28-04-15

Gerhard Henschel

 

De Duitse schrijver en vertaler Gerhard Henschel werd geboren op 28 april 1962 in Hannover. Henschel groeide op in Hanover, Koblenz, Vallendar en Meppen. Hij studeerde Duits, sociologie en filosofie in Bielefeld, Berlijn en Keulen. Zijn eerste teksten verschenen in de late jaren tachtig in het tijdschrift Der Alltag en vervolgens in de satirische tijdschriften Kowalski und Titanic, Merkur, konkret en in tal van dag- en weekbladen. Van 1993 tot 1995 behoorde hij tot de redactie vanTitanic. Sinds 1992 publiceerde Henschel romans, verhalen en culturele en historische non-fictie, maar ook satires, polemieken en grotesken. Verscheidene van zijn boeken schreef hij samen met auteurs, die kan worden gerekend tot de Neue Frankfurter Schule of daar losjes mee verbonden zijn. In 1999, begon Henschel samen met Rayk Wieland in Hamburg met de voorstellingenreeks "Toter Salon". In 2002 verscheen Henschels briefroman "Die Liebenden“ ,waarin hij aan de hand van schriftelijke documenten uit de nalatenschap het levensverhaal van zijn ouders vertelt. Alleen de namen zijn veranderd. In zijn 2004 „Kindheitsroman“ beschrijft Henschel het leven van deze familie vanuit het perspectief van de zoon Martin. In 2009 , 2010 en verschenen de voortzettingen „Jugendroman“, „Liebesroman“ en "Abenteuerroman". Van een andere soort zijn de satirische romans „Der Barbier von Bebra“ (1996) en „Der Müllah von Bullerbü“ (2000), die Henschel samen met Wiglaf Droste schreef. Daarin laten de auteurs publieke figuren optreden in belachelijke situaties. In 1996 leidde dit tot een oproep tot boycot van het Duitse parlementslid Vera Lengsfeld van Bündnis 90 / Die Grünen. Haar oproep leidde tot een lange discussie over de grenzen van de satire en de vrijheid van de pers. In 2005 verscheen de roman „Der dreizehnte Beatle“. Een Beatles-fan maakt daarin een reis door de tijd om de eerste ontmoeting tussen John Lennon en Yoko Ono te voorkomen. Op Ideeën van Eckhard Henscheid baseren de non-fictie „Kulturgeschichte der Mißverständnisse“ und „Jahrhundert der Obszönität“ waaraan Henschel heeft deelgenomen als schrijver. De bloemlezing "Menetekel" (2010), bevat essays over verschillende verschijningsvormen van een cultuurpessimistische kijk op de wereld. In pamfletten zoals Menschlich viel Fieses“ (1992), „Das Blöken der Lämmer“ (1994) en „Gossenreport“ (2006) gaat Henschel in op politieke kitsch en de macht van de Bild-Zeitung, die hij als ernstig" cultureel probleem" beschrijft. Een satirisch artikel dat Henschel in een krant schreef over dit onderwerp leidde zelfs tot een aanklacht van de Bild-Zeitung. Samen met Kathrin Passig heeft Henschel verscheidene boeken vertaald uit het Engels, met inbegrip het eerste deel van de autobiografie van Bob Dylan ("Chronicles. Volume One"),

Uit: Kindheitsroman

“Licht ausmachen, Handflächen neben die Augen legen und durchs Fenster schräg nach oben kucken, in den fallenden Schnee: Dann hatte man das Gefühl, man würde fliegen, zwischen den Schneeflocken durch.
Das hatte Renate mir beigebracht.
Ich und du, Müllers Kuh.
Renate hatte vorne einen braunen Leberfleck am Hals. Daran war sie immer zu erkennen.
Da war ein Weg, wo Mama sich mit anderen Müttern unterhielt, die auch alle Kinderkarren dabeihatten. Die Sonne schien, und über eine Mauer hingen Zweige runter mit roten Beeren.
Ich hatte Krümel aus dem Graubrot im Netz gepult. Wegen dem Loch im Brot kriegte ich zuhause keine Bombongs.
Komm, Herr Jesus, sei unser Gast, und segne, was du uns be- scheret hast.
Meins war das Lätzchen mit den Marienkäfern. Ein Löffel für Oma, ein Löffel für Opa, bis unten im Teller die schwarzen körnerpickenden Hühner auftauchten. Mein Löffelstiel war zur Seite gebogen.
Ein Löffel für Martin. Das war ich selbst. Martin Schlosser.
»Nicht träumen!«
Nach dem Essen leckte Mama einen Lätzchenzipfel an und wischte mir damit den Mund ab.
Bim, bam, beier, die Katz mag keine Eier.
Volker hatte Murmeln mit farbigen verdrehten Schlieren innendrin.
Wenn Papa gute Laune hatte, ließ er mich kopfüber an der Decke langspazieren oder kitzelte mich durch: »Prr-prr-prr-prr-prr!«
Papa roch nach Pfeife, und ihm wuchsen graue Haare aus der Nase.
Auf Papas Knien: So fahren die Damen, so fahren die Damen – so reiten die Herren, so reiten die Herren – und so reitet der Bauersmann, der nicht besser reiten kann. Da fiel ich immer fast runter.
Leute, die uns besuchten, kriegten vom Wohnzimmer aus die
Festung Ehrenbreitstein gezeigt und die Striche an der Kinderzimmertür: wie groß ich wann gewesen war.
Die Jalousie war grün.
Bei der roten Autokiste im Kinderzimmer war das Lenkrad ab.“

