17-09-16

H.H. ter Balkt, Piet Gerbrandy, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Dilip Chitre, Ludwig Roman Fleischer, Albertine Sarrazin, Mary Stewart

 

De Nederlandse dichter H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt werd geboren in Usselo op 17 september 1938. Zie ook mijn blog van 17 september 2010 en eveneens alle tags voor H. H. Ter Balkt op dit blog.

 

De intocht

Bosranden; belynxte daken. Veestapel mild bestierd,
Magusanus vereerd, en in de braamstruiken dropen bij
tijd en wijle wolven, everzwijnen af; rook trouw baken
wanneer je verdwaald was; runen wezen altijd de weg.

Toen dreunde, een dag, intocht van de taal, beelden
op munten verstomd, bliksemend weerlicht op mijlpalen;
toen bestonden wij pas: geschiedenis nam ons in, met
heldere weefsels, citroenen, ingekrastheid en wijn.

Intocht wees onze plaats aan: rebellie! Maar eerst
vervaardigden wij nog bakstenen, bouwden kazernes op,
boden onze rogge aan, wildbraad; langs hun straatweg.

Overwonnenen. Maar nu bestonden wij pas. Hoe machtig
hun wereld waarin bliksems heersten, getemde tekens
die alles verlichten! Wij staken de koppen bij elkaar.

 

 

Doods Droom Doos

Wat je niet denkt of raadt
Wat niet op je afrijdt
Op weg of straat, slaapt nog
In de Doods Droom Doos

Wat je niet zegt of vermoedt
Wat je niet overpeinst
Schenkt je zoeter dan room
Doods, Doods Droom Doos

Genadige hoop, concreter
Dan windroos en hondsroos
Verlaat ons niet, blijf weg
Van Doods, Doods Droom Doos.

 

 

Erger nog

'Erger nog, Nederland begint zijn kracht 
te verliezen,’ karmiakt een manifest uit
Nul 4; koude wind over de waterzuivering
aan de Zwartewaterallee bij de nertsfarm.

Chichele de aartsbisschop die de koning
de expeditie naar Frankrijk aanried, rust
oorlogen ten spijt in vol ornaat en ook
zonder, op zijn tombe in Canterbury en ja

het mooie oog van de maanvis trok van zee
naar koude zee, bij Katwijk; maar zijn oog
dat niet langer leefde bleef, wijdgeopend
nog altijd menselijk en bijna levend kijken.

 

 
H.H. ter Balkt (17 september 1938 – 9 maart 2015)
 

Lees meer...

In Memoriam Edward Albee

 

In Memoriam Edward Albee

 

De Amerikaanse toneelschrijver Edward Albee is op 88-jarige leeftijd overleden. Edward Albee werd geboren op 12 maart 1928 in Washington DC. Zie ook alle tags voor Edward Albee op dit blog.

Uit: Who’s Afraid of Virginia Woolf?

„GEORGE. Well. just stay on your feet, that’s all These people are your guess, you know, and…
MARTHA. I can’t even see you I haven’t been able to see you for years…
GEORGE. if you pass out, or throw up, or something…
MARTHA. I mean, you’re a blank, a cipher…
GEORGE. and try to keep your clothes on. too. There aren’t many more sickening sights than you with a couple of drinks in you and your skirt up over your head…
MARTHA : …..a zero………
GEORGE. . . . your heads I should say . .. (The fiontdoorbell chimes.)
MARTHA: Party! Party!
GEORGE. Murderously) I’m really looking forward to this, Martha…
MARTHA. (Same) Go answer the door.
GEORGE. (Not moving.) You answer it.
MARTHA. Get to that door, you. (He does not move.) I'll fix you, you…
GEORGE. (Fake-spits.) To you (Door chime again.)
MARTHA. (Shouting… to the door.) C’MON IN! (To George, between her teeth.) I said, get over there!
GEORGE. (Moving toward the door.) All right, love whatever love wants. Isn’t it nice the way some people have manners, though, even in this day and age? Isn’t it nice that some people won’t just come braking into other people’s house: even if they do hear some subhuman monster yowling at ’em from inside…?

