09-06-15

Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Maarten Doorman, Jian Ghomeshi, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Willy Roggeman

 

De Nederlandse schrijver Xander Michiel Beute werd geboren op 9 juni 1975 te Gouda. Zie ook alle tags voor Xander Michiel Beute op dit blog.

Uit: Dubbelportret

““In het park beneden zit ik met een dun meisje op een bank. Ik kijk naar haar lippen. Ze zijn smal en in het lichte roze herken ik kleine groeven, dode fragmentjes huid, van iemand anders.
‘Eigenlijk heb ik helemaal geen steil haar,’ zegt ze. ‘Ik heb pijpenkrullen.’
De stijve dames en de hondjes trekken in een stoet voorbij. In de vijver staart een eend naar een dikke vis. Het meisje heeft mijn hand gepakt. Zojuist zijn we bij het graf van haar oudere broer, Mark, geweest. Een begraafplaats in de duinen. In de hemel hingen geluidloze meeuwen. Verstild spelend in de wind. Op de steen van de broer van Linda, zo heet het dunne meisje, stond: “Mark van de Berg”. Verder niets.
‘Wat doen data ertoe?’ verklaarde zijn zusje. ‘Hoe oud hij is geworden. Wanneer hij is gestorven. Wie zijn familie zijn. Een motto. Dat hoort op zo’n steen te staan. Wij bedachten dat het allemaal niet belangrijk was. Hij is dood. Dat is het enige dat telt.’
Op de steen ernaast zat een enorme vlek meeuwenpoep. Aan het einde van elke rij grafstenen stond een zwart emmertje met een borstel erin.
Mark werd onthoofd door een Haagse tram. Het was een dinsdag. Dan is er altijd veel dood aan de hand. Het regende. Hij fietste over de Turfmarkt met één hand aan het stuur omdat hij probeerde zijn handschoenen aan te trekken. Dat is lastig op de fiets. Het was koud. Met een flinke vaart naderde hij de tramrails voor de Albert Heijn. Het trambelletje rinkelde. Iets moet hem gezegd hebben dat hij nog voor de tram langs zou kunnen want, zo meldden meerdere getuigen achteraf, hij minderde geen vaart. Eerder nog leek hij te versnellen. Op het allerlaatste moment zag hij zijn fout in, maar zijn rechterhand zat klem in de handschoen. Met zijn vrije hand kneep hij uit alle macht in de handrem.”

 

 
Xander Michiel Beute (Gouda, 9 juni 1975)
Gouda, stadhuis

Lees meer...

08-06-15

Marguerite Yourcenar, Lutz Seiler, Ulf Stolterfoht, Gwen Harwood, Gerald Bisinger, Udo Kawasser, Levin Westermann

 

De Belgisch-Amerikaanse, Franstalige schrijfster Marguerite Yourcenar werd geboren in Brussel op 8 juni 1903. Zie ook alle tags voor Marguerite Yourcenar op dit blog.

Uit: Memoirs of Hadrian (Vertaald door Grace Frick, in samenwerking met de schrijfster)

“But books lie, even those that are most sincere. The less adroit, for lack of words and phrases wherein they can en-close life, retain of it but a flat and feeble likeness. Some, like Lucan, make it heavy, and encumber it with a solemnity which it does not possess; others, on the contrary, like Petronius, make life lighter than it is, like a hollow, bouncing ball, easy to toss to and fro in a universe without weight. The poets transport us into a world which is vaster and more beautiful than our own, with more ardor and sweetness, different therefore, and in practice almost uninhabitable. The philosophers, in order to study reality pure, subject it to about the same transformations as fire or pestle make substance undergo: nothing that we have known of a person or of a fact seems to subsist in those ashes or those crystals to which they are reduced. Historians propose to us systems too perfect for explaining the past, with sequence of cause and effect much too exact and clear to have been ever entirely true; they rearrange that dead, unresisting material, but I know that even Plutarch will never recapture Alexander. The story-tellers and spinners of erotic tales are hardly more than butchers who hang up for sale morsels of meat attractive to flies. I should take little comfort in a world without books, but reality is not to be found in them because it is not there whole.
Direct observation of man is a method still less satisfactory, limited as it frequently is to the cheap reflections which human malice enjoys. Rank, position, all such hazards tend to re-strict the field of vision for the student of mankind: my slave has totally different facilities for observing me from what I possess for observing him, but his means to do so are as limited as my own. Every morning for twenty years, old Euphorion has handed me my flask of oil and my sponge, but my knowledge of him ends with his acts of service, and his knowledge of me ends with my bath; any effort on the part of either emperor or slave to learn more straightway produces the effect of an indiscretion."

