22-06-16

In Memoriam Henk Hofland

 

In Memoriam Henk Hofland

De Nederlandse schrijver, journalist, commentator, essayist en columnist Henk Hofland is dinsdagochtend overleden. Hij is 88 jaar oud geworden. Henk Hofland werd geboren in Rotterdam op 20 juli 1927. Zie ook alle tags voor Henk Hofland op dit blog.

Uit: Tegels lichten

“Van Troelstra is de waarneming afkomstig, dat na de invoering van het algemeen kiesrecht de bourgeoisie zich van de democratie en het parlementarisme heeft afgekeerd en ook in Nederland sympathie heeft gekregen voor een beetje dictatuur. In mei 1940 stond het er met de Nederlandse democratie niet uitstekend voor, zoals ook toen al vaak werd vastgesteld. Maar de kritiek kwam van twee kanten. Er was een sociaaldemocratische en vrijzinnig liberale minderheid, die via de parlementaire democratie naar emancipatie streefde. En er was een niet geringe, zelfbewuste minderheid die vond dat er al meer dan genoeg werd geëmancipeerd, dat al veel te veel mensen hun neus in de publieke zaak staken, en dat de parlementaire democratie dit hinderlijke proces alleen maar bevorderde, zodat een manier moest worden gevonden om in te grijpen (typische term uit de notabele woordenschat). De eerste vorm van kritiek wilde zichzelf versterken met behulp van de parlementaire methoden; de tweede wilde ook een versterkte positie, maar ten koste van het democratische systeem.
In mei 1940 werden daarom de critici van de eerstgenoemde soort van een probleem verlost: de democratische procedures werden opgeheven. Voor de anderen ontstond min of meer per mirakel het praktische vraagstuk van het wegen en grijpen der nieuwe kansen.
Het morele onderzoek dat hierop betrekking heeft, is nog altijd in volle gang, maar komt in dit verhaal niet voor. Vandaar dat hierna geen sprake zal zijn van goed of fout gedrag, collaboratie, onverzoenlijkheid, vaderlandsliefde, landverraad, enz. Het gaat er meer om, een verschijnsel in de Nederlandse politiek te beschrijven dat niet tot de oorlog is beperkt, maar dat voor 1940 ook al bestond en dat na 1945 zijn invloed op het Bestel onverzwakt heeft behouden. Dat is misschien niet de sympathie van de ‘bourgeoisie’ van Troelstra voor ‘het kleine beetje dictatuur’. Het is meer het gevoel of het besef dat heerst bij menig bestuurder, autoriteit, politicus, directeur en magistraat, zijn natuurlijk inzicht, dat hij en zijn gelijken het onvervreemdbare monopolie hebben om te bekokstoven. We hebben niet te doen met een kwaadwillig potentatisme, maar met het voortdurend nemen van ‘rustige, weloverwogen beslissingen’, gedekt door de magie der geheimhouding en een passende gelegenheidsideologie.”

 

 
Henk Hofland (20 juli 1927 – 21 juni 2016)

21-06-16

Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Anne Carson, Adam Zagajewski, Ian McEwan, Alon Hilu, Jean-Paul Sartre

 

De Nederlandse dichter Ed Leeflang werd geboren op 21 juni 1929 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Ed Leeflang op dit blog.

 

De driesteenstrandloper

De zee kan het niet helpen,
in weeën komt haar drift;
voor haar opwelling wijkt hij,
haar bedenking beent hij na.

Van zijn bestaan verschijnt
het vluchtig spijkerschrift,
in scheve aanloopregels,
bijna kwatrijnen.

En door haar plompverloren dweilen
worden zij weggewist.

Ieder spoor van zijn gedribbel
moet verdwijnen, of hij zich in
de drang om voort te leven
zonder nadruk had vergist.

 

 

Blauw

Met kalmte van een nuttig mens
keek ik naar wolken en vertrapte haast
de stralend blauwe pol, de ereprijs
waar je die niet vermoedt, tegen
het stenen trapje aan de voet
van een nog kale winderige dijk.

Ik mocht je zo, de zin
die ik aan mijn verleden geef
hangt af van energie en van
toevalligs dat ik zie.

En daar grijpt midden op de dag
een blauw mij aan, als wij het niet
meer kunnen vinden, in een late schrik.
Ik had het vroeger voor je moeten stelen,
tegen je wil, tot elke prijs, ergens vandaan.

