07-03-11

Bret Easton Ellis, Jürgen Theobaldy, Georges Perec, Milo Dor, Reinhard Kaiser

 

De Amerikaanse schrijver Bret Easton Ellis werd geboren op 7 maart 1964 in Los Angeles. Zie ook mijn blog van 7 maart 2007 en ook mijn blog van 7 maart 2008. en ook mijn blog van 7 maart 2009 en ook mijn blog van 7 maart 2010.

 

Uit: De Figuranten (Vertaald door Johannes Jonkers)

 

„Ze hadden een film over ons gemaakt. De film was gebaseerd op een boek dat geschreven was door iemand die wij kenden. Het boek was een niemendalletje over vier weken in de stad waarin we zijn opgegroeid en was grotendeels een accuraat portret. Het werd als fictie bestempeld, maar er waren slechts een paar details gewijzigd en onze namen waren niet veranderd en er stond niets in wat niet was gebeurd. Er was bijvoorbeeld echt een snuffmovie gedraaid in die slaapkamer in Malibu op een middag in januari, en ja, ik was het terras op gelopen dat uitkeek op de Stille Oceaan, waar de schrijver me probeerde te troosten door me te verzekeren dat het geschreeuw van de kinderen die gemarteld werden nep was, maar hij zei het glimlachend en ik moest me afwenden. Andere voorbeelden: mijn vriendin had inderdaad een coyote overreden in de canyons onder Mulholland, en een diner op kerstavond met mijn familie bij Chasen’s waarover ik terloops bij de auteur had geklaagd, was getrouw weergegeven. En er was echt een meisje van twaalf door een groep verkracht – ik was erbij in die kamer in West Hollywood, samen met de schrijver, die in het boek alleen een vage weerzin van mijn kant vermeldde en niet accuraat beschreef hoe ik me die avond werkelijk voelde – de geilheid, de schok, hoe bang ik was voor de schrijver, een blonde en geïsoleerde jongen op wie mijn toenmalige vriendin half verliefd was geworden. Maar de schrijver zou haar liefde nooit helemaal beantwoorden, omdat hij zo opging in zijn eigen passiviteit dat hij de door haar gewenste klik niet kon maken, en daarom had ze zich op mij gericht, maar toen was het al te laat, en omdat de schrijver niet kon uitstaan dat ze zich op mij had gericht, werd ik de mooie en versufte verteller, niet in staat tot liefde of vriendelijkheid. Zo werd ik de beschadigde partyboy die met een bloedneus door de wrakstukken zwierf en vragen stelde die geen antwoord behoefden. Zo werd ik de jongen die overal de ballen van snapte. Zo werd ik de jongen die naliet een vriend te redden. Zo werd ik de jongen die niet van het meisje kon houden.“


 

 

 

Bret Easton Ellis (Los Angeles, 7 maart 1964)

 

Lees meer...

Abe Kōbō, Manuel del Cabral, Jan Frederik Helmers, Manfred Gregor, Alessandro Manzon

 

De Japanse schrijver Abe Kōbō werd geboren op 7 maart 1924 in Tokyo. Zie ook mijn blog van 7 maart 2007 en ook mijn blog van 7 maart 2008 en ook mijn blog van 7 maart 2009 en ook mijn blog van 7 maart 2010.

 

Uit: The ruined map (Vertaald door E. Dale Saunders)

 

„On the left was a sharp rise with a high protective wall of stone blocks piled on top of each other. On the right was an almost perpendicular cliff, set off from the street by a minimally low guardrail and a ditch. I saw the drawn, pale face of the boy: he came sliding and tumbling down, as if he were holding the guardrail under his arm. My heart leapt thumping to my throat. I started to open the window with the thought of scolding the boy, but I flinched at the reproachful looks which the women cast at me. It would be easier to let him go on by, I supposed. It would be ridiculous if by agitating the women I found myself in the position of having to take responsibility for the boy's bruises. Nothing would jeopardize my situation more than their trumping up some story against me. I had to be without blemish for the present, at least around here.