 

 
Scene uit de film van Mike Nichols met o.a. Richard Burton en Elizabeth Taylor (1966)

 

MARTHA. FUCK YOU! (Simultaneously with Martha’s last remark, George flings open the font door. Honey and Nick are framed in the entrance. There is a brief silence then…)
GEORGE. (Ostensibly a pleased recognition of Honey and Nick, but really satifaction at having Martha’s explosion overheard)
Ahhhhhhhhh!
MARTHA. (A little too loud... to cover) HI! Hi, there…c’mon in!
HONEY and NICK. (Ad lib.) Hello, here we are hi… (Etc.)
GEORGE. (Very matter-off-factky) You must be our little guests.
MARTHA. Ha, ha, ha, HA! Just ignore old sour-puss over there. C’mon in, kids give your coats and stuff to sour-puss.
NICK. (Without expression.) Well, now, perhaps we shouldn’t have come.
HONEY. Yes… it is late, …and…
MARTHA. Late! Are you kidding? Throw your stuff down anywhere and c’mon in.
GEORGE. (Vaguely walking away) Anywhere . .. furniture, floor doesn’t make any difference around this place.
NICK. (To Honey) I told you we shouldn’t have come.
MARTHA. (Stentorian) I said c’mon in! Now c’mon!”

 

 
Edward Albee (12 maart 1928 – 16 september 2016)

Bewaren

16-09-16

Dolce far niente, P. C. Boutens, Breyten Breytenbach, Alfred Schaffer, Frans Kusters, Michael Nava, Justin Haythe, James Alan McPherson, Hans Arp

 

Dolce far niente

 

 
Sand Dunes at Sunset door Henry Ossawa Tanner, ca 1885
Dit schilderij hangt in de Green Room van het Witte Huis

 

 

Laatste zomerdag

Al de gouden middaguren
Van de zonnen die verzonken,
Stralen door dit blankdoorblonken
Blindend dak van blauwe muren
Op den stervensstillen lach
Van den laatsten zomerdag.

In de dalen van de duinen
Huivren wondre schemeringen
Om de helderheid der dingen;
En geen aêm vleugt langs de kruinen;
Dieper dan de middagvreê
Hijgt de stilte van de zee.

Als verwaasde glanzen dalen
Door de sidderende luchten
Vlakker al de breede vluchten
Van verzilverd gouden stralen,
Tot de glans in gloed ontblaakt
Waar hij Zomers peluw raakt. . .

Mogen liefdes gouden uren
Die uw oogen zijn vergeten
Tot éen glans van hemelsch weten,
Zóo uw witte peluw vuren,
Ziel mijn ziel, waar uw gezicht
In zijn laatsten glimlach ligt!

 

 
Pieter Cornelis Boutens (20 februari 1870 – 14 maart 1943)
Middelburg, haven. Boutens werd geboren in Middelburg.

Lees meer...

15-09-16

Dolce far niente, Alfred Tomlinson, Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf

 

Dolce far niente

 

 
Gustavo Silva Nuñez poseert voor een door hem geschilderde zwemmer, 2015.

 

 

Swimming Chenango Lake

Winter will bar the swimmer soon.
   He reads the water’s autumnal hestitations
A wealth of ways: it is jarred,
    It is astir already despite its steadiness,
Where the first leaves at the first
    Tremor of the morning air have dropped
Anticipating him, launching their imprints
    Outwards in eccentric, overlapping circles.
There is a geometry of water, for this
    Squares off the clouds’ redundances
And sets them floating in a nether atmosphere
    All angles and elongations: every tree
Appears a cypress as it stretches there
    And every bush that shows the season,
A shaft of fire. It is a geometry and not
    A fantasia of distorting forms, but each
Liquid variation answerable to the theme
    It makes away from, plays before:
It is a consistency, the grain of the pulsating flow.
    But he has looked long enough, and now
Body must recall the eye to its dependence
    As he scissors the waterscape apart
And sways it to tatters. Its coldness
    Holding him to itself, he grants the grasp,
For to swim is also to take hold
    On water’s meaning, to move in its embrace
And to be, between grasp and grasping, free.
    He reaches in-and-through to that space
The body is heir to, making a where
    In water, a possession to be relinquished
Willingly at each stroke. The image he has torn
    Flows-to behind him, healing itself,
Lifting and lengthening, splayed like the feathers
    Down an immense wing whose darkening spread
Shadows his solitariness: alone, he is unnamed
    By this baptism, where only Chenango bears a name
In a lost language he begins to construe —
    A speech of densities and derisions, of half-
Replies to the questions his body must frame
    Frogwise across the all but penetrable element.
Human, he fronts it and, human, he draws back
    From the interior cold, the mercilessness
That yet shows a kind of mercy sustaining him.
    The last sun of the year is drying his skin
Above a surface a mere mosaic of tiny shatterings,
    Where a wind is unscaping all images in the flowing obsidian,
The going-elsewhere of ripples incessantly shaping.

