22-03-11

Gabrielle Roy, Ludvík Kundera, Léon Deubel, Edward Moore, Karel Poláček, Nicholas Monsarrat, Hans Grimm

 

De Canadese schrijfster Gabrielle Roy werd geboren op 22 maart 1909 in Saint Boniface, Manitoba. Zie ook mijn blog van 22 maart 2007 en ook mijn blog van 22 maart 2009 en ook mijn blog van 22 maart 2010. 

 

Uit: Children of My Heart

 

„Now I recognized him: an immigrant from the Abruzzi who had recently come to our town. As yet unable to find work in his own trade of upholsterer, he was doing odd jobs here and there. This was why I had seen him one day in our neighbourhood, digging up a patch of ground. I remembered that his little son has been with him, trying to help, that the two never stopped talking as they worked, no doubt spurring each other on, and that this murmur in a foreign tongue, at our fields’ edge, had seemed to have a special charm.

I went over to them with the very best smile I could muster. As I came near, the child cried out in terror and clung even more desperately to his father, who trembled on contact. I could see that he wouldn’t be much help. On the contrary, with his caresses and soft words he did nothing but keep alive the hope that he might weaken. And in fact the father began to plead with me. Since the boy was so unhappy, wouldn’t it be better to take him home just this once, and try again this afternoon or tomorrow morning, when he’d have time to explain what a school was.

I saw them hanging on my decision, and took my courage in my two hands: “No, when you have to make the break, it doesn’t help to wait.”

The father lowered his eyes, obliged to admit I was right. Even between the two of us we had trouble detaching the child; as soon as we loosened the grip of one hand it slipped away to grasp another handful of the father’s clothing. The odd thing was that while he continued to cling to his father he was furious with him for taking my side, and through his tears and hiccups was calling him a heartless wretch, or words to that effect.“

 

 

 

Gabrielle Roy (22 maart 1909 – 13 juli 1983)

 

 

Lees meer...

21-03-11

Hamid Skif, Hubert Fichte, Peter Hacks, Michel Bartosik

 

De Algerijnse schrijver en journalist Hamid Skif werd geboren op 21 maart 1951 in Oran. Zie ook mijn blog van 21 maart 2009 en ook mijn blog van 21 maart 2010.

 

 

L‘ARBRE

 

J´étais venu me pendre à la plus haute branche

Mais l´arbre prit peur

Il s´est enfui en entendant mes pas

Je n´ai plus d´arbre

dans ce lieu ou l´homme n´habite que son ombre

Ôu les chiens n´habitent que l´ombre de l´homme

 

Ôu le vent est une blessure du ciel

Ôu la pluie mange les jours de fête

 

Je me suis assis sur le sable

De ma poche j´ai tiré une branche de papier

Je l´ai plantée à mon ombre

Et je suis devenu aussi grand

 

que l´arbre qui ferme l´horizon

 

 

 

 

O MEIN HERZ

 

O mein Herz

Sag nichts

Sag kein einziges Wort

Gib die Worte dem Honighändler

der durch die Straßen geht

die Hand über den Brauen, um seine grünen Augen zu

schützen

und bete

dass sie dich nie vergisst

dass sie jede Nacht deinen Namen schreit

und bete weiter

dass sie dir den Mondstrahl schenkt aus ihrem Körper

Bete für dich und für sie

Bete weiter, dass sie deine Wunden in sich behält

und mit dem Balsam reibt aus ihrer Seele

 

 

Vertaald door Andreas Münzer

 

 

 

Hamid Skif (Oran, 21 maart 1951)

 

 

Lees meer...

Youssef Rzouga, Jean Paul, Günter Vallaster, Siegfried Kapper

 

De Tunesische dichter Youssef Rzouga werd geboren op 21 maart 1957 in Mahdia. Zie ook mijn blog van 21 maart 2007 en ook mijn blog van 21 maart 2008 en ook mijn blog van 21 maart 2009 en ook mijn blog van 21 maart 2010. 

 

 

Ein Denkmal für Ihre Majestät Die Bedeutung

 

Vom Andalusien der Vorfahren bis Karthago

Zog der Stamm Ibn Khalduns hinaus in die Welt

Damit zwischen einem Morgen und dem nächsten geboren wurde: Khaldun

Und als die Pest die Eltern überfiel

Und alle Alten des Dorfs

Blieb dem vom Wort besessenen Schüler

Nichts außer dem Reisen einer Waisen in der Welt

Die Wellen warfen ihn ins Ungewisse

Und ihm geschah was ihm geschah

Er bekam Schneidezähne

Er traf am Hof des Sultans ein

Eine zitternde Hand suchte

Zwischen den Gittern ihre Finger

 

Er hatte etwas zu den Geschehnissen zu sagen

Und was geschah war überwältigend:

Das letzte davon war der mächtige Wirbelsturm

Er überfiel das Meer

Verschluckte die Bäume

Und es blieb eine Waise von 70 Jahren

Kämpfte gegen das, was kam, mit dem Schweigen

Und die Genügsamkeit ist nichts als

Das Bild im

Gealtertern Spiegel

 