I stepped on the accelerator. The car barely moved, and there was the smell of burning rubber. Suddenly the curve was there. The colors of the women, clustered around the boy who had missed death with neither loss of blood nor broken bones, flew to the side of my rear-view mirror, and clear sky appeared like the surface of a Braun tube after the picture has disappeared. The stretch of road was flat, and a small bus station lay in a wide space carved out of the hillside. There were benches with roofs to ward off the rain, a public telephone, and even a drinking fountain beside a brick enclosure that perhaps was a flower bed in summer.“

 

 


Abe Kōbō (7 maart 1924 – 22 januari 1993)

 

 

Lees meer...

06-03-11

Gabriel García Márquez, Günter Kunert, Elizabeth Barrett Browning, Stéphane Hoffmann, Teru Miyamoto, Nicolas Bouvier

 

De Colombiaanse schrijver Gabriel García Márquez werd op 6 maart 1928 in de kustplaats Aracataca geboren. Zie ook mijn blog van 6 maart 2007 en ook mijn blog van 6 maart 2008 en ook mijn blog van 6 maart 2009 en ook mijn blog van 6 maart 2010.

Uit:  Die Erzählungen von Gabriel Garcia Marquez 
(Die dritte Entsagung, vertaald door
Curt Meyer-Clason)

Da war wieder dieser Lärm. Jener kalte, schneidende, senkrechte Lärm, den er schon so gut kannte; der sich jetzt aber als scharf und schmerzhaft erwies, als sei er ihm von einem Tag auf den anderen ungewohnt geworden.
Der Lärm kreiste in seinem leeren Schädel, dumpf und stechend. Eine Wabe hatte sich in den vier Wänden seiner Gehirnschale gebildet. Sie wuchs zunehmend in aufeinanderfolgenden Spiralen und schlug drinnen und ließ seine Wirbelsäule erzittern, unmäßig und misstönend, im sicheren Rhythmus seines Körpers. Etwas war in seinem stofflichen Aufbau eines festgefügten Menschen aus der Ordnung geraten; etwas, das »bei den anderen Malen« normal funktioniert hatte und nun in seinem Kopf hart und trocken hämmerte, mit den Knochen einer abgezehrten Hand hämmerte und ihn an alle bitteren Empfindungen des Lebens erinnerte. Er fühlte den animalischen Drang, die Fäuste gegen die blauen, vom Druck des verzweifelten Schmerzes violett angeschwollenen Adern seiner Schläfen zu pressen. Er hätte den Lärm, der den Augenblick mit seiner scharfen Diamantspitze durchbohrte, zwischen seinen beiden empfindlichen Handflächen orten mögen. Mit der Bewegung einer Hauskatze zogen sich seine Muskeln zusammen, als er sich vorstellte, wie er durch die gepeinigten Winkel seines fieberzerfetzten heißen Kopfes verfolgt wurde. Er würde ihn gleich einholen. Nein. Der Lärm hatte ein glattes, fast unberührbares Fell.

Aber er war entschlossen, ihn dank seiner gut geübten Strategie einzuholen und mit der ganzen Kraft seiner Verzweiflung lange und endgültig zu zerquetschen. Er würde nicht zulassen, dass er nochmals in sein Ohr dränge, dass er durch seinen Mund entweiche, durch jede einzelne seiner Poren oder durch seine Augen, die dabei aus den Höhlen treten und dem fliehenden Lärm aus der Tiefe ihrer ausweglosen Dunkelheit blind nachschauen würden.“ 

 

 

 

Gabriel García Márquez (Aracataca,  6 maart 1928)

 

Lees meer...

Jan Kjærstad, Michelangelo, Elisabeth Castonier, Johan Bojer, Stanisław Jerzy Lec , Victoria Benedictsson, Cyrano de Bergerac, Luigi Alamanni

 

De Noorse schrijver Jan Kjærstad werd geboren op 6 maart 1953 in Oslo. Zie ook mijn blog van 6 maart 2007 en ook mijn blog van 6 maart 2009 en ook mijn blog van 6 maart 2010

 

Uit: The Conquerer (Vertaald door Barbara J. Haveland) 

 

„I—the Professor—do not know whether or not to call this the irony of fate. Jonas Wergeland escaped disaster that time, but nothing could save him from the media earthquake triggered by his arrest and later trial—not surprisingly perhaps, seeing that Wergeland himself was the instigating factor. The public hoped, of course, for as long as they could, hoped that something was wrong, that someone,

somewhere had made a terrible and most unfortunate mistake. Rumour had it that Jonas Wergeland remained silent—and, others added, unmoved—and he refused to make any sort of statement to the police. He had accepted the lawyer appointed to defend him without demur and would not hear of engaging one of the big-time lawyers whom Daniel was sure would be able to help him.