 

 
Alfred Tomlinson (8 januari 1927 – 22 augustus 2015)
Stoke-on-Trent, Old Town Hall. Alfred Tomlinson werd geboren in Stoke-on-Trent.

Lees meer...

James Fenimore Cooper

De Amerikaanse schrijver James Fenimore Cooper werd geboren in Burlington, New Jersey op 15 september 1789 als zoon van een Congreslid van de Verenigde Staten. Nog voor zijn eerste verjaardag verhuisde het gezin naar Westchester County, New York. Reeds op veertienjarige leeftijd vatte hij zijn studies aan op Yale, maar behaalde daar uiteindelijk geen universitaire graad. Hij werd matroos op de koopvaardij en ging op negentienjarige leeftijd bij de marine. Daar behaalde hij de graad van adelborst nog voor zijn vertrek in 1811. Toen hij 22 was huwde hij met Susan DeLancey. Samen hadden ze 7 kinderen. Zijn eerste boek “Precaution” (1820) publiceerde hij anoniem, daarop verschenen er verschillende andere van zijn hand. In 1823 publiceerde hij “The Pioneers”, de eerste uit de Leatherstocking-reeks met de woudloper Natty Bumppo (deze figuur is gebaseerd op het leven en de avonturen van Daniel Boone) in de hoofdrol, waarin hij deze volgt in zijn vriendschap met de Delaware indianen en opperhoofd Chingachgook. Coopers beroemdste roman zou echter “The Last of the Mohicans” (1826) worden, een van de meest gelezen boeken uit de 19e eeuw. In 1826 verhuisde Cooper met zijn gezin naar Europa, om daar als vertegenwoordiger van de regering van de Verenigde Staten te gaan werken. Tijdens zijn verblijf daar schreef hij het in Parijs gepubliceerde “The Red Rover”, “The Waterwitch—one” en andere zeeverhalen. Hij raakte ook erg betrokken in politieke discussies over de Verenigde Staten en publiceerde daarover onder meer in Le National. In zijn drie volgende romans “The Bravo” (1831), “The Heidenmauer” (1832) en “The Headsman: or the Abbaye of Vigneron” (1833) verwerkte hij ook zijn republikeinse overtuigingen. In 1833 keerde hij terug naar Amerika, waar hij onmiddellijk “A Letter to My Countrymen” publiceerde, waarin hij scherp uithaalde naar de betrokkenheid van de Verenigde Staten in een aantal controversiële zaken waar hij in Europa mee te maken had gekregen.

Uit: The Last of the Mohicans

“It was a feature peculiar to the colonial wars of North America, that the toils and dangers of the wilderness were to be encountered before the adverse hosts could meet. A wide and apparently an impervious boundary of forests severed the possessions of the hostile provinces of France and England. The hardy colonist, and the trained European who fought at his side, frequently expended months in struggling against the rapids of the streams, or in effecting the rugged passes of the mountains, in quest of an opportunity to exhibit their courage in a more martial conflict. But, emulating the patience and self-denial of the practiced native warriors, they learned to overcome every difficulty; and it would seem that, in time, there was no recess of the woods so dark, nor any secret place so lovely, that it might claim exemption from the inroads of those who had pledged their blood to satiate their vengeance, or to uphold the cold and selfish policy of the distant monarchs of Europe.
Perhaps no district throughout the wide extent of the intermediate frontiers can furnish a livelier picture of the cruelty and fierceness of the savage warfare of those periods than the country which lies between the head waters of the Hudson and the adjacent lakes.
The facilities which nature had there offered to the march of the combatants were too obvious to be neglected. The lengthened sheet of the Champlain stretched from the frontiers of Canada, deep within the borders of the neighboring province of New York, forming a natural passage across half the distance that the French were compelled to master in order to strike their enemies. Near its southern termination, it received the contributions of another lake, whose waters were so limpid as to have been exclusively selected by the Jesuit missionaries to perform the typical purification of baptism, and to obtain for it the title of lake “du Saint Sacrement.” The less zealous English thought they conferred a sufficient honor on its unsullied fountains, when they bestowed the name of their reigning prince, the second of the house of Hanover. The two united to rob the untutored possessors of its wooded scenery of their native right to perpetuate its original appellation of “Horican.”
Winding its way among countless islands, and imbedded in mountains, the “holy lake” extended a dozen leagues still further to the south. With the high plain that there interposed itself to the further passage of the water, commenced a portage of as many miles, which conducted the adventurer to the banks of the Hudson, at a point where, with the usual obstructions of the rapids, or rifts, as they were then termed in the language of the country, the river became navigable to the tide.”