Hier steht Ibn Khaldun

Den Bejaia kennt

Und Fez

Und ihn kennen sogar die Beduinenstämme in El-Jarid

Mank kennt ihn von Bethlehem bis Gaza

Jerusalem kennt ihn

Auch Damaskus mit Timur dem Lahmen

Der Nil

Das Gefängnis

Und Andalusien

 

Hier steht Ibn Khaldun das Waisenkind

Er bewohnt sein Denkmal, gewickelt in

Ihre Majestät Die Bedeutung

Und es gibt keine Bedeutung außer für seine Hände

Erhoben seit Anbeginn der Geschichte

Für den Menschen in seiner Zivilisation

 

Hier steht Ibn Khaldun

In „Al-Muqaddima“

Die ihn schrieb

Gerichtet an den Stamm

Der ihn morgen schreiben wird

Und derselbe Stamm wird ihn morgen hervorbringen

Wie er einst ihn tötete

 

Hier steht Ibn Khaldun das Waisenkind

Wie er das Vergangene beweint

Ein Denkmal, zu dem die Touristen pilgern

In den Armen hält er die Ewigkeit: Sein Buch/Inhalt seiner Vision.

Erhaben steht er im Herzen der Stadt

In ihren offenen Adern zu beiden Seiten:

„Baha bil Bahri“ wo er steht

Und „Al-Mutawassat“

 

Geh doch ein wenig zur Seite

Damit ich das Denkmal in seiner Geschichte sehe, Rosa.

In ihm sehe ich dich wieder

An der Küste Alexandrias

Als letzte Frau

Die eine Verabredung ihres Himmels verschiebt.

 

 

Vertaald door Mustafa Al-Slaiman

 

 

 

 

Youssef Rzouga (Mahdia 21, maart 1957)

 

Lees meer...

Romenu 1e Lustrum, Willem de Mérode

 

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies vijf jaar. Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit Blog, ook nu weer een gedicht van hem. Vanwege dit lustrum en voor uw en mijn gemak zet ik echter op deze pagina ook alle eerder geplaatste gedichten nog eens op een rij. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en voor het overige de Willem de Mérode tags op dit blog bij Skynet.

 

 

Zijn ziel en adem was doorgeurd van wijn 

 

Zijn ziel en adem was doorgeurd van wijn.
Hij leunde in zijn verscheurde kaftan tegen
De deur der kroeg en stamelde verwegen
Van God en wereld en zijn eigen pijn.

'Gunt Gij de mens alleen rampzalig zijn?
Waarom wordt 't leven ongevraagd verkregen?
Maak ons als 't stof waaraan wij zijn ontstegen!
Wees ééns barmhartig en beveel: verdwijn!'

Hemels onwrikbaarheid en menslijk dwalen
Hoonde hij en prees 't dronken ademhalen
Tussen 'nog niet' en 'niet meer' 't hoogst genot.

Maar in de roes en enkle stille dromen
Werd al zijn wrevel van hem weggenomen
En schreeuwde hij beschaamd als kind om God!

 

 

 

Eenzamen

Is er een nood, die meerder nijpen kan
dan deze:
In liefde lusthof zijn een eenzaam man
En een bevreesde?

 

En mogen niet de martelende pijn
Aan andren toonen,
Maar moeten trotsch van hart en hoog van oogen zijn,
Als liefdes blijdste zonen.
 

 

En krimpend van de nooitgenezen wond,
Die staag blijft bloeden,
Gaan zij met monden mild en minlijk rond,
Andren ten goede.
 

 

Geen kruid geplukt in blanken dageraad
met hopend vreezen,
Geen bloeisel uit nachts gouden sterregaard
Kan hen genezen.
 

 

Geen balsem en geen donkre toverspreuk
Hun leed verzachten
De laafnis voor de doodelijke breuk
In smartlijk smachten.
 

 

O liefde! red uit dit onlijdbaar leed,
Of dood door uwen donder!
Uw heil, ach éens, uw heil, wie daarvan weet,
Gaat juichend onder.

 

 

 

  

BRUSSEL - I

 

 

Groote Markt

 

Gul en kunstzinnig is het volk geweest,
Statig van bouw en prachtig blauw van oogen,
Die gretig-wijd het gouden zonlicht zogen,
Geestig van zin en zinnelijke van geest

Hun huizen zijn als vrouwen op een feest,
Voornaam en moe, iets tot elkaar gebogen,
Met rag van kanten beeldhouwwerk omtogen,
En blank verguld, de burgerlijkste 't meest.

Hun ouderdom volmaakte tooi en luister,
Zij droomen in een schemering van duister
Verheven boven het moderne grauw.

In de weerspiegelingen hunner ramen
Vloeien de beelden van 't verleden samen
En flonkeren als zonneschijn in dauw

 

 

 

LENTE

 

De hemel luwt, de lente staat te komen.
De visch spat als een vonkenzwerm omhoog.
De vogel tooit zich met den regenboog.
En eensklaps bloeien de verstokte boomen.

Een roode bliksem slaat dwars door het bloeien.
Een rood gewaad heeft mijn bestaan verschrikt.
Verbleekt heb ik den chaos ingeblikt.
Boven den oergrond hang ik ijl te bloeien.