I think everyone, including myself, awaited the trial in such a state of suspened to occupy the highly respected post of consultant physician.

“Do you know what the most surprising thing of all is?” my guest asked on the fourth evening on which she visited me, clad in her usual elegant black and as earnest as always. “The most surprising part

of all this washing of dirty laundry in public was one question that was never asked.

Obviously because it had nothing to do with the case. And yet it gets to the very nub of the matter. Because, if it were true that Jonas Wergeland possessed all those failings and evil inclinations, how could a whole nation fall under his spell? And that being the case, does this not say everything

about Norway, the cultural level of this country in the last decade before the millennium? That such an individual could wangle his way to such enormous power and popularity, I mean?” pense that you would have thought the honour of Norway was at stake.“

 

 


Jan Kjærstad (Oslo,  6 maart 1953)

 

 

Lees meer...

Clark Accord

 

De Surinaamse schrijver Clark Accord werd op 6 maart 1961 geboren in de Surinaamse hoofdstad Paramaribo. Op zijn zeventiende vertrok hij naar Nederland, waar hij achtereenvolgens werd opgeleid tot verpleegkundige en visagist. Hij bleef betrokkenheid houden met zijn thuisland. In 2000 richtte hij in Suriname een stichting op voor de verstrekking van maaltijden aan hulpbehoevenden. Hij verwierf bekendheid in 1999 met zijn roman De koningin van Paramaribo, over de Surinaamse prostituee Maxi Linder. Het debuut van Accord ging ruim 100.000 keer over de toonbank, beleefde dertig drukken en verscheen ook in Duitsland, Spanje, Latijns-Amerika en Finland. Het verhaal werd bewerkt tot een toneelstuk en de filmrechten zijn verkocht. In januari 2005 verscheen zijn tweede roman: Tussen Apoera en Oreala. In februari 2007 verscheen Bingo!. Daarnaast schreef hij columns en artikelen voor tijdschriften en kranten zoals Elsevier, Het Parool, Linda en Marie-Claire.

 

Uit: De koningin van Paramaribo

 

„Aan het eind van de schaars verlichte nauwe gang vond hij de trap die naar boven voerde. Zijn stappen klonken gedempt op het met bloemen gedecoreerde gele linoleum. Onzeker zette hij zijn voeten van de ene tree op de volgende. Hij kwam terecht in een aangenaam ingerichte voorzaal. In tegenstelling tot die van de meeste hoeren werd Maxi's woning verlicht door gaslampen en niet door de gebruikelijke kokolampu. Hij hoefde zich geen zorgen te maken dat hij vanavond thuis zou komen met de geur van verbrande olie in zijn kleding...     Het grote mahoniehouten bed nam bijna de gehele kamer in beslag. Aan het voeteneinde stond een manshoge spiegel. Langs de muur tegenover het raam hingen verschillende jurken keurig aan hangers - door hun veelal felle kleuren gaven ze de muur een bont aanzicht. Op de kaptafel lag het assortiment potjes, tubes en flesjes zoals iedere vrouw zich dat wenste: Yarley lavendel, Peggy Sage-nagellak, Eau de quinine, Radiant Rose-poeder, Sweetheart-poeder, Ruby Red-lipstick en Casanova-cream boden door hun verscheidenheid aan kleur en verpakking een feestelijke aanblik. Naast de kaptafel hing een zwartwitfoto van een stralend lachende Maxi Linder, met haar witte poedel voor het hek van de Hervormde kerk aan het kerkplein.