 

 
Gerhard Henschel (Hannover, 28 april 1962)

16:17 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: gerhard henschel, romenu |  Facebook |

Wim Hazeu

 

De Nederlands schrijver, journalist, radio- en televisieprogrammamaker, uitgever, dichter en biograaf Wim Hazeu werd geboren in Delft op 28 april 1940. Hij volgde zijn middelbare schoolopleiding aan het Christelijk Lyceum Delft en studeerde Nederlands aan de School voor Taal- en Letterkunde te Den Haag. Tijdens zijn studie richtte hij in 1959 het literaire tijdschrift Kentering op en bleef redacteur van dat blad tot de opheffing in 1977. Ook was hij onder meer letterkundig medewerker van de Delftsche Courant en de Haagsche Courant. Van 1965 tot 1971 was hij werkzaam bij de NCRV in de functie van chef literaire radioprogramma’s, hoorspel- en jeugdprogramma’s. In april 1966 lanceerde hij de rubriek Literama, een veertiendaagse radiokrant over boeken en schrijvers. Drie jaar later zette hij het late-avond-kunstprogramma Voorrang op met als vaste medewerkers onder anderen Hans Andreus, Hugo Brandt Corstius en J.W. Holsbergen. Hazeu maakte ook radiodocumentaires over Oost-Europa (Tsjecho-Slowakije, Hongarije en Roemenië). In 1972 stapte hij over naar de televisie en werd hoofd van de afdeling drama, kunst en jeugdprogramma's. Hazeu debuteerde als dichter in 1963 met de poëziebundel “Achterebbe”, in 1966 gevolgd door “Dankdag voor het gewas”. Hazeu's poëzie is geëngageerd en ontleent veel van de thematiek aan de natuur. In “Blikschade” (1975) spelen ook autobiografische feiten een rol. Engagement en autobiografie zijn ook kenmerkend voor Hazeu's romans: “De helm van aarde” (1970) over de Praagse Lente, “Duitse honden bijten” (1972) over het Duitsland van na WO II en “Een duif boven Parijs” (1978) over Bretons nationalisme en de Nederlandse houding tijdens WO I. Naast verscheidene romans en dichtbundels publiceerde hij omvangrijke biografieën van Marten Toonder, Gerrit Achterberg, J. Slauerhoff, M.C. Escher en Simon Vestdijk. Ook bezorgde hij de briefwisseling tussen laatstgenoemde en Henriëtte van Eyk onder de titel Wij zijn van elkaar (2007).

Uit:Simon Vestdijk en E. du Perron

“Volgens eigen zeggen en schrijven had Vestdijk maar twee vrienden: de componist Willem Pijper en de schrijver E. du Perron; indachtig wellicht de woorden van Greshoff dat vele vrienden de vriendschap dun maken. Aan de vriendschap kwam een eind door de vroege dood van beide vrienden. Vestdijk was al voor zijn vijftigste verjaardag verweesd, van ouders en vrienden. Behoefte aan nieuwe vrienden had hij niet, al kunnen zijn relaties met Henriëtte van Eyk (van liefde tot vriendschap) en met Herman Mulder (neef en componist, van vriendschap tot collegialiteit) wel gerekend worden tot die van een langdurig vriendschappelijk contact. Dat gold minder voor schrijvers en dichters als Roland Holst en Theun de Vries, met wie hij meer bij vlagen contact had. Na de oorlog schreef Vestdijk zijn romans, essays en boeken over muziek en componisten voortaan zonder het klankbord van zijn twee vrienden.
Maar wat is vriendschap? Een eigenschap van een vriend is een gewillig oor. Du Perron en Vestdijk leenden elkaar een gewillig oor. Men had respect voor elkaar, Vestdijk voor Du Perrons ongekende werkkracht, concentratievermogen en belezenheid, Du Perron voor Vestdijks originaliteit en veelzijdigheid. Waar kwam je in Nederland nog een schrijver tegen die vanuit het niets een dwingende belangstelling kon opwekken voor het werk van de tot dan toe onbekende Emily Dickinson; of een schrijver die in korte tijd, tien maanden wel te verstaan, een roman als Kind tusschen vier vrouwen kon schrijven, terwijl Du Perron langer worstelde met zijn autobiografie Het land van herkomst. Vestdijks ijver, veelzijdigheid en literaire intuïtie brachten Du Perron ertoe om hem al snel als zijn opvolger in de redactie van Forum voor te stellen. Hij genoot van Vestdijks ontdekkingsijdelheid, die zorgde voor het debuut van bijvoorbeeld Leo Vroman, Anton Koolhaas, Adriaan van der Veen en M. Vasalis. Over het laatste debuut schreef Vestdijk aan Greshoff:
‘De verzen lijken me niet ontalentvol; ik koos ze uit een grootere bezending, waar veel nog onrijp bij was.’ Na publicatie berichtte Du Perron aan Ter Braak: ‘De heer Vasalis - mij verder onbekend - vond ik ook heel aardig, zeker even aardig bv. als Van Hattum.’

