24-08-16

Dolce far niente, Bertolt Brecht, John Green, Drs. P, Marion Bloem, Pepijn Lanen, Stephen Fry

 

Dolce far niente

 

 
Scène d'été door Frédéric Bazille, 1869

 

 

Vom Schwimmen in Seen und Flüssen

Im bleichen Sommer, wenn die Winde oben
Nur in dem Laub der großen Bäume sausen
Muß man in Flüssen liegen oder Teichen
Wie die Gewächse, worin Hechte hausen.

Der Leib wird leicht im Wasser. Wenn der Arm
Leicht aus dem Wasser in den Himmel fällt
Wiegt ihn der kleine Wind vergessen
Weil er ihn wohl für braunes Astwerk hält.

Der Himmel bietet mittags große Stille.
Man macht die Augen zu, wenn Schwalben kommen.
Der Schlamm ist warm. Wenn kühle Blasen quellen
Weiß man: Ein Fisch ist jetzt durch uns geschwommen.

Mein Leib, die Schenkel und der stille Arm
Wir liegen still im Wasser, ganz geeint
Nur wenn die kühlen Fische durch uns schwimmen
Fühl ich, daß Sonne überm Tümpel scheint.

Wenn man am Abend von dem langen Liegen
Sehr faul wird, so, daß alle Glieder beißen
Muß man das alles, ohne Rücksicht, klatschend
In blaue Flüsse schmeißen, die sehr reißen.

Am besten ist´s, man hält´s bis Abend aus.
Weil dann der bleiche Haifischhimmel kommt
Bös und gefräßig über Fluß und Sträuchern
Und alle Dinge sind, wie´s ihnen frommt.

Natürlich muß man auf dem Rücken liegen
So wie gewöhnlich. Und sich treiben lassen.
Man muß nicht schwimmen, nein, nur so tun, als
Gehöre man einfach zu Schottermassen.

Man soll den Himmel anschauen und so tun
Als ob einen ein Weib trägt, und es stimmt.
Ganz ohne großen Umtrieb, wie der liebe Gott tut
Wenn er am Abend noch in seinen Flüssen schwimmt.

 

 
Bertolt Brecht (10 februari 1898 – 14 augustus 1956)
Augsburg. Bertolt Brecht werd geboren in Augsburg.

Lees meer...

23-08-16

Charles Busch, Albert Alberts, Ilija Trojanow, Willy Russell, Gustav Ernst, Ephraïm Kishon,

 

De Amerikaanse schrijver en acteur Charles Busch werd geboren op 23 augustus 1954 in New York. Zie ook mijn blog van 23 augustus 2010 en ook alle tags voor Charles Busch op dit blog.

Uit: Psycho Beach Party

„MRS. FORREST (Devastated) It’s all true. All of it true. I was so ashamed. l blamed myself for the death of my boy. But I always loved my little girl. ( To Chicklet) You must believe that. I did love you. I do. And when Chicklet lost her memory of that day, I took it as a blessing from God. I vowed to create a new life for us. I changed my name, moved to a new city. I suppose I tried too hard, went too far and now . . . now I see I’m doomed to failure.
CHICKLET Mother, hold me. (They embrace)
BERDINE (Sobbing) l was supposed to be her best friend but I never knew.
KANAKA How do you feel, Chicklet?
CHICKLET As if a thousand doors have been opened.
PROVOLONEY But what does this all mean?
STAR CAT It’s really very simple. Chicklet did her best to suppress this traumatic childhood episode by denying herself all normal human emotion, so she created various alter egos to express emotion for her. She associated the sex drive with her mother, so she in effect became her childhood vision of her mother, Ann Bowman, whenever placed in a potentially erotic situation.
KANAKA Is this condition contagious?
STAR CAT Indeed not. Over eighteen percent of all Americans suffer from some form of multiple personality disorder. It is not communicable and in most cases, treatable with medical care.
BETTINA (Energetically) This is the most exciting story I’ve ever heard. This is the project that’s going to win me an Oscar.
PROVOLONEY Huh?
BETTINA A surfer girl with a split personality. A prestige picture if I ever saw one. (To Chicklet) Honey, I want to option this property, and believe me I’ll pay top dollar. I can’t promise casting approval but you can trust my integrity."

 

 
Charles Busch (New York, 23 augustus 1954)
Scene uit een opvoering in Thousand Oaks, 2015

Lees meer...

