20-08-16

Anneke Brassinga, Etgar Keret, James Rollins, Clemens Meyer, Arno Surminski

 

De Nederlandse dichteres, schrijfster en vertaalster Anneke Brassinga werd geboren in Schaarsbergen op 20 augustus 1948. Zie ook alle tags voor Anneke Brassinga op dit blog en ook mijn blog van 20 augustus 2010.

 

Eik

Stug loof uit kromme takken barstend, querus robur,
wát u zegt! - meer heb ik niet te geef behalve schaduw,
als wolkendek ontbreekt. Dus hou uw mond,

tenzij u eikels vreten wou; ze vallen
straks na eerste kou. Mijn jas? Ik zou beschaamd zijn
u zo ruig doorgroeid te zien, vol mos.

En blijf ook af van al dat tere schemerweefsel
ondergronds, het treurt nog om Dodona
waar ik op rotsen stond en ruisend met mijn

doorwaaid blad uw god het woord gaf.
Licht was daar lavend vuur. Wat komt is duister:
ik voorspel mijzelf een stomme boom in windstille

verstuiving.

 

 

Blauw

kleine droefheid roept en raast
als regen in de duinen
kleine droefheid kijkt verdwaasd
naar de bramen neder.

zwarte vrucht van droefheid
in de regen, zoet en koud
roept en raast, verdwaasd en teder.
koude duinen, wolkenblauw

bewaasd, omringen de verdwaalde
droefheid, stervend haast,
die in al haar kleinheid
roept en raast.

 

 

Nachtpost

Alle licht gaat ergens heen -
het lampje boven in mijn pen
gekregen van Kees Hin de kineast,
schrijft in het donker dit gedicht in spiegelschrift
tussen de sterren heb ik gedacht;
en op de kop ook nog? Zodat jij, verhuisd
naar die omgekeerde averechtse onderwereld boven ons
nu lezen kunt een doodgewoon bericht?
En - vertel - heb je daarginder wel
net als hier de gamma-uil en jotavlinder?

 

 
Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948) 

Lees meer...

Maren Winter, Edgar Guest, Charles de Coster, Tarjei Vesaas, Salvatore Quasimodo, Colin MacInnes

 

De Duitse schrijfster Maren Winter werd geboren op 20 augustus 1961 in Lübeck. Zie ook alle tags voor Maren Winter op dit blog.

Uit: Das Lied des Glockenspielers

„Er war erst wenige Schritte balanciert, als der schleppende Tross ins Stocken geriet. Zurück konnte Liron nicht mehr, und das schwankende Laufbrett war viel zu schmal, um das Fass darauf abzusetzen. Soweit es ihm in der gebückten Haltung möglich war, hob er den Kopf und spähte an den anderen Männern vorbei zum Prahm hinüber.
Da stand er, der junge Thiedemann von Kortholt, in aufrechter Haltung, als ob er einem Maler Modell stehen würde. Seine Rechte ruhte auf dem Degen, in der Linken hielt er einen Federhut. Das dunkle Haar legte sich über einen Kragen aus kunstvoller Nadelspitze, Rock und Pluderhose glänzten schwarz, ebenso die Schuhe, welche mit großen, samtenen Schleifen geschmückt waren.
Schreiber und der Frachtherr scharwenzelten um ihn herum, während sich vor ihm ein Träger bemühte, den Deckel eines Fasses aufzuhebeln.
Warum, zum Teufel, hatte Thiedemann den Träger ausgerechnet an der engsten Stelle angehalten? Das Fass stand direkt vor der Planke. Sah er denn nicht, dass dem Nächsten der Weg versperrt war und die Männer mit den schweren Lasten auf dem Rücken warten mussten?
Natürlich sah er es. Sein Blick schweifte unablässig über die gebeugten Träger hinweg. Für seine Heringe weigte er weit weniger Interesse.
Lirons Vordermann schwankte. Auch seine eigenen Muskeln zitterten, und der Eisenring des Passes schnitt ihm in die Finger. Vorsichtig lehnte er sich weiter vor, um seinen Rücken zu entlasten.“

 

 
Maren Winter (Lübeck, 20 augustus 1961)
Lübeck, Altstadt en Marienkirche

Lees meer...

Sylvie Richterová, Ernst-Jürgen Dreyer, Boleslaw Prus, Menno Lievers, Vasili Aksjonov, Jacqueline Susann

 

De Tsjechische schrijfster Sylvie Richterová werd geboren op 20 augustus 1945 in Brno. Zie ook mijn blog van 20 augustus 2007 en ook mijn blog van 20 augustus 2010.