 

 
Marguerite Yourcenar (8 juni 1903 – 17 december 1987)
Hadrianus en zijn jonge minnaaar Antinous (Brits Museum)

Lees meer...

Péter Gárdos

 

De Hongaarse schrijver en film- en theaterregisseur Péter Gárdos werd geboren op 8 juni 1948 in Boedapest. Na zijn afstuderen aan de universiteit, trad hij toe tot de Newsreel en Documentaire Studio als assistent-directeur, later als directeur. Hij regisseerde een aantal documentaires Met “Koorts in de ochtend” publiceerde hij een debuutroman die tegelijkertijd in negenentwintig landen werd uitgegeven. Bovendien heeft hij deze roman, gebaseerd op een waar verhaal, zelf verfilmd.

Uit: Fieber am Morgen (Vertaald door Timea Tankó)

““s war ein verregneter Sommertag, als mein Vater mit dem Schiff nach Schweden gebracht wurde. Das Kriegsende lag kaum drei Wochen zurück. Ein stürmischer Nordwind wehte, und die Fähre schlingerte durch zwei bis drei Meter hohe Wellen über die Ostsee in Richtung Stockholm.
Mein Vater war auf dem Unterdeck untergebracht worden. Die Menschen lagen auf Strohsäcken, die sie verzweifelt umklammerten, um in dem furchtbaren Auf und Ab Halt zu finden. Seit das Schiff abgelegt hatte, war noch keine Stunde vergangen, als es meinem Vater plötzlich sehr schlecht ging.
Zuerst hustete er nur blutigen Schaum und krümmte sich vor Schmerzen, dann wurde sein Atem immer mehr zu einem Röcheln, so laut, dass es fast das Schlagen der Wellen gegen den Schiffsmmpf übertönte.
Da mein Vater zu den schwereren Fällen gehörte, lag er in der ersten Reihe, unmittelbar neben der Luke. Als es ihm nun so schlecht ging, kamen zwei Matrosen und trugen seinen mageren Körper in die Nachbarkajüte.
Der Arzt zögerte nicht. Es war keine Zeit, sich um Schmerzmittel zu kümmern. Mit einer großen Nadel stach er zwischen zwei Rippen hindurch in den Brustkorb meines Vaters. Er vertraute auf sein Glück, dass die Spritze an der richtigen Stelle landete. Während der Arzt ungefähr einen halben Liter Flüssigkeit aus der Lunge meines Vaters zog, wurde das Absauggerät gebracht. Der Arzt tauschte die Spritze gegen ein Kunststoffröhrchen aus und saugte noch schnell anderthalb Liter Schleim ab.
Bald ging es meinem Vater besser.
Als der Kapitän erfuhr, dass der Arzt einem der Passagiere das Leben gerettet hatte, erwies er meinem Vater eine besondere Gunst: Er durfte in dicke Decken gehüllt auf dem Oberdeck sitzen.
Über dem granitgrauen Wasser sammelten sich dichte Wolken. Der Kapitän stand in seiner makellosen Uniform neben dem Liegestuhl meines Vaters.
Sprechen Sie Deutsch?
Mein Vater nickte.
In besseren Zeiten hätte das vielleicht der Auftakt zu einer aufschlussreichen Unterhaltung sein können. Mein Vater war jedoch nicht in der Verfassung für ein höfliches Gespräch. Er schaffte es gerade so, seine Kooperationsbereitschaft zu signalisieren.“

 

 
Péter Gárdos (Boedapest, 8 juni 1948)

20:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: péter gárdos, romenu |  Facebook |

H. J. Friedericy

 