Curtis Sittenfeld

 

De Amerikaanse schrijfster Elizabeth Curtis Sittenfeld werd geboren op 23 augustus 1975 in Cincinnati, Ohio. Zij bezocht de Seven Hills schook en vanaf de 8e klas Groton, een particuliere school in Groton (Massachusetts). Daarna studeerde ze eerst aan het Vassar College in Poughkeepsie, daarna aan de Stanford University in Stanford, Californië. Na de studie verhuisde Sittenfeld naar Charlotte (North Carolina), waar ze schreef voor de Charlotte Observer. Daarna werkte ze voor het Fast Comany tijdschrift in Boston en vervolgens nam zij deel aan de Writers Workshop aan de Universiteit van Iowa. Haar artikelen verschenen onder andere in The New York Times, The Washington Post en People. In 2005, publiceerde Curtis Sittenfeld haar debuutroman “Prep:” De roman vertelt de ervaringen van student Lee Fiora aan de fictieve Elite School Ault. The New York Times koos “Prep” tot de tien beste boeken van 2005. In haar roman “American Wife” uit 2008 schildert Sittenfeld een fictief portret van de voormalige first lady Laura Bush. In 2013 verscheen de roman “Sisterland” en in 2016 volgde “Eligible”. Sittenfelds boeken zijn vertaald in vijfentwintig talen.

Uit: Prep

“I think that everything, or at least the part of everything that happened to me, started with the Roman architecture mix-up. Ancient History was my first class of the day, occurring after morning chapel and roll call, which was not actually roll call but a series of announcements that took place in an enormous room with twenty-foot-high Palladian windows, rows and rows of desks with hinged tops that you lifted to store your books inside, and mahogany panels on the walls—one for each class since Ault’s founding in 1882—engraved with the name of every person who had graduated from the school. The two senior prefects led roll call, standing at a desk on a platform and calling on the people who’d signed up ahead of time to make announcements. My own desk, assigned alphabetically, was near the platform, and because I didn’t talk to my classmates who sat around me, I spent the lull before roll call listening to the prefects’ exchanges with teachers or other students or each other. The prefects’ names were Henry Thorpe and Gates Medkowski. It was my fourth week at the school, and I didn’t know much about Ault, but I did know that Gates was the first girl in Ault’s history to have been elected prefect.
The teachers’ announcements were straightforward and succinct: Please remember that your adviser request forms are due by noon on Thursday. The students’ announcements were lengthy—the longer roll call was, the shorter first period would be—and filled with double entendres: Boys’ soccer is practicing on Coates Field today, which, if you don’t know where it is, is behind the headmaster’s house, and if you still don’t know where it is, ask Fred. Where are you, Fred? You wanna raise your hand, man? There’s Fred, everyone see Fred? Okay, so Coates Field. And remember—bring your balls.
When the announcements were finished, Henry or Gates pressed a button on the side of the desk, like a doorbell, there was a ringing throughout the schoolhouse, and we all shuffled off to class. In Ancient History, we were making presentations on different topics, and I was one of the students presenting that day. From a library book, I had copied pictures of the Colosseum, the Pantheon, and the Baths of Diocletian, then glued the pictures onto a piece of poster board and outlined the edges with green and yellow markers. The night before, I’d stood in front of the mirror in the dorm bathroom practicing what I’d say, but then someone had come in, and I’d pretended I was washing my hands and left.”

 


Curtis Sittenfeld (Cincinnati, 23 augustus 1975)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: curtis sittenfeld, romenu |  Facebook |

Koos Dijksterhuis

 

De Nederlandse schrijver, journalist en dichter Koos Dijksterhuis werd geboren op 23 augustus 1962 in Amersfoort. Hij studeerde biologie en sociologie in Groningen. Hij heeft een dagelijkse column over natuur in het dagblad Trouw. Ook schrijft hij soms artikelen in NRC Handelsblad. Dijksterhuis schrijft boeken, columns, recensies en reportages over vooral natuur en milieu, wetenschap, reizen en internationale samenwerking. In februari 2010 verscheen zijn boek “Een Groenlander in Afrika”, de wonderbaarlijke reis van de drieteenstrandloper. Voor dat boek reisde Dijksterhuis achter de strandlopers en hun onderzoeker aan naar Groenland, IJsland, Vlieland, Schiermonnikoog, Mauritanië en Ghana. Het boek is een mix van vogelecologie voor leken en een menselijk reisverhaal. Dijksterhuis schrijft ook korte verhalen en gedichten. Op de website plezierverzen.nl kan men zich aanmelden voor het gratis pleziervers van de week. Hij werkte drie jaar in Pakistan als voorlichter en redacteur, en was enkele jaren uitgever van het milieutijdschrift “De Kleine Aarde”.

