07-08-16

Dolce far niente, Abdelkader Benali, John Birmingham, Cees Buddingh’, Diana Ozon, Othon III de Grandson

 

Dolce far niente

 

 
Kasteel Assumburg, Heemskerk

 

 

Heemskerk

Paars pioenroze in juni. Twee vijftig voor een bosje.
Te geef. Ze liggen in een kratje te wachten op een
hardloper, een wandelaar, een koper.Wij passeren.
Mijn tweede keer in Heemskerk. Drie rondjes

van zeven kilometer. Een bordje met daarop kam-
pioenen. Bloemen geurt alles naar. Drie rondjes
betaald door Tata Steel. Tietenijzer. De eerste keer
liep ik harder, de tweede keer kom ik niet verder

dan de derde. Villawijk. Polder. De geur van
mest. Mensen op het gazon, kortgeknipt en
groen. Een villa staat te koop. Een donkere
vrouw met aan haar voet een flesje water,

wacht op haar man, haar minnaar, haar vriend,
een zus. Familie. Onze blikken missen elkaar.

 

 
Abdelkader Benali (Ighazzazen, 25 november 1975)

Lees meer...

06-08-16

Dolce far niente,Tom Lanoye, Cees van der Pluijm, Pier Paolo Pasolini, Alfred Tennyson

 

Dolce far niente – Canal Parade

 

 
Canal Parade in een voorgaand jaar, Amsterdam

 

 

Zindelijkheidstraining

Net voor ik voorgoed uit Gent vertrek, een laatste
glas gaan drinken in Café Cirque Central, en hé!
Het snookerbiljart is gerepareerd! En, als door
het Lot georkestreerd, bemand, dat is het woord.
Met twee jonge gasten, jeunesse dorée, de een
al geiler dan de ander, elk om beurt over het laken
buigend met gespannen billen, stoot na stoot. En daar
 
is ze weer, even plots en onontkoombaar als
misselijkheid op zee, die eeuwige rotidee.
Dat wij, totterdood, een samenspel van zweet
en speeksel, zaad en slijmen, passie heten,
en dat het ons tot wanhoop drijft. Ik heb daar
al veel over nagedacht, vooral op café, maar
begrijpen? Nee. Ik zal er dan maar
weer 's over
  
schrijven, allen vooruit: Lik mijn stijve lik
mijn kont geef de asbak eens door schat
je bent geweldig mwaaw hwaall
he hwoet
uid mwijn mwond met je lekkere met je lekkere dinges enfin
hoe heet het ook
alweer auw pas op je doet me pijn...
 
Fantastisch toch, dat
er gedichten zijn.

 

 
Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)
Cool Pool Player

 

Exodus

Er was een droom van duizend mooie jongens
Op witte paarden rijdend door de nacht
Met wapperende zachtfluwelen kleren

Ze hadden heel het leven in hun macht
De aarde draaide door hun galopperen
En waar zij reden, werd het nooit meer licht.

Hun schoonheid was alleen nog te bezweren
Door ’t magisch ritueel van een gedicht:
Er was een droom van duizend mooie jongens

Maar niemand kreeg die woorden uit zijn mond
Want wie hen zag, versteende waar hij stond

 

 
Cees van der Pluijm (12 januari 1954 – 14 december 2014)
De Cubaanse acteur Mario Cimarro op een wit paard

 

 

Uit: Seven Poems for Ninetto

5/
The wind screamed through the Piazza dei Cinquecento
as in a Church –there was no sign of filth.
I was driving alone on the deserted streets.  It was almost 2 am.

In the small garden I see the last two or three boys,
neither Roman nor of the peasantry, cruising for
1000 lire. Their faces are stone cold.  But they have no balls.

I stopped the car and called out to one of them.
He was a fascist, down on his luck, and I struggled
to touch his desperate heart. 

But in the dark I could see him watching me.
You have come with your car and had your fun, Paolo.
The degenerate individual was here next to you. He is your double.
Cheap stolen trinkets hang from his car window.

Now you must leave
but where can you go? He is always there.

 

 
Pier Paolo Pasolini (5 maart 1922 – 2 november 1975)
Ninetto Davoli

Lees meer...

