13-11-15

ECI Literatuurprijs voor Jeroen Brouwers

 

ECI Literatuurprijs voor Jeroen Brouwers

De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers ontvangt de ECI Literatuurprijs (de vroegere AKO-Literatuurprijs) voor zijn roman “Het hout”. Dat maakte juryvoorzitter Andrée van Es donderdag bekend op het Crossing Border Festival in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag. Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.

Uit: Het hout

“Er komt wit in mijn hersens, eindeloos horizonloos. Ik kijk, zonder dat er een spier in mijn gezicht vertrekt, naar de een, naar de ander. Gaan jullie je Jezus maar zelf begraven. Ik heb het lijk daarstraks gewassen, het kan zo nederdalen ter helle.
Je kunt gaan Bonaventura. Verdere instructies krijg je van Amadeo.
Dat boek had ik te leen, zeg ik nog. Meneer Woltgens zou het graag terug hebben.
Benedictus stempelt met zijn vuist opnieuw een bons op de rode omkafting en laat er een vochtplek op achter. Zorgen wij voor. Schuift Umbrië met de nagel van zijn pink naar Amadeo. Nog iets Amadeo? Het plaaginsect neemt de afgehandelde papiertjes van hem over en legt een nieuw papiertje voor hem neer. Dat Hyacintus daarjuist weer was binnengekomen met een klacht over
medebroeder Olaf. Straks, zegt Benedictus. De ouwe is zichtbaar afgemat.
In de gang loop ik over de witte tegels, ontheven van mijn taken. Rochus die gebogen achteruitlopend de dweil met brede bogen heen en weer beweegt groet mij niet. Ik hem ook niet. Onder de secondenklok, zestien uur zeventien, zie ik de speelplaats. Voetballen in de hitte. Wil van Lanschot die niet met zijn vriend Mark Freelink mag praten praat met Mark Freelink, dwingend gesticulerend, in de dode hoek naast de gymzaal, niet te bespieden vanuit het  rechterraam tweede verdieping schoolgebouw. Verboden plek dus. Hij durft, zo goed als vogelvrij als hij is. Mark, brekelijk albastwit als het engeltje boven zijn bed, schone kleren, beide schoenen aan, knikt, zegt iets terug, knikt. In zijn
ene bruine schoen zit een zwarte veter, dat merk ik op als ex-surveillant. Guido Weytjens komt erbij, wat in ieder geval in orde is met het kostschoolreglement dat contact tussen twee jongens verbiedt, altijd ten minste met zijn drieën om gore praatjes uit te wisselen. Wil toont Guido de paarse achterkant van zijn been. Guido reageert met een stap achteruit en roept iets, wat ik vanop deze afstand achter het raam natuurlijk niet kan verstaan. Tienduizendmiljard bommen en granaten, de grote kraakvis zal hem kraken die basjiboezoek! Ik weet dat hij verwerpelijke stripboeken leest. Ik zag altijd alles door de vingers, maar nu heeft Remigius het overgenomen. Die schreeuwt en koestert het hout in de binnenborstzak van zijn kloostervacht. De clubactiviteiten zijn voorbij, nu begint de studie en daarna, van vrijdag verplaatst naar vandaag, staat de leerlingen het doucheritueel te wachten, want morgen komt hoog kerkelijk bezoek, het lichaam moet schoon, alles wordt gecontroleerd.
Niets meer te doen, ik heb er niets meer mee te maken. U loof ik die mijn schepper zijt die met uw liefde mij geleidt.”

 

 
Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)

12-11-15

Daniël Dee, Johnny van Doorn, Cristina Peri Rossi, Naomi Wolf, Juana Inés de la Cruz, Jacobus Bellamy

 

De Nederlandse dichter Daniël Dee werd geboren op 12 november 1975 in Empangeni, Zuid-Afrika. Zie ook mijn blog van 12 november 2010 en eveneens alle tags voor Daniël Dee op dit blog.

 

Nachtmerrie om aandacht

ik wilde je even niet meer zien dat bedacht ik toen ik op bed lag in de slaapkamer nadat jij al slaand met de deuren woest het huis uit was gebeend ik lag op mijn buik en bemerkte dat mijn neus verstopt zat ik ging rechtovereind zitten en pakte een papierenzakdoek uit mijn broekzak toen ik mijn neus grondig en luidruchtig gesnoten had keek ik in de zakdoek en zag jouw silhouet erin met een wilde zwaai wierp ik de zakdoek door de kamer mijn oog viel op het koffiekopje naast mijn bed op de bodem in het koffiedik herkende ik onmiskenbaar jouw gelaat geschrokken deinsde ik terug en wilde schreeuwen voordat ik een geluid kon maken voelde ik jouw lippen op de mijne panisch greep ik met beide handen naar mijn mond dit veroorzaakte een kriebel in mijn mouwen een vleug van jouw geur steeg daaruit op ik vloog zowat tegen de muur op misschien vloog ik ook wel echt tegen de muur op want ik herinner me het gevoel van teruggeworpen te worden in bed katatoon bleef ik liggen ik had niet eens meer de energie om te schreeuwen op dat moment voelde ik levensecht jouw hand op mijn gulp ik had het niet meer en dacht dat ik zou bezwijken zo moet ik een tijdje in mijn eigen angstzweet hebben gezwommen totdat jij weer thuis kwam en me zei dat het allemaal wel goed zou komen

 

 

De buitenstaander

Hoe iedereen uiteindelijk alleen achterblijft met zijn/haar brein en hondenleven

dagelijks leur ik van deur tot deur ik bel aan en zwijg
show mijn doosje met het gedrochtje
ik praat niet over de pijn
na gedane arbeid
haalt de waardin me
met open armen binnen
ze glimlacht en schenkt me bier
meer kan zij ook niet voor mij betekenen

 

 
Daniël Dee (Empangeni, 12 november 1975)
 

Lees meer...

