24-03-15

Martin Walser, Peter Bichsel, Dario Fo, Lawrence Ferlinghetti, Jacob van Lennep, Jeroen Mettes, Harry Prenen, Willem van Iependaal

 

De Duitse schrijver Martin Walser werd op 24 maart 1927 geboren in Wasserburg aan de Bodensee. Zie ook alle tags voor Martin Walser op dit blog.

Uit: Muttersohn

„An einem solchen Maitag, der das Grün zum Leuchten brachte, waren die Waldwege im Klinik-Areal belebt. Patienten mit ihren Angehörigen, Patienten ohne Angehörige. Einmal wurde Percy sogar mit einem lauten Zuruf begrüßt von einem Pfleger, der eine Gruppe von Patienten zu einem Termin führte. Percy grüßte zurück.
Ihm war noch rechtzeitig eingefallen, dass das Alfons war. Einaug Alfons. Der war mit ihm hier auf der Pflegerschule ausgebildet worden. Vielleicht sieht man sich noch, hatte Einaug Alfons gerufen. Das hoff’ ich schwer, hatte Percy zurückgerufen und hatte daran gedacht, dass Alfons inzwischen ein Auge eingebüßt hatte. In einem Kampf mit einem Tobsüchtigen. Der Professor, der ihm das erzählt hatte, hatte gesagt, Alfons habe sich nicht gewehrt. Und dass er sich nicht gewehrt habe, sei inzwischen Alfons’ Wappen. Beide hatten, was sie riefen, mit winkenden Händen begleitet.
Als Percy dann den Brunnenplatz überquerte, der dem Klinik-Areal eine Art Zentrum liefert, wurde er gestoppt.
Ein junger Mann, der auf dem niederen Brunnenrand gesessen hatte, sprang auf, trat Percy in den Weg, gab aber dann den Weg, den er gerade noch gesperrt hatte, mit großer Gebärde wieder frei und sagte: Bitte! An Friedlein Vogel ist bis jetzt noch jeder vorbeigekommen, also wird der Baron Schlugen keine Ausnahme machen wollen.
Etwas, was er gemacht oder bewirkt oder gesagt hatte, zu bedauern, lag Percy nicht. Nur wenn er dem Potpourri begegnete, das mit seinem oder mit seinen Namen veranstaltet wurde, spürte er, dass er während seiner mehrjährigen Wanderschaft durch die Pfarrhäuser und Anstalten zwischen Donau und Bodensee manchmal zu mitteilsam gewesen sein musste. Wenn es nicht die Pfarrköchinnen waren, müssen es Ärzte oder Pfleger im PLK gewesen sein, die seinem Ruhm allzu farbige Kränze flochten.“

 

 
Martin Walser (Wasserburg, 24 maart 1927)
Cover (detail)

Lees meer...

Lidija Tsjoekovskaja

 

De Russische schrijfster en dichteres Lidija Kornejevna Tsjoekovskaja werd geboren in Helsinki op 24 maart 1907 als dochter van Kornej Tsjoekovski. Centraal in het werk van Tsjoekovskaja staat de tijd van de Stalin-terreur en de grote zuiveringen in de jaren dertig. Haar man, de bekende natuurkundige Matvej Bronstein (1906-1938), werd in 1937 op onduidelijke gronden gearresteerd en in 1938 gefusillieerd, terwijl zij zelf te horen kreeg dat hij voor tien jaar verbannen zou worden. Na de oorlog stond Tsjoekovskaja te boek als een der eersten die in het openbaar het Sovjetregime durfden bekritiseren. Ze kreeg haar werk moeilijk gepubliceerd. In de jaren zestig circuleerden als Samizdat-uitgaven haar novellen "Het verlaten huis" en "Duik in de diepte", beide reeds geschreven in de Stalin-tijd, beide handelden over de tragedie van de vrouw in die periode van "zuivering" en terreur. In 1974 werd Tsjoekovskaja uit de schrijversbond gestoten vanwege haar steun aan Solzjenitsyn en leefde verder als dissidente. Het werk van Tsjoekovskaja kon tot eind jaren tachtig niet in Rusland worden gepubliceerd. Behalve als dissidente verwierf Lidija Tsjoekovskaja in het westen vooral bekendheid door haar memoires “Ontmoetingen met Anna Achmatova” (1987, in Nederland verschenen in de reeks Privé-domein). Deze aangrijpende herinneringen omspannen bijna een kwart eeuw en beginnen aan het einde van 1938, wanneer het tijdperk van de grote zuiveringen op zijn hoogtepunt is. Tsjoekovskaja bezoekt Anna Achmatova de eerste keer om raad: zij hoopt haar man nog uit de gevangenis te kunnen krijgen, niet wetende dat hij al gefusilleerd is. Dit gezamenlijke lot - de man en de zoon van Achmatova waren gearresteerd - schept een band tussen beide vrouwen die uitgroeit tot een hechte vriendschap.