Uit: Abc-Buch der Vatersprache

„Die Flüchtlingsorganisation teilte ihm eine Wohnung in Schwechat zu, wo sich der Wiener Flughafen befindet und wo die Straßen ganz wie in der Vorstadt von Brünn sind. Einige gleichen den Straßen in einer schönen Brünner Vorstadt, andere denen in der häßlichsten und staubigsten Brünner Vorstadt. Die Wohnung befand sich gerade dort, nämlich in einer Hauptstraße, die sicher einstmals Gehsteige gehabt hatte. In der Gegenwart aber waren sie der Südautobahn gewichen, so daß von ihnen nur wenig mehr als die Bordsteinkanten übriggeblieben sind. Von den Häusern ist der Putz abgefallen, seit dem Krieg sind sie nicht neu verputzt worden, genau so wie in der Brünner Vorstadt, nur daß Susanna und Aleš dort nicht gewohnt hatten, erst jetzt sollten sie es, in Wien.
Das Haus war weitläufig, mit einem großen, geräumigen Treppenhaus, in das die Küchenfenster gingen, und durch diese Fenster die Küchendünste, die im übrigen ganz angenehm und nach Wohlstand rochen. Die Zimmerfenster gingen zur Autobahn und erzitterten sehr oft von den sie überfliegenden Flugzeugen, die auf dem Flugplatz gerade landeten oder starteten. Aleš und sein Freund, der in Brünn in der Nachbarschaft gewohnt hatte und jetzt wiederum in Wien sein Nachbar war, trugen die paar Möbelstücke und die Kisten mit dem verzollten Familienbesitz in die Wohnung, damit der Chauffeur zurückfahren konnte, dann fiel Aleš in einen bleiernen Schlaf, und als er aufwachte, war es zwei Tage später am Morgen. Er lief zum Autobus, mit dem Susanna und die Kinder kommen sollten. Noch wacher wurde er, als sich zeigte, daß der Autobus Verspätung hatte, eine Stunde, zwei, drei Stunden. Nach drei Stunden befiel ihn lähmendes Entsetzen, die Familie könnte am Ende nicht über die Grenze gekommen sein. Sie kam, mit nur dreieinhalbstündiger Verspätung, einem kleinen Riß in der Zeit, der nur dann von Bedeutung ist, wenn man in ihm versinkt. Er hörte auf zu versinken, als er sah, wie sich schon von Ferne die hochgewachsene Susanna angespannt im Busfenster abzeichnete.“

 

 
Sylvie Richterová (Brno, 20 augustus 1945)

Lees meer...

Alfred Birney

 

De Nederlandse schrijver, essayist en columnist Alfred Alexander Birney werd geboren in Den Haag op 20 augustus 1951 als zoon van een Indisch-Nederlandse vader en een Nederlandse moeder. De Nederlandse voorouders van zijn vader waren uit het achttiende-eeuwse Schotland afkomstig, vandaar de Engelse achternaam. Alfred Birney groeide op in Den Haag tot zijn dertiende bij zijn ouders, daarna tot zijn achttiende in internaten in Voorschoten, Arnhem en Scheveningen. Hij leidde een bohemien bestaan tot zijn vijfentwintigste, zette zijn eerste verhalen op papier maar gooide ze weg. Hij werd gitaarleraar en introduceerde in tijdschriftpublicaties het gecombineerde noten- en tabulatuurschrift voor gitaristen, dat later grote navolging kreeg. Toen hij rond zijn dertigste zijn loopbaan als musicus moest opgeven door een onherstelbare beschadiging aan zijn linkerhand, ging hij serieus verder met schrijven. Hij debuteerde in 1987 met de roman "Tamara’s lunapark". In 1991 kreeg hij voor zijn oeuvre (1987-1991) de literaire G.W.J. Paagman-prijs uitgereikt onder een commissie voorgezeten door Aad Nuis. Zijn bloemlezing "Oost-Indische inkt. 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren" (1998) veroorzaakte veel beroering en polemiek binnen kringen van de Indische literatuur. Twee van zijn belangrijkste romans, "Vogels rond een vrouw" (1991) en "De onschuld van een vis" (1995), werden respectievelijk in 2000 en 2002 in vertaling in Indonesië uitgebracht. Van 2002 tot 2005 was Alfred Birney verbonden als columnist bij de Haagsche Courant, een baan die hij moeilijk kon combineren met zijn literaire werk. Zijn onaflatende verdediging van de multiculturele samenleving werd hem niet altijd in dank afgenomen. Na acht jaar afwezigheid op het literaire podium kwam Alfred Birney terug met zijn zogenaamde Rivieren-trilogie, waarin de echo van de koloniale geschiedenis van Nederland doorklinkt. De trilogie omspant een periode van omstreeks 1750 tot 250 jaar later. Drie landen spelen een rol in de zoektocht van de hoofdpersoon naar sporen uit het verleden: Schotland in "Rivier de Lossie"(2009), Nederland in "Rivier de IJssel' (2010) en Indonesië in "Rivier de Brantas" (2011). In 2012 verscheen zijn essay, "De dubieuzen", als vervolg op de bloemlezing "Oost-Indische inkt. 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren" (1998) en "Yournael van Cyberney" (2001). Birney stelt hierin onder meer het gebrek aan kennis van Nederland van de eigen koloniale geschiedenis aan de kaak via voorbeelden uit boeken van vergeten schrijvers uit de koloniale letteren.

