24-03-11

Harry Prenen, Top Naeff, Willem van Iependaal, Robert Hamerling, Fanny Lewald

 

De Nederlandse (gelegenheids)dichter, historicus, geschiedenisleraar, illustrator en journalist Harry Prenen werd geboren in Schoten op 24 maart 1915. Zie ook mijn blog van 24 maart 2009 en ook mijn blog van 24 maart 2010.

 

Uit: Het een en ander over Godfried Bomans

 

“Ze spraken over litteratuur, en achter mijn koffie gezeten sloeg ik het dispuut met een huivering van eerbied gade. Het waren studenten, poëten of essayisten, abonnées op ‘Podium’, vlijmscherpe critici die hun mes zo lang op de wetsteen van hun vernuft geslepen hadden, dat er nauwelijks iets mee te snijden viel. De scheppende talenten onder hen dronken zich dagelijks tot aan de nok toe vol met gedichten van Slauerhoff en essays van Vestdijk (..)

Het gesprek ging erover wie nu eigenlijk op het ogenblik onze beste prosateur mocht heten. Om mijn verlegenheid te verbergen en mijn pover zelfvertrouwen bij elkaar te schrapen, bestelde ik een taartje en keek wat naar buiten. En daar passeerde (..) mijn oude speelgenoot Bomans. Hij reed bedachtzaam op een motorfietsje en hield een karbiesje in de hand. Ik wenkte hem toe om naderbij te komen en aan de koffie met discussie deel te nemen. Doch hij had geen tijd en snelde verder om de trein te halen. Moest een lezing houden, vanavond. Blijkbaar deed hij weer ’n tocht naar de binnenlanden om hun de wereld te laten zien door het oog van een meikever.(..)

Toen ik mij weer omkeerde en mijn plaats zocht was de grootste prozaschrijver nog steeds niet gevonden. Vestdijk, die pas vijftig jaar was geworden, maakte echter een mooie kans. Tijdens het wikken en wegen begon er eentje:

 - ‘Tja, als ik het zeggen moet, de beste prozaïst in Holland is ….’

 - ‘Bomans!’  - Het was mijn stem die de twijfelende stilte brak. Ik had het gezegd voor ik het wist. De uitwerking was verrassend. Ze zetten alle twintig tegelijk hun glaasje neer en spalkten hun ogen open om te zien of ik in ernst sprak, - een van hen begon alvast te proesten -, maar toen de gloed der overtuiging mijn wangen kleurde barstte het ganse gezelschap in een bevrijdende schater los. Een springvloed van vrolijkheid stootte alle sluizen open, zoals zelfs de beste grap van Bomans zelf nooit te beurt was gevallen. Toen de vreugde wat bedaard was vroeg een ganse deputatie tegelijk: ‘Maar Vestdijk dan? En Slauerhoff, en du Perron en …..??’ ‘Bomans…. Nu ja, het moet dan maar: Bomans schrijft beter!’

 

 

 

 

Harry Prenen (24 maart 1915 - 20 oktober 1992)

Harry Prenen en Godfried Bomans

 

 

Lees meer...

Richard Leising, Gabriele von Baumberg, Christian Schubart, Olive Schreiner, William Morris

 

De Duitse dichter Richard Leising werd geboren op 24 maart 1934 in Chemnitz. Zie ook mijn blog van 24 maart 2009en ook mijn blog van 24 maart 2010.

 

 

Liebste

 

Hockt im Trauern, läuft im Singen

Hält sich auf in , weilt in Schliengen

Macht am Ende gar Gedichte

Gauklerflügel, Bleigewichte
Oder umgekehrte Lieder

Wackersteine, Lichtgefieder.

 

 

 

Die Bilder

 

Die Bilder bleiben nicht, wir bleiben heiter
Ein letztlich heiteres Geschlecht, weil diese gehen
Bis wir nicht mehr sie selbst, nur ihr Verschwinden sehen.
Gut, daß sie fliehn. Wir können sie nicht fliehen
Ihr einziger Weg ist: Weg von uns; das treibt sie weiter
Als wir mit unseren aufgeschlagnen Knien
Jetzt gehen sollten. Schon geht wunderbar
Anstatt des Bilds sein schnelles Fliehen uns an, noch schneller
(Das Bild wird dunkler und der Blick wird heller)
Bleibt uns nur wunderbar noch, daß es war.
Gut, daß es schwindet! Anders schwänden wir
Vor unseren Bildern hin und wären nicht mehr hier.

 

 

 

 

Richard Leising (24 maart 1934 – 20 mei 1997)

 

 

Lees meer...

23-03-11

Mitch Cullin, Gary Whitehead, Yōko Tawada, Steven Saylor, Nils-Aslak Valkeapää

 

De Amerikaanse schrijver Mitch Cullin werd geboren op 23 maart 1968 in Santa Fe, New Mexico.  Zie ook mijn blog van 23 maart 2007 en ook mijn blog van 23 maart 2008 en ook mijn blog van 23 maart 2009 en ook mijn blog van 23 maart 2010.

