03-08-15

Dolce far niente, Anna Enquist, Rupert Brooke, Radek Knapp, P. D. James, Marica Bodrozic, Leon Uris

 

Dolce far niente

 

 
Gezicht op het Centraal Station en het IJ door Jan Korthals, 1966

 

 

MONUMENT

'Deze metro gaat richting Centraal Station'
Het galmt. Mijn kleinzoon straalt. 'Oma,
ze zeggen het!' Het brandpunt van zijn wereld
ligt aan 't IJ. Roltrap. We stijgen op.

Hoofd in zijn korte nek, hand in mijn hand.
De treinen, trams, de bussen. Kleurige stenen,
torens met hun klokken, beelden en gouden slingers
aan de wand. Zo wordt de glorie van de stad

zijn hersens in geprent. Ik zie een pronkend
bouwsel dat de vluchtweg naar het water bruut
blokkeert. Sloopkogel, bomkanon? Kijk naar
zijn glad gezicht, aanvaard dit monument.

 

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
Het IJ bij het centraal station Amsterdam door Cornelis de Bruin (1870 – 1940)
Anna Enquist is momenteel stadsdichter van Amsterdam

Bewaren

Lees meer...

Leo J. Kryn

 

De Vlaamse schrijver, uitgever en boekhandelaar Leo Jan-Baptist Kryn werd geboren in Antwerpen op 3 augustus 1878. Na de humaniora te hebben doorlopen aan het Koninklijk Atheneum in Antwerpen, waar hij onder meer Pol De Mont als leraar had, werd hij bediende bij De Nederlandsche Boekhandel. Hij werd bevriend met heel wat jonge schrijvers en kunstenaars, onder meer met Willem Elsschot. In 1901 verhuisde hij naar Brussel en opende er in 1904 de eerste volledig Nederlandstalige boekhandel onder de naam De Vlaamsche Boekhandel. Hij werd ook uitgever en publiceerde werk van onder meer Lodewijk De Raet, Lodewijk Dosfel en Frank Baur. In 1914 vluchtte hij naar Engeland met zijn Engelse vrouw Katie Dickinson (1874-1954). Na zijn terugkeer stichtte hij de uitgeverij Onze Tijd. Hij gaf onder meer de eerste Nederlandse uitgave uit van de Belgische Grondwet. Hij publiceerde ook enkele fantastische verhalen waarvan hij de auteur was. In 1929 was hij medeoprichter van de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boekwezen. Hij was er van 1931 tot aan zijn dood de voorzitter van. Hij was van 1929 tot 1940 ook redacteur bij het Beknopt Verslag van de Belgische Senaat. Na zijn dood werd zijn uitgeverij overgenomen door Angèle Manteau. Zij stichtte, samen met Katie Dickinson, in 1942 de Leo J. Krynprijs voor literatuur.

 Uit: De man met den baard

“Zoowat dertig, veertig jaar geleden, woonde er te Antwerpen een man, en die had een baard. Maar
't was geen gewone baard zoo-als men er dagelijks zag: het was een heele fijne, een heel bijzondere, een hoogst fatsoenlijke baard.
Het is dus zeer natuurlijk dat iedereen dien man bewonderde, hem en zijn baard, dat de vrouwen verliefd naar hem keken en de mannen hem benijdden. Velen dezer laatsten hadden dan ook hun onbenullige baardjes laten afscheren bij het zien van dien glorierijken baard; en vele vrouwen hadden den lust gevoeld den Man om den hals to vliegen, zoo midden op straat, zijn baard te kussen en met volle handen te woelen~ in het gouden haar.
Het was den Man aan te zien dat hij volkomen bewust was van de gevoelens die hij in de harten van anderen deed ontvlammen, want hij wandelde altijd fier en erg voornaam, zijn baard wuivend voor zich uitdrijvend. Grootmoedig, ietwat beschermend en aanmoedigend, zag hij veer op de vele vrouwen en meisjes die hem lonkend voorbij gingen; maar zijn glimlach bleef altijd statig, zoo-als dat paste aan een man met zoo'n baard.
Toentertijd woonden er ook twee tooverheksen in Antwerpen. De eerste van die twee woonde in een groot huis met dubbele koetspoort in de Huidevettersstraat, en daar ontving zij haar talrijke aanbidders. Zij was niet mooi, maar door haar helsche middelen gelukte zij erin zich te doen liefhebben door al wie in haar behagen stond. En nu had zij besloten het hart van den Man met den Baard te winnen, en het spreekt vanzelf dat dit haar moest gelukken, vermits zij een tooverheks was.
Maar onder al de meisjes die op den Man met den Baard verliefd geraakten, was er een dat al gedaan had wat welvoeglijklaeidshalve kon gedaan worden om de aandacht van den grooten Man te trekken. Maar zij slaagde niet. Hij was toch zoo gewoon dat alle vrouwen naar hem opkeken als naar een god, dat er waarlijk geen reden was waarom hij meer zou gelet hebben op de smachtende, doch eerbiedige blikken van deze juffrouw.”

