03-12-15

Hendrik Conscience, Joseph Conrad, Herman Heijermans, Grace Andreacchi, Ugo Riccarelli, France Prešeren, F. Sionil José

 

De Vlaamse schrijver Henri (Hendrik) Conscience werd geboren in Antwerpen op 3 december 1812. Zie ook alle tags voor Hendrik Conscience op dit blog.

Uit: De Leeuw Van Vlaanderen Of De Slag Der Gulden Sporen

"Wee degene die mij raakt!" riep hij met kracht. "De raven van Vlaanderen zullen mij niet eten; zij vreten liever Frans vlees!"
"Val aan, lafaards!" riep De Chatillon tegen zijn knapen. "Val aan dan! Zie die bloodaards!--Zijt gij bang van een mes? Mocht ik mijn handen aan die Laat vuil maken; maar ik ben edel. Grauw tegen grauw, het is uw taak. Loopt hem dan over 't lijf."
Enige der omstaande ridders poogden De Chatillon te bedaren, doch de meesten stemden in deze daad en hadden de Vlaming gaarne aan een strop gezien. Ongetwijfeld zouden de knapen, door hun meesters opgehitst, de jongeling overvallen en verwonnen hebben; maar nu naderde de ridder die enige stappen van daar in diepe gepeinzen had gewandeld. Zijn kleding en uitrusting ging die der andere ridders ver in pracht te boven; het schild dat op zijn borst gewrocht was, droeg drie gulden leliën op een blauw veld, onder een graaflijke kroon. Dit beduidde dat hij van koningsbloede was.
"Hou op!" riep hij met streng gelaat tegen de knapen, en zich tot De Chatillon kerende sprak hij: "Mijnheer!... Gij schijnt te vergeten, dat ik Vlaanderen van mijn broeder en koning Philippe te leen heb. Die Vlaming is mijn vazal.--Gij hebt geen recht op zijn leven, mits hij mij alleen toebehoort."
"Zal ik mij dan door een boer bespotten laten?" vroeg De Chatillon met spijt. "Waarlijk Graaf, ik versta niet waarom gij altijd het geringe volk tegen de Edelen voorstaat. Zal die Vlaming zich beroemen dat hij een Franse ridder ongestraft gehoond heeft? En zegt gij het, Mijne heren, heeft hij de dood niet verdiend?"
"Mijnheer De Valois," antwoordde De St.-Pol, "verleen mijn broeder de kleine vertroosting, die Vlaming te zien hangen. Wat geeft het leven van die koppige Laat aan uw prinselijke Hoogheid?"
"Hoort, Mijne heren!" riep Charles de Valois met toorn. "Mij is uw losse taal ten hoogste onaangenaam. Het leven van een onderdaan is mij van groot gewicht, en ik begeer dat men de jongeling ongehinderd late. Te paard, Mijne heren! Te veel tijds is dit verspild."

 

 
Hendrik Conscience (3 december 1812 – 10 september 1883)
De Slag der Gulden Sporen door Nicaise de Keyser, 1836

Lees meer...

02-12-15

Frédéric Leroy, Botho Strauß, Ann Patchett, Hein Boeken, T. C. Boyle, George Saunders, Jacques Lacarrière

 

De Vlaamse dichter Frédéric Leroy werd geboren op 2 december 1974 in Blankenberge. Zie ook alle tags voor Frédéric Leroy op dit blog.

 

Laatste oriëntatie: het falen van de queeste

Stilstaan
in een anonieme straat
ach vooruit, een boulevard
met de naam van een generaal
die nooit een oorlog heeft gevochten
ergens tussen nummer 10 en nummer 12
(omdat je je ook tussen de nummers kunt ophouden)
terwijl je voelt hoe een krentengezicht je begluurt
vanuit nummer 7 omdat je gekeerd staat
naar nummer 9 en wie weet wat daar
nog achter de gordijnen
schuilt.

Je wou de stad zien

maar keer op keer wanneer je meende
eindelijk oog in oog te staan met het monster
verscheen opnieuw het woud, het vertrouwde treurspel
van predator en prooi – het ogenblik dat bevriest
tussen het in aarde wroeten en het graaien
van klauwen in, wanneer bomen
van elkaar gaan verschillen.