 

 

 

De Gedroomde Zoon -

  

O droom, die in een slapeloozen nacht
Verschenen zijt voor wakkre brandende oogen.
Gij naamt uit mij vorm en bestaansvermogen.
'k Heb u verwekt en smartlijk voortgebracht.

Eindelijk zie ik, bang, de late pracht
Van uw gelaat, o zoon, mij toegebogen:
Trillende wimpers over tintlende oogen,
Zoo warm en diep en donker als de nacht.

Er moet veel eenzaamheid en lijden komen,
Eer wij ons troosten mogen met de droomen,
Die als een lichten uit ons molm ontstaan.

Wij liggen machtloos in het rustig duister,
En, moede, zien wij moedig naar den luister
Die uit ons opglanst ..., maar wij zijn vergaan.     

  

 

 

EERSTE LIEFDE

  

De jongen schrijft; 'over 't papier gebogen
Heb ik hier nu al haast een uur gezeten
Te denken wat ik zeggen zal; wij weten
Vaak maar alleen wat wij niet zeggen mogen

Ik heb zoo dikwijls door de schuttingreten,
Die ik verwijdde, je bespied; je oogen
Verwilderden mijn fantasie; met droge
Handen van hartstocht heb ik daar gezeten.

Maar jij hebt koelnieuwsgierig mij bekeken,
Als ik waanzinnig lachend met je schertste
Op school, terwijl mij polsen bijna berstten
van 't dringend bloed; dan kon ik niet meer spreken.

Je weet misschien niet dat een jongenshart
Teeder is en heel lang gekwetst zal blijven.
Ik heb je lief, ik wil het eenmaal schrijven.
Morgen ben ik weer stom als jij mij tart.

Maar 'k wil mijn leven bouwen en verheffen
En als een toren in de vlakte zijn.
Waarom moeten oogen zoo machtig zijn?
Ik wou wel weenen om dit te beseffen'.

 

 

 

In vriendenkring drink ik de gouden wijn

  

In vriendenkring drink ik de gouden wijn.
In eenzaamheid ben ik bedroefd en ween.
O arm aards dal, waar 't onbestendige standhoudt.
Het beste is hier: altijd dronken zijn.

  

  

  

De brief

  

Toen de avond de kamer innam,
Werd de spiegel met licht gevuld.
De brief, die ik niet meer lezen kon,
Glansde koel als het zachte gezicht
Van een kalm gestorvene,
Wiens lippen een vleug warmte vasthouden
Om onze laatste kus niet te verschrikken.
De samenvouwing der handen
Wil ons naderen reeds niet meer kennen,
Hun verstrengeling weert ons.

Onder de zoete woorden staat een naam gekrabbeld.
Liefkozend spreek ik die uit.
Aan mijn tanden tintelt ijs.

  

  


Strofe

  

Bloemen en jeugd zijn opgenomen
In een wit glanzen; ons hart is ontdaan.
Zij moeten tot het grote rijpen komen,
In wijde stilte wezen, en voortaan
Zwaarder leven, en schielijk verloren
Gaan aan zichzelf, aan alles vergaan.
Bloemen en jeugd ... een kort rood gloren
Zien wij langs onze tranen slaan.
God, als zij U niet toebehoren,
Waarom blaast Gij hun lichten aan?

 

 

 

Waanzin

  

Ik leef niet meer als ik u niet aanschouw.

Mijn denken is in leegte weggezonken.

’k Zie ’t licht niet meer, maar ballen vuur en vonken

En dan duikt alles in een nacht van rouw.

  

Er is een luide suizing in mijn oor,

Waar alle stemmen effen in vervloeien,

Tot klanken, schoon als bloemen, open bloeien,

En met een schok is ’t dat ‘k u noemen hoor.

  

Dit is beminnens waanzin, zeer gevreesd,

Wijl niemand uit haar weerloosheid geneest,

Of van haar laten wil, dan om te sterven.

  

Daar is geen leven buiten uw verband.

Blindelings tast ik langs de wereldwand

En stoot mijzelf gelijk een vaas aan scherven.

 

 


Wachten

  

Nu komt het donker met zijn zoet
Berouw en met zijn week verdriet.
Nu stijgt verlangens lauwe vloed
Ter lippen... en gij zijt er niet.

Gij zijt hier niet... ik luister stil
Naar 't suien van de wind der nacht,
Die stadig uit het duister wil
Verschijnen... waar ik op u wacht.

Maar 't ondoorgrondelijke zwart
Kiert nimmer open voor uw voet.
En 't jagend bonzen van mijn hart
Draagt niet tot u, die kòmen moet,

Die mòet en die niet komen zult,
Niet komen zult, hòe lang ik wacht.
En mijn wanhopig ongeduld
Verschrei 'k ellendig in de nacht.

  

  

Geluk

  

Toen zagen wij de wolken kruien
En wachtten door de zwoele dag
Het breken van de donderbuien
In regenvlaag en hagelslag.

En de avond daalde en geen vertroosten
Van koelte en geen verkwikken kwam.
Toen barstte ’s nachts het grommend oosten
In blauwe gloed en rode vlam.

Wij haalden onze adem ruimer
En zonken uit de lauwe druk
Tot Uwe grondeloze sluimer
En waakten klaar – is dát geluk?