 

Uit: The Post-War Dream 

 

„That serpentine formation of listless souls wound back into the darkness-the shapes of children, men and women, mothers cradling infants, the elderly-coming from where the cows had been headed, drawing nearer while never quite reaching him. But it was the gas mask each one wore which disturbed him the most-such cumbersome equipment obscuring their faces, too large for the heads of small children and practically consuming the entire bodies of the infants, giving the group a uniform, superficial appearance not unlike that of cattle. Even so, he perceived their determined movements as a kind of miserable retreat, a retrogression toward the past and, indeed, toward the living-where, upon arriving at their destination, he imagined the masks would be cast aside and all of them would inhale freely once more.

Yet every step of their bare feet was now preceded by labored breath, a collective exhalation delivered in unison and released as a muted, staccato gasp through chemical air filters-while their paper-thin skin contracted around pronounced rib cages, and many of their arms hung like broken branches at their sides. As the ragged column advanced steadily in the moonlight, he realized the physical condition of the people had deteriorated badly since he'd first seen them decades ago. Their clothing was either reduced to shreds or had fallen away, their ankles and feet were covered with sores, their hair was so long that it ran the length of their backsides, and the men's thick beards jutted from beneath their masks. In that stream of pale, dirty bodies only their protruding bones shone clearly as they marched one after the other.

"Where are you going?" he had once asked them without speaking. "What is it you're looking for? What do you want?"

 

 

 


Mitch Cullin (Santa Fe, 23 maart 1968)

 

 

Lees meer...

Federica de Cesco, Roger Martin du Gard, Hamvas Béla, Daniel Biga, Ceija Stojka

 

De Zwitserse schrijfster Federica de Cesco werd geboren op 23 maart 1938 in Pordenone, Zie ook mijn blog van 23 maart 2009 en ook mijn blog van 23 maart 2010.

 

Uit: Muschelseide

 

Ricardo fühlte sich nicht wohl. Herzrhythmusstörungen. Die Anfälle traten gelegentlich auf, waren harmlos, aber unangenehm. Er nahm sie leider als Vorwand, um nicht in den Country-Club zu gehen, und wurde dabei immer blasser und dicker. Da er krank aussah und unsicher auf den Beinen war, sagte ich ihm, er solle sich ausruhen. Er schluckte seine Tabletten und zog sich früh zurück. Als ich später mit Francesca zu Abend aß, hätte ich sie gern gefragt, ob sie etwas über die japanische Gedenksäule wusste. Vielleicht hätte ich Glück: Es gab Momente, in denen ihr die Worte glatt von der Zunge rollten, ohne dass sie sich sehr anzustrengen brauchte. Und wiederum andere, in denen sie nur ihre Arbeit im Kopf hatte und ein Gespräch mit ihr wenig Sinn hatte. Letzteres war gerade der Fall: Sie war übel gelaunt.
Sie fand die Suppe zu salzig, beklagte sich über den Rinderbraten – der tatsächlich zäh war – und rauchte, bis es auch mir den Appetit verdarb. Ich ließ sie beim Portwein allein. Am Morgen erschien Ricardo wie gewohnt zum Frühstück und ließ sich die Zeitung bringen. Francesca erkundigte sich schnodderig nach seinen Befinden. Er antwortete freundlich. »Danke, Francesca. Mir geht es wieder gut.« Sie beließ es dabei. Ihr Leben schien erfüllt zu sein, erfüllt von Dingen, von denen sie nicht sprach. Ich kannte sie wirklich nicht gut. Sie war eine Fremde, von weither gekommen. Manchmal genügte eine Kleinigkeit, ein falsches Wort, dass sie zornig wurde.
Zorn begriff ich, was mir an ihr nicht gefiel, war, dass sie die Menschen so leichtfertig kränkte. Doch war ich nicht einmal sicher, dass sie es bewusst darauf angelegt hatte. Offen bar machte ihr die Malerei zu schaffen. Ihre Knochen womöglich auch. Ich fragte Ricardo, ob er seine Tabletten genommen hatte.“

 

 


Federica de Cesco (Pordenone, 23 maart 1938)

 

 

Lees meer...

22-03-11

Billy Collins, Arnold Sauwen, Albrecht Goes, Eveline Hasler, Wolfgang Bächler, Érik Orsenna

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Billy Collins werd geboren in New York op 22 maart 1941. Zie ook mijn blog van 22 maart 2007 en ook mijn blog van 22 maart 2008 en ook mijn blog van 22 maart 2009 en ook mijn blog van 22 maart 2010. 

 

 

I Go Back To The House For A Book 

 

I turn around on the gravel and go back to the house for a book, something to read at the doctor's office, and while I am inside, running the finger of inquisition along a shelf, another me that did not bother to go back to the house for a book heads out on his own, rolls down the driveway, and swings left toward town, a ghost in his ghost car, another knot in the string of time, a good three minutes ahead of me — a spacing that will now continue for the rest of my life.

 

 

 

Japan 

 

Today I pass the time reading

a favorite haiku,

saying the few words over and over.

 

It feels like eating

the same small, perfect grape

again and again.

 

I walk through the house reciting it

and leave its letters falling

through the air of every room.

 

I stand by the big silence of the piano and say it.

I say it in front of a painting of the sea.

I tap out its rhythm on an empty shelf.

 

I listen to myself saying it,

then I say it without listening,

then I hear it without saying it.

 

And when the dog looks up at me,

I kneel down on the floor

and whisper it into each of his long white ears.