05-08-16

Richard Preston, Conrad Aiken, Wendell Berry, Sergio Ramírez

 

De Amerikaanse schrijver Richard Preston werd geboren op 5 augustus 1954 in Cambridge, Massachusetts. Zie ook mijn blog van 5 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Richard Preston op dit blog.

Uit: First Light

“There was a lull while the astronomers stared at the screen in silence. Juan Carrasco pulled one of several notebooks from his box of marinated jalapenos and made some notes in it. He felt that the only way to begin to guess what was going on inside the Big Eye was to keep track of its vital signs. He felt that the big Eye had its good nights and its bad nights. On the first day that he had reported to work on Palomar Mountain, he had written on the cover of an empty green notebook: “Love and Ambition are the wings to success. 1969.”
He had been afraid that he would fail—that he would crash the telescope. His old fear still touched him once in a while. He tried not to think too hard about the glass giant, moving out there in the darkness. The green notebook showed signs of much use. He had had to repair it with packing tape, Palomar glue.
Other notebooks had followed the green notebook. While at first he had stuck to critical information (“astronomers’ favorite radio station: KFAC 92.3 on the dial”), he had also wondered: “What happened at the moment of creation? How did the stars and galaxies come into being? How will the universe end?”—jotting questions for Jim Gunn, hoping that Gunn could answer them. Gunn, however, had been working fiendishly for most of his life to answer these very same questions, without ever attaining satisfactory answers, because (Juan noted) “What we have here is a fundamental problem.”
On a shelf within easy reach, Juan placed a tattered dictionary, and when he heard a savory word, he looked it up to get the nuances. Some of the astronomers seemed to forget that the night assistant was taking notes. When they spoke of their fellow astronomers, he recorded what he had heard:
Goon—a man hired to terrorize or intimidate opponents
Yokel—a rude, naïve, or gullible inhabitant of a rural area or small town
Jargon—unintelligible language or words
Grandiose Conclusion
When the astronomers saw something spectacular on the video screens, he made a note of it for posterity: “Supernova!!!”

 

 
Richard Preston (Cambridge, 5 augustus 1954)

Lees meer...

Guy de Maupassant, Gunter Haug, Ron Silliman, Christian Wagner, René Puthaar

 

De Franse schrijver Guy de Maupassant werd geboren op 5 augustus 1850 in kasteel Miromesnil bij Dieppe. Zie ook mijn blog van 5 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Guy de Maupassant op dit blog.

Uit: Bel Ami

« Quoique habillé d’un complet de soixante francs, il gardait une certaine élégance tapageuse, un peu commune, réelle cependant. Grand, bien fait, blond, d’un blond châtain vaguement roussi, avec une moustache retroussée, qui semblait mousser sur sa lèvre, des yeux bleus, clairs, troués d’une pupille toute petite, des cheveux frisés naturellement, séparés par une raie au milieu du crâne, il ressemblait bien au mauvais sujet des romans populaires.
C’était une de ces soirées d’été où l’air manque dans Paris. La ville, chaude comme une étuve, paraissait suer dans la nuit étouffante. Les égouts soufflaient par leurs bouches de granit leurs baleines empestées, et les cuisines souterraines jetaient à la rue, par leurs fenêtres basses, les miasmes infâmes des eaux de vaisselle et des vieilles sauces.
Les concierges, en manches de chemise, à cheval sur des chaises en paille, fumaient la pipe sous les portes cochères, et les passants allaient d’un pas accablé, le front nu, le chapeau àla main.
Quand Georges Duroy parvint au boulevard, il s’arrêta encore, indécis sur ce qu’il allait faire. Il avait envie maintenant de gagner les Champs-Elysées et l’avenue du Bois-de-Boulogne pour trouver un peu d’air frais sous les arbres ; mais un désir aussi le travaillait, celui d’une rencontre amoureuse.
Comment se présenterait-elle ? Il n’en savait rien, mais il l’attendait depuis trois mois, tous les jours, tous les soirs. Quelquefois cependant, grâce à sa belle mine et à sa tournure galante, il volait, par-ci par-là, un peu d’amour, mais il espérait toujours plus et mieux.
La poche vide et le sang bouillant, il s’allumait au contact des rôdeuses qui murmurent à l’angle des rues : « Venez-vous chez moi, joli garçon ? » mais il n’osait les suivre ne les pouvant payer ; et il attendait aussi autre chose, d’autres baisers moins vulgaires."