 

Vader

Al jaren wordt mijn vader stukken ouder
Al twintig jaar ruimt hij de zolder op
Maar altijd hield hij die alerte kop
En iedereen kon bouwen op zijn schouder

We hingen uit het raam bij elke stop
Hij nam me mee op reis in alle treinen
En wees op reeën, bergen, bruggen, seinen
We zagen steden, stranden, steeg en slop

We ruilden onze rollen lang geleden
We reden op een draf, niet in galop
Per auto, riksja, trein naar verre steden

Maar nu is hij gevloerd, voor hem een strop
Zijn kop leeft niet alert in het verleden
Het kan nog duren, maar zijn tijd is op

 

 

Komkommertijd

Een tuinder zou komkommers telen
Maar faalt daarin door louter pech
Al zijn komkommers rotten weg
Het lot kan wrede spellen spelen

Hij brengt zijn ploegschaar naar de lommerd
Als tuinder blijft hij onbekommerd

 

 

Voorteken

Ik wandel vrolijk door het bos
maar voel iets in mijn dijbeen steken
ik krab en weet: ik ben de klos
waarna ik luidkeels uitroep: teken!

 

 
Koos Dijksterhuis (Amersfoort, 23 augustus 1962)

18:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: koos dijksterhuis, romenu |  Facebook |

22-08-16

Griet Op de Beeck, Jeroen Theunissen, Annie Proulx, Krijn Peter Hesselink, Dorothy Parker, Willem Arondeus, Gustaf Fröding

 

De Vlaamse schrijfster en columniste Griet Op de Beeck werd geboren in Turnhout op 22 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Griet Op de Beeck op dit blog.

Uit:Kom hier dat ik u kus

“Het is een dag zonder mysterie. Het licht scherp, de hemel helder. Ik zit op de sofa en ik eet een broodje krabsla. Ik ga nooit aan tafel zitten voor de maaltijd, want dan wordt de leegte aan de overkant plots zo reëel. Ik denk: ik mag niet morsen op de sofa, vetvlekken, die krijg ik er nooit meer uit. Ondertussen neem ik een stevige hap en valt er een klodder nepkrab met wortel en mayonaise op mijn oranjerode rok. Dan gaat de telefoon. Razendsnel schep ik met mijn twee handen die hap op, stuif naar de keuken, dump die in de gootsteen, veeg mijn handen af aan de handdoek die ik nog maar net gewassen had, en dan hol ik terug naar de telefoon om op te nemen. Pas als ik de hoorn aan mijn oor houd, besef ik dat ik nu ook nog iets moet zeggen. Ik probeer de halve ongekauwde hap zo in mijn rechterkaak te parkeren dat ik toch kan spreken.
‘Met Mona.’
‘Neemt gij altijd met uw mond vol de telefoon op?’
‘Alleen als gij het zijt.’ Het is Louis. Hem had ik niet verwacht. Ik hou het gedeelte van de telefoon dat bedoeld is om in te praten in de lucht om te vermijden dat mijn turbo kauwen hoorbaar is. Ik slik een veel te grote hap in één keer door, ook dat maakt geluid. Goed dat schaamte niet óók nog klank produceert, sta ik te denken.
‘Ik wil met u ontbijten, overmorgen, in die keet op dat pleintje, vlak bij het theater, ge weet wel, halftien. Eens zien waartoe gij in staat zijt op de nuchtere maag.’
‘Ah gezellig, mijnheer organiseert een test.’
‘Mijnheer heeft een volle agenda en wil u toch graag snel zien, dat is de waarheid.’
‘Hoe kan ik zo veel heftig charmeren weerstaan?’ Ik voel hoe ik glimlach, stop daar dan meteen weer mee, alsof hij het kon zien.
‘Dan treffen we mekaar daar? En, doe uw meest sexy outfit aan hè.’ Ik hoor zijn grijnzen aan de manier waarop hij dat zegt.
‘Minstens,’ antwoord ik.
Dan hangt hij op. Ik steek twee armen in de lucht, als een kind dat een goal heeft gescoord. Het halve broodje krabsla kieper ik in de vuilnisbak. Eten is een oplossing voor wie niks te vieren heeft.”

 

 
Griet Op de Beeck (Turnhout, 22 augustus 1973)

Lees meer...

21-08-16

Rogi Wieg, X.J. Kennedy, Elisabeth Alexander, Robert Stone, Aubrey Beardsley

 

De Nederlandse schrijver en dichter Rogi Wieg werd geboren op 21 augustus 1962 in Delft. Zie ook mijn blog van 21 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Rogi Wieg op dit blog.

 

Het rode leven regent

Aan de ene kant is er nog een kant.
Aan de andere kant is er geen kant meer.
Ik kan niet heen en weer, al zou tijd mij
dat wel toestaan. De schepping wil het niet.

De dood is de langste hoogte, voor- en zijkant
van het hout. Driedimensionaal niets waarin
ik liggen zal. Ik schrijf toch weer een vers over
wat er komen gaat. Komt dit door het weer vandaag?