De Nederlandse schrijver Herman Jan (Han) Friedericy werd op 8 juni 1900 geboren in Stadskanaal in de gemeente Onstwedde. Hij bracht zijn kinderjaren in het zuiden van Noord-Brabant (Beek-en-Donk, Geldrop) door. Na de HBS, eerst in Helmond, daarna in Eindhoven, studeerde hij vanaf 1918 Indologie aan de Rijskuniversiteit te Leiden. Van 1921-1930 was hij ambtenaar Binnenlands Bestuur op Celebes. In de periode 1930-1933 had hij eerst tien maanden verlof en daarna kreeg hij gelegenheid om in Leiden zijn studie Indologische wetenschappen voort te zetten. Hij promoveerde in 1933 in Leiden op De standen bij de Boegineezen en Makassaren. Van 1933-1938 werkte hij als ambtenaar Binnenlands Bestuur te Palembang (Sumatra) en Batavia (Djakarta, Java) en van 1940-1942 was hij medewerker van het kabinet van de Gouverneur-Generaal. Tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië zat hij meer dan drieënhalf jaar in interneringskampen op Java. In 1946 werd hij met een bijzondere opdracht te Singapore geplaatst, van waaruit hij reizen maakte naar Birma, Indo-China, Malakka en Thailand om Indische dwangarbeiders die door de Japanners uit Nederlands-Indië waren gehaald, te laten repatriëren. Van 1946-1947 was hij Chef Politieke Zaken op het Ministerie van Overzeese gebiedsdelen in Den Haag. In 1947 volgde zijn benoeming tot Resident en was hij van 1947-1949 werkzaam als Hoofd Indonesische Afdeling Nederlands Informatiebureau te New York. Na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië kreeg Friedericy op eigen verzoek eervol ontslag uit de Indische bestuursdienst en werd hij benoemd tot Adviseur voor Nederlands-Indonesische Zaken in de VS. Van 1952-1956 was hij Ambassaderaad voor Pers- en Culturele zaken op de Nederlandse ambassade in Washington, van 1956-1959 bekleedde hij die functie in Bonn, en daarna, vanaf 1959, in Londen. Naast zijn romans en verhalen publiceerde Friedericy artikelen over staats- en adatrecht in het 'Koloniaal Tijdschrift' en politieke artikelen en reisbeschrijvingen in Nederlandse en Amerikaanse periodieken.

Uit: Bendeleider (Onder het pseudoniem H. J. Merlijn)

“Het zal één uur in de middag geweest zijn toen de auto van Toewan Petoro1) Sengkang om de hoek kwam en stopte voor het kantoor van mijn Toewan Petoro. Toewan Petoro Sengkang was pas van verlof terug uit Holland en kende mijn Toewan Petoro nog niet lang. Toch drukten zij elkander hartelijk en lachend de hand. Met de Toewan Petoro Sengkang kwam mee Toewan Petoro Malolo Sengkang. Die ziet er ouder uit dan zijn Toewan. Dit komt misschien omdat hij dik is en een bril draagt. Toewan Petoro Sengkang kent mij nog niet. Toewan Petoro Malolo wel. Die lachte en zei: ‘Tabé Samaila’. Ik ben wel eens met hem op tournee geweest toen bij hier in Watampone woonde en pas uit Holland kwam. Hij is een goede Toewan. Hij wordt niet gauw kwaad en als hij kwaad wordt, heeft hij er meestal reden voor. Standjes geeft hij nooit in het openbaar en hij spreekt al wat Boeginees. En hij houdt van lachen.
Mijn Toewan en de andere heren gingen het kantoor binnen. Zij gingen voor de tafel met het groene kleed zitten en toen riep mijn Toewan mij. Ik moest naar Toewans Njonja toegaan en zeggen, dat de beide gasten bleven eten. En dan moest ik de djongos drie glazen split laten brengen.
Toen ik terug kwam en zei: ‘Njonja bilang baik’2), zag ik dadelijk, dat er iets ernstigs aan de hand was. Mijn Toewan keek voor zich uit op het groene kleed en trok zachtjes aan het lelletje van zijn rechteroor. Toewan Petoro Sengkang praatte. Ik versta niet veel Hollands, maar ik begreep wel, dat er iemand was doodgeschoten. Mijn Toewan hoorde mij niet en ik ging voor de kamer van mijn Toewan op mijn bank zitten. Hij ging telefoneren. Met Toewan Kapten3). Hij telefoneerde heel kort en dadelijk daarop ging aan de overkant van de aloon-aloon4) de deur van het huis van Toewan Kapten open en kwam Toewan Kapten er uit.
Toewan Kapten liep vlug en rechtop. Hij loopt altijd rechtop. Hij is een flinke man om te zien. Hij heeft zwarte ogen en een zwarte snor. Hij leidt een gelukkig leven, geloof ik. Tenminste als hij van zijn gemak houdt. Want veel werk heeft hij niet. Bone is zo rustig, dat het leger wel met pensioen kan gaan. Daarom gaat Toewan Kapten niet eerder dan om negen uur naar de kazerne en om één uur is hij dan weer thuis. Maar ten slotte is Toewan Kapten een soldaat en misschien vindt hij dit leven toch wel niet zo prettig. Het is best mogelijk, dat hij wel eens oorlog wil voeren.”

 

 
H. J. Friedericy (8 juni 1900 – 23 november 1962)

20:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: h. j. friedericy, romenu |  Facebook |

07-06-15

Orhan Pamuk, Monika Mann, Nikki Giovanni, Harry Crews, Louise Erdrich, Mascha Kaléko

 

De Turkse schrijver Orhan Pamuk werd geboren op 7 juni 1952 in Istanbul. Zie ook alle tags voor Orhan Pamuk op dit blog.

