner in defeat,

No more to use the sky forever but live with famine
And pain a few days: cat nor coyote
Will shorten the week of waiting for death, there is game without talons.

He stands under the oak-bush and waits
The lame feet of salvation; at night he remembers freedom
And flies in a dream, the dawns ruin it.

He is strong and pain is worse to the strong, incapacity is worse.
The curs of the day come and torment him
At distance, no one but death the redeemer will humble that head,

The intrepid readiness, the terrible eyes.
The wild God of the world is sometimes merciful to those
That ask mercy, not often to the arrogant.

You do not know him, you communal people, or you have forgotten him;
Intemperate and savage, the hawk remembers him;
Beautiful and wild, the hawks, and men that are dying, remember him.

I'd sooner, except the penalties, kill a man than a hawk;
but the great redtail
Had nothing left but unable misery
From the bone too shattered for mending, the wing that trailed under his talons when he moved.

We had fed him six weeks, I gave him freedom,
He wandered over the foreland hill and returned in the evening, asking for death,
Not like a beggar, still eyed with the old
Implacable arrogance.

I gave him the lead gift in the twilight.
What fell was relaxed, Owl-downy, soft feminine feathers; but what
Soared: the fierce rush: the night-herons by the flooded river cried fear at its rising
Before it was quite unsheathed from reality.


Robinson Jeffers (10 januari 1887 – 20 januari 1962)

Lees meer...


Bas Heijne, Benjamin Lebert, Wessel te Gussinklo, Simone de Beauvoir, Theodor Holman, Danny Morrison, Kurt Tucholsky


De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.

Uit: Een oord van onderkoelde verschrikking

“Dostojewski en Fitzgerald, verbaasd vinden ze elkaar in het werk van hun nazaat Bret Easton Ellis. Met Dostojewski deelt Ellis een obsessie met de ongrijpbare pathologische inslag van de mens, het duistere binnenste dat een man tussen twee beschaafde zinnen naar een bijl doet grijpen. Met Fitzgerald heeft hij een hartstocht voor wereldsheid gemeen, een hang naar een leven dat enkel en alleen uit glanzende oppervlakten bestaat. Verslaafd is hij aan een cultuur die iedere betekenis heeft afgezworen, die zich volledig aan de roes van het luchtledige heeft overgegeven. Less than zero, American Psycho (zijn meesterwerk), Glamorama, het zijn stuk voor stuk romans geschreven vanuit een obsessie met de wereld als enkel en alleen nog buitenkant. Zijn verslaving uit zich in zijn overvloedige vermelding van de gestroomlijnde glamour van het Amerika van de jonge verwende superrijken, de talloze merken en labels en namen die tezamen een universum van uiterlijkheden vormen.
Dat die verslaving voor misverstanden zou zorgen, was - zeker wanneer je terugkijkt - te verwachten. Less than zero en in mindere mate The rules of attraction waren generatieromans - en generatieromans moeten het altijd hebben van het soort heftige, verdwaasde vereenzelviging waar je op je twintigste behoefte aan hebt. Ellis werd gezien als lid van de Brat Pack, het groepje jonge auteurs dat de gevestigde literaire orde in de jaren tachtig wel even een lesje zou leren. Dat Ellis in die jaren op een hoop werd gegooid met schrijvers als Tama Janowitz en Jay McInerney, het lijkt nu onvoorstelbaar, maar de modieuze kritische oordelen die over deze groep werden geveld, waren onderdeel van hun succes in de media en hun cultstatus bij nieuwe lezers. Zoals iedere verloren generatie - en welke nieuwe generatie is niet voor minstens een paar jaar verloren? - koketteerden ze met de totale zinloosheid en de totale verlorenheid. Ikzelf ergerde me toentertijd juist aan het in mijn ogen al te gemakzuchtige moralisme in Less than zero, de gulzige opeenstapeling van bewijzen van totale gevoelloosheid bij zijn personages, terwijl de schrijver zijn lezers tussen de regels maar bleef porren - of we wel beseften hoe erg het was? Ik hield niet zo van boeken over jongeren die bedoeld waren om ouderen te shockeren. Ellis wilde een generatie laten zien die in verlorenheid alle voorgaande overtrof, en ik vond toen dat hij zich schuldig maakte aan effectbejag - een lijk een vuurtje geven, ja hoor!”


Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

Lees meer...

Pierre Guyotat, Heiner Müller, Pierre Combescot, Gisbert Haefs, Karel Čapek, Klaus Schlesinger, Wilbur Smith


De Franse schrijver Pierre Guyotat werd geboren op 9 januari 1940 in Bourg-Argental. Zie ook alle tags voor Pierre Guyotat op dit blog.

Uit: Coma

"Ou bien, c’est la fusion avec le monde, ma disparition dans tout ce qui me touche, que je vois, et dans tout ce que je ne vois pas encore. Sans doute ne puis-je alors supporter de n’être qu’un seul moi, devant tous ces autres moi et d’être immobile malgré l’effervescence de mes sens, d’être immobile dans cet espace où l’on saute, s’élance, s’envole…
Plutôt mourir (comme peut « mourir » un enfant) que de ne pas être multiple, voire multiple jusqu’à l’infini.
Quelle douleur aussi de ne pouvoir se partager, être, soi, partagé, comme un festin par tout ce qu’on désire manger, par toutes les sensations, par tous les êtres : cette dépouille déchiquetée de petit animal par terre c’est moi… si ce pouvait être moi ! »

«Malgré mon enjouement –la douleur ou l’avant-douleur provoque toujours en moi une euphorie de verbe et d’empathie-, d’être ainsi marqué, même aux jambes, pris entre l’âge avancé des onze patients et l’obscurité carrelée, vétuste, du lieu dans lequel je vois et sens aussi les espaces du passé : infirmerie de collège, boiseries d’hospice, en quelque sorte mon commencement dans la collectivité humain, j’éprouve –mais à partir de quel « je » déjà ?- et tais à mes proches une sensation, dont j’attends que l’opération me délivre, d’inexistence entre deux vieilleries, de dépouillement, d’échec, d’abandon par la Lumière, d’humiliation froide, d’oubli."


Pierre Guyotat (Bourg-Argental, 9 januari 1940)

Lees meer...

Brian Friel, August Gailit, Chaim Nachman Bialik, Anne Rivers Siddons, Giovanni Papini, Lascelles Abercrombie, Pierre Garnier, Thomas Warton


De Ierse schrijver Brian Friel werd geboren op 9 januari 1929 geboren in Omagh, Noord-Ierland, in een katholiek onderwijzersgezin. Zie ook alle tags voor Brian Friel op dit blog.

Uit: Fathers and Sons

„Fenichka (laughing) He did not. That's another of your stories.
Dunyasha Cross my heart, (into pram) Hello, Mitya. How are you today, my little darling? Are you well? (She spreads out under the sun.) Beautiful. This most be the hottest May ever. (eyes closed) Is that the big fiddle he's playing?
Fenichka You (mow very well it's called a cello.
Dunyasha Sort of nice, isn't it? Bit lonely - like himself.
Fenichka Is he lonely?
Dunyasha You should know. Not much good for dancing.
Fenichka I heard you were dancing last night.
Dunyasha Five this morning. Oh, that heat's lovely.
Fenichka Any good?
Dunyasha You mean did I click? (She sits up.) Tell me this, Fenichka: remember all those young fellows used to be at the dances when you and I went together - all that laughing and all that fun - remember?
Fenichka Yes.
Dunyasha Well, where in God's name have they gone to, those boys? Or haven't they young brothers? All you see now are half-drunk louts that say things like, 'My God, girl, but you're a powerful armful of meat.'
Fenichka laughs. It's true. That's what a big clodhopper said to me last night. And if it's not the clodhoppers it's the usual old lechers with their eyes half-closed and their hands groping your burn.

She sees Pavel entering left with a book under his arm. She gets quickly to her feet. Pavel is the typical 'Europeanized' Russian of the nineteenth century - wears English clothes, speaks French. His manner is jaded but his emotions function fully and astutely.

Jesus, here comes the Tailor's Dummy! He must have spotted you.”


Brian Friel (Omagh, 9 januari 1929)
Scene uit een opvoering in Londen, 2014

Lees meer...