Frank Witzel

 

De Duitse schrijver, illustrator, radiopresentator en muzikant Frank Witzel werd geboren op 12 november 1955 in Wiesbaden. Witzel volgde na de middelbare school eerst een muzikale opleiding aan het conservatorium Wiesbaden. Al in zijn jeugd studeerde hij piano, cello en klassieke gitaar. Vanaf 1975 publiceerde Witzel gedichten in alternatieve literaire tijdschriften als Das Nachtcafé, TJA oder Machwerk. Zijn eerste gedichtenbundel “Stille Tage in Cliché” verscheen in 1978 In zijn roman “Blue Moon Baby” (2001) vertelt Witzel verhaal van de in Hessen wonende leraar Hugo Rhä, dat andere verhaallijnen - zoals dat van de bizarre spion Douglas Douglas Jr. in Wisconsin - overlapt. Hierin koppelt Witzel moderne samenzweringstheorieën met elementen van de spionageroman, doorspekt met verwijzingen naar popcultuur en literatuur. Ook in de volgende Roman “Revolution und Heimarbeit” (2003) combineert Witzel samenzweringstheorieën - zoals de zogenaamd alleen maar gesimuleerde maanlanding in 1969 - met groteske gebeurtenissen, kritiek op het kapitalisme en Freakshow elementen. In 2015 verscheen de dikke roman “Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch depressiven Teenager im Sommer 1969“.

Uit: Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch depressiven Teenager im Sommer 1969

„Das ist meine Wasserpistole. Sag mal, spinnst du? schreit Bernd. Wo ist denn die Erbsenpistole? Vergessen, aber die Wasserpistole ist echt gut, die hat vorne nen Ring, da kannst du um die Ecke schießen. Ihr seid Spinner, vollkommene Spinner, ich denk, ihr habt euch das Luftgewehr von Achim geliehen. Der war nicht da, nur seine Oma, und die wollte es nicht rausrücken. Pass auf! Ich schlingere nach links, und fast wären wir umgekippt, aber Claudia und Bernd werfen sich geistesgegenwärtig auf die andere Seite, und ich komme nur für einen Moment von der Fahrbahn ab. Der Schnee spritzt an den Scheiben hoch. Die Scheibenwischer arbeiten wie wild. Vielleicht sollten wir einfach drehen, ruft Claudia, damit rechnen die nie im Leben. Ja, schreit Bernd, da rasen wir an denen vorbei, und bevor die was merken, sind wir weg.
Nein, Unsinn, das ist Quatsch, wir müssen bis zum nächsten Ort, das ist nicht mehr weit, außerdem gehts da vorn schon bergab. Ja, stimmt, ich seh schon die ersten Häuser. Wir müssen sie abhängen. Ich rase ungebremst in den Ort, die Bleichwiesenstraße runter, dann links in die Weihergasse, am Bäcker Fuhr vorbei, wo es die Bananenschnitten mit Schokoguss gibt, vorbei an der Drogerie Spalding, am Lebensmittel Breidenbach, Zeitschrien und Tabakwaren Maurer, Lebensmittel Lehr, Sängerheim, dann kurz vorm Bäcker Daum halte ich an. Schnell, schreie ich, die Bullen sind noch nicht da. Wir steigen aus und rennen gegenüber in den Hofeingang und durch nach hinten. Wir müssen über die Mauer, da ist der Schulhof, von dort können wir weiter zur Kerbewiese.
Wir springen auf die Mülltonnen. Was macht ihr da? ruft eine Stimme aus einem Fenster im Hinterhaus. Bleibt sofort stehen! Ich kenn euch! Sofort stehenbleiben! Sonst gehe ich zu euren Eltern! Ich drehe mich kurz um. Eine Frau in Kittelschürze lehnt aus dem Flurfenster im zweiten Stock und droht mit einem Staubtuch. Gerade fahren die Bullen an der offenen Hoür vorbei. Die haben uns nicht gesehen, sage ich, die fahren bestimmt hoch zum Gräselberg. Dann hauen wir aber besser in die andere Richtung ab, sagt Bernd. Stimmt. Los. Wir springen wieder von den Mülltonnen und rennen durch den Hauseingang. Stehenbleiben!, brüllt die Frau wieder.“

 

 
Frank Witzel (Wiesbaden, 12 november 1955)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: frank witzel, romenu |  Facebook |

Lucia Berlin

 

