28-01-17

Manfred Jendryschik, Mo Rocca, Hermann Peter Piwitt, Colette, Christian Felix Weiße

 

De Duitse dichter en schrijver en uitgever Manfred Jendryschik werd geboren op 28 januari 1943 in Dessau. Zie ook ook alle tags voor Manfred Jendryschik op dit blog.

 

Vorm Bahnhof

Iduna / Nova, e’plus – Wahnsinn! Super!
Und Völckers King & Co., ja: Wir vermieten im Alleingang, das
heißt: selbst. Der Krane Glieder greifen in die Nacht
daneben, die Ellenbogenkugellager grellbeleuchtet
(ein großer Glanz von innen). Und aus dem Rohbau
stolpert seine Herrlichkeit Methusalem, der Veteran
des Alkohols, und wirft die Arme auf gleich einer Menschheit
mit einer Kurzhaardame schlurfend die Geleise, worauf
sich Monds Geschling getreu bescheidet, spiegelnd (es
kommt die 11 nun, wie gerufen), so
Leipzigs Pflastermitte mit dem Kosmos knüpfend.

 

 

Für William C.W.*

Der Tisch der Stuhl das Bett der Schrank
das Fenster klein die Herde Blumen
und die Lampe im August ein Blitz
das steht für Sie bereit Herr Williams
der Nagel in der Wand für Ihren Hut
(daneben dieses Bild das machte einer sich
für uns] das Wasserglas und Whisky
Brot das Messer Zigaretten auch
der Türspalt für den Neugierwind:
hier sind vier Wände also die ich geben kann:
das andre Zimmer brauch ich selbst
mit Tisch Stuhl Bett und Ihnen nebenan.

 

* William Carlos Williams

 

 
Manfred Jendryschik (Dessau, 28 januari 1943)

Lees meer...

27-01-17

Ethan Mordden, Rudolf Geel, Lewis Carroll, Leopold von Sacher-Masoch, Benjamin von Stuckrad-Barre, Neel Doff, Samuel Foote, Eliette Abécassis, Mordecai Richler

 

De Amerikaanse schrijver Ethan Mordden werd geboren op 27 januari 1947 in Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Ethan Mordden op dit blog.

Uit: Some Men are Lookers

“Dennis Savage faced him down.
Virgil was watching them, and Cosgrove was watching Virgil.
"Maybe you could think about it," Virgil said suddenly to Dennis Savage, "and maybe you would change your mind."
"And maybe I won't."
Lionel nodded and left.
After closing the door, Virgil stood in thought, his back to us; Dennis Savage nudged me with a glance, indicating his lover. We all know one another so well that we sometimes operate like a mime troupe, entirely in visuals.
"Can I show my movie now?" Cosgrove asked. "It's the first videotape that I really made myself."
"I helped him," said Virgil, still at the door.
"Virgil always helps me."
"I'm not sitting through another Friday the 13th sequel," said Dennis Savage, "I'll tell you that."
"It's The Lost Boys."
"Are you undergoing a mystical out-of-life experience with that door," Dennis Savage asked Virgil, who hadn't yet moved, "or would you like to join us on the couch?"
Virgil coolly came over, sitting on the far side of the couch from Dennis Savage.
"Hey!"
"Easy," I said.
"Well, what's he supposed to be, my eighth cousin thrice removed? Come over here, you."
"Cosgrove," said Virgil, staying put, "it's movie time."
"Were they misunderstood cuties," Cosgrove cried, jumping up to make his presentation, "or mean ghouls? A magical club, or killers on the loose?"
"Let's skip the trailer," said Dennis Savage. "Just run the film."
"This is becoming a very snarky apartment," said Virgil.
Dennis Savage leaned over me and asked Virgil, "How come I don't know what that word means?"
"Virgil and Cosgrove Productions present," Cosgrove began, with a—at any rate trying to—flourish, and onto the television screen came the credits of Pee-wee's Big Adventure.
"Sure," said Dennis Savage. "The three things I most wanted to do tonight were go to the dentist for an emergency root canal, trade fashion tips with Prince, and see Pee-wee's Big Adventure. That's one down."

 

 
Ethan Mordden (Pennsylvania, 27 januari 1947)

Lees meer...

Paolo Cognetti

 

De Italiaanse schrijver Paolo Cognetti werd geboren in Milaan op 27 januari 1978. Op zijn 18e jaar begon hij te schrijven. Hij studeerde eerst wiskunde en Amerikaanse literatuur, studies die hij echter niet af maakte. in 1999 studeerde hij af aan de Civica Scuola di Cinema « Luchino Visconti » in Milaan. Vervolgens richtte hij zich op het maken van sociale, politieke en literaire documentaires. Hij debuteerde als schrijver in 2003 met het verhaal “Fare ordine”, waarvoor hij de Premio Subway-Letteratura literatuurprijs ontving. In de daarop volgende jaren volgden twee bundels met korte verhalen “Manuale per ragazze di successo” (2004) en “Una cosa piccola che sta per esplodere” (2007) en de "roman van korte verhalen" “Sofia si veste sempre di nero” (Sofia draagt altijd zwart, 2012). Na een reeks documentaires over de Amerikaanse literatuur (Scrivere/New York, 2004) publiceerde hij in 2010 “New York è una finestra senza tende”, gevolgd in 2014 door “Tutte le mie preghiere guardano verso ovest”, twee persoonlijke gidsen voor de stad New York. Een andere passie van Cognetti zijn de bergen, waar hij een paar maanden per jaar in eenzaamheid in doorbrengt. In deze tijden van afzondering ontstond in 2013 een dagboek, “Il ragazzo selvatico” (De wilde jongen). In 2014 verscheen “A pesca nelle pozze più profonde”, een meditatie over de kunst van het schrijven van korte verhalen. In 2016 Einaudi kwam zijn eerste roman in de strikte zin van het woord uit: “Le otto montagne” (De acht bergen), al in 30 landen verkocht vóór de publicatie. Hij ontving er in 2017 de prestigieuz Premio Strega voor.