 

 
Wim Hazeu (Delft, 28 april 1940)

27-04-15

In het land der koningen (Ramsey Nasr)

 

Bij Koningsdag

 

 
Koninginnedag in Naarden-Bussum, 2012

 

 

In het land der koningen

ik leef in een land
waar de dierenvriend besluit
uit goedheid een andere mens neer te knallen

ik leef in een land
waar de vrome gelovige besluit
uit eerbied het mes in de ketter te planten

ik leef in een land
waar onze jongens uit gekkigheid soms
de conducteur in elkaar stampen

ik leef in een land
waar een keurige man, achtendertig, blond
de vrijheid neemt om door anderen heen te rammen

en in dit rood, rood schemerland
waar de grenzen totaal werden opgeheven
waar de mondigheid totterdood wordt beleden
en waar zestien miljoen koningen leven

daar ontstaat vanzelf een nieuwe orde
daar zal langs feestelijk afgezette lanen
een laatste koningin haar laatste onderdanen
als beesten overreden zien worden

 

 
Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 27e april ook mijn vorige blog van vandaag.

11:26 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: koningsdag, koninginnedag, ramsey nasr, romenu |  Facebook |

Astrid Roemer, Hovhannes Shiraz, August Wilson, Edwin Morgan, Jules Lemaître, Cecil Day Lewis

 

De Surinaamse dichteres en schrijfster Astrid Roemer werd in Paramaribo geboren op 27 april 1947. Zie ook alle tags voor Astrid Roemer op dit blog..

Uit: Lola of het lied van de lente

“Ze heeft begrip voor zijn houding; niet altijd heeft ze het vak uitgeoefend met een gevoel van voldoening - vooral in de perioden toen zij haast dagelijks werd overvallen door de winti aan wie ze haar gaven te danken heeft.
Op de meest ongelegen ogenblikken werd haar wil lamgelegd en konden anderen haar vertellen wat er in die momenten van onderbewustheid was gebeurd.
Zij had dat ronduit gênant gevonden. Onvoorstelbaar. Gemeen. En, ze had haar te vroeg en te tragisch overleden man gesmeekt de yorka-geest bij haar weg te houden. Maar. Op een nacht. Nadat zij het avondmaal had genuttigd. Was hij haar in de droom verschenen.
In een helder wit gesteven pak stond hij op de brug bij de Marine-trap en hij lachte haar hartelijk toe. Maar. Toen ze naar hem toe wilde rennen hoorde ze aan de waterkant hartverscheurend gehuil. Haar overleden man had haar niet aangesproken. Hij heeft haar met de ogen gedwongen om te zien naar de personen die om haar roepen. En. In het moment van twijfel was de brug onder haar voeten afgebrokkeld - en hij is verdwenen in de mist van het rivierwater met een glimlach die haar heeft overtuigd van een verbondenheid die de dood niet kan ontbinden. Toen heeft ze de winti toegelaten -.
Natuurlijk heeft ze de kinderen niet willen belasten met iets wat nauwelijks onder woorden te brengen is; een kracht die als een stroomdraad om haar ruggegraat gewikkeld was en haar aansloot op gebieden die buiten het bereik van onze zintuigen liggen. Soms heeft ze zich verzet - zoals een vrouw kan weigeren haar binnen-warmte naar buiten te laten stromen. Dan heeft ze niet de aandrang gevolgd naar afzondering. Integendeel: ze heeft haar kinderen en hun vrienden bij zich geroepen en hen sprookjes voorgelezen tot haar kaken pijn deden van de inspanning. Meestal heeft dat geholpen - en, hoewel ze de atmosfeer van de verborgen wereld in haar neusgaten voelde branden, was ze gebleven waar ze was: in de vertrouwdheid van de ongerepten.
Maar, er waren ook dagen van weerloosheid. Momenten van onmacht. Nederlagen.
De kinderen hadden leren leven met een moeder die weleens in een ander persoon veranderde en, hoe ouder ze werden hoe beter het ze lukte om de broodwinning van hun moeder in verband te brengen met haar persoonsverandering.”