De Amerikaanse schrijfster Lucia Berlin werd geboren op 12 november 1936 in Juneau, Alaska, en bracht haar jeugd in telkens wisselende plaatsen door als gevolg van de carrière van haar vader die mijningenieur was. Het gezin woonde in mijnbouwkampen in Idaho, Montana en Arizona, en Chili, waar de Lucia bracht het grootste deel van haar jeugd. Als volwassene woonde zij in New Mexico, Mexico, het noorden en het zuiden van Californië en Colorado. Berlin begon relatief laat in het leven te publiceren onder aanmoediging van de dichter Ed Dorn. Haar eerste kleine bundel “Angels Laundromat” werd gepubliceerd in 1981, maar haar verhalen werden al geschreven in de vroege jaren 1960. Een aantal van haar verhalen verschenen in tijdschriften zoals “The Atlantic” en Saul Bellow's “The Noble Savage”. Berlin publiceerde zes bundels korte verhalen, maar het grootste deel van haar werk is te vinden in de drie lateruitgaven van Black Sparrow Books: “Homesick: New and Selected Stories” (1990), “So Long: Stories 1987-92” (1993)en “Where I Live Now: Stories 1993-98” (1999). Berlin was nooit een bestseller, maar was wel invloedrijk binnen de literaire gemeenschap. Zij werd vergeleken met Raymond Carver en Richard Yates. Voor haar 1 pagina grote verhaal “My Jockey” ontving zij de Jack London Short Prize 1985 en zij won ook een American Book Award voor “Homesick”. Ook werd zij bekroond met een beurs van de National Endowment for the Arts. In 2015 verscheen een compendium van haar korte verhalen onder de titel “A Manual for Cleaning Women: Short Stories. Het boek haalde meteen de New York Times bestseller lijst. Gedurende haar leven verdiende Berlin haar brood met een reeks van gewone banen. Vanaf de vroege jaren 1990 doceerde zij creatief schrijven op een aantal plaatsen, waaronder de San Francisco County Jail en de Jack Kerouac School of Disembodied Poetics aan de Naropa-universiteit. Vanaf herfst 1994 was Berlin Visiting Writer aan de Universiteit van Colorado, Boulder. Berlijn is drie keer getrouwd en had vier zonen. Zij werd geplaagd door gezondheidsproblemen, zoals dubbele scoliose. Toen haar gezondheid en financiën verslechterden verhuisde zij naar een trailerpark aan de rand van Boulder, en later, naar een omgebouwde garage achter het huis van haar zoon buiten Los Angeles

Uit:A Manual for Cleaning Women

“Most of the time I feel all right about getting old. Some things give me a pang, like skaters. How free they seem, long legs gliding, hair streaming back. Other things throw me into a panic, like BART doors. A long wait before the doors open, after the train comes to a stop. Not very long, but it’s too long. There’s no time.
And laundromats. But they were a problem even when I was young. Just too long, even the Speed Queens. Your entire life has time to flash before your eyes while you sit there, a drowner. Of course if I had a car I could go to the hardware store or the post of€ office and then come back and put things into the dryer.
The laundries with no attendants are even worse. Then it seems I’m always the only person there at all. But all of the washers and dryers are going . . . everybody is at the hardware store.
So many laundromat attendants I have known, the hovering Charons, making change or who never have change. Now it is fat Ophelia who pronounces No Sweat as No Thwet. Her top plate broke on beef jerky. Her breasts are so huge she has to turn sideways and then kitty- corner to get through doors, like moving a kitchen table. When she comes down the aisle with a mop everybody moves and moves the baskets too. She is a channel hopper. Just when we’ve settled in to watch The Newlywed Game she’ll flick it to Ryan’s Hope.
Once, to be polite, I told her I got hot  ashes too, so that’s what she associates me with . . . The Change. “How ya coming with the change?” she says, loud, instead of hello. Which only makes it worse, sitting there, re ecting, aging. My sons have all grown now, so I’m down from € ve washers to one, but one takes just as long.
I moved last week, maybe for the two hundredth time. I took in all my sheets and curtains and towels, my shopping cart piled high. The laundromat was very crowded; there weren’t any washers together. I put all my things into three machines, went to get change from Ophelia. I came back, put the money and the soap in, and started them. Only I had started up three wrong washers. Three that had just finished this man’s clothes.”

 

 
Lucia Berlin (12 november 1936 - 12 november 2004)

 

18:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: lucia berlin, romenu |  Facebook |

Lize Spit

 

De Vlaamse schrijfster Lize Spit werd geboren in Viersel op 12 november 1988. Spit groeide op in de Belgische Kempen. Ze studeerde aan de ‘School of Arts’ van de Erasmushogeschool Brussel, waar ze een master in scenarioschrijven haalde. In 2013 won ze zowel de jury- als publieksprijs van de schrijfwedstrijd Write Now! Spit publiceerde korte verhalen en poëzie in onder andere de tijdschriften Tirade, De Gids en Das Magazin. In januari 2016 verschijnt haar eerste roman “Het smelt”.

Uit: Het smelt (Voorpublicatie, oktober 2015)

