02-03-16

Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany

 

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit:Moeder de gans
     Over sprookjes in het algemeen en over Charles Perrault in het bijzonder

“Wie herinnert zich niet haar wonderlijke stem, murmelend in onze verre, verre kinderjaren? Wie heeft niet gezucht van opwinding als de arme vrouw van Blauwbaard (was het zijn tiende? was het zijn twaalfde?) daar hoog op de toren roept: ‘Zuster Anna! Zuster Anna! Ziet gij nog niets komen?’ Nu, zolang zuster Anna nog niets ziet mogen wij opblijven, dat is zeker. Want zelfs uw oudste broer, die geheimzinnige bezigheden heeft op een groot kantoor ergens in de wereld, heeft zijn pijp laten uitgaan en luistert met een vreemde glimlach. Doch als hij zich betrapt ziet, schrikt hij en duikt weg achter zijn krant, want sprookjes vindt hij onzin.
Dat zijn ze ook. Maar we zijn ermee groot geworden en er is iets van die onzin diep in ons zelf blijven zitten. Op sommige zomeravonden komt dat nog wel eens naar boven en dan weten we zelf niet goed hoe we het hebben. Het kan dan gebeuren, dat een ernstig makelaar in effecten plotseling achter het rozenboompje in zijn tuin een kabouter meent te zien; hij wrijft zijn ogen uit en de kabouter is weg. Wat was dat? Het was veel meer van Moeder Gans in ons gebleven dan wij zelf wel weten. [...]
Hoe oud ze precies zijn weet geen sterveling, evenmin als men de plaats kent waar ze vandaan komen. Hierover zijn boeken geschreven, veel dikker dan de sprookjes zelf, maar ik moet mijn lezers waarschuwen: ze zijn niet zo spannend. Het eerst hielden Duitse vorsers zich met deze vraag bezig en zij kwamen na veel nadenken tot de natuurlijke slotsom, dat de sprookjes uit Duitsland stamden. Zo zegt bijvoorbeeld Franz Linnig in zijn Deutsche Mythenmärchen (1883), over Roodkapje sprekend: ‘Das Märchen von der kleinen süssen Dirne, die alle Leute so lieb haben, ist den deutschen Kinderherzen so innig verwachsen, das mann an einen fremden Ursprung kaum zu denken wagt’ Niet treffender kan worden aangetoond dat de wens de vader van gedachte is! Een andere Duits geleerde Theodor Pletscher, tekent tegen deze doorzichtige inbeslagneming dan ook protest aan [en merkt op dat de bekendste sprookjes, ook die in Duitsland het bekendst zijn, al lang in Frankrijk hun definitieve vorm hadden gevonden voor zij in Duitsland als volkssprookjes werden opgeschreven]."

 

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 - 22 december 1971)

Lees meer...

Rinske Kegel

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichteres, schrijfster en illustratrice Rinske Kegel werd geboren in Haren in 1973. Zij werkt als trainingsactrice en op het gebied van communicatie en groepswerk. Daarnaast geeft zij schrijf- en voordrachtworkshops. Kegel publiceerde onder andere bij literair tijdschrift Op Ruwe Planken, De Gids, Extaze, Het Liegend Konijn en De Uitvreters. Ze won de derde prijs van de Oostende Poëzieprijs 2013/2014 en de eerste prijs van de VUMC Poëzieprijs 2015.  Ze trad op bij onder andere Onbderf'lijk Vers en Dichters in de Prinsentuin. Ze bracht onlangs zelf een bundel uit met tien gedichten: “Als ik win verlies ik mijn reputatie als verliezer”.

 

Toen je al weg was

Bij de flessen water kon je niet kiezen welke
ik wilde zo graag dat ik niet hoefde te kiezen
toen we in het park aankwamen jij bij mij
achterop en er van dronken zaten er bubbels in

we kochten aardbeien
ik kocht aardbeien
ik kocht alles
ik betaalde alles en mijn fiets viel om
en die raapte ik zelf op
er vielen nog meer fietsen om
ik raapte alle fietsen op

jij wilde liggen je wilde in de aarde
zakken en ik wilde je hier houden
maar de zwaartekracht had zijn
werk al gedaan en je lachte naar me
als een vader naar een kind dat knoeit

Je deelde aardbeien uit aan andere mensen
in het Vondelpark
je zei zo doen ze dat in Berlijn

 

 

Slaap je 

als ze niet meer brabbelt en lege dromen
inademt, onder handen wordt genomen,
weg genomen terwijl ze nog een luier draagt
trekt de navelstreng zich om mijn moederhart

als ze wakker wordt, niet klaagt maar speelt
met slangetjes en stethoscoop klopt alles weer
harder dan daarvoor, wat zijn de ramen groot

we tekenen met pen haar lijfje vol
met littekens, nu valt dat ene het niet meer op

slaap je, je lijkt wel dood.