 

 

Magische bescherming

Spijker op je voordeur het bleke
houten masker tegen het kwaad.
De giftige blikken staren
dood en verderf tegemoet.
Al wat het op je voorzien heeft
draait zich om en druipt af
de holle ogen dwingen.
Slaap in en geloof dat ze
elk onheil buiten sluiten.

Dan is het zover en kom je
je eigen huis niet meer binnen.

 

 
Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

Lees meer...

In Memoriam Benoîte Groult

 

In Memoriam Benoîte Groult
 

De Franse feministische schrijfster Benoîte Groult is gisteren op 96-jarige leeftijd overleden. Dat heeft haar familie bekendgemaakt. Benoîte Groult werd geboren op 31 januari 1920 in Parijs. Zie ook alle tags voor Benoîte Groult op dit blog.

Uit: Mon évasion

« Ce ne serait sans doute pas inintéressant de le savoir et c’est indispensable pour les psychanalystes face à des patients qui souffrent de leur enfance comme d’une plaie qui ne veut pas se refermer. Autrefois on se passait très bien d’enfance. Elle n’occupait pas la place primordiale dans une exis-tence.
Elle n’occupera pas non plus une place primor-diale dans ce livre. Car je n’ai aucun procès à ins-truire, aucune rancune à assouvir, aucune excuse à invoquer pour expliquer que je n’aie pas été une surdouée ou un de ces cancres magnifiques que tant d’écrivains se vantent d’avoir été. L’éducation qu’on me donnait, en revanche, les personnes qui me la dis-pensaient jettent un éclairage indispensable pour comprendre comment je suis devenue cette adoles-cente timorée et incapable d’exploiter ses dons, alors que tant de fées s’étaient penchées sur mon berceau.
J’étais une gentille petite fille avec de très grands yeux bleus un peu fixes, une frange de cheveux châ-tains bien raides et une bouche trop charnue pour l’époque et que je laissais souvent ouverte, ce qui me donnait un air débile qui désolait ma mère. Comme elle n’était pas femme à se désoler mais à agir, afin de me rappeler de mimer cette bouche en cœur qui était à la mode pour les filles dans les années 30, elle me soufflait en public, dans un chuchotement que je jugeais tonitruant : « Pomme, Prune, Pouce, Rosie ! »
Je ne lui ai jamais répondu « Zut Maman ! ». Je devais bien être débile quelque part… Docile, je ras-semblais mes deux lèvres pour qu’elles ressemblent à celles de ma sœur qui étaient parfaites. Comme tout le reste de son être aux yeux de ma mère. Ah ! se dit le psy, l’air connu de la jalousie !
Eh bien non, même pas. J’aimais ma petite sœur, de quatre ans ma cadette et, en tout cas, je ne l’ai jamais haïe. Je l’ai à peine torturée, de bonnes grosses bri-mades bien innocentes. Après tout, je n’avais jamais prétendu adorer ma mère comme elle. Il est donc normal que maman préférât le genre de beauté de Flora et l’attachement passionné qu’elle lui a d’ail-leurs voué toute sa vie."

 

 
Benoîte Groult (31 januari 1920 – 20 juni 2016)

20-06-16

Vikram Seth, Paul Muldoon, Kurt Schwitters, Jean-Claude Izzo, Silke Andrea Schuemmer, Carel van Nievelt, Robert Rozhdestvensky

 

De Indische schrijver Vikram Seth werd geboren op 20 juni 1952 in Kolkata. Zie ook alle tags voor Vikram Seth op dit blog.

Uit: A Suitable Boy

‘That Meenakshi’ was Arun’s glamorous wife and her own disrespectful daughter-in-law. In four years of marriage Meenakshi’s only worthwhile act, in Mrs Rupa Mehra’s eyes, had been to give birth to her beloved granddaughter, Aparna, who even now had found her way to her grandmother’s brown silk sari and was tugging at it for attention. Mrs Rupa Mehra was delighted. She gave her a kiss and told her:
‘Aparna, you must stay with your Mummy or with Lata Bua, otherwise you will get lost. And then where would we be?’
‘Can’t I come with you?’ asked Aparna, who, at three, naturally had views and preferences of her own.
‘Sweetheart, I wish you could,’ said Mrs Rupa Mehra, ‘but I have to make sure that your Savita Bua is ready to be married. She is so late already.’ And Mrs Rupa Mehra looked once again at the little gold watch that had been her husband’s first gift to her and which had not missed a beat for two and a half decades.
‘I want to see Savita Bua!’ said Aparna, holding her ground.
Mrs Rupa Mehra looked a little harassed and nodded vaguely at Aparna.
Lata picked Aparna up. ‘When Savita Bua comes out, we’ll go over there together, shall we, and I’ll hold you up like this, and we’ll both get a good view. Meanwhile, should we go and see if we can get some ice-cream? I feel like some too.’
Aparna approved of this, as of most of Lata’s suggestions. It was never too cold for ice-cream. They walked towards the buffet table together, three-year-old and nineteen-year-old hand in hand. A few rose petals wafted down on them from somewhere.
‘What is good enough for your sister is good enough for you,’ said Mrs Rupa Mehra to Lata as a parting shot.
‘We can’t both marry Pran,’ said Lata, laughing.”