  

  


Erkenning

  

Er is geen leed, er zijn geen tranen meer.
't Is al door Uwe liefdebrand verslonden..
De dood is als een schaûw voor u verzwonden.
Wij zien slechts licht, wij zien alleen de Heer!

 

 

 

Sledevaart

 

Herinnering aan vrijdagmorgen
28 december 1923


Dit is het laatst geluk gweest,
Dat u en mij op aard'verbindt:
Een sledevaart door sneeuw en wind,
En dit geluk gedenk ik 't meest.

Er was geen leven en geen tijd.
onder een hemel van ivoor
Gleden wij stil de stilte door
Der smettelooze oneindigheid.

Peilde onze diepe veiligheid,
Aan 't tuig 't gelui der zuivre klok?
Opeens doorvoer 't mij met een schok:
Dit is des Heeren heiligheid.

Want roerloos, boven en beneê,
Stond 't ijle licht, dat schrikt noch blindt,
En 'k werd zoo rustig, of 'k weer, kind,
Op moeders schoot den slaap in gleê.

Wij spraken weinig en verstrooid.
Geluid drong tot geluk niet door.
De wereld ging voor mij teloor,
Maar uw gelaat vergeet ik nooit.

't Was of Gods niet te naken gloed,
Die helder oplaait in uw ziel,
Door blinkend prisma tot mij viel
Met al de warmte van uw bloed.

Even voor dit juweelen licht
Heeft duizels donker mij bedekt.
Toen heeft uw lach mij opgewekt

En zag 'k uw glanzend aardsch gezicht

 

 

GANYMEDES (fragment)

 

Zijn schoonheid had haar rijkste bloei bereikt,

Nog éne dag, de schuchterheid der jeugd

Zou groeien tot de donkre durf des mans,

En hunkrend gloeien door zijn straffer lêen.

Maar nog niet : bevende was daar een glans,

Nu zilvren en dan even goudgetint,

Dan klaar en blank, dan diep- en purperrood,

Al naar hij wendde en ging, of danste of lag,

Al naar het siddrend rhythme van zijn aêm

Verdeinde rustig, of gejaagd en kort

En hijgend ging, wanneer begeerte heet

Met pijnigende slag zijn bevend hart

Deed bonzen hoorbaar, en het ziedend bloed

De polsen zwol ter suizelende slaap.

En al de heerlijkheid ontwaakter jeugd

Die schoon en veeg is als de morgendauw

Als haar de zon verheerlijkend verderft,

Straalde verblindend in Zeus' felle licht.

De goden minnen zeer het schoon geslacht

Der sterfelijke knapen, en hun glans

Huwt gaarne zich aan blode donkerheid.
Zo Zeus. - Hij zag de zoete heimlijkhêen

Waarmee zich Ganymedes iedre dag

Naar ziel en lijf, één enig offer, bood,

Als hij der haren donkre overvloed
Streek van het klare voorhoofd; als hij 't oog

Verdroomd liet dwalen langs het helle blauw

Des hemels, of, (de dauwen avondlucht

Was zijner lichte leden wazen kleed)

Ging, vleesgeworden smachten, gans alleen,

De weedom door van 't scheemrig geurend veld.

Zeus zag, en peinsde aan de aanminnigheid

Der ogen en de zoete prille mond,

Wiens kuise lieflijkheid was onberoerd,

En aan de schelpen zijner oren, waar

Het fluisteren der goddelijke stem

Zou wonen als 't geruis der eeuwige zee;

En aan de bleke blauw doorâerde hals,

Even gebogen, vloeiend wederzijds

Uit in de breekbre pracht der schouderen :

En peinsde aan zijn handen, smal en rap,

Die prijkten aan der armen kostlijkheid;

En aan de matte glans der nagelen,

Die droegen op hun flauw gebogen vlak

De bleke sikkel van Selenes beeld

Boven der vingren zongebronsde huid;

En peinsde aan zijn jonge ranke lijf,

En aan de huiverende zuiverheid

Der dijen en der knieën blank gewricht;

En peinsde aan de lichte statigheid

Der benen en d'aanbiddelijke dans

Der voeten, als zij gingen over de aard.

En heel dit broze en sterfelijke schoon

Beminde hij, wanneer het gouden licht

Van Helios de knaap deed glanze' als god,

En als Selenes zilveren gewaad

Hem kleedde boven gods onwelkbre pracht.

En Zeus beminde hem dees laatste dag

Van zijne jeugd ...

 

 

 

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)

Portret door Alfred Löb, 1936

 

18:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: romenu, lustrum, willem de mérode |  Facebook |

20-03-11

Jens Petersen, David Malouf, Friedrich Hölderlin, Benoît Duteurtre,Touré, Gerard Malanga

 

De Duitse schrijver en arts Jens Petersen werd geboren op 20 maart 1976 in Pinneberg. Zie ook  mijn blog van 20 maart 2007 en ook mijn blog van 20 maart 2009 en ook mijn blog van 20 maart 2010.