 

It's the one about the one-ton temple bell

with the moth sleeping on its surface,

 

and every time I say it, I feel the excruciating

pressure of the moth

on the surface of the iron bell.

 

When I say it at the window,

the bell is the world

and I am the moth resting there.

 

When I say it at the mirror,

I am the heavy bell

and the moth is life with its papery wings.

 

And later, when I say it to you in the dark,

you are the bell,

and I am the tongue of the bell, ringing you,

 

and the moth has flown

from its line

and moves like a hinge in the air above our bed.

 

 

 


Billy Collins (New York, 22 maart 1941)

Portret door Seamus Berkeley

 

 

Lees meer...

Gabrielle Roy, Ludvík Kundera, Léon Deubel, Edward Moore, Karel Poláček, Nicholas Monsarrat, Hans Grimm

 

De Canadese schrijfster Gabrielle Roy werd geboren op 22 maart 1909 in Saint Boniface, Manitoba. Zie ook mijn blog van 22 maart 2007 en ook mijn blog van 22 maart 2009 en ook mijn blog van 22 maart 2010. 

 

Uit: Children of My Heart

 

„Now I recognized him: an immigrant from the Abruzzi who had recently come to our town. As yet unable to find work in his own trade of upholsterer, he was doing odd jobs here and there. This was why I had seen him one day in our neighbourhood, digging up a patch of ground. I remembered that his little son has been with him, trying to help, that the two never stopped talking as they worked, no doubt spurring each other on, and that this murmur in a foreign tongue, at our fields’ edge, had seemed to have a special charm.

I went over to them with the very best smile I could muster. As I came near, the child cried out in terror and clung even more desperately to his father, who trembled on contact. I could see that he wouldn’t be much help. On the contrary, with his caresses and soft words he did nothing but keep alive the hope that he might weaken. And in fact the father began to plead with me. Since the boy was so unhappy, wouldn’t it be better to take him home just this once, and try again this afternoon or tomorrow morning, when he’d have time to explain what a school was.

I saw them hanging on my decision, and took my courage in my two hands: “No, when you have to make the break, it doesn’t help to wait.”

The father lowered his eyes, obliged to admit I was right. Even between the two of us we had trouble detaching the child; as soon as we loosened the grip of one hand it slipped away to grasp another handful of the father’s clothing. The odd thing was that while he continued to cling to his father he was furious with him for taking my side, and through his tears and hiccups was calling him a heartless wretch, or words to that effect.“

 

 

 

Gabrielle Roy (22 maart 1909 – 13 juli 1983)

 

 

Lees meer...

21-03-11

Hamid Skif, Hubert Fichte, Peter Hacks, Michel Bartosik

 

De Algerijnse schrijver en journalist Hamid Skif werd geboren op 21 maart 1951 in Oran. Zie ook mijn blog van 21 maart 2009 en ook mijn blog van 21 maart 2010.

 

 

L‘ARBRE

 

J´étais venu me pendre à la plus haute branche

Mais l´arbre prit peur

Il s´est enfui en entendant mes pas

Je n´ai plus d´arbre

dans ce lieu ou l´homme n´habite que son ombre

Ôu les chiens n´habitent que l´ombre de l´homme

 

Ôu le vent est une blessure du ciel

Ôu la pluie mange les jours de fête

 

Je me suis assis sur le sable

De ma poche j´ai tiré une branche de papier

Je l´ai plantée à mon ombre

Et je suis devenu aussi grand

 

que l´arbre qui ferme l´horizon

 

 

 

 

O MEIN HERZ

 

O mein Herz

Sag nichts

Sag kein einziges Wort

Gib die Worte dem Honighändler

der durch die Straßen geht

die Hand über den Brauen, um seine grünen Augen zu

schützen

und bete

dass sie dich nie vergisst

dass sie jede Nacht deinen Namen schreit

und bete weiter

dass sie dir den Mondstrahl schenkt aus ihrem Körper

Bete für dich und für sie

Bete weiter, dass sie deine Wunden in sich behält

und mit dem Balsam reibt aus ihrer Seele

 

 

Vertaald door Andreas Münzer

 

 

 

Hamid Skif (Oran, 21 maart 1951)

 

 

Lees meer...

Youssef Rzouga, Jean Paul, Günter Vallaster, Siegfried Kapper

 

De Tunesische dichter Youssef Rzouga werd geboren op 21 maart 1957 in Mahdia. Zie ook mijn blog van 21 maart 2007 en ook mijn blog van 21 maart 2008 en ook mijn blog van 21 maart 2009 en ook mijn blog van 21 maart 2010. 