 

 
Leo J. Kryn (3 augustus 1878 - 4 april 1940)

17:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: leo j. kryn, romenu |  Facebook |

02-08-15

Dolce far niente, Albert Verwey, James Baldwin, Isabel Allende, Philippe Soupault

 

Dolce far niente

 

 
Zeelandschap in de morgen, Simon de Vlieger, 1640-45

 

 

De Noordzee

De Noordzee doet zijn gore golven dreunen
En laat ze op 't strand in lange lijnen breken.
Zijn voorjaarswater marmren groene streken
En schuim en zwart waaronder schelpen kreunen

Zie van 't balkon mij naar den einder leunen
Met ogen die sinds lang zo wijd niet keken:
Een droom in 't hart is me eer ik 't wist ontweken
En 't oog wil buiten me op iets komends steunen.

Hoe ben ik altijd weer vervuld, verlaten:
Vervuld van liefde en hoop en schoon geloven;
Verlaten als mijn dromen mij begeven.

Maar dan komt, o Natuur, langs alle straten,
Uw kracht, uw groei, uw dreiging, uw beloven -
Hoe klopt mijn hart van nieuw, van eeuwig leven.

 

 
Albert Verwey (15 mei 1865 - 8 maart 1937)
Zicht op de Montelbaanstoren te Amsterdam, gezien vanaf de Sint Antoniesluis
door Cornelis Vreedenburgh, 1920. Verwey werd geboren in Amsterdam

Lees meer...

Ernest Dowson

 

De Engelse dichter Ernest Christopher Dowson werd geboren op 2 augustus 1867 in Lee, een wijk in het zuidoosten van Londen. Zijn kinderjaren en jeugd bracht Ernest Dowsen voornamelijk buiten Engeland door. Zijn vader woonde voornamelijk in Frankrijk en aan de Riviera. In 1886 ging hij naar het Queen's College, Oxford, waar hij ongeveer anderhalf jaar studeerde en vertrok vervolgens naar Londen. Met uitzondering van zijn laatste levensjaren bracht hij het grootste deel van zijn tijd in Frankrijk door. Dowson overleed op 23 februari 1900 in Catfort (zuidoostelijk deel van Londen). Hij werd begraven op de rooms-katholieke begraafplaats van Lewisham. Dowsons was een gesleten persoonlijkheid, het was een zachtaardige man, beleefd, elegant, onbaatzuchtig - aan de andere kant vaak onder invloed van alcohol ronduit krankzinnig en totaal onverantwoord. Zijn vader had hem een ​​oude dok in het Oosten van Londen nagelaten, waar hij in een vervallen huis woonde en een frequente gast in de vele kroegen aan de haven was. Dit leven in de pubs en arme wijken werd in Parijs, Dieppe en Brussel voortgezet. Toen zijn gezondheid verslechterde keerde hij terug naar Londen. In de laatste weken van zijn leven nam een vriend hem op in een slechte woning. In 1894, nadat zijn vader aan tuberculose was overleden en zijn moeder zich had opgehangen, bekeerde hij zich tot het katholicisme, - Maar misschien was de aanleiding ook een ongelukkige liefdesaffaire. De liefde voor een meisje, waarvoor hij het grootste deel van zijn verzen schreef bleef onvervuld. Dowson heeft een klein poëtisch oeuvre nagelaten. In 1896 verscheen de kleine bundel “Verses”, in 1897 “The Pierrot of the minute : a dramatic phantasy in one act” en in 1899 “Decorations in Verse and Prose”. Naast deze gedichtbundels hij een klein bundel korte verhalen en ander proza. Samen met Arthur Moore schreef hij twee romans. Hij vertaalde « Pucelle » van Voltaire en van Choderlos de Laclos « Les Liaisons Dangereuses ». Aubrey Beardsley ïllustreerde Dowsons “The Pierrot of the minute”.  Dowson werd zeer gewaardeerd door Stefan George. Hij droeg zijn gedicht “Juli-Schwermut” aan hem op en vertaalde drie van zijn gedichten in het Duits. Arnold Schoenberg zette het gedicht “Séraphita” op muziek.

 

Non Sum Qualis Eram Bonae Sub Regno Cynarae

Last night, ah, yesternight, betwixt her lips and mine
There fell thy shadow, Cynara! thy breath was shed
Upon my soul between the kisses and the wine;
And I was desolate and sick of an old passion,
Yea, I was desolate and bowed my head:
I have been faithful to thee, Cynara! in my fashion.

All night upon mine heart I felt her warm heart beat,
Night-long within mine arms in love and sleep she lay;
Surely the kisses of her bought red mouth were sweet;
But I was desolate and sick of an old passion,
When I awoke and found the dawn was gray:
I have been faithful to thee, Cynara! in my fashion.

I have forgot much, Cynara! gone with the wind,
Flung roses, roses riotously with the throng,
Dancing, to put thy pale, lost lilies out of mind;
But I was desolate and sick of an old passion,
Yea, all the time, because the dance was long:
I have been faithful to thee, Cynara! in my fashion.