  

Uit: Bis dass der Tod

 

„Alex hebt den Taschenspiegel und sieht sein Zerrbild, schabt sich die Zähne mit einem geschnitzten Buchenstab, reibt sich die Achseln, befeuchtet das Gesicht und rasiert sich dann mit der letzten Klinge aus dem klammen Jutesack. Er sieht in den Spiegel und wischt das Blut weg, richtet sich schließlich auf, hustet und lauscht dem Schwingen der Schleimfäden in seinen Bronchien. Die Luft riecht nach Winter. Er stemmt die Hände in sein pochendes Kreuz, betrachtet die Türme des Heizkraftwerks am anderen Ufer, das Schwemmgut im Schilf – hagere Äste, ein schneebedecktes Stück Schutt, einen gefrorenen Fischkadaver. Er hustet noch einmal und spuckt in den Fluss.

Drüben, im Schatten der Brückenpfosten, steht der Wohnwagen. Die anderen Camper sind lange fort, kommen im Frühjahr wieder oder nie, da manche von ihnen längst alt geworden sind. Seine Lippen zittern. Zwei Stunden noch bis Mittag, denkt er. Er hat den schmalen Pfad geschippt, das Tonnenfeuer gelöscht, erneut den kargen Busch gestutzt und schließlich das alte Benzin aus dem Aggregat in eine Wasserflasche gefüllt. Über den Himmel ziehen Wolken. Am Uferweg hockt ein Hund.

Nachts hat er von Nana geträumt. Sie trug ihr Leichenhemd. Ihr Körper war winzig und dürr, mit Händen wie rostige Harken, flach aufeinandergelegt und gebunden über der trockenen Brust. Sie lag auf der Bahre in einem Raum mit kaltem elektrischem Licht. Als Alex schließlich aufgewacht war, lag er mit surrendem Kopf wie im Fieber und wälzte sich zwischen den stinkenden Decken herum. Er tastete nach ihrem Körper, zupfte den Schlafsack zurecht, nahm ihre Hand und strich darüber.“

 

 

 

Jens Petersen (Pinneberg, 20 maart 1976)

  

 

Lees meer...

Ricus van de Coevering, Christoph Ransmayr, Henrik Ibsen, Henning Heske, Peter Berling

 

De Nederlandse schrijver Ricus van de Coevering werd op 20 maart 1974 in Asten geboren. Zie ook mijn blog van 20 maart 2010.

 

Uit: Sneeuweieren 

 

„Nadat Olga de muziekstandaard opzij had gezet en de voordeur voor het eerst sinds weken had geopend – een tochtvlaag gleed de hal in, vellen bladmuziek waaiden over de tegels –, liep ze over het grindpaadje tussen de stokrozen door naar de weg.

‘David?’ riep ze. ‘Daaa-vid!’

Het meer in de verte weerspiegelde de grijze wolken. Vroeger, als schoolmeisje, ging ze er wel met de klas schaatsen. Op een keer bleef ze met een paar vriendinnen achter. Toen het begon te schemeren, kon ze rond het meer blauwachtige schimmen zien rondwaren. Ze wist wel dat het fosfor was, maar toch vond ze het akelig. Ze moest denken aan het lijk dat eens in een turfgat was gevonden. Uit onderzoek bleek dat de man veertienhonderd jaar in het zuurstofarme veen bewaard was gebleven. Er was een artikel over hem in de krant verschenen. Hij was een zendeling uit het zuiden geweest met een kruisje aan een ketting rond zijn hals. Op zijn reis had hij wat zinken pannen meegenomen om onderweg te verkopen en ondertussen te vertellen over Gods paradijs. De primitieve, zelfvoorzienende boeren in deze streek hadden hem vermoedelijk niet geloofd. Ze hadden hier hun eigen goden, heksen en demonen. Misschien moesten ze eerst om hem lachen, maar werden ze bang toen hij volhield. Hadden ze hem ’s nachts het moeras in gejaagd? Olga kon zich voorstellen hoe het gerinkel van zijn pannen in de duisternis moest zijn weggestorven. Tweehonderd jaar later verschenen de eerste houten kerktorens in de dorpjes.

Inmiddels lag de zendeling in een glazen kistje in het museumpje van Ampel opgebaard. Olga was eens met David gaan kijken. David had gefascineerd naar het lijk van de man gestaard, waarvan de huid verschrompeld en gedroogd was als de afgeworpen huid van een slang. David zei dat hij niet begreep waarom de man zijn geloof was blijven verdedigen. Waarom had hij niet gezegd dat God niet bestond? En dat het verhaal over de hemel een grap was? Dan had hij de volgende ochtend naar een dorp verderop kunnen lopen om te zien of ze hem daar wél geloofden.“

 

 

 

Ricus van de Coevering (Asten, 20 maart, 1974)

 

Lees meer...

Josef Reding, Andrée Chedid, Ovidius, Ralph Giordano, Alicia Kozameh

 

De Duitse schrijver Josef Reding werd geboren op 20 maart 1929 in Castrop-Rauxe. Zie ook mijn blog van 20 maart 2009 en ook mijn blog van 20 maart 2010.