Uit: Istanbul. Herinneringen en de stad

“Ik woonde met mijn vader, moeder en broer, en de familie van mijn vader, zijn moeder, boers, zussen en schoonzussen, op de verschillende etages van een flat van vijf verdiepingen. De riante stenen villa waar ze met z’n allen als een Osmaanse grootfamilie hadden gewoond, werd in 1951, een jaar voor mijn geboorte, verlaten en aan een particuliere lagere school verhuurd, en op het aanpalende perceel werd een ‘moderne’ flat gebouwd, waar ik nu de vierde verdieping bewoon, en waar op de buitendeur, geheel volgens de toen heersende mode, trots de naam Pamuk werd geschilderd. Op iedere verdieping, waar ik de eerste jaren op de arm van m’n moeder kwam, stonden een of twee piano’s. Mijn oom, die in mijn herinnering altijd de krant zit te lezen, was als laatste getrouwd en had zich met zijn vrouw en zijn piano op de eerste verdieping gevestigd, waar hij vervolgens een halve eeuw door zou brengen, kijkend naar de voorbijgangers op straat. Al die piano’s, die geen van alle bespeeld werden, gaven me een gevoel van weemoed en zwaarmoedigheid.
Het was niet alleen dat die piano’s niet bespeeld werden, de buffetkasten, waar het achter de ruitjes propvol stond met Chinees porselein, kopjes, tafelzilver, suikerpotten, snuifdozen, kristallen glazen, flacons voor rozenwater, borden, wierookvaatjes (en een speelgoedautootje dat zich op een dag daartussen had verstopt), zaten ook altijd op slot, de met parelmoer ingelegde koranlessenaars, de standaards voor tulbanden aan de muur werden nooit gebruikt, er was niets wat aan het zicht onttrokken werd door de kamerschermen met art nouveau en Japanse invloeden, de deurtjes van de boekenkasten van mijn oom die naar Amerika was geëmigreerd en dokter was, gingen nooit open en zijn ingebonden medicijnenstudies stonden al twintig jaar achter het glas te verstoffen, en dat alles gaf mij het gevoel dat al die spullen waarmee de woonkamers op iedere verdieping waren volgestouwd, niet waren uitgestald om ermee te leven, maar voor de dood.”

 

 
Orhan Pamuk (Istanbul, 7 juni 1952)
Cover

Lees meer...

Gwendolyn Brooks, Elizabeth Bowen, Fred Endrikat, Amelia Edwards, Charlotte Niese, Geno Hartlaub, Jan Theuninck, Gábor von Vaszary

 

De Amerikaanse dichteres Gwendolyn Brooks werd geboren op 7 juni 1917 in Topeka, Kansas. Zie ook alle tags voor Gwendolyn Brooks op dit blog.

 

To Be In Love

To be in love
Is to touch with a lighter hand.
In yourself you stretch, you are well.
You look at things
Through his eyes.
A cardinal is red.
A sky is blue.
Suddenly you know he knows too.
He is not there but
You know you are tasting together
The winter, or a light spring weather.
His hand to take your hand is overmuch.
Too much to bear.
You cannot look in his eyes
Because your pulse must not say
What must not be said.
When he
Shuts a door-
Is not there_
Your arms are water.
And you are free
With a ghastly freedom.
You are the beautiful half
Of a golden hurt.
You remember and covet his mouth
To touch, to whisper on.
Oh when to declare
Is certain Death!
Oh when to apprize
Is to mesmerize,
To see fall down, the Column of Gold,
Into the commonest ash.

 

 
Gwendolyn Brooks (7 juni 1917 – 3 december 2000)
Borstbeeld door Sara S. Miller, 1994

Lees meer...

Jan Engelman

 