 

 

Ein Denkmal für Ihre Majestät Die Bedeutung

 

Vom Andalusien der Vorfahren bis Karthago

Zog der Stamm Ibn Khalduns hinaus in die Welt

Damit zwischen einem Morgen und dem nächsten geboren wurde: Khaldun

Und als die Pest die Eltern überfiel

Und alle Alten des Dorfs

Blieb dem vom Wort besessenen Schüler

Nichts außer dem Reisen einer Waisen in der Welt

Die Wellen warfen ihn ins Ungewisse

Und ihm geschah was ihm geschah

Er bekam Schneidezähne

Er traf am Hof des Sultans ein

Eine zitternde Hand suchte

Zwischen den Gittern ihre Finger

 

Er hatte etwas zu den Geschehnissen zu sagen

Und was geschah war überwältigend:

Das letzte davon war der mächtige Wirbelsturm

Er überfiel das Meer

Verschluckte die Bäume

Und es blieb eine Waise von 70 Jahren

Kämpfte gegen das, was kam, mit dem Schweigen

Und die Genügsamkeit ist nichts als

Das Bild im

Gealtertern Spiegel

 

Hier steht Ibn Khaldun

Den Bejaia kennt

Und Fez

Und ihn kennen sogar die Beduinenstämme in El-Jarid

Mank kennt ihn von Bethlehem bis Gaza

Jerusalem kennt ihn

Auch Damaskus mit Timur dem Lahmen

Der Nil

Das Gefängnis

Und Andalusien

 

Hier steht Ibn Khaldun das Waisenkind

Er bewohnt sein Denkmal, gewickelt in

Ihre Majestät Die Bedeutung

Und es gibt keine Bedeutung außer für seine Hände

Erhoben seit Anbeginn der Geschichte

Für den Menschen in seiner Zivilisation

 

Hier steht Ibn Khaldun

In „Al-Muqaddima“

Die ihn schrieb

Gerichtet an den Stamm

Der ihn morgen schreiben wird

Und derselbe Stamm wird ihn morgen hervorbringen

Wie er einst ihn tötete

 

Hier steht Ibn Khaldun das Waisenkind

Wie er das Vergangene beweint

Ein Denkmal, zu dem die Touristen pilgern

In den Armen hält er die Ewigkeit: Sein Buch/Inhalt seiner Vision.

Erhaben steht er im Herzen der Stadt

In ihren offenen Adern zu beiden Seiten:

„Baha bil Bahri“ wo er steht

Und „Al-Mutawassat“

 

Geh doch ein wenig zur Seite

Damit ich das Denkmal in seiner Geschichte sehe, Rosa.

In ihm sehe ich dich wieder

An der Küste Alexandrias

Als letzte Frau

Die eine Verabredung ihres Himmels verschiebt.

 

 

Vertaald door Mustafa Al-Slaiman

 

 

 

 

Youssef Rzouga (Mahdia 21, maart 1957)

 

Lees meer...

Romenu 1e Lustrum, Willem de Mérode

 

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies vijf jaar. Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit Blog, ook nu weer een gedicht van hem. Vanwege dit lustrum en voor uw en mijn gemak zet ik echter op deze pagina ook alle eerder geplaatste gedichten nog eens op een rij. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en voor het overige de Willem de Mérode tags op dit blog bij Skynet.

 

 

Zijn ziel en adem was doorgeurd van wijn 

 

Zijn ziel en adem was doorgeurd van wijn.
Hij leunde in zijn verscheurde kaftan tegen
De deur der kroeg en stamelde verwegen
Van God en wereld en zijn eigen pijn.

'Gunt Gij de mens alleen rampzalig zijn?
Waarom wordt 't leven ongevraagd verkregen?
Maak ons als 't stof waaraan wij zijn ontstegen!
Wees ééns barmhartig en beveel: verdwijn!'

Hemels onwrikbaarheid en menslijk dwalen
Hoonde hij en prees 't dronken ademhalen
Tussen 'nog niet' en 'niet meer' 't hoogst genot.

Maar in de roes en enkle stille dromen
Werd al zijn wrevel van hem weggenomen
En schreeuwde hij beschaamd als kind om God!

 

 

 

Eenzamen

Is er een nood, die meerder nijpen kan
dan deze:
In liefde lusthof zijn een eenzaam man
En een bevreesde?

 

En mogen niet de martelende pijn
Aan andren toonen,
Maar moeten trotsch van hart en hoog van oogen zijn,
Als liefdes blijdste zonen.
 

 

En krimpend van de nooitgenezen wond,
Die staag blijft bloeden,
Gaan zij met monden mild en minlijk rond,
Andren ten goede.
 

 

Geen kruid geplukt in blanken dageraad
met hopend vreezen,
Geen bloeisel uit nachts gouden sterregaard
Kan hen genezen.
 

 

Geen balsem en geen donkre toverspreuk
Hun leed verzachten
De laafnis voor de doodelijke breuk
In smartlijk smachten.
 

 

O liefde! red uit dit onlijdbaar leed,
Of dood door uwen donder!
Uw heil, ach éens, uw heil, wie daarvan weet,
Gaat juichend onder.

 

 

 

  

BRUSSEL - I

 

 

Groote Markt

 

Gul en kunstzinnig is het volk geweest,
Statig van bouw en prachtig blauw van oogen,
Die gretig-wijd het gouden zonlicht zogen,
Geestig van zin en zinnelijke van geest

Hun huizen zijn als vrouwen op een feest,
Voornaam en moe, iets tot elkaar gebogen,
Met rag van kanten beeldhouwwerk omtogen,
En blank verguld, de burgerlijkste 't meest.

Hun ouderdom volmaakte tooi en luister,
Zij droomen in een schemering van duister
Verheven boven het moderne grauw.

