03-07-15

Reginald Gibbons, Franz Kafka, Joanne Harris, Gerard den Brabander, Christopher Kloeble

 

Dolce far niente

 

 
Eté en Provence door Jean-Marc Janiaczyk, z.j.

 

 

At Noon

The thick-walled room’s cave-darkness,
cool in summer, soothes
by saying, This is the truth, not the taut  
cicada-strummed daylight.
Rest here, out of the flame—the thick air’s
stirred by the fan’s four
slow-moving spoons; under the house the stone
has its feet in deep water.
Outside, even the sun god, dressed in this life
as a lizard, abruptly rises
on stiff legs and descends blasé toward the shadows.

 

 
Reginald Gibbons (Houston, 7 januari 1947)
Houston

Lees meer...

William Henry Davies

 

De Welshe dichter en schrijver William Henry Davies werd op 3 juli 1871 in Newport, Monmouthshire, geboren in bescheiden omstandigheden. Twee jaar na zijn geboorte stierf zijn vader. Zijn moeder hertrouwde en verliet Davies en zijn twee broers en zussen die door de grootouders werden geadopteerd. Davies trad als een tiener toe tot een Newporter dievenbende, maar werd al snel gepakt en gestraft voor de diefstal van parfumflesjes. Hij verliet de school vroeg om een ​​stage beginnen als gereedschapsmaker voordat hij later werkte als maker van fotolijsten. Maar Davies was ontevreden over het leven in Newport en emigreerde op de leeftijd van 22 jaar naar de Verenigde Staten. Hier leefde hij onder meer als zwerver, zeiler en gelegenheidsarbeider. Nadat Davies een been verloor toen hij probeerde op een rijdende trein te springen, keerde hij terug naar het Verenigd Koninkrijk. Niet in staat om nog langer lichamelijk werk doen, Davies begon davies met schrijven. George Bernard Shaw regelde de publicatie van zijn eerste werk, “The Soul’s Destroyer”, na een korte tijd gevolgd door “The Autobiography of a Super-Tramp”. De laatste roman, waaraan later de bekende rock band Supertramp zijn naam ontleende, was gebaseerd op ervaringen in de VS en vestigde de internationale reputatie van Davies. Hij schreef nog verschillende andere romans en dichtbundels, maar zijn meest bekende regels komen uit het gedicht “Leisure”: „What is this life if, full of care, We have no time to stand and stare“. In 1923 trouwde Davies met een 30 jaar jongere voormalige prostituee Helen Payne. In de roman, “Young Emma”, die werd gepubliceerd in 1980, beschreef hij hoe tot deze ongewone relatie kwam. Davies en zijn vrouw leefde teruggetrokken in Sussex en later Gloucestershire. In 1938 werd de schrijver geëerd door zijn woonplaats voor zijn levenswerk. De onthulling van een plaquette in de Church House Inn in Newport was voor Davies, wier gezondheid verslechterd, het laatste publieke optreden.

 

All In June

A week ago I had a fire
To warm my feet, my hands and face;
Cold winds, that never make a friend,
Crept in and out of every place.

Today the fields are rich in grass,
And buttercups in thousands grow;
I'll show the world where I have been--
With gold-dust seen on either shoe.

Till to my garden back I come,
Where bumble-bees for hours and hours
Sit on their soft, fat, velvet bums,
To wriggle out of hollow flowers.

 

 

When on a summer's morn

When on a summer's morn I wake,
And open my two eyes,
Out to the clear, born-singing rills
My bird-like spirit flies.

To hear the Blackbird, Cuckoo, Thrush,
Or any bird in song;
And common leaves that hum all day
Without a throat or tongue.

And when Time strikes the hour for sleep,
Back in my room alone,
My heart has many a sweet bird's song --
And one that's all my own.

 

 

In The Country

This life is sweetest; in this wood
I hear no children cry for food;
I see no woman, white with care;
No man, with muscled wasting here.