 

 
Rinske Kegel (Haren, 1973)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: rinske kegel, romenu |  Facebook |

01-03-16

Jan Eijkelboom, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey, Robert Lowell, Myrthe van der Meer

 

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

 

De kunst

In die tijd trokken amateurs
met zwarte kastjes er op uit
om in een poortdoorgang
het tegenlicht te vangen

dat door de lindeblaadjes scheen.
Of ze betraden gretig het park
op de dag van de eerste sneeuw.
Vanaf meegenomen keukentrapjes

legden zij vast hoe ijzel of rijp
van takjes toverstokjes maakte.
Ook ik verbalisant betrapte

dat voortvluchtig licht en
sloot het op in een sonnet
waaruit het ijlings is ontsnapt.

 

 

Hij had geen talent

Hij had geen talent voor tragiek,
verdonkeremaande rampspoed
bij het leven, meanderde
door een landschap tot aan
een toevallige stad
waar hij plotseling zag:
hier kom ik vandaan.

Af en toe viel hem in
dat hij misschien wel bestond.
Ook zag hij een vrouw
van wie het bestaan
met geen pen
te ontkennen.

Ze paarden en hadden geluk.
Toen hij later tot zijn verbazing
het leven moest laten
liet hij één boodschap na:
als jullie mij gaan verstrooien
ga dan met je rug naar de wind toe staan.

 

 

Vox humana

In een klein dijkhuis staat,
ziet hij door ’t uitvergrote raam,
het oude orgel bijna naakt.
Over de toetsen ligt een loper.
Tussen de twee koop’ren kandelaars
staat een gezangboek open.
Hij hoort weer het asmatisch steunen:
loflied of klaagzang – eender zeurt
deze muziek, tot hij die deur
snel weer vergrendelt. En toch,
o mocht hij nog een keer,
geknield voor ’t orgelfront,
de trappers voor de vrouw bewegen
die boven hem haar psalmen zong.

 

 
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

Lees meer...

Delphine de Vigan

 

De Franse schrijfster en filmmaakster Delphine de Vigan werd geboren op 1 maart 1966 in Boulogne-Billancourt. Na haar studie letterkunde en toepaste wetenschappen werd ze directrice studies aan een instituut voor enquêtes. Onder het pseudoniem Lou Delvig, schreef ze haar eerste autobiografisch geïnspireerde “Jours sans faim” (2001), waarin de strijd van een jonge vrouw tegen anorexia vertelt wordt. Een verhalenbundel en een tweede roman volgden in 2005, gepubliceerd onder haar echte naam. In augustus 2007 publiceerde de Vigan “No et moi” waarvoor zij de Prix des Libraires en de Prix du Rotary kreeg en die bewerkt werd voor de film door Zabou Breitman. In “Les heures souterraines”, genomineerd voor de Goncourt, hekelt zij de intimidatie op de werkplek. In 2011 verscheen “Rien ne s’oppose à la nuit“, waarin zij vertelt over haar moeders lijden aan een bipolaire stoornis. Daarmee won zij de Prix du Roman Fnac, de Prix des lectrices de Elle, de Prix Roman France Télévisions en de Prix Renaudot des lycéens. In hetzelfde jaar schreef zij samen met Gilles Legrand het scenario voor “Tu seras mon fils”. In 2013 regisseerde Delphine de Vigan haar eerste film “A coup sûr”,waarvoor zij samen met Chris Esquerre het scenario schreef. In 2015 won ze de Prix Renaudot en de Prix Goncourt des lycéens voor haar roman « D'après une histoire vraie".