In de weerspiegelingen hunner ramen
Vloeien de beelden van 't verleden samen
En flonkeren als zonneschijn in dauw

 

 

 

LENTE

 

De hemel luwt, de lente staat te komen.
De visch spat als een vonkenzwerm omhoog.
De vogel tooit zich met den regenboog.
En eensklaps bloeien de verstokte boomen.

Een roode bliksem slaat dwars door het bloeien.
Een rood gewaad heeft mijn bestaan verschrikt.
Verbleekt heb ik den chaos ingeblikt.
Boven den oergrond hang ik ijl te bloeien.

 

 

 

De Gedroomde Zoon -

  

O droom, die in een slapeloozen nacht
Verschenen zijt voor wakkre brandende oogen.
Gij naamt uit mij vorm en bestaansvermogen.
'k Heb u verwekt en smartlijk voortgebracht.

Eindelijk zie ik, bang, de late pracht
Van uw gelaat, o zoon, mij toegebogen:
Trillende wimpers over tintlende oogen,
Zoo warm en diep en donker als de nacht.

Er moet veel eenzaamheid en lijden komen,
Eer wij ons troosten mogen met de droomen,
Die als een lichten uit ons molm ontstaan.

Wij liggen machtloos in het rustig duister,
En, moede, zien wij moedig naar den luister
Die uit ons opglanst ..., maar wij zijn vergaan.     

  

 

 

EERSTE LIEFDE

  

De jongen schrijft; 'over 't papier gebogen
Heb ik hier nu al haast een uur gezeten
Te denken wat ik zeggen zal; wij weten
Vaak maar alleen wat wij niet zeggen mogen

Ik heb zoo dikwijls door de schuttingreten,
Die ik verwijdde, je bespied; je oogen
Verwilderden mijn fantasie; met droge
Handen van hartstocht heb ik daar gezeten.

Maar jij hebt koelnieuwsgierig mij bekeken,
Als ik waanzinnig lachend met je schertste
Op school, terwijl mij polsen bijna berstten
van 't dringend bloed; dan kon ik niet meer spreken.

Je weet misschien niet dat een jongenshart
Teeder is en heel lang gekwetst zal blijven.
Ik heb je lief, ik wil het eenmaal schrijven.
Morgen ben ik weer stom als jij mij tart.

Maar 'k wil mijn leven bouwen en verheffen
En als een toren in de vlakte zijn.
Waarom moeten oogen zoo machtig zijn?
Ik wou wel weenen om dit te beseffen'.

 

 

 

In vriendenkring drink ik de gouden wijn

  

In vriendenkring drink ik de gouden wijn.
In eenzaamheid ben ik bedroefd en ween.
O arm aards dal, waar 't onbestendige standhoudt.
Het beste is hier: altijd dronken zijn.

  

  

  

De brief

  

Toen de avond de kamer innam,
Werd de spiegel met licht gevuld.
De brief, die ik niet meer lezen kon,
Glansde koel als het zachte gezicht
Van een kalm gestorvene,
Wiens lippen een vleug warmte vasthouden
Om onze laatste kus niet te verschrikken.
De samenvouwing der handen
Wil ons naderen reeds niet meer kennen,
Hun verstrengeling weert ons.

Onder de zoete woorden staat een naam gekrabbeld.
Liefkozend spreek ik die uit.
Aan mijn tanden tintelt ijs.

  

  


Strofe

  

Bloemen en jeugd zijn opgenomen
In een wit glanzen; ons hart is ontdaan.
Zij moeten tot het grote rijpen komen,
In wijde stilte wezen, en voortaan
Zwaarder leven, en schielijk verloren
Gaan aan zichzelf, aan alles vergaan.
Bloemen en jeugd ... een kort rood gloren
Zien wij langs onze tranen slaan.
God, als zij U niet toebehoren,
Waarom blaast Gij hun lichten aan?

 

 

 

Waanzin

  

Ik leef niet meer als ik u niet aanschouw.

Mijn denken is in leegte weggezonken.

’k Zie ’t licht niet meer, maar ballen vuur en vonken

En dan duikt alles in een nacht van rouw.

  

Er is een luide suizing in mijn oor,

Waar alle stemmen effen in vervloeien,

Tot klanken, schoon als bloemen, open bloeien,

En met een schok is ’t dat ‘k u noemen hoor.

  

Dit is beminnens waanzin, zeer gevreesd,

Wijl niemand uit haar weerloosheid geneest,

Of van haar laten wil, dan om te sterven.

  

Daar is geen leven buiten uw verband.

Blindelings tast ik langs de wereldwand

En stoot mijzelf gelijk een vaas aan scherven.

 

 


Wachten

  

Nu komt het donker met zijn zoet
Berouw en met zijn week verdriet.
Nu stijgt verlangens lauwe vloed
Ter lippen... en gij zijt er niet.

Gij zijt hier niet... ik luister stil
Naar 't suien van de wind der nacht,
Die stadig uit het duister wil
Verschijnen... waar ik op u wacht.

Maar 't ondoorgrondelijke zwart
Kiert nimmer open voor uw voet.
En 't jagend bonzen van mijn hart
Draagt niet tot u, die kòmen moet,

Die mòet en die niet komen zult,
Niet komen zult, hòe lang ik wacht.
En mijn wanhopig ongeduld
Verschrei 'k ellendig in de nacht.