Je verstopt
zorgvuldig uitgekozen woorden
tussen de bakstenen en luistert hoe ze ruisen
als eikenbladeren terwijl je voortschrijdt en hoopt
op een zwerm onnavolgbare vogels, een luchtschip
met fiere zwarte zeilen.

 

 

Blankenberge

Zij (belegen sloerie)
speelt het link, doet zich voor
als dame, koketteert en vouwt zich open
als een strandparasol, deelt vanille-ijs uit
en verse Berlijnse bollen, kirt van plezier
tijdens hoge, dwaze rondjes op de velodroom,
wuift als een diva naar de uitzinnige massa
die haar schelpjes voor de voeten gooit;
men adoreert haar, likt haar tenen,
offert haar klaprozen uit cellofaan
en op de stadhuisvlag prijken
(als smaakloos eerbetoon)
haar blanke borsten.

Maar, onder haar zware rokken
stinkt ze naar algen – het is leedvermaak
dat ze als zandkorrels hoorbaar laat knarsen
(wanneer tevergeefs een halfdappere augustuszon
zich in staketselhout vast probeert te bijten,
zware golven de zomerkleuren wegspoelen
met vunzig, schuimend water).

Zij, ach ja, zij
is oorspronkelijk – de gestrande gedachte
van een garnaalvisser die zwijgend de kim beloert
(de ruggengraat tussen land en zee geklemd,
op zijn schouders het tumult van kleiduivels
die van de zee niet weten, kermissen houden,
dansen rond het vuur),

en met betonnen vingers grijpt ze
naar de hemel, terwijl klokkengeluid
alweer een nieuw kadaver aankondigt
in deze stad van stervenden, deze kanker
die gulzig teert op bejaardenrot.
Zij, mijn lief,
is een viswijf dat ruikt naar pis,
voorbijgangers te lijf gaat met droge wijting,
zand in open ogen strooit,
en toch, en toch,
mijn bleke geuzenhart draagt haar
hoog als het schuim op de golven.

 

 
Frédéric Leroy (Blankenberge, 2 december 1974)
Blankenberge vanuit de lucht

Lees meer...

01-12-15

Pierre Kemp, Daniel Pennac, Tahar Ben Jelloun, Billy Childish, Henry Williamson, Ernst Toller

 

De Nederlandse dichter Pierre Kemp werd geboren in Maastricht op 1 december 1886. Zie ook alle tags voor Pierre Kemp op dit blog.

 

Brood

Ik zie het brood en lach maar stil
en snuif héél langzaam aan de goede geur.
Ik ruik het hart en de gebakken schil
ieder voor zich en in zij eigen kleur.
Ik keer het om en voel naar zijn gewicht
en tast 't relief af met een tere hand.
heeft ieder brood niet een eigen gezicht,
als kwamen er geen twee broden van één land?

 

 

Verloofden

Als hij mij een hand geeft,
kleedt hij mijn vingers uit.
Toch verlang ik zo naar dit
contact met mijn huid.
Als hij met een vinger de split
van mijn vingers beroert, word ik rood
en voel ik mijn schoot.
Wij glimlachen, het doet ons goed.
Is het wel, als het moet?
Maar ik geef toe
en doe, en doe, en doe.

 

 

Dichterschemering

Het wordt erg stil om mij.
Alles rond me begint te lopen
op kussens. De zon, de bomen,
de bloemen staan gordijnen te kopen.
De muziek rijdt al in flessen voorbij.
Het duurt niet lang meer met mij.

 

 
Pierre Kemp (1 december 1886 - 21 juli 1967)

Lees meer...

Herinnering aan Ramses Shaffy

 

Herinnering aan Ramses Shaffy

Nederlands grootste chansonnier Ramses Shaffy is vandaag precies zes jaar geleden op 76-jarige leeftijd overleden.

De Nederlandse chansonnier en acteur Ramses Shaffy werd op 29 augustus 1933 geboren in de Parijse voorstad Neuilly-sur-Seine als zoon van een Egyptische diplomaat en een Poolse gravin van Russische afkomst. Zie ook alle tags voor Ramses Shaffy op dit blog.