Uit : D'après une histoire vraie

"Quelqucs mois après la parution de mon dernier roman, j’ai cessé d’écrire. Pendant presque trois années, je n'ai pas écrit une ligne. Les expressions figées doivent parfois s’entendre au pied de la lettre : je n’ai pas écrit une lettre administrative, pas un carton de remerciement, pas une carte postale de vacances, pas une liste de courses. Rien qui demande un quelconque effort de rédaction, qui obéisse à quelque préoccupation de forme. Pas une ligne, pas un mot. La vue d’un bloc, d'un carnet, d’une fiche bristol me donnait mal au cœur.
Peu à peu, le geste lui-même est devenu occasionnel, hésitant, ne s’exécutait plus sans appréhension. Le simple fait de tenir un stylo m’est apparu de plus en plus difficile.
Plus tard, j’ai été prise de panique dès que j’ouvmis un document Word.
Je cherchais la bonne position, l'orientation optimale de l’écran, i'e‘tirais mes jambes sous la table.
Et puis je restais là, immobile, des heures durant, les yeux rivés sur l'écran.
Plus tard encore, mes mains se sont mises à trembler dès que je les approchais du clavier.
J'ai refusé sans distinction toutes les propositions qui m’ont été adressées : articles, nouvelles de l’été, préfaces et autres participations à des ouvrages collectifs. Le simple mot écrire dans une lettre ou un message suffisait à me nouer l‘estomac.
Écrire, je ne pouvais plus.
Écrire, c'était non.
Je sais aujourd’hui que différentes rumeurs ont circulé dans mon entourage, dans le milieu littéraire et sur les réseaux sociaux. Je sais qu‘il a été dit que je n’écrirais plus, que j’étais parvenue au bout de quelque chose, que les feux de paille, ou de papier, toujours, finissent par s’éteindre. L‘homme que j’aime s’est imaginé qu'à son contact j’avais perdu l'élan, ou bien la faille nourricière. et que par conséquent je ne tarderais pas à le quitter.
Lorsque des amis, des relations, et parfois même des journalisres se sont aventurés à me poser des questions sur ce silence, j’ai évoqué différents motifs ou cmpêchements parmi lesquels figuraient la fatigue, les déplacements à l’étranger, la pression liée au succès, ou même la fin d’un cycle littéraire."

 

 
Delphine de Vigan (Boulogne-Billancourt, 1 maart 1966)

18:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: delphine de vigan, romenu |  Facebook |

29-02-16

Martin Suter, Yórgos Seféris, Marin Sorescu, Howard Nemerov, Saul Williams, John Byrom

 

De Zwitserse schrijver Martin Suter werd geboren op 29 februari 1948 in Zürich. Zie ook alle tags voor Martin Suter op dit blog.

Uit: Lila, Lila

“Marie hatte Weihnachten nicht immer gehast. Als ganz kleines Madchen hatte sie es fast nicht erwarten konnen, das nachste Fensterchen im Adventskalender öffnen zu durfen. Und am Abend, an dem dann endlich, endlich das Christkind kam, sas sie stumm vor Ergriffenheit unter dem Christbaum und muste von ihren Eltern dazu aufgefordert werden, die Geschenke zu öffnen.
Aber nach der Scheidung war Weihnachten nur noch dazu da, sie daran zu erinnern, das ihre Eltern nicht mehr zusammenwaren.
Sie muste jetzt zweimal feiern, einmal mit Myrtha und ihrem jeweiligen Freund, einmal mit ihrem Vater und seiner furchtbaren neuen Frau.
Mit zwolf gab sie bekannt, das sie nicht mehr Weihnachten feiern wolle. Bei ihrem Vater sties sie dabei auf keinerlei Widerstand. Bei Myrtha war es komplizierter. Wenn sie von ihrer Weihnachtsdepression heimgesucht wurde, was, je alter sie wurde, desto o∫er eintraf, brachte Marie es nicht ubers Herz, Weihnachten zu ignorieren.
Aber jetzt, wo Myrtha in Crans Montana war und Marie unbeschwerte Weihnachten mit ein paar Videos und Fertigpizzas verbringen konnte, hatte sie plotzlich das Bedürfnis nach Gesellschaft.. Deshalb verbrachte sie die letzten Abende des Weihnachts-Countdowns zu ihrer eigenen Verwunderung mit ihrer neuen Ersatzfamilie im Esquina. Und selbst in den Nachten blieb sie nicht immer allein.
Zwei davon verbrachte sie mit Ralph, auf den sie sich doch eigentlich gar nicht hatte einlassen wollen.
Fur jeden Abend nahm sie sich vor, nur kurz auf ein Glas hereinzuschauen und vor zwolf zu Hause zu sein. Aber jedesmal blieb sie hangen. Nicht, weil das Gesprach gerade so interessant war oder die Gesellscha∫ so angenehm oder die Nacht so schon. Es war die Vorstellung, allein in der Wohnung ihrer Mutter vor dem Fernseher zu sitzen, die sie im Esquina hielt.“

 

 
Martin Suter (Zürich, 29 februari 1948)

Lees meer...

28-02-16

Stephen Spender, Bart Koubaa, Luc Dellisse, John Montague, Marcel Pagnol, Raphaële Billetdoux, Bodo Morshäuser

 

De Engelse dichter, essayist en schrijver Stephen Spender werd geboren op 28 februari 1909 in Londen. Zie ook alle tags voor Stephen Spender op dit blog.