Uit: Rivier de Lossie

“Een clandestiene folkclub lag ergens boven in een hoekhuis in het Renbaankwartier, waar je de zee kon ruiken. Er was geen alcohol of marihuana, wel hete soep. Schaakborden, gedempte conversaties. Op een barkruk zat een jongen met een bebrild vollemaansgezicht, varkenslijf en worstvingers geweldig gitaar te spelen. De jongen zong in het Gaelic. Ik verstond hem niet maar begon een land te missen waar ik nog nooit geweest was.
(…)

Wíe met een Indonesisch-Schots-Nederlandse achtergrond als de mijne zou níet hebben gedacht dat die benen op die ketjapfles de benen van het wapenschild van zijn zeer verre voorouders waren? Drie benen die in het jaar 838 na Christus geamputeerd waren achtergelaten voor de finale strijd van de Scoten tegen de Picten ergens op een slagveld van modder, winden en regen.
(…)

Er was een lied dat sluimerde in mijn herinnering, maar dat niet aan de oppervlakte wilde komen. Het hinderde me, terwijl de trein voortsnelde naar Elgin, een klein stadje in Moray, een provincie in de Highlands, waar mijn zeer verre voorouders duizend jaar eerder dood en verderf hadden gezaaid, waarvan uiteraard niets meer te zien was toen ik de trein uitstapte.
(…)

Er was iets merkwaardigs, als ik mocht geloven wat ik zag. Niet aan de roeiboot maar aan de roeiers. Had elk van die roeiers maar één been?Ik draaide me in het voorbijgaan om, wreef mijn vermoeide ogen uit en stelde vast dat het werkelijk zo was. Ik tuurde door het raampje van de treincoupé de boot na, die op het ogenblik dat ik aan mijn waarneming begon te twijfelen uit het zicht verdween.”

 

 
Alfred Birney (Den Haag, 20 augustus 1951)

12:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: romenu, alfred birney |  Facebook |

19-08-16

Jonathan Coe, Li-Young Lee, Frederik Lucien De Laere, Louis Th. Lehmann, Ogden Nash, Frank McCourt, John Dryden

 

De Engelse schrijver Jonathan Coe werd geboren op 19 augustus 1961 in Birmingham. Zie ook mijn blog van 19 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Jonathan Coe op dit blog.

Uit:Number 11

“The round tower soared up, black and glistening, against the slate grey of a late-October sky. As Rachel and her brother walked towards it across the moor, from the east, it was framed by two leafless, skeletal ash trees. It was the hour before dusk on a windless afternoon. When they reached the trees, they would be able to rest on the bench that stood between them, and look back towards Beverley in the near distance, the neat clusters of houses and, rising up in the midst of them, the monumental, answering greyish-cream towers of the Minster.
Nicholas flopped down on the bench. Rachel – then only six years old, eight years his junior – did not join him: she was impatient to run up towards the black tower, to get close to it. She left her brother to his rest and scurried onwards, squelching her way through the cow-trodden mud that surrounded the foot of the tower until she was right up against it, and could lay her hands upon the gleaming black brickwork. The flat of both hands upon the tower, she looked upwards and could not comprehend the size and scale of it, the perfect, lucid curve as it arched itself, like a sway back, against a threatening sky through which a pair of rooks were now skimming, cawing and circling endlessly.
'What did it use to be?' she asked.
Nicholas had joined her now. He shrugged. 'Dunno. Some kind of windmill, maybe.'
'Do you think we could get inside?'
'It's all bricked up.'
There was a circular wooden bench running all around the base of the tower, and when Nicholas sat there, Rachel sat beside him and stared up into his pale, unresponsive blue eyes, which for all their coldness only made her feel how lucky she was, how blessed, to have an older brother like this, so handsome and confident. She hoped that one day her hair would be as blonde as his, her mouth as shapely, her skin as downy and clear. She nestled against his shoulder, as close as she dared. She didn't want to be a drag upon him, didn't want him to become too aware that, in this strange and unfamiliar town, he was the only thing that made her feel safe.
'You cold or something?' he asked, looking down at her.
'A bit.' She inched away slightly. 'Will it be warm where they are, d'you think?'
'Course it will. There'd be no point going on holiday somewhere where it's cold, would there?'
'I wish they'd taken us with them,' said Rachel feelingly.
'Well, they didn't. So that’s that.'