Er valt rode regen* op de wereld. Het regent leven.
Misschien zonder DNA. Onwereldlijke maat die niet
naar niets toegaat als ik, maar komt vanuit het universum,
slingert door Het Al. Rode regen valt uit rode ogen
die wenen om de staat van zijn van lijf en stof.

En niets is een oud verhaal dat met lege handen
rooddoorweekt door de regen nooit meer thuiskomt.

Dit niets spoelt ook de rode regen niet naar huis
en niet meer weg. Zie: ik ben het, ik ben het maar.

 

 

In de ochtend

Verwondering over de matte lichtval
van deze ochtend, vol kersen en kleine regen.
Aangekleed, gekamd, maar wat ik doen zal
is mij nog niet gezegd. Dan zacht bewegen;

muziek die neerdaalt uit een instrument
waarop ik lang geleden heb gespeeld.
De klank verstoort mijn evenwicht. Het is mij onbekend
wat men hier speelt, de compositie lijkt verdeeld

in toen en nu; mijn vingervlugheid is gelijk.
De vleugel glanst, haar draagkracht even sterk,
zoals de lichte Arabesque die ik ontwijk
als ik mij tot herinnering beperk.

Zie, mijn vader prijst mijn spel,
geeft richtlijnen, streelt nu mijn moeders hand.
Tijd valt uit elkaar in onverdraaglijk getel.

 

 

Een verleden

Werkelijk voorbij kan niets ooit zijn;
de pijn waait voort als lucht tussen
de steden, draagt de lussen
van de tijd waarbinnen ik verschijn

in een ander zelf. Ik ben pas zesentwintig
maar meervoudig in mijn wezen,
in elke lus een ander leven,
een andere kus om mee weg te gaan.

En alleen de pijn gaat voort; zij stapt
zomaar, zij leeft voor zo weinig, hapt
nog naar vrede, maar wordt dan mij.

Misschien is er langzaam iets gebleven:
de lucht tussen de steden
neemt al mijn lussen op uit een verleden.

 

 
Rogi Wieg (21 augustus 1962 – 15 juli 2015)
In 1988

Lees meer...

Gennadi Ajgi, Lukas Holliger, Pete Smith, Frédéric Mitterrand, M. M. Kaye

 

De Russische dichter Gennadi Ajgi werd geboren op 21 augustus 1934 in het dorpje Sjajmoerzjino in de Tsjoewasjische republiek, aan de Wolga, 400 km ten oosten van Moskou. Zie ook alle tags voor Gennadi Aigi op dit blog en ook mijn blog van 21 augustus 2010.

 

Uit: Twenty-Eight Variations on Chuvash and Udmurt Folk Songs

XIX

And in the fog
the green oak
has nothing stronger than a branch
to sing with

 
XX

These hands and this head
will remain with those who died in a foreign land—
smoke from the locomotive hits us in the face,
to rob us of memory once and for all.

 
XXI

And suddenly—peace, as if
I were alone in the world,
and the blizzard out the window, blizzard in the garden,
blizzard in the fields.


Vertaald door Sarah Valentine

 

 
Gennadi Ajgi (21 augustus 1934 – 21 februari 2006)

Lees meer...

20-08-16

Anneke Brassinga, Etgar Keret, James Rollins, Clemens Meyer, Arno Surminski

 

De Nederlandse dichteres, schrijfster en vertaalster Anneke Brassinga werd geboren in Schaarsbergen op 20 augustus 1948. Zie ook alle tags voor Anneke Brassinga op dit blog en ook mijn blog van 20 augustus 2010.

 

Eik

Stug loof uit kromme takken barstend, querus robur,
wát u zegt! - meer heb ik niet te geef behalve schaduw,
als wolkendek ontbreekt. Dus hou uw mond,

tenzij u eikels vreten wou; ze vallen
straks na eerste kou. Mijn jas? Ik zou beschaamd zijn
u zo ruig doorgroeid te zien, vol mos.

En blijf ook af van al dat tere schemerweefsel
ondergronds, het treurt nog om Dodona
waar ik op rotsen stond en ruisend met mijn

doorwaaid blad uw god het woord gaf.
Licht was daar lavend vuur. Wat komt is duister:
ik voorspel mijzelf een stomme boom in windstille

verstuiving.

 

 

Blauw

kleine droefheid roept en raast
als regen in de duinen
kleine droefheid kijkt verdwaasd
naar de bramen neder.

zwarte vrucht van droefheid
in de regen, zoet en koud
roept en raast, verdwaasd en teder.
koude duinen, wolkenblauw

bewaasd, omringen de verdwaalde
droefheid, stervend haast,
die in al haar kleinheid
roept en raast.