“11 juli 2002
Het is me nog nooit gelukt ergens te laat te komen. Pim wel, en hij heeft altijd een goed excuus. De stal moest worden uitgeveegd, een melkoverschot moest in plastieken flessen worden overgegoten, een koe die een stuitligger gekalfd had. Nu heeft hij ook nog eens Jan. Mensen stellen na een verlies weinig vragen meer.
Bij het fietsen doorkruis ik soms warme, soms koude plekken lucht. Mocht ik me niet tussen huizen maar in een zwembad bevinden, zou ik anderen ervan verdenken net in het water te hebben gepist.
Ik draag mijn badpak onder mijn kleren. Het is een oud exemplaar. Ik had het al tijdens de lagere school, het is te krap geworden. De bandjes snijden in het vel van mijn schouders. Dat geeft een weerstand die, indien ik eraan zou toegeven, me dubbel zou doen klappen.
Hoe vaker ik met mijn kruis over het zadel heen en weer wroet, hoe schever mijn tampon komt te zitten. Vlak voor mijn vertrek heb ik een nieuwe ingedaan. De kartonnen inbrenghulzen waren op, dus nam ik een van de dikke, zelf in te brengen kogelvormige tampons van mama. Mijn vinger was veel korter dan de hulzen die ik net gewend was, echt diep kreeg ik het ding niet. Het koordje trok ik naar achter, klemde het vast tussen mijn billen als een boekenlegger.
De kerkklok luidt eenmaal. Zestien uur is een vreemd tijdstip om je nog door het dorp te verplaatsen, op weg naar iets. De meesten keren op dit uur al huiswaarts, waardoor het net niet meer de moeite lijkt nog aan iets te beginnen. Om deze reden ben ik toch maar een half uur vroeger vertrokken dan Pim had gevraagd.
Ik fiets langs de huizen in de dorpskern, het ommuurde kerkhof, de parochiezaal.
De kermis is gearriveerd. Zes grote logge kramen trokken aan het begin van deze week door het dorp, staan nu op straathoeken te bekomen voor ze geopend en uitgepakt worden. Bij gebrek aan een dorpsplein blokkeren de kramen de straten rond de kerk, die met hekken zijn afgesloten voor alle verkeer, behalve plaatselijk – al is het in dit dorp zelden niet-plaatselijk.
Ik herken zes kramen: de schietkraam, de botsauto's, de vliegers, het eendjesvissen, de tombolastand. Bovenmeer is het enige dorp dat de frietkraam meetelt als attractie.
Nu is het wachten tot morgen. De ballonnen zullen worden opgeblazen, de pijpjes aangevuld, de eendjes te water gelaten, de prijzen uitgestald, frieten voorgebakken. Om stipt zes uur zullen de koplampen van de botsauto's het daglicht wegschijnen, zal de vrijdagavond ingezet worden met 'No Limit', tot elke kraam overschakelt op zijn eigen cd'tje, kakofonieën van sirenes en opgepompte jams."

 

 
Lize Spit (Viersel, 12 november 1988)

18:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: lize spit, romenu |  Facebook |

11-11-15

Sint Maarten (Willem Wilmink)

 

Bij Sint Maarten

 

 
Saint Martin door Gustave Moreau, rond 1882

 

 

Sint Maarten

Nu dragen kinderen, groot en klein,
een lampion vol maneschijn:
je ziet ons door de straten gaan,
je kunt ons lied nog niet verstaan,
kunt ons liedje nog niet verstaan.

Wij vragen iedereen beleefd
of hij wat lekkers voor ons heeft,
wij lopen door de duisternis
omdat het 11 november is,
dus omdat het Sint-Maarten is.

Als we iets krijgen, loopt ons koor
met alle lampions weer door,
als ons niet open wordt gedaan,
dan blijven wij gewoonweg staan,
blijven wij vannacht hier staan.

 

 
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)
Enschede, Grote kerk. Willem Wilmink werd geboren in Enschede.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 11e november ook mijn vorige blog van vandaag.

17:40 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: sint maarten, willem wilmink, romenu |  Facebook |

Hans Magnus Enzensberger, Mircea Dinescu, Carlos Fuentes, Nilgün Yerli, Luigi Malerba

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook mijn blog van 11 november 2010 en eveneens alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

Der Untergang der Titanic - Zwölfter Gesang

Von diesem Augenblick an verläuft alles planmäßig.
Der stählerne Rumpf vibriert nicht mehr, still
liegen die Maschinen, längst sind die Feuer gelöscht.
Was ist los? Warum machen wir keine Fahrt? Man lauscht.
Draußen im Korridor werden Rosenkränze gemurmelt.
Die See ist glatt, schwarz, glasig. Mondlos die Nacht.
Oh, es ist nichts! Es ist nichts zerbrochen an Bord,
keine Vase und kein Champagnerglas. Man wartet
in kleinen Gruppen, wortlos, geht auf und ab,
im Pelz, im Schlafrock, im Overall, man gehorcht.
Jetzt werden Taue aufgerollt, Planen fortgezogen
von den Booten, Davits ausgeschwenkt. Es ist,
als hätten die Passagiere Tabletten geschluckt. Dieser Mann z. B.,
der sein Cello hinter sich herzieht über das endlose Deck,
man hört, wie der Sporn an den Planken kratzt,
immerzu kratzt, kratzt und man fragt sich: Wie
ist das nur möglich? – Ah! schau! eine Notrakete! –
Aber es ist nur ein schwaches Zischen, schon verpufft
am Himmel, im Widerschein die Gesichter bläulich und leer.
Still stehen Liftboys, Masseusen und Bäcker Spalier.
Auf der California, einem alten Kahn, zwölf Meilen weiter,
dreht sich in seinem Bett der Funker um und schläft ein.
Achtung Achtung! Frauen und Kinder zuerst! – Wieso eigentlich?
Antwort: We are prepared to go down like gentlemen. –
Auch gut. – Sechzehnhundert bleiben zurück. Die Ruhe an Bord
ist unvorstellbar. – Hier spricht der Kapitän. Es ist genau
zwei Uhr, und ich befehle: Rette sich wer kann! – Musik!
Zur letzten Nummer erhebt der Kapellmeister seinen Stock.

 


Avondjournaal

Bloedbad om een handvol rijst,
hoor ik, voor elkeen elke dag
een handvol rijst: trommelvuur
op dunne hutten, onduidelijk
hoor ik het, bij het avondeten.

Op de geglazuurde dakpannen
hoor ik rijstkorrels dansen,
een handvol, bij het avondeten,
rijstkorrels op mijn dak:
de eerste maartregen, duidelijk.