Nora Bossong


De Duitse dichteres en schrijfster Nora Bossong werd geboren op 9 januari 1982 in Bremen. Bossong kreeg in 2001 een beurs voor het eerste literatuur laboratorium Wolfenbüttel. Zij studeerde literatuur aan het Duitse literatuur Instituut in Leipzig en culturele studies, filosofie en vergelijkende literatuurwetenschap aan de Humboldt Universiteit van Berlijn, de Universiteit van Potsdam en de universiteit La Sapienza in Rome. Bossong heeft poëzie en proza gepubliceerd in bloemlezingen, literaire tijdschriften en in haar eigen boeken. In 2006 debuteerde ze met de roman “Gegend”. Zij publiceerde verder nog de romans "Weber Protocol" (2009) en “36.9 °”(2015). Haar gedichtenbundel gedichten "Sommer vor den Mauern" (2011) werd in 2012 bekroond met de Peter Huchel Prijs.


Leichtes Gefieder

Vielleicht zu spät, als eine Krähe
unseren Morgen kappt. Ein Schlag.
Und ob sie fällt und ob sie weiterfliegt –
Ich frag zu laut, ob du noch Kaffee magst.
Dein Blick ist schroff, wie aus dem Tag gebrochen.
Es riecht nach Sand. Du fragst mich, ob ich wisse,
dass Krähen einmal weiß gefiedert waren.
Ich lösch die Zigarette aus, ich wünsch mich
weg von hier, ich möchte niemanden,
ich möchte höchstens einen andern sehen.
Du nennst mich: Koronis. Ich zeig zum Fenster:
Sieh doch, die Aussicht hat sich nicht verändert!
Was gehen dich die Stunden an, die du nicht kennst?
Ich will nur Mädchen sein, nicht in Arkadien leben.
Dein Nagel scharrt noch in der Asche,
doch du bist still, als wärst du fort.
Ich bin zu leicht für deine Mythen.



Reglose Jagd

Die Ställe hangabwärts, es heißt, den Hasen
habe ein Marder geholt, ein Fuchs, niemand
ist sicher, man lebt hier selten
des Nachts. Das Haus zu groß
für ein Haus, die Menschen zu reich,
nicht aus meiner Zeit. Dennoch gehen wir
auf die Jagd gemeinsam, durch die verwachsenen
Ränder des Familienerbes, kein Tier
knackt das Unterholz, kein Kadaver
legt seinen Geruch wie ein spukender Ahne
an die Grenze des Grundstücks. Ich glaube, alles
hält die Terrasse verborgen, niemand
folgt mir nach, wie sollten sie auch, meine Tage
liegen anderswo. Nur die Seeadler auf den Pfosten
lassen mich nicht aus dem Blick, ich fühle
ihre gefeilten Augen mir in den Nacken starren,
bis ich stürze, doch das ist unwesentlich, nur
eine kurzfristige Veränderung des alten Gebäudes.


Nora Bossong (Bremen, 9 januari 1982)

14:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: nora bossong, romenu |  Facebook |


Juan Marsé, Alfred Tomlinson, Gaston Miron, Leonardo Sciascia, Waldtraut Lewin, Vasyl Stus, Claudia Grehn


De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Juan Marsé op mijn blog.

Uit: Calligraphie des rêves (Vertaald door Jean-Marie Saint-Lu)

