14-11-16

Norbert Krapf, Astrid Lindgren, Jonathan van het Reve, René de Clercq, Chloe Aridjis, P.J. O'Rourke, Karla Schneider, Peter Orner

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Norbert Krapf werd geboren op 14 november1943 in Jasper, Indiana. Zie ook alle tags voor Norbert Krapf op dit blog.

 

Chamomile

Along the border
of an Indiana garden
beside a cold frame

my great-grandparents
cultivated you for
the herb-blossom tea
they believed cured
most of their ills.

Oh calmer of nerves
and delirium tremens,
soother of headaches
and preventer of nightmares,
repeller of insects
and softener of hair

Oh spirit whose steamed
essence unclogged
my infected sinuses
in the Black Forest
and eased my eyelids
toward sleep

may your feathery
foliage and sunburst
flowers flourish in
the herb garden outside
the kitchen window.

 

 

Evening Song
(after Matthias Claudius, 1740-1815)

The moon has risen,
the tiny golden stars shine
bright and clear in the heavens.
The woods are black and silent
and the white mist rises
mysteriously from the meadows.

How still is the world,
and cozy and friendly
in the cover of dusk,
like a quiet chamber
where you can sleep away
and forget the misery of day.

See the moon up there?
You can see only half of it,
yet it is round and beautiful.
So indeed are many things
which we laugh at too easily,
because we cannot see them.

 

 
Norbert Krapf (Jasper, 14 november 1943)

Lees meer...

13-11-16

Inez van Dullemen, Frank Westerman, José Carlos Somoza, Timo Berger, Hadjar Benmiloud, Nico Scheepmaker, Peter Härtling, Stanisław Barańczak

 

De Nederlandse schrijfster Inez van Dullemen werd op 13 november 1925 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Inez van Dullemen op dit blog.

Uit:De twee rivieren

“Altijd brak in de lente het verlangen naar reizen in mij los. Reizen was voor mij geen vlucht, maar een poging om dichter bij het onbekende te komen. Ieder mens heeft de neiging om dicht te slibben, zoals schapen waarvan de schedelnaden dichtgroeien als ze volwassen worden. Allemaal neigen we naar aanpassing aan het bekende, gewenning aan de status quo, de sleur van luxe. Steeds verlangde ik ernaar de gewenning te ondergraven, ik wilde geen trut worden, niet de tirannie van de dingen ondergaan, ik wilde geen slaaf zijn - ook niet van mijn eigen tekorten ik wilde keuzen openhouden, mezelf onderwerpen aan het onbekende.
Ik realiseer het me: mijn reisperiode is bijna afgesloten. Dat houdt in dat ik mijn herinneringen levend moet zien te houden. Urenlang zat ik aan de oever van de Ganges, kijkend naar de rituele verbranding van de doden. Ik was er getuige van hoe de oudste zoon gewijde kruiden tussen de dode lippen van zijn vader schoof, ik volgde met mijn ogen hoe de heilige rivier de as afvoerde, op weg naar de monding ver weg aan zee.
Ik genoot ervan te communiceren met mensen van wie ik de taal niet kende: zonder woorden samen eten, gezamenlijk iets ondergaan. Een enkele keer had ik het gevoel dat het pervers was, die voyeuristische eigenschap van me. Om te willen speuren naar andersoortige existenties.
Reizen is een dubbelleven leiden, net als een spion, zei de schrijver Paul Theroux.
Reisde ik om mezelf te ontdekken? Nee, zo belangrijk vond ik mezelf niet. Eerder wilde ik een oog zijn dat alles opzuigt. Ik trachtte draden te spinnen tussen het ene fenomeen en het andere. Reizen obsedeerde me omdat ik de fragmenten van een legpuzzel aan elkaar moest zien te passen.”

 

 
Inez van Dullemen (Amsterdam, 13 november 1925)

 

Lees meer...

Dacia Maraini, Humayun Ahmed, William Gibson, Gérald Godin, Karl Jakob Hirsch, Robert Louis Stevenson, Esaias Tegnér

 

De Italiaanse schrijfster Dacia Maraini werd geboren op 13 november 1936 in Fiesole. Zie ook alle tags voor Dacia Maraini op dit blog en ook mijn blog van 13 november 2009 en ook mijn blog van 13 november 2010.