No doubt it is a selfish thing
To fly from human suffering;
No doubt he is a selfish man,
Who shuns poor creatures, sad and wan.

But 'tis a wretched life to face
Hunger in almost every place;
Cursed with a hand that's empty, when
The heart is full to help all men.

Can I admire the statue great,
When living men starve at its feet!
Can I admire the park's green tree,
A roof for homeless misery!

 

 

 
William Henry Davies (3 juli 1871 - 26 september 1940)
Portret door Harold Knight, begin 20e eeuw

Bewaren

13:55 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: william henry davies, romenu |  Facebook |

Manfred Bieler

 

De Duitse schrijver Manfred Bieler werd geboren op 3 juli 1934 in Zerbst. Na zijn afstuderen aan het Philanthropinum Dessau studeerde Bieler Duits aan de Humboldt Universiteit in Berlijn. Voor het verhaal “Der Vogelherd” ontving hij in 1955 de prijs van het World Festival van jongeren en studenten in Warschau. Van 1956-1957 was hij wetenschappelijk medewerker van de Deutsche Schriftstellerverband. In 1956 zette hij zich samen met Heinz Kahlau, Manfred Streubel en Jens Gerlach in voor meer culturele vrijheid in de DDR. Nadat hij werd beschuldigd van het behoren tot een groep onder leiding van Ernst Bloch en Hans Mayer, werd hij uit de Schriftstellerverband gezet. Bieler reisde vervolgens veel door Europa en naar Newfoundland. Met zijn vriend Johannes Bobrowski richtte hij in 1962 gekscherend de Neuen Friedrichshagener Dichterkreis op. In een bijzonder productieve samenwerking met Wolfgang Beck ontstonden tot midden jaren zestig vele internationaal succesvolle hoorspelen voor uitzending door de DDR-radio. In 1965 verhuisde hij naar Praag. Zijn toneelstuk “Zaza”, dat hij indiende bij de Volksbühne Berlijn, leverde hem harde kritiek van het Politbureau van het Centraal Comité van de SED op. De DEFA film “Das Kaninchen bin ich”, geregisseerd door Kurt Maetzig, werd verboden en niet uitgevoerd tot 1989 In 1967 werd Bieler staatsburger van Tsjecho-Slowakije en hij trad in 1968 toe tot de Tsjechische Schrijversbond. Na de inval van de troepen van het Warschaupact in Praag verhuisde hij naar de Bondsrepubliek Duitsland. In 1969 was hij gastdocent aan de Universiteit van Texas en kreeg hij de Andreas Gryphius Prize. In 1971 werd hij staatsburger van de Bondsrepubliek Duitsland. In 1977 werd hij bekroond met de Jakob Kaiser prijs.

Uit: Still wie die Nacht. Memoiren eines Kindes

„Ich fühle die Gleichgültigkeit der Mutter, den Widerwillen, ihren wachsenden Haß, der mich mit Schüttelfrost überzieht. Eines Abends schiebt sie meinen Stubenwagen in die Wäschekammer und verbietet der Großmutter, bei mir zu bleiben. Zum erstenmal bin ich allein in der Dunkelheit. Ich zittere vor Angst und weine, aber die Mutter verläßt mich und kommt nicht zurück.“
(…)