« Durant quelques secondes, elle a l’air de ne pas savoir où elle se trouve, elle tourne sur elle-même en tâtant l’air avec ses mains, jusqu’au moment où, s’immobilisant, tête baissée, elle pousse un cri long et rauque, comme sorti de son ventre, et qui peu à peu se transforme en soupirs pour finir en miaulements de petit chat. Elle commence à remonter la rue en trébuchant puis s’arrête, elle se tourne, cherchant un appui alentour, et aussitôt après, fermant les yeux et croisant les mains sur sa poitrine, elle se baisse en se repliant lentement sur elle-même, comme si cela lui procurait réconfort ou soulagement, puis s’allonge sur le dos, en travers des rails du tramway encore incrustés dans ce qui reste du vieux pavage. Des voisins et quelques passants occasionnels, peu nombreux et fatigués à cette heure et sur ce tronçon haut de la rue, n’en croient pas leurs yeux. Qu’est-ce qu’il lui a pris, tout à coup, à cette femme ? Allongée sur la voie de toute sa longueur, qui n’est pas grande, ses genoux massifs et brunis sur la plage de la Barceloneta pointant sous sa blouse entrouverte, les yeux fermés et les pieds bien joints dans ses pantoufles de satin à pompons pas très propres, que diable prétend-elle faire ? Faut-il supposer qu’elle veut en finir avec la vie sous les roues d’un tramway ? « Victoria ! crie une femme du trottoir. Qu’est-ce que tu fais, malheureuse ? » Elle n’obtient pas de réponse. Pas même un clignement de paupière. Très vite, un petit groupe de curieux se forme autour de la femme allongée, la plupart craignant d’être victimes d’une plaisanterie macabre. Un vieil homme tât e à plusieurs reprises la généreuse hanche avec sa canne, comme s’il ne pouvait croire qu’elle soit vivante. « Eh vous, là, qu’est-ce que c’est que cette plaisanterie ? grommelle-t-il, en la harcelant. Que cherchez-vous à faire ? » Parler d’elle, comme toujours, doit penser plus d’une voisine : que ne ferait pas cette grue pour attirer l’attention de son homme. Quadragénaire blonde aux yeux bleus pétillants , au tempérament expansif et très populaire dans le quartier, la grassouillette Mme Mir, qui avait été Dame infirmière formée dans un collège de la Phalange et exerçait maintenant comme soignante et kiné pr ofessionnelle, à en croire ses cartes de visite, avait fait et continuait à faire pas mal parler d’elle à cause de ses mains audacieuses, qui dispensaient frictions corpor elles et calmaient diverses ardeurs, et dont le talen t équivoque favorisait de fréquentes divagations amoureuses, surtout depuis que son mari, ex-maire adjoint autoritaire et bravache, avait été interné à l’hôpital San Andrés, à la fin de l’année précédente. »


Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

Lees meer...

Wilkie Collins


De Britse schrijver Wilkie Collins werd geboren in Londen op 8 januari 1824. Collins was een veelschrijver en publiceerde ook in Dickens' tijdschriften Household Words en All the Year Round. Hij geniet de meeste bekendheid als schrijver van de romans “The Woman in White” (1860) en “The Moonstone” (1868), beide voorlopers van de detectiveroman. De publicatie van “The Moonstone” zorgde voor een sensatie door de sensationele beschrijvingen die erin werden gegeven van opiumverslaving. Wilkie Collins baseerde deze gedeeltelijk op zijn eigen ervaringen met deze drug. Als een gevolg van deze verslaving leed Wilkie Collins op latere leeftijd in toenemende mate aan waanvoorstellingen. De meest opzienbarende hiervan was zijn overtuiging dat hij constant werd vergezeld van een dubbelganger, die hij "Ghost Wilkie" noemde. Wilkie Collins was de oudste zoon van de kunstschilder William Collins en een broer van Charles Allston Collins, die eveneens schilder was. In 1848 publiceerde hij een biografie van zijn vader onder de titel Memoirs of the Life of William Collins, Esq., R.A.

Uit: The Moonstone

“One of the wildest of these stories related to a Yellow Diamond — a famous gem in the native annals of India.
The earliest known traditions describe the stone as having been set in the forehead of the fourhanded Indian god who typifies the Moon. Partly from its peculiar colour, partly from a superstition which represented it as feeling the influence of the deity whom it adorned, and growing and lessening in lustre with the waxing and waning of the moon, it first gained the name by which it continues to be known in India to this day — the name of THE MOONSTONE.
A similar superstition was once prevalent, as I have heard, in ancient Greece and Rome; not applying, however (as in India), to a diamond devoted to the service of a god, but to a semi-transparent stone of the inferior order of gems, supposed to be affected by the lunar influences
— the moon, in this latter case also, giving the name by which the stone is still known to collectors in our own time.
The adventures of the Yellow Diamond begin with the eleventh century of the Christian era.
At that date, the Mohammedan conqueror, Mahmoud of Ghizni, crossed India; seized on the holy city of Somnauth; and stripped of its treasures the famous temple, which had stood for centuries — the shrine of Hindoo pilgrimage, and the wonder of the Eastern world.
Of all the deities worshipped in the temple, the moongod alone escaped the rapacity of the conquering Mohammedans. Preserved by three Brahmins, the inviolate deity, bearing the Yellow Diamond in its forehead, was removed by night, and was transported to the second of the sacred cities of India — the city of Benares.
Here, in a new shrine — in a hall inlaid with precious stones, under a roof supported by pillars of gold — the moongod was set up and worshipped. Here, on the night when the shrine was completed, Vishnu the Preserver appeared to the three Brahmins in a dream.
The deity breathed the breath of his divinity on the Diamond in the forehead of the god. And the Brahmins knelt and hid their faces in their robes. The deity commanded that the Moonstone should be watched, from that time forth, by three priests in turn, night and day, to the end of the generations of men. And the Brahmins heard, and bowed before his will. The deity predicted certain disaster to the presumptuous mortal who laid hands on the sacred gem, and to all of his house and name who received it after him. And the Brahmins caused the prophecy to be written over the gates of the shrine in letters of gold.”