Uit:Geraubte Liebe (Vertaald door Gudrun Jäger)

“Gianni Lenti, ein junger Arzt, sitzt auf einem Hocker in der Notaufnahme. In der Hand hält er einen Plastikbecher mit Kaffee, in seinen Ohren stecken Kopfhörer, aus denen eine sanfte, exotisch anmutende Musik dringt. Gerade lauscht er einer seiner Lieblingsstellen, sie erinnert ihn an die Bilder von Gauguin, die er vor Kurzem erst in einer Ausstellung gesehen hat. Barfüßige Frauen mit Blumen im Haar, im Hintergrund blaue Pferde, Palmen mit großen wogenden Blättern, die er
sich duftend und weich vorstellt.
Heute ist endlich einmal Zeit zum Durchatmen. Den ganzen Morgen über nur ein Schlaganfall. Zum Glück. Eigentlich könnte ich mir ein Eis holen, denkt er. Genau in dem Moment sieht er, wie sich die Glastür öffnet. Vor ihm steht ein junges Mädchen mit vorstehenden Wangenknochen und langen kas-
tanienbraunen Haaren, das nun schleppend näher tritt, mit einem offenkundig gebrochenen Arm.
»Vorbei mit der Ruhe«, murmelt er und geht ihr entgegen. Was zum Teufel ist denn mit der passiert. Als ob ein Lastwagen sie überfahren hätte. Überall blaue Flecken, und der Arm baumelt ihr einfach so an der Seite.
»Sie behauptet, sie wäre die Treppe runtergefallen«, sagt Ada, die Krankenschwester, gereizt. »Kümmerst du dich um sie?«
»Was denn für eine Treppe?«
»Keine Ahnung. Sie sagt nichts. Außerdem hat niemand so genau nachgefragt, wie der Sturz passiert ist. Eine Unterschrift, der übliche Papierkram, das war’s.«
Doktor Gianni Lenti betrachtet das junge Mädchen aufmerksam. Ihm ist, als hätte er sie schon einmal gesehen.
»Waren Sie nicht schon einmal hier in der Notaufnahme, mit zwei gebrochenen Rippen und Würgemalen am Hals?«
Marina Savina – so der Name, der auf dem Aufnahmeformular steht – schüttelt energisch den Kopf. Aber sie kann dem Blick des Arztes nicht standhalten, er scheint zu sagen: Natürlich bist du das, ich erkenne dich doch wieder.
»Was ist passiert?«, schaut er sie weiter forschend an.
»Ich bin die Treppe hinuntergefallen«, antwortet sie, allerdings kaum hörbar, bockig und mit gesenktem Blick.
»Selbst wenn du aus dem Fenster gesprungen wärst«, beharrt er. »Wer hat dir den Arm gebrochen?«
Keine Antwort.“

 

 
Dacia Maraini (Fiesole, 13 november 1936)

Lees meer...

Christine Otten

 

De Nederlandse schrijfster en journaliste Christine Otten werd geboren in Deventer op 13 november 1961. Otten was als journalist onder meer werkzaam voor De Groene Amsterdammer en Vrij Nederland. Ze debuteerde in 1995 met de roman “Blauw metaal”. Haar doorbraak kende ze in 2004 met de roman “De laatste dichters” die genomineerd werd voor de Libris Literatuur Prijs. In 2011 verzorgde Otten samen met fotokunstenaar Erik Kessels het Boekenweekessay “Good luck”. Ze is ook actief als performer.