Uit: Acht Berge (Vertaald door Christiane Burkhardt)

“Mein Vater ging auf seine Art in die Berge: Er war weniger ein Mann der Meditation als ein Dickkopf und Draufgänger. Er begann den Aufstieg, ohne seine Kräfte einzuteilen, stets im Wettlauf gegen irgendwen oder was, und wenn ihm ein Weg zu lang war, nahm er die direkte Abkürzung. Bei ihm war es verbten zu rasten, verboten über Hunger, Kälte oder Erschöpfung zu klagen, dafür durfte man ein schönes Lied singen, besonders bei Gewitter oder dichtem Nebel. Und sich laut johlend die Schneefelder hinabstürzen.
Meine Mutter, die ihn schon von klein auf kannte, erzählte, dass er schon damals auf niemanden warten wollte, so wild war er darauf, jeden einzuholen, den er vor sich hatte. Deshalb musste man gut zu Fuß sein, um in den Augen meines Vaters Gnade zu finden. Mit einem Lachen gab sie mir zu verstehen, dass sie ihn so erobert hatte. Später zog sie es vor, keine Wettläufe mehr zu veranstalten, sondern sich auf einer Wiese niederzulassen, die Füße in einen kalten Wildbach zu hängen oder Kräuter und Blumen zu bestimmen. Auch auf dem Gipfel bewunderte sie am liebsten die Kuppen in der Ferne, dachte an die Berge ihrer Jugend zurück und versuchte sich daran zu erinnern, wann sie mit wem wo gewesen war, während mein Vater in diesem Moment nichts als Ernüchterung empfand und nur noch nach Hause wollte.
Zwei unterschiedliche Reaktionen auf dasselbe Heimweh vermutlich. Meine Eltern waren mit Anfang dreißig in die Stadt gezogen, fort aus dem ländlichen Veneto, wo meine Muttergeboren und mein Vater als Kriegswaise aufgewachsen war.
Ihre ersten Berge, ihre erste große Liebe, waren die Dolomitengewesen. Sie erwähnten sie manchmal in ihren Gesprächen, als ich noch zu klein war, ihnen zu folgen, aber manche Worte ragten eindeutig heraus, weil sie sonorer, gewichtiger waren: Rosengarten, Langkofel, Tofana, Marmolada. Es genügte, dass mein Vater einen dieser Namen nannte, und die Augen meiner Mutter begannen zu leuchten.
Das waren die Orte, an denen sie sich verliebt hatten, wie auch ich irgendwann begriff. Ein Pfarrer hatte sie in jungen Jahren mit dorthin genommen, derselbe, der sie später auch
traute: am Fuß der Drei Zinnen, dort vor der kleinen Kirche, eines Morgens im Herbst. Diese Hochzeit im Hochgebirge war der Gründungsmythos unserer Familie – boykottiert von den Eltern meiner Mutter, ohne dass ich gewusst hätte, warum, gefeiert im Kreis weniger Freunde, mit Anoraks statt Hochzeitsgewändern und mit einem Bett in der Auronzohütte in ihrer ersten Nacht als Mann und Frau. Auf den Felsbändern der Großen Zinne glitzerte bereits Schnee. Es war ein Samstag im Oktober ’71, das Ende der Klettersaison – damals, aber auch noch für viele Jahre danach: Wenig später verfrachteten sie die ledernen Bergstiefel, die Kniebundhosen, ihren schwangeren Bauch und seinen Arbeitsvertrag ins Auto und zogen nach Mailand.“

 

 
Paolo Cognetti (Milaan, 27 januari 1978)

18:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: paolo cognetti, romenu |  Facebook |

Harvey Shapiro

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Hij sprak jiddisch. Toen hij een jongen was, verhuisde zijn familie naar Manhattan en later naar Long Island. Hij studeerde aan de Yale University maar ging tijdens WO II in dienst bij de luchtmacht. Hij vloog 35 missies over Europa als een B-17 schutter en ontving het Distinguished Flying Cross. Hij keerde terug naar Yale en behaalde in 1947 een bachelorgraad in Engels en een masters in de Amerikaanse literatuur aan Columbia University in 1948. Shapiro doceerde de eerste helft van de jaren 1950 Engels aan Cornell University en Bard College. Hij werd vervolgens assistent redacteur bij Commentary magazine, poëzieredacteur bij The Village Voice en fictie editor bij The New Yorker voordat hij in 1957 bij de New York Times werd aangesteld. Hij werkte daar in diverse redactionele posities – bij The New York Times Magazine, The New York Times Book Review (van 1975 tot 1983) en ook als plaatsvervangend redacteur van het tijdschrift. Misschien was de meest opmerkelijke prestatie bij The New York Times er een die niet in het blad terecht kwam. Toen hij in 1962 had gelezen dat Dr. Martin Luther King, Jr. in de gevangenis was gezet belde hij de stichting van King, de Southern Christian Leadership Conference, en stelde voor om de volgende keer dat King in de gevangenis werd gezet, een brief te schrijven, die hij dan zou publiceren. Deze brief werd, nadat King in april 1963 voor de campagne van Birmingham gearresteerd werd, de “Letter from Birmingham Jail”, De superieuren van Shapiro lieten niet toe dat de brief in The New York Times gedrukt werd, maar de brief werd wel elders 50 keer gedrukt, in 325 edities, inclusief Dr. King's eigen boek “Why We Can’t Wait.” Shapiro bleef poëzie schrijven terwijl hij werkzaam was als redacteur en publiceerde een dozijn boeken, zoals “The Eye” (1953), “The Light Holds” (1984) en “National Cold Storage Company” (1988). Hij heeft ook een anthologie getiteld “Poets of World War II” geredigeerd. Sapiro’s poëzie vertoont vaak een subtiel gevoel voor humor.

