Miguel Ángel Asturias, Leigh Hunt, Adam Lindsay Gordon, Nardo Aluman


De Guatemalteekse schrijver Miguel Ángel Asturias werd geboren op 19 oktober 1899 in Guatemala-Stad. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Miguel Ángel Asturias op dit blog.



Navels of Sun and Precious Copals

The little bones of the echo
on the tongue of the Forgetful Emissary.

On the tongue of the Forgetful Emissary,
the message of the Goldthinking-star-gods.

"May the mist rise early,
fragrant with tamarind, poplar, suquinay ,
may it spread its cloths over the words
and may the Four Magicians of the Sky be created
with navels of sun and precious copals.

"May they be of black maize,
maize coiled with sexes and snakes,
their hair, their pupils and their dreams.

"May they be of white maize,
maize coiled with sperm and the moon,
their teeth, the quicklime of their corneas,
their bones and their nails.

"And may their flesh be of yellow maize,
moistened in water sweet
with the night of the star
and skinned with quicklime
in blind boil,
the lime of the eyes
of the Twohanded Tattooer,
the one who was destroyed
along with his raisers of worlds of dream
by the man of mud
who in his turn was annihilated
by fire, the laughter of the stones."

And so was created
the Man-of-Four-Magics,
the one who wears bluegreen feathers
of quetzals and flowers covered with dew,
who illuminates and burns like resinous pine,
who sets things alight
in my country forged of honey.

All was visible, except for the moment
of healing the navels
with webs of tobacco smoke
and placing in their folds,
along with the copals of splendor
and dust of worn-out words,
the magic of the three halves.

By the magic of the three halves,
the half which holds things within
becomes magnetized by the sole presence
of the Man-of-the-Four-Magics,
issues from things and penetrates
the interior of that which completes it,
before restoring it, with an unknown half.

By the magic of the three halves,
there is a half that remains in things,
another that leaves and returns to things
and the unknown half, the one that magic adds.




Vertaald door Robert W. Lebling



Miguel Ángel Asturias (19 oktober 1899 – 9 juni 1974)

Lees meer...

Philip Pullman, Andrew Vachss, Fannie Hurst, John le Carré


De Britse schrijver Philip Pullman werd geboren op 19 oktober 1946 in Norwich als zoon van een luchtmachtofficier. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2008 en ook mijn blog van 18 oktober 2009en ook mijn blog van 19 oktober 2010


Uit: The Amber Spyglass


Ama climbed the path to the cave, as she'd done for many days now, bread and milk in the bag on her back, a heavy puzzlement in her heart. How in the world could she ever manage to reach the sleeping girl? Would the woman never leave the cave for more than a few minutes?
Ama came to the rock where the woman had told her to leave the food since she wasn't allowed in the cave anymore. She put down the bag, but she didn't go straight home; she climbed a little farther, up past the cave and through the thick rhododendrons, and farther up still to where the trees thinned out and the rainbows began.
This part of the valley was where the streams and cascades ran most confusingly: shafts of green-white water would sink into potholes and emerge a little lower down, or gush upward in splintered fountains, or divide into myriad streamlets, or swirl round and round trapped in a whirlpool. When the world was frozen, spears and shelves and columns of glassy ice grew over every surface, and under it all, the water could still be heard gushing and tinkling, and spray still escaped to the air for the rainbows to form.
Ama and her daemon climbed up over the rock shelves and around the little cataracts, past the whirlpools and through the spectrum-tinted spray, until her hair and her eyelids and his squirrel fur were beaded all over with a million tiny pearls of moisture. The game was to get to the top without wiping your eyes, despite the temptation, and the sunlight sparkled and fractured into red, yellow, green, blue, and every color between right in front of Ama's eyes, but she mustn't wipe her hand across to see better until she got right to the top, or the game would be lost.
Kulang, her daemon, sprang to a rock near the top of the little waterfall, and she knew he would turn at once to watch and make sure she didn't brush the moisture off her eyelashes - except that he didn't.”


Philip Pullman
(Norwich, 19 oktober 1946)


Lees meer...

Man Booker Prize voor Julian Barnes


Man Booker Prize voor Julian Barnes


De Engelse schrijver Julian Barnes heeft de Britse literatuurprijs Man Booker Prize 2011 gewonnen. Hij kreeg de prijs voor zijn boek 'The Sense of an Ending'. De Man Booker Prize is een van de belangrijkste onderscheidingen in de Engelstalige literatuur. De prijs wordt toegekend aan het beste Engelstalige fictiewerk uit het Gemenebest, Ierland en Zimbabwe.Julian Barnes werd geboren op 19 januari 1946 in Leicester. Zie ook alle tags voor Julian Barnes op dit blog.