Uit:Om adem te kunnen halen

“Het was een bloedhete zomer. Op onze etage in Amsterdam in Oud-West koelde het zelfs ’s nachts niet meer af, ook al stonden alle ramen open en hielden we de gordijnen overdag dicht. Ik was zevenentwintig en zwanger van mijn eerste kind en mijn buik was heel dik.
Op een doordeweekse dag kwam mijn vader op bezoek. Hij zou met de trein komen en de tram en er rond een uur of één zijn. Sinds de scheiding woonde hij alleen in ons oude huis in Deventer. Hij had wel een vriendin, maar die was getrouwd.
Om kwart over één ging de bel. Van bovenaf opende ik de voordeur en mijn vader kwam naar binnen.
Ik droeg een felgroene korte zomerjurk. Mijn vader zei dat ik er goed uitzag. Hij keek naar mijn buik. ‘Het is me wat,’ zei hij. Hij overhandigde me een set champagneglazen en zei dat zijn vriendin die voor me had uitgekozen.
Ik ging koffie zetten in de keuken en bedacht dat mijn vader pas uit de psychiatrische inrichting was ontslagen toen mijn broer en ik de deur uit waren. Zou er een verband zijn tussen onze aanwezigheid en zijn ziekte?
Toen ik terugkwam in de woonkamer met een blad met koffie en koekjes, zei mijn vader weer dat ik er zo goed uitzag. ‘Jij ook,’ zei ik en ik aarzelde of ik misschien iets anders zou aantrekken, een minder blote jurk, die niet zo om mijn buik spande.
Terwijl we koffie dronken, keek hij weer naar mijn buik en zei: ‘Wie had dat kunnen denken toen je nog zo klein was.’
Als in een reflex legde ik mijn handen op mijn buik, voelde de baby bewegen, alsof hij naar me toe zwom. Ik had liever dat mijn vader wegging, maar ik vond het zielig omdat hij helemaal met de trein en de tram hiernaartoe was gekomen.
Ik pakte de champagneglazen uit. Het waren mooie glazen van dun glas. Ik zei dat ik ze mooi vond en dat we geen champagneglazen hadden omdat we nooit champagne dronken.
‘Echte champagne is duur,’ zei mijn vader.
‘Ik drink geen alcohol,’ zei ik. ‘Voor de baby.’
‘Juist ja,’ zei hij en keek alsof hij de baby opgerold zag liggen in mijn buik, dwars door de dunne stof van mijn jurk en mijn huid heen. Alsof ik naakt was, doorschijnend. Zijn blik brandde op mijn huid. Het was inmiddels bijna twee uur.”

 

 
Christine Otten (Deventer, 13 november 1961)

10:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: christine otten, romenu |  Facebook |

Am siebenundzwanzigsten Sonntage nach Pfingsten (Annette von Droste-Hülshoff )

 

Onafhankelijk van geboortedata

 

 
De evangelist Mattheus en de engel door Vincenzo Campi, 1588

 

 

Am siebenundzwanzigsten Sonntage nach Pfingsten
Ev.: Vom Senfkörnlein und Sauerteig.

»Das Himmelreich ist gleich einem Senfkörnlein, das ein Mensch nahm, und säte es auf seinen Acker; dasselbe ist zwar das kleinste unter allen Körnern, wenn es aber gewachsen ist, so ist es größer als alle Kräuter und wird ein Baum, so daß alle Vögel des Himmels kommen, und unter seinen Zweigen wohnen. – Das Himmelreich ist gleich einem Sauerteige, den ein Weib nahm, und steckte ihn unter drei Scheffel Mehls, bis es ganz durchsäuert war.«


Tief, tief ein Körnlein schläft in mancher Brust,
Doch Herr, du siehst es und du magst es segnen.
O schau auf jene die, sich unbewußt,
Nicht fühlen deiner Gnadenwolke Regnen,
Die um sich steigen lassen deinen Tau;
Nachtwandler, dumpf gebannt in Traumes Leben,
Umwandeln Turmes Zinne sonder Beben,
Nicht zuckend nur mit der geschloßnen Brau'.

Ich bin erwacht, ob auch zu tiefer Schmach;
So will ich heut nicht an mein Elend denken,
Will, ach, das einzige, was ich vermag,
Ein zitterndes Gebet den Armen schenken;
Ob nur ein kraftlos halbgebrochner Hauch,
Der dennoch mag die rechten Wege finden,[695]
Und muß er sich zu deinem Throne winden
Wie sich zum Äther wälzet Nebelrauch.

Du Milder, weißt aus allem Erdendunst
Den warmen Lebensodem wohl zu scheiden,
Gerechter du und doch die höchste Gunst,
Des Sonne scheinet über Moor und Heiden,
O kräft'ge deinen Strahl, daß er entglüht
Die langverjährte Rinde mag durchdringen;
Mach des erstarrten Blutes Quellen springen,
Auftauen das erfrorne Augenlid.

Wie oft sah ich in schier vereistem Grund
Sich leise noch das Samenkörnlein dehnen,
Wie öfters brach aus längst entweihtem Mund
Ein Schmerzenslaut, der alles kann versöhnen!
O, nur wer stand in glüher Wüstenei,
Der weiß des grünen Blattes Wert zu schätzen,
Und wessen Ohr kein Luftzug durfte letzen,
Nur der vernimmt den halberstickten Schrei.