"Die Mutter beugt sich über einen schmalen Tisch. Hinter der Mutter steht Herr Sengebusch. Er schlingt die Arme um sie und knetet ihre nackten Brüste. Edith stöhnt. Ihr braunes Kleid mit den weißen Punkten ist hinten hochgeschlagen, und Herr Sengebusch stößt auf sie ein, als wolle er sie durchbohren. Der Mutter gegenüber steht Oswin Kutarsky und schiebt ihr seinen Schniepel in den Mund. Ich zittere vor Angst um Edith, aber sie hört und sieht mich nicht. Ich will schreien. Meine Kehle ist verstopft. Ich will weglaufen. Meine Beine sind gelähmt. Die Mutter gibt Herrn Kutarsky einen Stoß vor die Brust und rennt aus dem Zimmer. Als ich Edith folgen will, sagt Herr Kutarsky, daß ich hierbleiben muß. Herr Sengebusch verschließt die Tür. Ich weiß, daß mich die beiden Männer umbringen wollen . . . Ich will schreien. Aber der Blick von Herrn Kutarsky macht mich stumm. Sein Totenkopf kommt mir so nahe, daß ich die faltigen Tränensäcke und die braunen Tabaklippen erkenne. ,Aber wehe dir, wenn du nicht den Mund hältst und es irgendeinem Menschen erzählst - dann mußt du sterben.'

 

 
Manfred Bieler (3 juli 1934 – 23 april 2002)

13:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: manfred bieler, romenu |  Facebook |

02-07-15

Emanuel Geibel, Hermann Hesse, Wisława Szymborska, Pierre H. Dubois

 

Dolce far niente

 

 
The Coming Storm door George Inness, 1878

 

 

Hochsommer

Von des Sonnengotts Geschossen
Liegen Wald und Flur versengt,
Drüber, wie aus Stahl gegossen,
Wolkenlose Bläue hängt.

In der glutgeborstnen Erde
Stirbt das Saatkorn, durstig ächzt
Am versiegten Bach die Herde,
Und der Hirsch im Forste lechzt.

Kein Gesang mehr in den Zweigen!
Keine Lilie mehr am Rain! –
O wann wirst du niedersteigen,
Donnerer, wir harren dein.

Komm, o komm in Wetterschlägen!
Deine Braut vergeht vor Weh –
Komm herab im goldnen Regen
Zur verschmachtenden Danae!

 

 
Emanuel Geibel (17 oktober 1815 - 6 april 1884)
Lübeck, waar Emanuel Geibel werd geboren.

Bewaren

Lees meer...

Erik Vlaminck

 

De Vlaamse schrijver Erik Vlaminck werd geboren in Kapellen op 2 juli 1954. Hij leidde de Antwerpse SchrijversAcademie en de Vlaamse Auteursvereniging en hij is voorzitter van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Als romanschrijver kreeg Vlaminck bekendheid met een zesdelige romancyclus over het ongewone leven van gewone mensen in het Vlaanderen van de 20e eeuw, later gebundeld in drie delen:” Langs moederszijde”, “Langs vaderszijde” en “Langs schrijverszijde”. Doorbraak bij een ruim lezerspubliek kwam er in 2008 met “Suikerspin” en in 2011 met “Brandlucht.” Als theaterauteur werkte Vlaminck voor diverse belangrijke gezelschappen. Hij schrijft ook de column “Brieven van Dikke Freddy” waarin een dakloze zijn problemen aankaart bij de groten der aarde.

