21-10-11

Allen Hoey, Patrick Kavanagh, Nikos Engonopoulos

De Amerikaanse dichter, schrijver en criticus Allen Hoey werd geboren op 21 oktober 1952 in Kingston, New York. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009 en ook mijn blog van 21 oktober 2010

 

Uit: Provençal Light, a long poem

 

After the Orchard: "Souvenir de Mauve" (fragment)

 

At last! These are the days, filled with such light
a Dutchman could never dream, even steeped in absinthe,
I came seeking. If I thought my palette inadequate to the sky
damped with clouds, the fields and orchards sunk beneath
two feet of snow, how paler it seems with the sun finally streaming,
not mere atmospherics, but light, pure and intense--greens
beyond any in Holland or the chestnuts of a Paris arcade,
and cobalts and ultramarines--abandon your greys! Not pale but
chrome yellows, reds deep as the wine-colored Seine at dusk.
And you, down from Denmark, can your eyes be any less
dazzled than mine, reared under Dutch skies, soot-smudged
the year round, the close--some call them "cozy"--homes,
low-ceilinged and dark all day. No wonder Dutch painting is so murky,
all chiaroscuro and the varnished sheen applied after--nothing else
but the finish could glow. But here--the sun might burn
the eyes right out of the heads of cold-blooded painters like us,
schooled on shadow, our palettes tricked out with greys and bistre.
Earth tones? Here, the earth is tinged violet, the sky
carries the green of blossoming pears to cast heaven
azure, topaz--the chromatic scale at a sitting!
The whole day
spent in the orchard--and see this peach tree, the way the earth
seems by centering strokes to rise into the tree,
the violets and pinks of the soil, the slightest trace of shadow,
mirrored--no, itself come to bloom in the blossoms that grace
each limb, pink runners of flame to the thinnest twig,
and the clouds, released blossoms riding the wind, a meringue
whipped of plain air. The whole canvas wrenched from the mistral,
wind beating the canvas like sails, the easel pegged down, dust
driven into the pigment. See how the brusque strokes convey
color seized from the turmoil of growth, the traces--here and here--
where the canvas shows through. Enough of technique.



 

Allen Hoey (21 oktober 1952 – 16 juni 2010)

Lees meer...

Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Martin Roda Becher

 

De Franse dichter en schrijver Alphonse de Lamartine werd geboren op 21 oktober 1790 in Mâcon. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Alphonse de Lamartine op dit blog.

 

 

Souvenir

 

En vain le jour succède au jour,
Ils glissent sans laisser de trace ;
Dans mon âme rien ne t'efface,
Ô dernier songe de l'amour !

Je vois mes rapides années
S'accumuler derrière moi,
Comme le chêne autour de soi
Voit tomber ses feuilles fanées.

Mon front est blanchi par le temps ;
Mon sang refroidi coule à peine,
Semblable à cette onde qu'enchaîne
Le souffle glacé des autans.

Mais ta jeune et brillante image,
Que le regret vient embellir,
Dans mon sein ne saurait vieillir
Comme l'âme, elle n'a point d'âge.

Non, tu n'as pas quitté mes yeux;
Et quand mon regard solitaire
Cessa de te voir sur la terre,
Soudain je te vis dans les cieux.

Là, tu m'apparais telle encore
Que tu fus à ce dernier jour,
Quand vers ton céleste séjour
Tu t'envolas avec l'aurore.

Ta pure et touchante beauté
Dans les cieux même t'a suivie ;
Tes yeux, où s'éteignait la vie,
Rayonnent d'immortalité !

Du zéphyr l'amoureuse haleine
Soulève encor tes longs cheveux ;
Sur ton sein leurs flots onduleux
Retombent en tresses d'ébène,

L'ombre de ce voile incertain
Adoucit encor ton image,
Comme l'aube qui se dégage
Des derniers voiles du matin.

Du soleil la céleste flamme
Avec les jours revient et fuit ;
Mais mon amour n'a pas de nuit,
Et tu luis toujours sur mon âme.

C'est toi que j'entends, que je vois,
Dans le désert, dans le nuage;
L'onde réfléchit ton image;
Le zéphyr m'apporte ta voix.

Tandis que la terre sommeille,
Si j'entends le vent soupirer,
Je crois t'entendre murmurer
Des mots sacrés à mon oreille.

Si j'admire ces feux épars
Qui des nuits parsèment le voile,
Je crois te voir dans chaque étoile
Qui plaît le plus à mes regards.