  

  

Geluk

  

Toen zagen wij de wolken kruien
En wachtten door de zwoele dag
Het breken van de donderbuien
In regenvlaag en hagelslag.

En de avond daalde en geen vertroosten
Van koelte en geen verkwikken kwam.
Toen barstte ’s nachts het grommend oosten
In blauwe gloed en rode vlam.

Wij haalden onze adem ruimer
En zonken uit de lauwe druk
Tot Uwe grondeloze sluimer
En waakten klaar – is dát geluk?

  

  


Erkenning

  

Er is geen leed, er zijn geen tranen meer.
't Is al door Uwe liefdebrand verslonden..
De dood is als een schaûw voor u verzwonden.
Wij zien slechts licht, wij zien alleen de Heer!

 

 

 

Sledevaart

 

Herinnering aan vrijdagmorgen
28 december 1923


Dit is het laatst geluk gweest,
Dat u en mij op aard'verbindt:
Een sledevaart door sneeuw en wind,
En dit geluk gedenk ik 't meest.

Er was geen leven en geen tijd.
onder een hemel van ivoor
Gleden wij stil de stilte door
Der smettelooze oneindigheid.

Peilde onze diepe veiligheid,
Aan 't tuig 't gelui der zuivre klok?
Opeens doorvoer 't mij met een schok:
Dit is des Heeren heiligheid.

Want roerloos, boven en beneê,
Stond 't ijle licht, dat schrikt noch blindt,
En 'k werd zoo rustig, of 'k weer, kind,
Op moeders schoot den slaap in gleê.

Wij spraken weinig en verstrooid.
Geluid drong tot geluk niet door.
De wereld ging voor mij teloor,
Maar uw gelaat vergeet ik nooit.

't Was of Gods niet te naken gloed,
Die helder oplaait in uw ziel,
Door blinkend prisma tot mij viel
Met al de warmte van uw bloed.

Even voor dit juweelen licht
Heeft duizels donker mij bedekt.
Toen heeft uw lach mij opgewekt

En zag 'k uw glanzend aardsch gezicht

 

 

GANYMEDES (fragment)

 

Zijn schoonheid had haar rijkste bloei bereikt,

Nog éne dag, de schuchterheid der jeugd

Zou groeien tot de donkre durf des mans,

En hunkrend gloeien door zijn straffer lêen.

Maar nog niet : bevende was daar een glans,

Nu zilvren en dan even goudgetint,

Dan klaar en blank, dan diep- en purperrood,

Al naar hij wendde en ging, of danste of lag,

Al naar het siddrend rhythme van zijn aêm

Verdeinde rustig, of gejaagd en kort

En hijgend ging, wanneer begeerte heet

Met pijnigende slag zijn bevend hart

Deed bonzen hoorbaar, en het ziedend bloed

De polsen zwol ter suizelende slaap.

En al de heerlijkheid ontwaakter jeugd

Die schoon en veeg is als de morgendauw

Als haar de zon verheerlijkend verderft,

Straalde verblindend in Zeus' felle licht.

De goden minnen zeer het schoon geslacht

Der sterfelijke knapen, en hun glans

Huwt gaarne zich aan blode donkerheid.
Zo Zeus. - Hij zag de zoete heimlijkhêen

Waarmee zich Ganymedes iedre dag

Naar ziel en lijf, één enig offer, bood,

Als hij der haren donkre overvloed
Streek van het klare voorhoofd; als hij 't oog

Verdroomd liet dwalen langs het helle blauw

Des hemels, of, (de dauwen avondlucht

Was zijner lichte leden wazen kleed)

Ging, vleesgeworden smachten, gans alleen,

De weedom door van 't scheemrig geurend veld.

Zeus zag, en peinsde aan de aanminnigheid

Der ogen en de zoete prille mond,

Wiens kuise lieflijkheid was onberoerd,

En aan de schelpen zijner oren, waar

Het fluisteren der goddelijke stem

Zou wonen als 't geruis der eeuwige zee;

En aan de bleke blauw doorâerde hals,

Even gebogen, vloeiend wederzijds

Uit in de breekbre pracht der schouderen :

En peinsde aan zijn handen, smal en rap,

Die prijkten aan der armen kostlijkheid;

En aan de matte glans der nagelen,

Die droegen op hun flauw gebogen vlak

De bleke sikkel van Selenes beeld

Boven der vingren zongebronsde huid;

En peinsde aan zijn jonge ranke lijf,

En aan de huiverende zuiverheid

Der dijen en der knieën blank gewricht;

En peinsde aan de lichte statigheid

Der benen en d'aanbiddelijke dans

Der voeten, als zij gingen over de aard.

En heel dit broze en sterfelijke schoon

Beminde hij, wanneer het gouden licht

Van Helios de knaap deed glanze' als god,

En als Selenes zilveren gewaad

Hem kleedde boven gods onwelkbre pracht.

En Zeus beminde hem dees laatste dag

Van zijne jeugd ...

 

 

 

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)

Portret door Alfred Löb, 1936

 

18:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: romenu, lustrum, willem de mérode |  Facebook |

20-03-11

Jens Petersen, David Malouf, Friedrich Hölderlin, Benoît Duteurtre,Touré, Gerard Malanga

 

De Duitse schrijver en arts Jens Petersen werd geboren op 20 maart 1976 in Pinneberg. Zie ook  mijn blog van 20 maart 2007 en ook mijn blog van 20 maart 2009 en ook mijn blog van 20 maart 2010.