 

The Pylons

The secret of these hills was stone, and cottages
Of that stone made,
And crumbling roads
That turned on sudden hidden villages

Now over these small hills, they have built the concrete
That trails black wire
Pylons, those pillars
Bare like nude giant girls that have no secret-

The valley with its gilt and evening look
And the green chestnut
Of customary root,
Are mocked dry like the parched bed of a brook-

But far above and far as sight endures
Like whips of anger
With lightning's danger
There runs the quick perspective of the future-

This dwarfs our emerald country by its trek
So tall with prophecy
Dreaming of cities
Where ofien clouds shall lean their swan-white neck.

 

 

A footnote to Marx’s chapter “The working day”

“Heard say that four times four is eight
“And the king is the man what has all the gold.”
“Our king is a queen and her son’s a princess
“And they live in a palace called London, I’m told."

“Heard say that a man called God who’s a dog
“Made the world with us in it,” “And then I’ve heard
“There came a great flood and the world was all drownded
“Except for one man, and he was a bird.”

“So perhaps all the maple are dead, and we’re birds
“Shut in steel cages by the devil who’s good,
“Like the miners in their pit cages
“And us in our chimneys to climb, as we should.”

 

 

Farewell To My Student

For our farewell. we went down to the foot-path
Circling the lake. You stood there, looking up at
White egrets nesting in high branches.
And I, apart, stood silent. searching for
Images to recall this moment.
The first, I thought. must be that pine tree
Which, with slashed bark, climbs vertically
Across the lines of waves beyond.
Second. your face, a bronze medallion,
Greek or Roman, against the lake.
Perhaps Bellini
Delved from antiquity such an image
Of a twenty-year-old Triton lifting up a conch
Against a background of blown waves.
And Seurat, centuries later, in the profile
Of a holidaying boy, against the Seine.
And then you turned to me and said
With glance a third thing to remember:
“You are gone already, your thoughts are far from here
Three thousand miles away,
Where you will be tomorrow. And I
Here. remembering today.”

Then ten years passed till, today. i write these lines.

 

 
Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995)
 

Lees meer...

Daniel Handler, Dee Brown, Berthold Auerbach, José Vasconcelos, Sophie Tieck, Michel de Montaigne, Ernest Renan

 

De Amerikaanse schrijver Daniel Handler werd geboren op 28 februari 1970 in San Francisco, Californië Zie ook alle tags Daniel Handler op dit blog.

Uit: Why We Broke Up

„These are the caps from the bottles of Scarpia’s Bitter Black Ale that you and I drank in Al’s backyard that night. I can see the stars bright and prickly and our breathing steamy in the cold, you in your team jacket and me in that cardigan of Al’s I always borrow at his house.
He had it waiting, clean and folded, when I went upstairs with him to give him his present before the guests arrived.
“I told you I didn’t want a present,” Al said. “The party was enough I told you, without the obligatory-”
“It’s not obligatory,” I said, having used the same vocabulary flash cards with Al when we were freshmen. “I found something. It’s perfect. Open it.”
He took the bag from me, nervous.
“Come on, happy birthday.”
“What is it?”
“Your heart’s desire. I hope. Open it. You’re driving me crazy.”
Rustle rustle rip, and he sort of gasped. It was very satisfying.
“Where did you find this?”
“Does it not,” I said, “I mean exactly, look like what the guy wears in the party scene in Una settimana straordinaria?”
He smiled into the slender box. It was a necktie, dark green with modern diamond shapes stitched into it in a line. It’d been in my sock drawer for months, waiting. “Take it out,” I said. “Wear it tonight.
Does it not, exactly?”
“When he gets out of the Porcini XL 10,” he said, but he was looking at me.
“Your absolute favorite scene in any movie. I hope you love it.”

 

 
Daniel Handler (San Francisco, 28 februari 1970)

Lees meer...

27-02-16

John Steinbeck, Lawrence Durrell, André Roy, Henry Longfellow, Elisabeth Borchers, James T. Farrell

 

De Amerikaanse schrijver John Steinbeck werd geboren in Salinas, Californië, op 27 februari 1902. Zie ook alle tags voor John Steinbeck op dit blog.