Uit: The Sense of an Ending


„I remember, in no particular order:

– a shiny inner wrist;

– steam rising from a wet sink as a hot frying pan is laughingly tossed into it;

– gouts of sperm circling a plughole, before being sluiced down the full length of a tall house;

– a river rushing nonsensically upstream, its wave and wash lit by half a dozen chasing torchbeams;

– another river, broad and grey, the direction of its flow disguised by a stiff wind exciting the surface;

– bathwater long gone cold behind a locked door. This last isn’t something I actually saw, but what you end up remembering isn’t always the same as what you have witnessed.

We live in time – it holds us and moulds us – but I’ve never felt I understood it very well. And I’m not referring to theories about how it bends and doubles back, or may exist elsewhere in parallel versions. No, I mean ordinary, everyday time, which clocks and watches assure us passes regularly: tick-tock, click-clock. Is there anything more plausible than a second hand? And yet it takes only the smallest pleasure or pain to teach us time’s malleability. Some emotions speed it up, others slow it down; occasionally, it seems to go missing – until the eventual point when it really does go missing, never to return.

• *

I’m not very interested in my schooldays, and don’t feel any nostalgia for them. But school is where it all began, so I need to return briefly to a few incidents that have grown into anecdotes, to some approximate memories which time has deformed into certainty. If I can’t be sure of the actual events any more, I can at least be true to the impressions those facts left. That’s the best I can manage.

There were three of us, and he now made the fourth. We hadn’t expected to add to our tight number: cliques and pairings had happened long before, and we were already beginning to imagine our escape from school into life. His name was Adrian Finn, a tall, shy boy who initially kept his eyes down and his mind to himself. For the first day or two, we took little notice of him: at our school there was no welcoming ceremony, let alone its opposite, the punitive induction. We just registered his presence and waited.“



Julian Barnes (
Leicester, 19 januari 1946)


Kees Fens, Jan Erik Vold, Terry McMillan, Wendy Wasserstein, Ntozake Shange


De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2009 en ook mijn blog van 18 oktober 2010.

Uit: Simon Vestdijk: Eenheid in de verscheidenheid


„Wanneer ooit eens iemand gaat uitrekenen hoeveel uitgewerkte portretten van historische en fiktieve personen te vinden zijn in het hele oeuvre van Vestdijk, en hoeveel landschappen, steden en tijdperken er het dekor van vormen, zal dat een ogenblik van grote schrik onder lezers en critici worden. En toch, groter verschil dan tussen al die personages en hun omstandigheden, is niet denkbaar, althans uiterlijk.

Kijk bijvoorbeeld eens naar de onderwerpen die in de vijf jaar na 1960 ter sprake zijn gekomen: allemaal verschillend, al kan een Nurks opmerken dat het een en ander erin hem toch niet onbekend voorkomt. De Griekse kultuur in De held van Temesa bijvoorbeeld (maar het is een andere periode en zelfs een ander deel van Europa dan tot nu toe, dit Magna Graecia van de vijfde eeuw voor Christus), het Lahringenachtige stadje van Zo de ouden zongen ... (maar op de keper beschouwd heeft wát er in dat stadje gebeurt toch heel weinig te maken met Anton Wachter), en de Alpen, tweemaal, namelijk in Een alpenroman en in Het genadeschot. Juffrouw Lot, De filosoof en de sluipmoordenaar en Bericht uit het hiernamaals heb ik dan nog niet eens genoemd, evenmin als de essays, over muziek (ik zeg er verder niets meer over omdat ik Vestdijk op dit terrein voortdurend uit het oog verlies), over ‘literatuur en leven’ in De leugen is onze moeder, en dan nog de memoires van Gestalten tegenover mij en het afzonderlijke lange opstel De zieke mens in de romanliteratuur. Het is duidelijk, dat Vestdijk eerder de onderwerpen en dekors attaqueert waar hij het nog nooit over gehad heeft dan dat hij nauwe aansluiting bij zijn vroegere werk zoekt. Het is al verschillende malen opgemerkt: het heeft er veel van weg dat hij de hele schepping persoonlijk nog eens over wil doen.

Deze veelvoudigheid en veelvormigheid van Vestdijks werk is het eerst opvallende feit dat men over hem kan vaststellen, en het signaleren ervan is dus noodgedwongen een banaliteit, maar niemand ontkomt er aan bij een overzicht van zijn hele werk of zelfs van de produktie van enkele jaren. Hier ligt namelijk voor mijn gevoel de oorzaak van de terughoudendheid van vele lezers, meer eigenlijk dan die van de bewondering van anderen. Deze reserve komt niet zozeer voort uit argwaan tegen de kwaliteit bij een zo overstelpende kwantiteit (al wordt dat argument vaak gebruikt), als wel uit protest tegen een Sisyphusarbeid die de lektuur van gemiddeld twee volkomen verschillende boeken van één auteur per jaar betekent: net als je er bent, kun je opnieuw beginnen.“




Kees Fens (18 oktober 1929 - 14 juni 2008)


Lees meer...