  

Uit: Bis dass der Tod

 

„Alex hebt den Taschenspiegel und sieht sein Zerrbild, schabt sich die Zähne mit einem geschnitzten Buchenstab, reibt sich die Achseln, befeuchtet das Gesicht und rasiert sich dann mit der letzten Klinge aus dem klammen Jutesack. Er sieht in den Spiegel und wischt das Blut weg, richtet sich schließlich auf, hustet und lauscht dem Schwingen der Schleimfäden in seinen Bronchien. Die Luft riecht nach Winter. Er stemmt die Hände in sein pochendes Kreuz, betrachtet die Türme des Heizkraftwerks am anderen Ufer, das Schwemmgut im Schilf – hagere Äste, ein schneebedecktes Stück Schutt, einen gefrorenen Fischkadaver. Er hustet noch einmal und spuckt in den Fluss.

Drüben, im Schatten der Brückenpfosten, steht der Wohnwagen. Die anderen Camper sind lange fort, kommen im Frühjahr wieder oder nie, da manche von ihnen längst alt geworden sind. Seine Lippen zittern. Zwei Stunden noch bis Mittag, denkt er. Er hat den schmalen Pfad geschippt, das Tonnenfeuer gelöscht, erneut den kargen Busch gestutzt und schließlich das alte Benzin aus dem Aggregat in eine Wasserflasche gefüllt. Über den Himmel ziehen Wolken. Am Uferweg hockt ein Hund.

Nachts hat er von Nana geträumt. Sie trug ihr Leichenhemd. Ihr Körper war winzig und dürr, mit Händen wie rostige Harken, flach aufeinandergelegt und gebunden über der trockenen Brust. Sie lag auf der Bahre in einem Raum mit kaltem elektrischem Licht. Als Alex schließlich aufgewacht war, lag er mit surrendem Kopf wie im Fieber und wälzte sich zwischen den stinkenden Decken herum. Er tastete nach ihrem Körper, zupfte den Schlafsack zurecht, nahm ihre Hand und strich darüber.“

 

 

 

Jens Petersen (Pinneberg, 20 maart 1976)

  

 

Lees meer...

Ricus van de Coevering, Christoph Ransmayr, Henrik Ibsen, Henning Heske, Peter Berling

 

De Nederlandse schrijver Ricus van de Coevering werd op 20 maart 1974 in Asten geboren. Zie ook mijn blog van 20 maart 2010.

 

Uit: Sneeuweieren 

 

„Nadat Olga de muziekstandaard opzij had gezet en de voordeur voor het eerst sinds weken had geopend – een tochtvlaag gleed de hal in, vellen bladmuziek waaiden over de tegels –, liep ze over het grindpaadje tussen de stokrozen door naar de weg.

‘David?’ riep ze. ‘Daaa-vid!’

Het meer in de verte weerspiegelde de grijze wolken. Vroeger, als schoolmeisje, ging ze er wel met de klas schaatsen. Op een keer bleef ze met een paar vriendinnen achter. Toen het begon te schemeren, kon ze rond het meer blauwachtige schimmen zien rondwaren. Ze wist wel dat het fosfor was, maar toch vond ze het akelig. Ze moest denken aan het lijk dat eens in een turfgat was gevonden. Uit onderzoek bleek dat de man veertienhonderd jaar in het zuurstofarme veen bewaard was gebleven. Er was een artikel over hem in de krant verschenen. Hij was een zendeling uit het zuiden geweest met een kruisje aan een ketting rond zijn hals. Op zijn reis had hij wat zinken pannen meegenomen om onderweg te verkopen en ondertussen te vertellen over Gods paradijs. De primitieve, zelfvoorzienende boeren in deze streek hadden hem vermoedelijk niet geloofd. Ze hadden hier hun eigen goden, heksen en demonen. Misschien moesten ze eerst om hem lachen, maar werden ze bang toen hij volhield. Hadden ze hem ’s nachts het moeras in gejaagd? Olga kon zich voorstellen hoe het gerinkel van zijn pannen in de duisternis moest zijn weggestorven. Tweehonderd jaar later verschenen de eerste houten kerktorens in de dorpjes.

Inmiddels lag de zendeling in een glazen kistje in het museumpje van Ampel opgebaard. Olga was eens met David gaan kijken. David had gefascineerd naar het lijk van de man gestaard, waarvan de huid verschrompeld en gedroogd was als de afgeworpen huid van een slang. David zei dat hij niet begreep waarom de man zijn geloof was blijven verdedigen. Waarom had hij niet gezegd dat God niet bestond? En dat het verhaal over de hemel een grap was? Dan had hij de volgende ochtend naar een dorp verderop kunnen lopen om te zien of ze hem daar wél geloofden.“

 

 

 

Ricus van de Coevering (Asten, 20 maart, 1974)

 

Lees meer...

Josef Reding, Andrée Chedid, Ovidius, Ralph Giordano, Alicia Kozameh

 

De Duitse schrijver Josef Reding werd geboren op 20 maart 1929 in Castrop-Rauxe. Zie ook mijn blog van 20 maart 2009 en ook mijn blog van 20 maart 2010.