 

 
Astrid Roemer (Paramaribo, 27 april 1947)

Lees meer...

26-04-15

Bernard Malamud, Vincente Alexandre, Leo Stilma, Hannelies Taschau, Theun de Vries

 

De Amerikaanse schrijver Bernard Malamud werd op 26 april 1914 in Brooklyn, New York, geboren. Zie ook alle tags voor Bernard Malamud op dit blog. 

Uit: The Natural

“The Natural PRE-GAME Roy Hobbs pawed at the glass before thinking to prick a match with his thumbnail and hold the spurting flame in his cupped palm close to the lower berth window, but by then he had figured it was a tunnel they were passing through and was no longer surprised at the bright sight of himself holding a yellow light over his head, peering back in. As the train yanked its long tail out of the thundering tunnel, the kneeling reflection dissolved and he felt a splurge of freedom at the view of the moon-hazed Western hills bulked against night broken by sprays of summer lightning, although the season was early spring. Lying back, elbowed up on his long side, sleepless still despite the lulling train, he watched the land flowing and waited with suppressed expectancy for a sight of the Mississippi, a thousand miles away. Having no timepiece he appraised the night and decided it was moving toward dawn. As he was looking, there flowed along this bone-white farmhouse with sagging skeletal porch, alone in untold miles of moonlight, and before it this white-faced, long-boned boy whipped with train-whistle yowl a glowing ball to someone hidden under a dark oak, who shot it back without thought, and the kid once more wound and returned. Roy shut his eyes to the sight because if it wasn't real it was a way he sometimes had of observing himself, just as in this dream he could never shake off--that had hours ago waked him out of sound sleep--of him standing at night in a strange field with a golden baseball in his palm that all the time grew heavier as he sweated to settle whether to hold onor fling it away. But when he had made his decision it was too heavy to lift or let fall (who wanted a hole that deep?) so he changed his mind to keep it and the thing grew fluffy light, a white rose breaking out of its hide, and all but soared off by itself, but he had already sworn to hang on forever.As dawn tilted the night, a gust of windblown rain blinded him--no, there was a window--but the sliding drops made him thirsty and from thirst sprang hunger. He reached into the hammock for his underwear to be first at breakfast in the dining car and make his blunders of ordering and eating more or less in private, since it was doubtful Sam would be up to tell him what to do.”

 

 
Bernard Malamud (26 april 1914 – 18 maart 1986)
Cover met Robert Redford (Het boek werd in 1984 verfilmd)

Lees meer...

Hertha Kräftner, Arno Holz, Mesa Selimović, Margreet van Hoorn, Johann Uhland, Joanne Gobure

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Hertha Kräftner werd geboren op 26 april 1928 in Wenen. Zie ook alle tags voor Hertha Kräftner op dit blog.

 

Suche nicht! Du wirst verlieren

Suche nicht! Du wirst verlieren.
Treibe hin und lächle nur den Dingen.
Derer, die in deinem Haar sich fingen,
sind viel mehr, als je dein Singen
locken konnte. Ungesucht wirst du die
Welt in deinem Schoße spüren.

 

 

Ich ging vorbei am Tränenstrauch

Ich ging vorbei am Tränenstrauch
Und gab nicht acht,
da stach ein Dorn mich in die Seite.

Sie sagen, wem das widerfuhr,
der weinte Tag und Nacht
um das, woran er eben gedacht,
als der Dorn ins Fleisch ihm fuhr.

Ich ging vorbei am Tränenstrauch
und hab an Dich gedacht,
da stach der Dorn in meine Seite.

 

 
Hertha Kräftner (26 april 1928 – 13 november 1951)

Lees meer...

25-04-15

Erik Menkveld, Ted Kooser, James Fenton, Walter de la Mare, Ross Franklin Lockridge Jr.,

 

De Nederlandse dichter Erik Menkveld werd geboren op 25 april 1959 in Eindhoven. Zie ook alle tags voor Erik Menkveld op dit blog.