Uit:Suikerspin

“Mijn grootvader, Jean-Baptist, is als gewone burger in een gewoon huis geboren maar hij heeft het karakter gehad om forain te worden.
Meer dan honderd jaar geleden heeft hij de kop boven water gestoken in een ongelukkig huishouden, ergens in een achterbuurt van Dendermonde. Hij kreeg thuis meer slaag dan eten en bijgevolg heeft hij zijn boeltje, veel zal het allicht niet geweest zijn, gepakt en is hij op de loop gegaan. Een mens zou van minder…
Maar Jean-Baptist heeft gewerkt en gespaard tot de vellen van zijn handen hingen en toen heeft hij, want hij had gezien dat een eerlijke en volhardende doorzetter op de kermis goed zijn boterham kan verdienen, zijn zuurverdiende spaarcenten bijeengelegd om een rariteitenkabinet over te nemen. Een rariteitenkabinet was in die tijd een van de topkramen van de grote foren. Jean-Baptist heeft het van bij het begin groots gezien. De wereld is aan de doeners en de durvers, aan de mannen die risico durven te nemen.
En hoewel mijn grootvader vanwege het slechte karakter van zijn ouders geen goeie herinneringen aan zijn kindertijd en aan zijn thuis had, heeft hij toch direct zijn jongere broer in dienst genomen en hem in de zaak betrokken.
Maar de zaak is niet blijven marcheren omdat er spijtig genoeg op Gust niet gerekend kon worden. Hij was niet alleen een wijvenzot van het zwaarste kaliber maar hij was bovenal een flierefluiter die meer zat dan nuchter was. Zijn wapenspreuk was: ‘Alle dagen zat is ook een geregeld leven.’ Na verloop van tijd kende hij van danige zattigheid het verschil tussen zijn voorkant en zijn achterkant niet meer. En zo heeft hij de zaak bijna de dieperik in gedronken want de mensen wilden een verschrikkelijk zeemonster zien waar ze rillingen van op hun ruggengraat kregen, en geen zatte paljas die zeverend en zwijmelend in zijn waterbak zat.
En hoewel mijn grootvader het op alle mogelijke manieren heeft geprobeerd, viel er met Gust niet te redekavelen. Hij was verslaafd tot op de bodem van zijn nieren.”

                                                                                                                  

 
Erik Vlaminck (Kapellen, 2 juli 1954)

14:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: erik vlaminck, romenu |  Facebook |

01-07-15

Hilda Doolittle, Remco Ekkers, F. Starik, Wim T. Schippers, J. J. Voskuil, Carry Slee

 

Dolce far niente

 

 
Noonday Heat door Henry Scott Tuke, 1903

 

 

Heat

O wind, rend open the heat,
cut apart the heat,
rend it to tatters.

Fruit cannot drop
through this thick air-- fruit cannot fall into heat
that presses up and blunts
the points of pears
and rounds the grapes.

Cut through the heat--
plough through it,
turning it on either side
of your path.

 

 

 
Hilda Doolittle (10 september 1886 – 21 september 1961)
Bethlehem Pennsylvania, waar Hilda Doolittle werd geboren

Lees meer...

30-06-15

Friedrich Hölderlin, Czeslaw Milosz, Yaseen Anwer, José Emilio Pacheco

 

Dolce far niente

 

 
Baum im Kornfeld door August Macke, 1907

 

 

Der Sommer

Das Erntefeld erscheint, auf Höhen schimmert
Der hellen Wolke Pracht, indes am weiten Himmel
In stiller Nacht die Zahl der Sterne flimmert,
Groß ist und weit von Wolken das Gewimmel.

Die Pfade gehn entfernter hin, der Menschen Leben,
Es zeiget sich auf Meeren unverborgen,
Der Sonne Tag ist zu der Menschen Streben
Ein hohes Bild, und golden glänzt der Morgen.

Mit neuen Farben ist geschmückt der Gärten Breite,
Der Mensch verwundert sich, dass sein Bemühn gelinget,
Was er mit Tugend schafft, und was er hoch vollbringet,
Es steht mit der Vergangenheit in prächtigem Geleite.

 

 
Friedrich Hölderlin (20 maart 1770 – 7 juni 1843)
Die Neckarbrücke in Lauffen am Neckar waar Hölderlin werd geboren

Lees meer...

Hendrik Jan Schimmel

 