Uit: Ontmoetingen met Anna Achmatova”

“10 november 1938
Gisteren ben ik bij Anna Andrejevna geweest voor zaken.
Ik, die sinds mijn jeugd haar gedichten van buiten ken en haar portretten verzamel, heb nooit gedacht dat ik nog eens naar haar toe zou gaan `voor zaken'.
Toen ik dertien was heeft Kornej Ivanovitsj [Tsjoekovski] mij op een keer naar haar meegenomen en zij signeerde haar gedicht  “Aan zee” voor mij. Ik durfde haar niet aan te kijken, omdat Kornej Ivano-
vitsj bij onze binnenkomst zei: 'Lida zegt dat vergeleken met de tijd-schriftversie hier regels ontbreken.' Dat 'Lida zegt' had mij dodelijk geraakt.
Later, of was het eerder, zag ik haar in het Schrijvershuis op een avond ter nagedachtenis aan Blok. Ze las “Het is vandaag de feestdag van de H. Maagd van Smolensk”  en ging direct daarna weg. Ik was getroffen door haar houding, haar hemelsblauwe omslagdoek, haar afwezige blik en haar stem. Het was onvoorstelbaar dat zij net zo’n mens was als wij. Na haar vertrek voelde ik sterk 'de stile pijn van de scheiding'. Maar niemand had me kunnen dwingen haar aan te spreken.
Later, in Olgina, ben ik haar tegengekomen op de rechte laan van het station naar zee. Ze liep daar met een dame met een weelderige haardos (pas later bedacht ik dat het Olga Soedejkina was). Ik groette Anna Andrejevna en schaamde me meer dan ooit voor mijn onhandigheid en mijn kromme rug. De laan was recht als een snaar en terwijl ik hen nakeek, bedacht ik dat hun slanke verschijning in die laan gemakkelijker in muziek was weer te geven dan in woorden.
Gisteren ben ik bij Anna Andrejevna geweest voor zaken.
Via het Huis van de Vrolijke Wetenschap (wat een stompzinnige naam!) liep ik de tuin in. De takken van de bomen leken wel uit haar verzen, of die van Poesjkin, te zijn gegroeid. Ik liep de moeilijk begaanbare achtertrap op, die niet van deze eeuw was en waar iedere trede voor drie telde. Die trap had nog enige verwantschap met haar, maar de rest! Op mijn bellen deed een vrouw open die het schuim van haar handen veegde. Dat schuim en de haveloze hal, waar het behang aan Harden hing, was het laatste dat ik had verwacht. De vrouw ging mij voor. De keuken - wasgoed aan de lijn, dat nat langs je gezicht streek. Het natte wasgoed was als het slot van een naargeestig verhaal, van Dostojevski bijvoorbeeld. Een gang na de keuken en aan de linkerkant een deur die naar haar kamer leidde.”

 

 
Lidija Tsjoekovskaja (24 maart 1907 - 8 februari 1996)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: lidija tsjoekovskaja, romenu |  Facebook |

23-03-15

Cri Stellweg, Gary Whitehead, Yōko Tawada, Mitch Cullin, Steven Saylor, Nils-Aslak Valkeapää, Madison Cawein

 

De Nederlandse schrijfster en columniste Margaretha Hendrika (Cri) Stellweg (alias Saartje Burgerhart) werd geboren in Nijmegen op 23 maart 1922. Zie ook alle tags voor Cri Stellweg op dit blog en ook mijn blog van 27 november 2006.

Uit: Ik maak je een graf van letters

“Toen ik het kamertje op de afdeling intensive care binnenkwam en zijn voeten zag die onbedekt op het ondereind van het bed lagen, toen ben ik daar maar bij gaan zitten. Zijn voeten, die herkende ik ja. Dat waren de voeten waar ik van hield, mooie mannenvoeten nog altijd. De tenen slank, kaarsrecht naast elkaar, elk met de eigen kleine gekromde rug die een paar centimeter verder overgaat in de teentop met nagel. Als gezichtjes, die nagels, in zijn geval eerlijke gezichtjes, betrouwbaar, flink. O ja, met die voeten van hem had ik geen enkele moeite. In tegenstelling tot wat ik daarboven wist aan lichaam en gezicht. De voeten, die waren helemaal niet die van een ernstig zieke man.
'Als u iets nodig hebt dan zegt u het wel, hè?' zei de broeder die door twee ruiten heen het kamertje in de gaten hield en tegelijkertijd op de monitor ook wat niet zichtbaar in het lichaam op het bed plaatsvond.
'Ja, dank u wel,' zei ik, en trok me terug bij de voor mij liggende voeten.
Ik kon nog goed zien hoe die tenen zich bijvoorbeeld klemden om de stenen rand van het zwembad, om het uiterste basaltblok aan het uiteinde van de pier in San Terenso aan de Italiaanse kust. Ik zag hoe de spieren zich spanden, de voetzolen verend loslieten en hoe door hun kracht een lange, kerngezonde man in een fraaie boog het water in gleed. Ik keek naar die voeten in het ziekenhuisbed en bedacht hoe jammer het was dat hij misschien nooit meer zeggen zou wat hij in een andere situatie dan deze hier in een kamertje op de intensive care gezegd zou hebben:
'Wat zit je te kijken? Wat is er met mijn voeten?'