Heinrich von Kleist, Rick Moody, Raymond Brulez, Pierre Choderlos de Laclos, Koos Dalstra


De Duitse dichter en schrijver Heinrich von Kleist werd geboren op 18 oktober 1777 in Frankfurt an der Oder. Zie ookmijn blog van 18 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Heinrich von Kleist op dit blog.



Das letzte Lied

Nach dem Griechischen, aus dem Zeitalter Philipps von Mazedonien


Fern ab am Horizont, auf Felsenrissen,

Liegt der gewitterschwarze Krieg getürmt.

Die Blitze zucken schon, die ungewissen,

Der Wandrer sucht das Laubdach, das ihn schirmt.

Und wie ein Strom, geschwellt von Regengüssen,

Aus seines Ufers Bette heulend stürmt,

Kommt das Verderben, mit entbundnen Wogen,

Auf alles, was besteht, herangezogen.


Der alten Staaten graues Prachtgerüste

Sinkt donnernd ein, von ihm hinweggespült,

Wie, auf der Heide Grund, ein Wurmgeniste,

Von einem Knaben scharrend weggewühlt;

Und wo das Leben, um der Menschen Brüste,

In tausend Lichtern jauchzend hat gespielt,

Ist es so lautlos jetzt, wie in den Reichen,

Durch die die Wellen des Kozytus schleichen.


Und ein Geschlecht, von düsterm Haar umflogen,

Tritt aus der Nacht, das keinen Namen führt,

Das, wie ein Hirngespinst der Mythologen,

Hervor aus der Erschlagnen Knochen stiert;

Das ist geboren nicht und nicht erzogen

Vom alten, das im deutschen Land regiert:

Das läßt in Tönen, wie der Nord an Strömen,

Wenn er im Schilfrohr seufzet, sich vernehmen.


Und du, o Lied, voll unnennbarer Wonnen,

Das das Gefühl so wunderbar erhebt,

Das, einer Himmelsurne wie entronnen,

Zu den entzückten Ohren niederschwebt,

Bei dessen Klang, empor ins Reich der Sonnen,

Von allen Banden frei die Seele strebt;

Dich trifft der Todespfeil; die Parzen winken,

Und stumm ins Grab mußt du daniedersinken.


Erschienen, festlich, in der Völker Reigen,

Wird dir kein Beifall mehr entgegen blühn,

Kein Herz dir klopfen, keine Brust dir steigen,

Dir keine Träne mehr zur Erde glühn,

Und nur wo einsam, unter Tannenzweigen,

Zu Leichensteinen stille Pfade fliehn,

Wird Wanderern, die bei den Toten leben,

Ein Schatten deiner Schön' entgegenschweben.


Und stärker rauscht der Sänger in die Saiten,

Der Töne ganze Macht lockt er hervor,

Er singt die Lust, fürs Vaterland zu streiten,

Und machtlos schlägt sein Ruf an jedes Ohr, –

Und da sein Blick das Blutpanier der Zeiten

Stets weiter flattern sieht, von Tor zu Tor,

Schließt er sein Lied, er wünscht mit ihm zu enden,

Und legt die Leier weinend aus den Händen.



Heinrich von Kleist (18 oktober 1777 - 21 november 1811)

Miniatur van Peter Friedel, 1801


Lees meer...


Simon Vestdijk, Miguel Delibes, Georg Büchner, Emanuel Geibel


De Nederlandse schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.



De moeder


Niets had zij begrepen van zijn klacht,

Toen hij voor 't eerst verliet eenzelvig droomen

En aan kwam tasten in een fluisternacht.

Hij wilde stil en troostziek in haar stroomen,

Terugbuigend als stuwend water naar de

Bron, die rustig spiegelende vergaarde

Wat beeld en neerslag haar te binnen bracht. -


En toen zij slaap'rig opzag, en maar streelde,

Gesloten bleef voor het onuitgebeelde,

't Vervloekt verzwegene, dat hem besprongen

Was in het stroomgebied van háár gelijken:

Toen gleed hij weg, en nam een nieuw besluit,

En jaren knelde haar het harte uit

De zoon, dor sijpelende, afgedrongen,

En steenig-smal, haar vrede te ontwijken.






Ik houd het meest van de halfland'lijkheid:

Van 't gras, dat arm'lijk op fabrieksterreinen

Groeit; van de weidewinden, die met lijnen

Vol waschgoed spelen; waar de lorrie rijdt,


Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.