I cried for madder music and for stronger wine,
But when the feast is finished and the lamps expire,
Then falls thy shadow, Cynara! the night is thine;
And I am desolate and sick of an old passion,
Yea, hungry for the lips of my desire:
I have been faithful to thee, Cynara! in my fashion.

 

 

Seraphita

Come not before me now, O visionary face!
Me tempest-tost, and borne along life's passionate sea;
Troublous and dark and stormy though my passage be;
Not here and now may we commingle or embrace,
Lest the loud anguish of the waters should efface
The bright illumination of thy memory,
Which dominates the night; rest, far away from me,
In the serenity of thine abiding place!

But when the storm is highest, and the thunders blare,
And sea and sky are riven, O moon of all my night!
Stoop down but once in pity of my great despair,
And let thine hand, though over late to help, alight
But once upon my pale eyes and my drowning hair,
Before the great waves conquer in the last vain fight.

 

 

To One In Bedlam

With delicate, mad hands, behind his sordid bars,
Surely he hath his posies, which they tear and twine;
Those scentless wisps of straw, that miserably line
His strait, caged universe, whereat the dull world stares,

Pedant and pitiful. O, how his rapt gaze wars
With their stupidity! Know they what dreams divine
Lift his long, laughing reveries like enchanted wine,
And make his melancholy germane to the stars'?

O lamentable brother! if those pity thee,
Am I not fain of all thy lone eyes promise me;
Half a fool's kingdom, far from men who sow and reap,
All their days, vanity? Better than mortal flowers,
Thy moon-kissed roses seem: better than love or sleep,
The star-crowned solitude of thine oblivious hours!

 

 
Ernest Dowson (2 augustus 1867 – 23 februari 1900)

Bewaren

18:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ernest dowson, romenu |  Facebook |

Kristine Bilkau

 

De Duitse schrijfster Kristine Bilkau werd geboren op 2 augustus 1974 in Hamburg, Zij studeerde geschiedenis in Hamburg en New Orleans. In 2008 was zij finaliste in de literaire competitie Open Mike in Berlijn. In 2009 ontving zij een beurs van de schrijverswerkplaats van het Literair Colloquium Berlin (LCB). In 2010 ontving zij een beurs van het kunstenaarsdorp Schöppingen. In 2013 kreeg zij de Hamburg Literatuurprijs. In het voorjaar van 2015 publiceerde ze haar eerste roman, "Die Glücklichen" en werd een van de meest succesvolle debutanten van het jaar. Bilkau ontving de Klaus-Michael Kuehne-prijs en de Franz-Tumler Literatuurprijs en werd genomineerd voor de aspekte-literatuurprijs.. Zij woont met haar gezin in Hamburg.

Uit:Die Glücklichen

“Es ist dunkel und der Abendverkehr schiebt sich langsam durch die Straße vor dem Haus, die Lichter der Autos schimmern hinter dem Plastikvorhang, die gesamte Außenwelt verschwimmt hinter der Plane und dem Baugerüst. Ein Zustand, der sie nicht son­ derlich stört, im Gegenteil, der gar nicht so schlecht ist, wie die Nachbarn finden, die im Treppenhaus nörgeln, wie lange denn noch. Die milchige Hülle macht die Wohnung zu einem verborgenen Raum, sie verbreitet ein Höhlenge­ fühl. Tagsüber filtert sie das Licht und lässt es geschwächt in die Zimmer, nachts ist sie wie ein schützender Man­ tel. Isabell stellt sich ihren Ahornbaum hinter dem Gerüst vor. Die feinen Anzeichen der Jahreswechsel bemerkt sie an ihm zuerst; wenn sich an den Zweigen Knospen bilden und Tage später hellgrüne Spitzen, wenn sich die Blätter rot und gelb färben und nach drei, vier stürmischen Näch­ ten die Äste kahl sind, und sie Georg mitteilen kann: Wir haben Frühling; bald ist Winter. Während sie die Plane be­ trachtet, sieht sie den Baum in all seinen Details vor sich. Das handtellergroße, gezackte Ahornblatt löst sich wie zu­ fällig von seinem Zweig und fällt langsam, kreiselnd, vom Wind getragen. Sie hat ihre Straße vor dem Auge, die Fas­ saden in Hellblau, Lindgrün und aufreizendem Himbeer­ rot mit weißen Ornamenten, nach und nach herausgeputzt während der letzten Jahre. Dazwischen, wie kümmerliche Provisorien, Häuser aus stadtschmutzigem Gelbklinker. Gegenüber die Hutmacherei und der Feinkostladen mit seinem Bistro, daneben das kleine Geschäft, in dem es überteuerte, schöne Dinge gibt: Rosenseife aus ­Portugal, Alpaka-Decken aus Norwegen, Strickpullis einer südfran­ zösischen Manufaktur. Die hohen Fenster des Yogastudios im ersten Stock, darin am späten Nachmittag die ­Umrisse der Körper, ihre synchronen Bewegungen im warmen Licht. Die Zweige der hochgewachsenen Bäume über den Dächern der parkenden Autos. Alles, ihr Zuhause.
Sie reißt einen kleinen Zettel in Hälften und beginnt zu schreiben.
Meine Hände werden nicht zittern.
Mit geschwungener Schrift notiert sie den Satz. Das Ganze hat etwas Lächerliches, Kindisches, aber sie kann nicht anders."