 

 
Cri Stellweg (23 maart 1922 - 26 november 2006)

Lees meer...

22-03-15

Dolce far niente, Thomas Hardy, Andreas Gryphius, Billy Collins, Annette von Droste-Hülshoff

 

Dolce far niente

 

 

dolce
The doctor door Luke Fildes, 1891

 

 

A Wasted Illness

Through vaults of pain,
Enribbed and wrought with groins of ghastliness,
I passed, and garish spectres moved my brain
To dire distress.

And hammerings,
And quakes, and shoots, and stifling hotness, blent
With webby waxing things and waning things
As on I went.

"Where lies the end
To this foul way?" I asked with weakening breath.
Thereon ahead I saw a door extend -
The door to death.

It loomed more clear:
"At last!" I cried. "The all-delivering door!"
And then, I knew not how, it grew less near
Than theretofore.

And back slid I
Along the galleries by which I came,
And tediously the day returned, and sky,
And life—the same.

And all was well:
Old circumstance resumed its former show,
And on my head the dews of comfort fell
As ere my woe.

I roam anew,
Scarce conscious of my late distress . . . And yet
Those backward steps through pain I cannot view
Without regret.

For that dire train
Of waxing shapes and waning, passed before,
And those grim aisles, must be traversed again
To reach that door.

 

Thomas_Hardy_by_William_Strang_1893.jpg
Thomas Hardy (2 juni 1840 – 11 januari 1928)
Portret door William Strang, 1893

 

 

An sich selbst

Mir grauet vor mir selbst, mit zittern alle Glieder,
Wenn ich die Lipp' und Nas' und beider Augen Kluft,
Die blind vom Wachen sind, des Atems schwere Luft
Betracht', und die nun schon erstorbnen Augenlider.

Die Zunge, schwarz vom Brand, fällt mit den Worten nieder,
Und lallt ich weiß nicht was; die müde Seele ruft
Dem großen Tröster zu, das Fleisch reucht nach der Gruft,
Die Ärzte lassen mich, die Schmerzen kommen wieder,

Mein Körper ist nicht mehr als Adern, Fell und Bein.
Das Sitzen ist mein Tod, das Liegen eine Pein.
Die Schenkel haben selbst nun Träger wohl vonnöten!

Was ist der hohe Ruhm und Jugend, Ehr' und Kunst?
Wenn diese Stunde kommt: wird alles Rauch und Dunst.
Und eine Not muss uns mit allem Vorsatz töten.

 

andreas-gryphius.jpg
Andreas Gryphius (2 oktober 1616 - 16 juli 1664)

 

Lees meer...

21-03-15

Willem de Mérode, Pim te Bokkel, Jean Paul, Hamid Skif, Hubert Fichte

 

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies negen jaar. Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit Blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en voor het overige de Willem de Mérode tags op dit blog bij Skynet.

 

Landelijke zaterdagavond

Alles is vrij, de dingen zijn gaan slapen.
Werktuigen, van het zweet der handen nat,
Zijn eindelijk weer drooggepoetst en glad.
En menschen rekken zich lui uit en gapen.

De jongens zwemmen naakt en zonverbrand.
De moeders zitten breiend langs de straten.
Een krant maakt zich op tafel breed en bant
Haar schokkend nieuws in manlijke gelaten.

De helderdonkre hemel heft zich hooger
En is op eenmaal vol geheim, als vloog er
Dreunend een vliegtuig naar een vreeslijk oord.

En onder dit afschuwelijke kermen
Liggen de paren langs de duistre bermen
En planten zich hartstochtlijk hijgend voort.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Hier links met vriend IJgbert Jacobs bij de Gevangenpoort in Den Haag, 1931

Lees meer...

Peter Hacks, Michel Bartosik, Youssef Rzouga, Günter Vallaster, Siegfried Kapper

 

De Duitse schrijver en dichter Peter Hacks werd geboren op 21 maart 1928 in Breslau. Zie ook alle tags voor Peter Hacks op dit blog.