 

 
James Fenimore Cooper (15 september 1789 - 14 september 1851)
Portret door John Wesley Jarvis, 1822

18:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: james fenimore cooper, romenu |  Facebook |

Sergio Esteban Vélez Peláez

 

De Colombiaanse dichter, schrijver, hoogleraar en journalist Sergio Esteban Vélez Peláez werd geboren op 15 september 1983 in Medellín. Hij publiceerde zijn eerste gedichtenbundel, "Destellos nocturnos" in 1996, toen hij 12 jaar oud was. Vélez studeerde rechten en politieke wetenschappen aan de Bolivariaanse Pontificale Universiteit en studeerde moderne talen aan Sherbrooke University, Hij is wekelijkse columnist voor de krant El Mundo. Hij was de oprichter van de Academia Antioqueña de Letras, samen met Octavio Arizmendi Posada, voormalig minister van Onderwijs van Colombia. In 2002 werd Vélez aangesteld als cultuurdirecteur van de Colegio Altos Estudios de Quirama. Hij won de Premio Nacional de Periodismo Simón Bolívar 2010 (de nationale journalistiekprijs Simon Bolivar), de Premio Internacional de Periodismo José María Heredia 2010 (Internationale prijs voor journalistiek Jose Maria Heredia 2010).) en de Premio Cipa a La Excelencia Periodística 2012. De dichter Olga Elena Mattei zegt dat Vélez het Andes-aspect van de huidige Colombiaanse poëzie vertegenwoordigt. Vélez werkt aan de Universiteit van Antioquia, Colombia.

 

Interior Orbit

In the center of the sacred enclosure,
the genius,
imprisoned in the orbit of himself,
was lost in the night of time
and insisted on seeking the theory
of the liquid abysses
immense
in the confusing layers
of the intimate nature
of his ego

 

 

Theology Of Man

Image and likeness
of God
say
the Scriptures
that we were made.
And I wonder
if we have,
the radiance of the divinity,
the universal rhythm
of balance,
the existential transparency,
the perfect metaphysical calligraphy,
the rational power,
the dimensional knowledge,
in the theological
measure
of God

 

 
Sergio Esteban Vélez (Medellín, 15 september 1983)

17:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: sergio esteban vélez, romenu |  Facebook |

14-09-16

Dolce far niente, Algernon Swinburne, Hans Faverey, Theodor Storm, Leo Ferrier, Corly Verlooghen, Bernard MacLaverty, Ivan Klíma

 

Dolce far niente

 

 
Hot Day door Sergej Sovkov, 2014

 

 

A Swimmer's Dream

V.
A dream, a dream is it all — the season,
The sky, the water, the wind, the shore?
A day-born dream of divine unreason,
A marvel moulded of sleep — no more?
For the cloudlike wave that my limbs while cleaving
Feel as in slumber beneath them heaving
Soothes the sense as to slumber, leaving
Sense of nought that was known of yore.

A purer passion, a lordlier leisure,
A peace more happy than lives on land,
Fulfils with pulse of diviner pleasure
The dreaming head and the steering hand.
I lean my cheek to the cold grey pillow,
The deep soft swell of the full broad pillow,
And close mine eyes for delight past measure,
And wish the wheel of the world would stand.