 

 

Nachtpost

Alle licht gaat ergens heen -
het lampje boven in mijn pen
gekregen van Kees Hin de kineast,
schrijft in het donker dit gedicht in spiegelschrift
tussen de sterren heb ik gedacht;
en op de kop ook nog? Zodat jij, verhuisd
naar die omgekeerde averechtse onderwereld boven ons
nu lezen kunt een doodgewoon bericht?
En - vertel - heb je daarginder wel
net als hier de gamma-uil en jotavlinder?

 

 
Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948) 

Lees meer...

Maren Winter, Edgar Guest, Charles de Coster, Tarjei Vesaas, Salvatore Quasimodo, Colin MacInnes

 

De Duitse schrijfster Maren Winter werd geboren op 20 augustus 1961 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Maren Winter op dit blog.

Uit: Das Lied des Glockenspielers

„Er war erst wenige Schritte balanciert, als der schleppende Tross ins Stocken geriet. Zurück konnte Liron nicht mehr, und das schwankende Laufbrett war viel zu schmal, um das Fass darauf abzusetzen. Soweit es ihm in der gebückten Haltung möglich war, hob er den Kopf und spähte an den anderen Männern vorbei zum Prahm hinüber.
Da stand er, der junge Thiedemann von Kortholt, in aufrechter Haltung, als ob er einem Maler Modell stehen würde. Seine Rechte ruhte auf dem Degen, in der Linken hielt er einen Federhut. Das dunkle Haar legte sich über einen Kragen aus kunstvoller Nadelspitze, Rock und Pluderhose glänzten schwarz, ebenso die Schuhe, welche mit großen, samtenen Schleifen geschmückt waren.
Schreiber und der Frachtherr scharwenzelten um ihn herum, während sich vor ihm ein Träger bemühte, den Deckel eines Fasses aufzuhebeln.
Warum, zum Teufel, hatte Thiedemann den Träger ausgerechnet an der engsten Stelle angehalten? Das Fass stand direkt vor der Planke. Sah er denn nicht, dass dem Nächsten der Weg versperrt war und die Männer mit den schweren Lasten auf dem Rücken warten mussten?
Natürlich sah er es. Sein Blick schweifte unablässig über die gebeugten Träger hinweg. Für seine Heringe weigte er weit weniger Interesse.
Lirons Vordermann schwankte. Auch seine eigenen Muskeln zitterten, und der Eisenring des Passes schnitt ihm in die Finger. Vorsichtig lehnte er sich weiter vor, um seinen Rücken zu entlasten.“

 

 
Maren Winter (Lübeck, 20 augustus 1961)
Lübeck, Altstadt en Marienkirche

Lees meer...

Sylvie Richterová, Ernst-Jürgen Dreyer, Boleslaw Prus, Menno Lievers, Vasili Aksjonov, Jacqueline Susann

 

De Tsjechische schrijfster Sylvie Richterová werd geboren op 20 augustus 1945 in Brno. Zie ook mijn blog van 20 augustus 2007 en ook mijn blog van 20 augustus 2010.

Uit: Abc-Buch der Vatersprache

„Die Flüchtlingsorganisation teilte ihm eine Wohnung in Schwechat zu, wo sich der Wiener Flughafen befindet und wo die Straßen ganz wie in der Vorstadt von Brünn sind. Einige gleichen den Straßen in einer schönen Brünner Vorstadt, andere denen in der häßlichsten und staubigsten Brünner Vorstadt. Die Wohnung befand sich gerade dort, nämlich in einer Hauptstraße, die sicher einstmals Gehsteige gehabt hatte. In der Gegenwart aber waren sie der Südautobahn gewichen, so daß von ihnen nur wenig mehr als die Bordsteinkanten übriggeblieben sind. Von den Häusern ist der Putz abgefallen, seit dem Krieg sind sie nicht neu verputzt worden, genau so wie in der Brünner Vorstadt, nur daß Susanna und Aleš dort nicht gewohnt hatten, erst jetzt sollten sie es, in Wien.
Das Haus war weitläufig, mit einem großen, geräumigen Treppenhaus, in das die Küchenfenster gingen, und durch diese Fenster die Küchendünste, die im übrigen ganz angenehm und nach Wohlstand rochen. Die Zimmerfenster gingen zur Autobahn und erzitterten sehr oft von den sie überfliegenden Flugzeugen, die auf dem Flugplatz gerade landeten oder starteten. Aleš und sein Freund, der in Brünn in der Nachbarschaft gewohnt hatte und jetzt wiederum in Wien sein Nachbar war, trugen die paar Möbelstücke und die Kisten mit dem verzollten Familienbesitz in die Wohnung, damit der Chauffeur zurückfahren konnte, dann fiel Aleš in einen bleiernen Schlaf, und als er aufwachte, war es zwei Tage später am Morgen. Er lief zum Autobus, mit dem Susanna und die Kinder kommen sollten. Noch wacher wurde er, als sich zeigte, daß der Autobus Verspätung hatte, eine Stunde, zwei, drei Stunden. Nach drei Stunden befiel ihn lähmendes Entsetzen, die Familie könnte am Ende nicht über die Grenze gekommen sein. Sie kam, mit nur dreieinhalbstündiger Verspätung, einem kleinen Riß in der Zeit, der nur dann von Bedeutung ist, wenn man in ihm versinkt. Er hörte auf zu versinken, als er sah, wie sich schon von Ferne die hochgewachsene Susanna angespannt im Busfenster abzeichnete.“