 

Vertaald door René Smeets

 

 
Hans Magnus Enzensberger (Kaufbeuren,11 november 1929)

Lees meer...

10-11-15

Friedrich Schiller, Jan van Nijlen, Arnold Zweig, Rick de Leeuw, Jacob Cats, Werner Söllner

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Christoph Friedrich von Schiller werd geboren op 10 november 1759 in Marbach. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Friedrich Schiller op dit blog.

 

Der Flüchtling

Frisch athmet des Morgens lebendiger Hauch,
   Purpurisch zuckt durch düstrer Tannen Ritzen
Das junge Licht und äugelt aus dem Strauch;
      In goldnen Flammen blitzen
      Der Berge Wolkenspitzen.
Mit freudig melodisch gewirbeltem Lied
   Begrüßen erwachende Lerchen die Sonne,
   Die schon in lachender Wonne
Jugendlich schön in Aurora’s* Umarmungen glüht.

      Sey, Licht, mir gesegnet!
      Dein Strahlenguß regnet
Erwärmend hernieder auf Anger* und Au*.
      Wie silberfarb flittern
      Die Wiesen, wie zittern
Tausend Sonnen in perlendem Tau!

      In säuselnder Kühle
      Beginnen die Spiele
         Der jungen Natur.
      Die Zephyre* kosen
      Und schmeicheln um Rosen,
Und Düfte beströmen die lachende Flur.

Wie hoch aus den Städten die Rauchwolken dampfen!
Laut wiehern und schnauben und knirschen und stampfen
      Die Rosse, die Farren*;
      Die Wagen erknarren
         Ins ächzende Thal.
      Die Waldungen leben,
Und Adler* und Falken und Habichte schweben,
Und wiegen die Flügel im blendenden Strahl.

      Den Frieden zu finden,
      Wohin soll ich wenden
         Am elenden Stab?
      Die lachende Erde
      Mit Jünglingsgeberde
         Für mich nur ein Grab!

Steig’ empor, o Morgenroth, und röthe
   Mit purpurnem Kusse Hain und Feld!
Säus’le nieder, Abendroth, und flöte
   Sanft in Schlummer die erstorbne Welt!
      Morgen – ach! du röthest
         Eine Todtenflur,
Ach! und du, o Abendroth! umflötest
      Meinen langen Schlummer nur.

 


Die Worte des Wahns

Drei Worte hört man, bedeutungschwer,
    Im Munde der Guten und Besten.
Sie schallen vergeblich, ihr Klang ist leer,
    Sie können nicht helfen und trösten.
Verscherzt ist dem Menschen des Lebens Frucht,
So lang er die Schatten zu haschen sucht.

So lang er glaubt an die goldene Zeit,
    Wo das Rechte, das Gute wird siegen –
Das Rechte, das Gute führt ewig Streit,
    Nie wird der Feind ihm erliegen,
Und erstickst du ihn nicht in den Lüften frei,
Stets wächst ihm die Kraft auf der Erde neu.

So lang er glaubt, daß das buhlende Glück
    Sich dem Edeln vereinigen werde –
Dem Schlechten folgt es mit Liebesblick;
    Nicht dem Guten gehöret die Erde,
Er ist ein Fremdling, er wandert aus
Und suchet ein unvergänglich Haus.

So lang er glaubt, daß dem ird'schen Verstand
    Die Wahrheit je wird erscheinen –
Ihren Schleier hebt keine sterbliche Hand;
    Wir können nur rathen und meinen.
Du kerkerst den Geist in ein tönend Wort,
Doch der freie wandelt im Sturme fort.

Drum, edle Seele, entreiß dich dem Wahn
    Und den himmlischen Glauben bewahre!
Was kein Ohr vernahm, was die Augen nicht sahn,
    Es ist dennoch das Schöne, das Wahre!
Es ist nicht draußen, da sucht es der Thor;
Es ist in dir, du bringst es ewig hervor.

 

 

Die zwei Tugendwege

Zwei sind der Wege, auf welchen der Mensch zur Tugend emporstrebt;
   Schließt sich der eine dir zu, thut sich der andre dir auf.
Handelnd erringt der Glückliche sie, der Leidende duldend.
   Wohl ihm, den sein Geschick liebend auf beiden geführt!

 

 
Friedrich Schiller (10 november 1759 - 9 mei 1805) 
Monument in Frankfurt

Lees meer...

Vachel Lindsay

 

De Amerikaanse dichter Vachel Lindsay werd geboren op 10 november 1879 in Springfield, Illinois. Na drie jaar aan het Hiram College, Hiram, Ohio, verliet Lindsay in 1900 de school om in Chicago en New York City kunstgeschiedenis te studeren. Hij zorgde voor een deel voor zijn eigen levensonderhoud door lezingen voor de YMCA en de Anti-Saloon League. Nadat hij was begonnen met het schrijven van poëzie zwierf hij enkele zomers lang door het hele land in ruil voor voedsel en onderdak zijn gedichten voor te dragen. Landsay kreeg voor het eerst erkenning in 1913, toen een poëzietijdschrift zijn gedicht over William Booth, de oprichter van het Leger des Heils, publiceerde. Kenmerkend voor deze gedichten waren zowel zijn vurig patriottisme als zijn romantische appreciatie van de natuur. In Lindsay’s poëzie werden Amerikaanse leiders beschreven als Alexander Campbell (een van de oprichters van de discipelen van Christus), Johnny Appleseed, John Peter Altgeld en William Jennings Bryan. Lindsay reciteerde zijn poëzie op een sterk ritmische wijze die gepaard ging met zwaaiende armen in een poging om contact met zijn publiek krijgen. Onder de 20 gedichten die het publiek graag wilde horen -zo vaak dat Lindsay moe werd ze te reciteren, waren “General William Booth Enters into Heaven,” “The Congo,” en “The Santa Fe Trail.” Tot zijn beste bundels behoren “Rhymes To Be Traded for Bread” (1912), “General William Booth Enters into Heaven and Other Poems” (1913), “The Congo and Other Poems” (1914), en “The Chinese Nightingale and Other Poems” (1917). Zowel Lindsay's poëtische scheppingskracht als zijn vermogen tot zelfkritiek nam gestaag gedurende de jaren 1920 af, en zijn populariteit daalde. Hij pleegde op 5 december 1931 zelfmoord door het drinken van vergif.