 

Key West

At the corner of Simonton and Amelia
there is a small junkyard that is
as beautiful to me as the deep
blue sea stretching from here to Cuba.
It has an arching tree over it
and its shards of old cars, tractors,
boating gear shine in the tropic sun
but with an American splendor
like rolling waves of grain. How odd
to have been taught to respond to
junk by my culture, and with
a patriotic fervor, so that the colors
red, white, and blue blaze through the rust.

 

 

The Mother of Invention

On my desk are the bills from the living
and in my sleep are the bills from the dead.

“Emptiness is the mother of invention”
says my fortune cookie. July 23, 2010.
Brooklyn. I walk in the slow rain,
never less accomplished, never happier.

Why should I doubt the world has meaning
when even in myself I see mysterious purposes.

A crow drops down for a moment,
black, rabbinical garb, croaking Kaddish.

 

 
Harvey Shapiro (27 januari 1924 - 7 januari 2013)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: harvey shapiro, romenu |  Facebook |

VSB poëzieprijs voor Hannah van Binsbergen

 

VSB poëzieprijs voor Hannah van Binsbergen

De Nederlandse dichteres Hannah van Binsbergen heeft donderdag de VSB Poëzieprijs gewonnen, de prijs voor de beste dichtbundel. Van Binsbergen krijgt de prijs voor haar debuutbundel “Kwaad gesternte”. Hannah van Binsbergen werd geboren in 1993. Zij studeerde wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Van Binsbergen schreef o.a. al voor Trouw en De Groene Amsterdammer. Haar eerste gedichten publiceerde zij op het internettijdschrift Samplekanon en zij schrijft ook voor  Tirade en dw B. In 2016 debuteerde zij met de bundel “Kwaad gesternte”, die haar meteen een nominatie voor de VSB Poëzieprijs 2017 opleverde.

Uit: Kwaad gesternte

 

Nu iedereen met me meekijkt kan ik eindelijk beginnen
te groeien naar de markt. Ze weten allemaal waar ik mee bezig
ben en vinden het niks: de tijd dat de postbode de arme
burger achternazat, de tijd dat de goede postbode
symbool stond voor de dood, hebben we toegestaan
te transformeren tot de nadagen van een hippe planeet.
Ik hoef mijzelf niet meer te dwingen een gezicht op te
zetten om naar buiten te gaan. Al mijn gezichten zijn bekend,
gezien in medische catalogi, besproken in ondergrondse
correspondenties, beproefd in het gebruik. Ik wil eruit
maar nergens ben ik veilig, mijn geweten is iets lichts
geworden nu ik mijzelf altijd moet zien en zien hoe ik door
iedereen gezien word. Sinds de tijd dat de ptt het embleem
was van de dood is veel vergeten dat herinnerd had moeten
blijven, nu te lezen in de levende archieven verspreid over
Europa. Ik steek mijn hand door de brievenbus, voel voor het eerst
het afscheid van mijn onverstuurde brieven.

 

 

Vroeger had ik iets

het was niet groot maar groot genoeg om niet verwacht te worden
het was taai en zorgde dat ik met een schoon geweten
die rooie op zijn bek kon slaan
niemand die het zag
hij zou het nooit vertellen en niemand zou mij ooit geloven
(zo onwaarschijnlijk was het niet, ik was een half hoofd groter
en duizend keer slechter opgevoed)

ik kies julia
ik kies ervoor om op te staan om 9 uur hoewel ik weet dat dat niet
enkel in mijn handen ligt
mijn voorkeur hebben mannen die op apen lijken boven
mannen die op honden lijken
ik kies ervoor om terug te gaan naar voorhistorische debatten
ik kies de dood die mij voorspeld is door een sticker
te aanvaarden met een beetje waardigheid
ik kies ervoor om daarna op te staan om 9 uur hoewel ik weet dat dat
niet enkel in mijn handen ligt

het was mijn eerste vuistgevecht
een dag tevoren had ik wel een jongen voor zijn scheen geschopt
ik was niet trots
nu wel

ik kijk hem aan – het is nu zes jaar later –
en zie dat hij het meer verdient dan ooit maar vroeger had ik iets
wat net buiten mijn handen lag en dingen voor me deed die niemand zag

 

 

 
Hannah van Binsbergen (1993)

26-01-17

Jonathan Carroll, Nora Gomringer, Achim von Arnim, Menno ter Braak, Jos van Daanen, Bhai, Lode Baekelmans, Michiel van Rooij, Martijn den Ouden

 

De Amerikaanse schrijver Jonathan Carroll werd geboren op 26 januari 1949 in New York. Zie ook alle tags voor Jonathan Carroll op dit blog.