Et si le souffle du zéphyr
M'enivre du parfum des fleurs.
Dans ses plus suaves odeurs
C'est ton souffle que je respire.

C'est ta main qui sèche mes pleurs,
Quand je vais, triste et solitaire,
Répandre en secret ma prière
Près des autels consolateurs.

Quand je dors, tu veilles dans l'ombre ;
Tes ailes reposent sur moi ;
Tous mes songes viennent de toi,
Doux comme le regard d'une ombre.

Pendant mon sommeil, si ta main
De mes jours déliait la trame,
Céleste moitié de mon âme,
J'irais m'éveiller dans ton sein !

Comme deux rayons de l'aurore,
Comme deux soupirs confondus,
Nos deux âmes ne forment plus
Qu'une âme, et je soupire encore !

 

 

 

Alphonse de Lamartine (21 oktober 1790 – 28 februari 1869)

Gravure door F. Holl naar P. Gérard. 1845.

Lees meer...

20-10-11

Stephan Enter

 

De Nederlandse schrijver Stephan Enter werd geboren op 20 oktober 1968* in Voorthuizen en groeide op in Voorthuizen en Barneveld. Hij studeerde in Utrecht Nederlands en Keltisch. Voor dat laatste bezocht hij enkele malen Ierland. Enter debuteerde in 1999 met de verhalenbundel Winterhanden en in 2004 verscheen zijn roman Lichtjaren. Beide werden genomineerd voor de Libris Literatuurprijs én voor de Gerard Walschapprijs. In 2007 kwam zijn roman Spel uit, in 2011 volgde de roman Grip.

 

Uit: Vogeltaal

 

‘Wat kon ik verzinnen dat hem straks in Afrika aan mij zou laten terugdenken als de beste vriend die hij hier heeft gehad? Ik had allerlei dingen bedacht om hem te geven, maar steeds waren het dingen die niet zó bijzonder waren dat hij ze nooit in zijn eigen land zou kunnen krijgen: mijn Zwitserse mes met zaag en schaartje, een van mijn drie pauwenveren, de grote roze schelp waar je beter de zee in hoorde dan in alle andere schelpen. En zou ik die spullen ook niet gaan missen als ik ze nooit meer terugzag?’

(…)

 

‘Onze nachtegaalstemmetjes werden schor en sloegen om de haverklap over. We zweetten; sommigen van ons zaten onder de puisten en de zwaarst getroffenen zaten de hele dag door onder hun trui te wroeten; we raakten obsessief geprikkeld door alles wat obsceen was en vooral blootfoto’s bezaten een bizarre aantrekkingskracht (maar ook los daarvan kregen we op de gekste momenten een erectie).’

 

 

Stephan Enter (Voorthuizen, 20 oktober 1968)

 

 

 

* onder voorbehoud

20:09 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: stephan enter, romenu |  Facebook |

Hans Warren, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior

 

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Hans Warren op dit blog.

 

Uit: Geheim Dagboek, deel 13

 

„27 aug. (1979)— Om half vijf maakte Mario me wakker, om vijf uur werden we ook telefonisch gewekt. (...) De vlucht ging over Frankfurt, München, Oostenrijk (prachtig besneeuwde Alpen, wolkenpartijen), Joegoslavië, Noord-Griekenland, de Griekse kust, Athene (ik had tranen in mijn ogen), allerlei eilanden naar Rhodos. Daar moesten we een half uur wachten. Warm, ongeveer dertig graden, heerlijk na de koude zomer in Holland. Weer opgestegen en ongeveer half twee plaatselijke tijd aangekomen in Athene.

(...)

 

„1 sep. (1979) — (...) Om negen uur per bus van Mavromateion vertokken naar Markopoulo. Zeer mooie tocht. Daarna nog een fraaie taxirit van Markopoulo naar het afgelegen museum van Vavrona (Brauron). Het was nog kleiston, maar door tussenkomst van onze chauffeur mochten we naar binnen. Wel een uur lang waren we de enige bezoekers. (...)

Weer sterk ontroerd door het ‘beertje’ met het konijntje op de arm: een echt meisjesportret, maar toch heeft dat kind al de waardigheid en ernst van een kleine priesteres. (...)