 

 
Kristine Bilkau (Hamburg, 2 augustus 1974)

17:49 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: kristine bilkau, romenu |  Facebook |

Jussi Adler-Olsen

 

De Deense schrijver Carl Henry Valdemar Jussi Adler-Olsen werd geboren op 2 augustus 1950 in Kopenhagen. Jussi Adler-Olsen, zoon van een psychiater. Hij studeerde geneeskunde, sociologie, politicologie en geschiedenis en filmwetenschap en werkte in diverse functies, waaronder als Managing Director bij uitgeverijen, als redacteur en alscomponist. Vervolgens werkte hij als coördinator van het Deense vredesbeweging, in het bestuur van DK Technologies A / S in Kopenhagen en avn Solarstocc AG in Kempten. In 1997 verscheen zijn eerste thriller Alfabethuset die in Nederland als Het Alfabethuiswerd uitgebracht (2000) en dat veel bestsellerlijsten veroverde. Hetzelfde geldt voor zijn twee internationaal georiënteerde thrillers “And She Thanked the Gods” en “The Washington Decree”. De doorbraak in zijn geboorteland Denemarken kwam in 2007 met de roman “Kvinden i Buret” ("De vrouw in de kooi"), de eerste zaak voor Carl Mørck van de speciale afdeling Q. Sinds de verschijning van de bestseller Fasandræberne (“Defazantenmoordenaars), de tweede aflevering van de serie rond Mørck wordt Adler-Olsen beschouwd als de best verkopende Deense misdaadschrijver. Zijn boeken zijn in meer dan 40 talen vertaald met een totale oplage van meer dan 10 miljoen exemplaren.
 

Uit:The Hanging Girl (Vertaald door William Frost)

“November 20th, 1997
She saw grey hues everywhere. Flickering shadows and gentle darkness covered her like a blanket and kept her warm.
In a dream, she had left her body, hovering in the air like a bird. No, even better, like a butterfly. Like a multicolored fluttering piece of art, put in the world only to spread happiness and wonder. Like a hovering being high up between heaven and earth whose magic dust could awaken the world to endless love and happiness.
She smiled at the thought. It was so beautiful and pure.
Now the ceaseless darkness above her fought with dim glints like distant stars. It felt good, almost like a pulse conducting the sound of wind and rustling leaves.
She couldn’t move at all but she didn’t want to anyway or she’d wake from the dream, and reality would suddenly kick in, and then the pain would come and who would want that?
Now a myriad of images appeared from life-giving times. Small glimpses of her and her brother hopping out over the sand dunes, parents shouting that they should stop. Stop!
Why was it always stop? Wasn’t it there in the dunes that she’d felt free for the first time?
She smiled as beautiful beams of light slid under her like streams of mareel. Not that she had ever seen the milky sea effect before, but it must be like that. Mareel or liquid gold in deep valleys.
Where was it she’d come to?
Wasn’t it a thought of freedom? Yes, that must be it because she’d never felt as free as she did just now. A butterfly that was simply its own master. Light and inquisitive with beautiful people around who didn’t tell her off. Creative hands in all directions, pushing her forward and only wishing the best for her. Songs that lifted her and which had never been sung before.
She sighed momentarily and smiled. Allowed her thoughts to take her everywhere and nowhere all at once.
Then she remembered school and the bike, the icy cold morning and not least her chattering teeth.
And just in that moment, when reality rushed in, and her heart finally gave up, she also remembered the crack when the car hit her, the sound of bones breaking, the branches of the tree that caught her, the meeting that . . .“

 

 
Jussi Adler-Olsen (Kopenhagen, 2 augustus 1950)

17:05 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jussi adler-olsen, romenu |  Facebook |

01-08-15

Dolce far niente, William Shakespeare, A. E. Housman, Friedrich Schiller, Gerrit Krol

 

Dolce far niente – Canal Parade

 

 
Gay Pride 2015, Amsterdam

 

 

Sonnet 104 - To me, fair friend, you never can be old

To me, fair friend, you never can be old,
For as you were when first your eye I ey'd,
Such seems your beauty still. Three winters cold,
Have from the forests shook three summers' pride,
Three beauteous springs to yellow autumn turn'd,
In process of the seasons have I seen,
Three April perfumes in three hot Junes burn'd,
Since first I saw you fresh, which yet are green.
Ah! yet doth beauty like a dial-hand,
Steal from his figure, and no pace perceiv'd;
So your sweet hue, which methinks still doth stand,
Hath motion, and mine eye may be deceiv'd:
For fear of which, hear this thou age unbred:
Ere you were born was beauty's summer dead.