Uit:Voice of Our Shadow

“Formori, Greece
At night here I often dream of my parents. They are good dreams and I wake happy and refreshed, although nothing very important happens in them. We will be sitting on the porch in summer, drinking iced tea and watching our scottie dog, Jordan, lope across the front yard. Although we talk, the words are pale and dreamy, unimportant. It makes no difference—we are all very glad to be there, even my brother, Ross.
Now and then Mother laughs or throws her arms out in those great swoops and arcs when she talks—her most familiar gesture. My father smokes a cigarette, inhaling so deeply that I once asked him when I was young if the smoke went down into his legs.
As is true with so many couples, my parents' temperaments were diametrically opposed. Mother ate life as fast as she could get her hands on it. Dad, on the other hand, was clear and predictable and forever the straight man to her passion and shenanigans. I think the only great sadness in their relationship for him was knowing that although she loved him in a warm, companionable way, she went all-out in adoring her two sons. Originally she had wanted to have five children, but both my brother and I had such difficult births the doctor told her having another child would be a deadly risk. She compensated in the end by pouring the love for those five kids into the two of us.
Dad was a veterinarian; still is a veterinarian. He'd had a successful practice in Manhattan when they were first married, but gave it up to move to the country right after his first son was born. He wanted his children to have a yard to play in and the safety to come and go as they pleased any time of the day.
As with everything else in her life, my mother pounced on the new house and tore it limb from limb. New paint inside and out, new wallpaper, floors stripped and sealed, leaks stopped ... When she was done she had created a solid, amiable place with more than enough room, light, warmth, and security to assure each of us this was a home as well as a house.
All that and two little boys to raise. Later she said those first two years in the house were her happiest. Everywhere she went, either someone or something needed her, and that is what she thrived on. With one boy in her arms and another clinging to her skirt, she telephoned, cooked, and hammered the house and our new life there into submission. It took a few years, but when she was done, things both worked and gleamed. Ross was starting school, she'd taught me how to read, and every meal she put on the table was tasty and different.”

 

 
Jonathan Carroll (New York, 26 januari 1949)

Lees meer...

25-01-17

Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, William S. Maugham, Virginia Woolf, David Grossman, J. G. Farrell, Alessandro Baricco, Robert Burns, Paavo Haavikko

 

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954. Zie ook alle tags voor Renate Dorrestein op dit blog.

Uit:Weerwater

“Het rode lampje van de reservetank lichtte op toen ik mijn auto startte. Op goed geluk reed ik de wijk uit terwijl het zweet in mijn ogen droop. Ik had op de kaart moeten kijken, ik had geen idee hoe ik zonder navigatie op een van de stadsdreven kwam die naar de snelweg leidden. Knarsetandend van de spanning sloeg ik willekeurig linksaf, rechtsaf.
Doordat ik niets snapte van Almeres gescheiden verkeersstromen belandde ik plotseling op een vrije busbaan. Ik kon er niet meer af, het leek alsof ik kilometerslang over ­ y-overs en viaducten reed. Paniek sneed me de adem af totdat ik bij een overgang mijn kans schoonzag en ik mijn auto met een onmogelijk krappe draai weer op een gewone weg wist te krijgen. Ik zeilde over een rotonde en kon mijn geluk niet geloven: ik kwam uit op de Hogering, een van de grote doorgaanswegen. Maar daar sloeg de motor af. Vloekend, biddend en machteloos op mijn stuur slaand kon ik nog net de vluchtstrook bereiken. Ik greep mijn handtas en mijn laptop en sloeg het portier achter me dicht.
Hete lucht verplaatsend raasden volgepakte auto’s aan me voorbij. Niemand leek me te zien staan. Of niemand wilde tijd verspillen door te stoppen. Weg, weg, weg van hier!
De middagzon brandde op mijn blote armen. Ik werd dizzy van de warmte. Ik had iets moeten eten.
Net toen ik dacht dat ik in tranen zou uitbarsten, reed er een grote truck met een Belgisch nummerbord de vluchtstrook op. Ik was nog nooit in zo’n gevaarte geklauterd, ik kwam de treeplank amper op. Ik voelde ineens dat ik een vrouw van boven de zestig was, strammer en brozer dan onder deze omstandigheden wenselijk was.
De vrachtwagenchau‑ eur, een man met een goedig gezicht, begon meteen tegen me te kletsen. Hij zei dat hij Lammert heette, Lammert Verweghe, en dat hij zich niet liet gekmaken door die verhalen over een mistbank. ‘Mijn camion geraakt er wel doorheen. Ik ga niet nog een dag vermorsen.’
Ik herademde. Nog even en deze nachtmerrie zou voorbij zijn. In mijn tas vond ik Maartens zakdoek. Ik snoot mijn neus. Nooit van mijn levensdagen zette ik meer een stap in Almere.”

 

 
Renate Dorrestein (Amsterdam, 25 januari 1954)

Lees meer...

