30-10-15

Andrew Solomon

 

De Amerikaanse schrijver, psychiater en journalist Andrew Solomon werd geboren op 30 oktober 1963 in New York. Hij voltooide zijn middelbare school in 1981 cum laude. Hij behaalde zijn Bachelor in 1985 magna cum laude aan de Yale University. Zijn master in Engels behaalde hij aan het Jesus College, Cambridge. In 2013promoveerde hij in de psychologie aan dezelfde universiteit. Andrew Solomon is de oudste zoon van Carolyn Bower Solomon en Howard Solomon, een CEO van het farmaceutische bedrijf Forest Laboratories. De ervaring, aanwezig te zijn bij de geplande zelfmoord van zijn moeder, die leed aan een ongeneeslijke kanker van de eierstokken heeft Solomon onder andere beschreven in een artikel voor The New Yorker, in zijn roman “A Stone Boat” en in zijn boek “The Noonday Demon”. Solomon leed na de zelfmoord van zijn moeder aan een depressie, die hij met psychotherapie en een antidepressivum onder controle kreeg. Als volwassene verwief Solomon de dubbele nationaliteit van zowel de VS als het Verenigd Koninkrijk. Hij woont samen met de journalist John Habich in een geregistreerd partnerschap. Het paar trouwde in 2009 een tweede keer in Connecticut, zodat hun huwelijk ook in de Amerikaanse staat New York zou worden erkend. In 2003 besloten Solomon en zijn oude vriendin Blaine Smith om samen om een ​​kind te krijgen. Hun dochter werd geboren in november 2007. Moeder en dochter wonen in Texas. Een gemeenschappelijke zoon, George Charles Habich Salomon werd geboren in 2009 en woont in New York, samen met Solomon en Habich. Habich is zijn adoptievader. Habich is ook de biologische vader van twee kinderen die door een lesbisch stel worden opgevoed. De ontwikkeling van deze patchwork familie was het onderwerp van een essay, dat Solomon in Newsweek heeft beschreven en die ook geportretteerd werd in The Observer. Onder de tijdschriften en kranten, waarin hij heeft gepubliceerd, onder andere The New York Times, The New Yorker, Artforum en Travel and Leisure. Hij ontving o.a. de National Book Award 2001 en werd genomineerd in 2002 voor de Pulitzer Prize. The Times koos “The Noonday Demon”. als een van de honderd beste boeken van het decennium. Voor zijn 2012 gepubliceerde boek “Far from the Tree: Parents, Children, and the Search for Identity.ontvangen” kreeg Solomon onder meer de National Book Critics Circle Award 2012, de Anisfield-Wolf Book Award en de Dayton Literary Peace Prize

Uit: A Stone Boat

“I need to write this as quickly as possible, because it is about my mother. I want to write it while we can still remember how we hoped that she would get well. "lhat is sentimental and extravagant, I know. I once told my mother that I would never forget her because there is so much of her in me, but this year, I’m not so sure that I can rely on myself to recall everything about her, and I need to remember everything I possibly can. Did I get this sentimental and extravagant streak from her? Five years ago, I would have said that it came from my father, but now I’m not so sure.
Yesterday I was on a plane. I remember when that was an event in my life-to take a plane somewhere-but now planes are the most regular occurrence of all; I am the emperor of baggage claim, the king of check-in, the prime minister of in-flight meals. I am as savvy as a flight attendant, with a profound knowledge of the location of the emergency exits and an aficionado’s grasp of the technology of seat belts. I can guess within a fraction of a second when the “No Smoking” sign will go on.
I have figured out how to angle myself so that the overhead reading light illuminates my book and not my hair, and I know where the further extra pillows are stored when the first cache of extra pillows has been distributed. I have mastered the look that bores customs oflicers, and even when I am carrying great misshapen boxes and large cumbersome suitcases, I am not stopped on my way out of the airport.
On Friday I will take a plane to Istanbul to play in a Brahms festival in the gardens of the Topkapi Palace. No doubt the piano will be sliding out of tune. Next Monday I will return to London. Next Tuesday I will go to New York, and then for a few days to Berlin to play Schubert, and then the following Friday I will go back to New York for an indefinite period of not more than nine days. That’s the plan, unless my mother needs to go in for surgery. If my mother needs to go in for surgery, I’ll just go straight to New York and miss some more of the rest of my life and stay for as long as I have to and cancel all my performances.”

 

 
Andrew Solomon (New York, 30 oktober 1963)

18:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: andrew solomon, romenu |  Facebook |

29-10-15

Matthias Zschokke, Harald Hartung, Mohsen Emadi, Dominick Dunne, Claire Goll, Zbigniew Herbert, Lodewijk van Oord

 

De Zwitserse dichter, schrijver en filmmaker Matthias Zschokke werd geboren op 29 oktober 1954 in Bern. Zie ook mijn blog van 29 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Matthias Zschokke op dit blog.