Maxi Linder zat op een met rood fluweel beklede chaise longue. Op de grond ervoor lagen haar twee honden als wattenbollen behaaglijk tegen elkaar aan te slapen. Maxi's ogen waren zorgvuldig en beheerst opgemaakt en de lipstick op haar volle mond had de kleur van rijpe kersen. Op een paar rode opengewerkte lakschoenen en een uit drie rijen bladgouden rozen bestaand collier na was ze naakt. Ze had haar knieën tot aan haar borsten opgetrokken.“

 

 

 


Clark Accord (Paramaribo, 6 maart 1961)

08:37 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: clark accord, romenu |  Facebook |

05-03-11

Pier Paolo Pasolini, Arthur van Schendel, Koos van Zomeren, Danny King, Nelly Arcan, Jean Orizet, Leslie Marmon Silko

 

De Italiaanse filmregisseur, dichter en schrijver Pier Paolo Pasolini werd geboren in Bologna op 5 maart 1922. Zie ook mijn blog van 5 maart 2007 en ook mijn blog van 5 maart 2008 en ook mijn blog van 5 maart 2009 en ook mijn blog van 5 maart 2010.

 

 

The Best of Youth

Lord, we are alone you call on us no more.
Year after year, day after day You look on us no more!
Darkness on our side and splendor on your side,
for our sins you feel neither anger nor compassion.
for thirty centuries, nothing, nothing has changed:
nations have united so, united, they wage wars
but our misery's the same as everybody's misery
and only You know how to sort out good from bad!
Work days, dead days! She pushes the wheel barrow
by the railroad tracks then towards the quiet square
and stops in front of the almost-finished staircase
where it crunches the stones baked by the sun.
The gates are shut, two trucks are parked
near the cement slag, flanked by dead bushes
and the old lady pushes the wheel barrow
while holding the tips of a scarf with her teeth.
A young man sits down to blow on his harmonica,
another younger one with horse whip in his hand
feeds hay to his charge then follows his friends
who are dancing carefree by the stands.
They sing, a bit drunk, by early morning
and wear their red hankies around the neck.
Hoarsely they order four liters of wine
and coffee for the girls who are silent and sad.
Come on, trains, take these singing youths
dressed in white shirt and English blazers.
Come on, trains, take them so very far away
roaming the earth to see what they have lost here.
Trains everywhere scatter these once happy men,
They will not laugh when leaving home forever.

 

 

 

Vertaald door Adeodato Piazza Nicolai 

 

 

 

 

Pier Paolo Pasolini (5 maart 1922 – 2 november 1975)

Straatkunst in Rome

 

 

Lees meer...

Frank Norris, Fritz Usinger, Friedrich Schnack, Ennio Flaiano, Moritz Carrière, Karl August Timotheus Kahlert

 

De Amerikaanse schrijver Frank Norris werd geboren op 5 maart 1870 in Chicago. Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 5 maart 2007 en ook mijn blog van 5 maart 2009 en ook mijn blog van 5 maart 2010.

 

Uit: The Pit 

 

„Chicago, the great grey city, interested her at every instant and under every condition. As yet she was not sure that she liked it; she could not forgive its dirty streets, the unspeakable squalor of some of its poorer neighbourhoods that sometimes developed, like cancerous growths, in the very heart of fine residence districts. The black murk that closed every vista of the business streets oppressed her, and the soot that stained linen and gloves each time she stirred abroad was a never-ending distress.  

    But the life was tremendous.  All around, on every side, in every direction the vast machinery of Commonwealth clashed and thundered from dawn to dark and from dark till dawn.  Even now, as the car carried her farther into the business quarter, she could hear it, see it, and feel in her every fibre the trepidation of its motion.  The blackened waters of the river, seen an instant between stanchions as the car trundled across the State Street bridge, disappeared under fleets of tugs, of lake steamers, of lumber barges from Sheboygan and Mackinac, of grain boats from Duluth, of coal scows that filled the air with impalpable dust, of cumbersome schooners laden with produce, of grimy rowboats dodging the prows and paddles of the larger craft, while on all sides, blocking the horizon, red in color and designated by Brobdignag letters, towered the hump-shouldered grain elevators.