De Nederlandse dichter en schrijver Hendrik Jan Schimmel werd geboren in ’s-Graveland op 30 juni 1823. Schimmel was een zoon van de burgemeester en notaris van 's-Graveland Hendrik Poeraat Schimmel en van Sara Meyse. Ondanks het verzet van zijn vader tegen de literaire aspiraties van zijn zoon werd hij schrijver en dichter met een omvangrijk literair oeuvre. Hij publiceerde diverse toneelstukken, naast proza en poëzie. De componist Richard Hol componeerde de muziek bij diverse van zijn gedichten. Na een kostschoolopleiding werd Schimmel geplaatst op het notariskantoor van zijn vader om daar het vak van notaris te leren. Na het overlijden van zijn vader in 1842 ging hij werken bij het Agentschap der Schatkist te Amsterdam. In 1847 werd voor de eerste maal een toneelstuk van zijn hand, “Twee Tudors”, opgevoerd in de Amsterdamse Schouwburg. Zijn tweede toneelstuk “Joan Wouters” werd opgedragen aan de schrijver Jacob van Lennep, die zijn leermeester zou worden. Schimmel was inmiddels in dienst getreden bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij. In die tijd schreef hij “Oranje en Nederland”, ter gelegenheid van de inhuldiging van koning Willem II in 1849. Het stuk zou later ook opgevoerd worden bij het tweede huwelijk van koning Willem III in 1879 en bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina in 1898. Meerdere van zijn toneelstukken beleefden diverse herdrukken. In 1851 werd Schimmel redacteur van het literaire tijdschrift De Gids, een functie die hij zestien jaar zou vervullen. Ook was hij redacteur van de Nederlandsche Volksalmanak en van het tijdschrift Nederland. Zowel in De Gids als in het tijdschrift Nederland verschenen diverse gedichten van zijn hand. Schimmel, inmiddels bankdirecteur, was jarenlang voorzitter van de raad van beheer van de vereniging Het Nederlandsch Tooneel, waar hij zich inzette voor de belangen van het toneel. Hij werd door koning Willem III benoemd tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw.

 

Als 't uit de stilte spreekt!

Wat stemmen opgaand van rondom!
De Zelfzucht eischt en grauwt,
De Wanhoop schreeuwt de Hope stom
En verwt de jonkheid oud.
Zich zelv' vergeten 't hoogste doel!
Een nu dat 't gister wreekt....!
Hoor toe, ver van het slaggewoel,
‘Als 't uit de stilte spreekt!’
 
Wat bede om zieke- en stervensspond,
Wat beet in brein en hart,
Wat kreet bij nieuw geslagen wond,
Wat snik van oude smart:
Herinring van een laatsten groet
En van een oog dat breekt....!
Hoor toe - ge ontvangt licht troost en moed -
‘Als 't uit de stilte spreekt!’

 

 

Terug-Blik

'k Ben er wedergekeerd,
Waar mij 't eerst werd geleerd:
Min de Heer en de naaste als u-zelve;
Waar ik 't eerst, mij bewust,
Door mijn moeder gekust,
Het azuur van de hemel zag welven.

Ik herkende geen kluis,
'k Vond een vreemde in mijn huis,
En 't omsloot eens zo veel wat ik minde,
'k Vond geen schaâuw in de tuin,
Want geknakt was de kruin
Van de aloude, van Grootvaders linde.

'k Vond geen vriend in de stoet,
Die ter kerke zich spoedt.
En voorheen kende ik voornaam en have.
Maar de grijze zonk neer,
En de knaap van weleer,
Buigt het hoofd nu als grijze ten grave.

'k Heb de rustplaats gezocht
Voor mijn oudren gewrocht,
Op de vruchtbare akker der doden;
Maar de plek was mij vreemd,
Want de terp werd een beemd,
Overdekt door een dekbed van zoden.

'k Hief weemoedig het oog,
Maar daar tintelde omhoog,
In haar glans door de Tijd niet te doven,
De immer vriendlijke ster
Die me als kind reeds, van ver,
Zo vaak sprak van de woning daarboven.

 

 
Hendrik Jan Schimmel (30 juni 1823 - 14 november 1906)
Portret door Hendrik Johannes Haverman

18:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hendrik jan schimmel, romenu |  Facebook |

29-06-15

Ror Wolf, Vasko Popa, Oriana Fallaci, Giacomo Leopardi, Antoine de Saint-Exupéry, Anton Bergmann

 

De Duitse dichter en schrijver Ror Wolf (pseudoniem van Raoul Tranchirer) werd geboren op 29 juni 1932 in Saalfeld/Saale. Zie ook alle tags voor Ror Wolf op dit blog.