 

Uit: Erfindungen für die Regierung und andere Satiren 

 

Eine Gartenlaube für den Bundespräsidenten. Das organische Rankenwerk, das einstens unseren Vorvätern mit Wein und Efeu Zuflucht gewährte, wird angemessen ersetzt durch künstliche Lianen, billig gewonnen aus dem Tonband-Geschlingsel jener unzählbaren und unsagbaren Reden, die zur Hundertjahrfeier örtlicher Kaninchenzuchtvereine und bei Eröffnungszeremonien des Kongresses internationaler Andenkenverkäufer in der rhetorischen Kunstgewerbeabteilung des Präsidialamtes bestellt wurden. Die Vorhänge aus den Bändern, die von den Funkhäusern sicher mit Kusshand zum Fenster hinausgeworfen werden, sind bewusst dicht gehalten, um auch die letzten Möglichkeiten eines etwaigen Weitblicks endgültig schwinden zu lassen.
Im Zentrum der Anlage ist ein "Café Chancellor" etabliert, dessen Leitung der Bundeskanzler gewiss gern zu seinen bisherigen Offizien übernehmen wird. Es fehlen weder ein Espressogerät für kalten Kaffee noch eine Raucherbar für starken Tabak. Rechts vom Porträt Bismarcks in der Stammtischecke hängen niedlich gerahmte Wandsprüche wie "Die Lage war noch nie so ernst" und "Ich bin, wer ich bin", links davon berühmte letzte Worte wie "Seid nett zueinander" und "Eisern, aber mild!" Eine Vitrine soll den Häuptlingsschmuck der Plattfuß-Indianer, eine erweiterungsfähige Sondergarderobe die Ehrendoktorhüte bewahren. Ein livrierter Hinausschmeißer am Portal des Cafes sorgt für Gemütlichkeit der Ministerrunde.“
 

 

 


Josef Reding (Castrop-Rauxe,
20 maart 1929)

 

 

Lees meer...

Herinnering aan Hugo Claus

 

Gisteren was het drie jaar geleden dat de Belgische dichter-schrijver-kunstenaar-filmer Hugo Claus  overleed. Zie ook mijn blog van 5 april 2007 en ook mijn blog van 5 april 2008 en ook mijn blog van 19 maart 2008 en ook mijn blog van 5 april 2009 en ook mijn blog van 20 maart 2009 en ook mijn blog van 5 april 2010

 

 

Ik draag van alles

 

Ik draag van alles, brood, kaas
een bom of een verminkte kat.
Dragen is mijn redding.

Ook van binnen draag ik,
vragen, tranen, gedaas
en een karrenvracht solaas.

Als ik niet draag
is er een gemis
dat niet te dragen is.

Het dood dier dat ik droeg
heeft mij gelikt
tot ik geen gezicht meer had.

 

 

 

Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)


16:52 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hugo claus, romenu |  Facebook |

19-03-11

Philip Roth, Lynne Sharon Schwartz, Hans Mayer, William Allingham, Lina Kostenko, Kirsten Boie

 

De Amerikaanse schrijver  Philip Roth werd geboren op 19 maart 1933 in Newark. Zie ook mijn blog van 19 maart 2007 en ook mijn blog van 19 maart 2008 en ook mijn blog van 19 maart 2009 en ook mijn blog van 19 maart 2010.

 

Uit: Nemesis 

 

„Summers were steamy in low-lying Newark, and because the city was partially ringed by extensive wetlands - a major source of malaria back when that, too, was an unstoppable disease - there were swarms of mosquitoes to be swatted and slapped away whenever we sat on beach chairs in the alleys and driveways at night, seeking refuge out of doors from our sweltering flats, where there was nothing but a cold shower and ice water to mitigate the hellish heat. This was before the advent of home air conditioning, when a small black electric fan, set on a table to stir up a breeze indoors, offered little relief once the temperature reached the high nineties, as it did repeatedly that summer for stretches of a week or ten days. Outdoors, people lit citronella candles and sprayed with cans of the insecticide Flit to keep at bay the mosquitoes and flies that were known to have carried malaria, yellow fever, and typhoid fever and were believed by many, beginning with Newark's Mayor Drummond, who launched a citywide "Swat the Fly" campaign, to carry polio. When a fly or a mosquito managed to penetrate the screens of a family's flat or fly in through an open door, the insect would be doggedly hunted down with fly swatter and Flit out of fear that by alighting with its germ-laden legs on one of the household's sleeping children it would infect the youngster with polio. Since nobody then knew the source of the contagion, it was possible to grow suspicious of almost anything, including the bony alley cats that invaded our backyard garbage cans and the haggard stray dogs that slinked hungrily around the houses and defecated all over the sidewalk and street and the pigeons that cooed in the gables of the houses and dirtied front stoops with their chalky droppings. In the first month of the outbreak - before it was acknowledged as an epidemic by the Board of Health - the sanitation department set about systematically to exterminate the city's huge population of alley cats, even though no one knew whether they had any more to do with polio than domesticated house cats.“

 

 

 

Philip Roth (Newark, 19 maart 1933)

 

 

Lees meer...

Ion Barbu, Rosalie Loveling, Tobias Smollett, Petar Preradović, Irving Wallace, Peter Abrahams

 

De Roemeense dichter en wiskundige Ion Barbu (eig. Dan Barbilian) werd geboren op 19 maart 1895 in Câmpulung. Zie ook mijn blog van 19 maart 2007 en ook mijn blog van 19 maart 2009 en ook mijn blog van 19 maart 2010. 