Uit: Der Mann mit den zwei Augen

„Eine rumänische Pflegerin hob den Hörer ab und gab ihn weiter an die Frau im Liegestuhl. Die murmelte: »Io dormo, io dormo.« Der Mann mit den zwei Augen lachte und sagte: »Seit wann können Sie Italienisch? Ich bin’s, hören Sie? Sie schlafen nicht, Sie telefonieren mit mir.« Daraufhin bekam sie einen Hustenanfall, und er verabschiedete sich. Io dormo, io dormo waren ihre letzten Worte gewesen. Am Abend starb sie. Einen Tag vorher war auch ihre einundzwanzigjährige Katze gestorben. Das hatte der Mann ihr eigentlich mitteilen wollen.
Die Katze war ihr als halbwüchsiges, verwildertes Tier zugelaufen und blieb bis zuletzt schmal und scheu. Sie hatte auffallend große, fast durchsichtige Ohren und machte nur selten, völlig unerwartet, zwei, drei Schritte auf Menschen zu, um sich dann ohne übertriebene Eile wieder von ihnen zu entfernen. Den Mann mit den zwei Augen hatte sie grundsätzlich nicht beachtet. Nur ein einziges Mal hatte sie sich ihm vorsichtig genähert, war ihm ums rechte Bein gestrichen und danach mit senkrecht erhobenem Schwanz davongegangen. Wie es dazu gekommen war, lässt sich nicht rekonstruieren. Er freute sich jedenfalls sehr darüber und dachte, nun hätte er sie für sich gewonnen.
Als junges Tier hatte sie eine porzellanzarte, rosarote Nase. Manchmal vergaß sie, die Zungenspitze ins Maul zurückzuziehen. Den Ausdruck ihres Gesichts hätte man dann als leicht besorgt umschreiben können. Sie erweckte ihr ganzes Leben lang den Eindruck, schwere Verantwortung zu tragen zu haben. Was für ein Ernst!
Was für ein zierlicher Körper! Was für kühle, weiche Pfoten! Wer keine Katzen mag, wird verständnislos den Kopf schütteln über diese Zeilen. Der Mann mit den zwei Augen konnte nicht anders, ihm gefielen Tiere. In deren Umgebung war ihm wohl, und die Freude, am Leben zu sein, flammte jeweils kurz in ihm auf. Von Pferden zum Beispiel wusste er, dass sie schlecht schlafen, wenn man sie nachts allein draußen lässt. Pferde bewachen wechselseitig ihren Schlaf. Dies zu wissen beglückte ihn.“

 

 
Matthias Zschokke (Bern, 29 oktober 1954)

Lees meer...

Lee Child

 

De Engelse schrijver Lee Child (pseudoniem van Jim Grant) werd geboren op 29 oktober 1954 in Coventry. Hij groeide echter op in Birmingham, waar hij de school bezocht waar onder andere J.R.R. Tolkien ook leerling geweest was. Hij studeerde rechten, maar ging na zijn studie in het theater werken. Hij werd in dienst genomen door Granada Television in Manchester en werkte in de 18 jaren die volgden onder andere aan series als “Brideshead Revisited”, “The Jewel in the Crown”, “Prime Suspect” en “Cracker”. In 1995 werd hij vanwege een reorganisatie ontslagen en besloot hij in zijn levensonderhoud te voorzien als schrijver. Hij schreef zijn eerste boek met de hand aan de eettafel omdat hij met de aanschaf van een computer wilde wachten tot hij succes had als schrijver. Dat succes kwam met dat eerste boek. “Killing Floor” en sindsdien is Child professioneel schrijver. Hij woont voornamelijk in Manhattan, maar heeft ook een huis in Zuid-Frankrijk. Alle boeken van Lee Child hebben de Amerikaanse ex-militair Jack Reacher als hoofdpersoon. Reacher, die uit eigen beweging het leger heeft verlaten, leidt een zwervend bestaan in de Verenigde Staten, waar hij zijn avonturen beleeft. Cilds roman "One Shot" werd verfilmd onder de titel “Jack Reacher” en de film is eind 2012 première gegaan met Tom Cruise in de rol van Jack Reacher..

Uit: Killing-Floor

“I was arrested in Eno's diner. At twelve o'clock. I was eating eggs and drinking coffee. A late breakfast, not lunch. I was wet and tired after a long walk in heavy rain. All the way from the highway to the edge of town.
The diner was small, but bright and clean. Brand-new, built to resemble a converted railroad car. Narrow, with a long lunch counter on one side and a kitchen bumped out back. Booths lining the opposite wall. A doorway where the center booth would be.
I was in a booth, at a window, reading somebody's abandoned newspaper about the campaign for a President I didn't vote for last time and wasn't going to vote for this time. Outside, the rain had stopped but the glass was still pebbled with bright drops. I saw the police cruisers pull into the gravel lot. They were moving fast and crunched to a stop. Light bars flashing and popping. Red and blue light in the raindrops on my window. Doors burst open, policemen jumped out. Two from each car, weapons ready. Two revolvers, two shotguns. This was heavy stuff. One revolver and one shotgun ran to the back. One of each rushed the door.
I just sat and watched them. I knew who was in the diner. A cook in back. Two waitresses. Two old men. And me. This operation was for me. I had been in town less than a half hour. The other five had probably been here all their lives. Any problem with any of them and an embarrassed sergeant would have shuffled in. He would be apologetic. He would mumble to them. He would ask them to come down to the station house. So the heavy weapons and the rush weren't for any of them. They were for me. I crammed egg into my mouth and trapped a five under the plate. Folded the abandoned newspaper into a square and shoved it into my coat pocket. Kept my hands above the table and drained my cup.
The guy with the revolver stayed at the door. He went into a crouch and pointed the weapon two-handed. At my head. The guy with the shotgun approached close. These were fit lean boys. Neat and tidy. Textbook moves. The revolver at the door could cover the room with a degree of accuracy. The shotgun up close could splatter me all over the window. The other way around would be a mistake. The revolver could miss in a close-quarters struggle and a long-range shotgun blast from the door would kill the arresting officer and the old guy in the rear booth as well as me. So far, they were doing it right. No doubt about that. They had the advantage. No doubt about that, either. The tight booth trapped me. I was too hemmed in to do much. I spread my hands on the table. The officer with the shotgun came near.
"Freeze! Police!" he screamed.”