    Just before crossing the bridge on the north side of the river she had caught a glimpse of a great railway terminus.  Down below there, rectilinear, scientifically paralleled and squared, the Yard disclosed itself.  A system of grey rails beyond words complicated opened out and spread immeasurably. Switches, semaphores, and signal towers stood here and there.  A dozen trains, freight and passenger, puffed and steamed, waiting the word to depart.  Detached engines hurried in and out of sheds and roundhouses, seeking their trains, or bunted the ponderous freight cars into switches; trundling up and down, clanking, shrieking, their bells filling the air with the clangour of tocsins.  Men in visored caps shouted hoarsely, waving their arms or red flags; drays, their big dappled horses, feeding in their nose bags, stood backed up to the open doors of freight cars and received their loads.“

 

 


Frank Norris (5 maart 1870 – 25 oktober 1902)

 

Lees meer...

Jurre van den Berg

 

De Nederlandse dichter Jurre van den Berg werd geboren in Thesinge op 5 maart 1986. Hij debuteerde officieel als dichter in het voorjaar van 2009 met de bundel Binnenvaart.In 2007 ontving hij het Hendrik de Vriesstipendium van de gemeente Groningen voor zijn poëzieproject ‘Ter verlichting van een naam’, een areligieuze, hedendaagse beschouwing op de taal en thematiek van het bijbelboek Job. Ook de gedichten die hier uit voortkwamen zijn in de reeks ‘Wij zijn hier pas sinds gisteren’ in Binnenvaart opgenomen. Tijdens het collegejaar 2005-2006 was Jurre van den Berg huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen. De gedichten die hij in deze functie schreef werden samen met andere verzen gebundeld in Avondkikkers.

 

 

HERFST

Ik was vergeten hoe de regen
de straten kon spoelen.

Naar boven kijken en grijs goud
zien eten, het land ligt reeds
begraven onder verwaaide paraplu's.

Ik was vergeten hoe de regen.

Wat geweest is, dat het terug komt
en niet los laat, storm niet uitraast.
Het land ligt reeds begraven.

Als ik denk dat het voorbij is zoals
onder herfstkastanjes na de regen.

Het is droog maar de wind
waait druppels van het blad.

 

 

 

Jurre van den Berg (Thesinge, 5 maart 1986)

11:22 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jurre van den berg, romenu |  Facebook |

04-03-11

Kristof Magnusson, Khaled Hosseini, Robert Kleindienst, Irina Ratushinskaya, J. Rabearivelo

 

De Duitse schrijver Kristof Magnusson werd geboren op 4 maart 1976 in Hamburg. Zie ook mijn blog van 4 maart 2007 en ook mijn blog van 4 maart 2008 en ook mijn blog van 4 maart 2009 en ook mijn blog van 4 maart 2010.

 

Uit: Summer of Love (Vertaald door Mike Mitchell)

 

“Outside my window a lemon tree is steaming in the rising heat. Eyes closed, I feel all over the large mattress, although I know there’s no one else there. I’m lying in bed in a hotel room in California reading about Australia in a guidebook. The trip round the world was the idea of the head of personnel who appointed me. For the first three months, he said, my position was free, after all the stress of the examinations I could take time out to live a little, to see something of life. The next day I paid three thousand marks for an air ticket with the words ‘Hamburg — London — New York — San Francisco — Hong Kong — Bombay — Hamburg’ printed on it in slightly smudged red ink. I’d already ticked off London, New York and San Francisco, I hadn’t seen anything of life there. To me the red double-decker buses, yellow taxis and cable cars looked like poor, dirty copies of the double-deckers, taxis and cable cars I knew from films. In each place I stayed one night and flew on, only in San Francisco did I stay two nights, because I had a hotel room with cable TV. I began to get accustomed to things, bought a second deodorant, a rather sweet-smelling one by Jean Paul Gaultier, which I used for my left armpit. For the right one I continued to use the Hugo by Boss which I’d bought for my job interview. It was fun being able to distinguish left and right, port and starboard, the two halves of this body that was to carry me through the world, by smell. On the fifth day of my trip round the world I hired a bicycle and rode across the red bridge and out of the city. Soon I had no idea where I was any more. I was riding through pinewoods along a country road with no markings and which wasn’t on my map. Coming round a curve, a village suddenly leapt out at me. It was simply there; without there having been any signposts or a board with the name, there were wooden houses in front of me with blue scraps of sea hung between them. I rode past a filling station with Save the Rainforest banners hanging out of the windows. Shortly after that I stopped and asked a man, who was sitting in the sun outside a house with paintings on the walls, where I could buy something to drink. The man had long grey hair and his beard was spattered with flecks of colour. He asked me how I liked his wall painting and pointed over his shoulder: animals, naked people and pink clouds, with flowers in all the colours of the rainbow twined round them. Above it was written: 30 Years Summer of Love 1967-1997.”