 

 
Guy de Maupassant (5 augustus 1850 – 6 juli 1893)
Affiche voor de film « Bel Ami” uit 2012

Lees meer...

Martin Piekar

 

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Piekar begon op school al te schrijven. Hij studeerde hij filosofie en geschiedenis aan de Johann Wolfgang Goethe Universiteit in Frankfurt am Main en is lid van ‘sexyunderground’, de groep jonge schrijvers van het Literaturhaus Frankfurt. Veel van zijn gedichten zijn gepubliceerd in literaire tijdschriften, zoals etcetera en Federwelt. In 2012 nam hij deel aan het literatuurlaboratorium van Wolfenbüttel en won hij de prestigieuze wedstrijd open mike open literatuur Literaturwerkstatt Berlijn in de categorie poëzie.

 

Marché des Fétiches, Togo

Die Krokodilfirewall gegen Einbrecher
und zerkleiner die Fledermaus an der
Glaubensreibe. Glaube! Opfere

Schweine, Priester, wenn man
nicht an Science Fiction hängt,
die nicht halten kann, nie
halten wollte; nur evident
funktionieren. (wie für mich)

Im Gerippe
steckt noch so viel Macht.

Die Telemetrie eines Krötenmauls
ist ein Kissen auf dem Sitz

der Reise in Geisterbahnen.
Zwischen Remedium und Epidemie

spiritistische Links gespannt
im Delirium. Voodoo-

bedarf: Schädel, Schwänze
von Tieren, Häute,
Phalli, Gerippe und Glaube.

Verkaufsbuden: wie Chatfenster
werden Schädel behandelt, gewechselt
und begrinst. Fast wie Zombies
glauben sie im Tod
stecke ein gutes Leben

 

 
Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)

16:05 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: martin piekar, romenu |  Facebook |

04-08-16

Dolce far niente, Hans Kloos, Rutger Kopland, Rudi van Dantzig, Percy Bysshe Shelley, Liao Yiwu

 

Dolce far niente

 

 
Het wat verpauperde Reve-monument op het Waterspiegelplein, in Amsterdam
met op de achtergrond het geboortehuis van Gerrad Reve, Van Hallstraat 25.

 

 

De weg van Westerpark naar Zulte
G.(K.v.h.) R. 1923 - 2006

De weg van Westerpark naar Zulte
begint op nr. 25 aan de Van Hallstraat
maar er is geen asfalt,
geen klinkerdek, kasseienstrook,
geen karrenspoor om over te gaan
naar het rusthuis van Sint Vincentius
op nr. 20 in de Pontstraat

De weg van Westerpark naar Zulte
is van papier geplaveid door een jongen
die aan het begin het woord
terugkeer legde, door een man
die op het eind de moppen aanklopte
van het hijgend hert – wie de taal
der liefde legt weet dat hij leent

De weg van Westerpark naar Zulte
voert langs de avonden, lieve jongens,
het zingend hart, roomse heisa
en bezorgde ouders – de omweg
is de enige route, een brievenbus
staat op elk kruispunt nu
te klepperen in de wind

 

 
Hans Kloos (Baarn, 23 december 1960)
Amsterdam, kunst in het Westerpark: Zonder titel, Herman Makkink, 2004

Bewaren

Lees meer...

Pierre Jarawan

 

De Duitse schrijver en slam dichter Pierre Jarawan werd op 4 augustus 1985 in Amman, Jordanië, geboren als zoon van een Libanese vader en een Duitse moeder. Toen hij drie jaar oud was vluchtten zijn ouders met hem naar Duitsland om aan de burgeroorlog in Libanon te ontsnappen. In 2007 publiceerde hij de bundel gedichten en korte verhalen “Wortspiele”. Vanaf 2009 trad Jarawan op bij poetry slams, waar hij diverse prijzen won. Hij is een van de meest succesvolle podiumdichter in Duitsland. In 2013 nam hij deel aan de Poetry Slam World Cup in Parijs. Als eerste publiceerde Jarawan zijn podiumteksten, in 2016 volgde de roman “Am Ende bleiben die Zedern’, waarvoor hij in 2015 een beurs had gekregen van de stad München en waarvoor hij in 2016 de Beierse Kunstförderpreis kreeg. Daarnaast werd de roman genomineerd voor de Ulla Hahn Autorenpreis. In zijn debuutroman beschrijft Pierre Jarawan de zoektocht van de jongen Samir naar zijn vermiste vader in Libanon.