 

 
Lee Child (Coventry, 29 oktober 1954)

13:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: lee child, romenu |  Facebook |

28-10-15

Evelyn Waugh, Jan Weiler, JMH Berckmans, John Hollander, Al Galidi, Uwe Tellkamp

 

De Britse schrijver Evelyn Waugh werd geboren in Londen op 28 oktober 1903. Zie ook mijn blog van 28 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Evelyn Waugh op dit blog.

Uit:Brideshead Revisited

'It wasn't one of my party. It was someone from out of college.'
'Well, it's just as nasty clearing it up, whoever it was.'
'There's five shillings on the sideboard.'
'So I saw and thank you, but I'd rather not have the money and not have the mess, any morning.'
I took my gown and left him to his task. I still frequented the lecture-room in those days, and it was after eleven when I returned to college. I found my room full of flowers; what looked like, and, in fact, was, the entire day's stock of a market-stall stood in every conceivable vessel in every part of the room. Lunt was secreting the last of them in brown paper preparatory to taking them home.
'Lunt, what is all this?'
'The gentleman from last night, sir, he left a note for you.'
The note was written in conté crayon on a whole sheet of my choice Whatman H.P. drawing paper: I am very contrite. Aloysius won't speak to me until he sees I am forgiven, so please come to luncheon today. Sebastian Flyte. It was typical of him, I reflected, to assume I knew where he lived; but, then, I did know.

 

 
Anthony Anfrews (Sebastian), Diana Quick (Julia) en Jeremy Irons (Charles) in de tv-serie Brideshead Revisited uit 1981

 

'A most amusing gentleman, I'm sure it's quite a pleasure to clean up after him. I take it you're lunching out, sir. I told Mr Collins and Mr Partridge so—they wanted to have their commons in here with you.'
'Yes, Lunt, lunching out.'
That luncheon party—for party it proved to be—was the beginning o f a new epoch in my life.
I went there uncertainly, for it was foreign ground and there was a tiny, priggish, warning voice in my ear which in the tones of Collins told me it was seemly to hold back. But I was in search of love in those days, and I went full of curiosity and the faint, unrecognized apprehension that here, at last, I should find that low door in the wall, which others, I knew had found before me, which opened on an enclosed and enchanted garden, which was somewhere, not overlooked by any window, in the heart of that grey city."

 

 
Evelyn Waugh (28 oktober 1903 – 10 april 1966)

Lees meer...

27-10-15

Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook mijn blog van 27 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.

 

Child's Park Stones

In sunless air, under pines
Green to the point of blackness, some
Founding father set these lobed, warped stones
To loom in the leaf-filtered gloom
Black as the charred knuckle-bones

Of a giant or extinct
Animal, come from another
Age, another planet surely. Flanked
By the orange and fuchsia bonfire
Of azaleas, sacrosanct

These stones guard a dark repose
And keep their shapes intact while sun
Alters shadows of rose and iris ---
Long, short, long --- in the lit garden
And kindles a day's-end blaze

Colored to dull the pigment
Of azaleas, yet burnt out
Quick as they. To follow the light's tint
And intensity by midnight
By noon and throughout the brunt

Of various weathers is
To know the still heart of the stones:
Stones that take the whole summer to lose
Their dream of the winter's cold; stones
Warming at core only as

Frost forms. No man's crowbar could
Uproot them: their beards are ever-
Green. Nor do they, once in a hundred
Years, go down to drink the river:
No thirst disturbs a stone's bed.

 

 

Doom of Exiles

Now we, returning from the vaulted domes
Of our colossal sleep, come home to find
A tall metropolis of catacombs
Erected down the gangways of our mind.

Green alleys where we reveled have become
The infernal haunt of demon dangers;
Both seraph song and violins are dumb;
Each clock tick consecrates the death of strangers

Backward we traveled to reclaim the day
Before we fell, like Icarus, undone;
All we find are altars in decay
And profane words scrawled black across the sun.

Still, stubbornly we try to crack the nut
In which the riddle of our race is shut.
 

 

Family Reunion

Outside in the street I hear
A car door slam; voices coming near;
Incoherent scraps of talk
And high heels clicking up the walk;
The doorbell rends the noonday heat
With copper claws;
A second's pause.
The dull drums of my pulses beat
Against a silence wearing thin.
The door now opens from within.
Oh, hear the clash of people meeting ---
The laughter and the screams of greeting :

Fat always, and out of breath,
A greasy smack on every cheek
From Aunt Elizabeth;
There, that's the pink, pleased squeak
Of Cousin Jane, out spinster with
The faded eyes
And hands like nervous butterflies;
While rough as splintered wood
Across them all
Rasps the jarring baritone of Uncle Paul;
The youngest nephew gives a fretful whine
And drools at the reception line.