De Nederlandse dichter Johannes Aloysius Antonius Engelman werd geboren in Utrecht op 7 juni 1900. Engelman begon als journalist bij het Utrechtse dagblad Het Centrum en werd vervolgens in 1932 redacteur van het dagblad De Tijd, waar hij samen met A. van Domburg en A. van Duinkerken vanaf 1933 de kunstredactie vormde. Samen met Pieter van der Meer de Walcheren verzorgde hij van 1926 tot 1941 de rubriek Kunst en Letteren in het weekblad De Nieuwe Eeuw. In 1953 werd hij docent esthetiek en moderne kunst aan de Jan van Eyckacademie in Maastricht, een functie die hij slechts korte tijd vervulde. Na enkele gedichten te hebben gepubliceerd in tijdschriften, bundelde hij op aandringen van zijn vriend H. Marsman zijn poëzie in Het roosvenster” (1927), in 1930 gevolgd door de bundel “Sine nomine”. Gedichten hieruit werden opnieuw opgenomen in wat zijn meest belangrijke en meest herdrukte bundel zou worden: ”Tuin van Eros” (1932). Deze bundel werd bekroond met de poëzieprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Anders dan veel van zijn rooms-katholieke geloofsgenoten heeft Engelman meegewerkt aan tijdschriften als De Vrije Bladen en Forum. Engelman schreef aanvankelijk voor Roeping en hij was mede-oprichter van De Gemeenschap. Dat laatste blad verliet hij in 1930 vanwege een conflict met de gebroeders Kuitenbrouwer die het blad in zijn ogen in fascistisch vaarwater brachten. Toen die een eigen tijdschrift oprichtten onder de naam De Nieuwe Gemeenschap, keerde Engelman terug in de redactie van De Gemeenschap op aandringen van Anton van Duinkerken. Tijdens WO II verwierf Engelman voldoende kennis van het Grieks om hem in staat te stellen Sophocles' “Oedipus” te vertalen. Hij maakte ook een vertaling van de tekst van Bachs Mattheuspassion (1950). Zijn muzikaliteit maakte hem een ideale partner voor veel musici met wie hij samenwerkte voor opera's en gelegenheidsspelen. Zo schreef hij het libretto voor de opera “Philomela” (1950) van Hendrik Andriessen. Zijn belangstelling voor het oude Griekenland en zijn reizen naar dat land leidde tot de reisbrieven in “Tweemaal Apollo” (1955). In 1960 werd zijn poëzie verzameld in “Verzamelde gedichten”, waarvan in 1972 een heruitgave volgde die werd uitgebreid met “Het Bittermeer”. In 1955 werd aan Jan Engelman de Constantijn Huygensprijs toegekend voor zijn gehele oeuvre.

 

VERA JANACOPOULOS

Cantilene

Ambrosia, wat vloeit mij aan?
uw schedelveld is koeler maan
en alle appels blozen

de klankgazelle die ik vond
hoe zoete zoele kindermond
van zeeschuim en van rozen

o muze in het morgenlicht
o minnares en slank gedicht
er is een god verscholen

violen vlagen op het mos
elysium, de vlinders los
en duizendjarig dolen

 

 

Doorreis

God heeft ons spelende beschreven,
als kindren hulploos gaan wij heen.
Geen heul is ons in 't lest gebleven,
zijn diepe vaderlach alleen.

O bloed, bestijg de broze zomen
van dit gevonnist, schuldig lijf:
gij hebt een koninkrijk ontnomen
en gij alleen rekt ons verblijf.

Maar hoor, wanneer de blauwe velden
der nacht begroeid van sterren staan,
wat aarde, zee en wind niet telden
en laat geen fluist'ring u ontgaan.

 

 

 
Jan Engelman (Utrecht 7 juni 1900—Amsterdam 20 maart 1972)
Portret door Piet Vermeulen, 1961

12:08 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jan engelman, romenu |  Facebook |

06-06-15

Thomas Mann, Aleksandr Poesjkin, Sarah Dessen, Jean Cayrol, Pierre Corneille, Hendrik van Teylingen, V. C. Andrews

 

De Duitse schrijver Thomas Mann werd geboren in Lübeck op 6 juni 1875. Zie ook mijn blog van 6 juni 2010 en eveneens alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Der Tod in Venedig

„Gustav Aschenbach oder von Aschenbach, wie seit seinem fünfzigsten Geburtstag amtlich sein Name lautete, hatte an einem Frühlingsnachmittag des Jahres 19.., das unserem Kontinent monatelang eine so gefahrdrohende Miene zeigte, von seiner Wohnung in der Prinz-Regentenstraße zu München aus, allein einen weiteren Spaziergang unternommen. Überreizt von der schwierigen und gefährlichen, eben jetzt eine höchste Behutsamkeit, Umsicht, Eindringlichkeit und Genauigkeit des Willens erfordernden Arbeit der Vormittagsstunden, hatte der Schriftsteller dem Fortschwingen des produzierenden Triebwerks in seinem Innern, jenem »motus animi continuus«, worin nach Cicero das Wesen der Beredsamkeit besteht, auch nach der Mittagsmahlzeit nicht Einhalt zu tun vermocht und den entlastenden Schlummer nicht gefunden, der ihm, bei zunehmender Abnutzbarkeit seiner Kräfte, einmal untertags so nötig war. So hatte er bald nach dem Tee das Freie gesucht, in der Hoffnung, daß Luft und Bewegung ihn wieder herstellen und ihm zu einem ersprießlichen Abend verhelfen würden.