Want 'k weet, dat ik waar men het leven slijt

En toch niet leven kan, meer eenzaamheid

Zal vinden dan in bergen of ravijnen.


De walm van stoomtram en van bleekerij

Of van de ovens waar men schelpen brandt

Is meer dan thymgeur aanstichter van droomen,


En 't zwarte kalf in 't weitje aan den rand

Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd

En in éen beeld met sintels opgenomen.




De Zanger


Ik droomde dat hij vóor hij sterven ging

Een galmend kinderlied zong met uithalen

Van overstelpt gevoel. In billardzalen

Vervloekte men hem als een weekeling...


Hij stond daar: ‘Als ik hier voor jullie zing

Wil ik met niéts de grootste eer behalen!’

Men vloekte, en hij zong van groene dalen

En van een bloem uit míjn herinnering.



Door angst gewekt, bracht ik den doode heel

Voorzichtig weer terug. - Een droom vergist

Zich nu en dan in 't nietigst onderdeel,

Dus ben ik wéer die zalen doorgedrongen,

Als rook langs de gezichten,... en nòg wist

Ik niet: had ik gevloekt - of meegezongen...




Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)

Lees meer...

Arthur Miller, Nel Noordzij, Ernst Hinterberger, Anatoli Pristavkin, Alfred Polgar, Jupiter Hammon, Nathanael West


De Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller werd geboren in New York op 17 oktober 1915. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2008 en ook mijn blog van 17 oktober 2009 en ook mijn blog van 17 oktober 2010


Uit: The Price


„The attic of a Manhattan brownstone soon to be torn down. WALTER: Vic, I wish we could talk for weeks, theres so much I want to tell you . . . . It is not rolling quite the way he would wish and he must pick examples of his new feelings out of the air. I never had friends—-you probably know that. But I do now, I have good friends. He moves, sitting nearer Victor, his enthusiasm flowing. It all happens so gradually. You start out wanting to be the best, and there’s no question that you do need a certain fanaticism; there’s so much to know and so little time. Until you’ve eliminated everything extraneous—-he smiles—-including people. And of course the time comes when you realize that you haven’t merely been specializing in something—-something has been specializing in you. You become a kind of instrument, an instrument that cuts money out of people, or fame out of the world. And it finally makes you stupid. Power can do that. You get to think that because you can frighten people they love you. Even that you love them.—-And the whole thing comes down to fear. One night I found myself in the middle of my living room, dead drunk with a knife in my hand, getting ready to kill my wife.

ESTHER: Good Lord!

WALTER: Oh ya—-and I nearly made it too! He laughs. But there’s one virtue in going nuts—-provided you survive, of course. You get to see the terror—-not the screaming kind, but the slow, daily fear you call ambition, and cautiousness, and piling up the money. And really, what I wanted to tell you for some time now—-is that you helped me to understand that in myself.


WALTER: Yes. He grins warmly, embarrassed. Because of what you did. I could never understand it, Vic—-after all, you were the better student. And to stay with a job like that through all those years seemed . . . He breaks off momentarily, the uncertainty of Victor’s reception widening his smile. You see, it never dawned on me until I got sick—that you’d made a choice.

VICTOR: A choice, how?

WALTER: You wanted a real life. And that’s an expensive thing; it costs.“



Arthur Miller (17 oktober 1915 – 10 februari 2005)

Lees meer...


Günter Grass, Oscar Wilde, Guðbergur Bergsson, Gerold Späth


De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk, Polen) op 16 oktober 1927. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Günter Grass op dit blog.


Uit: De bot (Vertaald door Peter Kaaij)