 

Te Emmen

Evenzeer als wij het nauwgezette
zwemmen en metallic blauwe
van een kleine Afrikaanse vis
te Emmen vanmiddag, waterlelieblad
dat zich met rode kop optrekt
tot waterschildpadschild,
een dagpauwoog in de vlindertuin
die mijn hand voor wilde orchis
aanziet en heel Drenthe buiten
evenzeer.

 

 

Boerenbui

Hevige aandrang te eggen of te gieren?
Een tractor te kopen? Nuchtere
kalveren voor de mesterij?

Red één ongeschoren schaap
bij nacht en ontij uit de sloot, bekijk
het liefste varken op worstkwaliteit, eet

twaalf sneeën zelfverbouwd roggebrood.
En vergeet niet bij rooien of poten
op klompen te lopen en overal bij.

Meestal waait het dan wel over.
En anders ben je onherroepelijk
geboren voor de boerderij.

 

 
Erik Menkveld (25 april 1959 - 30 maart 2014)

Lees meer...

Julius Grosse, Richard Anders, Leopoldo Alas, Sigmund von Birken, Jindrich Horejsi, William Temple

 

De Duitse dichter en schrijver Julius Waldemar Grosse werd geboren op 25 april 1828 in ErfurtZie ook alle tags voor Julius Grosse op dit blog.

 

Armut der Weisheit

Ihr alten Bücher, glänzend noch bei Nacht
In Gold und Leder und voll weiser Lehren –
Ihr redet mir von einst’ger Kaiserpracht,
Bringt Platon, Sirach, Epikur zu Ehren.
Ihr baut mir eine Welt aus euren Blättern,
Und Geister steigen auf aus euren Lettern.

Ach, ich ersehne nur im Mondenschein
Ein lebend Herz, und eure Geister machen
Mich bitter fühlen, daß ich bin allein,
Fern der Geliebten, fern dem holden Lachen
Des Mädchenmunds – o Plato, Epikur,
Dagegen seid ihr arme Schelme nur.

 

 

Ewige Jugend

Wohl alle Tage, wenn ich bei dir bin,
Umschleiert mich ein Frühling ew'gen Lebens
Und ewiger Jugend. Jahre fließen hin;
Dein Zaubertrank, ich trank ihn nicht vergebens.

Und wenn du morgen welktest bleich und krank,
Die schöne Stirn gefurcht von Gram und Sorgen,
Mein Auge ist gefeit von jenem Trank,
Das Leben mir ein ew'ger Hochzeitmorgen.

Und wandelst du dereinst mit greisen Frau'n,
Müd' und gebeugt in silberweißem Haare;
Ich bin geweiht, dich stets als Braut zu schau'n,
Ohnmächtig überfluten uns die Jahre. -

Ja, wie der Wein, der alt an Glut gewann,
So glüht der Zauber mächt'ger mit den Zeiten.
Du kannst nicht altern. Was ein Gott begann,
Wird göttlich dauern in die Ewigkeiten.

 

 
Julius Grosse (25 april 1828 – 9 mei 1902)
Portret op een medaillon door Ernst Julius Hähnel, 1879

Lees meer...

24-04-15

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer

 

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: Bleeke levens

“In den vroegen ochtend, met een treintje, dat aansloot aan een van die groote, stormende internationale treinen zouden wij gaan.
Den avond tevoren, na het souper, werd het eenigermate duidelijk in welke verhouding de oude heer en de jonge vrouw tot elkaar stonden, de twee menschen, waarin deze kleine maatschappij het meest belangstelde. Iemand had hun vier schoenen voor een kamerdeur zier staan en den volgenden dag, toen de kamer open stond ter schoonmaak, even naar binnen gekeken. En het was maar één kamer en er was maar één ledikant! Een ander had bij den hôtelhouder geinformeerd en er was nog iemand die hen zeide te kennen en uit hetgeen zij gezamenlijk er van wisten, moest het nu blijken dat de oude heer een ‘vieux farceur’ was en de jonge vrouw zijn maîtres.
Wij, alle logeergasten, hadden de hoofden bij elkaar gestoken en bespraken het geval met een aangename geheimzinnigheid. Nog altijd had de meneer niets in het boek geschreven, maar dat zou nu toch wel moeten, dacht men. En wat hij er dan van maken zou! En zij met haar mooi engelengezichtje en schuchtere manieren! Het was een curieus geval, een verzamelpunt voor de leege nieuwsgierigheid en het wekte alle gedachten, die zulk een verhouding van een ouden verliefden rijkaard en een arm, mooi meisje, dat zich prostitueert, pleegt te wekken bij de menschen, die de wereld meer uit boeken, dan uit eigen aanzien kennen.
Den volgenden ochtend, toen wij vroeg beneden kwamen in de nog druilige gang en doffe eetzaal, zat het paar daar al te ontbijten. Zij wilden blijkbaar met denzelfden trein als wij afreizen. Er was den vorigen avond niets van bekend geweest onder de andere gasten en het geleek wel iets naar een overhaaste vlucht. Terwijl, in de stille kamer, wij te ontbijten zaten, kwamen onze blikken telkens naar het zonderlinge paar terug. Zij zagen echter nooit naar ons, maar hielden hun oogen voor zich, alsof zij wel wisten, dat zij altijd bekeken werden.
Hij had een lichtbruinen slappen hoed op, te jeugdig voor zijn leeftijd, en was overigens in dezelfde sjofele kleeding der vorige dagen. Zij zat weer met hoed en voile en een vellerig-dun, grijs stofmanteltje omhing haar schouders. Geen woord spraken ze tot elkaar.”