Uit: Cannery Row

“On the black earth on which the ice plants bloomed, hundreds of black stink bugs crawled. And many of them stuck their tails up in the air. "Look at all them stink bugs," Hazel remarked, grateful to the bugs for being there.
"They're interesting," said Doc.
"Well, what they got their asses up in the air for?"
Doc rolled up his wool socks and put them in the rubber boots and from his pocket he brought out dry socks and a pair of thin moccasins. "I don't know why," he said. "I looked them up recently--they're very common animals and one of the commonest things they do is put their tails up in the air. And in all the books there isn't one mention of the fact that they put their tails up in the air or why."
Hazel turned one of the stink bugs over with the toe of his wet tennis shoe and the shining black beetle strove madly with floundering legs to get upright again. "Well, why do you think they do it?"
"I think they're praying," said Doc.
"What!" Hazel was shocked.
"The remarkable thing," said Doc, "isn't that they put their tails up in the air--the really incredibly remarkable thing is that we find it remarkable. We can only use ourselves as yardsticks. If we did something as inexplicable and strange we'd probably be praying--so maybe they're praying."
"Let's get the hell out of here," said Hazel.”
(…)

“Hazel used his trick. "They got no starfish there?"
"They got no ocean there" said Doc.
"Oh!" said Hazel and he cast frantically about for a peg to hang a new question on. He hated to have a conversation die out like this. He wasn't quick enough. While he was looking for a question Doc asked one. Hazel hated that, it meant casting about in his mind for an answer and casting about in Hazel's mind was like wandering alone in a deserted museum. Hazel's mind was choked with uncataloged exhibits. ...”

 

 
John Steinbeck (27 februari 1902 - 20 december 1968)
Affiche voor de film “Cannary Row” uit 1982

Lees meer...

Irwin Shaw, Vera Friedlander, N. Scott Momaday, Peter De Vries, Johannes Meinhold, Traugott Vogel

 

De Amerikaanse schrijver Irwin Shaw werd geboren op 27 februari 1913 als Irwin Gilbert Shamforoff in New York. Zie alle tags voor Irwin Shaw op dit blog.

Uit: The Young Lions

“When I went into the Army, I made up my mind that I was putting myself at the Army's disposal. I believe in the war. That doesn't mean I believe in the Army. I don't believe in any army. You don't expect justice out of an army, if you're a sensible, grown-up human being, you only expect victory. And if it comes to that, our Army is probably the most just one that ever existed. . . . I expected the Army to be corrupt, inefficient, cruel, wasteful, and it turned out to be all those things, just like all armies, only much less so than I thought before I got into it. It is much less corrupt, for example, than the German Army. Good for us. The victory we win will not be as good as it might be, if it were a different kind of army, but it will be the best kind of victory we can expect in this day and age, and I'm thankful for it.”
(…)

“This time it is not a simple, understandable war, within the same culture. This time it is an assault of the animal world upon the house of the human being. I don’t know what you saw in Africa and Italy, but I know what I saw in Russia and Poland. We made a cemetery a thousand miles long and a thousand miles wide. Men, women, children, Poles, Russians, Jews, it made no difference. It could not be compared to any human action. It could be compared to a weasel in a henhouse. It was as though we felt that if we left anything alive in the East, it would one day bear witness against us and condemn us. And, now, we have made the final mistake. We are losing the war.”

 

 
Irwin Shaw (27 februari 1913 – 16 mei 1984)
Scene uit de gelijknamige film uit 1958 met Montgomery Clift, Marlon Brando en Dean Martin

Lees meer...

Cynan Jones

 

De Welshe schrijver Cynan Jones werd geboren op 27 februari 1975 in Aberystwyth, Wales. Jones publiceerde zijn eerste roman “The Long Dry” in 2006. Tussen 2011 en 2014 publiceerde hij nog drie romans: “Everything I Found on the Beach”(2011), “Bird, Blood, Snow”(2012), en “The Dig”. In 2016 volgde nog “Cove”.Zijn werk is vertaald in diverse talen en zijn korte verhalen zijn verschenen in een aantal bloemlezingen en publicaties, zoals Granta en New Welsh Review. “The Long Dry” werd bekroond met een 2007 Betty Trask Award. “The Dig”, zijn meest recente roman, won in 2014 de Jerwood Fiction Uncovered Prize en de 2015 Wales Book of the Year Fiction Prize. Die roman stond ook op de longlist voor de 2014 Kirkus Prize in de VS. In 2014, Jones haalde de krantenkoppen voor het ontbreken van interpunctie in het grootste deel van de toespraak in zijn roman The Dig (en een paar andere korte verhalen). Het spreken en de ideeën van zijn personages werd gemarkeerd door middel van aanhalingstekens totdat John Freeman, redacteur bij het tijdschrift Granta, de aanhalingstekens verwijderde om een grotere directheid te bereiken. De auteur was het met hem eens over het effect van deze onconventionele werkwijze en schreef de rest van het boek op deze manier, met uitzondering van een gesprek tussen de hoofdpersoon en zijn moeder. In die passage gebruikte Jones de traditionele aanhalingstekens "to create a sense of a more conventional, staid dialogue."