Like a diver on a lofty spar of land
Atop the flight of stairs I stand.
A whirlpool leers at me,
I cast off my identity
And make the fatal plunge.

           

 
Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963)
Hier met dichter en echtgenoot Ted Hughes

Lees meer...

26-10-15

Jan Wolkers, Marja Pruis, Andrew Motion, Maartje Wortel, Stephen L. Carter, Karin Boye

 

De Nederlandse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers werd geboren in Oegstgeest op 26 oktober 1925. Zie ook mijn blog van 26 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Jan Wolkers op dit blog.

Uit: Terug naar Oegstgeest

“Met een vies gezicht zei ze dat ik mijn handen moest wassen, maar toen we naast elkaar door een van de kleine raampjes over de omgeving keken was ze dat al vergeten, want toen ik haar hand voorzichtig beetpakte trok ze die niet terug. Ze draaide hem om, omdat ik aan de verkeerde kant mijn vingers tussen de hare had gestoken en ging ineens met haar spitse nagels onder mijn afgebroken nagels. Ik rilde, zodat ze vroeg of ik het koud had. Ik wees haar een reiger die zo vlak langs de grond zweefde dat het leek of hij door zijn eigen schaduw achterna werd gezeten. En we zagen twee priesters in hun zwarte gewaden in het weiland achter het seminarie. Ze gaven elkaar een hand en bleven zo heel Iang staan alsof ze elkaar nooit meer zouden zien. Toen gingen ze allebei een andere kant op met fladderende rokken door het groene gras. Daar lagen we even later samen in aan de slootkant. Zij met mijn zwarte regenjas vol verfklodders onder zich omdat ze bang was dat haar nok vuil zou worden, want daar keken ze thuis altijd meteen naar als ze weg geweest was. Toen ik haar een kleverig zoentje gaf begon ze zo snel te ademen dat ik voorzichtig met mijn hand onder haar rok de warmte binnensloop. Met mijn vingertoppen op het elastiek in haar broekje bleef ik liggen, onhandig toen ik haar niet meer zoende, want toen werd mijn hand ineens een ding dat daar niet thuishoorde. Onwillekeurig keek ik naar het raampje in de toren waar wij net voor gestaan hadden, maar het weerspiegelde alleen de hemel. Ze drukte haar lippen op mijn mond en stak het puntje van haar tong naar binnen. Toen sloot ze haar ogen, zodat ik met mijn hand in haar broekje durfde te gaan. Haar gezicht was zo rood geworden dat je haar sproeten niet duidelijk meer kon zien. Ineens draaide ze wild met haar onderlichaam en deed haar dijen van elkaar, zodat ik met mijn vinger in haar wegzakte. Verschrikt trok ik mijn hand terug en ze keek me aan of ze plotseling wakker werd. En toen kwam de natuur mij te hulp want naast haar hoofd zat een zeldzame rugstreeppad die ik alleen van plaatjes kende.”

 

 
Jan Wolkers (26 oktober 1925 – 19 oktober 2007)
In 1966

Lees meer...

25-10-15

Willem Wilmink, Anne Tyler, Elif Shafak, Daniel Mark Epstein, Peter Rühmkorf, Jakob Hein

 

De Nederlandse dichter, schrijver en zanger Willem Andries Wilmink werd geboren in Enschede op 25 oktober 1936. Zie ook mijn blog van 25 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Willem Wilmink op dit blog.

 

Zomeravond
(Naar het Portugees)

Kindje, slaap maar, kindje,
't was ook zo warm deze dag.
In de schemer
zit nu een kleine egel
met zijn mooie stekels
eenzaam in het gras.

Het gras wacht op regen.
Geen takje beweegt er.
Luister naar de merel,
hoog op ons dak.

Avond vol verlangen.
De maan maakt zich klaar voor de nacht.
In de avondschemer
komt strakjes onze egel
nog een egel tegen,
liefkoost haar vacht.

Van ver wordt de merel
antwoord gegeven.
Morgen komt de regen
waar het gras op wacht.

Kindje, slaap maar, kindje,
in de avondschemer.
Hebt al slaap gekregen.
Slaap maar mijn schat.

 

 

Uitreiking van diploma’s

Onder de meisjes menig stevig stuk,
maar er zijn ook van die nog hele tere,
onder de jongens veel in herenkleren,
en allen, allen stralend van geluk.

Niet langer meer gebukt onder het juk
van heel veel saais om uit het hoofd te leren:
niemand zal ooit nog bij hen informeren
naar passé défini of overdruk.

Maar ’t is meteen ook de examenklas,
die vol saamhorigheid en warmte was,
waarvan men zich zo zorgeloos ontdoet.

Nu slaat voor ’t laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.

 

 
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)
Portret door Desirée Groot Koerkamp in Oostmarsum

Lees meer...