 

 
Scene uit de film „Dood in Venetië” van Luchino Visconti uit 1971

 

Es war Anfang Mai und, nach naßkalten Wochen, ein falscher Hochsommer eingefallen. Der Englische Garten, obgleich nur erst zart belaubt, war dumpfig wie im August und in der Nähe der Stadt voller Wagen und Spaziergänger gewesen. Beim Aumeister, wohin stillere und stillere Wege ihn geführt, hatte Aschenbach eine kleine Weile den volkstümlich belebten Wirtsgarten überblickt, an dessen Rande einige Droschken und Equipagen hielten, hatte von dort bei sinkender Sonne seinen Heimweg außerhalb des Parks über die offene Flur genommen und erwartete, da er sich müde fühlte und über Föhring Gewitter drohte, am Nördlichen Friedhof die Tram, die ihn in gerader Linie zur Stadt zurückbringen sollte. Zufällig fand er den Halteplatz und seine Umgebung von Menschen leer. Weder auf der gepflasterten Ungererstraße, deren Schienengeleise sich einsam gleißend gegen Schwabing erstreckten, noch auf der Föhringer Chaussee war ein Fuhrwerk zu sehen; hinter den Zäunen der Steinmetzereien, wo zu Kauf stehende Kreuze, Gedächtnistafeln und Monumente ein zweites, unbehaustes Gräberfeld bilden, regte sich nichts, und das byzantinische Bauwerk der Aussegnungshalle gegenüber lag schweigend im Abglanz des scheidenden Tages”

 

 
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)
In 1905 

Lees meer...

Henry Newbolt, Annie Fields, Louis Sébastien Mercier, Lesley Blanch, Eliza Orzeszkowa, Adolf Heyduk, Ignaz Vinzenz Zingerle

 

De Engelse dichter en schrijver Sir Henry John Newbolt werd geboren op 6 juni 1862 in Bilston, Wolverhampton. Zie ook alle tags voor Henry Newbolt op dit blog.

 

The Only Son

O bitter wind toward the sunset blowing,
What of the dales tonight?
In yonder gray old hall what fires are glowing,
What ring of festal lights?

In the great window as the day was dwindling
I saw an old man stand;
His head was proudly held and his eyes kindling,
But the list shook in his hand.'

O wind of twilight, was there no word uttered,
No sound of joy or wail?

'A great fight and a good death,' he muttered;
'Trust him, he would not fail.''

What of the chamber dark where she was lying
For whom all life is done?

'Within her heart she rocks a dead child, crying
'My son, my little son.''

 


Rondel
(from the French of Wenceslas, Duke of Brabant and Luxembourg, who died in 1384.)

Though I wander far-off ways,
Dearest, never doubt thou me:

Mine is not the love that strays,
Though I wander far-off ways:

Faithfully for all my days
I have vowed myself to thee:
Though I wander far-off ways,
Dearest, never doubt thou me.

 

 
Henry Newbolt (6 juni 1862 – 19 april 1938)

Lees meer...

05-06-15

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters

 

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

 

De gitaar

Aanvangt de klaagzang van de gitaar.
Breken doen de bekers van de ochtend.
Aanvangt de klaagzang van de gitaar.
Hem smoren is nutteloos.
Hem smoren is onmogelijk.
Hij huilt eentonig zoals het water huilt,
zoals de wind huilt over de sneeuwvlakte.
Hem smoren is nutteloos.
Hem smoren is onmogelijk.
Hij huilt om dingen ver.
Heet zand uit het zuiden
snakt naar witte camelia's.
Hij huilt om de pijl zonder doel,
om de avond zonder ochtend
en om de eerste vogel dood
op de tak.
O gitaar!
Hart door vijf zwaarden zwaargewond.

 

 

Processiebeeld

Maad met hoepelrok,
Maagd der Verlatenheid,
open als een onmetelijke
Op je lichtende schip
klief je
door het hoogwater
van de stad,
tussen roezige saeta's
en kristalsterren.
Maagd met hoepelrok
jij klieft
door de straatrivier
tot in zee!

 

Vertaald door Bart Vonck

 

 

De zigeunernon
                 Voor José Moreno Villa

Stilte van witkalk en mirte.
Kaasjeskruid in de kruidentuin.
De non borduurt violieren
op een strogeel doek.
In de grijze luchter vliegen
zeven vogels van het prisma.
In de verte gromt de kerk
als een beer op zijn rug.
Wat borduurt zij mooi! Hoe fraai!
Op het strogele doek
wil zij de bloemen
van haar fantasie borduren.
Wat een zonnebloem! Wat een magnolia
van pailletten en linten.
Wat een saffraantjes, wat een maantjes
op de altaardwaal!
Vijf pompelmoezen versuikeren
vlakbij in de keuken.
De vijf wonden van Christus
in Alméria geoogst.
In de ogen van de non
galopperen twee ruiters.
Een verre gesmoorde zucht
maakt haar hemd los,
en terwijl ze in verstarde verten
naar wolken en bergen staart,
breekt haar hart
van suiker en citroenverbena.
O, wat een steile vlakte
met twintig zonnen erboven.
Wat een rechtopstaande stromen
dagen in haar fantasie!
Toch gaat zij verder met haar bloemen,
terwijl rechtop, in de bries,
het licht schaakspeelt
hoog in het zonnescherm.