Uit: Am Ende bleiben die Zedern

„Alles pulsiert. alles leuchtet. Beirut bei Nacht, diese funkelnde Schönheit, ein Diadem aus flirtenden Lichtern, ein Band aus Atemlosigkeit. Schon als Kind liebte ich die Vorstellung, einmal hier zu sein. Doch jetzt steckt mir dieses Messer zwischen den Rippen, und der Schmerz schießt in meinen Brustkor, dass ich nicht mal schreien kann. Wir sind doch Brüder, will ich rufen, während sie mir den Rucksack vom Rücken reißen und mich treten, bis ich auf die Knie sinke. Der Asphalt ist warm. Von der Corniche her weht der Wind, ich höre das Meer ans Ufer schlagen und die Musik aus den Restaurants an der Straße. Ich rieche das Salz in der Luft und den Staub und die Hitze. Ich schmecke Blut auf meiner Lippe, ein metallisches Rinnsal auf trockener Haut. Ich fühle Angst in mir aufsteigen. Und Wut. Ich bin nicht fremd hier, will ich ihnen hinterherschreien. Das Echo ihrer Schritte verhöhnt mich. Ich habe Wurzeln hier, will ich rufen, doch heraus kommt nur ein Gurgeln.
Ich sehe das Gesicht meines Vaters. Seine Silhouette im Türrahmen meines Kinderzimmers, bevor mir die Augen zufielen. Der letzte gemeinsame Moment. Ich frage mich, ob Zeit und Bedauern an ihm genagt haben.
Ich denke an die Verse, die der Bärtige vorhin gemurmelt hat: Dann gibt es für sie keine Möglichkeit, um Hilfe zu rufen, und sie finden keine Rettung.
Der Rucksack, denke ich und meine damit nicht Geld und Pass, die jetzt fort sind. Ich meine das Bild in der vorderen, eingenähten Tasche. Und ich meine sein Tagebuch. Alles fort. Der Schmerz nimmt mit fast das Bewusstsein.
Ich bin für den Tod eines Mannes verantwortlich, denke ich.
Dann, während das Blut aus der Wunde sickert: Reiß dich zusammen. das muss etwas bedeuten. Ein Zeichen.
Die Schritte der Männer verhallen, ich bin allein, höre nur noch meinen Herzschlag.
Wenn du das hier überlebst, denke ich und verspüre auf einmal eine seltsame Ruhe, dann hat das einen Grund. Dann ist deine Reise noch nicht zu Ende. Dann unternimmst du einen letzten Versuch. ihn doch noch aufzuspüren.“

 

 
Pierre Jarawan (Amman, 4 augustus 1985)

18:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: pierre jarawan, romenu |  Facebook |

03-08-16

Dolce far niente, Delmore Schwartz, Rupert Brooke, Radek Knapp, P. D. James, Marica Bodrozic, Mirko Wenig, Leo J. Kryn

 

Dolce far niente

 

 
L’Yerres, effet de pluie door Gustave Caillebotte, 1875

 

 

In the morning, when it was raining

In the morning, when it was raining,
Then the birds were hectic and loudy;
Through all the reign is fall's entertaining;
Their singing was erratic and full of disorder:
They did not remember the summer blue
Or the orange of June. They did not think at all
Of the great red and bursting ball
Of the kingly sun's terror and tempest, blazing,
Once the slanting rain threw over all
The colorless curtains of the ceaseless spontaneous fall.

 

 
Delmore Schwartz (8 december 1913 – 11 juli 1966)
New York, Brooklyn Bridge in de regen. Delmore Schwartz werd geboren in New York.

Bewaren

Lees meer...

02-08-16

Dolce far niente, Hugo von Hofmannsthal, Jussi Adler-Olsen, Kristine Bilkau, James Baldwin, Ernest Dowson

 

Dolce far niente

 

 
Na de regen door German Tatarinov, 1991

 

 

Regen in der Dämmerung

Der wandernde Wind auf den Wegen
War angefüllt mit süßem Laut,
Der dämmernde rieselnde Regen
War mit Verlangen feucht betaut.