 

 
Sylvie Richterová (Brno, 20 augustus 1945)

Lees meer...

Alfred Birney

 

De Nederlandse schrijver, essayist en columnist Alfred Alexander Birney werd geboren in Den Haag op 20 augustus 1951 als zoon van een Indisch-Nederlandse vader en een Nederlandse moeder. De Nederlandse voorouders van zijn vader waren uit het achttiende-eeuwse Schotland afkomstig, vandaar de Engelse achternaam. Alfred Birney groeide op in Den Haag tot zijn dertiende bij zijn ouders, daarna tot zijn achttiende in internaten in Voorschoten, Arnhem en Scheveningen. Hij leidde een bohemien bestaan tot zijn vijfentwintigste, zette zijn eerste verhalen op papier maar gooide ze weg. Hij werd gitaarleraar en introduceerde in tijdschriftpublicaties het gecombineerde noten- en tabulatuurschrift voor gitaristen, dat later grote navolging kreeg. Toen hij rond zijn dertigste zijn loopbaan als musicus moest opgeven door een onherstelbare beschadiging aan zijn linkerhand, ging hij serieus verder met schrijven. Hij debuteerde in 1987 met de roman "Tamara’s lunapark". In 1991 kreeg hij voor zijn oeuvre (1987-1991) de literaire G.W.J. Paagman-prijs uitgereikt onder een commissie voorgezeten door Aad Nuis. Zijn bloemlezing "Oost-Indische inkt. 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren" (1998) veroorzaakte veel beroering en polemiek binnen kringen van de Indische literatuur. Twee van zijn belangrijkste romans, "Vogels rond een vrouw" (1991) en "De onschuld van een vis" (1995), werden respectievelijk in 2000 en 2002 in vertaling in Indonesië uitgebracht. Van 2002 tot 2005 was Alfred Birney verbonden als columnist bij de Haagsche Courant, een baan die hij moeilijk kon combineren met zijn literaire werk. Zijn onaflatende verdediging van de multiculturele samenleving werd hem niet altijd in dank afgenomen. Na acht jaar afwezigheid op het literaire podium kwam Alfred Birney terug met zijn zogenaamde Rivieren-trilogie, waarin de echo van de koloniale geschiedenis van Nederland doorklinkt. De trilogie omspant een periode van omstreeks 1750 tot 250 jaar later. Drie landen spelen een rol in de zoektocht van de hoofdpersoon naar sporen uit het verleden: Schotland in "Rivier de Lossie"(2009), Nederland in "Rivier de IJssel' (2010) en Indonesië in "Rivier de Brantas" (2011). In 2012 verscheen zijn essay, "De dubieuzen", als vervolg op de bloemlezing "Oost-Indische inkt. 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren" (1998) en "Yournael van Cyberney" (2001). Birney stelt hierin onder meer het gebrek aan kennis van Nederland van de eigen koloniale geschiedenis aan de kaak via voorbeelden uit boeken van vergeten schrijvers uit de koloniale letteren.

Uit: Rivier de Lossie

“Een clandestiene folkclub lag ergens boven in een hoekhuis in het Renbaankwartier, waar je de zee kon ruiken. Er was geen alcohol of marihuana, wel hete soep. Schaakborden, gedempte conversaties. Op een barkruk zat een jongen met een bebrild vollemaansgezicht, varkenslijf en worstvingers geweldig gitaar te spelen. De jongen zong in het Gaelic. Ik verstond hem niet maar begon een land te missen waar ik nog nooit geweest was.
(…)

Wíe met een Indonesisch-Schots-Nederlandse achtergrond als de mijne zou níet hebben gedacht dat die benen op die ketjapfles de benen van het wapenschild van zijn zeer verre voorouders waren? Drie benen die in het jaar 838 na Christus geamputeerd waren achtergelaten voor de finale strijd van de Scoten tegen de Picten ergens op een slagveld van modder, winden en regen.
(…)