 

General William Booth Enters Into Heaven
[To be sung to the tune of The Blood of the Lamb with indicated instrument]

I
[Bass drum beaten loudly.]

Booth led boldly with his big bass drum --
(Are you washed in the blood of the Lamb?)
The Saints smiled gravely and they said: "He's come."
(Are you washed in the blood of the Lamb?)
Walking lepers followed, rank on rank,
Lurching bravoes from the ditches dank,
Drabs from the alleyways and drug fiends pale --
Minds still passion-ridden, soul-powers frail: --
Vermin-eaten saints with mouldy breath,
Unwashed legions with the ways of Death --
(Are you washed in the blood of the Lamb?)

[Banjos.]

Every slum had sent its half-a-score
The round world over. (Booth had groaned for more.)
Every banner that the wide world flies
Bloomed with glory and transcendent dyes.
Big-voiced lasses made their banjos bang,
Tranced, fanatical they shrieked and sang: --
"Are you washed in the blood of the Lamb?"
Hallelujah! It was queer to see
Bull-necked convicts with that land make free.
Loons with trumpets blowed a blare, blare, blare
On, on upward thro' the golden air!
(Are you washed in the blood of the Lamb?)


II
[Bass drum slower and softer.]

Booth died blind and still by Faith he trod,
Eyes still dazzled by the ways of God.
Booth led boldly, and he looked the chief
Eagle countenance in sharp relief,
Beard a-flying, air of high command
Unabated in that holy land.

[Sweet flute music.]

Jesus came from out the court-house door,
Stretched his hands above the passing poor.
Booth saw not, but led his queer ones there
Round and round the mighty court-house square.
Then in an instant all that blear review
Marched on spotless, clad in raiment new.
The lame were straightened, withered limbs uncurled
And blind eyes opened on a new, sweet world.

[Bass drum louder.]

Drabs and vixens in a flash made whole!
Gone was the weasel-head, the snout, the jowl!
Sages and sibyls now, and athletes clean,
Rulers of empires, and of forests green!

[Grand chorus of all instruments. Tambourines to the foreground.]

The hosts were sandalled, and their wings were fire!
(Are you washed in the blood of the Lamb?)
But their noise played havoc with the angel-choir.
(Are you washed in the blood of the Lamb?)
O shout Salvation! It was good to see
Kings and Princes by the Lamb set free.
The banjos rattled and the tambourines
Jing-jing-jingled in the hands of Queens.

[Reverently sung, no instruments.]

And when Booth halted by the curb for prayer
He saw his Master thro' the flag-filled air.
Christ came gently with a robe and crown
For Booth the soldier, while the throng knelt down.
He saw King Jesus. They were face to face,
And he knelt a-weeping in that holy place.
Are you washed in the blood of the Lamb?

 

 
Vachel Lindsay (10 november 1879 - 5 december 1931)

18:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: vachel lindsay, romenu |  Facebook |

09-11-15

Ivan Toergenjev, Erika Mann, Jens Christian Grøndahl, Jan Decker, Roger McGough, Anne Sexton

 

De Russische schrijver Ivan Sergejevitsj Toergenjev werd geboren op 9 november 1818 in Orjol, in de Oekraïne. Zie ook mijn blog van 9 november 2010 en eveneens alle tags voor Ivan Toergenjev op dit blog.

Uit: Virgin Soil (Vertaald door R. S. Townsend)

“At one o'clock in the afternoon of a spring day in the year 1868, a young man of twenty-seven, carelessly and shabbily dressed, was toiling up the back staircase of a five-storied house on Officers Street in St. Petersburg. Noisily shuffling his down-trodden goloshes and slowly swinging his heavy, clumsy figure, the man at last reached the very top flight and stopped before a half-open door hanging off its hinges. He did not ring the bell, but gave a loud sigh and walked straight into a small, dark passage.
“Is Nejdanov at home?” he called out in a deep, loud voice.
“No, he’s not. I’m here. Come in,” an equally coarse woman’s voice responded from the adjoining room.
“Is that Mashurina?” asked the newcomer.
“Yes, it is I. Are you Ostrodumov?
“Pemien Ostrodumov,” he replied, carefully removing his goloshes, and hanging his shabby coat on a nail, he went into the room from whence issued the woman’s voice.
It was a narrow, untidy room, with dull green coloured walls, badly lighted by two dusty windows. The furnishings consisted of an iron bedstead standing in a corner, a table in the middle, several chairs, and a bookcase piled up with books. At the table sat a woman of about thirty. She was bareheaded, clad in a black stuff dress, and was smoking a cigarette. On catching sight of Ostrodumov she extended her broad, redhand without a word. He shook it, also without saying anything, dropped into a chair and pulled a half-broken cigar out of a side pocket. Mashurina gave him a light, and without exchanging a single word, or so much as looking at one another, they began sending out long, blue puffs into the stuffy room, already filled with smoke.
There was something similar about these two smokers, al- though their features were not a bit alike. In these two slov- enly figures, with their coarse lips, teeth, and nose.
Ostrodumov was even pock-marked), there was something honest and firm and persevering.
“Have you seen Nejdanov?” Ostrodumov asked.
“Yes. He will be back directly. He has gone to the library with some books.”