Uit: The Dig

“The black lamb looked tired and beaten under the lamp.
It had not put on weight and he could make out the fingers of its ribs with the bloated milk-full stomach behind them. It was folded in the bottom of the box, but not with the folded comfortable way of a sleeping cat, more with the weak compliance of something sick beyond will.
Daniel picked up the small black lamb. His father would have simply dashed its head on the barn floor. He was not a hard man, but a pragmatist; but that kind of will wasn’t in Daniel. Despite the lamp the lamb felt cold, as if it could generate no heat of its own, and it was too light for itself and hung limply. It was as if he’d picked a jumper from the floor. It had a completely will-less passivity.
I don’t expect this of you, he said. I just want you to understand it. Sometimes you have to choose between a quick misery or a slow misery. He heard his father talking, saw him take the useless lamb from the box. You have to understand it as an option. There was a movement and the lamb hung dead from his father’s hand, a thin spittle of blood reaming from its mouth.
He heard the voice again. Heard his father, that there were the two miseries, and somewhere in him a vicious voice told him that his wife had no fear now of the worse, drawn-out misery that might have come. Hers had been the quick misery, the head dashed against the barn floor. He thought of his father stricken, becalmed by the stroke. He ignored the vicious little voice, as if it was something overheard he had no wish to know.
He rubbed the lamb, trying to bring some warmth into its muscles, the wrinkles of the loose skin riding under his hand like rolls of sock. There was the superstition that every flock should have a black lamb to sacrifice should the Devil come and it was to Daniel like the lamb was a victim of this.
He felt the lamb’s heartbeat under his hands. It was faint. A bare registry.
You need to live, he thought.
He picked up the lamb and carried it into the house.
He put it down in the porch and took off his boots and then went in and found a box and came back for the lamb.“

 

 
Cynan Jones (Aberystwyth, 27 februari 1975)

13:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: cynan jones, romenu |  Facebook |

26-02-16

Michel Houellebecq, Victor Hugo, Adama van Scheltema, George Barker, Hermann Lenz, Antonin Sova, Jean Teulé, Elias Annes Borger

 

De Franse dichter en schrijver Michel Houellebecq werd geboren in Réunion op 26 februari 1956. Zie ook alle tags voor Michel Houellebecq op dit blog.

Uit:Platform (Vertaald door Martin de Haan)

“Midden in een dronkenschap, vlak voor de totale versuffing, beleef je soms momenten van intense helderheid. De teloorgang van de seksualiteit in het Westen was onmiskenbaar een sociologisch verschijnsel van enorme omvang, het had geen zin dat te willen verklaren aan de hand van individuele psychologische factoren; toen ik een blik op Jean-Yves wierp, besefte ik dat hij een perfecte illustratie van mijn stelling vormde, het was bijna gênant. Niet alleen neukte hij niet meer en had hij ook geen tijd meer om het te proberen, erger nog, hij had er niet eens echt zin meer in, hij voelde het leven uit zijn lichaam wegvloeien, hij begon de geur van de dood te ruiken. ‘Toch…’ wierp hij na een lange aarzeling tegen, ‘heb ik gehoord dat er vrij veel belangstelling voor parenclubs is.’
‘Nee, die lopen juist steeds slechter. Er gaan veel nieuwe tenten open, maar die moeten binnen de kortste keren weer sluiten omdat ze geen klanten hebben. In feite zijn er in Parijs maar twee die overeind kunnen blijven, Chris et Manu en de 2 + 2, en ook die zijn alleen op zaterdagavond vol; voor een agglomeratie van tien miljoen inwoners is dat weinig, en het is veel minder dan begin jaren negentig. Partnerruil is leuk, maar de formule begint steeds meer uit de mode te raken, want de mensen hebben geen zin om wat dan ook te ruilen, laat staan hun partner, dat past niet meer bij de moderne mentaliteit. Volgens mij heeft het nu net zoveel overlevingskansen als het liften in de jaren zeventig. De enige categorie die momenteel echt in een behoefte voorziet, is de SM…’ Op dat moment wierp Valérie me een wanhopige blik toe en gaf me zelfs een schop tegen mijn schenen. Ik keek haar verbaasd aan, het duurde even voordat ik het begreep: nee, natuurlijk ging ik het niet over Audrey hebben; ik gaf een geruststellend knikje. Jean-Yves had de onderbreking niet eens opgemerkt.
‘Dus,’ vervolgde ik, ‘aan de ene kant zie je honderdduizenden westerlingen die alles hebben wat ze willen, maar geen seksuele bevrediging meer kunnen vinden: ze zoeken, ze zoeken onophoudelijk verder, maar ze vinden niets, en daar worden ze doodongelukkig van. Aan de andere kant zie je miljarden individuen die niets hebben, die omkomen van de honger, jong sterven, in erbarmelijke omstandigheden leven en niets anders meer hebben om te verkopen dan hun lichaam en hun onbedorven seksualiteit. Het is zo klaar als een klontje: dit is een ideale ruilsituatie. De poen die daarmee te halen valt is haast onvoorstelbaar: meer dan in de informatica, meer dan in de biotechnologie, meer dan in de media-industrie; er is geen enkele economische sector die de vergelijking kan doorstaan.’