Christine D'haen, John Berryman, Hélène Swarth, Harold Brodkey, Karl Emil Franzos, Benjamin Constant, Geoffrey Chaucer

 

De Vlaamse dichteres en prozaschrijfster Christine D'Haen werd geboren in Sint-Amandsberg op 25 oktober 1923. Zie ook alle tags voor Christine D’Haen op dit blog en ook mijn blog van 25 oktober 2009 en ook mijn blog van 25 oktober 2010

 

Roos
Prélude

Schaamte van zoovele vrouwen, hoe zou
wistet gij heden reeds al jet ontbladeren
morgen, o roos, bij uw verouden
het blozen vermeerderen van uwe aderen!

Uw blos, o roos, het wederbeeld
van die mij steeg naar keel en wang,
onthullend wat tot hun verheeld:
hartstochtelijkheid en tegendwang.

Eenmaal ontplooid, o roos, verwacht
geen wederkeer: diep in den nacht
blijft heel uw hart ontbloot, en slaat uw geur
mij tegen aan de kamerdeur.

Uw lippen willen alles, roos, verkonden,
en ik moet zwijgende de mijne sluiten;
alles verzwijgt gij woordloos met uw monden,
al het verborgene wil ik uiten, uiten.

Een geil, o roos, een zeer geheime
vergun mij voor mijn stil vervoeren:
zij vinden slechts die u bezoeken
volmaaktheid in uw omslagdoeken.

Uw lippen wil ik pletten tusschen tanden,
u eten en uw geurig vleesch aanranden,
dat zoeter is naarmate witter,
het witte zoet, het roode bitter.

Vervulling overstelpend, volte
van onverwoordbaarheid, geheel
uw lichaam ligt rond en holten
onthullend nauwlijks uw teveel.

Menschelijker dan andere bloemen
omdat gij met meerdere lippen zwijgt:
vegetaler ik door u niet te noemen.

Uw zilveren floers op purperlak
Uw grein van fijne maas en twijn
Uw ongefronst geglimd fustein
Uw gouden huive en paarlen jak.

Gij uw gedorend halsje buigt
door uw extremen overstelpt.
Gij bergt uw fonklende overmoed
deemoedig in uw bottelzoet.

Verbrand van regen is uw blad
verrot uw kleedsel en verdord uw hart
de storm vermorzelde u met overmacht
geen letsel hebt gijzelf u toegebracht.

Orgasme o roos binnen zooveel lippen
verborgen betooverd tot zooveel droom
van zoovele oogleden slapend geloken
met tranen bepareld hun zachtste zoom.

 

 
Christine D'haen (25 oktober 1923 – 3 september 2009)

Lees meer...

24-10-15

Onno Kosters, Kester Freriks, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov, Norman Rush

 

De Nederlandse dichter Onno Kosters werd geboren op 24 oktober 1962 in Baarn. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

Helm (bloem)

Zoals het begon,
mond die uit een kamer klonk,
maar aanhield, niet meer los-
liet: mij, de jouwe. Krul je tong.
 
Zoals het begon, winterzon
in de Zadelstraat,
een winkel waar ze vleugels verkochten
die ik zelf verzon en daarna bouwde
van 120 grams papier: uitknipte en vouwde,
op de aslijn perforeerde
en er een draagstel
van draadjes in monteerde.
Waar je voor viel, waar je me mee op-
 
tilde en ik zo je stempel vond.
 
Zoals het begon, winterzon,
voorjaarsgeuren,
lichte kleuren zo nabij en zo voorbij
de rand van waar ik stond,
zo aanraakbaar, lolly op tafel: stijl
 
waarlangs ik tot je vruchtbeginsel glij.
 
Zoals het begon, winterzon,
voorjaarsgeuren, zomerstop
bij de Dom.
 
Zoals het begon, winterzon,
voorjaarsgeuren, zomerstop, najaarskolk
in de dorst
 
van je kelk.
 
Zoals het begon,
 
tot het deze winter
dan eindelijk begon.

 


De man in de muur

Hij pikte er die dag met zorg zijn moeder uit.
Een vrouw met vlechten, die ze kortte toen ze,
die dag op haar heetst, de man nam die hij niet
voor het kiezen had. Daar lag deels zijn zorg.
 
Hij knipte er die dag met zorg zijn poppetjes uit,
uit weekbladen meegaand papier. De Margriet.
De vrouw en haar huis. De tennisballade. Zinnelijke
silhouetten en driekwartsopnamen van idealen
 
waarvoor Plato zich niet zou hoeven schamen.
Blanke nymfen, lange wimpers, dito benen,
pareltanden, in creaties van de Burda of serene
om zich heen geweven transparante nachtgewaden.
 
Hij lijmde die dag met zorg die papieren tijgerinnen
op het schetspapier. Stiekem dacht hij nog wel eens
dat de hoes van Zappa's Sgt Pepper's zijn idee was,
op mysterieuze wijze geciteerd. Soms verzon hij
 
dat hij zijn klassieken al kende voor ze het werden.
Al was het maar om het volgende: hij leerde die dag
zorgvuldig in de originelen de originelen van de
originelen onderscheiden. Het hart van de zaak.

Maakte er zijn eigen variaties op. Raadsel: welke pot
staat ’s morgens te blinken, zit ’s middags vet en
aangeslagen terneer en wordt ’s avonds haveloos,
bcrstcnsvol en vol barsten aangetrofïcn bij het vuil?