 

 
Vikram Seth (Kolkata, 20 juni 1952)
Cover

Lees meer...

19-06-16

Volière (Luuk Gruwez)

 

Bij Vaderdag

 

 
Waiting room door William E. Rochfort, 2010

 

 

Volière

Van top tot teen vol vogels zit mijn vader.
Er hangen korenblauwe luchten in zijn lijf
en vergezichten om bij weg te dromen
en takken waar men, vogel zijnde, graag op slaapt.
 
De meest diverse soorten herbergt hij.
Bijvoorbeeld in zijn hoofd iets hoogs,
een torenvalk, een nachtegaal, een kardinaal
of welbespraakten als de papegaai, alsook de ara
 
uit de karaokebar. Omstreeks zijn kolossale kont,
daar wonen enkel en alleen de doodgewonen:
kanaries, zebravinken, pimpelmezen,
meerstemmig maar saamhorig in hem thuis.
 
Als al die vogels simultaan duizeling-
wekkend aan het kwetteren slaan,
kan ik de nagalm van zijn zwijgen horen.
Nooit is het stil wanneer mijn vader zwijgt

 

 

 
Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)
Kortrijk. Luuk Gruwez werd geboren in Kortrijk

 

 

Zie voor de schrijvers van de 19e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

07:57 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (1) | Tags: vaderdag, luuk gruwez, romenu |  Facebook |

Salman Rushdie, Sybren Polet, Josef Nesvadba, Osamu Dazai, José Rizal, Friedrich Huch, Gustav Schwab, Claudia Gabler

 

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit: The Enchantress of Florence

“She was a doli-arthi prostitute of the Hatyapul, meaning that the terms of her employment stated that she was literally married to the job and would only leave on her arthi or funeral bier. She had had to go through a parody of a wedding ceremony, arriving, to the mirth of the street rabble, on a donkey-cart instead of the usual doli or palanquin. “Enjoy your wedding day, Skeleton, it’s the only one you’ll ever have,” shouted one lout, but the other prostitutes poured a chamber pot of warm urine over him from an upstairs balcony, and that shut him up just fine. The “groom” was the brothel itself, represented symbolically by the madam, Rangili Bibi, a whore so old, toothless, and squinty that she had become worthy of respect, and so fierce that everyone was scared of her, even the police officers whose job it theoretically was to close her business down, but who didn’t dare make a move against her in case she gave them a lifetime’s bad luck by fixing them with the evil eye. The other, more rational explanation for the brothel’s survival was that it was owned by an influential noble of the court — or else, as the city’s gossips were convinced, not a noble but a priest, maybe even one of the mystics praying nonstop at the Chishti tomb. But nobles go in and out of favor, and priests as well. Bad luck, on the other hand, is forever: so the fear of Rangili Bibi’s crossed eyes was at least as powerful as an unseen holy or aristocratic protector.
Mohini’s bitterness was not the result of being a whore, which was a job like any other job and gave her a home, and food and clothing, without which, she said, she would be no better than a pye-dog and would in all likelihood die like a dog in a ditch. It was aimed at one single woman, her former employer, the fourteen-year-old Lady Man Bai of Amer, currently residing at Sikri, a young hussy who was already receiving, in secret, the eager attentions of her cousin Crown Prince Salim. Lady Man Bai had one hundred slaves, and Mohini the Skeleton was one of her favorites.“

 

 
Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

Lees meer...

18-06-16

Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler

 

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook alle tags voor Richard Powers op dit blog.