The wild-winged hour that we fain would capture
Falls as from heaven that its light feet clomb,
So brief, so soft, and so full the rapture
Was felt that soothed me with sense of home.
To sleep, to swim, and to dream, for ever —
Such joy the vision of man saw never;
For here too soon will a dark day sever
The sea-bird's wing from the sea-wave's foam.

A dream, and more than a dream, and dimmer
At once and brighter than dreams that flee,
The moment's joy of the seaward swimmer
Abides, remembered as truth may be.
Not all the joy and not all the glory
Must fade as leaves when the woods wax hoary;
For there the downs and the sea-banks glimmer,
And here to south of them swells the sea.

 

 
Algernon Swinburne (5 april 1837 – 10 april 1909)
Een zomers Londen. Swinburne werd geboren in Londen.

Lees meer...

13-09-16

Dolce far niente, Novalis, Tõnu Õnnepalu, Roald Dahl, Janusz Glowacki, Jac. van Looy, Nicolaas Beets, Marie von Ebner-Eschenbach

 

Dolce far niente

 


Baigneurs sur les rives de la Cure door Maximilien Luce, z.j.

 

 

Badelied

Auf Freunde, herunter das heiße Gewand
Und tauchet in kühlende Flut
Die Glieder, die matt von der Sonne gebrannt,
Und holet von neuem euch Mut.

Die Hitze erschlaffet, macht träge uns nur,
Nicht munter und tätig und frisch,
Doch Leben gibt uns und der ganzen Natur
Die Quelle im kühlen Gebüsch.

Vielleicht daß sich hier auch ein Mädchen gekühlt
Mit rosichten Wangen und Mund,
Am niedlichen Leibe dies Wellchen gespielt,
Am Busen so weiß und so rund.

Und welches Entzücken! dies Wellchen bespült
Auch meine entkleidete Brust.
O! wahrlich, wer diesen Gedanken nur fühlt,
Hat süße entzückende Lust.

 

 
Novalis (2 mei 1772 - 25 maart 1801)
Schloss Oberwiederstedt, geboortehuis van Novalis

Bewaren

Lees meer...

Otokar Březina

 

De Tsjechische dichter Otokar Březina werd geboren op 13 september 1868 in Počátky, Bohemen. Březina was de tweede zoon van Ignaz Jebavy en zijn derde vrouw Catherine Fáková. Na zijn eindexamen aan de middelbare school in Telč was hij 1887-1888 docent in Jinošov. In 1888 behaalde hij zijn lerarendiploma en werkte vervolgens als basisschoolleraar tot 1901 in Nová, vervolgens tot 1925 in Jaroměřice. In 1919 ontving hij een eredoctoraat van de Karelsuniversiteit en in hetzelfde jaar werd hij lid van de Tsjechische Academie. In 1925 gaf hij het beroep van leraar op, dat hij als een noodzakelijk kwaad beschouwde. In 1928 ontving hij de Nationale Prijs voor Literatuur, schreef voor de Moderne Revue en studeerde daarnaast filosofie en moderne natuurwetenwetenschappen. Hij stierf aan een aangeboren hartafwijking. Březina werd twee keer (1924, 1928) genomineerd voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Březina behoorde tot de literaire kring Česká Moderna. Hij begon onder de invloed van Baudelaire als symbolist, en gaf een specifiek Tsjechisch tintje aan deze internationale kunstbeweging. Maar hij overwon snel zijn eerste pessimisme en wendde zich tot een metafysische idealisme, uitgedrukt in mystieke-extatische hymnen. Naast zijn poëzie schreef Březina ook filosofische essays, die hij introduceerde als nieuw genre in de Tsjechische literatuur.

 

Es sangen die brennenden Sterne

Jede Sekunde, stets treu unserem Posten
Im mystischen Tanze der Welten
Kreisen wir im Kosmos.
In die strahlenden Sphären der Geister hauchen wir verführerisch
Schönheit.
Um unsere Häupter,
In Aureolen
Funkeln goldene Haare
Gespannt wie klingende Lassos
Von der Windsbraut des Fluges.

Auf unsere Wangen, extatisch erglühend,
Kühlende Zeiten uns wehen
Und ermattet vom Glücke unseres Fluges,
Vom Glanze schmerzlicher Wonne entkräftet,
Mit einem Aufschrei, der fliegt durch das Weltall,
Harmonisch und jauchzend,
Sinken wir, mystische Tänzerinnen,
Und in unserem Blute, wie in Rosen begraben,
Sterben wir.