 

Vertaald door Lepus

 

 
Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
Portret door Mick Rooney, 1990-95

Lees meer...

Margaret Drabble, Kristin Gore, Thomas Kling, Hélène Cixous, Spalding Gray

 

De Engelse schrijfster Margaret Drabble werd geboren op 5 juni 1939 in Sheffield, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Margaret Drabble op dit blog.

Uit: The Millstone

“When, some years after the Hamish episode, I found that I was pregnant, I went through slightly more than the usual degrees of incredulity and shock, for reasons which I doubtless shall be unable to restrain myself from recounting: there was nobody to tell, nobody to ask, so I was obliged once more to fall back on the dimly reported experiences of friends and information I had gleaned through the years from cheap fiction. I never at any point had any intention of going to a doctor: I had not been ill for so many years that I was unaware even of the procedure for visiting one, and felt that even if I did get round to it I would be reprimanded like a school child for my state. I did not feel much in the mood for reproof. So I kept it to myself, and thought that I would try at least to deal with it by myself. It took me some time to summon up the courage: I sat for a whole day in the British Museum, damp with fear, staring blankly at the open pages of Samuel Daniel, and thinking about gin. I knew vaguely about gin, that it was supposed to do something or other to the womb, quinine or something, I believe, and that combined with a hot bath it sometimes works, so I decided that other girls had gone through with it, so why not me. One might be lucky. I had no idea how much gin one was supposed to consume, but I had a nasty feeling that it was a whole bottle: the prospect of this upset me both physically and financially. I grudged the thought of two pounds on a bottle of gin, just to make myself ill. However, I couldn't pretend that I couldn't afford it, and it was relatively cheap compared with other methods, so I grimly turned the pages of Daniel and decided that I would give it a try. As I turned the pages, a very handy image, thesis-wise, caught my attention, and I noted it down. Lucky in work, unlucky in love. Love is of man's life a thing apart, 'tis woman's whole existence, as Byron mistakenly remarked.”

 

 
Margaret Drabble (Sheffield, 5 juni 1939)

Lees meer...

Christy Brown, David Hare, Alifa Rifaat, Otto F. Walter, Ivy Compton-Burnett

 

De Ierse dichter, schrijver en schilder Christy Brown werd geboren op 5 juni 1932 in Dublin. Zie ook alle tags voor Christy Brown op dit blog.

Uit:My Left Foot

“I was born in the Rotunda Hospital, on June 5th, 1932. There were nine children before me and twelve after me, so I myself belong to the middle group. Out of this total of twenty-two, seventeen lived, but four died in infancy, leaving thirteen still to hold the family fort.
Mine was a difficult birth, I am told. Both mother and son almost died. A whole army of relations queued up outside the hospital until the small hours of the morning, waiting for news and praying furiously that it would be good.
After my birth Mother was sent to recuperate for some weeks and I was kept in the hospital while she was away. I remained there for some time, without name, for I wasn't baptized until my mother was well enough to bring me to church.
It was Mother who first saw that there was something wrong with me. I was about four months old at the time. She noticed that my head had a habit of falling backward whenever she tried to feed me. She attempted to correct this by placing her hand on the back of my neck to keep it steady. But when she took it away, back it would drop again. That was the first warning sign. Then she became aware of other defects as I got older. She saw that my hands were clenched nearly all of the time and were inclined to twine behind my back; my mouth couldn't grasp the teat of the bottle because even at that early age my jaws would either lock together tightly, so that it was impossible for her to open them, or they would suddenly become limp and fall loose, dragging my whole mouth to one side. At six months I could not sit up without having a mountain of pillows around me. At twelve months it was the same.”

 

 
Christy Brown (5 juni 1932 – 6 september 1981)
Daniel Day-Lewis als Christy in de film “My Left Foot” uit 1989 

Lees meer...