 

 
Ramses Shaffy (29 augustus 1933 – 1 december 2009)

 

Sammie

sammie loop niet zo gebogen
denk je dat ze je niet mogen
waarom loop je zo gebogen sammie
met je ogen sammie op de vlucht
hoog sammie
kijk omhoog sammie
want daar is de blauwe lucht

sammie loop niet zo verlegen
zo verlegen door de stegen
waarom loop je zo verlegen sammie
door de regen sammie van de stad
hoog sammie
kijk omhoog sammie
want dan word je lekker nat

sammie
kromme kromme sammie
dag sammie
domme domme sammie
kijkt niet om zich heen
doet alles alleen
en vind de wereld heel gemeen

sammie wil bij niemand horen
zich door niets laten verstoren
toch voelt hij zich soms verloren sammie
hoge toren sammie kan niet aan
hoog sammie
kijk omhoog sammie
want daarboven lacht de maan

sammie wilt met niemand praten
maar toch voelt hij zich verlaten
waarom voel je je verlaten sammie
op de straten sammie van de stad
hoog sammie
kijk omhoog sammie
want dan word je lekker nat

sammie
kromme kromme sammie
dag sammie
domme domme sammie
kijk niet om zich heen
doet alles alleen
en vind de wereld heel gemeen

sammie wil heus wel veranderen
maar is zo bang voor de anderen
waarom zou je niet veranderen sammie
want de anderen sammie zijn niet kwaad
hoog sammie
kijk omhoog sammie
anders is het vast te laat
sammie loopt maar door de nachten
op een wondertje te wachten
wie zou dit voor jouw verzachten sammie
want jou nachten sammie zijn zo koud
hoog sammie
kijk omhoog sammie
er is 1 die van je houdt.

 

16:16 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ramses shaffy, romenu |  Facebook |

30-11-15

Christophe Vekeman, Y.M. Dangre, David Nicholls, Yasmine Allas, Reinier de Rooie, Jan G. Elburg, Mark Twain

 

De Vlaamse schrijver, dichter en performer Christophe Vekeman werd geboren in Temse op 30 november 1972. Zie ook alle tags voor Christophe Vekeman op dit blog.

Uit: Een uitzonderlijke vrouw

“Voor wie lessen heeft getrokken uit het leven en dus uit ervaring meent te weten dat alles altijd slecht afloopt, zijn er natuurlijk redenen genoeg om nooit ergens nog een begin aan te maken, maar Gwen was pas een kleuter toen ze de gewoonte aannam om zo weinig mogelijk te ondernemen. Urenlang zat zij zonder zich noemenswaardig te bewegen op de donkerrode, ribfluwelen bank in de veranda dromerig voor zich uit te staren, of ze lag in de zomervakantie dagen achtereen op haar buik in de tuin terwijl zij steeds opnieuw dezelfde tien grassprietjes telde met de toppen van haar strelende vingers.
‘Dat meisje verveelt zich nog dood!’ klaagde haar moeder, en alsof Gwen geen enig kind was, maar integendeel de laatste in een haast eindeloze rij broers en zussen, voegde zij eraan toe:
‘Dit heb ik echt nog nooit meegemaakt!’ Dat verveling doorgaans juist gepaard gaat met het soort van taaie rusteloosheid dat Gwen nu eenmaal volkomen ontbeerde, scheen ze daarbij niet te beseffen, zoals het blijkbaar ook geen moment bij haar opkwam dat haar dochter zich simpelweg gelukkig voelde op die bank of in de tuin, te gelukkig om iets aan haar toestand te willen veranderen.
‘Maar is er dan niets wat je zou willen doen?’
‘Ik doe toch iets?’
‘Wat doe je dan?’
‘Gewoon.’
Verveling? Hooguit verveelde haar het gezeur van haar moeder als die erop stond dat ze met de kinderen uit de buurt zou gaan spelen (ook toen zij zelf nog kind was, kende zij de grootste moeite om het gezelschap van kinderen naar waarde te schat-ten), haar zou helpen met de voorbereidingen van de avondmaaltijd (ze wist dat ze geen hulp wás; ze liet dingen vallen en liep in de weg) of desnoods (geeuw geeuw) een puzzel zou leggen. Maar zolang zij alleen was, niet door anderen gestoord, had zij volmaakt voldoende aan de kalme, smetteloze leegte in haar hoofd.”

 

 
Christophe Vekeman (Temse, 30 november 1972)

Lees meer...