Uit: Verschiedene Möglichkeiten, die Ruhe zu verlieren

“Allenfalls ein paar Titelstümpfe kommen beim Ausgraben zum Vorschein: Stoßtrupp So¬undso/Calais sturmreif ja Mölders und seine Männer oder war es Prien? also gut: Prien und seine Männer in dieser Zeit mit Fanfarenstößen und Sondermeldungen, in der Schurschill, der dicke Lügenlord und der schwarze dünne Schamberlein eins nach dem andern auf die Nuß bekommen haben. Ich zog die Verdunklung herunter und las wahrscheinlich Panzerspähwagen westwärts. Oder ich saß nachts im Keller, mit dem Brummen darüber und gelegentlich mit den fernen, aber wirklich noch sehr fernen Detonationen und las: Bomber über Dünkirchen.
Diese Zeit war noch längst nicht vorbei. Doch eines Tages saß ich vielleicht in der Stube. Ich hatte die Raupen, die damals in ungeheuren Schwärmen über den Kohl wanderten, mitten im Fressen abgerissen und in den Bottich geworfen. Oder ich hatte Schnee geschaufelt vor der Haustür und Viehsalz gestreut. Und was nun? Vielleicht bin ich aufgestanden zweiundvierzig oder dreiundvierzig im Sommer oder im Winter und habe mich auf den Weg zum Herrenzimmer gemacht. Rechts entlang, an der Küche vorbei, in der es wahrscheinlich dampfte, weiter den langen Gang entlang, am Klosett vorbei, wo die Sonne hineinstach, durch das menschenleere Schlafzimmer und weiter durch eine neue Tür in einen anderen Gang, drei Stufen knarrend hinunter, links mein Zimmer, dann, ebenfalls links, das letzte Zimmer, das Herrenzimmer, in dem es im Sommer sehr heiß und im Winter sehr kalt war. Nehmen wir an, es war Sommer, dann war es sehr heiß. Oder nehmen wir eine gemäßigte Jahreszeit an, weder heiß noch kalt. Aber das spielt keine Rolle.”

 

 
Ror Wolf (Saalfeld/Saale, 29 juni 1932)

Lees meer...

Maarten Asscher

 

De Nederlandse dichter, prozaïst, vertaler en uitgever Maarten Asscher werd geboren op 29 juni 1957 in Alkmaar als zoon van de vermaarde rechtbankpresident Mr. B.J. Asscher. Maarten Asscher studeerde rechten, werkte in de uitgeverijwereld en werd in 1992 directeur van uitgeverij J.M. Meulenhoff in Amsterdam. In datzelfde jaar debuteerde Asscher met de verhalenbundel “Dodeneiland, vier geschiedenissen”. Twee verhalen hieruit keren terug in de bundel “Strindbergs dood” (1995). In beide verhalenbundels maakt Asscher gebruik van gegevens uit de werkelijkheid (een foto, een historisch gegeven o.i.d.) om daar vervolgens zijn fantasie op los te laten en daar in een precieuze stijl verslag van te doen. Een titel als “Dingenliefde” (2002) kan gelden als een voorbeeld van die werkwijze. “In Nachtvraat” (2002) nam Asscher naast proza ook poëzie op. In “Julia en het balkon” (1997) vertellen 21 ooggetuigen over de zelfmoord van Julia, een door het leven gemangelde verkoopster. “De verstekeling” (1999), een novelle, gaat over moord en persoonsverwisseling, maar in feite over schuld en onschuld.

 

Twee nocturnes

 

Uit bed
 
Steunen en trillen, brommen.
Het klaaglijk rillen.
Blote voeten op de tast.
Niet op zwarte tegels willen
lopen.
 