 

 

Uvedenrode
 
At the ravine Uvedenrodes
So many gastropods!
Suprasexual,
Supramusical.

Gastropodists!
Such clear rhapsodists
Ode-singing modistes
The skies are all scarves
Antennae in harps.

Uvedenrodes
Over time, over modes—
Palinodes!

The hour, crystalline,
Next to virgin Geraldine!

Her lacy veil—
Flower of chain mail,

And through her arms—
Icebergs with charms!

To the sacred sun—
This song, bar none.

Ordered spire,
Sound,
Fruit of a lyre,
Ending  paralogical
Cradle mythological,
From the high spheres
You appear:
Oh knave of wave
Over the cavalcade,
The cave over it in an arcade!

Self contained lust,
A girl with a bust
Slides, but just
Once, then she slides
Twice, then nine times,
Until she feels
Light shivers and thrills
Until you spin her,
Gastropodal blur;

Until into many
Attentive antennae
You lower her down:

Like a pendulum rocks,
A useless box,
Under times,
Under modes,
In Uvedenrodes.

 

 

 

Ion Barbu (19 maart 1895 – 11 augustus 1961)

 

Lees meer...

18-03-11

Christa Wolf, John Updike, Charlotte Roche, Wilfred Owen, Stéphane Mallarmé

 

De Duitse schrijfster Christa Wolf werd geboren op 18 maart 1929 in het huidige Poolse Gorzów Wielkopolski. Zie ook mijn blog van 18 maart 2007 en ook mijn blog van 18 maart 2008 en ook mijn blog van 18 maart 2009 en ook mijn blog van 18 maart 2010.

 

Uit: Hierzulande Andernorts 

 

„How are you today? Fine! höre ich mich sagen und habe den ersten Beweis, daß neue Reflexe sich bilden, denn wie hätte ich noch vor ganz kurzer Zeit, gestern noch, mein Gehirn umgegraben nach einer schnellen zutreffenden Antwort, die heute pretty bad lauten könnte, oder müßte, bis ich begriff, daß nichts von mir verlangt wurde, als ein Ritual zu bedienen, das mir auf einmal beinahe human vor-

kommen wollte, Elevatorsyndrom, denke ich und sehe wohlwollend die junge Dame aus dem Staff an, die, superschlank in ihrem knapp sitzenden Kostümehen, ein zu einem Schwan aus Goldpapier geformtes Geschenk auf der flachen Hand, nach oben schwebt in die Gefilde der Seligen, nämlich in den zehnten Stock, wohin ich, angewiesen auf jenes mit meinem Foto versehene, am Jackettaufschlag zu befestigende Schlüsselbündchen, das in schmalen, ausziehbaren Schränkchen bei der Security im vierten Stock verwahrt wird, niemals hinaufstrebe, obwohl es uns ja keineswegs verwehrt wäre, von dort oben den sicherlich noch weit eindrucksvolleren Blick auf die Palmen und den Pazifik oder, aus einer anderen Fensterreihe, auf die Santa Monica Mountains zu genießen, der mir aber, sage ich mir, wieder im Elevator, how are you today, fine, aus dem sechsten Stock, der mir zugewiesen ist, nicht nur genügt, sondern als genau angemessen erscheint, was unlogisch und

merkwürdig ist, eine kokette Selbstbescheidung? Doch wohl nicht, denke ich, während das andere Tonband in meinem Kopf, von dem die Rede noch nicht war, weiterläuft, es kann ja von allem, was gleichzeitig geschieht, nicht gleichzeitig die Rede sein, denke ich nicht ohne Bedauern, Der Spur der Schmerzen nachgehen, das sagt sich so, wenn du schmerzfrei bist, aber nun stehen wir in der Lounge, und die Sonne macht aus ihrem heutigen Untergang etwas Besonderes, eine Steigerung, die ich nicht für möglich gehalten hätte, und wir sehen stumm ihrer Inszenierung zu, bis jemand den Einfall hat zu sagen: God exists. How are you, Tony?“

 

 

 

Christa Wolf (Gorzów Wielkopolski, 18. März 1929)

 

Lees meer...

Héctor Bianciotti, Hellema, Friedrich Hebbel, Max Barry, Wolfgang Bauer

 

De Argentijnse schrijver Héctor Bianciotti werd geboren op 18 maart 1930 in Córdoba. Zie ook mijn blog van 18 maart 2007 en ook mijn blog van 18 maart 2008 en ook mijn blog van 18 maart 2009 en ook mijn blog van 18 maart 2010.