Robert Franquinet

 

De Nederlandse dichter, schrijver en schilder Robert Marie Philmain Joseph Franquinet werd geboren in Amby (bij Maastricht) op 5 juni 1915. Franquinet debuteerde in 1933 als jong katholiek dichter met de bundel Het vroege uur. De barokke taal in die eersteling heeft hem zijn leven lang niet meer verlaten. Na een fervent belijden van het katholicisme werd hij steeds kritischer en nam hij afstand van zijn katholieke tijdgenoten. Hij publiceerde regelmatig in het tijdschrift Forum en ontwikkelde zich als essayist en romanschrijver. WO II, waarvan hij een jaar in de gevangenis doorbracht, is de breuk in zijn leven: alle romans en poëzie van na deze tijd cirkelen rond het thema van geweld en zijn tegenstrevers liefde en erotiek. Na de oorlog vestigde hij zich in Parijs en verdween hij langzaam van het literaire toneel, ondanks het feit dat hij door Marsman, Greshoff en Vestdijk tot de belangrijke auteurs werd gerekend. Met zijn roman “Drijfzand” (1977) begon echter een herwaardering van Franquinet.

Uit: Drijfzand

““Wanneer is onder mijn schedel het ruisen begonnen? Herinneringen zijn ontastbare obstakels geworden. Valt er ooit nog stilte over het woud van verminkingen? Wie ben ik geworden? Een schrale boom in de mist. Een bed in een uitdragerszaak. Een drijvend ding in het schuim van afvoerwater. Lang voordat de schimmels van de weemoed woekerden. Afscheid? Dit en dat moesten we nog doen. Een val in de kale ruimteloosheid spannen van wat nog zelfverdediging genoemd kan worden. Hebben we geen feilloze kennis van elkaar? We beminden als ongekooide honden. Een langspeelplaat die altijd draait is als de vorm van iemands handen die in troebel water zijn omtrek verliest. In de wulpsheid van je vlees hoor ik de stem van de gevangene jammerend schreeuwen. Wie van jullie heeft de straf bedacht? Het plat van zijn voeten wordt opengesneden, het vel gesperd, gevuld met kleine spijkers en daarna weer dichtgenaaid. Hij wordt naar de woestijn gebracht, ver van het dorp. Hij wordt aan zijn lot overgelaten, gillend van de pijn wanneer hij staan of gaan wil. Woestijngieren laten een kadaver de tijd niet om uit te drogen in de brandende sirocco.
De man heeft een parkiet gestolen.
‘En jij opent je ogen en blijft glimlachend liggen.’
‘Je moet bij zulke dingen niet teveel nadenken,’ zeg je.
‘Je kijkt naar de muur aan de overkant alsof daar de verloren tijd staat aangetekend. Het irriteert me dat ik je over de dingen-achter-de-dingen moet spreken.’
‘Nee, geen uitleg. Waarom? Dat vogeltje is een turkooiskleurige schaduw, maar men kan het liefhebben.’
‘Doe niet belachelijk.’
En ik bedroefd: ‘de eerste keer in Normandië.’
Er komt een nuance in de plooi van je mondhoek. Ik huiver om de koelte van je ogen en raak met een vinger de rand van je mond aan. En je trilt als het wateroppervlak tegen mijn lichaam voor dat onze monden hun vocht mengen. Nou, ja, wat doe ik met mijn onuitgesproken minachting? Zo gaat het altijd. De werkelijkheid is sneller dan de onwerkelijkheid. Afstand? Veel later. Maar de tijd krimpt als een overwinterde appel.”

 

 
Robert Franquinet (5 juni 1915 - 30 mei 1979)

14:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: robert franquinet, romenu |  Facebook |

04-06-15

Fronleichnam (Hugo von Hofmannsthal)

 

Bij Sacramentsdag

 

 
Fronleichnamsprozession in Hofgastein door Adolph Menzel, 1880

 

 

Fronleichnam

Von Glockenschall, von Weihrauchduft umflossen,
Durchwogt die Straßen festliches Gepränge
Und lockt ringsum ein froh bewegt Gedränge
An alle Fenster, – deines bleibt geschlossen.

So hab auch ich der Träume bunte Menge,
Der Seele Inhalt, vor dir ausgegossen:
Du merktests kaum, da schwieg ich scheu-verdrossen,
Und leis verweht der Wind die leisen Klänge.

Nimm dich in acht: ein Tag ist schnell entschwunden,
Und leer und öde liegt die Straße wieder;
Nimm dich in acht: mir ahnt, es kommen Stunden,

Da du ersehnest die verschmähten Lieder:
Heut tönt dir, unbegehrt, vielstimmiger Reigen,
Wenn einst du sein begehrst, wird er dir schweigen.

 

 

 
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929) 
Wenen, Stephansdom vom Stock-im-Eisen-Platz, door Rudolf von Alt, 1832.
Hugo von Hofmannsthal werd geboren in Wenen.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 4e juni ook mijn vorige twee blogs van vandaag.