 


Jonathan Coe (Birmingham, 19 augustus 1961)

Bewaren

Lees meer...

Marion Pauw

 

De Nederlandse schrijfster Marion Pauw werd geboren in Tasmanië op 19 augustus 1973. Zij emigreerde op haar zesde naar Nederland. Ze werkte onder meer als freelance journaliste voor het dagblad Amigoe (Curaçao) en als columniste voor Flair. Ze is copywriter voor reclamebureaus. Voor haar boek “Daglicht” ontving zij de Gouden Strop 2009. Er werden meer dan 100.000 exemplaren van verkocht. In 2013 verscheen de Daglicht-verfilming in de bioscoop. Voor de in 2010 uitgezonden televisieserie “In therapie” (NCRV) schreef Pauw het scenario. In juni 2014 maakte de CPNB bekend dat Pauw in 2015 het geschenkboekje voor de Maand van het Spannende Boek zou schrijven.

Uit: Girl in the Dark

“There's not much difference between transporting a prisoner and moving a load of hogs. They have to get to their destination in one piece. And that's all, really. I was handcuffed. I felt uncomfortable and clumsy. It took all my concentration not to lose my balance as I climbed into the van. My escort, a guard with a square-shaped head, gave me a shove. It wasn't deliberately brutal, just rough indifference. "Hurry up." The only words addressed to me directly. I staggered, regained my footing, and sat down on the leatherette seat.
Ostentatious jingling of keys. The scrape of metal on metal. [he cage clanged shut; I was being moved inside a cage. I'd been locked up for eight years. I had grown partial to the nonotonous rhythm of my days, but I had never gotten used to the )ars. The van's windows were shaded. I was seeing the outside vorld again for the first time, only through a dark, gray film, Still, 'd been looking forward to the trip. To see cats driving along, and rees, and teenagers riding their bikes into the wind. Maybe even a rain racing us alongside the highway. Or boys on top of the overpasses yelling at the cars whizzing by below. The kind of hings you don't get to see on TV because they're too ommonplace, but that make you even sicker with longing for the vorld outside. The van set off. I was being transferred from the prison in kmersfoort to the Hopper Institute in Haarlem. I hadn't quite figured out if my transfer to the forensic )sychiatric unit was something to be happy about. I'd had far too nuch time to think about it, the same way I had far too much time And then there were days when I was so angry and frustrated that I couldn't see the plus side of anything anymore. When I just wanted to get home to my fish. I was very worried about my fish. At night I'd picture them floating belly-up. A stinking pile of zebrasoma, holocanthus, and amphiprion. I'd yell and scream until the entire cell block was awake. "It's the nutcase again." "Yo, freak, shut the fuck up!" "I'll get you tomorrow—you better watch your back, motherfucker." But in actuality, no one ever laid a finger on me, not once. It wasn't like on those TV shows. The prisoners spent the greater part of the day just bullshitting. Every now and then a scuffle would break out over something minor, like a missing pack of cigarettes. But rape wasn't their thing, and nobody knocked anybody's teeth out to get better blowjobs, either."

 

 
Marion Pauw (Tasmanië, 19 augustus 1973)

 

18:05 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: marion pauw, romenu |  Facebook |

18-08-16

Marc Degens, Ulrich Woelk, Jami, Luciano de Crescenzo, Alain Robbe-Grillet, Brian Aldiss, Hugo Bettauer

 

De Duitse schrijver Marc Degens werd geboren op 18 augustus 1971 in Essen. Zie ook alle tags voor Marc Degens op dit blog.