 

 

 

Kristof Magnusson (Hamburg, 4 maart 1976)

 

 

Lees meer...

Alan Sillitoe, Annette Seemann, F. W. Bernstein, Giorgio Bassani, Bernardo Ashetu

 

De Engelse schrijver Alan Sillitoe werd geboren op 4 maart 1928 in Nottingham. Zie ook mijn blog van 4 maart 2007  en ook mijn blog van 4 maart 2008 en ook mijn blog van 4 maart 2009 en ook mijn blog van 4 maart 2010.

 

Uit: The Loneliness of the Long-Distance Runner

 

„As soon as I got to Borstal they made me a long-distance cross-country runner. I suppose they thought I was just the build for it because I was long and skinny for my age (and still am) and in any case I didn't mind it much, to tell you the truth, because running had always been made much of in our family, especially running away from the police. I've always been a good runner, quick and with a big stride as well, the only trouble being that no matter how fast I run, and I did a very fair lick even though I do say so myself, it didn't stop me getting caught by the cops after that bakery job.
You might think it a bit rare, having long-distance cross-country runners in Borstal, thinking that the first thing a long-distance cross-country runner would do when they set him loose at them fields and woods would be to run as far away from the place as he could get on a bellyful of Borstal slumgullion-but you're wrong, and I'll tell you why. The first thing is that them bastards over us aren't as daft as they most of the time look, and for another thing I'm not so daft as I would look if I tried to make a break for it on my long-distance running, because to abscond and then get caught is nothing but a mug's game, and I'm not falling for it. Cunning is what counts in this life, and even that you've got to use in the slyest way you can; I'm telling you straight: they're cunning, and I'm cunning. If only 'them' and 'us' had the same ideas we'd get on like a house on fire, but they don't see eye to eye with us and we don't see eye to eye with them, so that's how it stands and how it will always stand. The one fact is that all of us are cunning, and because of this there's no love lost between us. So the thing is that they know I won't try to get away from them: they sit there like spiders in that crumbly manor house, perched like jumped-up jackdaws on the roof, watching out over the drives and fields like German generals from the tops of tanks.“
 

 

 


Alan Sillitoe (Nottingham, 4 maart 1928)

Hier in 1973 

 

Lees meer...

Ryszard Kapuściński, Léon-Paul Fargue, Kito Lorenc, Jacques Dupin, Thomas S. Stribling

 

De Poolse schrijver dichter en journalist Ryszard Kapuściński werd geboren in Pinsk, Polen (thans Wit-Rusland), op 4 maart 1932. Zie ook mijn blog van 4 maart 2009 en ook mijn blog van 4 maart 2010.

 

Uit: The Shadow of the Sun (Vertaald door Klara Glowczewska) 

 

„People of the North. Have we sufficiently considered the fact that northerners constitute a distinct minority on our planet? Canadians and Poles, Lithuanians and Scandinavians, some Americans and Germans, Russians and Scots, Laplanders and Eskimos, Evenkis and Yakuts--the list is not very long. It may amount to no more than 500 million people: less than 10 percent of the earth's population. The overwhelming majority live in hot climates, their days spent in the warmth of the sun. Mankind first came into being in the sun; the oldest traces of his existence have been found in warm climes. What was the weather like in the biblical paradise? It was eternally warm, hot even, so that Adam and Eve could go about naked and not feel chilled even in the shade of a tree.