En het beroemde reliëf van Apollo en Artemis als tweeling, dat je eigenlijk in avondstrijklicht moet zien. Is veel van de Griekse schoonheid niet door verval en aantasting weemoedig-mooi geworden? De tempel van Sounion: .je reinste droomromantiek. Ga daarom liever tegen de avond naar Brauron als de late zon dat reliëf verguldt, de gezichten van Apollo en Artemis, hun nobele lichamen. ’s Morgens is het licht er koel.

We bleven ruim twee uur in het museum en liepen toen langs het wilde pad naar de toegang tot de Artemis-tempel. (...)

Voor het tempelcomplex hadden we maar twintig minuten, het sloot om half een. De bruine, tufstenen

zuilen staan er in een laag terrein, er was zelfs hier en daar nog wat water waar vogels kwamen drinken en baden. Ook nog een kort bezoek gebracht aan het kleine kapelletje van Dimitros, waarin het aardedonker is. Er wordt beweerd dat het boven het graf van Ifigeneia is gebouwd.“

 

 

 

Thuiskeer in Zeeland


Hart van mijn land ik ben terug
in 't waaien van uw volle zomer,
lig lui en languit op mijn rug,
weer thuis en nog dezelfde dromer

Ver als de blik gaat, ver als wolken
ruisen de popels ijl en licht;
als water koeren duiven onder
het bloesemdek van uw gezicht.

Ik ben terug, ik lig te rusten
in 't bruidsbed van uw welig kruid
en luister: nooit was ik bewuster
van onze eenheid van geluid.

't Vernis van licht om alle halmen,
het boomscherm dat de einder sluit,
de klokken, wier verwaaiend galmen
tegen de zilte hemel stuit -

klank, geur en kleur, zinlijk herkennen:
de karper op de waterplas,
het hooi, zingende zeeuwse stemmen,
de zoete bonen, 't prille vlas -

Ik lig, ik ben terug, ik droom
uw dromen in een blijde schemer;
ik werd weer kind, ik werd een boom,
een plant, een lied, een stukje hemel.

 

 

 

Onweer

 

De donder jaagt met knetterende zwepen
Een felle witte vogelstoet naar huis
Over de Schelde, maar ze talmen even,
Waar een vis uit het groezlig water stuift.

Twee meisjes roepen met klinkende stemmen,
Gelouterd en geschaduwd door het vuur;
Nooit zal ik ze na dit moment herkennen,
Deze profielen, angeliek en puur.

En groter gaat het wilde waaien heersen,
Het water wordt een zandwoestijn gelijk;
Een schorre vogel houdt niet op te krijsen,
als 't lood der regens op de golven strijkt.

 

 

 


Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)

 

Lees meer...

Elfriede Jelinek, John von Düffel, Theresia Walser, O. P. Zier

 

De Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jelinek werd geboren op 20 oktober 1946 in Mürzzuschlag, een kleine stad in de deelstaat Stiermarken. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2008 en ook mijn blog van 20 oktober 2009 en ook mijn blog van 20 oktober 2010

 

Uit: Im Prater

 

Das Erstaunliche an der Kindheit ist, daß sie nur vergehen kann. Vorher genießt sie noch ihr Leben und geht und schaut fleißig herum, weil das von ihr so verlangt wird. Dem Kind soll sich etwas einprägen, aber den Stempel dazu kriegt es nie in die Finger, auch später nicht. Dann lernt das Kind, in einem bestimmten Sinn zu denken, nur die Kindheit ist sinnlos, vorausgesetzt, man hat überhaupt eine. Später, das Erwachsenwerden, zwingt einen, das, was man als Kind gesehen und erlebt hat, unter einen Sinn zu stellen, es dann wieder unter einem anderen Sinn zu sehen, und, bis einem die Sinne irgendwann ausgehen, werden die vergangenen Dinge ununterbrochen einem Sinn untergeordnet, immer einem andren, weil sie letztlich eben gar keinen haben. Meine Sinne sind, als ich ein Kind war, vom Prater geschärft worden, und kaum war ich zu Hause, sind sie wieder gelöscht worden. Der Prater ist in mir ununterbrochen wieder ausradiert worden. Dort war ich mit meinem Vater und meinen Tanten, den Schwestern meines Vaters, sie haben ganz in der Nähe des Praters gewohnt, am Max Winter-Platz, und zuerst habe ich mit meinem Onkel mikroskopiert, und dann sind wir in den Prater gegangen, wo ich mich selbst von der Leine meiner an diesem Ort immer abwesenden Mutter lassen konnte. Meine Mutter konnte sich mich nur als ein Wesen vorstellen, das so lange da war, als sie es beherrscht hat. Wenn die Gefahr bestand, ich könnte die Beherrschung verlieren, ihre wie jede andre auch, schreiend vor Vergnügen auf dem Ringelspiel mit den Topferln – meinem Lieblingsringelspiel – oder auf andren Vergnügungsmaschinen, inmitten all der Buntheit des Praters und all der Vielfältigkeit, die sich ohnehin jeder Beherrschung zu entziehen schien, wie jede Vielfalt, die es jedem Herrschen schwermacht (daher duldet man sie ja so selten!), wenn ich also außer Rand und außerhalb ihre Herrschafts-Bande zu geraten drohte wie eine verirrte Billardkugel, mußte ich, gleichsam am Schnürl, wieder zurückgeholt werden.”