 

 
Ivan Toergenjev (9 november 1818 – 3 september 1883)
Portret door Vasily Perov, 1872

Lees meer...

Michael Derrick Hudson

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichter en bibliothecaris Michael Derrick Hudson werd geboren in 1963 in Wabash, Indiana. Hij studeerde af aan de Wayne High School in 1982. Na de middelbare school studeerde hij aan de Universiteit van Indiana in Bloomington. Hij woont momenteel in Fort Wayne, Indiana, waar hij werkt als bibliothecaris bij in het Genealogy Center van de Allen County Public Library. Als dichter, heeft Hudson gepubliceerd in diverse tijdschriften. Zijn gedichten werden genomineerd voor de Pushcart Prize door de Greensboro Review en North American Review. Hudson kreeg veel publiciteit door de publicatie van een gedicht in het literaire tijdschrift Prairie Schooner dat vervolgens werd geselecteerd door dichter en romanschrijver Sherman Alexie voor de 2015 editie van de bloemlezing van beste Amerikaanse Poëzie. Hudson, een blanke man, beweerde dat hij het gedicht 40 keer onder zijn eigen naam had ingediend en dat het telkens werd afgewezen. Daarna gebruikte hij het pseudoniem Yi-Fen Chou, vermoedelijk een Chinese vrouw, en het werd geaccepteerd voor publicatie. Critici en mensen binnen de poëzie-gemeenschap waren kritisch over Hudson's gebruik van een pseudoniem. Sommigen noemden het racistisch of beschreven het als "literaire fraude". Anderen waren kritisch over de uitgeverij en spraken van positieve discriminatie. Hudson's manuscript, getiteld “The Dead Bird in the Liquor Store Parking Lot werd geselecteerd als finalist voor zowel de University of Wisconsin‍ '​s Brittingham and Felix Pollak Poetry Prize als de Utah State University‍ '​s May Swenson Poetry Award.

 

Russians

For Russians the stars are always incontinent, ejaculatory
smears across the squalor of a boundlessly

unhygienic sky. You’d scoff, Marina, at how I go at them
with a tiny plastic shovel and my litter box

technique, scooping up the sidereal splooge while trying
to wipe down the universe. You’d say

I tug at God’s Old Testament beard, praying the prayers

of a coward. You’d confide to your diary my eyelashes
don’t bat sootily enough. Such a lummox

could never rumple the sheets of Paris! You’d jot down
my ugly shoes, my idiotic jokes, reproach

my skies for lacking splendor, bleached
by electric lights and the haze of a dying atmosphere ... 

What else could I do, Marina? You and your comrades
vanished long ago, exiled, shot, or pensioned

off by the End of History. So I inch through your legacy
with my groundling’s fears, my glut,

my botched American upbringing: I can’t imagine your
heartbreaks, but you’d never comprehend

how life for me arrived precanceled. Tonight, Marina,
the mercury streetlights will make us

ghastly: you can see only Venus from here, a drunken
queen’s pearl dissolving into the crescent moon’s

tipped-over goblet. Or perhaps I just fucked that up too.

 

 
Michael Derrick Hudson (Wabash, 1963)

18:49 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: michael derrick hudson, romenu |  Facebook |

08-11-15

Joshua Ferris, Kazuo Ishiguro, Herbert Hindringer, Elfriede Brüning, Margaret Mitchell, Detlef Opitz

 

De Amerikaanse schrijver Joshua Ferris werd op 8 november 1974 in Danville, Illinois geboren. Zie ook mijn blog van 8 november 2010 en eveneens alle tags voor Joshua Ferris op dit blog.

Uit: The Fragments

“Here’s a question I’ve always wanted to ask. When you’re up there, are there coördinates you have to follow, or are you free to go anywhere you like?”
“Depends on where in the city you are. If you come near any of the airports, obviously—”
“Oh, sure.”
“Which you need clearance to do, anyway.”
“I’m just talking about, like, say you’re over midtown.”
“I don’t do midtown. There’s another guy does midtown.”
“I’m saying, what if you just happened to find yourself there?”
“Let me tell you,” the second man said, laughing. “You never just find yourself inside a chopper in midtown.”
He stopped eavesdropping on them when the call from Katy came in. He picked up, hoping that her deadline had been pushed back, that she’d changed her mind, that she’d be joining him after all.
“Hey,” he answered.
No reply. Static. A physical thing, a trail of it. Static heading somewhere, making progress down a hallway.
“Katy?” he said.
Static crumpling and ironing itself out. A quick vacuum silence, then more jostle. “Katy,” he said again. “Helloooo.” He stepped out of the bar, knowing by then that his wife hadn’t intended to call him. “Kaaa-teee!” he sang. Static shifting, churning, then lifting suddenly. He hollered to be heard. “Yoo-hoo, Katy!”
“… no, he thinks I’m …”
More static.
“… just wish . . . could spend the night…”
Then a man’s voice. “…too bad you live …have an extra hour…”

 

 
Joshua Ferris (Danville, 8 november 1974)

Lees meer...