Gretig zuigen beide handen
zich aan de handgreep vast.
Honger, donker om te snijden.
 
Koud licht vormt ham en vla
en vlees en kaas en melk.
Breken en schrokken, klokken.
Brokken slikken.
 
Op mijn pyjamamouw de koele waas
die dooft,
als ik de resten van mijn aas
achter hun witte celdeur
weer laat stikken.
Een puber wordt zijn groei de baas.
 
 

 
Naar bed
 
Innig, namens alle slapers,
ligt haar kinderlijk gewicht
in de waagschaal van mijn armen.
 
Haar lichaam rust ondraaglijk licht
op de bodem van de slaap.
Vanaf de kant tuur ik omlaag.
 
Geen geest geeft haar adem.
Iets dierlijks heeft zij, anorganisch:
blindelings volmaakt.
Onaangeraakt.
 
Haar slaap vervult mijn dragen met
ontzag dat even onbeweeglijk maakt.
Zo rijk is haar overgave,
zo twijfelloos haar verzinken
in onbeschaamde kwetsbaarheid.

 

 

 
Maarten Asscher (Alkmaar, 29 juni 1957)

Bewaren

19:05 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: romenu, maarten asscher |  Facebook |

28-06-15

A Day Off (Lucy Maud Montgomery)

 

Dolce far niente

 

 
Sleeping Angel door Kelly Borsheim, 2010-2012

 

 

A Day Off

Let us put awhile away
All the cares of work-a-day,
For a golden time forget,
Task and worry, toil and fret,
Let us take a day to dream
In the meadow by the stream.

We may lie in grasses cool
Fringing a pellucid pool,
We may learn the gay brook-runes
Sung on amber afternoons,
And the keen wind-rhyme that fills
Mossy hollows of the hills.

Where the wild-wood whisper stirs
We may talk with lisping firs,
We may gather honeyed blooms
In the dappled forest glooms,
We may eat of berries red
O'er the emerald upland spread.

We may linger as we will
In the sunset valleys still,
Till the gypsy shadows creep
From the starlit land of sleep,
And the mist of evening gray
Girdles round our pilgrim way.

We may bring to work again
Courage from the tasselled glen,
Bring a strength unfailing won
From the paths of cloud and sun,
And the wholesome zest that springs
From all happy, growing things.

 

 

 
Lucy Maud Montgomery (30 november 1874 – 24 april 1942)
Clifton, nu New London, vuurtoren. Lucy Maud Montgomery werd geboren in Clifton

 

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juni ook mijn blog van 28 juni 2014 deel 1 en ook deel 2.

27-06-15

Lucille Clifton, Rafael Chirbes, E. J. Potgieter, Kees Ouwens, Dawud Wharnsby, Zsuzsanna Gahse

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

 

I Am Accused Of Tending To The Past

i am accused of tending to the past
as if i made it,
as if i sculpted it
with my own hands. i did not.
this past was waiting for me
when i came,
a monstrous unnamed baby,
and i with my mother's itch
took it to breast
and named it
History.
she is more human now,
learning languages everyday,
remembering faces, names and dates.
when she is strong enough to travel
on her own, beware, she will.

 


Homage To My Hips

these hips are big hips.
they need space to
move around in.
they don't fit into little
petty places. these hips
are free hips.
they don't like to be held back.
these hips have never been enslaved,
they go where they want to go
they do what they want to do.
these hips are mighty hips.
these hips are magic hips.
i have known them
to put a spell on a man and
spin him like a top

 

 
Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

Lees meer...

Catherine Cookson, Marcus Jensen, João Guimarães Rosa, Gaston Bachelard, James Woodforde, Helen Keller

 

De Engelse schrijfster Catherine Cookson (pseudoniem van Kate McMullen) werd geboren in Tyne Dock, County Durham op 27 juni 1906. Zie ook alle tags voor Catherine Cookson op dit blog.