Uit: The Time of Our Singing

“This is how I see him, although he'll live another third of a century. This is the moment when the world first finds him out, the night I hear where his voice is headed. I'm up onstage, too, at the battered Steinway with its caramel action. I accompany him, trying to keep up, trying not to listen to that siren voice that says, Stop your fingers, crash your boat on the reef of keys, and die in peace.
Though I make no fatal fumbles, that night is not my proudest as a musician. After the concert, I'll ask my brother again to let me go, to find an accompanist who can do him justice. And again he'll refuse. "I already have one, Joey."
I'm there, up onstage with him. But at the same time, I'm down in the hall, in the place I always sit at concerts: eight rows back, just inside the left aisle. I sit where I can see my own: fingers moving, where I can study my brother's face--close enough to see everything, but far enough to survive seeing.
Stage fright ought to paralyze us. Backstage is a single bleeding ulcer. Performers who've spent their whole youth training for this moment now prepare to spend their old age explaining why it didn't go as planned. The hall fills with venom and envy, families who've traveled hundreds of miles to see their lives' pride reduced to runner-up. My brother alone is fearless. He has already paid. This public contest has nothing to do with music. Music means those years of harmonizing together, still in the shell of our family, before that shell broke open and burned. Jonah glides through the backstage fright, the dressing rooms full of well-bred nausea, on a cloud, as though through a dress rehearsal for a performance already canceled. Onstage, against this sea of panic, his calm electrifies. The drape of his hand on the piano's black enamel ravishes his listeners, the essence of his sound before he even makes one.
I see him on this night of his first open triumph, from four decades on. He still has that softness around his eyes that later life will crack and line. His jaw quakes a little on Dowland's quarter notes, but the notes do not. He drops his head toward his right shoulder as he lifts to the high C, shrinking from his entranced listeners. The face shudders, a look only I can see, from my perch behind the piano. The broken-ridged bridge of his nose, his bruised brown lips, the two bumps of bone riding his eyes: almost my own face, but keener, a year older, a shade lighter. That breakaway shade: the public record of our family's private crime.”

 

 
Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)

Lees meer...

Günter Seuren, Utta Danella, George Essex Evans, Ivan Gontsjarov, Jean-Claude Germain, Martin Greif

 

De Duitse schrijver Günter Seuren werd geboren op 18 juni 1932 in Wickrath, Niederrhein. Zie ook alle tags voor Günter Seuren op dit blog.

Uit: Das Experiment

„Ich geh rückwärts, weil ich nicht länger vorwärts gehen will“, sagte der Mann.
Er war übermittelgroß, bleich vor Anstrengung, sich auf das Rückwärtsgehen zu konzentrieren, und hatte eine vom Wind gerötete Nase. Es blies ein heftiger Westwind, und die Böen, die die übrigen Fußgänger, mit denen der Mann in dieselbe Richtung ging, nur als Brise im Rücken empfanden, trafen ihn mitten ins Gesicht. Er bewegte sich langsamer als die anderen, aber stetig wie ein Krebs im Rückwärtsgang.
„Eines Tages“, sagte der Mann, „war ich ganz allein in einem windstillen Park. Ich hörte die Amseln neben mir im Gebüsch nach Futter stochern, ich hörte Tauben rufen - und eine große Ruhe überkam mich. Ich ging ein paar Schritte rückwärts, und ich weiß jetzt: wenn man immer nur vorwärts geht, verengt sich der Weg. Als ich anfing, rückwärts zu gehen, sah ich die übergangenen und übersehenen Dinge, ich hörte sogar das Überhörte. Sie werden entschuldigen, wenn ich mich Ihnen nicht ganz verständlich machen kann. Verlangen Sie keine Logik von mir, die Entdeckung, die ich gemacht habe, lässt sich nicht in Worte fassen. Und denken Sie auch nicht, dass ich ein Mann der Umkehr bin, nein, ich kehre nicht um, ich . . .“
Der Mann schwieg ein paar Sekunden und sah entschlossen geradeaus, „es wird Sie verwundern ...aber ich bin kein Träumer.“ „Was sind Sie dann?“ sagte der Begleiter, ein Mann, der sich im herkömmlichen Vorwärtsgang bewegte. „So kommen Sie doch nicht weiter. Eines Tages sind Sie stehen geblieben, vielleicht wollten Sie das Gras wachsen hören, Sie traten ein paar Schritte zurück, um Abstand zu haben. War es so?“

 

 
Günter Seuren (18 juni 1932 – 10 december 2003)

Lees meer...