Uit: Der Schuhu und die fliegende Prinzessin

"Es war ein armer Schneider, der lebte mit seiner Frau und seinen neun Kindern vom Kleidermachen; er wurde ständig schmaler, doch sein Beutel nicht dicker, und wie er sich auch plagte, er blieb immer auf der Hefe sitzen.
Eines Morgens, als er wieder mit krummem Rücken auf dem Tisch hockte, trat die Nachbarin, es war die Frau des Barbiers, aus der Kammer und sagte zu ihm: »Dein Weib liegt im Bett, sie wird wieder ein Kind zur Welt bringen.«
»Das soll sie«, sagte der Schneider; »ich will indessen gehen und alle Vettern und Freunde einladen, denn es wird erwartet, daß wir einen Taufschmaus geben. Weil es aber das zehnte Kind sein wird, will ich den Bürgermeister zum Paten bitten.« Er nahm eine Menge Windelchen, Deckchen und Lätzchen aus dem Kasten; derlei Zeugs hatte er, von den anderen Kindern, genug übrig; dann lief er gaßauf und gaßab, klopfte bei denen, die er kannte, und sprach: »In meinem Haus ist was Kleines fällig, ihr seid eingeladen.«
Alle kamen, auch der Bürgermeister, der gern Bier trank.
Sie saßen Hintern an Hintern, tranken ein Faß Bier leer und warteten auf das Kind. Endlich steckte die Frau des Barbiers den Kopf durch die Tür und machte dem Schneider Zeichen mit der Hand. »Nun«, sagte der Schneider, »ist es da?« – »Ich glaube«, sagte die Frau des Barbiers. – »Du liebe Torheit«, sagte der Schneider, »ja oder nein?« – »Es ist da«, sagte die Frau des Barbiers, »aber ich frage mich, ob wir mit es beide die gleiche Sache meinen.« – »Was soll ich denn meinen?« rief der Schneider, »mein Kind natürlich.« – »Ach Gott«, sagte die Frau des Barbiers, »es ist unmöglich, hierauf eine vernünftige Antwort zu geben.«

 

 
Peter Hacks (21 maart 1928 – 28 augustus 2003)

Lees meer...

Kees van Beijnum

 

De Nederlandse schrijver Kees van Beijnum werd geboren in Amsterdam op 21 maart 1954. Hij groeide op in de Amsterdamse Warmoesstraat, waar zijn moeder een café had in de omgeving van de Zeedijk. Voordat hij in 1991 serieus begon met het schrijven van boeken was hij onder andere journalist. Hij debuteerde met de misdaadroman Over het IJ. De reconstructie van een moord in 1991 over een moord in Amsterdam. Zijn boeken “Dichter op de Zeedijk”, “De ordening” en “De oesters van Nam Kee” werden verfilmd. In januari 2008 verscheen "Paradiso". Ook schreef Van Beijnum het scenario voor de televisiefilm “De langste reis” uit 1996, dat gebaseerd was op de ontvoering van Gerrit-Jan Heijn.

 

Uit: Het verboden pad

 

“Toen Djeu Kaname twee dagen voor le quatorze juillet verdween in het schuim en de deining van de oceaan blijven wij, haar metgezellen, met meer vragen achter dan we ooit kunnen beantwoorden. Wie was zij, wat was haar echte naam? Wat betekenden we voor haar, en vooral, wat was de werkelijke oorzaak van haar val? (…) Een van de zilvereeuwen, een volwassen exemplaar, landde wit en stralend op de rand van de rotsen. Hij monsterde ons met schuin gehouden kop juist toen achter ons de schreeuw klonk, het in toonhoogste stijgende geluid dat boven het granieten landschap verwaaide. Toen we omkeken zagen we de anderen, die ons op de rotsen vooruitgingen. Harley, Bruno en Tom waren het verst van ons verwijderd, ze hadden hun voorsprong uitgebouwd met dezelfde behendige gretigheid waarmee ze van meet af aan de kop hadden genomen. Dichterbij zag ik de meisjes, in het bijzonder Samantha, of liever het flesje water dat zij van haar mond nam, waardoor een zonnestraal in haar hand leek te beven. Ik geloof dat Erwin bij hen stond, maar daarin kan ik me vergissen. Wel weet ik nog dat alle blikken gericht waren op Walter, die met vreemd opgetrokken schouders en wapperende haren op de rand van een hoge rots stond en naar beneden keek, naar iets wat zich aan mijn blikveld onttrok, omdat ik me nog voor de scherpe bocht langs de afgrond bevond.
Ik kan me niet herinneren dat ik met Freis naar boven ben gelopen, gerend waarschijnlijk, of dat ik daartoe het besluit nam. Ik weet slechts dat ik Harley, zijn baard als een diepzwarte schaduw rond zijn kin, zag afdalen, van rots naar rots springend, en dat ik niet veel later naast Walter en de meisjes stond. Walter keek nog steeds naar beneden, waar, zag ik nu, een meter of vijftien uit de kust een rif in de vorm van een halve cirkel uit het water verrees.”

 

 

 


Kees van Beijnum (Amsterdam, 21 maart 1954)

14:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: kees van beijnum, romenu |  Facebook |

20-03-15

Friedrich Hölderlin, Katharina Hartwell, Jens Petersen, David Malouf, Benoît Duteurtre,Touré, Gerard Malanga

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Christian Friedrich Hölderlin werd geboren op 20 maart 1770 in Lauffen am Neckar in het Hertogdom Württemberg. Zie ook alle tags voor Friedrich Hölderlin op dit blog.