„Het tribunaal nam er kennis van en zou naar alle waarschijnlijkheid wel tot een mild vonnis zijn gekomen als niet de aanklaagster, Sieglinde Huntscha, puntige, voor de bot provocerende vragen had gesteld. De zelfs op een stoel nog heroïsch uitziende vrouw sprong op, werd rood tot aan haar haarwortels, gaf haar stem, nog voordat zij sprak, een rijke dosis verachting mee, richtte een magere wijsvinger op de container van kogelvrij glas, waarin de bot, misschien wel geanimeerd door de rapporten van de literatuurhistorici, enige handbreedtes boven zijn zandbed speels alle vinnen liet bewegen, sprak toen, nee, vuurde (ineens met een Saksisch accent) vraag na vraag af in de richting van de beklaagde platvis en boekte meteen een eerste succesje: schijnbaar getroffen liet de bot zich vallen. Hij woelde zich in het Oostzeezand, wierp met zijn staartvin zand op zijn oeroude knobbelhuid en vertroebelde het water van zijn weliswaar kogelvrije maar niet tegen gericht afgevuurde vragen gepantserde glazen huisje: hij leek wel van de aardbodem verdwenen, in het niets opgelost, scheen ontsnapt te zijn, bleef ongrijpbaar.
En dat terwijl er aan de vragen van de aanklaagster niet eens intellectuele weerhaken zaten. De bot werd niet principieel geattaqueerd. Met ongekunstelde directheid wilde Sieglinde Huntscha weten: ‘Is het mogelijk dat, gesteld dat een vrouw van beroep muze is, ook mannen in staat zijn dat beroep uit te oefenen? En zo ja, welke mannen hebben als muze, dat wil zeggen: de kunst indirect dienend, bekende kunstenareesen aan inspiratie geholpen? Of is de verdachte soms van mening dat vrouwen in hun relatie tot de kunst slechts middel tot het doel kunnen zijn, vruchtbare akkergrond, willoos werktuig? Is dat onze enige bestaansreden: jullie koude schoorstenen weer te laten roken? Verdien je als vrouw een uurloon voor je werk als muze? Wil de bot ons soms eerdaags in zijn goedertierenheid de status van loonafhankelijke thuiswerksters verlenen en ons aanraden een vakbond op te richten en c.a.o.-besprekingen te beginnen? En is het toegestaan, zo vraag ik, dat vrouwen op hun beurt mannelijke muzen in goedbetaalde dienst hebben? Of wil de verdachte met al die door hem gehuurde deskundige zwetsers alleen maar zijn ware intentie verbergen? Want tussen de regels door wil hij zeggen: Okay, de brave meisjes kunnen soms heel leuk piano spelen, en ze doen als pottenbaksters, net als ook in de kunstnijverheidssector, behoorlijk hun best, zijn vindingrijk in het decoratieve en daarom geschapen voor de binnenhuisarchitectuur, en nauwelijks zijn ze down, in extase of Ophelia’s schizofrene zuster, of moeiteloos schrijven ze met hartebloed, vissop of zwartgallige inkt aangrijpende, sponzige, zwaarmoedige verzen; maar Händels
Messias, de categorische imperatief, de Dom van Straatsburg, Goethes Faust, Rodins Denker en Picasso’s Guernica, dat sublieme meesterschap, de hoogste top, daar kunnen ze niet aan tippen. Is dat zo, bot?’



Günter Grass (Danzig, 16 oktober 1927)

Lees meer...

Eugene O’Neill, Dino Buzzati, Albrecht von Haller, Gottfried Kölwel, Gustaaf Peek


De Amerikaanse schrijver Eugene Gladstone O’Neill werd op 16 oktober 1888 in New York City geboren. Zie en ook mijn blog van 16 oktober 2010


Uit: The Iceman Cometh


„ROCKY--(in a low voice out of the side of his mouth) Make it fast. (Larry pours a drink and gulps it down. Rocky takes the bottle and puts it on the table where Willie Oban is.) Don't want de Boss to get wise when he's got one of his tightwad buns on. (He chuckles with an amused glance at Hope.) Jees, ain't de old bastard a riot when he starts dat bull about turnin' over a new leaf? "Not a damned drink on de house," he tells me, "and all dese bums got to pay up deir room rent. Beginnin' tomorrow," he says. Jees, yuh'd tink he meant it! (He sits down in the chair at Larry's left.)

LARRY--(grinning) I'll be glad to pay up--tomorrow. And I know my fellow inmates will promise the same. They've all a touching credulity concerning tomorrows. (a half-drunken mockery in his eyes) It'll be a great day for them, tomorrow--the Feast of All Fools, with brass bands playing! Their ships will come in, loaded to the gunwales with cancelled regrets and promises fulfilled and clean slates and new leases!

ROCKY--(cynically) Yeah, and a ton of hop!

LARRY--(leans toward him, a comical intensity in his low voice) Don't mock the faith! Have you no respect for religion, you unregenerate Wop? What's it matter if the truth is that their favoring breeze has the stink of nickel whiskey on its breath, and their sea is a growler of lager and ale, and their ships are long since looted and scuttled and sunk on the bottom? To hell with the truth! As the history of the world proves, the truth has no bearing on anything. It's irrelevant and immaterial, as the lawyers say. The lie of a pipe dream is what gives life to the whole misbegotten mad lot of us, drunk or sober. And that's enough philosophic wisdom to give you for one drink of rot-gut.

ROCKY--(grins kiddingly) De old Foolosopher, like Hickey calls yuh, ain't yuh? I s'pose you don't fall for no pipe dream?

LARRY--(a bit stiffly) I don't, no. Mine are all dead and buried behind me. What's before me is the comforting fact that death is a fine long sleep, and I'm damned tired, and it can't come too soon for me.