17-06-16

Peter Rosei, Kamel Daoud, Gail Jones, Ward Ruyslinck, Adriaan van der Hoop jr, Hanna Johansen, Max Dendermonde

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook mijn blog van 17 juni 2009 en eveneens alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Das große Töten

„Nachdem er diesen Schriftzug eingehend studiert hatte, als enthalte der in seiner Lakonie irgendeine verborgene oder verklausulierte Nebenbedeutung, eine Botschaft, die sich vielleicht gerade an den Betrachter jetzt richtete, senkte der Mann langsam den Kopf, so als bedenke er, was er gesehen, ging er aus der Küche, in der er gesessen war, in die anliegende Kammer hinaus und betrachtete sich im Spiegel, der da über dem Waschtisch hing: Ja - ohne Zweifel: Er sah dem Vater ähnlich!
Warum schaute er das Photo nur so gern an? Waren das nicht Dummheiten?
Langsam ging der Mann jetzt wieder in den anderen Raum, in die weiß möblierte und mit einem Kohlenherd ausgestattete Küche, und setzte sich neuerlich an den Tisch. Er überrechnete, das Bild wieder zur Hand nehmend, wie lang die Aufnahme jetzt zurücklag.
Dreißig, fünfunddreißig Jahre?
Eine kleine Weile studierte der Mann den lose fallenden Uniformrock des Vaters. - War es ein Mantel? In der Mitte war ein großer, runder Knopf, der den Kragen zusammenhielt.
Das Photo war wohl im Herbst oder Spätherbst aufgenommen. Als der Mann von draußen, vom Hof her, eine Tür, die Eingangstür gehen hörte, hängte er das Photo, das er so ausführlich betrachtet hatte, rasch an den Nagel an der Küchenwand: Dort hing das Bild alle Tage.
"Hallo, Franz!" sagte die Frau, die jetzt geschäftig in die Küche trat.
"Hallo, Mama!" sagte er, ohne indes vom Tisch aufzuschauen oder sich sonstwie freundlich zu zeigen. Die Mutter ging, ihr schwarzes Kopftuch abbindend, an den großen Kühlschrank, nahm eine Flasche Bier heraus, machte sie auf und stellte sie vor ihren Sohn hin.
"Bist frei heute?" fragte die Frau.
"Was dagegen?!" antwortete der.“

 

 
Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

Lees meer...

Ron Padgett

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Als 17-jarige middelbare scholier was Padgett mede-oprichter van het avant-garde literatuurschrift “The White Dove Review”. Samen met collega Central High-studenten Dick Gallup en Joe Brainard en student-dichter Ted Berrigan, vroeg Padgett Beat Movement schrijvers als Allen Ginsberg, Jack Kerouac, LeRoi Jones, EE Cummings, en Malcolm Cowley om voor het blad bijdragen te leveren. Tot Padgett's verrassing boden de meeste schrijvers inderdaad werk voor het tijdschrift aan. Padgett ontving een B.A. Van de universiteit van Columbia in 1964 en studeerde creatief schrijven aan het Wagner College samen met Kay Boyle, Howard Nemerov en Kenneth Koch. Hij kreeg een Fulbright Fellowship en studeerde 20ste eeuwse Franse literatuur in Parijs in de jaren 1965 en 1966. In 1996 kreeg hij een beurs ​​van de Foundation for Contemporary Arts Grants to Artists Award. Padgett gaf in 1968-69 poëzie-workshops aan St. Mark's Church in-the-Bowery, New York, en was dichter in de schoolprogramma’s van New York City Poets van 1969-1976. Hij was directeur publicaties voor Teachers & Writers Collaborative van 1982 tot en met 1999. Hij publiceerde ook een aantal boeken op het gebied van onderwijs en schrijven. Ook was hijvan 1980 tot 2000 redacteur van Teachers & Writers Magazine. Hij was mede-oprichter / uitgever van Full Court Press en redacteur van 1973-88. Hij heeft lesgeven aan diverse onderwijsinstellingen, waaronder het Atlantic Center for the Arts en Columbia University, Daarnaast presenteerde hij een radio-serie over poëzie.

 

Stairway to the Stars

"And then there were three
whereas before there had been four
or two

And then there were four or two."
Thus spake the King.
No one dared ask what it meant.

He seemed satisfied by the beauty
of the logic that had arrived,
the royal hall now lightly radiant

as he arose from his throne
and the world fell away,
courtiers, battlements, and clouds,

and he rose like a piece of paper
on which his effigy had been traced
in dotted lines whose dots came loose

and flew away to a place in history
where nothing mattered.
And then there was one.

 

 

After Reverdy

I would never have wanted to see your sad face again
Your cheeks and your windy hair
I went all across the country
Under this humid woodpecker
Day and night
Under the sun and the rain

Now we are face to face again
What does one say to my face

Once I rested up against a tree
So long
I got stuck to it
That kind of love is terrible

 

 

Prose Poem ("The morning coffee.")