Robert Margerit

 

De Franse schrijver en journalist Robert Margerit werd geboren op 25 januari 1910 in Brive-la-Gaillarde. Nadat hij zijn middelbare schoolopleiding in Limoges had afgerond hield hij zich bezig met een opleiding tot notaris, maar ook met geschiedenis, literatuur, zwemmen, paardrijden en schilderen, om zich uiteindelijk te ontwikkelen tot een productief schrijver (romans, toneelstukken, kunst- en theaterkritiek, radio-uitzendingen), Vanaf 1931 werkte Margerit als journalist in Limoges en schreef hij vooral voor “La Vie limousine”. In 1937 trouwde hij met Suzanne Hugon, dochter van de historicus en dichter Henri Hugon Creuse en verliet hij Limoges voor Thias. Samen met Georges-Emmanuel Clancier en René Rougerie richtte hij in 1945 het literaire tijdschrift “Centres” op. Begin 1948 werd hij redacteur van “Centrum Populaire”, waarvoor hij na 1952 als columnist actief bleef. Georges-Emmanuel Clancier richtte in Brive in 1991 de vereniging Vrienden van Robert Margerit op.
De vereniging publiceert de “Cahiers Robert Margerit”. Voor zijn vierdelige roman “La Révolution”ontving hij de Grand Prix du roman de l'Académie française

Uit: La Révolution

« Ce mois de juin 93 était radieux. Fini, le printemps froid. Toutes les roses de Paris s'épanouissaient, tandis que, sur la place de la Révolution, tombaient à intervalles quelques têtes. Un soir — la lumière s'attardait aux clochers de Saint-Germain-des-Prés —, dans la rue des Anges, toute proche, étroite, déserte et déjà noyée de nuit, un homme en habit sang-de-boeuf vint frapper à la porte d'une maison. On ne répondit point. Il frappa plus fort. Enfin, il entendit un pas descendre avec prudence. L'huis s'entrebâilla, une figure de vieille femme apparut dans le halo d'une chandelle. « L'abbé est-il chez lui ? demanda l'homme en rouge. — Mais, citoyen, vous faites erreur ! Il n'y a pas de prêtre ici. » Haussant ses larges épaules, le visiteur poussa la porte, entra. « Il m'attend, je vous prie de me conduire. — Ah ! Monsieur me pardonnera. On est tenu à tant de précautions, voyez-vous ! » dit la vieille servante en prenant les devants. À sa suite, il monta quatre étages, suivit un couloir étroit, plein de détours, puis il fut introduit dans une soupente. Il y faisait très chaud, la tabatière levée ne laissait guère entrer de fraîcheur. Un prêtre ultramontain était là : l'abbé de Kéravenant, réfractaire rescapé du massacre de l'Abbaye. Posant son bréviaire, il s'avança vers le visiteur. À sa puissante carrure, à son négligé — la cravate relâchée, le jabot froissé —, à sa grosse tête rougeaude, pleine de grêlures, à sa chevelure blonde en crinière, la bouche sensuelle et bonne, l'oeil bleu éclatant, le prêtre reconnut Danton. Il l'attendait, en effet. Cette présence ne l'impressionnait pas moins. « Monsieur l'abbé, lui dit l'effrayant personnage, vous savez pourquoi je suis ici. Serez-vous assez bon pour m'entendre, pour m'absoudre ? — Mettez-vous à genoux, mon fils. » Gauchement, Danton s'agenouilla sur un mauvais prie-Dieu, devant un crucifix pendu au mur, et joignit les mains. Autour du confesseur et de son extraordinaire pénitent, l'ombre, le silence. Le fond de la pièce reculait dans la nuit. La grande voix de bronze se faisait murmure. « Mon père, je m'accuse... » En vérité, il n'était venu que pour pouvoir épouser une enfant de seize ans. Moins de quatre mois après avoir, dans la violence de sa douleur, passionnément étreint le cadavre de sa femme exhumée, il en voulait une autre, une que Gabrielle-Antoinette connaissait et aimait bien : la fille du citoyen Gély, commis aux bureaux de la Marine. Danton lui-même lui avait procuré cet emploi, l'année précédente. Les Gély étaient fort amis des Charpentier. Ils estimaient Danton et lui devaient de la gratitude, mais ils s'effrayaient de donner leur fille à un tel personnage. »

 

 
Robert Margerit (25 januari 1910 - 27 juni 1988)
Portret door Edmond Jacquement, 1931

18:55 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: robert margerit, romenu |  Facebook |

Lisa Weeda

 

De Nederlandse schrijfster Lisa Weeda werd geboren in Dordrecht op 25 januari 1989. Ze bezocht daar de John F. Kennedy school en deed daarna eindexamen aan het Johan de Witt Gymnasium.In 2015 studeerde ze af aan ArtEZ Creative Writing in Arnhem. Lisa Weeda is programmamaakster bij Mooie Woorden in Utrecht. Haar werk verscheen onder meer in Das Magazin, De Dakhaas, De Titaan en De Optimist. In 2015/2016 zat ze in het Slow Writing Lab van het Nederlands Letterenfonds, waarvoor ze afreisde naar Oekraïne om onderzoek te doen naar het vaderland van haar oma. In november 2016 verscheen haar chapbook “De benen van Petrovski”, een literair verslag van die reis.