Mit meinem Schaden hab' ich es gelernt,
Daß nur der Himmel darf die Sünde wägen,
O Menschenhand, sie halte sich entfernt,
Die nur das Leben zählt nach Pulses Schlägen.
Lebt doch das Samenkorn und atmet nicht,
Und kann es dennoch einen Stamm enthalten,
Der herrlich einst die Zweige mag entfalten,
Wo das Gevögel jubelt unterm Licht.

Sei Menschenurteil in Unwissenheit
Hart wie ein Stein, du Herr, erkennst das Winden
Der Seele, und wie unter Mördern schreit
Zu dir ein Seufzer, der sich selbst nicht finden
Und nennen kann. Kein Feuer brennt so heiß
Als was sich wühlen muß durch Grund und Steine,
Von allen Quellen rauschender rinnt keine
Als die sich hülflos windet unterm Eis.

Im Fluch, dem alle schaudern, hörst du noch
Den Klageruf an Kraft und Mut gebrochen;
In des Verbrechers Wahnsinn trägt sich doch
Entgegen dir zerfleischten Herzens Pochen.
Das ist das Samenkorn, was wie im Traum
Bohrt ängstlich mit den Würzelchen zum Grunde,
Und immer trägt es noch den Keim im Munde
Und immer schlummert noch in ihm der Baum.

Brich ein o Herr! du weißt den rechten Stoß
Und weißt, wo schwach vernarbt der Sünde Wunden;
Noch liegt in deiner Hand ihr ewig Los,
Noch lauert stumm die schrecklichste der Stunden,
Wo ihnen deine Hand die Waage reicht
Und die Verdammung steht im eignen Herzen,
O Jesu Christ gedenk an deine Schmerzen,
O rette die aus deinem Blut gezeugt!

 

 
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
Kapel in de Meersburg waar von Droste-Hülshoff op het eind van haar leven woonde.

 

10:44 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: annette von droste-hülshoff, romenu |  Facebook |

12-11-16

Daniël Dee, Lize Spit, Lucia Berlin, Frank Witzel, Johnny van Doorn, Cristina Peri Rossi, Naomi Wolf

 

De Nederlandse dichter Daniël Dee werd geboren op 12 november 1975 in Empangeni, Zuid-Afrika. Zie ook mijn blog van 12 november 2010 en eveneens alle tags voor Daniël Dee op dit blog.

 

*

de fabriek waar compassie wordt geproduceerd
is stilgevallen en voor het eerst in eeuwen
komen de arbeiders naar buiten hun gezichten
ouder dan de tijd van woorden de arbeiders
ze schreeuwen niet maar in hun ogen staat
het verwijt te lezen: jullie zijn ons vergeten

 

 

Magie en hekserij

overblijvende
nachtschade

geneeskrachtig
helderziend

ei van de geest
liefdesplant
vertakt of gevorkt

ingesneden
afzonderlijk
ondergronds

giftig
hallucinogeen

duizeligheid
angstaanvallen
slapeloosheid
zware gevallen
woedeaanvallen
ademhalingsproblemen
delier
warmtegevoelens

heksenkruid
heksendrankjes en heksenzalf

miniatuurmensje
probeerseltje van de mens
bewerkt en besneden
 
het zeggen van speciale formules
en het dansen van bepaalde dansen

ijzingwekkende schreeuw
dodelijke schreeuw

lijkvocht
de urine en het zaad
galgenmannetje

 

 
Daniël Dee (Empangeni, 12 november 1975)

Lees meer...

Hans Werner Richter, Michael Ende, Roland Barthes, Oskar Panizza, Juana Inés de la Cruz, Jacobus Bellamy

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Werner Richter werd geboren op 12 november 1908 in Bansin op het eiland Usedom. Zie ook mijn blog van 12 november 2010 en eveneens alle tags voor Hans Werner Richter op dit blog.