Das rinnende rauschende Wasser
Berauschte verwirrend die Stimmen
Der Träume, die blasser und blasser
Im schwebenden Nebel verschwimmen.

Der Wind in den wehenden Weiden,
Am Wasser der wandernde Wind,
Berauschte die sehnenden Leiden,
Die in der Dämmerung sind.

Der Weg im dämmernden Wehen,
Er führte zu keinem Ziel,
Doch war er gut zu gehen
Im Regend, der rieselnd fiel.

 

 
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929) 
Regen in Wenen, waar Hugo von Hofmannsthal werd geboren.

Lees meer...

01-08-16

Gerrit Krol, Frans Pointl, Mehis Heinsaar, Ko Un, Edward van de Vendel

 

De Nederlandse dichter en schrijver Gerrit Krol werd geboren op 1 augustus 1943 in Groningen. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Gerrit Krol op dit blog.

Uit: Aan de waterkant

“Hoewel de glazen, half volgeschonken, en de flesjes, half leeg, op vier punten het wegwaaien beletten, was het roodgeruite kleedje aan de rand nog vastgezet met een klem aan het tafeltje dat zelf tussen de planken, in een naad zijn poot had gezet, onwrikbaar.
‘We zitten boven de golven’, zei hij en hij greep het glas met de zilveren lettertjes, hield het op ooghoogte in haar richting alsof hij haar op de korrel wilde nemen: ‘gezondheid’, en hij goot de drank, die nog spartelde, achterover in de duisternis van zijn keel. Hij zette het glas neer op het kleedje, daar waar het opbolde. ‘Dood’, zei hij, maar de wind dook naar beneden, over de grond joeg hij, over de planken van de steiger als een zwaluw en zwenkend. De boten die niet gebruikt werden dobberden, kortgehouden, tegen het hout, tegen elkaar, wachtend op gebruikers. De achterste was reeds bezet; het zeil werd gehesen, het sloeg heen en weer en klom langs de mast intussen rustig omhoog. Ook de smalle fok schoot ten hemel, reeds werden de touwen losgegooid en de man die daar aan het zwemmen was, met zijn hoofd boven water, moest oppassen dat hij niet overvaren werd, zo snel liep die boot daar over de golven weg.
‘O, Ronald!’ gilde opeens het meisje, ‘hij gaat er over heen!’ Ze sprong op en wees met de vinger. De jongeman tegenover haar draaide zich om, keek trouwens meer naar haar, want hij wist niet wat ze bedoelde. Ze stond op de tenen, met de vingers gekromd tegen de mond van ontzetting, maar daar kwam hij weer uit het schuim te voorschijn, de zwemmer, lachend, met de kin vooruit alsof hij zelf ook een boot was en het meisje kon gaan zitten.
Ronald keerde zijn flesje met de hals in het glas. ‘En toch snap ik het niet’, zei ze, reikhalzend nog, ‘hij komt geloof ik niet vooruit.’
‘Wat bedoel je?’
‘Die man daar.’
Nog 's weer keek hij, half gedraaid, in de aangewezen richting, en toen lachte hij. Hij keerde zich om. ‘Die zijn van kurk’, zei hij.
‘Neeee’, zei ze, als iemand die het nog niet geloven wil, maar toen zag ze het zelf ook: het was een zwemmer van kurk die daar aan de gang was. Ze lachte. ‘Kijk 'm eens grijnzen’, zei ze, ‘en hij komt niet vooruit. Hij heeft niet eens armen ook. Hebben ze dat expres gedaan?’

 

 
Gerrit Krol (1 augustus 1934 - 24 november 2013)

Bewaren

Lees meer...