Uit: De benen van Petrovski

“Ik vraag me af hoe breedgeschouderd Wanja was. Of hij hard lachte, bulderde, of gewoon een glimlachende man was, zoals er volgens niet veel van zijn in Oekraïne. Ik google het meer van Montjegorsk. Op foto’s zie ik dat de stad omgeven is door water. Water, nog meer water, zoals Dordrecht er bij ligt, maar dan zonder bruggen. Eerder als een down south moerasland zoals ik het uit de films ken. Groot, wijds en groen. Niet volgebouwd. In de winter ligt er veel sneeuw. Al het water rondom de stad vriest dicht. Waar schepen liggen, steken schotsen uit. Een rood schip genaamd The Arctic Express Мончегорск heeft zelfs ijswitte boeisels, blanke flanken. De grote kerk, die langs de ronding van de Montsjebaai ligt, is prachtig. Een geheel witte buitenkant met ronde bruine koepels, zoals we ze van het Kremlin kennen. Om de hele kerk heen cirkelt een weg. Een fabrieksstad, bestaand bij de gratie van erts, waar het revolutieplein het centrum van vormt. Waar scholen geen namen hebben, maar nummers: 1, 2, 3, 4 en 5. Tyon Sankari staat in brons gegoten met één arm strak naast het lijf en één arm omhoog gestoken op een metershoog stenen voetstuk. In de omhooggestoken hand houdt de held van de socialistische werkkracht een houweel. Tijdens poolnachten is er licht te zien vanachter de horizon. De zon komt er nooit bovenuit.”

 

 
Lisa Weeda (Dordrecht, 25 januari 1989)

18:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: romenu, lisa weeda |  Facebook |

24-01-17

E. Th. A. Hoffmann, Edith Wharton, Ivan Ivanji, Eugen Roth, Ulrich Holbein, Charles Sackville, John Donne, Vicky Baum, Helen Darville

 

De Duitse dichter en schrijver Ernst Theodor Amadeus Hoffmann werd geboren in Koningsbergen op 24 januari 1776. Zie ook alle tags voor E. Th. A. Hoffmann op dit blog en ook deze overige tags op dit blog.

Uit: Das Majorat

„Dem Gestade der Ostsee unfern liegt das Stammschloß der Freiherrlich von R..schen Familie, R..sitten genannt. Die Gegend ist rauh und öde, kaum entsprießt hin und wieder ein Grashalm dem bodenlosen Triebsande, und statt des Gartens, wie er sonst das Herrenhaus zu zieren pflegt, schließt sich an die nackten Mauern nach der Landseite hin ein dürftiger Föhrenwald, dessen ewige, düstre Trauer den bunten Schmuck des Frühlings verschmäht, und in dem statt des fröhlichen Jauchzens der zu neuer Lust erwachten Vögelein nur das schaurige Gekrächze der Raben, das schwirrende Kreischen der sturmverkündenden Möwen widerhallt. Eine Viertelstunde davon ändert sich plötzlich die Natur. Wie durch einen Zauberschlag ist man in blühende Felder, üppige Äcker und Wiesen versetzt. Man erblickt das große, reiche Dorf mit dem geräumigen Wohnhause des Wirtschaftsinspektors. An der Spitze eines freundlichen Erlenbusches sind die Fundamente eines großen Schlosses sichtbar, das einer der vormaligen Besitzer aufzubauen im Sinne hatte. Die Nachfolger, auf ihren Gütern in Kurland hausend, ließen den Bau liegen, und auch der Freiherr Roderich von R., der wiederum seinen Wohnsitz auf dem Stammgute nahm, mochte nicht weiter bauen, da seinem finstern, menschenscheuen Wesen der Aufenthalt in dem alten, einsam liegenden Schlosse zusagte.
Er ließ das verfallene Gebäude, so gut es gehen wollte, herstellen und sperrte sich darin ein mit einem grämlichen Hausverwalter und geringer Dienerschaft. Nur selten sah man ihn im Dorfe, dagegen ging und ritt er oft am Meeresstrande hin und her, und man wollte aus der Ferne bemerkt haben, wie er in die Wellen hineinsprach und dem Brausen und Zischen der Brandung zuhorchte, als vernehme er die antwortende Stimme des Meergeistes.
Auf der höchsten Spitze des Wartturms hatte er ein Kabinett einrichten und mit Fernröhren – mit einem vollständigen astronomischen Apparat versehen lassen; da beobachtete er Tages, nach dem Meer hinausschauend, die Schiffe, die oft gleich weißbeschwingten Meervögeln am fernen Horizont vorüberflogen. Sternenhelle Nächte brachte er hin mit astronomischer oder, wie man wissen wollte, mit astrologischer Arbeit, worin ihm der alte Hausverwalter beistand. Überhaupt ging zu seinen Lebzeiten die Sage, daß er geheimer Wissenschaft, der sogenannten schwarzen Kunst, ergeben sei, und daß eine verfehlte Operation, durch die ein hohes Fürstenhaus auf das empfindlichste gekränkt wurde, ihn aus Kurland vertrieben habe. Die leiseste Erinnerung an seinen dortigen Aufenthalt erfüllte ihn mit Entsetzen, aber alles sein Leben Verstörende, was ihm dort geschehen, schrieb er lediglich der Schuld der Vorfahren zu, die die Ahnenburg böslich verließen.“

 

 
E. Th. A. Hoffmann (24 januari 1776 - 25 juni 1822)
Cover

Lees meer...