Uit: Spuren im Sand

„Er hielt sich stramm, wie sich alle damals strammhielten, mit durchgedrücktem Kreuz und stolzem, geradeaus gerichtetem Blick. Etwas von dem Stolz und der Macht des Kaiserreichs war um ihn. Er konnte nicht schwimmen und war doch Bademeister - aber was machte das schon, angesichts von soviel Haltung und Würde, die damals überall zum Ausdruck kam. Mit aufgekrempelten Hosen stand er barfuß auf der Treppe der Badeanstalt, eine Art Autohupe in der linken Hand, und sah aufs Meer hinaus. Wenn jemand zu weit hinausschwamm. führte er die Hupe an den Schnurrbart, plusterte die Backen auf und gab einen schauerlichen Ton von sich. Mir erschien es dann, als beruhige sich das Meer unter diesem gewaltsamen, herrischen Ton meines Vaters augenblicklich.
Damals war das Meer, das heißt ein Stück des Meeres, noch für die Badenden abgezäunt und mit Stacheldraht und Planken begrenzt. so daß eigentlich niemand weit hinausschwimmen konnte; aber es war anscheinend eine Zeit der verbotenen Wege. und so gelang es immer einigen Verwegcncn, das offene Meer zu erreichen. Meinem Vater mißlielen diese Leute außerordentlich, denn er hatte nun einmal bei den Ulanen in Prenzlau gestanden und das Gehorchen gelernt. Er amtierte in einem Familienbad. Es gab außerdem noch ein Herren- und ein Damenbad, denn damals wurden die Geschlechter noch säuberlich voneinander getrennt.
Das war mein Vater. Er hatte, wie die meisten Väter im Ort, acht Kinder. und einige hatten zehn oder zwölf. Es war eine Zeit des Überflusses. Der Kaiser ging mit einem gesunden Geburteniiberschuß voran - und alle, alle folgten ihm. Es herrschte Ruhe und Ordnung. und auch in unserem Ort gab es eine feststehende Hierarchie. die mit dem Gemeindevorste her und Feuerwehrhauptmann begann und mit dem ärmsten Valdarbeiter endete.
Eines Nachmittags, und dieser Nachmittag gehört zu meinen ersten unklaren Erinnerungen, saß ich zu Füßen meiner Mutter, die an einem Plättbrett stand und bügeltc, als eine Frau mit einem hochgeschnürten Busen eintrat und mit meiner Mutter ein Gespräch begann.
Anna«‚ sagte sie, »was ist denn nun mit Richard?«
Was soll schon mit Richard sein?«
Der Großherzog ist doch dagewesen?«
Du meinst den Großherzog von Mecklenburg?«

 

 
Hans Werner Richter (12 november 1908 – 23 maart 1993)
Portret door  Nils Burwitz, 1988

Lees meer...

Malcolm Guite

 

De Engelse dichter, singer-songwriter, Anglicaans priester en academicus Ayodeji Malcolm Guite werd geboren op 12 november 1957 in Ibadan in Nigeria. Bij de geboorte kreeg hij de voornaam Ayodeji wat "de tweede vreugde" betekent. Zijn ouders waren Britse expats en zijn vader werkte als Methodistisch predikant. Na 10 jaar Nigeria verhuisde het gezin naar Canada. Zijn ouders stuurden Guite echter naar een Britse kostschool, omdat zij vreesden dat hij zijn Engelse identiteit zou kwijtraken. Hij behaalde zijn MA in Engelse literatuur en promoveerde later in de filosofie op werk van Lancelot Andrewes, John Donne rn T.S. Eliot. Hij is momenteel een Bye-Fellow en aalmoezenier van Girton College, Cambridge en associate kapelaan van St. Edward Koning en Martyr in Cambridge. Ook werkte hij als gastdocent aan diverse hogescholen en universiteiten in Engeland en Noord-Amerika. Guite publiceerde o.a. “What do Christians Believe?” (2006), “Faith Hope and Poetry” (2010), “Sounding the Seasons; Seventy Sonnets for the Christian Year” (2012) en “The Singing Bowl; Collected Poems” (2013). Hij is ook werkzaam als librettist voor componist Kevin Flanagan en zijn Riprap Jazz Quartet, en heeft ook samengewerkt met de Amerikaanse componist J.A.C. Redford en met de Canadese singer-songwriter Steve Bell op zijn CD “Keening For The Dawn”. (2012) In 2015 was hij 'Visionary in residence' aan Biola University in Los Angeles.”

 

Silence

November pierces with its bleak remembrance
Of all the bitterness and waste of war.
Our silence tries but fails to make a semblance
Of that lost peace they thought worth fighting for.
Our silence seethes instead with wraiths and whispers,
And all the restless rumour of new wars,
The shells are falling all around our vespers,
No moment is unscarred, there is no pause,
In every instant bloodied innocence
Falls to the weary earth ,and whilst we stand
Quiescence ends again in acquiescence,
And Abel’s blood still cries in every land
One silence only might redeem that blood
Only the silence of a dying God.