Uit: Hyperion

„Hyperion an Bellarmin
Ich habe nichts, wovon ich sagen möchte, es sei mein eigen.
Fern und tot sind meine Geliebten, und ich vernehme durch keine Stimme von ihnen nichts mehr.
Mein Geschäft auf Erden ist aus. Ich bin voll Willens an die Arbeit gegangen, habe geblutet darüber, und die Welt um keinen Pfenning reicher gemacht.
Ruhmlos und einsam kehr ich zurück und wandre durch mein Vaterland, das, wie ein Totengarten, weit umher liegt, und mich erwartet vielleicht das Messer des Jägers, der uns Griechen, wie das Wild des Waldes, sich zur Lust hält.
Aber du scheinst noch, Sonne des Himmels! Du grünst noch, heilige Erde! Noch rauschen die Ströme ins Meer, und schattige Bäume säuseln im Mittag. Der Wonnegesang des Frühlings singt meine sterblichen Gedanken in Schlaf. Die Fülle der allebendigen Welt ernährt und sättiget mit Trunkenheit mein darbend Wesen.
O selige Natur! Ich weiß nicht, wie mir geschiehet, wenn ich mein Auge erhebe vor deiner Schöne, aber alle Lust des Himmels ist in den Tränen, die ich weine vor dir, der Geliebte vor der Geliebten.
Mein ganzes Wesen verstummt und lauscht, wenn die zarte Welle der Luft mir um die Brust spielt. Verloren ins weite Blau, blick ich oft hinauf an den Aether und hinein ins heilige Meer, und mir ist, als öffnet' ein verwandter Geist mir die Arme, als löste der Schmerz der Einsamkeit sich auf ins Leben der Gottheit.
Eines zu sein mit Allem, das ist Leben der Gottheit, das ist der Himmel des Menschen.
Eines zu sein mit Allem, was lebt, in seliger Selbstvergessenheit wiederzukehren ins All der Natur, das ist der Gipfel der Gedanken und Freuden, das ist die heilige Bergeshöhe, der Ort der ewigen Ruhe, wo der Mittag seine Schwüle und der Donner seine Stimme verliert und das kochende Meer der Woge des Kornfelds gleicht.
Eines zu sein mit Allem, was lebt! Mit diesem Worte legt die Tugend den zürnenden Harnisch, der Geist des Menschen den Zepter weg, und alle Gedanken schwinden vor dem Bilde der ewigeinigen Welt, wie die Regeln des ringenden Künstlers vor seiner Urania, und das eherne Schicksal entsagt der Herrschaft, und aus dem Bunde der Wesen schwindet der Tod, und Unzertrennlichkeit und ewige Jugend beseliget, verschönert die Welt.“

 

 
Friedrich Hölderlin (20 maart 1770 – 7 juni 1843)
Gedenkplaat aan Hölderlins toren in Tübingen (detail)

Lees meer...

19-03-15

Philip Roth, Mano Bouzamour, Lynne Sharon Schwartz, Lina Kostenko, Petar Preradović, Hans Mayer

 

De Amerikaanse schrijver Philip Roth werd geboren op 19 maart 1933 in Newark. Zie ook alle tags voor Philip Roth op dit blog.

Uit: American Pastoral

“The elevation of Swede Levov into the household Apollo of the Weequahic Jews can best be explained, I think, by the war against the Germans and the Japanese and the fears that it fostered. With the Swede indomitable on the playing field, the meaningless surface of life provided a bizarre, delusionary kind of sustenance, the happy release into a Swedian innocence, for those who lived in dread of never seeing their sons or their brothers or their husbands again.
And how did this affect him—the glorification, the sanctification, of every hook shot he sank, every pass he leaped up and caught, every line drive he rifled for a double down the leftfield line? Is this what made him that staid and stone-faced boy? Or was the mature-seeming sobriety the outward manifestation of an arduous inward struggle to keep in check the narcissism that an entire community was ladling with love? The high school cheerleaders had a cheer for the Swede. Unlike the other cheers, meant to inspire the whole team or to galvanize the spectators, this was a rhythmic, foot-stomping tribute to the Swede alone, enthusiasm for his perfection undiluted and unabashed. The cheer rocked the gym at basketball games every time he took a rebound or scored a point, swept through our side of City Stadium at football games any time he gained a yard or intercepted a pass. Even at the sparsely attended home baseball games up at Irvington Park, where there was no cheerleading squad eagerly kneeling at the sidelines, you could hear it thinly chanted by the handful of Weequahic stalwarts in the wooden stands not only when the Swede came up to bat but when he made no more than a routine putout at first base.”

 

 
Philip Roth (Newark, 19 maart 1933)

Lees meer...