Uit: Das kaputte Knie Gottes

„Mal ist es eine Anspielung auf einen alten Lehrer oder eine nicht mehr existierende Bäckerei - sogar die Frese taucht in den Briefen regelmäßig auf.
Dennis’ Schreiblust war das Gegenteil von meiner - ich habe ihm höchstens eine Handvoll Briefe geschickt. Ich besitze keine Kopien von ihnen, doch ich bin sicher, dass sie sich im Vergleich so spannend lesen wie Einkaufszettel. Statt Briefe zu schreiben wollte ich lieber telefonieren. Um ein Gespräch in eine Richtung lenken und Fragen stellen zu können - auf viele Dinge ging Dennis in seinen Briefen gar nicht ein. Ich wollte wissen, wie er lebt. Und wovon. Ob er Freunde gefunden hat.
Drei Jahre lang habe ich mehr mit seinem Anrufbeantworter als mit ihm gesprochen. Wenn er anrief, dann fast immer zu unmöglichen Zeiten, nach Mitternacht oder Sonntagfrüh. Dennis lebte in den Tag hinein und schien manchmal nicht zu wissen, in welcher Stadt er übermorgen aufwachen wird. Er kam mir vor wie ein Spielball von höheren Mächten, der sich nicht dafür interessiert, in welche Richtung er geworfen wird.
Ich war zu stolz, um ihm hinterherzurennen. Sein wortloser Abschied aus Wattenscheid hatte mich verletzt. An dem Tag seines Umzugs hatte ich mit seinen Eltern gesprochen, auch sie standen vor einem Rätsel. Sie wussten nicht, woher Dennis das Geld für den Umzug genommen und wieso er seine Wohnung Hals über Kopf verlassen hatte. Er hatte seinen Eltern nur gesagt, dass er nach Berlin ziehen würde und sie sich keine Sorgen machen sollten. Eine Adresse oder Telefonnummer hatte er nicht hinterlassen, dafür aber Dog.
Ich wartete auf eine Erklärung von Dennis - und ich musste lange warten. Noch nicht einmal Weihnachten hielt er es für nötig, sich zu melden. Von Tag zu Tag wuchs meine Enttäuschung. Auch Lily hatte noch kein Lebenszeichen von ihm erhalten. Erst nach mehreren Monaten bekam ich den ersten ellenlangen Brief von ihm, der mehr Fragen aufwarf als Antworten lieferte.“

 

 
Marc Degens (Essen,  18 augustus 1971)

Lees meer...

Idea Vilariño

 

De Uruguayaanse dichteres Idea Vilariño werd geboren op 18 augustus 1920 in Montevideo. Vilariño studeerde literatuurgeschiedenis en werkte als lerares literatuur. Zij ontving in 1970 een leeropdracht om les te geven aan de universiteit. In de periode van de militaire dictatuur 1973-1985 mocht zij niet mogen werken en werd zij politiek vervolgd. Toch koos zij niet voor emigratie en wachtte in haar vaderland op betere tijden. Zij schreef in die tijd protestliederen, onder andere, voor de groep Los Olimareños. In 1985 werd zij benoemd tot hoogleraar literatuur aan de Universidad de la República in Montevideo. Vilariño publiceerde in 1945 een klein bundeltje met gedichten “La suplicante”. Ze wordt beschouwd als behorend tot de “Generación del 45”. Haar “Nocturnos” uit 1955 werden door haar aangevuld in 1963 en 1986 Bij het lezerspubliek vielen vooral de “Poemas de amor” (1957) in de smaak, die in verschillende editieswerden herdrukt. Als literatuurwetenschapper heeft Vilariño ingediend in 1965 en 1981 studies over tangoteksten gepubliceerd. Vilariño vertaalde werken van Shakespeare, Euripides, Paul Valéry, Graham Greene en Raymond Queneau in het Spaans.

 

The Whole Spring

The whole spring
with pigeons and stalks and hurricanes
with buckets of warm water
with a voluminous butterfly
fluttering plush
with a garden a forest a grove
populated by humidity and rotting leaves
and fragrances and mists and whiffs of air
and fierce roots and why not
the whole spring was emptied out
breathing sinking
panting in my bed.

 

 

You Didn’t Know

My poor love
you believed
that it was so
you didn’t know.
It was richer than that
it was poorer than that
it was life and you
with your eyes closed
you saw your nightmares
and you called that
life.

 

Vertaald door Jesse Lee Kercheval

 

 
Idea Vilariño (18 augustus 1920 - 28 april 2009)

18:05 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: idea vilariño, romenu |  Facebook |

17-08-16

Ted Hughes, V. S. Naipaul, Nis-Momme Stockmann, Jonathan Franzen, Herta Müller, Tsegaye Gabre-Medhin, Roger Peyrefitte, Hendrik de Vries

 

De Engelse dichter en schrijver Ted Hughes werd geboren op 17 augustus 1930 in Mytholmroyd, Yorkshire. Zie ook mijn blog van 17 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Ted Hughes op dit blog.