En hij pikte er die dag met dat feilloos gevoel
de moeder van zijn kind uit. Zij was het die daar,
in de aanzwellende menigte, eruit sprong door de
totale overgave aan haar vanzelf sprekende echo.

 

 
Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)

Lees meer...

Robert Graecen, Yordan Radichkov, Adrian Mitchell, Marghanita Laski, Dorothea von Schlegel, Sarah Josepha Hale, Hubert Aquin

 

De Ierse dichter en essayist Robert Greacen werd geboren op 24 oktober 1920 in Derry. Zie ook alle tags voor Robert Greacen op dit blog en ook mijn blog van 24 oktober 2010

Uit: Captain Fox

Dream

We walked along the Alley of the Dead
Up to the plateau, on to the Peterskirche,
Three figures in smog-grey coats,
Carl Gustav Jung, Captain Fox, myself.
We came on a square, half-lit, desolate.
Where were we? Basle? Ziirich?
It was Switzerland and yet not Switzerland.
At last we saw a pool and in its centre
A tiny island sparkled diamond-bright
With one magnolia tree in blossom.
Fox swore at the fog, coughed out phlegm.
‘Isn’t it beautiful,’ Jung cried,
‘This pool of life, this light?
To Liverpool we have come/1oh so.”
I smiled at the pun.
‘Crazy old Swiss,’ Fox muttered.
Jung placed his hand on my shoulder,
We headed for the island.

 

The Fixer

Some say there never was a Captain Fox.
Well, then I’ll call a witness:
One Derek Stanford, poet, sage,
A citizen of London and the world.
He’ll swear on any Bible you can find
That he saw Fox as plain could be
In Brighton town with Lord Olivier,
Actors both and men of action too.
He caught some words of Fox:
‘Larry, the PM’s in a right old tizz.
I told him I could fix it.’
‘Quite 50’, said Lord Olivier,
‘You’re just the man, old chap.’
They talked a while, these Thespians,
Then laughed, embraced like Latins,
Parted, their business despatched
Stanford watched their ego-dance,
Knowing he lived in interesting times.

 

 
Robert Greacen (24 oktober 1920 – 13 april 2008)
Cover 

Lees meer...

Aristide von Bienefeldt

 

De Nederlandse schrijver Aristide von Bienefeldt (pseudoniem van Rijk de Jong) werd geboren op 24 oktober 1964 in Rozenburg bij Rotterdam. Zijn eerste roman “Bekentenissen van Een Stamhouder” (2002) werd zowel geprezen als bekritiseerd door de Nederlandse en de Vlaamse pers vanwege zijn expliciete homoseksuele passages. “Bekentenissen van Een Stamhouder” is het verhaal van een jongeman, ook wel Aristide, die door een onbegrensde seksuele honger wordt gedreven om de zelfkant van het leven te ervaren in Parijs en Londen, op het moment van de millenniumwisseling. In 2003 verscheen de tweede roman van von Bienefeldt. Een beschaafde jongeman”. De kritieken waren zo mogelijk nog verdeelder. “Leer mij Walter Kennen” werd gepubliceerd in mei 2007, gevolgd door “De zus die Anna Magnani niet was” in 2010. Von Bienefeldt eindigde zijn samenwerking met zijn uitgeverij, Meulenhoff, in januari 2011, als gevolg van een belangenconflict en stapte over naar uiteverij Marmer. “De avonturen van mijn kleine rode fles” (een verzameling van 51 colums) werd gepubliceerd in januari 2014 (Kleine Uil edities), in oktober gevolgd door zijn nieuwste, zeer autobiografische roman “En weer zat er een Paul Newman in de keuken”.

Uit: De avonturen van mijn rode flesje

"Homoseks en religie, het blijft behelpen
Ongeveer een jaar geleden ontmoette in een Amsterdamse sauna een jongen van 28 die graag seks met me wilde – dat zal niemand verbazen, want wie wil er nu geen seks met mij? – maar daartoe niet of nauwelijks in staat was, om religieuze redenen.
Ik werd geacht begrip op te brengen voor de gewetensbezwaren die zich bij sommige reli-homo’s naar de oppervlakte haasten zodra ze (quote De Sade) ‘handelen op basis van hun constitutie, van het stempel dat zij van de natuur hebben meegekregen […].’ Homoseks en godsdienst, het blijft behelpen.
De lezer vermoedt nu dat de jongeman in de sauna moslim was, en dat was ook zo, maar een problematische omgang met neigingen waarmee je ouders je de wereld ingestuurd hebben, is zeker niet voorbehouden aan onze moslimvrienden.
Jaren geleden raakte ik verstrikt in een verhouding met een Fransman die een gewichtige functie bekleedde bij de Evangelische Protestantse Kerk en die, toen ik hem leerde kennen, onder druk van zijn arbeidsveld en zijn familie, dreigde te bezwijken voor een huwelijk.
Een huwelijk met een vrouw – het homohuwelijk bestond nog niet, maar zelfs de gedachte aan een echtverbintenis met iemand van hetzelfde geslacht was onbespreekbaar. Toch was hij één van de weinige gelovigen – zij die de bijbel niet als sprookjesboek lezen maar als gebruiksaanwijzing – die ik gekend heb die bereid was er iets over te zeggen.
Het was voor hem, hoe graag hij het ook anders zag, onmogelijk om zelfs maar een beginnetje te maken met acceptatie van zijn ‘anders zijn’. Zijn behoefte aan seks met mannen beschouwde hij als een fout in zijn ‘systeem’. Iedereen, was hij van mening, heeft wel zo’n ‘fabrieksfoutje’, de een gaat zich te buiten aan chocola, de ander spendeert zijn halve maandsalaris aan dure parfums, weer een ander laat zich ontroeren door mannelijke geslachtsdelen. Hij compenseerde zijn ‘systeemfout’ met veel bidden en zich actief inzetten voor de misdeelden van de samenleving. Seks met hem was oké, maar nooit zonder alcohol. Als hij klaarkwam huilde hij.