Er was een lied dat sluimerde in mijn herinnering, maar dat niet aan de oppervlakte wilde komen. Het hinderde me, terwijl de trein voortsnelde naar Elgin, een klein stadje in Moray, een provincie in de Highlands, waar mijn zeer verre voorouders duizend jaar eerder dood en verderf hadden gezaaid, waarvan uiteraard niets meer te zien was toen ik de trein uitstapte.
(…)

Er was iets merkwaardigs, als ik mocht geloven wat ik zag. Niet aan de roeiboot maar aan de roeiers. Had elk van die roeiers maar één been?Ik draaide me in het voorbijgaan om, wreef mijn vermoeide ogen uit en stelde vast dat het werkelijk zo was. Ik tuurde door het raampje van de treincoupé de boot na, die op het ogenblik dat ik aan mijn waarneming begon te twijfelen uit het zicht verdween.”

 

 
Alfred Birney (Den Haag, 20 augustus 1951)

12:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: romenu, alfred birney |  Facebook |

19-08-16

Jonathan Coe, Li-Young Lee, Frederik Lucien De Laere, Louis Th. Lehmann, Ogden Nash, Frank McCourt, John Dryden

 

De Engelse schrijver Jonathan Coe werd geboren op 19 augustus 1961 in Birmingham. Zie ook mijn blog van 19 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Jonathan Coe op dit blog.

Uit:Number 11

“The round tower soared up, black and glistening, against the slate grey of a late-October sky. As Rachel and her brother walked towards it across the moor, from the east, it was framed by two leafless, skeletal ash trees. It was the hour before dusk on a windless afternoon. When they reached the trees, they would be able to rest on the bench that stood between them, and look back towards Beverley in the near distance, the neat clusters of houses and, rising up in the midst of them, the monumental, answering greyish-cream towers of the Minster.
Nicholas flopped down on the bench. Rachel – then only six years old, eight years his junior – did not join him: she was impatient to run up towards the black tower, to get close to it. She left her brother to his rest and scurried onwards, squelching her way through the cow-trodden mud that surrounded the foot of the tower until she was right up against it, and could lay her hands upon the gleaming black brickwork. The flat of both hands upon the tower, she looked upwards and could not comprehend the size and scale of it, the perfect, lucid curve as it arched itself, like a sway back, against a threatening sky through which a pair of rooks were now skimming, cawing and circling endlessly.
'What did it use to be?' she asked.
Nicholas had joined her now. He shrugged. 'Dunno. Some kind of windmill, maybe.'
'Do you think we could get inside?'
'It's all bricked up.'
There was a circular wooden bench running all around the base of the tower, and when Nicholas sat there, Rachel sat beside him and stared up into his pale, unresponsive blue eyes, which for all their coldness only made her feel how lucky she was, how blessed, to have an older brother like this, so handsome and confident. She hoped that one day her hair would be as blonde as his, her mouth as shapely, her skin as downy and clear. She nestled against his shoulder, as close as she dared. She didn't want to be a drag upon him, didn't want him to become too aware that, in this strange and unfamiliar town, he was the only thing that made her feel safe.
'You cold or something?' he asked, looking down at her.
'A bit.' She inched away slightly. 'Will it be warm where they are, d'you think?'
'Course it will. There'd be no point going on holiday somewhere where it's cold, would there?'
'I wish they'd taken us with them,' said Rachel feelingly.
'Well, they didn't. So that’s that.'

 


Jonathan Coe (Birmingham, 19 augustus 1961)

Bewaren

Lees meer...

Marion Pauw

 

De Nederlandse schrijfster Marion Pauw werd geboren in Tasmanië op 19 augustus 1973. Zij emigreerde op haar zesde naar Nederland. Ze werkte onder meer als freelance journaliste voor het dagblad Amigoe (Curaçao) en als columniste voor Flair. Ze is copywriter voor reclamebureaus. Voor haar boek “Daglicht” ontving zij de Gouden Strop 2009. Er werden meer dan 100.000 exemplaren van verkocht. In 2013 verscheen de Daglicht-verfilming in de bioscoop. Voor de in 2010 uitgezonden televisieserie “In therapie” (NCRV) schreef Pauw het scenario. In juni 2014 maakte de CPNB bekend dat Pauw in 2015 het geschenkboekje voor de Maand van het Spannende Boek zou schrijven.