31-07-16

Cees Nooteboom, Wouter Godijn, Grand Corps Malade, Joanne Rowling, Alain Nadaud, Primo Levi, Daniel Bielenstein

 

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

Uit: Roads to Santiago (Vertaald door Ina Rilke)

“The television screen in the lounge is showing blurred, shadowy images from the real world, but hardly anyone is watching. The passengers are postponing the moment of going to sleep, they hang around on the decks, drink until the bars shut. Then the very last, carousing song dies away and all you can hear is the slap of the waves against the hull.
The lone traveller goes to his cabin and lies down on the small iron bunk. He wakes up a few times in the night and looks out through the porthole. The vast surface of water sways in a slow, glistening dance. There is mystery and danger in the immense and silent element as it lies there with only the sluggish undertow disclosing that so much goes on hidden in the deep. The ivory chip of moon appears and disappears in the satin waves, it is at the same time sensual and frightening. The traveller is a city-dweller, unaccustomed to that vast and speechless sea of which his world now suddenly consists. He draws the skimpy curtain across the porthole and switches on a toy lamp by the bed. A wardrobe, a chair, a table. A water carafe in a nickel bracket attached to the steel bulkhead, a glass upturned over the neck. A towel marked Compania Mediterranea which he will take with him tomorrow, along with the tumbler decorated with the flag of the shipping company. He already has quite a number of these towels and glasses, for he has made many such crossings.
Gradually he surrenders to the roll of the ship, pitching in her mighty mother's dance and he knows what it will be like. In the course of the night he will really fall asleep at last, then the first light of day will stream in through the unavailing curtain, he will go up on deck and stand with the other bleary-eyed passengers to see the city slowly approaching--looking improbably lovely in the early sun which will cast a light, golden, impressionistic veil over the horror of gasworks and smog, so that it will seem for a moment as if we are heading towards a hazy, gilded paradise instead of the uncharitable buffers of an industrial metropolis.
The ship glides into the stone welcome of the harbour. She is dwarfed by the towering cranes. The swell has ceased, this water is no longer part of the sea, and on board too the communal spirit has gone. Everyone is wrapped up in his own affairs, in the expectation of what is to come. Down in the cabins the stewards are stripping the bunks and counting the number of towels missing. On the dockside it is already hot.“

 

 
Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

Bewaren

Lees meer...

Hans-Eckardt Wenzel, Ahmed Zitouni, Munshi Premchand, Peter Rosegger, Ahmad Akbarpour, Triztán Vindtorn

 

De Duitse dichter, singer-songwriter en muzikant Hans-Eckardt Wenzel werd geboren op 31 juli 1955 in Kropstädt bij Wittenberg. Zie ook alle tags voor Hans-Eckardt Wenzel op dit blog enook mijn blog van 31 juli 2010

 

August

Das war ein Sommer, wie ich lange ihn nicht kannte.
Das Land lag faul und ward am Spieß gedreht,
Da war die Sonne, die auf unsre Rücken brannte
Und auf den Feldern wurde schon das Korn gemäht.

Wie Katzen, die sich in der Sonne sielen,
So lagen wir, fast fiebertrunken, hinterm Haus
Und als die ersten Tropfen Regen niederfielen
Da wars, als zögen wir uns, nackt, noch einmal aus.

Und als der Regen blieb bis übern Nachmittag
Und schlug mit seinen Fingerkuppen auf das Dach
Da wars, als ich in deinen Armen lag,
Als würden wir zum ersten Male wach.

 

 

Dezember

Sich umzudrehn, ein letzter Aufenthalt.
Der Weg, das Dorf, Minuten, die Epochen.
Nun wird es spät und klar und kalt.
Die Linden klappern laut mit ihren Knochen.

Der Wind dreht weg und wieder fällt kein Schnee,
Und schon beginnt die Ferne neu zu flimmern.
Ein harter Strich durchs Land ist die Allee.
Die Menschen sitzen in den guten Zimmern.

Zwölf Monde sind verbraucht, das Jahr ist leer,
Von Sommern fern, so fern von Paradiesen.
Der Abend kommt, das Land steigt in das Meer,
Und Sterne stürzen in die Wiesen.

 

 
Hans-Eckardt Wenzel (Kropstädt, 31 juli 1955)

Lees meer...

30-07-16

Patrick Modiano, Emily Brontë, Cherie Priest, Pauline van der Lans, Salvador Novo

 

De Franse schrijver Patrick Modiano werd geboren in Boulogne-Billancourt op 30 juli 1945. Zie ook alle tags voor Patrick Mondiano op dit blog.