29-11-15

Advent Hymn (Ada Cambridge)

 

Bij de eerste zondag van de Advent

 

 
De verkoop van kerstbomen door David Jacobson (1818-1891)

 

 

Advent Hymn

Another mile—a year
Pass'd by for ever! And the warnings swell
From upper heaven to darkest depths of hell,—
O we are drawing near!

All through the waiting lands
Dim signs and tokens, if unheeded, throng;
We feel them thickening as we pass along,
Holding out fearful hands.

Light! which in love sent down
That tender gleam on Eden's darken'd bowers,
When sin had breathed the blight upon the flowers
Whereof death made his crown:—

Light! which did deign to stamp
The tables on that Arab mountain-crest;—
Light! which, in shrouded glory, once did rest
On Israelitish camp:—

O day! whose dawn was spread,
Golden and clear, on Judaea's terraced hills,—
O shining noon! whose waxèd beauty thrills
Earth and her quick and dead:—

Come to our hearts, we pray!
Through open doors let gracious gleams come in;
Fill us with light and life, and let the sin
And darkness pass away.

Lord, waken us who sleep,
Strengthen the feeble knees and weak hands now;
Teach us, with prayer and work, to measure how
The stealthy minutes creep.

Let not our lamp be dim
When in the night we hear the footsteps fall
Upon our threshold,—let death find us all
Watching in peace for him.
Let us lie down to rest
In surest hope of endless life in store,
With happy reverent hands, that strive no more,
Folded across our breast.

And when the angels come,
And the sharp echo of the herald's cry
Pierces the dark and stillness where we lie
Cold in our sleep, and dumb,—

May we arise, O King!
In bridal garments, beautiful and white;
And do Thou, coming in Thy godly might,
Our crown of glory bring.

 

 
Ada Cambridge (21 november 1844 - 19 juli 1926)
Maria en kind op de lambrizering in St Mary the Virgin’s Church in Wiggenhall St Germans.
Ada Cambridge werd geboren in Wiggenhall St Germans

 

 

Zie voor de schrijvers van de 29e november ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

12:44 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ada cambridge, advent, romenu |  Facebook |

Mario Petrucci, Jean Senac, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis, Wilhelm Hauff, Louisa May Alcott, Franz Stelzhamer

 

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook alle tags voor Mario Petrucci op dit blog.

 

BREAD
(Southwell Workhouse)

We’re men half-
baked – swinging
lead-heavy sledges

over our heads
on elbowy sticks
of bread. Hour

by hour: men
of flour. Saved by
a pinch of salt.

Here because
we ought to use
our loaf. Because

men of fire eat
iron.
Rust. Entire
nations. But we

float through days
on crusts. Dawn
to dusk each raft

the same. Like
us. Each slice we
are – adrift on

a basin of gruel.
Breakfast. Dinner.
Supper. One fuel.

And when at last
we rise to heaven
then I suppose

we’ll be made
to mow His fields
divine with wheat –

move mountains
of holy yeast – and
reach back down

to knead (one
by one) each grey
cloud of dough.

 

 

Ukritye
(Chernobyl, 1986)

Even the robots refuse. Down tools. Jerk up
their blocked heads, shiver in invisible hail. Helicopters

spin feet from disaster, caught in that upwards cone
of technicide – then ditch elsewhere, spill black running guts.

Not the Firemen. In rubber gloves and leather boots
they walk upright, silent as brides. Uppers begin

to melt. Soles grow too hot for blood. Still they shovel
the graphite that is erasing marrow, spine, balls –

that kick-starts their DNA to black and purple liquid life.
Then the Soldiers. Nervous as children. They re-make it –

erect slabs with the wide stare of the innocent, crosshatch
the wreck roughly with steel, fill it in with that grey

crayon of State Concrete. In soiled beds, in the dreams
of their mothers, they liquefy. Yet Spring still chooses

this forest, where no deer graze and roots strike upwards.
Fissures open in the cement – rain finds them. They grow:

puff spores of poison. Concrete and lead can only take
so much.
What remains must be done by flesh.

 

 
Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)

Lees meer...

Ludwig Anzengruber, Maurice Genevoix, Antanas ¦kėma, Madeleine L’Engle, Silvio Rodríguez, Andrés Bello

 

De Oostenrijkse schrijver Ludwig Anzengruber werd geboren op 29 november 1839 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ludwig Anzengruber op dit blog.