 

 
Frans Coenen (24 april 1866 - 23 juni 1936)
Hier in het midden met zijn vader Frans Coenen Sr. (rechts) en een onbekende.

Lees meer...

23-04-15

William Shakespeare, Andrey Kurkov, Pascal Quignard, Peter Horst Neumann, Halldór Laxness, Christine Busta

 

De Engelse dichter en schrijver William Shakespeare werd geboren in Stradford-upon-Avon op, vermoedelijk, 23 april 1564. Zie ook alle tags voor William Shakespeare op dit blog.

Uit: The Merchant of Venice

SHYLOCK
No, not take interest, not, as you would say,
Directly interest: mark what Jacob did.
When Laban and himself were compromised
That all the eanlings which were streak'd and pied
Should fall as Jacob's hire, the ewes, being rank,
In the end of autumn turned to the rams,
And, when the work of generation was
Between these woolly breeders in the act,
The skilful shepherd peel'd me certain wands,
And, in the doing of the deed of kind,
He stuck them up before the fulsome ewes,
Who then conceiving did in eaning time
Fall parti-colour'd lambs, and those were Jacob's.
This was a way to thrive, and he was blest:
And thrift is blessing, if men steal it not.
ANTONIO
This was a venture, sir, that Jacob served for;
A thing not in his power to bring to pass,
But sway'd and fashion'd by the hand of heaven.
Was this inserted to make interest good?
Or is your gold and silver ewes and rams?
SHYLOCK
I cannot tell; I make it breed as fast:
But note me, signior.
ANTONIO
Mark you this, Bassanio,
The devil can cite Scripture for his purpose.
An evil soul producing holy witness
Is like a villain with a smiling cheek,
A goodly apple rotten at the heart:
O, what a goodly outside falsehood hath!
SHYLOCK
Three thousand ducats; 'tis a good round sum.
Three months from twelve; then, let me see; the rate—“

 

 
William Shakespeare (23 april 1564 – 23 april 1616)
John Sessions (Salerio) en Jeremy Irons (Antonio) in de verfilming uit 2004

Lees meer...

22-04-15

Giorgio Fontana, Jan de Hartog, Vladimir Nabokov, Björn Kern, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes

 

De Italiaanse schrijver Giorgio Fontana werd geboren op 22 april 1981 in Saronno. Zie ook alle tags voor Giorgio Fontana op dit blog.

Uit: Het geweten van Roberto Doni (Vertaald door Philip Supèr)

“De bouten. Daarmee was het allemaal begonnen. Elke dag, als hij op het werk kwam, naar buiten liep om te lunchen of weer naar huis ging, bleef Doni even staan om ze te bekijken.
Van een afstand leken het gewoon slijtplekken, of vlekjes die altijd al in de tegels hadden gezeten, maar het waren bouten, grote metalen bouten, die het marmer op zijn plaats moesten houden. Het oorspronkelijk aangebrachte cement was namelijk aan het loslaten, waardoor het hele gebouw gevaar liep.
Die dingen hadden natuurlijk iets van een morele boodschap. Het huis van het Recht dat zich moet voegen naar de hogere wetten van de materie. Maar Doni zag er niets anders in dan de idiotie van de mensen, en misschien een vage waarschuwing: nooit bouwen op zand.
Op de dag dat zij hem schreef, bedacht Doni dat het Paleis van Justitie dat lot had moeten ondergaan omdat het de omringende ruimte van zich af stootte. Het was ermee in gevecht, het was niet in staat er deel van uit te maken, zoals het dat trouwens ook niet zou kunnen in een willekeurige andere wijk van de stad. En het kon niet alleen maar een kwestie zijn van bouten en scheuren en lelijkheid. Net zo min als de architectuur uit de tijd van het fascisme of de overwinning van de breedte op de hoogte voldoende waren om het Paleis te vonnissen. Nee, het Paleis had één bepaalde, unieke eigenschap.
Het was iets wat te maken had met ballingschap, een moeilijk te vatten gevoel.
Als hij daar binnen was, voelde Doni zich verbannen uit de rest van de stad, uit het land, uit de wereld. De kracht van honderden bouten moest hem overeind houden, zand gebouwd op zand.
Op de dag dat zij hem schreef, bestond Doni’s lunch niet uit de gebruikelijke mueslireep, maar at hij samen met Salvatori, een officier van justitie, in een restaurant. Dat was niet de gewoonte. Als magistraten hadden ze altijd haast, hoogstens kwamen ze wel eens in een of andere vreselijke selfservice in de buurt.”