 

 

Thanksgiving

Thanksgiving starts with thanks for mere survival,
Just to have made it through another year
With everyone still breathing. But we share
So much beyond the outer roads we travel;
Our interweavings on a deeper level,
The modes of life embodied souls can share,
The unguessed blessings of our being here,
The warp and weft that no one can unravel.
So I give thanks for our deep coinherence
Inwoven in the web of God’s own grace,
Pulling us through the grave and gate of death.
I thank him for the truth behind appearance,
I thank him for his light in every face,
I thank him for you all, with every breath.

 

 
Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957)

10:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: malcolm guite, romenu |  Facebook |

A.J.D. van Oosten

 

De Nederlandse dichter en schrijver Abraham Jan Daniël van Oosten werd geboren op 12 november 1898 in Delft. Van Oosten was een autodidact die eerst werkte als huisschilder, maar later ambtenaar werd en journalist. Hij behoorde aanvankelijk tot de Jong Protestantse groep, maar ging in 1931 over tot de rooms-katholieke kerk en was van 1934 tot 1939 redacteur van De Gemeenschap. In de jaren dertig verschenen met vrij grote frequentie dichtbundels van hem: “Het vuurwerk” (1930), “Slagen op de ruit” (1935), “De dag beweegt” (1936), “Vuur en Droom” (1937), “Schip en Vrouw”(1937) en “Vuursteen”(1940).

 

Het idiote oude mannetje

Bidt voor 't oud mannetje dat altijd beeft en knikt
zijn lieve zoontjes heeft hij beiden jong zien sterven
- de onnoozelen zullen Gods rijk beërven -
Als hij een ranke knaap ziet staat hij stil, verschrikt;
een ieder zegt dat hij van Lotje is getikt.

 

 

Het kantoor

Gods alziend oog vindt ons verdord van zin
gebogen over acten en statuten,
de dag verzwindt in rinzige minuten
en 't klokgetik spint ons als muggen in,
hier is geen eind, hier is geen nieuw begin.

 

 

Augustus

Augustus heeft zijn tenten opgeslagen,
en heerscht doorluchtig over 't heerlijk land,
heiden en hemel zieden te' allen kant
van 't goud en brons der schelle zonnevlagen.

Hoogzomer ment der dagen vuurgen wagen
de horizonnen rond, en wendt ten rand
der ijle kimmen 's nachts den blanken brand
van 't slapend licht tot nieuw en hèller jagen.

De dennen broeien, de erica vlamt paars,
't fel vogellied vliet 't bosch vol van geluiden,
't groot levensland viert 't koningsfeest des jaars.

Over 't gekroonde koren op den enk
wuift warme wind zijn loomen groet uit 't Zuiden
en kust de halmen in zijn zoelen zwenk.

 

 
A.J.D. van Oosten (12 november 1898 – 23 januari 1969)

10:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: a.j.d. van oosten, romenu |  Facebook |

11-11-16

Einladung zur Martinsgans (Achim von Arnim)

 

Bij Sint Maarten

 

 
Sint Maarten deelt zijn mantel met een bedelaar door Louis Galloche, ca. 1737

 

 

Einladung zur Martinsgans 

Wann der heilge Sankt Martin
Will der Bischof sehr entfliehn,
Sitzt er in dem Gänsestall
Niemand findt ihn überall,
Bis der Gänse groß Geschrey
Seine Sucher ruft herbey.

Nun dieweil das Gickgackslied
Diesen heilgen Mann verrieth,
Dafür thut am Martinstag
Man den Gänsen diese Plag,
Daß ein strenges Todesrecht
Gehn muß über ihr Geschlecht.

Drum wir billig halten auch
Diesen alten Martinsbrauch,
Laden fein zu diesem Fest
Unsre allerliebste Gäst
Auf die Martinsgänslein ein,
Bey Musik und kühlem Wein.

 

 

 
Achim von Arnim (26 januari 1781 - 21 januari 1831)
Berlijn. Achim von Arnim werd geboren in Berlijn

 

 

Zie voor de schrijvers van de 11e november ook mijn vorige blog van vandaag en eveneens mijn blog van 11 november 2011 deel 2.