Uit: Wie mit dem Herrgott umgegangen wird. Eine Geschichte mit einigen »Merks«

„Es ist eine arge Welt, einer macht's dem andern und der liebe Gott allen zusammen nie recht. Es ist eine hübsche Sache um die Frömmigkeit, aber wenn einer um Sonnenschein und der andere auf dem nämlichen Fleck um Regen betet, da möcht' ich wohl einen dritten zum Herrgott machen und zusehen, was der bei all seiner Allmacht anfinge, um es mit keinem von den beiden zu verderben.
Im Norden sind die Menschen etwas kühler und nehmen's nicht gleich übel, wenn er sich etwas schwerhörig stellt, aber im Süden da sind sie heißblütig und werden sehr ungehalten: da ist es denn für dort eine ganz gute Einrichtung, daß man zwischen Gott und die aufdringlichen Beter die lieben Heiligen eingeschoben hat, die nun freilich für jede unerfüllte Bitte aufkommen müssen.
Wahrhaftig, so ein Heiliger ist nicht zu beneiden und ich möcht' keiner werden; denn abgesehen davon, daß die Erreichung einer solchen hohen Stelle auf der Erde mit manchen Unannehmlichkeiten und Umständlichkeiten verknüpft ist, so muß ja einer im Himmel ganz höllisch aufpassen, daß er tagüber keine Anrufung vergißt, so daß ihm fast keine Zeit bleibt, sich der ewigen Seligkeit zu erfreuen, höchstens zur Nachtzeit, aber solche übernächtige Seligkeit verträgt sich wieder tags darauf spottschlecht mit den Berufsgeschäften, wie manche gar wohl wissen, die gerade keine Heiligen sind.
Ja, es ist eine hübsche Sache um die Frömmigkeit, wenn es nur nicht manche so weit versehen möchten, daß ihr Gebet einer Lästerung auf ein Haar gleicht. Da war einmal eine öffentliche Dirne, die hat einen jungen Menschen zu berücken gewußt, daß er eine Zeitlang zu ihr gehalten hat; nun sind ihm denn doch endlich die Augen aufgegangen und das war ein Glück für ihn, sonst wäre er ja ein verlorener Mensch gewesen, und er hat das Weibsbild verlassen. Aber die Allerweltsliebste war darüber gar sehr betrübt und was thut sie? In die Kirche geht sie und betet zur »allerreinsten Jungfrau Maria«, dieselbe möge ihr das Herz ihres Buhlen wieder zuwenden, damit die unsaubere Liebschaft ihren Fortgang haben könne. Wenn das nicht gelästert ist, dann weiß ich überhaupt nicht, was Beten heißt und sein soll.
Ueber das Stück lacht wohl keiner, dazu ist's nicht angethan und steht nur da, damit man sieht, was manche für Anliegen vor die Heiligen bringen, denn es ist eine wahrhaftige Thatsache und nicht erfunden. Was aber den Heiligen in Welschland begegnen kann, das will auch erzählt werden und darüber könnten sie selber lachen, falls sie es im Himmel nicht verlernt haben.“

 

 
Ludwig Anzengruber (29 november 1839 – 10 december 1889)
Gedenksteen in Wenen (detail)

Lees meer...

George Szirtes

 

De Britse dichter en schrijver George Szirtes werd geboren op 29 november 1948 in Boedapest. Szirtes kwam in 1956 als vluchteling naar Engeland op de leeftijd van 8 jaar. Na een paar dagen in een legerkamp, ​​gevolgd door drie maanden in een off-season pension aan de kust van Kent, samen met andere Hongaarse vluchtelingen, verhuisde zijn familie naar Londen, waar hij werd opgevoed en naar school ging. Hij studeerde vervolgens Fine Art in Londen en Leeds. Tot zijn docenten op Leeds behoorde de dichter Martin Bell. Zijn gedichten begonnen in nationale tijdschriften te verschijnen in 1973 en zijn eerste boek “The Slant Door” werd gepubliceerd in 1979. Het won een jaar later de Geoffrey Faber Memorial Prize. Szirtes heeft diverse prijzen gekregen voor zijn werk, meest recentelijk in 2004 de TS Eliot Prize, voor zijn verzameling “Reel” en de Bess Hokin Prize voor gedichten in Poetry magazine in 2008. Voor zijn vertalingen van Hongaarse poëzie, fictie en drama ontving hij ook vele prijzen. Szirtes woont in Wymondham, Norfolk, na zijn vertrek uit het het onderwijs aan de Universiteit van East Anglia in 2013. Hij is getrouwd met de kunstenaar Clarissa Upchurch, met wie hij The Starwheel Press leidde en die verantwoordelijk is geweest voor het grootste deel van zijn boekcovers.