Something else strikes the new arrival even as he descends the steps of the airplane: the smell of the tropics. Perhaps he's had intimations of it. It is the scent that permeated Mr. Kanzman's little shop, Colonial and Other Goods, on Perec Street in my hometown of Pinsk. Almonds, cloves, dates, and cocoa. Vanilla and laurel leaves, oranges and bananas, cardamom and saffron. And Drohobych. The interiors of Bruno Schulz's cinammon shops? Didn't their "dimly lit, dark, and solemn interiors" smell intensely of paints, lacquer, incense, the aroma of faraway countries and rare substances? Yet the actual smell of the tropics is somewhat different. We instantly recognize its weight, its sticky materiality. The smell makes us at once aware that we are at that point on earth where an exuberant and indefatigable nature labors, incessantly reproducing itself, spreading and blooming, even as it sickens, disintegrates, festers, and decays.“

 

 

 

Ryszard Kapuściński (4 maart 1932 - 23 januari 2007)

 

Lees meer...

03-03-11

Manfred Flügge, Josef Winkler, Hans Verhagen, Kola Boof, Gudrun Pausewang, James Merrill, Clifton Snider

 

De Duitse schrijver Manfred Flügge werd geboren op 3 maart 1946 in Kolding, Denemarken. Zie ook mijn blog van 3 maart 2009 en ook mijn blog van 3 maart 2010.

 

Uit: Heinrich Mann

 

„Der störrische Knabe wollte aber nicht die Aufführung irgendeines Stücks sehen: «Ich will Herrn Gewert sehn!», rief er laut in den Saal hinein. Als der Bube ihn endlich auf der Bühne entdeckt hatte, wurden seine nächtlichen Phantasien wieder wach, und er verstand, dass Herr Gewert zu einer anderen Sphäre gehörte: «Er war ein verwegener, dabei düsterer Mann. Abenteuer und Märchen hatten ihn begleitet.»

Das Kind steigerte sich in eine Wahnvorstellung hinein, provozierte Eklat und Hinauswurf: Mine sollte ihn nach Hause bringen, doch unterwegs warf sich der unbändige Junge mit dem Sonntagsanzug in den Straßendreck, eine wahre Explosion der Affekte. Mine und das Kind gingen ziellos die Straßen auf und ab, bis sie schließlich zum Blumenladen von Gewerts Mutter fanden und dort anklopften. Sie entdeckten Herrn Gewert beim Abendessen. «Er saß und aß.» Aber dieses Sitzen und Essen entzauberte ihn, hob ihn aus der Sphäre von Abenteuer und Märchen heraus. «Der Anblick des ruhig essenden Herrn Gewert ernüchterte mich und erfüllte mich mit Trauer.» Fortan interessierte ihn Herr Gewert nicht mehr, auf Nachfragen der Eltern stellte er sich stumm und dumm. In der eindringlichen Schilderung des Missverständnisses, das eine widersinnige Poesie beinhaltet und zum Skandal führt, ist Heinrich Mann bei sich selbst. Es ist diese Märchensphäre, aus der seine ursprüngliche Inspiration hervorging, zu der immer schon der Wunsch nach der Verwandlung des Lebens gehörte, nach dem Übergreifen des Wunderbaren auf die eigene Erfahrung. Dieser Wunsch bestimmte seine Lebenswahl.

Als er 23 war, ein erstes Romanmanuskript beendet und auch zwei Wochen in Paris verbracht hatte, schrieb er während eines Aufenthalts in Florenz einen kurzen Text, teils in deutscher, teils in französischer Sprache, den er «Mein Plan» nannte. Darin imaginierte er ein apartes, elegantes, leicht theatralisches Leben in der großen Welt, stilvoll und selbstbewusst, beobachtend und genießend. Absolut modern wollte er sein und ein bisschen dekadent. Und: «Natürlich müsste Paris der Schauplatz sein.»

 

 

 

Manfred Flügge (Kolding, 3 maart 1946)

Boekomslag

 

 

Lees meer...

Heinz Knobloch, Alexandros Papadiamantis, Charels Sealsfield, William Godwin, Edmund Waller, Thomas Otway, Paul Guimard

 

De Duitse schrijver en feuilletonist Heinz Knobloch werd op 3 maart 1926 in Dresden geboren. Zie ook mijn blog van 3 maart 2009 en ook mijn blog van 3 maart 2010.