15:49 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: :achim von arnim, sint maarten, romenu |  Facebook |

Hans Magnus Enzensberger, Mircea Dinescu, Carlos Fuentes, Nilgün Yerli, Luigi Malerba, Kurt Vonnegut

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook mijn blog van 11 november 2010 en eveneens alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

A

Bevor du B sagst, verweile doch,
horch, bedenk,
was du gesagt hast. Ein Vokal,
der wenig bedeutet,
viel in Bewegung setzt.
Einmal den Mund aufgemacht,
und du treibst deine sterbliche Hülle
zu Leistungen an
von kosmischer Komplexität:
ganze Kaskaden von Reizen,
Berechnungen, Turbulenzen,
hinter dem Rücken dessen,
der Ich ist – vom Gehirn,
das nicht redet
und jeder Wissenschaft spottet,
zu schweigen.

 

 

Das somnambule Ohr

Wie sollst du je wieder einschlafen,
wenn in der menschenleeren Stunde
ehe es hell wird,
das Haus klopft und scharrt,
wenn du es murmeln hörst
hinter der Wand?

Diese Schüsse, kommen sie aus einem Film,
den niemand sieht,
oder stirbt da einer im Treppenhaus?
Etwas gurrt, wo keine Taube lebt,
etwas ächzt – ein alter Kühlschrank
oder ein längst verschwundenes Liebespaar.

In den Ventilen zischt das Gas.
Es werden schwere Möbel gerückt.
Etwas tropft. Der Dampf tickt.
Das Wasser stürzt durch die Röhren.
Wer trinkt, wer duscht,
wer entleert sich da?

Und als es endlich still ist –
das Haus hält vor Angst die Luft an –,
vernimmst du ein Sirren,
fast jenseits des Hörbaren,
geisterhaft dünn wie der glitzernde Ring
eines unaufhaltsamen Zählers,

der sich im Dunkeln dreht.

 

 
Hans Magnus Enzensberger (Kaufbeuren,11 november 1929)

Lees meer...

ECI Literatuurprijs 2016 voor Martin Michael Driessen

 

ECI Literatuurprijs 2016 voor Martin Michael Driessen

De Nederlandse schrijver Martin Michael Driessen ontvangt de ECI Literatuurprijs (de vroegere AKO-Literatuurprijs) voor zijn novellenbundel “Rivieren”. Juryvoorzitter Louise Fresco maakte dat gisteravond live in het programma Nieuwsuur bekend vanuit Theater aan het Spui in Den Haag. Zie ook alle tags voor Martin Michael Driessen op dit blog.

Uit: Rivieren

‘‘Als je moet drinken doe het dan ergens waar niemand er last van heeft,’ had zijn vrouw gezegd.
‘Als je moet drinken doe het dan nu,’ had zijn agent gezegd, ‘je repetities voor Banquo beginnen pas in september.’
‘Natuurlijk mag je mijn kano en mijn tent lenen,’ zei zijn zoon, ‘maar ik ga niet met jou die rivier op. Maak je die tocht soms om je dood te zuipen?’
Het had de laatste dagen ononderbroken geregend en de waterstand in Sainte-Menehould was ongewoon hoog voor de maand juli. Bij het avondeten in Le Cheval Rouge dronk hij wijn, op zijn hotelbed whisky uit de fles die hij tijdens de autorit vanuit Brussel al had aangebroken. Hij zou dus alleen gaan. Hij wist dat alcohol hem agressief maakte en begreep dat andere mensen hem meden. Wat dat betrof was hij inmiddels zo tolerant als een lepralijder. Wat hem in de weg stond, dacht hij terwijl hij whisky bijschonk in het plastic bekertje uit de badkamer, was zijn enorme wilskracht. Als hij met zichzelf zou afspreken dat hij nooit meer een druppel zou drinken, zou hij zich daar ook aan houden. Anders zou hij elk zelfrespect verliezen en te gronde gaan. Hij zou nooit meer in de spiegel kunnen kijken als hij zo’n gelofte brak. Hij moest dus goed nadenken voor hij zich committeerde, want dan zat hij er voor de rest van zijn leven aan vast.
‘U bent een alcoholicus,’ had de arts gezegd. ‘Matig drinken is geen oplossing voor u. U moet totaal met de gewoonte breken.’
Daar denk ik over na op de rivier, dacht hij. Misschien is de fles in mijn rugzak de laatste die ik ooit drink. Stel dat ik dat besluit neem. Huwelijk gered. Zoon respecteert zijn vader weer. Carrière aan de Munt gestabiliseerd. Je ziet er tien jaar lang tien jaar jonger uit, je krijgt misschien nog de kans Hamlet te spelen. De fles op het nachtkastje was bijna leeg; maar die in zijn rugzak was voor de rivier. En met anderhalve slaappil zou het moeten gaan.
Wil je het drinken echt opgeven, dacht hij terwijl hij een sigaret opstak. Het is geen geluk, maar het lijkt er wel verdomd veel op. Meer dan al het andere dat je kent.”