Uit: Girl in the Dark

“There's not much difference between transporting a prisoner and moving a load of hogs. They have to get to their destination in one piece. And that's all, really. I was handcuffed. I felt uncomfortable and clumsy. It took all my concentration not to lose my balance as I climbed into the van. My escort, a guard with a square-shaped head, gave me a shove. It wasn't deliberately brutal, just rough indifference. "Hurry up." The only words addressed to me directly. I staggered, regained my footing, and sat down on the leatherette seat.
Ostentatious jingling of keys. The scrape of metal on metal. [he cage clanged shut; I was being moved inside a cage. I'd been locked up for eight years. I had grown partial to the nonotonous rhythm of my days, but I had never gotten used to the )ars. The van's windows were shaded. I was seeing the outside vorld again for the first time, only through a dark, gray film, Still, 'd been looking forward to the trip. To see cats driving along, and rees, and teenagers riding their bikes into the wind. Maybe even a rain racing us alongside the highway. Or boys on top of the overpasses yelling at the cars whizzing by below. The kind of hings you don't get to see on TV because they're too ommonplace, but that make you even sicker with longing for the vorld outside. The van set off. I was being transferred from the prison in kmersfoort to the Hopper Institute in Haarlem. I hadn't quite figured out if my transfer to the forensic )sychiatric unit was something to be happy about. I'd had far too nuch time to think about it, the same way I had far too much time And then there were days when I was so angry and frustrated that I couldn't see the plus side of anything anymore. When I just wanted to get home to my fish. I was very worried about my fish. At night I'd picture them floating belly-up. A stinking pile of zebrasoma, holocanthus, and amphiprion. I'd yell and scream until the entire cell block was awake. "It's the nutcase again." "Yo, freak, shut the fuck up!" "I'll get you tomorrow—you better watch your back, motherfucker." But in actuality, no one ever laid a finger on me, not once. It wasn't like on those TV shows. The prisoners spent the greater part of the day just bullshitting. Every now and then a scuffle would break out over something minor, like a missing pack of cigarettes. But rape wasn't their thing, and nobody knocked anybody's teeth out to get better blowjobs, either."

 

 
Marion Pauw (Tasmanië, 19 augustus 1973)

 

18:05 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: marion pauw, romenu |  Facebook |

18-08-16

Marc Degens, Ulrich Woelk, Jami, Luciano de Crescenzo, Alain Robbe-Grillet, Brian Aldiss, Hugo Bettauer

 

De Duitse schrijver Marc Degens werd geboren op 18 augustus 1971 in Essen. Zie ook alle tags voor Marc Degens op dit blog.

Uit: Das kaputte Knie Gottes

„Mal ist es eine Anspielung auf einen alten Lehrer oder eine nicht mehr existierende Bäckerei - sogar die Frese taucht in den Briefen regelmäßig auf.
Dennis’ Schreiblust war das Gegenteil von meiner - ich habe ihm höchstens eine Handvoll Briefe geschickt. Ich besitze keine Kopien von ihnen, doch ich bin sicher, dass sie sich im Vergleich so spannend lesen wie Einkaufszettel. Statt Briefe zu schreiben wollte ich lieber telefonieren. Um ein Gespräch in eine Richtung lenken und Fragen stellen zu können - auf viele Dinge ging Dennis in seinen Briefen gar nicht ein. Ich wollte wissen, wie er lebt. Und wovon. Ob er Freunde gefunden hat.
Drei Jahre lang habe ich mehr mit seinem Anrufbeantworter als mit ihm gesprochen. Wenn er anrief, dann fast immer zu unmöglichen Zeiten, nach Mitternacht oder Sonntagfrüh. Dennis lebte in den Tag hinein und schien manchmal nicht zu wissen, in welcher Stadt er übermorgen aufwachen wird. Er kam mir vor wie ein Spielball von höheren Mächten, der sich nicht dafür interessiert, in welche Richtung er geworfen wird.
Ich war zu stolz, um ihm hinterherzurennen. Sein wortloser Abschied aus Wattenscheid hatte mich verletzt. An dem Tag seines Umzugs hatte ich mit seinen Eltern gesprochen, auch sie standen vor einem Rätsel. Sie wussten nicht, woher Dennis das Geld für den Umzug genommen und wieso er seine Wohnung Hals über Kopf verlassen hatte. Er hatte seinen Eltern nur gesagt, dass er nach Berlin ziehen würde und sie sich keine Sorgen machen sollten. Eine Adresse oder Telefonnummer hatte er nicht hinterlassen, dafür aber Dog.
Ich wartete auf eine Erklärung von Dennis - und ich musste lange warten. Noch nicht einmal Weihnachten hielt er es für nötig, sich zu melden. Von Tag zu Tag wuchs meine Enttäuschung. Auch Lily hatte noch kein Lebenszeichen von ihm erhalten. Erst nach mehreren Monaten bekam ich den ersten ellenlangen Brief von ihm, der mehr Fragen aufwarf als Antworten lieferte.“

 

 
Marc Degens (Essen,  18 augustus 1971)

Lees meer...