 

 
William Shakespeare (23 april 1564 – 23 april 1616)
Joseph Fiennes als de jonge Shakespeare in de film Shakespeare in Love, 1998

 

 

You smile upon your friend to-day

You smile upon your friend to-day,
To-day his ills are over;
You hearken to the lover's say,
And happy is the lover.

'Tis late to hearken, late to smile,
But better late than never;
I shall have lived a little while
Before I die for ever.

 

 
A. E. Housman (26 maart 1859 – 30 april 1936)

 

 

Die Freundschaft

Freund! genügsam ist der Wesenlenker -
Schämen sich kleinmeisterische Denker,
    Die so ängstlich nach Gesetzen spähn -
Geisterreich und Körperweltgewühle
Wälzet eines Rades Schwung zum Ziele;
    Hier sah es mein Newton gehn.

Sphären lehrt es, Sklaven eines Zaumes,
Um das Herz des grossen Weltenraumes
    Labyrinthenbahnen ziehn -
Geister in umarmenden Systemen
Nach der grossen Geistersonne strömen,
    Wie zum Meere Bäche fliehn.

War's nicht dies allmächtige Getriebe,
Das zum ew'gen Jubelbund der Liebe
    Unsre Herzen an einander zwang?
Raphael, an deinem Arm - o Wonne!
Wag' auch ich zur grossen Geistersonne
    Freudigmuthig den Vollendungsgang.

Glücklich! glücklich! dich hab' ich gefunden,
Hab' aus Millionen dich umwunden,
    Und aus Millionen mein bist du -
Lass das Chaos diese Welt umrütteln,
Durcheinander die Atomen schütteln;
    Ewig fliehn sich unsre Herzen zu.

Muss ich nicht aus deinen Flammenaugen
Meiner Wollust Wiederstrahlen saugen?
    Nur in dir bestaun' ich mich -
Schöner malt sich mir die schöne Erde,
Heller spiegelt in des Freunds Geberde
    Reizender der Himmel sich.

Schwermuth wirft die bangen Thränenlasten,
Süsser von des Leidens Sturm zu rasten,
    In der Liebe Busen ab;
Sucht nicht selbst das folternde Entzücken
In des Freunds beredten Strahlenblicken
    Ungeduldig ein wollüst' ges Grab?

Stünd' im All der Schöpfung ich alleine,
Seelen träumt' ich in die Felsensteine,
    Und umarmend küsst' ich sie -
Meine Klagen stöhnt' ich in die Lüfte,
Freute mich, antworteten die Klüfte,
    Thor genug! der süssen Sympathie.

Todte Gruppen sind wir - wenn wir hassen,
Götter - wenn wir liebend uns umfassen!
    Lechzen nach dem süssen Fesselzwang -
Aufwärts durch die tausendfachen Stufen
Zahlenloser Geister, die nicht schufen,
    Waltet göttlich dieser Drang.

Arm in Arme, höher stets und höher,
Vom Mongolen bis zum griech'schen Seher,
    Der sich an den letzten Seraph reiht,
Wallen wir, einmüth'gen Ringeltanzes,
Bis sich dort im Meer des ew'gen Glanzes
    Sterbend untertauchen Mass und Zeit. –

Freundlos war der grosse Weltenmeister,
Fühlte Mangel - darum schuf er Geister,
    Sel'ge Spiegel seiner Seligkeit!
Fand das höchste Wesen schon kein gleiches,
Aus dem Kelch des ganzen Seelenreiches
    Schäumt ihm - die Unendlichkeit.

 

 
Friedrich Schiller (10 november 1759 - 9 mei 1805)
Borstbeeld in Rudolstadt

Lees meer...

Mehis Heinsaar

 

De Estse schrijver Mehis Heinsaar werd geboren op 1 augustus 1973 in Tallinn in 1973. Hij bezocht de middelbare school in Tallinn en studeerde van 1992 tot 2000 Estse literatuur aan de universiteit van Tartu. In 1996 richtte hij in Tartu met o.a. Kalju Kruusa, Kristiina Ehin en Timo Maran de groep Erakkond2 die zichzelf echter niet als een literaire groep beschouwt. Heinsaar heeft honderden verhalen geschreven en gepubliceerd in tijdschriften of kranten, verzameld in vijf bundels. Hij waagde zich ook aan een roman en schreef poëzie en theaterstukken. Zijn verzamelde gedichten verschenen in 2009. Zijn roman” Het verhaal van Artur Sandman of de reis naar de andere kant van zichzelf” kende een gemengde ontvangst. Hij zelf zei in 2008 dat hij "misschien te jong was om deze roman te schrijven, maar dat hij wel moest. Zijn stukken zijn opgevoerd in het studententheater in Tartu (2002,2003, 2009).