The morning coffee. I'm not sure why I drink it. Maybe it's the ritual
of the cup, the spoon, the hot water, the milk, and the little heap of
brown grit, the way they come together to form a nail I can hang the
day on. It's something to do between being asleep and being awake.
Surely there's something better to do, though, than to drink a cup of
instant coffee.
Such as meditate? About what? About having a cup of
coffee. A cup of coffee whose first drink is too hot and whose last drink
is too cool, but whose many in-between drinks are, like Baby Bear's por-
ridge, just right. Papa Bear looks disgruntled. He removes his spectacles
and swivels his eyes onto the cup that sits before Baby Bear, and then,
after a discrete cough, reaches over and picks it up. Baby Bear doesn't
understand this disruption of the morning routine. Papa Bear brings
the cup close to his face and peers at it intently. The cup shatters in his
paw, explodes actually, sending fragments and brown liquid all over the
room. In a way it's good that Mama Bear isn't there. Better that she rest
in her grave beyond the garden, unaware of what has happened to the
world.

 

 
Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)

18:40 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ron padgett, romenu |  Facebook |

16-06-16

Joël Dicker, August Willemsen, Joyce Carol Oates, Derek R. Audette, Theo Thijssen, Casper Fioole, Giovanni Boccaccio, Frans Roumen

 

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: Die Geschichte der Baltimores

„Morgen muss mein Cousin Woody ins Gefängnis. Dort wird er die nächsten fünf Jahre seines Lebens verbringen.
Schon auf der Fahrt vom Flughafen in Baltimore zum Haus meines Onkels Saul in Oak Park, wo Woody seine Jugend verbrachte und wir ihm an seinem letzten Tag in Freiheit Gesellschaft leisten wollen, male ich mir aus, wie er durch das Gittertor der imposanten Strafvollzugsanstalt von Cheshire, Connecticut, geht.
Für ein paar Stunden werden wir wieder zusammen sein, das wunderbare Quartett aus Woody, Hille], Alexandra und mir, das früher dort einmal so glücklich war. Noch habe ich nicht die geringste Vorstellung von den Auswirkungen, die dieser Tag auf unser aller Leben haben wird.
Zwei Tage später wird mein Onkel Saul mich anrufen.
Marcus? Onkel Saul hier.«
Hallo, Onkel Saul. Wie geht’s
Hör mir gut zu, Marcus«, unterbricht er mich. »Du musst sofort herkommen. Stell mir jetzt keine Fragen. Es ist etwas Schreckliches passiert.«
Dann ist das Gespräch weg. Erst denke ich, es liegt an der Verbindung, und rufe zurück, aber er geht nicht mehr ran. Als ich es beharrlich weiter versuche, nimmt er irgendwann einmal ab, sagt nur schnell: »Komm nach Baltimore!«, und legt wieder auf.
Wenn Sie dieses Buch in die Hände bekommen, dann lesen Sie es, bitte.
Ich möchte, dass jemand die Geschichte der Goldmans aus Baltimore kennt.“

 

 
Joël Dicker (Genève,16 juni 1985)

Lees meer...

15-06-16

Maria Dermoût, Christian Bauman, Silke Scheuermann, Ramon Lopez Velarde, Roland Dorgelès, François-Xavier Garneau, Hannah van Wieringen

 

De Nederlands-Indische schrijfster Maria Dermoût (eigenlijk Helena Anthonia Maria Elisabeth Dermoût-Ingerman) werd geboren in Pekalongan, Java, op 15 juni 1888. Zie ook alle tags voor Maria Dermoût op dit blog.