‘Ik loop al vijftien jaar bij een psychiater,’ zei een roodharige man die een bedenkelijk soort van katholicisme aanhing en die ik op een zomerse dag aan de rechter Seinekade tegen het lijf liep, ‘maar het wordt alleen maar erger.’

 

 
Aristide von Bienefeldt (Rozenburg, 24 oktober 1964)

12:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: aristide von bienefeldt, romenu |  Facebook |

23-10-15

Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Robert Bridges, Adalbert Stifter, Nick Tosches

 

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

 

Een middag lang naar elkaar liggen kijken

Een middag lang naar elkaar liggen kijken
met niets dan liefde aan. Zijn wat je hebt:
stilte die een schouder voor stilte schept,
lippen en handen die adem aanreiken.

Even soms huiveren, niet van gedachten,
maar van verlangen dat zichzelf niet kent:
een kind van aarde. Hebben wat je bent:
trage honger, klein niemandsland van wachten.

Werkelijkheid proeft aarzelend van droom:
beiden komen tot nieuw verwisseld leven;
vraagtekens die elkander antwoord geven,
buigende oevers van eenzelfde stroom:
de eeuwigheid tussen ons in geschoven.
Dat wij dat zijn, het is niet te geloven.

 

 

Eerste liefde
 
Zeventien. – ’s Avonds viel voor ’t eerst een ster
voor je venster in drie wensen uiteen:
schittertranen op een wereld van steen.
Maak me mooi. Laat me beven. Breng me ver.
 
En de dagen werden opeens een strand
om blootsvoets op te dansen. Nergens kon
een rok wijder staan dan jouw horizon,
en de appel zon trilde in je hand.
 
Maar je stelde de beet wervelend uit
voor het reiken naar lucht, vluchten van grond.
 
Ogen had je en benen; nog geen mond.
Adem was je en dorst; nog geen besluit.
 
De zee en één duin maar hebben je zien
uitduizelen: vogelvrij zeventien

 


Een dagje weg
 
Vannacht heb ik gedroomd dat je heel even
een dagje weg mocht van je plaats: hierheen,
de wereld in. Eerst zat je nog te beven
aan tafel, in de kring, vel over been,
 
maar toen al gauw heel rustig; en er scheen
geel licht alom, en je zat blij te leven
met ons, o, zo heel eigen en zo een
met al dat roerloos wederkerig geven.
 
We zeiden niets, bang dat er iets zou breken
of dat je tijd, wanneer wij zouden spreken,
weer om was; maar het teerste was je lach
op het albast van je gezicht: ik zag,
met tranen in mijn ogen, daar het teken
dat dit huis je geluk was, deze dag.

 

 
Michel van der Plas (23 oktober 1927 -21 juli 2013)

Lees meer...

22-10-15

Arjen Lubach, Lévi Weemoedt, Doris Lessing, Alfred Douglas, A. L. Kennedy, Charles Leconte de Lisle

 

De Nederlandse schrijver, cabaretier en televisiepresentator Arjen Henrik Lubach werd geboren in Lutjegast op 22 oktober 1979. Zie ook mijn blog van 22 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Arjen Lubach op dit blog.

Uit: Bastaardsuiker

“Het was een woensdag en het was eindelijk warmer geworden. De dorpen in het noorden van het land waren aan het smelten.
Anna ging naar binnen en ik volgde haar. ik nam plaats in een wachtruimte en zij ging naar binnen. Mijn gedachten dwaalden af naar momenten voor het schandaal, voor Anna groot was. Hoe alles had geklopt. Het had niet veel gescheeld of alles had voor altijd geklopt. Zomers waren langer, winters strenger, mensen vriendelijker. Bedrijven waren nog geen onoplosbare kluwen van structuren, onderbazen, raden van besturen, maar gewoon gebouwen met een parkeerplek en een kamer voor de directeur.
Daarna verschenen herinneringen van na het schandaal, toen niet alles meer klopte, maar er nog genoeg was om voor te leven. De kleine Anna, de staatsbezoeken, de denktank, nieuwe uitvindingen. Tot ze uiteindelijk in de stad ging wonen en ik haar uit mijn vingers heb laten glippen.
Na vijf minuten kwam Anna naar buiten. Ze huilde.
We zijn te laat, zei ze. Ik ben een week te laat. Het mag niet meer.
(...)