 

Water

The hard beautiful rules of water are these:
That it shall rise with displacement as a man
does not, nor his family. That it shall have no plan
or subterfuge. That in the cold, it shall freeze;
in the heat, turn to steam. That it shall carry disease
and bright brilliant fish in river and ocean.
That it shall roar or meander through metropolitan
districts whilst reflecting skies, buildings and trees.

And it shall clean and refresh us even as we slave
over stone tubs or cower in a shelter or run
into the arms of a loved one in some desperate quarter
where the rats too are running. That it shall have
dominion. That it shall arch its back in the sun
only according to the hard rules of water.

 

 

Chairs

It was the empty chairs he feared,
not those with a proper behind rammed into them,
not those littered with stray bits of food or waste paper.

It was the voices that did not speak,
the wheezes and creaks the chairs didn’t make.
The kicking over, the collapse,
the broken legs of chairs, the everyday business.

To see them ranged about a table
turned in on themselves as for a ritual,
that was the unsettling thing, and that one there,
yes, that one with its open arms
and its invitation to sit,
its somnolence, its stab at dignity
its emptiness, was the very devil.

 

 

The cloud’s hair

Which can be brushed out long and fine
to lie across a pillow
or bunched and scrunched into an angry
knot of rain before it is undone,
when long hanks of it hang
over the horizon like curtains,
the whole sky shaking
its beautiful dense head.

 

 
George Szirtes (Boedapest, 29 november 1948)

12:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: george szirtes, romenu |  Facebook |

28-11-15

Erwin Mortier, Alberto Moravia, Hugo Pos, Stefan Zweig, Sherko Fatah, William Blake

 

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook alle tags voor Erwin Mortier op dit blog.

Uit: Les dix doigts des jour (Alle dagen samen. vertaald door Marie Hooghe)

Car les mots ne se montrent pas encore à lui. Il ne peut boire qu’à petites gorgées à leurs coupes. 
« On ne peut pas dire qu’il a la langue bien pendue, dit, maman. S’il tient quelque chose de son père... Mais Dieu sait tout ce qui mijote dans cette petite caboche. » 
Sa voix tourne en rond et se rembobine d’elle-même quand elle est au bout de la chanson, elle tapote des touches et frappe des cymbales. Elles croient qu’elles parlent, maman, grand-maman, tante Cactus, mais elles sont seulement, comme dit parfois papa, des grandes machines à trompette où il n’y a pas de bouton pour couper le son quand la mélodie ne vous plaît plus.
(…)

Quand papa vient m’éveiller, je rêve de grands papillons de nuit dans la haie de troènes. Ils frétillent sur le drap quand je m’assieds et frotte les fils de mes yeux. 
Il me soulève et me prend dans ses bras. Je pose mon cou sur l’arrondi de sa nuque et me laisse retomber par-dessus ses épaules pour compter le bord de chaque marche pendant que nous descendons. Il y en a dix et sept. 
Quand nous arrivons en bas, je crie « Bravo ». Je veux taper dans mes mains, mais papa attrape mes doigts dans son poing. 
Autour du lit en bas, les gens rient dans leur barbe. 
Arrière-grand-père réfléchit sérieusement, les couvertures sont tirées jusque sous son menton. Ses fausses dents, il les a mises dans un verre sur la tablette de la fenêtre, ainsi il peut rire sans se fatiguer pendant qu’il meurt. 
« Chuut », dit papa. 
Arrière-grand-père se redresse. Regarde autour de lui avec des yeux qui n’ont encore jamais été aussi grands. 
« Tous ces gens, dit-il. Tous ces gens », et il retombe sur les draps. 
Les gens hoquètent de rire. 
Toi aussi, maman.”

 

 
Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

Lees meer...

Alexander Blok, Rita Mae Brown, Julian Randolph Stow, Philippe Sollers, Nancy Mitford

 

De Russische schrijver en dichter Alexander Blok werd geboren op 28 november 1880 in St. Petersburg. Zie ook alle tags voor Alexander Blok op dit blog.