Uit: Kate Hannigan's Girl

"'Well, don't get so mad, you asked me to tell you. She said it wasn't a real marriage because you are Catholics, and it was in a registry office, and the priest said that in the sight of God and all Catholics they are living in sin. That's what she said.'
'0h, she's wicked...wicked, wicked! They are married. What else did she say?' Annie demanded, her eyes wide.
'She said...Oh, it doesn't matter.'
'It does! It does! What did she say?' There was the urgency of self-torture in her voice; she knew quite well what Cathleen had said, but she must hear it aloud.
'Well, it doesn't matter two hoots to me, you know, but she said you hadn't got a da either. She said Kate -- your mother -- had never been married.'
Annie had never ridden so hard in her life, and when she reached the gate to the wood the perspiration was running down her face. When Brian had attempted to ride with her she had pushed him so hard that he saved himself from falling only by dismounting, and she had pedalled away like a wild thing.
Inside the gate and out of sight of the road, she flung her cycle on to the grass and ran, stumbling and crying, along the path through the wood...Oh, Cathleen Davidson, you wicked, wicked thing! Oh, how could you tell Brian! That's why some of the girls in the convent school had cut her. And everybody would know now. The nuns would know...Sister Ann...Sister Ann would know. Oh, Cathleen Davidson, I hate you! I don't care if it is a sin, I do hate her. And Mam is married, she is!...”

 

 
Catherine Cookson (27 juni 1906 – 11 juni 1998)

Lees meer...

26-06-15

Aimé Césaire, Jacqueline van der Waals, Yves Beauchemin, Elisabeth Büchle, Laurie Lee, Pearl S. Buck, Branwell Brontë

 

De Afrocaraïbische schrijver en politicus Aimé Césaire werd geboren op 26 juni 1913 in Basse-Pointe, Martinique. Zie ook alle tags voor Aimé Césaire op dit blog.

 

Notebook of a Return to the Native Land (Fragment)

   At the end of daybreak. . .
   Beat it, I said to him, you cop, you lousy pig, beat it,
I detest the flunkies of order and the cockchafers of hope.
Beat it, evil grigri, you bedbug of a petty monk. Then I turned
toward paradises lost for him and his kin, calmer than the face
of a woman telling lies, and there, rocked by the flux of a
never exhausted thought I nourished the wind, I unlaced the
monsters and heard rise, from the other side of disaster, a
river of turtledoves and savanna clover which I carry forever
in my depths height-deep as the twentieth floor of the most
arrogant houses and as a guard against the putrefying force
of crepuscular surroundings, surveyed night and day by a cursed
venereal sun.

   At the end of daybreak burgeoning with frail coves, the hungry
Antilles, the Antilles pitted with smallpox, the Antilles dyn-
amited by alcohol, stranded in the mud of this bay, in the dust
of this town sinisterly stranded.

   At the end of daybreak, the extreme, deceptive desolate eschar
on the wound of the waters; the martyrs who do not bear witness;
the flowers of blood that fade and scatter in the empty wind
like the screeches of babbling parrots; an aged life mendacious-
ly smiling, its lips opened by vacated agonies; an aged poverty
rotting under the sun, silently; an aged silence bursting with
tepid pustules,
   the awful futility of our raison d’être.

   At the end of daybreak, on this very fragile earth thickness
exceeded in a humiliating way by its grandiose future—the vol-
canoes will explode, the naked water will bear away the ripe
sun stains and nothing will be left but a tepid bubbling pecked
at by sea birds—the beach of dreams and the insane awakening.

   At the end of daybreak, this town sprawled-flat, toppled from
its common sense, inert, winded under its geometric weight of
an eternally renewed cross, indocile to its fate, mute, vexed
no matter what, incapable of growing with the juice of this
earth, self-conscious, clipped, reduced, in breach of fauna
and flora.

 

Vertaald door Clayton Eshleman

 

 
Aimé Césaire (26 juni 1913 – 17 april 2008)

Lees meer...