 

 
Michel Houellebecq (Réunion, 26 februari 1958)

Lees meer...

25-02-16

Amin Maalouf, Aldo Busi, Gabriël Smit, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May, Lesja Oekrajinka, Vittoria Colonna

 

De Libanese (Franstalige) schrijver Amin Maalouf werd geboren in Beiroet, Libanon, op 25 februari 1949. Zie ook alle tags voor Amin Maalouf op dit blog.

Uit: De ontheemden (Vertaald door Marianne Gossije)

“Mijn voornaam verwijst naar het begin van de mensheid, maar ik hoor tot een groep mensen die uitsterft, zal Adam twee dagen voor de dramatische gebeurtenis in zijn dagboek noteren.
Ik heb nooit geweten waarom mijn ouders mij zo genoemd hebben. In mijn geboorteland kwam die voornaam nauwelijks voor, en vóór mij was er niemand in de familie met die naam. Ik vroeg het een keer aan mijn vader en hij antwoordde simpelweg: ‘Hij is de voorvader van ons allemaal!’, alsof ik dat niet wist. Ik was tien en ik stelde me tevreden met die uitleg. Misschien had ik hem, toen hij nog leefde, moeten vragen of die keuze een bepaalde bedoeling had, ingegeven was door een ideaal.
Het lijkt me wel. Volgens hem hoorde ik bij de grondleggers. Nu, op mijn zevenenveertigste, moet ik erkennen dat mijn missie niet voltooid zal worden. Ik zal niet de eerste van een geslacht zijn, ik zal de laatste zijn, de allerlaatste van mijn familie, de hoeder van al hun treurnis, hun desillusies en ook alles waarvoor ze zich schaamden. Op mij rust de afschuwelijke taak de gezichten te identificeren van degenen van wie ik hield, en dan te knikken zodat het laken er weer overheen getrokken kan worden. [...]
Ik ben degene die het licht moet uitdoen. En wanneer het mijn beurt is, zal ik vallen als een gevelde boom, zonder te hebben gebogen, en tegen ieder die het horen wil zal ik zeggen: ‘Ik heb gelijk, de Geschiedenis heeft het bij het verkeerde eind!’
Die hoogmoedige, absurde kreet klinkt voortdurend in mijn hoofd. Het zou trouwens het motto kunnen zijn voor de zinloze pelgrimstocht waar ik al tien dagen aan bezig ben.
Door terug te keren naar mijn overspoelde land dacht ik nog wat sporen van mijn verleden en van mijn familie te kunnen redden. Maar daar verwacht ik niet veel meer van. Wanneer je probeert de overstroming tegen te houden, loop je het gevaar deze juist te versnellen ... Toch heb ik geen spijt dat ik aan deze reis begonnen ben.”

 

 
Amin Maalouf (Beiroet, 25 februari 1949)

Lees meer...

24-02-16

Alain Mabanckou, Leon de Winter, George Moore, Erich Loest, Herman Maas, Luc Verbeke, Wilhelm Grimm

 

De Congolese dichter en schrijver Alain Mabanckou werd geboren op 24 februari 1966 in Congo-Brazzaville (Frans Congo). Zie ook alle tags voor Alain Mabanckou op dit blog.