Wilkie Collins (8 januari 1824 – 23 september 1889)
Portret door Rudolph Lehmann, 1880

18:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: wilkie collins, romenu |  Facebook |


Frans Kellendonk, Reginald Gibbons, Dionne Brand, Sofi Oksanen, Henk van Zuiden, Shobhaa Dé, Marie Desplechin


De Nederlandse schrijver en vertaler Frans Kellendonk werd geboren in Nijmegen op 7 januari 1951. Zie ook alle tags voor Frans Kellendonk op dit blog.

Uit: Beeld en gelijkenis

“De pastoor had een monotoon stemgeluid dat het onmogelijk maakte om de eucharistie met begrip te volgen. Hij was klein en rond en zijn gezicht was zo rooddooraderd dat het, de huidcrème die hij erop aanbracht ten spijt, in een netje leek te hangen, als een nieuwe plastic voetbal. Op zijn al te vleeskleurige lippen zat roze parellipstick. Hij had wulpse handjes die zich onweerstaanbaar tot elkaar aangetrokken voelden en elkaar onophoudelijk knuffelden en opvrijden. Er werd gefluisterd dat hij het met een vrouw hield.
Op een goede dag kregen we een hulpkapelaan, een jonge Franciscaan met zwart haar en felle bruine ogen, die in zijn sandalen geen sokken droeg van witte zijde, zoals de pastoor, maar blote voeten die rood zagen van de kou. Hij is maar kort gebleven. Eén keer heeft hij gepreekt en de arme gelovigen, die gedoopt waren voor ze ‘pap’ konden zeggen, die elke week trouw hun plaatsengeld en collectegeld hadden betaald, en ook voor de missie-acties regelmatig een kleinigheid hadden afgedragen, die toch mochten menen dat ze al met één been in de hemel stonden, kregen van hem te horen dat ze heidenen waren. ‘Bekeert u!’ snauwde hij hen van de kansel toe. Zo zout hadden ze het nog nooit gegeten. Hij bestond het bovendien om die brave mensen voor zondaars uit te maken. De brave mensen vonden dat hij beter naar z'n eigen kon kijken. Maar ik vond dat getier van hem een weldaad, na de fluwelen dwingelandij waar ik aan gewend was, en toen ik hoorde dat hij wegens zijn te grote ijver spoedig weer zou moeten vertrekken ging ik op een vrijdagavond bij hem te biecht. Terwijl hij achter het luikje nog zat te bidden voor de vorige biechteling, een geruststellend onderkeels gebrom, af en toe onderbroken door een diepe zucht, zei ik mijn oefening van geloof; daarna bekende ik de zonden die ik altijd bekende en hij wilde me al de penitentie opgeven toen ik tenslotte durfde te stotteren: ‘Eh... pater... Pater, ik moet u nog iets zeggen... Ik, eh, scháám me altijd zo vreselijk. En ik weet niet hoe het komt.’
Zo was het precies. Ik, een zondagskind, één en al levenslust en plezier, was me in mijn elfde levensjaar een etterende leproos gaan voelen. Zomaar, ineens.”


Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)
Affiche voor een programma in De Balie in Amsteram, mei 2015

Lees meer...