 

Bride and Groom Lie Hidden for Three Days

She gives him his eyes, she found them
Among some rubble, among some beetles

He gives her her skin
He just seemed to pull it down out of the air and lay it over her
She weeps with fearfulness and astonishment

She has found his hands for him, and fitted them freshly at the wrists
They are amazed at themselves, they go feeling all over her

He has assembled her spine, he cleaned each piece carefully
And sets them in perfect order
A superhuman puzzle but he is inspired
She leans back twisting this way and that, using it and laughing
Incredulous

Now she has brought his feet, she is connecting them
So that his whole body lights up

And he has fashioned her new hips
With all fittings complete and with newly wound coils, all shiningly oiled
He is polishing every part, he himself can hardly believe it

They keep taking each other to the sun, they find they can easily
To test each new thing at each new step

And now she smoothes over him the plates of his skull
So that the joints are invisible

And now he connects her throat, her breasts and the pit of her stomach
With a single wire

She gives him his teeth, tying the the roots to the centrepin of his body

He sets the little circlets on her fingertips

She stiches his body here and there with steely purple silk

He oils the delicate cogs of her mouth

She inlays with deep cut scrolls the nape of his neck

He sinks into place the inside of her thighs

So, gasping with joy, with cries of wonderment
Like two gods of mud
Sprawling in the dirt, but with infinite care
They bring each other to perfection.

 

 
Ted Hughes (17 augustus 1930 – 28 oktober 1998)
Ted Hughes en Sylvia Plath op hun huwelijksreis in 1956

Lees meer...

Jan Emmens

 

De Nederlandse dichter en kunsthistoricus Jan Ameling Emmens werd geboren in Rotterdam op 17 augustus 1924. Emmens studeerde rechten te Leiden en vervolgens kunstgeschiedenis in Parijs en Utrecht. Hij was werkzaam als kunsthistoricus bij de Rijksuniversiteit te Utrecht en van 1958 tot 1961 tijdelijk directeur van het Kunsthistorisch Instituut te Florence. In 1964 promoveerde hij op een proefschrift over “Rembrandt en de regels van de kunst” dat bekroond werd met de Karel van Manderprijs in 1965 en met de Dr. Wynaendt Franckenprijs in 1967. Vanaf 1967 was Emmens hoogleraar algemene kunstwetenschap en iconologie. Emmens behoorde tot de medewerkers van de tijdschriften Libertinage en Tirade, waarmee hij gekarakteriseerd kan worden als een auteur in de traditie van Forum.In de door hemzelf als debuut beschouwde bundel “Kunst- en vliegwerk” (1957) zijn allerlei vormen van autoriteit zijn doelwit. Bovendien is er in zijn gedichten sprake van een voortdurende controverse tussen verstand en gevoel, en tussen ideaal en werkelijkheid, vaak tot uiting gebracht in de tegenstelling tussen kind en volwassene. Daaruit vloeit ook Emmens' voorkeur voor het aforisme voort, omdat daarin deze tegenstellingen bondig verwoord kunnen worden. Emmens “Verzameld werk”verscheen in 4 delen in de jaren 1979 tot 1981.

 

Voor de kade

Voor de kade wisselt een wolk meeuwen
als strooibiljetten op een sterke wind
van aanblik als ‘t verloop van eeuwen.
Het is windstil. De wind is een klein kind
dat met geluidjes brood staat uit te strooien.

Zijn tijd aan denken of aan doen vergooien
verschilt niet veel, ‘t is stenen toch voor brood.

Wordt liever kind: twee beentjes en wat rood;
het doet soms eeuwen inderhaast ontdooien.

 

 

Winter

Ik hak een bestaan in de volgende dag:
de toekomst brokkelt langzaam af,
vandaag is niet meer dan een wak in de tijd,
het verleden is dichtgevroren.

 

 

Duidelijkheid

Nee het is niet mijn bedoeling om dit
want wat zou ik daarmee kunnen bereiken
daarom toch wel steeds zij het ook niet
hoewel ik u zegt het natuurlijk bereid
maar desondanks laat ik het eens en vooral
duidelijk zakelijk krachtig en kort
u vraagt nee ja zeker want met het oog daarop
opende ik juist de dat is te zeggen
discussie gesloten.

 

 
Jan Emmens (17 augustus 1924 – 12 december 1971)

18:24 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jan emmens, romenu |  Facebook |

16-08-16

Charles Bukowski, Reiner Kunze, Moritz Rinke, Ferenc Juhász, Alice Nahon

 

De Amerikaanse dichter en fictieschrijver Charles Bukowski werd geboren op 16 augustus 1920 in Andernach, Duitsland. Zie ook alle tags voor Charles Bukowski op dit blog en ook mijn blog van 16 augustus 2010.