 

 
Giorgio Fontana (Saronno, 22 april 1981)

Lees meer...

21-04-15

Charlotte Brontë, Michael Mann, Patrick Rambaud, John Mortimer, Peter Schneider, Gerrit Wustmann

 

Britse schrijfster Charlotte Brontë werd geboren in Thornton op 21 april 1816. Zie ook alle tags voor Charlotte Brontë op dit blog.

Uit: The Correspondence of Charlotte Brontë

Charlotte's reply to Robert Southey
16 March 1837
“SIR, I cannot rest till I have answered your letter, even though by addressing you a second' time I should appear a little intrusive ; but I must thank you for the kind and wise advice you have condescended to give me. I had not ventured to hope for such a reply ; so considerate in its tone, so noble in its spirit. I must suppress what I feel, or you will think me foolishly enthusiastic-
At the first perusal of your letter I felt only shame and regret that I had ever ventured to trouble you with my crude rhapsody ; I felt a painful heat rise to my face when I thought of the quires of paper I had covered with what once gave me so much delight, but which now was only a source of confusion ; but after I had thought a little, and read it again and again, the prospect seemed to clear. You do not forbid me to write ; you do not say that what I write is utterly destitute of merit. You only warn me against the folly of neglecting real duties for the sake of imaginative pleasures ; of writing for the love of fame ; for the selfish excitement of emulation. You kindly allow me to write poetry for its own sake, provided I leave undone nothing which I ought to do, in order to fureue that single, absorbing, exquisite gratification, I am afraid, sir, you think me very foolish. I know the first letter I wrote to you was all senseless trash from beginning to end ; but I am not altogether the idle dreaming being it would seem to denote. My father is a clergyman of limited though competent income, and I am the eldest of his children. He expended quite as much in my education as he could afford in justice to the rest. I thought it therefore my duty, when I left school, to become a governess. In that capacity I find enough to occupy my thoughts all day long, and my head and hands too, without  having a moment's time for one dream of the imagination. In the evenings, I confess, I do think, but I never trouble any one else with my thoughts. I carefully avoid any appearance of pre- occupation and eccentricity, which might lead those I live amongst to suspect the nature of my pursuits. Following my father's advice who from my childhood has counselled me, just in the wise and friendly tone of your letter I have endeavoured not only attentively to observe all the duties a woman ought to fulfil, but to feel deeply interested in them. I don't always succeed, for sometimes when I'm teaching or sewing I would rather be reading or writing ; but I try to deny myself ; and my father's approbation amply rewarded me for the privation.
Once more allow me to thank you with sincere gratitude. I trust I shall never more feel ambitious to see my name in print ; if the wish should rise, I'll look at Southey's letter, and suppress it. It is honour enough for me that I have written to him, and received an answer. That letter is consecrated ; no one shall ever see it but papa and my brother and sisters. Again I thank you. This incident, I suppose, will be renewed no more ; if I live to be an old woman, I shall remember it thirty years hence as a bright dream. The signature which you suspected of being fictitious is my real name.

Again, therefore, I must sign myself C. BRONTE.”

 

 
Charlotte Brontë (21 april 1816 – 31 maart 1855)
Op een Engelse poster

Lees meer...

Charles den Tex

 

De Nederlandse schrijver Charles den Tex werd geboren in Box Hill, Australië, op 21 april 1952. Den Tex kwam op vijfjarige leeftijd met zijn ouders terug naar Nederland. Hij studeerde fotografie en film in Londen, werkte in Parijs en vestigde zich in 1979 als reclametekstschrijver en later als communicatie- en managementadviseur in Nederland. Hij schreef dertien thrillers waarvan er zes werden genomineerd voor de Gouden Strop. In 2002 won hij de prijs met “Schijn van kans”, in 2006 met “De macht van meneer Miller” en in 2008 met “Cel”. Hij heeft een eigen subgenre ontwikkeld, de corporate thriller dicht op de huid van de tijd. Zijn boeken worden in de pers vergeleken met die van John Grisham, Michael Crichton en Michael Ridpath. Zijn boek”De macht van meneer Miller” werd in 2010 voor de VPRO bewerkt tot de vierdelige televisieserie Bellicher; de Macht van meneer Miller. Later is zijn boek “Cel” ook tot een televisieserie bewerkt Bellicher; Cel. Met De Vriend won hij de Crimezone Thriller Award 2012. In 2013 is Charles den Tex door het Letterenfonds voorgedragen voor de Ripper Award, de eerste Europese thrillerprijs. Van 1999 tot 2004 was Den Tex voorzitter van het in 1986 opgerichte Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs.