18-03-15

John Updike, Christa Wolf, Charlotte Roche, Wilfred Owen, Stéphane Mallarmé, Héctor Bianciotti, Hellema, Friedrich Hebbel

 

De Amerikaanse dichter en schrijver John Updike werd geboren in Shillington, Pennsylvania, op 18 maart 1932. Zie ook alle tags voor John Updike op dit blog.

 

Planting Trees

Our last connection with the mythic.
My mother remembers the day as a girl
she jumped across a little spruce
that now overtops the sandstone house
where still she lives; her face delights
at the thought of her years translated
into wood so tall, into so mighty
a peer of the birds and the wind.

Too, the old farmer still stout of step
treads through the orchard he has outlasted
but for some hollow-trunked much-lopped
apples and Bartlett pears. The dogwood
planted to mark my birth flowers each April,
a soundless explosion. We tell its story
time after time: the drizzling day,
the fragile sapling that had to be staked.

At the back of our acre here, my wife and I,
freshly moved in, freshly together,
transplanted two hemlocks that guarded our door
gloomily, green gnomes a meter high.
One died, gray as sagebrush next spring.
The other lives on and some day will dominate
this view no longer mine, its great
lazy feathery hemlock limbs down-drooping,
its tent-shaped caverns resinous and deep.
Then may I return, an old man, a trespasser,
and remember and marvel to see
our small deed, that hurried day,
so amplified, like a story through layers of air
told over and over, spreading.

 

 

Relatives

Just the thought of them makes your jawbone ache:
those turkey dinners, those holidays with
the air around the woodstove baked to a stupor,
and Aunt Lil's tablecloth stained by her girlhood's gravy.
A doggy wordless wisdom whimpers from
your uncles' collected eyes; their very jokes
creak with genetic sorrow, a strain
of common heritage that hurts the gut.

Sheer boredom and fascination! A spidering
of chromosomes webs even the infants in
and holds us fast around the spread
of rotting food, of too-sweet pie.
The cousins buzz, the nephews crawl;
to love one's self is to love them all.

 

 
John Updike (18 maart 1932 – 27 januari 2009)

Lees meer...

17-03-15

Hafid Aggoune, Rense Sinkgraven, William Gibson, Siegfried Lenz, Patrick Hamilton, Jean Ingelow

 

De Franse schrijver Hafid Aggoune werd geboren op 17 maart 1973 in Saint-Etienne. Zie ook alle tags voor Hafid Aggoune op dit blog.

Uit: Premières heures au paradis 

"J’imagine ma mère le jour de ma naissance. Elle me tient dans ses bras et il y a cette odeur sur sa peau, mon seul vrai souvenir d’elle. Je la regarde sans la voir, je la sens, je la touche et j’ignore que ce corps, sept jours plus tard, ne reviendra plus pour des raisons qui m’ont longtemps échappé, ne donnant à l’enfant que son odeur d’huile d’argan, comme une ruine faite de vents, pierres aériennes ancrées dans mes entrailles.
J’imagine mon grand-père, Michel Cannan, seul dans sa cuisine, rivé à sa radio pour écouter une course qu’il n’entendra jamais.
Les larmes commencent à éclore sous les paupières, à former leur petit bloc compact au fond de la gorge, avant de percer, perles précieuses faites d’amertume, de joie et d’inquiétude. Quand elles sortent enfin, je les laisse glisser sur mes joues, avant que le vent californien ne les emporte.
Je ne sais plus si je suis sur le sol ou immergé, me fondant avec le plus grand espace du monde, entre terre et eau, remontant la côte, faisant mes adieux à mon enfance perdue, à une étrange adolescence, à tous les spectres de ma mélancolie, conscient, à trente-cinq ans, qu’il va falloir devenir un homme ou ne plus pouvoir se regarder en face.
Il y a bientôt neuf mois, quelques heures après avoir quitté notre appartement, j’ai repris la chambre de bonne du boulevard des Filles-du-Calvaire, celle où j’ai vécu en arrivant à Paris. Le logement avait fait partie du salaire de garçon au pair.
En revenant seul dans ce coin de la capitale, les rues m’avaient semblé encore plus familières. Les traces de Michel Cannan et de mon père flottaient sur certains noms de rues.
J’étais si troublé que certains souvenirs surgissaient. Des paroles oubliées remontaient à la surface.
Avant de sonner chez Mme Mila, la grand-mère du jeune Aurélien que j’avais gardé, j’ai parcouru un voisinage chargé de souvenirs vagues que je n’avais jamais pris le temps de fixer, les laissant glisser puis disparaître.
J’imaginais le père et le fils traverser les boulevards, fiers et beaux, poussés par l’envie de dévorer la ville entière."

 

 
Hafid Aggoune (Saint-Etienne, 17 maart 1973)

Lees meer...