Jiří Karásek ze Lvovic

 

De Tsjechische dichter, schrijver en literair criticus Jiří Karásek ze Lvovic werd geboren in Praag op 24 januari 1871. Hij studeerde theologie aan de Theologische faculteit in Praag, maar maakte deze studie niet af. Daarna verliet hij Bohemen voor een jaar en na zijn terugkeer begon hij te werken als bediende in een postkantoor. Kort daarna werd hij benoemd tot directeur van de bibliotheek van het Ministerie van Post, en directeur van het Postmuseum en het archief. In 1894 richtte hij, samen met Ernst Stroll, het bekende tijdschrift Modern Review, waarin hij voornamelijk Tsjechische en Franse decadente literatuur en kunst publiceerde. Later publiceerde hij twee tijdschriften, bedoeld voor seksuele hervorming - Hlas (Stem) en Nový Hlas (Nieuwe Stem). Tijdens zijn leven verzamelde hij samen een uitgebreide privé-bibliotheek (48.000 delen) en een verzameling Slavische kunst en grafiek (40.000 items). In 1922 schonk hij deze collectie aan de Tsjechoslowaakse Sokol Organisatie, die was ondergebracht in het Tyrš huis in Praag; met de voorwaarde dat deze door hem zou worden beheerd tot aan het einde van het leven. In 1954 werd de collectie deel van het Nationale Literatuur Archief. Karásek ze Lvovic schreef ook vele gedichten en prozawerken. Een aantal van zijn romans worden nu gerekend tot de science-fiction literatuur. Hij was een vertegenwoordiger van de impressionistische kritiek en wordt beschouwd als een belangrijke literaire criticus. In de meeste van zijn werken combineert hij neo-romantische fantasie met gecultiveerdheid. Zijn poëzie en proza zijn meesterwerken van de literaire stijl rond 1900. Een paar werken (De gotische ziel, 1900/1905), kunnen als gevolg van de bijna volledige abstractie van de stijl en de homogeniteit van de tekst tot de belangrijkste werken van de Europese decadentie worden geteld. Karásek ze Lvovic was ook geïnteresseerd in occultisme en was een lid van de Tsjechische vereniging van Hermetica "Hermetik universalia". Bovendien was hij een verzamelaar van schilderijen. Zijn collectie was een van de grootste collecties moderne kunst in heel Europa. Later werd deze genationaliseerd en tentoongesteld in Tsjechisch musea.

 

Hopeles Love

So oft by eve I dream in my room all alone
of the love that I know will pass me by, amain
to take me, with all force, to which I am all prone,
whose gale force winds would sweep across my meek stilled plain,

Of a love that into my dulled false hopes would tear,
like the gale ripping boughs of deadened grove, enraged…
Though I know she won’t come, I see her clearly there
above all loves I’ve had while still in life engaged.

I yearn for just one time that she should speak to me,
with words that to this day no one to me has said,
and in my soul pour fire, kisses incendiary,

And only after, as her lunar boat ascends
to heaven’s dream blue waves, would she lay out the dread
before my gaze, that Void, to which I shall descend.

 

 

Abyss

When in the town by night each sound’s dissembling,
another soul, arcane, wakes uncontested.
Your head’s a dormant citadel, sequestered,
in which a late night wandering thought is ambling.

Yet if you fear the tardy walker’s power
conniving to seize your imagination,
be more afraid of that thought’s desperation,
to ambush you at midnight, till you cower…

You are its prey. Feel that? Its talon sinking
into you, cold, on dark wings upward tearing.
Eyes phosphorescent green that burn unblinking.

You’ve briefly lost your mind. Your soul veers, vanished
into the evil, deep within its bearing…
Ah, ever the abyss, inside, unbanished!

 

Vertaald door Václav Z J Pinkava

 

 
Jiří Karásek ze Lvovic (24 januari 1871 - 5 maart 1951)

18:23 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jiří karásek ze lvovic, romenu |  Facebook |

23-01-17

P. F. Thomése, Wouter van Heiningen, Stendhal, Derek Walcott, Françoise Dorin, Gerald Jatzek, Friedrich von Matthisson, João Ubaldo Ribeiro, Franz Rieger

 

De Nederlandse schrijver Pieter Frans Thomése werd geboren in Doetinchem op 23 januari 1958. Zie ook alle tags voor P. F. Thomése op dit blog.

Uit:Greatest hits

“We gingen eigenlijk voor de namen, de namen van het Oude Zuiden die zingen als oude tunes: swingend als Chattanooga, Opelousa, Bogalusa of Pascagoula, statig als Beaumont, Baton Rouge of Lafayette, exotisch als Cocodrie en ronduit bekend als Nashville alias Music City USA, Memphis, the home of the blues, en the big easy New Orleans – en tussen al die namen stroomt lazy de Mississippi, die zo oud en moe is dat hij ook Ole Man River wordt genoemd.
We vermoedden geloof ik wel dat de werkelijkheid naargeestiger zou zijn, grauw als krantenstukken over armoede, achterstand en algehele achterlijkheid, toch zochten wij wat zou beantwoorden aan de zang van die namen: witte zuilen van mansions als in Gone with the wind, witte houten kerkjes waar op zondag de gelovigen de hemel dankten dat zij mogen wonen in God’s own country, stoffige wegen en broeierige plaatsjes zoals in de romans van William Faulkner, op zonnige dagen als Huckleberry Finn met een stok aan de waterkant zitten, en in de verte zingende negers op de velden.
Een verkeerde instelling, dat zeker, maar reizen heeft alles te maken met misverstand, en per slot van rekening heeft ook Columbus Amerika per ongeluk ontdekt.
De Amerikanen spreken zelf van het Oude of Diepe Zuiden – ze bedoelen daarmee dat het ver verwijderd ligt, in afstand, maar vooral in tijd, van de dynamische, van voorwaarts vervulde wereld die in de reclame zo brutaal wordt voorgesteld als the choice of the new generation.
Terwijl de rest van Amerika steeds opnieuw last frontiers bereikt, verlangen ze in het Zuiden terug naar de antieke grens van 1863, toen de Confederate States of America op het slagveld bij Gettysburg de vooruitgang nog dachten te kunnen tegenhouden. En alsof in de slagen bij Gettysburg en Vicksburg de Burgeroorlog niet verloren is en de Mason-Dixon-grens nog bestaat, wapperen in old Dixie meer stars and bars dan nationale stars and stripes.
De vlag van de Confederates, hij wappert vooral in het achterland, langs de backroads van het Zuiden, op de lege pleinen van vergeten stadjes, waar het stof neerdaalt op de magnolia’s en waar oude mannetjes zitten te dammen in de koffiehuizen en negers op de zanderige paadjes van het getto quarters & dimes inzetten op de snelste kakkerlak van de buurt.”