Uit: De horizon (Vertaald door Maarten Elzinga)

“Achter de bekende gebeurtenissen en de vertrouwde gezichten voelde hij alles wat tot donkere materie was geworden: kortstondige ontmoetingen, gemiste afspraken, verloren brieven, de vergeten voornamen en telefoonnummers in een oude agenda, en al die mensen die je ooit bent tegengekomen zonder het zelfs maar te beseffen. Net als in de astronomie was deze donkere materie omvangrijker dan het zichtbare deel van je leven. Ze was oneindig. En in zijn boekje inventariseerde Bosmans de paar zwakke flonkeringen op de bodem van die duisternis. Hun schijnsel was zo zwak dat hij zijn ogen sloot en zich concentreerde, op zoek naar een veelzeggend detail waarmee hij het geheel zou kunnen reconstrueren, maar er was geen geheel, alleen fragmenten, deeltjes, sterrenstof.”
(…)

Hij was aan het begin van de middag op weg gegaan vanuit Prenzlauer Berg, met een plattegrond van Berlijn in zijn jaszak. Hij had zijn route met een rode pen gemarkeerd. Af en toe verdwaalde hij. In de Prenzlauer Allee had hij bedacht dat hij een straat naar links zou kunnen volgen en zo een stuk afsnijden. Hij was uitgekomen op een bebost terrein dat bezaaid was met grafstenen. In de centrale laan van dit boomrijke kerkhof kwam een meisje op de fiets voorbij, met een kind op de bagagedrager. Langs de Karl-Marx-Allee voelde hij zich niet echt verloren, ook al was die straat veel te breed en zagen de betonnen gebouwen eruit als gigantische kazernes. Deze stad is even oud als ik. Ook ik heb de afgelopen tientallen jaren geprobeerd kaarsrechte avenues aan te leggen, straten die loodrecht op elkaar staan, rijen strakke façaden en een dergelijk bewegwijzering om zo de ellende en de chaos waar we vandaan komen, de verkeerde ouders en de dwalingen van onze jeugd te verbergen. En toch beland ik zo nu en dan op een braakliggend terrein dat me iemands afgewezigheid laat voelen, of ik stuit op een rij gebouwen waarvan de gevels de wonden van de oorlog vertonen, als een schuldgevoel. Hij hoefde niet meer op de plattegrond te kijken. Hij liep gewoon rechtdoor, stak de spoorbrug over en daarna een andere brug over de Spree. Misschien was het een omweg, maar dat deed er niets toe.”

 

 
Patrick Modiano (Boulogne-Billancourt, 30 juli 1945)

Lees meer...

Alexander Trocchi, Jacques de Kadt, Christopher Nolan, Martijn Simons

 

De Schotse schrijver Alexander Trocchi werd geboren op 30 juli 1925 in Glasgow. Zie ook alle tags voor Alexander Trocchi op dit blog en ook mijn blog van 30 juli 2010.

Uit: Young Adam

“A moment later she looked round. Her curiosity had got too much for her, and she caught me looking at her. Her look was uncertain.
She flushed slightly, maybe remembering the egg, and then, very quickly, she returned to her chore.
The police sergeant was making notes in a little black notebook, occasionally licking the stub of his pencil, and the other cop was standing with his mouth open watching the stretcher-bearers who seemed to be taking their time. They had laid down the stretcher on the quay and were looking enquiringly at the police sergeant, who went over and looked under the sheet which they had thrown over her when they put her on the stretcher. One of them spat. I glanced away again.
Out of the corner of my eye I saw Ella’s legs move.
Four kids from somewhere or other, the kind of kids who hang about vacant lots, funeral processions, or street accidents, stood about five yards away and gaped. They had been there almost since the beginning. Now the other policeman went over to them and told them to go away.
Reluctantly, they moved farther away and lingered. They grinned and whispered to each other. Then they whooped at the gesticulating cop and ran away. But they didn’t go far, just round the corner of the shed across the quay, and I could see them poking their heads out round the corner, climbing over each other into sight. I remember one of them had flaming red hair.
The ambulance men had lifted the stretcher again but one of them stumbled. A very naked white leg slipped from under the sheet and trailed along the ground like a parsnip. I glanced at Ella."

 

 
Alexander Trocchi (30 juli 1925 – 15 april 1984)
In 1971

Lees meer...