ROCKY--Yeah, just hangin' around hopin' you'll croak, ain't yuh? Well, I'm bettin' you'll have a good long wait. Jees, somebody'll have to take an axe to croak you!“




Eugene O’Neill (16 oktober 1888 – 27 november 1953)

Bij een repetitie op Broadway in 1946

Lees meer...


Boualem Sansal


De Franstalige Algerijnse schrijver Boualem Sansal werd geboren op 15 oktober 1949 in El Teniente-Had. Na het gymnasium studeerde hij in de jaren 1970 techniek en economie en promoveerde in dat laatste vak. Vanaf 1992 werkte hij als hoge functionaris voor het Algerijnse ministerie van Industrie.Pas in 1999 werd in Parijs zijn eerste roman gepubliceerd, Le serment the Barbarian, waarvoor hij twee prijzen, de Prix Tropiques en de Prix du Premier Roman, ontving. Tot 2006 volgden vier romans en in 2003 het Journal intime et politique, 40 ans après Algerie. Na de publicatie van dit boek met zijn kritiek op de Algerijnse staat werd Sansal door het ministerie ontslagen. Sinds hij uitsluitend werkzaam is als schrijver werkt Sansal vaker met historisch materiaal. In 2008 verscheen de roman Le village de l'anglais ou Le Journal des Frères Schiller, waarin hij vertelt over de betrokkenheid van een voormalige Duitse nazi bij de vorming van de bevrijdingsbeweging FLN in de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog en beschrijft de effecten van de burgeroorlog op een dorp in de jaren 1990,


Uit: Harraga (Vertaald door Riek Walther)


„Meine Haustür gibt ein beängstigendes Geräusch von sich. Sie macht nicht klopf klopf, sondern päng päng. Sie ist gepanzert, das ist das Eine, aber trotzdem denkt man heutzutage an andere Dinge.
Beim Öffnen halte ich mich im Schutz des Türrahmens. Ein Reflex. „Chkoun? Wer da?“ Es ist weder die Patrouille noch ein Prediger noch ein Verfechter der Wahrheit noch die Nachbarin aus der Rue Marengo, eine pausbäckige alte Medusa mit tausend abgedroschenen Überzeugungen, die immer wieder auf die Neuigkeiten zurückkommt, noch sonst etwas derart Böses. Zum Glück ist es nicht unser Briefträger, der gute Moussa, der Galeerensklave von Rampe Valée, ein entsetzlich geschwätziges altes Schlachtross, das auf seinem Weg Tag für Tag, ausgenommen während Unruhen oder Streiks, papierne Schrecknisse und Viren aussät, sondern ein junges Mädchen von der lustigsten Sorte. Sie antwortet: „Ich bin’s!“ Völlig unbekannt. Schmächtig, Kleidung à la Star Academy, allerdings mit den hauseigenen Mitteln. Rechenfehler oder reine Erfindung, allein der Spitzenkragen eignet sich als Verkleidung für einen Tross von närrischen Weibern. Ganz adrett, bis auf die Kakophonie der Farben. Ihre Frisur hat sie bei verschiedenen Bräuchen geklaut, sowohl uralten als auch solchen vom letzten Schrei. Geschminkt bis zum Anschlag. Die Augen, schwarz, weiß und lebhaft, schwimmen in einer Lache Wimperntusche, die von reichlich Grün umgeben ist. Es fehlt nichts, ein Haarwirbel, ein Gerstenkorn vielleicht, und man könnte meinen, der kleine Dreckspatz käme aus einem fernen Landstrich. Ihr Parfum steht der Wolke von Tschernobyl in nichts nach. Ein wandelnder Skandal, der auf unerklärliche Weise Allahs Zorn entgangen ist. Eine geringelte Reisetasche macht ihre sechzehn, siebzehn Wanderjahre komplett. Sie liegt zu ihren Füßen wie die Hülle einer frisch gehäuteten Schlange. Die ausgesprochen vollen Lippen zu einem blutroten Schmollmund verzogen, zwischen Ärger und Frage. Eine Miene, als gäbe es hinter dem hochnäsigen Lächeln keinerlei Zweifel. Und als Krönung, ein dicker Babybauch mit freiliegendem Nabel.
„Tante Lamia?“, sagt sie entschlossen von der ganzen Höhe ihrer Einsfünfzig herab.“



Boualem Sansal (El Teniente-Had, 15 oktober 1949

22:24 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: boualem sansal, romenu |  Facebook |

A. F.Th. van der Heijden, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse


De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.