 

Uit: Geisterbahnhöfe

 

„Wer dabei war …
Als nun am Abend des 9. November 1989 die Mauer durch bewegte Menschen zerbrochen wurde, wollten einige Berliner sehr bald unterirdisch nachsehen, wie es da ausschaute. Sie hatten oft genug über den Stahlplatten gestanden in dieser oder jener Straße. Die hatten ein paar Luftlöcher und gaben ab und zu ein Geräusch her, das so klang, als fahre darunter gerade eine schnelle Bahn. Es handelte sich um die abgedeckten Notausgänge der unterirdischen Bahn, die beileibe nicht als Noteingänge verwendet werden sollten und konnten. Doch etwas Luft mußte bleiben. Sie durfte nicht so abgeschnitten werden wie der Zugang zu den Bahnhöfen.
An jenem sagenhaften 9. November 1989 am frühen Nachmittag, als noch niemand ahnen konnte, was sich am Abend und in der Nacht zutragen würde, an jenem Nachmittag bot sich dem Spaziergänger im Angesicht des Eingangs zum Untergrundbahnhof »Oranienburger Tor«, der unpassierbar stand wie gewohnt, im Schaufenster der Buchhandlung gegenüber ein Anblick; seltsam, ungewohnt und verblüffend.
Undenkbar war er nicht. Im Schaufenster standen, sorgfältig um die »Gesammelten Werke und Schriften« von Erich Honecker gruppiert, die zumeist zweibändigen »Reden und Schriften« von Mielke, Tisch, Hager, Inge Lange und wie sie alle heißen.“
 

 

 

 

Heinz Knobloch (3 maart 1926 – 24 juli 2003)

 

 

Lees meer...

02-03-11

Godfried Bomans, Multatuli, Thom Wolfe, John Irving, Michael Salinger

 

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook mijn blog van 2 maart 2007 ook mijn blog van 2 maart 2008. en ook mijn blog van 5 december 2009 en eveneens mijn blog van 2 maart 2009 en ook mijn blog van 2 maart 2010.

 

Uit: Het zondagskind (Sprookjes) 

 

„Er leefden eens een vader en een moeder en die hadden zes kinderen. Elk kind was op een andere dag van de week geboren. Het oudste kind heette Maandag en het jongste Zaterdag. En de rest heette naar de dagen ertussenin.
Maar een zondagskind was er niet bij en dat wilden die vader en moeder nu juist zo graag hebben. Ze waren wel blij met de zes, die ze hadden, maar ze waren nog meer bedroefd om het ene kind, dat ze misten. Ze liepen verdrietig door het huis en keken telkens naar het lege stoeltje, dat ze hadden klaargezet. En elke dag als ze gingen eten, zetten ze de wieg aan tafel, want je wist het maar nooit.
Dit hoorde de oude grootmoeder. Het was maar een klein mensje, met een geplooid mutsje, een piepstem en een bult. Ook was haar rechterbeen wat korter, ofschoon zij zelf volhield dat alleen haar linkerbeen wat langer was.
Maar zij kon toveren. Vroeger toverde zij de hele dag, maar nu deed zij het alleen 's avonds na tafel en was dan erg moe. "Kalm aan, vrouwtje," had de dokter gezegd, "alleen de kleine kunstjes, dan redden we het wel." Maar ze kon het niet laten en deed de grote ook.
Gelukkig maar, want anders was het zondagskind nooit gekomen. Dat zullen wij nu zien.
Op zekere dag kwam de oude grootmoeder voor een weekje logeren. Dat gebeurde elk jaar en nu was het weer zover. Ze klauterde de trap op naar haar kamertje onder de dakpannen en ging meteen in een dik boek zitten lezen.
"Bemoei je maar niet met me," zei ze met haar piepstem, "ik heb mijn boterhammetjes bij me. En als de week om is, dan kom ik vanzelf naar beneden."
Ze sliep niet, ze dronk niet en ze toverde niet, maar las aan één stuk door, de hele week lang. Elke dag kwam een van de zes kinderen, dat op die dag geboren was, naar boven met een kopje thee, maar ze raakte de kopjes niet aan en zei: "Zet het maar neer bij de andere kopjes." En toen het zondag geworden was, stonden er zes kopjes op een rij en toen kwam ze naar beneden.“

 

 


Godfried Bomans (2 maart 1913 - 22 december 1971)

 

 

Lees meer...