Uit: Nog pas gisteren

“Mama keek eerst rond of er onder de passagiers niet iemand was die zij kende, dan praatte en lachte zij wel; anders zat zij rechtop, keek naar buiten door de hor en wees telkens iets aan: ‘Kijk eens Riek!’ alsof Riek het niet zelf zag, en fluisterde: ‘Je moet niet naar vreemde mensen kijken, Riek.’ Na een paar uur stapten zij uit, daar moesten zij overstappen, en 's middags laat kwamen zij in een grote plaats en sliepen een nacht in een hotel. De volgende morgen stond er een postwagen te wachten.
Een echte postwagen!
Het leek op een tentvvagen, maar er waren vier paarden voor, wel kleine magere, maar toch vier. Een gewone koetsier op de bok en dan nog twee lopers, die stonden achter op een plank als palfreniers. Maar zodra de weg steil werd, sprongen zij eraf en liepen naast de paarden, lieten de korte zwepen knallen, klakten met de tongen, riepen ‘rrrt’, als een roffel op een trom, en schreeuwden. Soms grepen zij de voorste paarden bij de toom en sjorden en trokken mee. Als er een vlak stuk kwam, bleven zij even staan en sprongen weer op de plank om uit te rusten, maar hun adem bleef nog lang zo zwaar gaan, met horten en stoten. Onderweg stonden zij stil om te verspannen. Riek en mama bleven in de postwagen zitten en aten wat uit hun mandje. Opzij van de weg onder de hoge tamarindebomen was een klein winkeltje; de koetsier en de lopers, ook de mannen die de verse paarden gebracht hadden, en Oerip op haar sloffen stonden ervoor en dronken koffie en aten een koekje. Daarna hurkten de mannen neer om te praten en strootjes te roken, maar Oerip klom weer in de wagen, zij zat tegenover Riek en mama op de kleine bank; als zij ging zitten, zei zij: ‘Vergeving mevrouw.’
Dat hoorde zo.
Bij het winkeltje stond het ineens vol met Javaanse kinderen die naar hen keken; één stak een hand uit en vroeg om snoepgeld, dat maakte Oerip boos.
‘Hinder de grote mevrouw en de grote juffrouw niet,’ maar mama zei: ‘Ach kassian Oerip,’ en gaf hun toch wat. En zij reden weer verder.
Het was een lange weg en steil. Het werd ook veel kouder. De nieuwe paarden liepen langzamer, zij werden moe, er stond schuim op hun flanken. In de korte pozen rust ging de adem van de lopers knarsend als een zaag.”

 

 
Maria Dermoût (15 juni 1888 – 27 juni 1962)
 

Lees meer...

Emma Cline

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijfster Emma Cline werd geboren in 1989 in Sonoma in Californië, waar zij met met vijf broers en zussen opgroeide. Haar BA behaalde zij aan het Middlebury College in Vermont en twee jaar later kreeg zij een studiebeurs voor de prestigieuze Bread Loaf Writers ' Conference. Zij voltooide haar studie met de graad Master of Fine Arts aan de Columbia University in Manhattan, New York. Daarna verhuisde Cline naar Brooklyn, waar ze nog steeds woont en werkt. Ze schrijft voor het blad `O` van Oprah Winfrey en The New Yorker. Haar eerste publicatie `Marion` werd in 2014 bekroond. In 2016 publiceerde zij haar eerste roman `The Girls` in het Engels en Duits. Het manuscript van “The Girls” zou, terwijl zij er nog aan werkte, uitgroeien tot een fel begeerd item en leverde haar, zo gaan de geruchten, 2 miljoen dollar op bij Random House.

Uit: The Girls

I looked up because of the laughter, and kept looking because of the girls.
I noticed their hair first, long and uncombed. Then their jewelry catching the sun. The three of them were far enough away that I saw only the periphery of their features, but it didn’t matter—I knew they were different from everyone else in the park. Families milling in a vague line, waiting for sausages and burgers from the open grill. Women in checked blouses scooting into their boyfriends’ sides, kids tossing eucalyptus buttons at the feral-looking chickens that overran the strip. These long-haired girls seemed to glide above all that was happening around them, tragic and separate. Like royalty in exile.
I studied the girls with a shameless, blatant gape: it didn’t seem possible that they might look over and notice me. My hamburger was forgotten in my lap, the breeze blowing in minnow stink from the river. It was an age when I’d immediately scan and rank other girls, keeping up a constant tally of how I fell short, and I saw right away that the black-haired one was the prettiest. I had expected this, even before I’d been able to make out their faces. There was a suggestion of otherworldliness hovering around her, a dirty smock dress barely covering her ass. She was flanked by a skinny redhead and an older girl, dressed with the same shabby afterthought. As if dredged from a lake. All their cheap rings like a second set of knuckles. They were messing with an uneasy threshold, prettiness and ugliness at the same time, and a ripple of awareness followed them through the park. Mothers glancing around for their children, moved by some feeling they couldn’t name. Women reaching for their boyfriends’ hands. The sun spiked through the trees, like always—the drowsy willows, the hot wind gusting over the picnic blankets—but the familiarity of the day was disturbed by the path the girls cut across the regular world. Sleek and thoughtless as sharks breaching the water.
It was the end of the sixties, or the summer before the end, and that’s what it seemed like, an endless, formless summer. The Haight populated with white-garbed Process members handing out their oat-colored pamphlets, the jasmine along the roads that year blooming particularly heady and full. Everyone was healthy, tan, and heavy with decoration, and if you weren’t, that was a thing, too—you could be some moon creature, chiffon over the lamp shades, on a kitchari cleanse that stained all your dishes with turmeric.“
 