 

Bluebird

there's a bluebird in my heart that
wants to get out
but I'm too tough for him,
I say, stay in there, I'm not going
to let anybody see
you.
there's a bluebird in my heart that
wants to get out
but I pour whiskey on him and inhale
cigarette smoke
and the whores and the bartenders
and the grocery clerks
never know that
he's
in there.

there's a bluebird in my heart that
wants to get out
but I'm too tough for him,
I say,
stay down, do you want to mess
me up?
you want to screw up the
works?
you want to blow my book sales in
Europe?
there's a bluebird in my heart that
wants to get out
but I'm too clever, I only let him out
at night sometimes
when everybody's asleep.
I say, I know that you're there,
so don't be
sad.
then I put him back,
but he's singing a little
in there, I haven't quite let him
die
and we sleep together like
that
with our
secret pact
and it's nice enough to
make a man
weep, but I don't
weep, do
you?

 

 

And The Moon And The Stars And The World

Long walks at night--
that's what good for the soul:
peeking into windows
watching tired housewives
trying to fight off
their beer-maddened husbands.

 

 
Charles Bukowski (16 augustus 1920 – 9 maart 1994)
Portret door Graziano Origa, 2008

Lees meer...

Justus van Maurik

 

De Nederlandse schrijver en sigarenfabrikant Justus van Maurik werd geboren in Amsterdam op 16 augustus 1846. Justus van Maurik was een typische Amsterdammer, hij kreeg eerst bekendheid als schrijver van kluchten en blijspelen. In 1878 verscheen zijn eerste novelle “Mie de porster”. Honderden verhalen volgden. Van Maurik wist zijn lezers een lach en een traan te ontlokken; een lach met zijn geestige schilderingen van volkstypes, een traan met zijn ontroerende verhalen. Veel van zijn boeken werden geïllustreerd door de graficus Johan Braakensiek. Hij schreef een aantal toneelstukken samen met Arnold Nicolaas Jacobus Fabius. Van Maurik was een van de redacteuren van het in 1877 opgerichte De Amsterdammer (een dagblad voor handel, industrie en kunst), dat tegenwoordig als weekblad De Groene Amsterdammer verschijnt. Weinig van zijn tijdgenoten was het bekend, dat Van Maurik een grote interesse voor het spiritisme had. Hij trad ook op als medium in de privé-séances die romanschrijver Hendrik Jan Schimmel tussen 1874 en 1896 in Amsterdam hield. Hij had op het Damrak in Amsterdam een sigarenwinkel. Hij was een kleinzoon van de gelijknamige sigarenmaker Justus van Maurik.

Uit: Mie de Porster

“Grauw en nevelig is de morgen aangebroken, droef en somber schijnen de eerste lichtstralen als met moeite door den dikken, vochtigen dampkring heen te breken, en een fijne motregen doordringt langzaam maar zeker alles, wat niet binnenshuis is; onophoudelijk vallen de fijne druppels neer en herscheppen de Amsterdamsche straten in poelen vol slijk en modder. Hier en daar schemert flauw roodachtig een nachtlicht door de gordijnen en vensters der hooge, sombere huizen die op enkele plaatsen hun gevels voorovernijgen en de straten van het oudere gedeelte der stad daardoor nog nauwer doen schijnen, dan ze in werkelijkheid zijn. De gaslantaarns zijn nog hier en daar brandende en werpen hun rossen gloed op de keien en in de plassen, die glinsterend een grillig contrast vormen met de grauwe tinten van den aanbrekenden dag. Het grootste gedeelte der bewoners is nog in diepe rust; slechts hier en daar vertoont zich een menschelijke gestalte, die al op of nog op is.
In de straat, waar we ons bevinden, is alles rustig, uitgezonderd een wezen, dat zich vrij schielijk over de glibberige straten voortbeweegt. 't Is Mie, de porster. Met hoofd en schouders in een ouden grijzen omslagdoek gewikkeld en halverwege door een vaalzwarte japon bedekt, is zij in volkomen overeenstemming met de nevelachtige omgeving. Haar gelaat, voor zoover het uit den doek en onder de witte muts te voorschijn komt, is rimpelig en geel als perkament. De vooruitstaande jukbeenderen, de scherpe gekromde neus en de ingevallen mond wettigen den bijnaam van ‘de Uil’, haar door de straatjeugd uit de buurt vereerd. Hoe leelijk en oud dat gelaat ook moge zijn, toch is er iets in de lijdende uitdrukking der oogen, dat onwillekeurig sympathie wekt en het voor den opmerkzamen beschouwer niet terugstootend doet zijn. Met de handen over elkander in den doek gewikkeld, en met een stuk talhout, aan een der einden voorzien van een touwen lus, onder den linkerarm, gaat de oude vrouw met een voorovergebogen hoofd zonder op de plassen te letten of op de modder, die haar bij elken tred een bewijs harer tegenwoordigheid medegeeft, of onbeschaamd door de naden van het half versleten, lederen schoeisel dringt en de zwarte wollen kousen doorweekt.
Werktuigelijk blijft de oude hier en daar voor een der huizen in de straat staan en trek aan de schel.
't Is een bijzondere wijze van trekken: regelmatig als een uurwerk; zonder poozen beweegt zij den rechterarm heen en weer en veroorzaakt daardoor dat eigenaardig geschel, dat men te Amsterdam ‘porren’ noemt. Aan enkele huizen doet een kloppen tegen de ruiten der bovenvensters den arm der porster tot rust komen, die zonder verder om of op te zien op een sukkeldrafje verder gaat om haar eentonig werk aan een ander huis te hervatten en al schellende te pruttelen: ‘zes en dertig, zeven en dertig, dáár dan, acht en dertig, - ben jelui nog niet op, luilakken? - veertig, 't is al zes over den tel, voor mijn part slaap door; - nou nog ééns dan, één en veertig.’