Uit: Das Scherbengericht (Vertaald door Helga van Beuningen)



Der Bart brannte ihm im Gesicht. Es fühlte sich an, als stäche jedes der harten Haare einzeln. Warum seine Haut so glühte, ob vor Juckreiz oder Scham, wußte er nicht. An einen Bart war er nicht gewöhnt. Wenn die Aufseher mal einen Augenblick nicht auf ihn achteten, wagte er es, sich mit zwei Fingern gleichzeitig zu kratzen, wobei er die Nägel tief zwischen die Haarwurzeln grub. Doch jedesmal, wenn er den Juckreiz geortet zu haben glaubte, sei es am Kinn, sei es an der Wange, hatte sich das Kribbeln rasend schnell woandershin bewegt und tauchte in der Nähe eines Ohrs auf, unter der

Nase oder im Bereich des Adamsapfels. Am liebsten hätte er mit beiden Händen in seinem Gestrüpp gewühlt – hätten Scham und Handschellen es ihm nicht verwehrt.



Vor zwei Monaten hatte sein Anwalt, Douglas Dunning von der Kanzlei Dunning & Hendrix, ihm geraten, vorsorglich etwas an seinem Äußeren zu ändern. »Für eine graue Maus, die mein und dein verwechselt hat, ist Choreo schon kein Ferienparadies. Geschweige denn für eine Berühmtheit wie

dich. Und dann noch bei einer solchen Anschuldigung.«

Dunnings Stimme klang noch hohler und trockener als gewöhnlich. Seine langen Hände, sonst immer hackend in Bewegung, um seiner eintönigen Rede Profil zu verleihen, hingen ihm schlaff zwischen den Oberschenkeln. Genauso viele schlechte Zeichen, wie Finger an ihnen saßen.

»Ach, Doug, diese angebliche Berühmtheit … das empfinde ich überhaupt nicht so. Schauspieler, die auf dem Strip erkannt werden, ja, klar. Meine Tätigkeit habe ich immer als dienenden Beruf betrachtet. Agieren im Off … Im Schatten.«

»Kann man wohl sagen.«

»Nach Choreo werde ich völlig unsichtbar.«

»Ich weiß«, sagte der Anwalt müde. »Das olympische Feuer vor dem Grab des Unbekannten … sag’s noch mal. Aber nicht: Soldaten.«

»Ich bin reif für ein inneres Exil.«

»Verbannt wirst du jetzt erst mal nach Choreo. Äußerst sichtbar. Um nicht zu sagen … ins Auge springend. Du mit deinem tragischen Hintergrund. Dein Leben ist noch viel mehr Allgemeinbesitz als das deiner Kollegen. Und dazu gehört ein Gesicht.«

»Hört das denn nie auf ? Vor acht Jahren hat man mein eigenes Unglück auch schon gegen mich verwandt. Undjetzt …«



A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Lees meer...

Italo Calvino, Tessa de Loo, Mario Puzo, Vergilius, Kees Beekmans


De Italiaanse schrijver Italo Calvino werd geboren in Santiago de las Vegas op Cuba op 15 oktober 1923. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009 en ook mijn blog van 15 oktober 2010


Uit: Invisible Cities (Vertaald door William Weaver)


Whether Armilla is like this because it is unfinished or because it has been demolished, whether the cause is some enchantment or only a whim, I do not know. The fact remains that it has no walls, no ceilings, no floors: it has nothing that makes it seem a city except the water pipes that rise vertically where the houses should be and spread out horizontally where the floors should be: a forest of pipes that end in taps, shouwers, spouts, overflows. Against the sky a lavabo's white stands out, or a bathtub, or some other porcelain, like late fruit still hanging from the boughs. You would think that the plumbers had finished their job and gone away before the bricklayers arrived; or else their hydraulic systems, indestructable, had survived a catastrophe, an earthquake, or the corrosion of termites.

Abandoned before or after it was inhabited, Armilla cannot be called deserted. At any hour, raising your eyes among the pipes, you are likely to glimpse a young woman, or many young women, slender, not tall of stature, luxuriating in the bathtubs or arching their backs under the showers suspended in the void, washing or drying or perfuming themselves, or combing their long hair at a mirror. In the sun, the threads of water fanning from the showers glisten, the jets of the taps, the spurts, the splases, the sponges' suds.

I have come to this explaination: the streams of water channeled in the pipes of Armilla have remained in th posession of nymphs and naiads. Accustomed to traveling along underground veins, they found it easy to enter the new aquatic realm, to burst from multiple fountains, to find new mirrors, new games, new ways of enjoying the water. Their invasion may have driven out the human beings, or Armilla may have been built by humans as a votive offering to win the favor of the nymphs, offended at the misuse of the waters. In any case, now they seem content, these maidens: in the morning you hear them singing.”



Italo Calvino (15 oktober 1923 - 19 november 1985)

Lees meer...