Peter Weiss, Bram Stoker, Martha Gellhorn, Inge Schilperoord

 

De Duitse schrijver Peter Weiss werd geboren op 8 november 1916 in Nowawes (het tegenwoordige Neubabelsberg) bij Berlijn. Zie ook alle tags voor Peter Weiss op dit blog en ook mijn blog van 8 november 2010.

Uit:Die Ästhetik des Widerstands

„Es war in mancher Arbeiterküche zu finden. In größerem Format und eingerahmt kam es früher bei Gewerkschaftsfeierlichkeiten zur Verlosung, später wurde es ausgegeben von nationalsozialistischen Organisationen. Die Werkleute, von Menzel in ein Gefängnis versetzt, aus dem der Klassenkampf verbannt war, wurden von meinem Freund Coppi oft umgezeichnet, so daß in den Zangengriff strampelnde Männchen in Frack und Zylinder oder ordenbehängter Uniform gerieten. Die Reproduktion des Bilds untersuchend, waren wir auf eine weitere aufschlußreiche Einzelheit gestoßen. Beim Nachziehn des perspektivischen Musters der Komposition zeigte sich, daß die Fluchtlinien aller Rohre und Balken, der Walzgestelle und angehobnen Zangengriffe, der Werkstücke auf den Karren und der Schwergewichtsverlagrung in den Bewegungen der Gruppen in dem Punkt links im Hintergrund zusammenliefen, wo, unter der Senkrechten eines Tragpfeilers, ein Herr stand, in Hut und Gehrock, die Hände auf dem Rücken, abgewandt vom Betrieb, das Profil träumerisch dem Lichtstrahl entgegengehoben, der durch die Dämpfe hindurch auf ihn fiel. Solchermaßen beschienen und so abgesondert, müßig und zufrieden war sonst keiner. Unauffällig stand er da, verweilte auf seinem Rundgang und sann nach, vielleicht über die malerischen Reize dieses metallischen Gefüges, vielleicht über Aktienkurse oder über Auszeichnungen, die ihm von den Ministern verliehn würden, und darüber, wie wohl alles unverändert seinen Lauf nehmen könne. So hatte Menzel in dem imponierenden Vexierbild seinen Auftraggeber versteckt."

 

 
Peter Weiss (8 november 1916 - 10 mei 1982)

Lees meer...

07-11-15

Albert Helman, Albert Camus, Jan Vercammen, Antonio Skármeta, Pierre Bourgeade, W. S. Rendra

 

De Nederlandse dichter en schrijver Albert Helman werd geboren op 7 november 1903 in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 7 november 2010 en eveneens alle tags voor Albert Helman op dit blog.

Uit: De stille plantage

“Vele mensen zijn bij de Stille Plantage geweest, en hebben de woestenij gezien, deze kostelijke woestenij van planten die groeien over planten, van bomen die nieuwe bomen overschaduwen, eiken beladen met wuivende tuinen. Zij hoorden het kwinkeleren van klein gevogelte dat nooit verschrok door luide mensenstemmen. Jonge apen buitelden van vreugde, een oude riep met de galm van een sirene; ver achter klaterde het water toen paradijsvogels speelden met jonge eekhoorns, en het strakke blauw in zuilen licht omlaag kwam tussen bruine stammen. Oerwoud, wildernis, woestenij. Niemand wist dat hier ooit, voor lange jaren, de Stille Plantage geweest was.
Maar stilte was er nog. De zoemende stilte van vele geluiden die het zwijgen zijn der natuur, die 't grote zwijgen zijn van deze kinkhoorn binnen ons. En op een late middag, toen de schaduw van een palm als altijd schuw zijn weg zocht naar de brede voeten van een groenhartboom, zijn al de vogels neergezwermd: de schuwe die herinnering heet, de al te trage van de weemoed, de zwarte die fluistert: ‘nu is 't zo niet meer’ , en de andere die altijd cirkelen rondom hoge kruinen; wie ze ooit zag, geneest niet meer van het heimwee naar een onvindbaar huis. Ze streken neer, ieder op hun eigen tak, en andere op de grond, die nog het droefste kirden. De spechten sloegen met lange tikken; nooit speelde een xylofoon zo schoon. De pelikanen bewogen langzaam hun koppen; het was als een droom.
En wat er bleef van die droom: al te vaste gestalten, al te starre herinneringen, hoop die nooit waarheid werd, liefde die haar bedding niet vond, geloof dat nimmer ophield te geloven in de onverwoestbaarheid van al het heilige, dit alles moest nu hier gezegd zijn... Maar woorden schieten te kort, woorden zijn te weinig, te arm aan klank, te dwaas van beeld. Te klein, te luid. Leun uit uw dakraam, wie ge zijt, waar ge zijt. Laat uw oog de verte ontdekken als het avond wordt; als al de daken u ontzinken, de weiden, de straten of wat u ook omringt, en de verte u nabij komt, zo nabij als een zachte wand, een mensenwang. Vang in uw hand de vogel herinnering, sluit het raam, ontsteek het licht in uw kamer. Is dit uw kamer nog? Zijn kooi is een nieuwe wereld. Nieuw en oud, dezelfde en eeuwenoud tegelijk. Reeds eerder waart ge hier; als kind, of vroeger nog. Zo lang reeds kent ge deze mensen, hun woorden, hun gebaren, hun hart, nietwaar..."

 

 
Albert Helman (7 november 1903 - 7 oktober 1996)
Portret door fotograaf Nicolaas Porter

Lees meer...