Eintreten Schwestern auf unsere Plätze,
Glanzumflossene,
Und in dem Liede, das durch der Ewigkeit Zwielicht dahinströmt,
In stets wachsenden Wogen,
In neue, stets neue Räume, dringt vorwärts,
In der Nebelgestirne erhobenem Staube,
Der strahlende Vortrab des Mysterium.

 

Vertaald door Emil Saudek

 

 

Illusion

I lit a cigarette, by window sitting,
lost in my thoughts my gaze before me drifted,
around my head smoke clouds to dusk retreating,
my soul by florid reminiscence wafted.

When – maybe by the flight of thought uplifted
or with the rising blue smoke tide abetting –
a young girl’s form my far off gaze was greeting,
pouting, a pair of smiling lips she shifted…

How beauty charmed her locks forever sable!
To kiss, to kiss, to kiss, her sensual calling –
what strained in twain beneath lace braiding able.

How in a joyful dream the head spins, reeling…
I blew the smoke… Oh woe, oh woe apalling!
Dusk coldly barren squinted back, unfeeling.

 

Vertaald door Václav Z J Pinkava

 

 
Otokar Březina (13 september 1868 - 25 maart 1929)

18:05 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: otokar březina, romenu |  Facebook |

12-09-16

Dolce far niente, Vachel Lindsay, Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt

 

Dolce far niente

 

Indian Summer in the White Mountains door Sanford Gifford, 1862

 

 

An Indian Summer Day on the Prarie

(In The Beginning)

THE sun is a huntress young,
The sun is a red, red joy,
The sun is an indian girl,
Of the tribe of the Illinois.

(Mid-Morning)

The sun is a smouldering fire,
That creeps through the high gray plain,
And leaves not a bush of cloud
To blossom with flowers of rain.

(Noon)

The sun is a wounded deer,
That treads pale grass in the skies,
Shaking his golden horns,
Flashing his baleful eyes.

(Sunset)

The sun is an eagle old,
There in the windless west.
Atop of the spirit-cliffs
He builds him a crimson nest.

 


Vachel Lindsay (10 november 1879 - 5 december 1931)
Springfield. Vachel Lindsay werd geboren in Springfield.

Lees meer...

Chris van Geel

 

De Nederlandse dichter en tekenaar Christiaan Johannes van Geel werd geboren op 12 september 1917 in Amsterdam. In de oorlogsjaren leverde hij bijdragen aan het baldadige en surrealistische maandblad met een oplage van één exemplaar De Schone Zakdoek. Pas in 1958, dus op 40-jarige leeftijd, verscheen zijn eerste bundel, “Spinroc en andere verzen”. Zijn werk wordt door sommigen tot het beste van de naoorlogse poëzie gerekend. Van Geel was een bevlogen redactielid van het tijdschrift Barbarber. Hij werkte ook mee aan literaire bladen als Tirade en Hollands Maandblad. Pas na de publicatie van de bundel “Enkele gedichten” (1973) kreeg hij ruimere bekendheid. Van Geel richtte zijn aandacht op het Noord-Hollandse duinlandschap waarin hij woonde. Van deze intieme beschouwing deed hij verslag in zijn gedichten. Vóór 1940 maakte hij surrealistische objecten; daarna schilderijen en tekeningen. Veel van zijn tekeningen verschenen in het tijdschrift Barbarber. Tot begin jaren zestig was Van Geel gehuwd met de later als Proust-vertaalster bekend geworden Thérèse Cornips. Later woonde hij samen met de dichteres Elly de Waard.

 

Pad

Kaal als wat jong is, ouder dan de eiken,
zijn keel gespikkeld hulstblad waar zijn hart
in klopt, dat ook na jaren niet zijn nerf
laat zien, maar grijs werd en zo zacht als verse
blaadjes die geleerden vergelijken.

Zijn rug chinees, zijn poten tand des tijds,
voor liefde ongeschikte korte armen,
een vleugel van geduld, een ster van spijt,
een ruiterlijke veinzer stil te zitten,

een vikingschip, een put, een gouden stoel.