 

The night

The night. The street. Street-lamp. Drugstore.
A meaningless dull light about.
You may live twenty-five years more;
All will still be there. No way out.

You die. You start again and all
Will be repeated as before:
The cold rippling of a canal.
The night. The street. Street-lamp. Drugstore.

 

Vertaald door Vladimir Markov en Merrill Sparks

 

Here We Live..

Here we live in ancient chambers
By the water strings.
Here at spring the gladness rambles,
And the river sings.

As the gaiety's first message,
With the first spring gales,
There will pour the blazing azure
In the doors of cells.

And quite full of sacred shudder
Of the years of dreams,
Through the fields we'll gaily ride in
Bless of dazzling beams. 

 


My Monastery, Where..

My monastery, where I’m badly pining,
Is granite, melted by the burning mind.
I’m strangled and blinded under this heat, lying,
And leave it, trying a new cell to find…

There’ll be still heat, but one that’s always warming.
The bloody ball will melt my brain to ash,
I’ll lose my mind in ways, the more calming,
Than in this one, oppressing blood and flesh.

Where’s the new cell? Where is my cloister, novel?
Not on the skies, the grave’s darkness behind,
But on the Earth it’s healthy one and low,
Where I’ll find all, when having lost my mind!...

 

Vertaald door Yevgeny Bonver

 

 
Alexander Blok (28 november 1880 – 7 augustus 1921)
Portret door Ladunya, 2010

Lees meer...

Yves Thériault , Dawn Powell, Dennis Brutus, Carl Jonas Love Almqvist

 

De Canadese schrijver Yves Thériault werd geboren op 28 november 1915 in Quebec. Zie ook alle tags voor Yves Thériault op dit blog.

Uit:Le Dernier Havre

L'histoire est toute simple, et tient en une phrase : c'est un vieux pêcheur - d'âge incertain, 80, 90, qui tient ces comptes-là, dans son univers ? – qui remet en état en douce une vieille barque échouée, afin de faire son dernier voyage.
Mais c'est surtout l'occasion pour lui de se raconter, de nous faire partager sa vision – savoureuse, ô combien – de la vie. le tout avec ce merveilleux accent québécois, qu'on entend, à travers les mots, et dans la beauté flamboyante et amicale de la Gaspésie, ah, on bave d'envie.
C'est beau, c'est du miel pour les yeux et les oreilles, d'ailleurs, c'est impossible de garder ça pour soi, on n'a qu'une envie, c'est de le lire à haute voix à quelqu'un.
« Raisonner, en ce bas monde, vous savez ce que c'est ? Pourvu que vous pensiez comme tout le monde, le plus niaisement possible, c'est ça, raisonner. Jour après jour, vivre de la même manière ; jour après jour, penser comme pense le voisin, faire attention pour pas avoir une idée un peu audacieuse, un peu risquée, un peu plaisante. Oui, j'ai bien dit plaisante. Se conformer, marcher dans les traces du premier qui a marché, prendre garde de pas voir le beau du temps ou la grâce des fleurs, fuir tout ce qui pourrait être étrivant ou tentant, c'est ça, vivre, pour la plupart des gens.
[…]
Tout ça pour dire que nous autres, les vieux, loin d'avoir les idées aussi ankylosées que les genoux, on est souvent rendu au point où on voit plus clair que bien des jeunes, et que le vrai progrès, on le salue avec plaisir…
Et que même si on semble radoter, on a le plus souvent cent fois de lucidité comme les gens pris dans la routine, qui ont peur de penser par eux-mêmes, au cas où ça serait mal vu. »

 

 
Yves Thériault (28 november 1915 – 20 oktober 1983)

Lees meer...

27-11-15

Navid Kermani, Philippe Delerm, Han Kang, James Agee, Nicole Brossard, Jos. Habets, Friedrich von Canitz

 

De Duits-Iraanse schrijver en islamist Navid Kermani werd geboren op 27 november 1967 in Siegen. Zie ook alle tags voor Navid Kermani op dit blog.