 

 
Martin Michael Driessen (Bloemendaal, 19 april 1954)

In Memoriam Leonard Cohen

 

In Memoriam Leonard Cohen

De Canadese dichter, folk singer-songwriter en schrijver Leonard Cohen is op 82-jarige leeftijd overleden. Dat heeft zijn management in de nacht van donderdag op vrijdag gemeld. Leonard Cohen werd geboren op 21 september 1934 te Montréal. Zie ook mijn blog van 21 september 2010 en eveneens alle tags voor Leonard Cohen op dit blog.

 

You Want It Darker

If you are the dealer, I'm out of the game
If you are the healer, it means I'm broken and lame
If thine is the glory then mine must be the shame
You want it darker
We kill the flame

Magnified, sanctified, be thy holy name
Vilified, crucified, in the human frame
A million candles burning for the help that never came
You want it darker

Hineni, hineni
I'm ready, my lord

There's a lover in the story
But the story's still the same
There's a lullaby for suffering
And a paradox to blame
But it's written in the scriptures
And it's not some idle claim
You want it darker
We kill the flame

They're lining up the prisoners
And the guards are taking aim
I struggled with some demons
They were middle class and tame
I didn't know I had permission to murder and to maim
You want it darker

Hineni, hineni
I'm ready, my lord

Magnified, sanctified, be thy holy name
Vilified, crucified, in the human frame
A million candles burning for the love that never came
You want it darker
We kill the flame

If you are the dealer, let me out of the game
If you are the healer, I'm broken and lame
If thine is the glory, mine must be the shame
You want it darker

Hineni, hineni
Hineni, hineni
I'm ready, my lord

Hineni
Hineni, hineni
Hineni

 


Leonard Cohen (21 september 1934 – 10 november 2016)

 

 

05:21 Gepost door Romenu in Actualiteit, In Memoriam, Literatuur | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

10-11-16

Jacob Cats, Friedrich Schiller, Jan van Nijlen, Arnold Zweig, Rick de Leeuw, Werner Söllner, Vachel Lindsay

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jacob Cats werd geboren op 10 november 1577 in Brouwershaven. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Jacob Cats op dit blog.

 

Zo vorst, zo volk

Zie doch eens: in deze poel
Was te voren geen gewoel,
Geen geruchte, geen geschil;
Alle dingen waren stil,
Al de vogels zonder nijd,
Al de vogels zonder strijd;
Maar een schreeuwer, metter vlucht,
Hier gevallen uit de lucht,
Maakte, door zijn hees geschal,
Twist en oproer overal;
Maakte dat het ganse rot
Kwam gesprongen uit het kot,
Kwam zo fel hier in gestort
Dat het water troebel wordt.
Het is nut te zijn geloofd
Dat een vies, een zeldzaam hoofd,
Dat alleen een enig man
Ganse rijken storen kan.
Dan het is ook wel gezien
Heden en in oude tiên,
Dat een enig hoofd geveld
't Ganse land in ruste stelt.

 

 

Al draagr de aap een gouden ring

Al draagr de aap een gouden ring,
Zo is het toch een lelijk ding
Al heeft de sim een gulden rok,
Zo is 'et toch maar enkel jok;
Want schoon zij met een grote pracht,
Wordt deftig in het spel gebracht,
En dat ze voor de eerste maal
Komt prachtig treden op de zaal,
Komt wonder moedig aan de dag:
Zij is een aap, gelijk ze plach';
Want eer men nog de rolle sluit,
Zo kijken hare grillen uit,
Want zijde, goud, fluweel, satijn,
En geven niet als enkel schijn.
De vors die huppelt naar de poel,
Al zat hij op een gouden stoel.



 
Jacob Cats (10 november 1577 – 12 september 1660)
Portret door Michiel Jansz van Mierevelt, 1634

Lees meer...