E. E. Cummings, Péter Nádas, Katha Pollitt, Daniël Rovers


De Amerikaanse dichter en schrijver Edward Estlin Cummings werd geboren in Cambridge, Massachusetts op 14 oktober 1894. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2008 en ook mijn blog van 14 oktober 2009 en ook mijn blog van 14 oktober 2010.



"Gay" is the captivating cognomen


"Gay" is the captivating cognomen of a Young Woman of cambridge,


to whom nobody seems to have mentioned ye olde freudian wish;

when i contemplate her uneyes safely ensconced in thick glass

you try if we are a gentleman not to think of(sh)


the world renowned investigator of paper sailors--argonauta argo

harmoniously being with his probably most brilliant pupil mated,

let us not deem it miraculous if their(so to speak)offspring has that largo

appearance of somebody who was hectocotyliferously propagated


when Miss G touched n.y. our skeleton stepped from his cupboard

gallantly offering to demonstrate the biggest best busiest city

and presently found himself rattling for that well known suburb

the bronx(enlivening an otherwise dead silence with harmless quips, out

of Briggs by Kitty)


arriving in an exhausted condition, i purchased two bags of lukewarm


with the dime which her mama had generously provided(despite courte-

ous protestations)

and offering Miss Gay one(which she politely refused)set out gaily for

the hyenas

suppressing my frank qualms in deference to her not inobvious perturba-



unhappily, the denizens of the zoo were that day inclined to be uncouthly


more particularly the primates--from which with dignity square feet

turned abruptly Miss Gay away:

"on the whole"(if you will permit a metaphor savouring slightly of the


Miss Gay had nothing to say to the animals and the animals had nothing

to say to Miss Gay


during our return voyage, my pensive companion dimly remarlted some-

thing about "stuffed

fauna" being "very interesting" . . . we also discussed the possibility of

rain. . .

E distant proximity to a Y.W.c.a. she suddenly luffed

--thanking me; and(stating that she hoped we might "meet again

sometime")vanished, gunwale awash. I thereupon loosened my collar

and dove for the nearest l; surreptitiously cogitating

the dictum of a new england sculptor(well on in life)re the helen moller

dancers, whom he considered "elevating--that is, if dancing CAN be ele-



Miss(believe it or)Gay is a certain Young Woman unacquainted with the


and pursuing a course of instruction at radcliffe college, cambridge, mass.

i try if you are a gentleman not to sense something un poco putrido

when we contemplate her uneyes safely ensconced in thick glass



E. E. Cummings (14 oktober 1894 - 3 september 1962)

Portret doorJohn Bedford

Lees meer...

Katherine Mansfield, Margarete Susman, Stefan Żeromski


De Nieuw-Zeelandse schrijfster Katherine Mansfield werd geboren op 14 oktober 1888 in Wellington. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Katherine Mansfield op dit blog.


Uit: The Storyteller (Biografie door Kathleen Jones)


„The first thing you notice in Wellington is the wind. A full southerly buster was blowing as I drove in around the bays of the harbour, hurling the waves onto the rocks. At the hotel on Tinakori Road, shutters slapped and banged in a crazy percussion, just as Katherine described in one of her earliest stories, ‘The Wind Blows’. I recognised the way it blew the stinging dust in waves, in clouds, in big round whirls, heard the ‘loud roaring sound’ from the tree ferns and the pohutukawa trees in the botanic garden, the clanking of the overhead cables for the trolley buses. Clinging to the car door to steady myself, the street map levitating from my grasp, I experienced the exactness of Katherine’s images – ‘a newspaper wagged in the air like a lost kite’ before spiking itself onto a pine tree; sentences blew away ‘like little narrow ribbons’.

Tinakori Road, where Katherine was born and where her father occupied progressively larger houses as his status rose, runs along a steep hillside with spectacular views of the city. Above it, a tree- clad slope climbs upwards towards the ridge and below it, houses stagger downhill towards the brief fringe of level ground that edges the circular bay, enclosed by hills. The street follows a major fault line in an area that remains seismically active, and tremors were part of Katherine’s childhood experience.

Katherine loved the view from Tinakori Road, writing in her youthful notebook how ‘all in a fever myself I rushed out of the stifling house . . . on to the gorse golden hills. A white road round the hills – there I walked. And below me, like a beautiful Pre- Raphaelite picture, lay the sea and the violet mountains. The sky all a riot of rose and yellow – amethyst and purple. At the foot of the hill – the city – but all curtained by a blue mist that hung over it in pale wreaths of Beauty. Though engulfed by the expanding capital, the old houses renumbered to accommodate the new, Tinakori Road has changed little in a hundred and twenty years. It is still lined by brightly painted wooden houses, and you can have a drink in the local working men’s pub, where Katherine’s inscrutable face looks down from the wall.“

Katherine Mansfield (14 oktober 1888 – 9 januari 1923)

Lees meer...