Uit: Butterfly Man (Vertaald door Tiina Randviir)

“As he touched the door handle, something in Anselm snapped and separated from him in the form of a swarm of butterflies, scattering in all directions around the director’s office. Anselm turned deathly pale and started to flap his arms about, trying to catch the fluttering creatures. In the process he smashed a few vases and an aquarium with a few goldfish in it. The butterflies he caught he stuffed into his mouth, casting wild glances towards the director who was standing petrified, watching the conjurer’s every move.
“I usually have lunch at this time,” was Anselm’s stupid explanation. “And I want to keep to my meal times.” Realising how feeble this sounded, the conjurer fled from the room. As he ran downstairs, he heard someone panting behind him, and ran faster. At the front door, however, the director caught up with the fugitive. “Hey – what’s the big hurry? What you just showed me, all those butterflies – that
was brilliant!”
“... Oh, please, don’t mock my disability,” interrupted Anselm. “I’ve suffered enough already. It’s always the same, every time I experience a strong emotion, these creatures start flying off my body. I was bullied at school for it, and my relatives, even my parents, saw me as some kind of freak although
I’ve always been of perfectly sound mind. Only a maniac biologist once took a perverse interest in my phenomenon, actually she became my mistress in order to examine me more thoroughly. Among my body butterflies she found marsh carpets and bagworm moths, but she took a particular fancy to
the purple emperors who emerged when I experienced physical ecstasy. She counted over five hundred species, each supposedly indicating a particular mood of mine. I finally got fed up with her nonsense and sent her packing. So now you know.”
“But it’s simply fantastic!” exclaimed the director, overjoyed. “Your biologist was a gem and you, my dear young friend, are a great magician. Tomorrow you will be our star attraction – if you’re happy with that, of course – and your salary will be tripled. Come and meet your wonderful colleagues who will
show you your quarters.” The flushed director dragged Anselm to the back rooms and pressed an unexpectedly large sum of money into his hand. “This is an advance. Irmgiird!” he yelled. “Come and show our young magician his new home!” The director made a slight bow and left.”

 

 
Mehis Heinsaar (Tallinn, 1 augustus 1973)

17:55 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: mehis heinsaar, romenu |  Facebook |

31-07-15

Dolce far niente, Henry Lawson, Cees Nooteboom, Wouter Godijn, Grand Corps Malade

 

Dolce far niente

 

 
Gleaming Waters door Henry Scott Tuke, 1910

 

 

The Days When We Went Swimming

The breezes waved the silver grass,
Waist-high along the siding,
And to the creek we ne'er could pass
Three boys on bare-back riding;
Beneath the sheoaks in the bend
The waterhole was brimming -
Do you remember yet, old friend,
The times we 'went in swimming'?

The days we 'played the wag' from school -
Joys shared - and paid for singly -
The air was hot, the water cool -
And naked boys are kingly!
With mud for soap the sun to dry -
A well planned lie to stay us,
And dust well rubbed on neck and face
Lest cleanliness betray us.

And you'll remember farmer Kutz -
Though scarcely for his bounty -
He leased a forty-acre block,
And thought he owned the county;
A farmer of the old world school,
That grew men hard and grim in,
He drew his water from the pool
That we preferred to swim in.

And do you mind when down the creek
His angry way he wended,
A green-hide cartwhip in his hand
For our young backs intended?
Three naked boys upon the sand -
Half buried and half sunning -
Three startled boys without their clothes
Across the paddocks running.

 

 
Henry Lawson (17 juni 1867 – 2 september 1922)
Als 14-jarige in 1881

Lees meer...

30-07-15

Dolce far niente, Israël Querido, Patrick Modiano, Emily Brontë, Cherie Priest, Martijn Simons

 

Dolce far niente

 

 
Brouwersgracht, Jordaan, tegenwoordig

 

Uit: De Jordaan: Amsterdamsch epos

“- Ze bescholden en teisterden elkaar en konden toch noóit zonder elkaar. Het jonge volk had de meest zorgelooze pret. Schuine pet, roode of geruite stropdas en spuuglok, ontmoetten blooten kop, fluweelen jak en baaien rok, en niet één zou hebben willen ruilen voor meheertjes met branieboorden of medammetjes met platheupen. Ze bevochtigden hun woeste of zinlijk-tartende gesprekken met zuursap van augurken, of bezogen ijswafels, en in geen stad ter wereld knauwden de kerels en jongens hun wijven en meisjes zóó wreed en beulig als in den Jordaan, in opzichtige luidruchtigheid en schaamteloos kabaal. Zelfs het liefde-gestoei der jongens was één lomp-neerploffend, zinnelijk-hardhandig gebof op borsten en dijen, hoofden en armen der meiden. En over al het geminnekoos en het wreed gebeuk werd nágebabbeld. - Ook Neeltjes nerinkje was beruchte verzamelplaats voor buurpraat en voor overden-hekel-halerij. -
- Juyst!.... schoot met opgewonden stem een garnalen-pelster uit, nauw merkende dat Neel haar een pond rijst in de handen had geduwd.... d'r mèn hep 'n tèk fèn 't lireum,.... Kris Hàrdebol is 'r 'n draugie bei.... sau'n nèthèls....
Er gloeide weer kwaadsprekende hittigheid in haar zinnen. Haar dikke, doorsproetelde huid verplooide bij de neerzinkende mondhoeken viezige trekjes; trekjes van weerzin en wantrouwelijkheid.
- Nou maàde.... ik set de spèt.... as maàn keirel komp en hèi fint me nie, kraàg ik de duufel op 'n printje.... aju!
Een wit-jak sprong haastig den winkel uit. Allen hadden wat ze wilden, maar plakken deden ze toch.”