Uit: Black Bazaar (Vertaald door Sarah Ardizzone)

“I told Roger the French-Ivorian I didn’t like sheep and that I had never seen any that colour.
“You mean there aren’t any sheep in your district, over there in the Congo?”
“Well yes, you will find some among the traders in Trois-Cents, but their sheep aren’t even white, they are all black, with patches sometimes, and you can’t go telling credible stories with sheep like that. And another thing, the traders chop them up and sell them as kebabs at night in the streets.”
“Fine, all right then, but in these stories of yours, have you at least got a sea and an old man who goes fishing with a young boy?”
I said no because the sea frightens me especially since, like a lot of people in our country, I went to see Jaws and had to leave The Rex before the end of the film.
Roger the French-Ivorian signalled to Willy for two more Pelforts.
“Fine, all right then,” he went on, “but in these stories of yours, have you at least got an old man who reads love stories in the middle of the bush?”
“Oh no, and anyway how would we get love stories to the heart of the bush? Back home it would be mission impossible, our interior is closed off. There is only one road that goes there, and it dates back to colonial times.”
“You have been independent for nearly half a century and you’re telling me there’s only one road? What the hell have you been doing in all that time? You’ve got to stop blaming those settlers for everything! The Whites cleared off and they left you everything including colonial homes, electricity, a railway, drinking water, a river, an Atlantic Ocean, a seaport, Nivaquine, antiseptic and a town centre!”
“It’s nothing to do with me, it’s our governments who are to blame. If they had at least resurfaced the road the settlers left us, then today your old man could be sent his love stories. But let me tell you, that colonial road is a scandal …”
“What is the matter, eh? Why is it a scandal? Are you against the settlers or what? I say we owe the settlers respect! Me, I’ve had enough of people talking through their hats when those settlers conscientiously got on with their job of delivering us from the darkness and bringing us civilisation. Did they have to do all that, eh? You do realise that they worked like lunatics? There were mosquitoes, devils, sorcerers, cannibals and green mambas, there was sleeping sickness, yellow fever, blue fever, orange fever, rainbow fever and goodness knows what else.”

 

 
Alain Mabanckou (Congo-Brazzaville, 24 februari 1966)

Lees meer...

23-02-16

César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner

 

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Hoe ik een non werd (Vertaald door Adri Boon)

“Mijn verhaal, het verhaal ‘hoe ik non werd’ begon al heel vroeg in mijn leven; ik was net zes geworden. Het begin is getekend door een levendige herinnering die ik tot in het kleinste detail kan reconstrueren. Daarvoor is er niets: daarna bleef alles zich aaneenrijgen in één enkele, lange ononderbroken herinnering, de onderbrekingen dat ik sliep inbegrepen, tot ik het klooster in ging.
We waren verhuisd naar Rosario. Mijn eerste zes jaar hadden wij – vader, moeder en ik – doorgebracht in een plaats in de provincie Buenos Aires, waarvan ik me niets herinner en waar ik nooit meer naar ben teruggekeerd: Coronel Pringles. De grote stad (want dat leek Rosario vergeleken met waar we vandaan kwamen) maakte diepe indruk op ons. Al na een paar dagen loste mijn vader een belofte in: met mij een ijsje gaan halen. Het zou voor mij het eerste ijsje zijn, want in Pringles bestonden ze niet. Hij, die in zijn jeugd steden had gekend, had meerdere malen de loftrompet gestoken over die traktatie, waaraan hij terugdacht als iets verrukkelijks en feestelijks, al kon hij de bekoring ervan niet onder woorden brengen. Hij had me er een heel accurate beschrijving van gegeven, als iets onvoorstelbaars voor een niet-ingewijde, en dat was voldoende volstond om ijs in mijn kinderlijke geest wortel te laten schieten, zo te laten groeien dat het een mythische omvang kreeg.
We liepen naar een ijssalon die we de vorige dag hadden gezien en gingen naar binnen. Hij bestelde een ijsje van vijftig centavo, met pistache, toffee en kumquat whisky, en voor mij een van tien centavo, met aardbeiensmaak. De roze kleur vond ik prachtig. Mijn dag kon niet meer stuk. Ik aanbad mijn vader, vereerde alles wat hij deed. We gingen op een bank zitten onder de bomen die destijds in het centrum van Rosario stonden: platanen. Ik keek toe hoe mijn vader het deed in een mum van tijd het groene bolletje had verorberd, nam toen uiterst voorzichtig een lepeltje ijs en stak het in mijn mond.
Zodra het eerste laagje op mijn tong smolt, begon ik me al ziek van ellende te voelen. Zoiets smerigs had ik nog nooit geproefd. Ik was nogal een moeilijke eter en de komedie van walging kende geen geheimen voor mij, maar dit overtrof alles wat ik ooit had meegemaakt; mijn grootste overdrijvingen, inclusief die welke ik mezelf nog nooit had toegestaan, waren ineens meer dan gerechtvaardigd. Heel even overwoog ik te doen alsof ik het lekker vond.”

 

 
César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

Lees meer...