Thomas Melle

 

De Duitse schrijver Thomas Melle werd geboren op 17 maart 1975 in Bonn, waar hij ook opgroeide. Na zijn eindexamen gymnasium in 1994 aan de Jezuïeten school in Bad Godesberg begon Melle in Tübingen aan een studie Algemene en Vergelijkende Literatuurwetenschap en filosofie. Van daar ging hij naar Austin (Texas), waar hij cursussen in Creatief Schrijven volgde en het werk van William T. Vollmann leerde kennen. Later stapte hij over naar de Vrije Universiteit van Berlijn. In 2004 rondde hij zijn studie daar af met een proefschrift over William T. Vollmann. Zijn literaire carrière begon Melle als toneelschrijver. In 2004 schreef hij samen met schrijver Martin Heckmann het stuk "4 Millionen Türen", dat in het Deutsche Theater in Berlijn in première ging. Daarna volgden eigen stukken zoals "Haus zur Sonne" (2006, première Erlangen) en "Licht frei Haus" (2007, première Karlsruhe). Sinds 1997 woont hij in Berlijn. Melle is auteur van verhalende werken, gedichten, toneelstukken en hoorspelen, en vertaalt ook vanuit het Engels. In 2008 ontving hij de Förderpreis zum Bremer Literaturpreis, in 2009 de Förderpreis van de deelstaat Noordrijn-Westfalen. Melles roman “Sickster” werd genomineerd voor de Deutsche Buchpreis 2011. Zijn in 2014 gepubliceerde roman “3000 Euro” haalde de shortlist van de Deutsche Buchpreis. Met deze roman had de schrijver zich voorgenomen "in verzet te komen tegen de burgerlijke familieroman". Uit de kritieken en uit de nominatie bleek dat hij een punt had.

Uit: 3000 Euro

„Da ist ein Mensch drin, auch wenn es nicht so scheint. Unter den Flicken und Fetzen bewegt sich nichts. Die Passanten gehen an dem Haufen vorbei, als wäre er nicht da. Jeder sieht ihn,aber die Blicke wandern sofort weiter.ZweiFlaschen stehen neben dem Haufen, trübe und abgegriffen. Die Sonne knallt herunter. Es riecht streng, nach Urin, nach Säure und frühem Alter.
Anton träumt einen dünnen Traum, in ihm sind alle Arschlöcher weg. Jana betritt sein Zimmer, oder ist es eine industrielle Höhle; Anton muss eine Maschine bedienen, die etwas stanzt, Geldscheine aus Blech, vielleicht. Jana, sein Jugendschwarm, hockt sich zu ihm nieder und lächelt mit großen Augen. Ihr Hemd steht offen, halb sind die Brüste sichtbar. Anton nickt. Jana legt sich zu ihm, sie reden. Noch berühren sie sich nicht.
Wenn Anton träumt in diesen Wochen, dann von den alten Zeiten, die es so nie gab. Alternative Versionen seiner Jugend: Das Personal ist zwar dasselbe, aber die Ereignisse sind komplett irreal. Er schläft mit den Mädchen, die er nie haben konnte, errettet die Freunde, die nicht mehr Teil seines Lebens sind, erfeiert die Erfolge, die er nie hatte.Treibgut aus der Zeit, als noch alles möglich schien.
Der Haufen rührt sich. Die Passanten gehen weiter dran vorbei, machen teils einen größeren Bogen. Anton merkt, dass er aufwacht, gegen seinen Willen. Die Traumbilde werden durchsichtig, lösen sich auf. Jana ist weg, bevor er sie berühren konnte, die Maschine ist auch weg. Der Traumkanal schließt sich. Anton ärgert sich. Der Schlaf ist alles, was er noch hat. Er hält die Augen geschlossen, Schweiß läuft ihm die Wange hinunter. Noch nicht, denkt er, noch nicht, und versucht, den Schlaf zu verlängern.“

  
Thomas Melle (Bonn, 17 maart 1975)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: thomas melle, romenu |  Facebook |

16-03-15

P.C. Hooft, Bredero, Zoë Jenny, Alice Hoffman, Hooshang Golshiri

 

De geschiedkundige, dichter en toneelschrijver Pieter Cornelisz. Hooft werd geboren in Amsterdam op 16 maart 1581. Zie ook alle tags voor P. C. Hooft op dit blog.

 

Sonnet

Wanneer door 's werelds Licht de blindgeboren jongen
Gezicht verkreeg, hij stond verwonderd en bedeesd.

Beweging, verwe, stal van plant, van mens, van beest,
Verbluften zijn gedacht' en liefelijk besprongen.

Voorts sloten, torens, schier ten hemel hoog gesprongen,
Het tijd-verdrijf van 's mensen onderwind-al-geest;
Maar de zienlijke god, de schone zonne, meest.
Zijn tonge zweeg, 't gemoed dat riep om duizend tongen.

Even aleens, mijn licht, wanneer gij mij verschijnt
En dat mijn ziel ontdekt uw ziels sieraden vijndt,
Die 't oge mijns gemoeds, dat t' haarwaarts strekt, ontmoeten

Zo zwelt mijn hart van vreugd en van verwondring diep
En danke jegens u en jegens die u schiep,
Totdat het berst en valt gebroken voor uw voeten.