 

 
Israël Querido (1 oktober 1872 - 5 augustus 1932)
Brouwersgracht, vroeger

Lees meer...

29-07-15

Dolce far niente, Theo Thijssen, Guillermo Martínez, Harry Mulisch, Chang-Rae Lee

 

Dolce far niente

 

 
Bloemstraat met de Westertoren in Amsterdam door Jan Korthals (1916 - 1972)

 

Uit: Jongensdagen

““Terwijl de jongens hun dikke boterhammen opsmulden, praatten ze over de uitbreng-klanten.
Hun vader was al eenige jaren dood; moe had nu een kruidenierswinkel met brooddepôt; elken morgen moesten er een vijf-en-twintig brooden worden rondgebracht; dat deden de jongens altijd natuurlijk; de eene week Henk de ‘verre’, de andere week Ko. En 's Woensdagsmiddags, als er geen school was, moest één van beiden een mand kruidenierswaren brengen naar nicht Simons, die wel een klein uur ver woonde.
‘Jij hebt de verre,’ merkte Ko op.
‘Jij moet vanmiddag naar nicht Simons,’ zei Henk terug.
Maar ze waren in een véél te goed humeur om er ruzie over te maken.
‘Voor mijn part moet ik vanochtend alle klanten loopen,’ sprak Ko, ‘tijd zat hé.’
En Henk was even inschikkelijk: ‘Nou; wil ik ze allemaal doen?’ stelde hij voor.
‘Och nee,’ kwam Ko weer, ‘maar weet je wàt? Ga mee vanmiddag sàmen naar nicht Simons. Jà?’
Henk keek wantrouwig. ‘En het geld dan?’ vroeg hij, want nicht Simons had de gewoonte aan den brenger van haar boodschappen een paar centen te geven. Ko aarzelde even; toen antwoordde hij: ‘Oók samen.’ ‘Goed dan,’ beloofde Henk.
Ze hadden hun brood op; Ko liep fluitend naar voren: Henk ging even kijken, of zus Miep nog niet wakker was. Maar ze sliep nog. ‘Lekker dier!’ mompelde Henk; en hij gaf haar een zoen en holde weg, óók naar den winkel. Er was geen ‘volk’.
Moe pakte een mand vol met brood, en deed er een doek over. Ko nam de mand van de toonbank, en liep vroolijk de deur uit. Hij ging de klanten op de gracht en om den hoek ‘doen’. ‘Kruier krijg je nog van gisteren óók!’ riep Moe hem na.
Toen kreeg Henk ook zijn deel; zorgvuldig telde hij de brooden in zijn mand na, en noemde de klanten op: ‘Ouë juffrouw één, dokter drie, 't Hoffie twee....’ En hij stapte ook weg. Moe ging naar achteren.”

 

 
Theo Thijssen (16 juni 1879 - 23 december 1943)
De Frans Halsstraat waar Thijssens moeder korte tijd een brooddepot had.

Lees meer...

Walter van den Berg

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijver Walter van den Berg werd geboren in Amstelveen in 1970. Hij heeft een jaar Nederlands gestudeerd op de UvA. Ook heeft hij een jaar de Rietveld Academie bezocht. Na verschillende baantjes als onder meer fietskoerier, graveur, vakkenvuller, schoonmaker, automatiseerder en conciërge, publiceerde hij in 2004 zijn debuutroman, getiteld “De hondenkoning”. Zijn tweede roman, “West”, gaat over een broederstrijd in Osdorp. In 2013 kwam zijn derde roman uit, getiteld “Van dode mannen win je niet”.