 

 
P. F. Thomése (Doetinchem, 23 januari 1958)

Lees meer...

Fatma Aydemir

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Turks-Duitse schrijfster en journaliste Fatma Aydemir werd geboren in 1986 in Karlsruhe. Zij studeerde Duitse en Amerikaanse Studies in Frankfurt en San Diego. Sinds 2012 werkt zij als redacteur bij de taz. Daarnaast werkt zij als freelance schrijver, onder andere voor de magazines Spex en Missy Magazine. In 2017 debuteerde zij met de roman “Ellenbogen”.

Uit:Ellenbogen

“Hätte Desiree mir nicht mit ihren langen, sauberen Fingern jeden Lippenstift und Nagellack einzeln vorgeführt, wäre ich niemals auf die Idee gekommen zu klauen. Es war Sommer, das weiß ich noch genau, denn Desiree trug hellblaue Hotpants und die auf ihren Beinen glänzenden Härchen standen aufrecht, weil die Klimaanlage den Supermarkt in einen großen Kühlschrank verwandelt hatte. Obwohl ich erst sieben war, wusste ich, dass ich so kurze Hosen niemals würde tragen dürfen. Und ich wusste auch, dass Mama mir niemals erlaubt hätte, einen Glitzerlippenstift zu kaufen. Desiree aber hatte einen Geldschein in der Hand und musste sich nur noch für eine Farbe entscheiden. Sie nahm den pinken Lippenstift, klar, denn Desiree war blond und hielt sich für Barbie. Eigentlich sah sie tatsächlich ein bisschen aus wie Barbie, doch das habe ich ihr nie gesagt.
Das Leben war schon gut genug zu Desiree.
Ich begleitete sie bis fast an ihre Haustür. Desirees Mutter stand schon auf dem Balkon, die Hände in den Hüften. Sie war groß, extrem dünn und immer ein bisschen braun gebrannt. Keine Ahnung wieso, wahrscheinlich fuhren sie oft in den Urlaub. Sie trug ein enges Tanktop und keinen darunter, so dass man immer nur Titten sah, wenn man an Desirees Mutter dachte. Die Titten waren viel kleiner als die von Mama, aber nicht spitz, sondern rund wie zwei Tennisbälle, eigentlich ganz hübsch. Desirees Mutter rief uns mit strengem Blick zu, dass die Familie nun zu Mittag essen würde. Desiree nickte, schaute mich an und winkte mir zum Abschied. Sie winkte, obwohl ich neben ihr stand. Nie habe ich Desirees Wohnung von innen gesehen, aber oft habe ich mir vorgestellt, wie es drinnen aussehen könnte.”

 

 
Fatma Aydemir (Karlsruhe, 1986)

18:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: fatma aydemir, romenu |  Facebook |

22-01-17

Delphine Lecompte Wilhelm Genazino, Rainer Stolz, Lord Byron, Krzysztof Kamil Baczyński, Gotthold Ephraim Lessing, Herwig Hensen

 

De Vlaamse dichteres en schrijfster Delphine Lecompte werd geboren op 22 januari 1978 in Gent. Zie ook alle tags voor Delphine Lecompte op dit blog.

 

Cultuur noch spijkerschrift onder de ijskast

Ik wacht nog altijd
Hij haat mijn verwachtingen
Op zijn keukenvloer bijt een tamme muis
Op een poppenhuisschommelstoel
Ik kan het niet laten
Ik jaag de muis weg en zit op de stoel
Tot hij breekt
Nu is de muis opnieuw schuw.

Ze komen onze papieren ophalen
Ik haat zijn praatjes met de werkmannen
Over excentrieke vijgenverkopers en losbandige schilderessen
Over verlieslatende honingbedrijven en kreunende stapelbedden
De maaltijd is een eenzaam gevecht
Hij verschuift
zijn bonen van west naar oost
Om 14 uur is mijn bord leeg
Mijn longen opgelucht, obstakelvrij.

De muis is teruggekeerd
Om wraak te nemen kan het niet zijn
Zo kleingeestig is een knaagdier nooit geweest
Hij zoekt een leiding om door te knagen
Een achtergebleven poppetje om droog te schurken.

Ik wacht op zijn verwensingen
Nadat hij de bokaal heeft laten vallen
De spijkers rollen onder de ijskast vooral
Zijn verwensingen viseren de muis en de gladde bokaal
We versleuren de ijskast
Tussen de codeloze spijkerchaos vinden we
Irrelevante dreigementen en blauwige culturen
We worden er niet moedeloos van.

 

 
Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)

Lees meer...