Gisteren ben ik opnieuw bij hem op bezoek gegaan. Elin was er niet. Een grote ventilator hield zijn kamer koel. Hij zag er beter uit dan een paar weken geleden. Zijn matras stond omhoog
gedraaid, waardoor hij rechtop kon zitten in zijn bed.
We bleven veel stil. Soms zeiden we minutenlang niets en luisterde ik naar de apparaten die naast zijn bed stonden.
‘Ben je met iets nieuws bezig?’ vroeg hij met enige moeite.
‘Er circuleren ideeën door mijn hoofd,’ zei ik.
Een aantal keer begon ik aan een vraag. Iets over vroeger, alsof ik nog meer wilde weten dan ik al wist. Aanvullingen op het manuscript of op herinneringen waarvan de helft was versleten in de jaren. Ik vertelde hem over Emma, over mijn boeken en over Gabor. Daarna vertelde ik overjonas.”

 

 
Arjen Lubach (Lutjegast, 22 oktober 1979)

Lees meer...

Jonas Lüscher

 

De Zwitsers-Duitse schrijver en essayist Jonas Lüscher werd geboren op 22 oktober 1976 in Zürich. Jonas Lüscher groeide op in Bern, waar hij van 1994 tot 1998 het protestantse Lehrerseminar Muristalden bezocht (opleiding tot leraar basisonderwijs). Na een aantal jaren als dramaturg en materiaalontwikkelaar in de Münchener filmindustrie studeerde hij aan de Hogeschool voor Filosofie in München. Daarnaast werkte Lüscher als freelance redacteur. Hij studeerde in 2009 af met de graad van magister. Hierna volgden twee jaar als onderzoeker bij het Instituut TTN (Technology-Theologie-Natuurwetenschappen) aan de Ludwig-Maximilians-Universität, terwijl hij tegelijkertijd werkte als docent ethiek aan aan de Staatliche Wirtschaftsschule München / Pasing. In 2011 stapte Lüscher over naar de ETH Zürich. Hij schreef daar met Michael Hampe aan een proefschrift over het belang van verhalen voor de beschrijving van maatschappelijke complexiteit in de context van Richard Rorty's neo-pragmatisme. In 2012/2013 was hij, met een beurs ​​van het Schweizerische Nationalfonds, negen maanden als gastonderzoeker aan de faculteit Vergelijkende Literatuurwetenschap verbonden aan de Stanford University. Aan het einde van 2014 verliet Lüscher de ETH zonder zijn proefschrift af te ronden. Zijn eerste novelle “Frühling der Barbaren”werd in 2013 zowel genomineerd voor de Deutsche Buchpreis als ook voor de Schweizer Buchpreis.

Uit:Frühling der Barbaren

“Nein», sagte Preising, „du stellst die falschen Fragen», und um seinem Einwand Nachdruck zu verleihen, blieb er mitten auf dem Kiesweg stehen. Eine Angewohnheit, die ich nicht ausstehen konnte, denn dergestalt glichen unsere Spaziergänge den kurzatmigen Wanderungen alter, übergewichtiger Bassets. Und dennoch spazierte ich täglich mit Preising, denn an diesem Ort war er mir, trotz seiner zahlreichen ärgerlichen Eigenheiten, noch immer der liebste Gefährte. «Nein», wiederholte er und setzte sich endlich wieder in Bewegung, «du stellst die falschen Fragen.»
Dafür, dass Preising so viel redete, nahm er die Bedeutung seiner Worte erstaunlich ernst, und er wusste immer genau, was er gefragt werden wollte, damit der Strom seiner Worte seinen vorgedachten Weg gehen konnte. Mir, der ich hier gewissermaßen ein Gefangener war, blieb nicht viel anderes übrig, als ihm auf diesen Pfaden zu folgen.
«Pass auf», sagte er, «ich werde es dir beweisen, und zu diesem Behufe werde ich dir eine Geschichte erzählen.» Das war auch so eine von seinen Angewohnheiten, Worte zu verwenden, von denen er sicher sein konnte, dass er der Einzige war, der sie noch im Repertoire hatte. Allerdings war das eine Marotte, die, so fürchte ich, im Lauf der letzten Wochen auf mich abgefärbt hatte. Manchmal gab es guten Grund, daran zu zweifeln, dass wir uns guttaten, Preising und ich.
«Eine Geschichte», versprach er mir, «aus der sich etwas lernen lässt. Eine Geschichte voller unglaublicher Wendungen, abenteuerlicher Gefahren und exotischer Versuchungen.»
Wer jetzt eine schlüpfrige Geschichte erwartet, kann falscher gar nicht liegen. Preising sprach nie über sein Geschlechtsleben. Das brauchte ich nicht zu fürchten, dazu kannte ich ihn gut genug. Ob er überhaupt eines hatte, darüber konnte ich nur Vermutungen anstellen. Es war schwer, sich das vorzustellen. Aber das konnte täuschen. Schließlich wundere ich mich vor dem Spiegel stehend manchmal selbst, dass einer wie ich, in dem so wenig Leben steckt, ein solches zustande gebracht hatte.“

 

 
Jonas Lüscher (Zürich, 22 oktober 1976)

18:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: :jonas lüscher, romenu |  Facebook |