 

 

Zang

Amaril, had ik haar uit uw tuitje,
‘k Wed, ik vleugelde het goodje, het guitje,
Dat met zijn brand, met zijn boog, met zijn flitsen,
Land tegen land overeinde kan hitsen
En beroofde de listige stoker
Van zijn trots, zijn geschut en zijn koker.

Of en had ik maar een van die vonken
Die daar laatst in uw kijkertjes blonken,
‘k Plantte ze boven de Minne zijn kaken,
om deze blinde eens ziende te maken:
dat, als immer hij oorlogen wilde,
hij zijn pijlen met kennisse spilde.

Maar gij weet, had ik een van die wensjes,
Dat ik alle mijn lusten allensjes,
Waar gij mij nu om verlegen laat blijven,
Makkelijk weten zou dore te drijven;
En en wilt gij mij geen wapenen gunnen
Die u zelve veroveren kunnen.

 

 

Mosterd

Zo scherp van smaak, zo zoet van name!
Spraak-vormers, eij, hoe gaat dat samen?
'K weet niet hoe 't anderen verstaan,
Ik proef er niets Most-aardigs aan.

 

 

 
Pieter Cornelisz. Hooft (16 maart 1581 – 21 mei 1647)
Hoofts werkkamer in het Muiderslot

Lees meer...

15-03-15

Louis Paul Boon, Ben Okri, David Albahari, Gerhard Seyfried, Kurt Drawert, Andreas Okopenko

 

De Vlaamse dichter, schrijver en kunstschilder Louis Paul Boon werd geboren in Aalst op 15 maart 1912. Zie ook alle tags voor Louis Paul Boon op dit blog.

Uit: Pieter Daens

“Veel meer hield ik ervan door de straatjes te dwalen, langs de kromming van de rivier de Dender te slenteren en de buitenwijken te verkennen. Ik zag de wijk Schaarbeek met haar weiden en velden, ik waagde me in de wijk Osbroeck met op haar moerasgrond dichte begroeiing van warrelhout, en aan de overkant van de Dender drong ik door tot de wijk Mijlbeek, wier bewoners men buitenlieden noemde, of zelfs minachtend ‘deze van over de Rijn’.
Maar wat me meest boeide was het leven en lawaai langs de Dender, waar steeds meer fabrieken oprezen. Aalst matigde zich de naam van Keizerlijke Stede aan, maar bleek voorbestemd om gewoon een fabriekstadje te worden. Naast de kerken en kloosters schoten als giftige paddestoelen deze fabrieken uit de grond op. In het begin waren zij maar een schuur of bergplaats, maar als knaap kon ik reeds vaststellen, dat het niet meer de kerktorens waren die het stadje domineerden, doch hún rokende schoorstenen. Ik kon horen hoe niet meer het geklingel van de beiaard en het kleppen der Sintmaartenskerk de dagtijd bepaalde, maar het loeien der fabrieksirenen. Vanaf vijf en zes uur in de kille en nog duistere ochtend hoorde ik dit haast dierlijke huilen. Ik werd erdoor gewekt, en over de hobbelige stenen in de smalle straatjes hoorde ik het klepperen der klompen van mannen, vrouwen en kinderen, die zich naar de fabrieken repten.
Zelf heb ik het niet meegemaakt, maar uit kleurrijke verhalen van vader vernam ik, hoe deze fabrieken waren ontstaan en hoe de eigenaars, weldra ‘de heren’, zich tot almachtige heersers ontpopten. Ik hoorde allerlei fantastisch over Eliaert-Cools, over Jan Baptist Jelie, over kapitein Van der Smissen, die allen uit armoede het naburige stadje Ninove verlieten en naar Aalst kwamen afzakken.
Zij hadden te Ninove gewerkt in primitieve huisbedrijfjes zonder toekomst, en snoven hier de geur van iets dat niet nader te bepalen was: een nieuwe economie, een nieuw politiek leven, een nieuwe tijd.
Vader vertelde ons over Eliaert-Cools, die als 20-jarige met zijn even jonge vrouwtje de stad kwam bewonen en op een verloren plekje grond, aan de kromming van de Dender, garen begon te spinnen, te bleken en te verven. Nog geen drie jaar later had hij reeds honderd arbeiders in zijn fabriek en haast evenveel thuisarbeiders die voor hem werkten. In 1850 – ik was toen acht jaar geworden – liet hij een stoommachine plaatsen, de allereerste in de stad, en werd alles mechanisch ingericht. Zijn fabriek besloeg toen reeds het hele blok tussen de Oude Dender, de Stoofstraat en de Voldersstraat, en een groot deel der Pontstraat.”

 

 
Louis Paul Boon (15 maart 1912 - 10 mei 1979)

Lees meer...