 

 
Justus van Maurik (16 augustus 1846 - 18 november 1904)

18:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: romenu, justus van maurik |  Facebook |

15-08-16

Guillaume van der Graft, Mary Jo Salter, Leonie Ossowski, Daan Zonderland, Jan Campert, Matthias Claudius

 

De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Guillaume van der Graft op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

Wanneer het afliep kwam Vasse

Wanneer het afliep kwam Vasse,
kamde zijn vlasbaard en zette een hoge hoed op
en in zijn geklede jas
met zilveren tressen, een marechaussee van de dood,
vestigde Vasse dan onze gewijde aandacht
op de wet van het graan en het gras.
Als een traan biggelend langs de neus van de Voorstraat,
tersluiks weggeslikt om de hoek van het postkantoor,
deed hij de ronde langs onze blozende wangen.
Hoe zout is de dood en hoe zoet
ruikt het hout op de hoek van de Eiermarkt
waar Vasse zijn werkplaats heeft,
waar hij planken schaaft en ineenpast
tot tweepersoonsledikanten,
tot eenpersoons geurende kisten.

 

 

La belle et la bête

Zo is het steeds geweest
en zal het ook zo zijn ?
La belle en het beest,
de bloemen en het zwijn.

Al kijkt het varken rond
om als een pauw te lopen,
al komen uit zijn mond
de parelen gedropen,

al doet hij als een kat
hooghartig en welvarend,
al wappert hij met wat
vleugels zijn bij een arend,

hij heeft een platte snuit.
Ook bij het mooiste weer
poseert hij naast zijn brood
als varken zonder meer.

 

 
Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)
Cover

Lees meer...

14-08-16

Dolce far niente, Frouke Arns, Wolf Wondratschek, Danielle Steel, Erwin Strittmatter, Sir Walter Scott, Julia Mann - da Silva-Bruhns, Stefanie de Velasco, Verena Güntner

 

Dolce far niente

 

 
Standbeeld van Karel de Grote op paard van Albert Termote op het Keizer Karelplein, Nijmegen

 

 

goudvis in de waal

je ging naar het plein om de keizer te zien
het vroor, het was nacht
en je had geen plan.

je was jong en je leven was als op de rotonde:
zolang je niet afslaat
kun je nog alle kanten op.

wij bestaan uit water en tijd, zei de keizer
zijn woorden vielen als ijsblokjes
gladwit stuiterend op de grond.

je dacht aan je goudvis, die je als kind in de lente
meenam naar buiten en vergat;
nachtvorst zette hem op pauze -je was ontroostbaar

tot de zon hem ontdooide en hij weer zwom.
jaren later spoelde je vader hem door naar zijn vrienden
die op hem wachtten in zeeën van tijd

je gaat naar de brug om de waal te zien
heeft water een leeftijd, het is al zo oud;
zou het iets weten, vraag je de rivier

en de stad staat blauw van de dag aan haar kade
een aak duwt traag de ochtend voor zich uit
aan dek schudt een vrouw uit lakens haar dromen

soms denk je nog aan zijn woorden, draaiend van afslag
naar afslag op die kolkende rotonde, en vraag je je af
wat daar zo schittert, in die diepe, donkere onderstroom

 

 
Frouke Arns (Handorf, 1964)
Frouke Arns is momenteel stadsdichter van Nijmegen

Lees meer...