Uit: Van dode mannen win je niet

“Je moeder knipte mannen voor geld.
Ik weet niet of ze weer is gaan knippen toen jullie verdwenen waren, jij en je moeder, want ze was niet heel erg goed, alleen maar goedkoop. Je hoefde niet veel te verwachten van een knipbeurt van je moeder. Iemand had me dat verteld, dat je voor een tientje bij haar thuis geknipt werd en dat ze nog een lekker wijf was ook, maar dat je van de knipbeurt niet veel hoefde te verwachten.
Ik verwachtte ook niet veel, maar ik kon het wel met haar vinden tijdens het knippen. Ik wist dat dat bij haar werk hoorde, aardig zijn tegen je klanten, maar ik was beter in een praatje maken dan de
gemiddelde klant, dus zij kon het ook met mij vinden.
Ik had tijdens die eerste keer gevraagd of ze van lekker eten hield, en ja, natuurlijk hield ze van lekker eten, maar ze kookte niet zo vaak, zei ze, in de keuken hier werd meer geknipt dan gekookt. Dus ik had een paar dagen later een pan met goeie hachee langsgebracht, en een zak aardappelen, en die had ik in jullie keuken neergezet. Ik zei dat ze vanavond lekker eten zou hebben en dat ze alleen zelf de aardappelen moest schillen, en ik zei dat ik later die week de pan weer op zou halen.
Dus een paar dagen later kwam ik weer, en we dronken wat biertjes in de keuken, en ik nam de pan mee, en je moeder zei dat ze hoopte dat ze me snel weer zou zien.
Een week later zei ze dat ze het wel in me zag zitten. Zo zei ze het: ik zie het wel inje zitten.
Jullie woonden in die flat in Slotervaart en je vader was twee jaar dood.
Toen ik een paar maanden met je moeder was, mocht ik mee naar een feestje om jullie familie te ontmoeten, en ik voelde me er niet helemaal lekker over - op dat soort feestjes liepen altijd wel een of twee slimmeriken rond. Ik had een beetje bij je moeder gevist of jullie slimmeriken in de familie hadden, wie vond je moeder leuk, wie niet, en waarom dan niet, en met wie zou ik het volgens haar goed kunnen vinden, en met wie niet?”

 

 
Walter van den Berg (Amstelveen, 1970)

17:33 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: walter van den berg, romenu |  Facebook |

28-07-15

Dolce far niente, Robert Frost, Remco Campert, Malcolm Lowry, Gerard Manley Hopkins

 

Dolce far niente

 

 
Evening After a Storm door Frederic Edwin Church, 1849

 

 

A Line-Storm Song

The line-storm clouds fly tattered and swift,
The road is forlorn all day,
Where a myriad snowy quartz stones lift,
And the hoof-prints vanish away.
The roadside flowers, too wet for the bee,
Expend their bloom in vain.
Come over the hills and far with me,
And be my love in the rain.

The birds have less to say for themselves
In the wood-world’s torn despair
Than now these numberless years the elves,
Although they are no less there:
All song of the woods is crushed like some
Wild, easily shattered rose.
Come, be my love in the wet woods; come,
Where the boughs rain when it blows.

There is the gale to urge behind
And bruit our singing down,
And the shallow waters aflutter with wind
From which to gather your gown.
What matter if we go clear to the west,
And come not through dry-shod?
For wilding brooch shall wet your breast
The rain-fresh goldenrod.

Oh, never this whelming east wind swells
But it seems like the sea’s return
To the ancient lands where it left the shells
Before the age of the fern;
And it seems like the time when after doubt
Our love came back amain.
Oh, come forth into the storm and rout
And be my love in the rain.

 

 
Robert Frost (26 maart 1874 – 29 januari 1963)
San Francisco, Market Street door Thomas Kinkade, z.j.
Robert Frost werd geboren in San Francisco.

Lees meer...

In Memoriam Sybren Polet

 

In Memoriam Sybren Polet

De Nederlandse dichter en schrijver Sybren Polet is op 19 juli op 91-jarige leeftijd overleden. Dat heeft zijn uitgeverij vandaag bekend gemaakt. Sybren Polet (pseudoniem van Sybe Minnema) werd geboren in Kampen op 19 juni 1924. Zie ook alle tags voor Sybren Polet op dit blog.

 

Stopwoord

Ik vond een oorschelp in de grond
om aan te luisteren.
ik luisterde en vond
drie takken taal
een drietakttaal voor één gedicht.
daar is geen zin mee te verrichten.
ik stop dat oor maar met een stopwoord dicht.

 

 

Ruimteroes

De serene lucht, een en al ademlucht.
Je voelt je – opgelucht – ál abstracter worden,
een vrijzwevende doorluchtige geest,
bevrijd
Van beeldgedachten en lichtdromen,
zelfs
zonder het minste besef van afwezigheden.

Ruimte als lichte roes.
Ergens een licht vermoeden?

Ergens, oneindig ver weg,
een even opflikkerend
en snel vervluchtigend ik-vermoeden?

Ruimte als lichte roes,
de roes van een grensloze open ruimte.

 

 

Laatste sneeuw van de eeuw

Waar is de eeuwige sneeuw van weleer?
Gletsjers trekken zich terug als
   grote gevoelens - oude schollen
     komen bovendrijven.

Secondensnelle erosie legt de skeletten bloot
     van minimastodontjes, vroege dromen
en hij van elk fossiel
                      de nieuwe tijdgenoot.

Minuscule catastrofes, karkasjes
       klein als moleculen,
                          kristallijne tranen.

De tijd versteent in druppels,
                             Druppels…

Zoekend naar leven tussen het puin
klopsignalen, mensengeur…
                         er zwerven

schimmen en vitale echo’s
     in holen en rui’nes. Roep dan!
          klop, blafl echo.

En hij: - Dit is de laatste sneeuw van de eeuw.
       Dit wordt de laatste echo.

 

 

 
Sybren Polet (19 juni 1924 – 19 juli 2015)