 

Uit : Ce que la nuit raconte au jour

 

« A l'âge de douze ans, le garçon entre au séminaire:

Lorsque, précédé de frère Salvador, je passai le seuil séparant le monde de la clôture, je crus que du plus haut le Ciel m'accordais la bienvenue: au moment où les lourds vantaux se refermaient derrière moi, et que les voûtes de la galerie à colonnes encadrant le jardin répondaient en écho à mes chaussures neuves, d'une cellule s'échappait, louée au piano, la musique que naguère, j'avais tenté de retenir, et dont la perte me chagrinait toujours. Je saurais, ce jour-là, qu'il s'agissait de l'andante de la sonate dite "au clair de lune". Interloqué, frère Salvador, que j'interrogeais avec angoisse, de peur que la mélodie ne reparte à jamais, interrompit l'exécutant - qui deviendrait, bientôt, mon maître de solfège. Le père Rodriguez était un homme très grand et, de manière uniforme - sans abdomen en saillie à l'époque, ni double menton -, en apparence plus massif que gras. Des doigts aussi courtauds que les siens, au bout aussi large que les touches blanches du piano, je n'en avais jamais vu à la campagne où, les mains, outils ancestraux, souvent trop longues ou trop larges, ne se développent guère en proportion avec le corps. En fait le jeu au piano du Père consistait en un martèlement consciencieux qui, ses doigts manquant d'agilité, abattait les notes de manière très distincte; et même à l'harmonium, ses mais donnaient l'assaut au clavier en y mettant un poids superflu puisque l'intensité de la frappe ne saurait en rien renforcer les modestes possibilités de cet instrument au son gluant, plus d'accordéon que d'orgue. Or, ce jour-là, mon émotion et mon ignorance jouant de concert, dissimulé sous une solide opulence, le père Rodriguez fut le messager céleste qui, sans le soupçonner, me rendait l'un de mes tout premiers trésors. »

 

 

 

 

Héctor Bianciotti (Córdoba, 18 maart 1930)

 

 

Lees meer...

Walter Rheiner, Srečko Kosovel, Jean Anglade, George Plimpton, Richard Condon, Cosmo Monkhouse, Friedrich Nicolai

 

De Duitse dichter en schrijver Walter Rheiner (eig. Walter Heinrich Schnorrenberg) werd geboren op 18 maart 1895 in Keulen. Zie ook mijn blog van 18 maart 2009 en ook mijn blog van 18 maart 2010.

 

 

Walt Whitman

 

Wälder. Berge. Sternfall. Ströme.
Wolken rauschen, grauer Bart.
Lager zwischen Gräsern. Tierlaut.
Gott der Wildnis. Sonne tönt!

Städte glühen. Staaten wölben.
Pflaster knistert. Straßen schwingen.
Strahlen-Augen. Himmel-Hand.
Meeresküste. Schiff im Fernen.

Baum ins Blaue mächtig kreisend.
Reise. Fischfang. Nächtiges Feuer.
Herz, draus goldene Stürme stoßen.
Ruf ins Weltall: Sieg! und: Sieg!

Vater des Planeten. Zeus.
Blitz im Auge, mildes Licht.
An den Schultern siedeln Dörfer.
- O daß deine Hand ich hielte!

Ruhst du unter meinen Schritten?
Quillst du, Erden-Leib?
Frühling blühst du, Winter sinkst du.
Welt du, Klang und Sterne.

 

 

 

 

Walter Rheiner (18 maart 1895 – 12 juni 1925)

Conrad Felixmueller: Der Tod des Dichters Walter Rheiner,1925

 

Lees meer...

Tonnus Oosterhoff

 

De Nederlandse dichter en schrijver Tonnus Oosterhoff werd geboren in Leiden op 18 maart 1953. Hij debuteerde in het literaire tijdschrift in boekvorm Raster. Oosterhoff publiceerde dichtbundels, verhalenbundels, een roman en een essaybundel. Hij schreef toneel en hoorspelen. Zijn oeuvre kenmerkt zich door een onderkoelde humor en verraadt de neiging zichzelf met ieder boek radicaal te willen vernieuwen. Veel boeken van Oosterhoff sleepten een belangrijke literaire prijs in de wacht. In 2001 initieerde hij een website met bewegende gedichten die hij in het programma Flash schrijft.

 

 

Drie jongleerballen, vier kleuren

 

Drie jongleerballen, vier kleuren
van zachtgeschilderde huid.
Een, twee, drie. Een, twee, drie, vier.
Groen, geel, blauw, rood.
Zomerochtend; poes rust op 't balkon
zich een zwart roodstaartje voorstellend.
Maar het ziekenhuis om de hoek is nog onder.
En in Park Randenbroek spelen sportparen
winteravondtennis, stoomwolkjes lachend.
Drie-, vierhonderd meter is het maar
van hier tot helemaal daar.

De gebruiksaanwijzing beweert:
'En u jongleert. Gefeliciteerd!'

 

 

 

 

de nsb-er

 

de nsb-er danst onschuldog met de nsb'se
sierlijk en honds sierlijk en honds
zullen hun kinderen huilen

de beenderen in magere formatie,
op het zwart en wit estrik, op de zwartwitte tegels
zullen de kinderen stil zijn

hemel de onschuldige landverrader,
drenthe uniform uitspansel woef
zullen de kinderen voortgaan

de kinderen vooraan voortaan voortgaan
de hondschuldige hemel
stil niet huilen stil doo
rdgaan

 

 

 

Uit: Hersenmutor

 

'Je bent zo integer, zo bescheiden.'
'Voor mijn plezier!'
Het is een genoegen
Tonnus Oosterhoff te zijn.
'Ik zou het ook wel willen.'
Jawel, maar dat gaat niet!

Dat gaat niet.

 

 

 

Tonnus Oosterhoff (Leiden, 18 maart 1953)

18:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tonnus oosterhoff, romenu |  Facebook |