 

Uit: Erfindungen für die Regierung und andere Satiren 

 

Eine Gartenlaube für den Bundespräsidenten. Das organische Rankenwerk, das einstens unseren Vorvätern mit Wein und Efeu Zuflucht gewährte, wird angemessen ersetzt durch künstliche Lianen, billig gewonnen aus dem Tonband-Geschlingsel jener unzählbaren und unsagbaren Reden, die zur Hundertjahrfeier örtlicher Kaninchenzuchtvereine und bei Eröffnungszeremonien des Kongresses internationaler Andenkenverkäufer in der rhetorischen Kunstgewerbeabteilung des Präsidialamtes bestellt wurden. Die Vorhänge aus den Bändern, die von den Funkhäusern sicher mit Kusshand zum Fenster hinausgeworfen werden, sind bewusst dicht gehalten, um auch die letzten Möglichkeiten eines etwaigen Weitblicks endgültig schwinden zu lassen.
Im Zentrum der Anlage ist ein "Café Chancellor" etabliert, dessen Leitung der Bundeskanzler gewiss gern zu seinen bisherigen Offizien übernehmen wird. Es fehlen weder ein Espressogerät für kalten Kaffee noch eine Raucherbar für starken Tabak. Rechts vom Porträt Bismarcks in der Stammtischecke hängen niedlich gerahmte Wandsprüche wie "Die Lage war noch nie so ernst" und "Ich bin, wer ich bin", links davon berühmte letzte Worte wie "Seid nett zueinander" und "Eisern, aber mild!" Eine Vitrine soll den Häuptlingsschmuck der Plattfuß-Indianer, eine erweiterungsfähige Sondergarderobe die Ehrendoktorhüte bewahren. Ein livrierter Hinausschmeißer am Portal des Cafes sorgt für Gemütlichkeit der Ministerrunde.“
 

 

 


Josef Reding (Castrop-Rauxe,
20 maart 1929)

 

 

Lees meer...

Herinnering aan Hugo Claus

 

Gisteren was het drie jaar geleden dat de Belgische dichter-schrijver-kunstenaar-filmer Hugo Claus  overleed. Zie ook mijn blog van 5 april 2007 en ook mijn blog van 5 april 2008 en ook mijn blog van 19 maart 2008 en ook mijn blog van 5 april 2009 en ook mijn blog van 20 maart 2009 en ook mijn blog van 5 april 2010

 

 

Ik draag van alles

 

Ik draag van alles, brood, kaas
een bom of een verminkte kat.
Dragen is mijn redding.

Ook van binnen draag ik,
vragen, tranen, gedaas
en een karrenvracht solaas.

Als ik niet draag
is er een gemis
dat niet te dragen is.

Het dood dier dat ik droeg
heeft mij gelikt
tot ik geen gezicht meer had.

 

 

 

Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)


16:52 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hugo claus, romenu |  Facebook |

19-03-11

Philip Roth, Lynne Sharon Schwartz, Hans Mayer, William Allingham, Lina Kostenko, Kirsten Boie

 

De Amerikaanse schrijver  Philip Roth werd geboren op 19 maart 1933 in Newark. Zie ook mijn blog van 19 maart 2007 en ook mijn blog van 19 maart 2008 en ook mijn blog van 19 maart 2009 en ook mijn blog van 19 maart 2010.

 

Uit: Nemesis 

 

„Summers were steamy in low-lying Newark, and because the city was partially ringed by extensive wetlands - a major source of malaria back when that, too, was an unstoppable disease - there were swarms of mosquitoes to be swatted and slapped away whenever we sat on beach chairs in the alleys and driveways at night, seeking refuge out of doors from our sweltering flats, where there was nothing but a cold shower and ice water to mitigate the hellish heat. This was before the advent of home air conditioning, when a small black electric fan, set on a table to stir up a breeze indoors, offered little relief once the temperature reached the high nineties, as it did repeatedly that summer for stretches of a week or ten days. Outdoors, people lit citronella candles and sprayed with cans of the insecticide Flit to keep at bay the mosquitoes and flies that were known to have carried malaria, yellow fever, and typhoid fever and were believed by many, beginning with Newark's Mayor Drummond, who launched a citywide "Swat the Fly" campaign, to carry polio. When a fly or a mosquito managed to penetrate the screens of a family's flat or fly in through an open door, the insect would be doggedly hunted down with fly swatter and Flit out of fear that by alighting with its germ-laden legs on one of the household's sleeping children it would infect the youngster with polio. Since nobody then knew the source of the contagion, it was possible to grow suspicious of almost anything, including the bony alley cats that invaded our backyard garbage cans and the haggard stray dogs that slinked hungrily around the houses and defecated all over the sidewalk and street and the pigeons that cooed in the gables of the houses and dirtied front stoops with their chalky droppings. In the first month of the outbreak - before it was acknowledged as an epidemic by the Board of Health - the sanitation department set about systematically to exterminate the city's huge population of alley cats, even though no one knew whether they had any more to do with polio than domesticated house cats.“

 

 

 

Philip Roth (Newark, 19 maart 1933)

 

 

Lees meer...