 
Emma Cline (Sonoma, 1989)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: emma cline, romenu |  Facebook |

Hugo Borst

 

De Nederlandse schrijver, redacteur en radio- en televisiepresentator Hugo Borst werd geboren in Rotterdam op 15 juni 1962. Borst rondde de mavo af en trad per 1 januari 1985 in dienst bij Voetbal International. Na ruim zes jaar vertrok hij samen met Leo Verheul naar Panorama, maar bleef actief in de voetbalwereld. Borst is (voetbal)columnist en stadschroniqueur van het Algemeen Dagblad. Hij heeft ook een wekelijkse rubriek op de website Unibet.com, waar hij tips geeft aan gokkers over wedstrijden in de eredivisie. Voor Esquire schrijft hij columns over seks, liefde en de misverstanden tussen mannen en vrouwen. Ook was hij vaste gast in het NOS-voetbalpraatprogramma Studio Voetbal en hij was in 2004 jurylid van het BNN-programma Komt dat schot. In 2006, 2007 en 2008 was hij ook tafelheer bij het televisieprogramma “De Wereld Draait Door” en presenteerde hij zijn eigen televisieprogramma “Over vaders en zonen”. Vanaf 1994 is Borst verbonden aan het voetbaltijdschrift Hard gras. Sinds 2005 is Borst tevens een van de hoofdredacteuren van het tijdschrift. In 2007 maakte hij, vergezeld door Matthijs van Nieuwkerk en Henk Spaan, voor dit tijdschrift een theatertour door Nederland. Samen met Sander de Kramer richtte Hugo Borst de Sunday Foundation op, die onder andere opkomt voor de rechten van kinderen in Sierra Leone. Per augustus 2013 is Borst de nieuwe stem van de zondagse uitzending van NOS Langs de Lijn, samen met Henry Schut. Schut en Borst zijn de opvolgers van Toine van Peperstraten en Tom van 't Hek, die de NOS verlieten voor respectievelijk FOX Sports en BNR Nieuwsradio. In 2015 verscheen Borsts boek “Ma” over zijn dementerende moeder. Een jaar later, in 2016, schreef hij samen met Carin Gaemers een brief naar staatssecretaris Martin van Rijn over de ondermaatse ouderenzorg in Nederland. Deze brief werd in oktober 2016 gevolgd door een manifest 'Scherp op ouderenzorg' met tien punten om de ouderenzorg te verbeteren. Voor hun inzet kregen ze de Machiavelliprijs 2016 en de Issue Award 2017.

Uit: Ma

“Al een paar maanden gaat de telefoon 's avonds rond een uur of zeven: ma krijgt de tv niet aan.
'Zit de stekker erin?'
'Eh, ik geloof het niet.'
'Die hoef je er niet uit te trekken, ma.'
'Jawel. Dat moet toch altijd?'
'Doe de stekker er maar in.'
'Maar als het gaat onweren?'
'Dan haal je 'm eruit. Maar het gaat vannacht niet onweren.
Echt. Ik heb net de weersverwachting gehoord.'
Ze legt de telefoon neer. Gestommel. Ze zegt wat, waarschijnlijk tegen zichzelf, ik kan het niet verstaan.
'Ma?'
'...'
'Ma-ha! Joehoe!'
'Zo, hier ben ik weer.'
'Heb je de afstandsbediening?'
Ik hoor dat ze de telefoon weer neerlegt, maar ze is sneller terug dan verwacht. Dat valt mee.
'Druk eens op de groene knop, ma.'
'...'
'Ma?'
'Er gebeurt niks.'
Ik hoor een piepje. Onhoorbaar voor haar slaak ik een zucht. Ongelofelijk. Ze krijgt het weer voor elkaar.
'Ma, je drukt op het groene knopje van de telefoon. Je moet...'
'Ach ja.'
'Druk maar op dat groene knopje van de afstandsbediening.'
'Er gebeurt niks,' zegt ma en ik hoor het begin van wanhoop.
Het zou niet de eerste keer zijn dat een poging om de televisie aan te zetten haar aan het huilen maakt.”

 

 
Hugo Borst (Rotterdam, 15 juni 1962)

18:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hugo borst, romenu |  Facebook |