Uit: Der Schrecken Gottes

„Solange meine Erinnerung zurückreicht, versorgte er die Häuser aller Verwandten und Bekannten, auch jener, die in Europa und den Vereinigten Staaten leben, mit einem selbstentworfenen braunen Poster, auf dem «Remember God» in drei Sprachen stand, auf englisch, arabisch und persisch. Bei meinen Eltern hängt es noch heute im Flur.
Herr Ingenieur war fromm, aber nie kleingeistig. Ich war jung, um seine Größe zu überblicken, mein ältester Bruder jedoch berichtete mir, wie der Herr Ingenieur ihn einmal während der Ferien in Teheran zur Seite nahm und auf dessen Hosenlatz deutete. Mein Bruder stand damals kurz vor der Geschlechtsreife, die im Islam mit der Verpflichtung zum Ritualgebet einhergeht.
– Paß mal auf, sagte er meinem Bruder, du wirst bald an deinem Körper etwas ganz Besonderes und sehr Schönes bemerken. Dein Glied wird manchmal groß und fest werden, und vielleicht wachst du auch mal eines Morgens mit einem Flecken vorn in der Hose auf oder bemerkst, daß es Spaß macht, mit deinem Glied zu spielen. Vielleicht wird dann etwas Weißes aus deinem Glied spritzen, eine Flüssigkeit, die aussieht wie Milch. Das ist nicht schlimm. Das ist etwas Wunderbares. Das ist eines der schönsten Geschenke, die Gott uns gibt. Du mußt dich nicht schämen oder dich fürchten. Du darfst es genießen.
Bei allem Frohlocken über die Wohltaten Gottes vergaß Herr Ingenieur Kermani nicht, meinen Bruder auf die bevorstehende Verpflichtung zum Ritualgebet hinzuweisen. Daß ihm die Sexualität göttlich vorkam, machte ihn nicht zum Freigeist. Er nahm es als einen Grund mehr, Gott zu danken. Gott zu lieben hieß für den Herrn Ingenieur, die Schöpfung zu lieben. Gott zu dienen hieß für ihn, Gottes Geschöpfen zu dienen. Mein Bruder erzählte mir auch von der Hochzeit eines Bettlers, die der Herr Ingenieur ausgerichtet hatte. Der Bettler hatte ihn auf der Straße um ein Almosen gebeten, und der Herr Ingenieur hatte ihm statt dessen eine Arbeit besorgt, später eine Ehefrau vermittelt und dazu noch die Aussteuer bezahlt. Auch die anderen
Bettler und Bedürftigen der Nachbarschaft konnten sich auf ihn verlassen, und für die Waisenkinder Isfahans gründete er ein Heim, wie es heute noch in Isfahan kein größeres und besser organisiertes gibt.“

 

 
Navid Kermani (Siegen, 27 november 1967)

Lees meer...

26-11-15

Luisa Valenzuela, Eugène Ionesco, Marilynne Robinson, Louis Verbeeck, William Cowper, Theophilus Cibber

 

De Argentijnse schrijfster Luisa Valenzuela werd geboren op 26 november 1938 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Luisa Valenzuela op dit blog.

Uit: I'm your horse in the night (Vertaald door Deborah Bonner)

« Cachaca's good drink. It goes down and up and down all the right tracks, and then stops to warm up the corners that need it most. Gal Costa's voice is hot, she envelops us in its sound and half-dancing, half floating, we reach the bed. We lie down and keep on staring deep into each other's eyes, continue caressing each other without allowing ourselves to give into the pure senses just yet. We continue recognizing, rediscovering each other.
Beto, I say, looking at him. I know that isn't his real name, but it's the only one I can call him out loud. He replied:
"We'll make it some day, Chiquita, but let's not talk now."
It's better that way. Better if he doesn't start talking about how we'll make it someday and ruin the wonder of what we're about to attain right now, the two of us, all alone.
"A noite eu so teu cavala," Gal Costa suddenly sings from the record player.
"I'm your horse in the night," I translate slowly. And so to bind him in a spell and stop him from thinking about other things:
"It's a saint's song, like in the macumba. Someone who's in a trance says she's the horse of the spirit who's riding her, she's his mount."
"Chiquita, you're always getting carried away with esoteric meanings and witchcraft. You know perfectly well that she isn't talking about spirits. If you're my horse in the night it's because I ride you, like this, see? …"

 

 
Luisa Valenzuela (Buenos Aires, 26 november 1938)

Lees meer...