Ik buk, hij maakt zich breder om te spreken.
Hij springt over mijn vinger op een teken
van mij, en vreemd, ik denk, dat is geluk.

 

 

Polder

Een tekst zo mooi en helder
als in een juninacht de polder
door in de grond begraven mensen uitgedacht,
door schrikdraad en door sloot omheind.

Een reiger langs de waterkant.
Een lange slak met uitgestoken horens. Overal
onzichtbare nesten in het gras.
De nacht valt nooit in slaap.

 

 

Mei

Prachtig en langzaam bloeit de tuin,
in jong gras ligt de stilte,
een handvol bloesem, een handschoen groen
om takken van de winter.

Het raam staat open, het gordijn
beweegt, de wind gluurt binnen,
zijn armen om de schaduw van
de nacht die hem moet tillen.

Zij slaapt, een zwaan, een vlinder
door blad hoor ik zijn voeten gaan.

 

 
Chris van Geel (12 september 1917 – 8 maart 1974)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: chris van geel, romenu |  Facebook |

11-09-16

Dolce far niente, Martinus Nijhoff, David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III

 

Dolce far niente

 

 
Sunday Morning door Asher Brown Durand, 1839

 

 

Zondagmorgen

In 't stille, bleeke water drijven booten:
Zij wachten in de oneindigheid der grijze
Rivier, maar in hun buik zwelt zwaar het groote
Verlangen naar den horizon te reizen.
 
Ver, in een dorp, begon een klok te luiden,
Een carillon-lied uit den toren kwam -
Een warme wind gaat waaien uit het zuiden,
En ginder rijst het parallellogram
Der ophaalbrug - De klokken luiden, luiden.

 

 
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
Den Haag. De Turfmarkt en Nieuwe Kerk rond 1900. Nijhoff werd geboren in Den Haag.

Lees meer...

Tomas Venclova, Merill Moore, Barbara Bongartz, O. Henry, Joachim Fernau, Peter Hille

 

De Litouwse dichter, schrijver en vertaler Tomas Venclova werd geboren op 11 september 1937 in Klaipeda, Litouwen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Tomas Venclova op dit blog.

 

Poem

Since early September we have been caught in the pull of the cosmos.
Close your eyes, and you'll know how a leaf that brushes your face
Rubs against the shutters, by mistake touches a cloud,
And sticks between the rooftiles to escape the touch of our hands.

A tree drains the day. The sky is white and blind.
The voice withdraws, having waded into the ebbing valley.
Everything gathers within me so I would know how wearied Atreus
Rejoiced at the castle's silence and the steaming waters.

Will you pass this threshold? Fate, weir, gravel,
Niggardly shabby churches, triangular mires.
The wide hour rushes into rot and loam,
The city circles, and the twelve winds rise in a row.

Will you win me or lose methus far no one knows.
The fallows have eroded, the constellations have been pruned.
I attract misfortune, like true north the magnet,
Like a magnet a magnet, misfortune attracts me.

 

Vertaald door Jonas Zdanys

 

 
Tomas Venclova (Klaipeda, 11 september 1937)

Lees meer...

Adam Asnyk, James Thomson, Thomas Parnell, Fitz Hugh Ludlow, Johann Jakob Engel

 

De Poolse dichter en toneelschrijver Adam Asnyk werd geboren op 11 september 1838 in Kalisz. Zie ook alle tags voor Adam Asnyk op dit blog en ook mijn blog van 11 september 2010.

 

No, nothing happened there between us two

No, nothing happened there between us two.
Confessions none, no secrets to reveal.
No obligations had we to pursue,
But for the springtide fancies so unreal;

But for the fragrances and colors bright
That floated freely in the mirthful air,
But for the singing groves by day or night,
And all the green and fragrant meadows there;

But for the brooks and waterfalls up high
That cheerfully sprinkled every gorge and dell,
But for the clouds and rainbows in the sky,
But for the nature’s of all sweetest spell.

But for the lucid fountains we did share,
Wherefrom our hearts would drink delights so true,
But for the primroses and bindweeds there,
No, nothing happened there between us two.


Vertaald door Jarek Zawadzki

 

 
Adam Asnyk (11 september 1838 – 2 augustus 1897)
Adam Asnyk en de muze, geschilderd door Jacek Malczewski 

Lees meer...