Uit: Cel

“Van Bilt pakte een paar papieren uit de map, schikte ze voor zich op de tafel, zette een leesbril op en begon voor te lezen. ‘Om tien voor twee op 2 juli werd in Monster, Zuid-Holland, een man aangereden.’ Hij stopte en keek me aan over de rand van zijn leesbril.
Ik zei niets.
(…)


‘De man heeft zijn beide benen verloren, zijn rug gebroken en zware inwendige bloedingen gehad’, zei Van Bilt zonder nog in het verslag te kijken. ‘Hij ligt in het ziekenhuis en zijn vooruitzichten zijn slecht.’
‘Dat geloof ik onmiddellijk.’
‘Nee toch.’ Van Bilt kon zijn sarcasme niet meer onderdrukken.

 

 
Scene uit de verfilming uit 2012 met o.a. Tim Murck en Daan Schuurmans


Ik zweeg. Dat dit allemaal aan mij werd verteld en dat ik het op een politiebureau in Monster moest horen, stelde me niet gerust. De overeenkomsten met de gebeurtenissen van die ochtend waren overduidelijk. Hit and run.
‘Van de auto hebben we alle gegevens’, zei Van Bilt. ‘Niet alleen door de getuigenverklaring, maar ook door de foto die automatisch werd gemaakt toen hij door het rode licht reed.’
‘Mooi’, zei ik.
Van Bilt antwoordde niet. Hij pakte een envelop en haalde er een foto uit die hij naar me toe schoof. ‘Het betreft een bronskleurige BMW 5-serie’, zei hij.
Ik keek naar de foto van een BMW die door een rood stoplicht reed op een kruispunt dat ik nog nooit had gezien. De fietser stond ook op de foto. Het was het moment vlak voor de aanrijding, vastgelegd zoals het nooit meer worden zou.”

 

 
Charles den Tex (Box Hill, 21 april 1952)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: charles den tex, romenu |  Facebook |

20-04-15

Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jean Pierre Rawie, Sebastian Faulks, Jozef Deleu, Steve Erickson

 

De Nederlandse dichter, toneelschrijver en essayist Martinus Nijhoff werd geboren in Den Haag op 20 april 1894. Zie ook alle tags voor Martinus Nijhoff op dit blog.

 

Het uur U (Fragment)

Zo ook hier. Toen de man kwam
en met zijn gestrekte pas
voortliep, begon men het gas
in de buizen onder het huis
te horen, en het gesuis
van water onder de straat,
en, in de elektrische draad
naar radio en telefoon,
een vonkende zoemertoon
als waren er bijen in de buurt.
Er werd niet gegluurd.
Gewoonlijk, als iemand passeert,
is men geïnteresseerd:
men vouwt met voorzichtige hand
vitrages terzijde, want
elke voorbijganger is
min of meer een gebeurtenis.
Was er niets te zien
aan hem?—Kwam het misschien
doordat iedereen sliep,
of doordat hij zo zacht liep,
dat geen vitrage bewoog?
Neen, neen, elk raam was oog,
was toegeschoven lid
voor het oog van een uil die zit
te spieden op zijn tak.
De stilte, die niets verbrak,
ging trillen en werd muziek.
Het is een groot woord: paniek,
maar het tekent de stille schrik
die op dit ogenblik
de ledige straat beving.

 

 

Na een jaar

In deze morgen zie ik dat de nachten
Dragend geweest zijn, van extase zwaar -
En onze dagen, lichtend in elkaar,
Ernstig van de bezinning der gedachten.

Boven de warreling van zwarte nachten
En witte dagen, staan wij, boven 't jaar.
En zien de harde oneindigheden naar
Het wentlen onzer wereld zich verzachten.

Ik heb me plat tegen de grond gelegd
En woorden heb ik tot mezelf gesproken,
Die ook een dode tot zichzelve zegt,
Die in zijn donkere eenzaamheid ontwaakt:

Leven was goed al heeft het mij gebroken,
Leven is goed ofschoon het doden maakt.

 

 
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
In 1916

Lees meer...