 

 

 

Elfriede Jelinek (Mürzzuschlag, 20 oktober 1946)

Lees meer...

Robert Pinsky, Belle van Zuylen, Lewis Grizzard

 

De Amerikaanse dichter, vertaler en essayist Robert Pinsky werd geboren op 20 oktober 1940 in Long Branch, New Jersey. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2008 en ook mijn blog van 20 oktober 2009 en ook mijn blog van 20 oktober 2010

 

Shirt

 

The back, the yoke, the yardage. Lapped seams,

The nearly invisible stitches along the collar

Turned in a sweatshop by Koreans or Malaysians

 

Gossiping over tea and noodles on their break

Or talking money or politics while one fitted

This armpiece with its overseam to the band

 

Of cuff I button at my wrist. The presser, the cutter,

The wringer, the mangle. The needle, the union,

The treadle, the bobbin. The code. The infamous blaze

 

At the Triangle Factory in nineteen-eleven.

One hundred and forty-six died in the flames

On the ninth floor, no hydrants, no fire escapes--

 

The witness in a building across the street

Who watched how a young man helped a girl to step

Up to the windowsill, then held her out

 

Away from the masonry wall and let her drop.

And then another. As if he were helping them up

To enter a streetcar, and not eternity.

 

A third before he dropped her put her arms

Around his neck and kissed him. Then he held

Her into space, and dropped her. Almost at once

 

He stepped up to the sill himself, his jacket flared

And fluttered up from his shirt as he came down,

Air filling up the legs of his gray trousers--

 

Like Hart Crane's Bedlamite, "shrill shirt ballooning."

Wonderful how the patern matches perfectly

Across the placket and over the twin bar-tacked

 

Corners of both pockets, like a strict rhyme

Or a major chord. Prints, plaids, checks,

Houndstooth, Tattersall, Madras. The clan tartans

 

Invented by mill-owners inspired by the hoax of Ossian,

To control their savage Scottish workers, tamed

By a fabricated heraldry: MacGregor,

 

Bailey, MacMartin. The kilt, devised for workers

to wear among the dusty clattering looms.

Weavers, carders, spinners. The loader,

 

The docker, the navvy. The planter, the picker, the sorter

Sweating at her machine in a litter of cotton

As slaves in calico headrags sweated in fields:

 

George Herbert, your descendant is a Black

Lady in South Carolina, her name is Irma

And she inspected my shirt. Its color and fit

 

And feel and its clean smell have satisfied

both her and me. We have culled its cost and quality

Down to the buttons of simulated bone,

 

The buttonholes, the sizing, the facing, the characters

Printed in black on neckband and tail. The shape,

The label, the labor, the color, the shade. The shirt.

 

 

 


Robert Pinsky (Long Branch, 20 oktober 1940)

 

Lees meer...

19-10-11

Miguel Ángel Asturias, Leigh Hunt, Adam Lindsay Gordon, Nardo Aluman

 

De Guatemalteekse schrijver Miguel Ángel Asturias werd geboren op 19 oktober 1899 in Guatemala-Stad. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Miguel Ángel Asturias op dit blog.

 

 

Navels of Sun and Precious Copals

The little bones of the echo
on the tongue of the Forgetful Emissary.

On the tongue of the Forgetful Emissary,
the message of the Goldthinking-star-gods.

"May the mist rise early,
fragrant with tamarind, poplar, suquinay ,
may it spread its cloths over the words
and may the Four Magicians of the Sky be created
with navels of sun and precious copals.

"May they be of black maize,
maize coiled with sexes and snakes,
their hair, their pupils and their dreams.

"May they be of white maize,
maize coiled with sperm and the moon,
their teeth, the quicklime of their corneas,
their bones and their nails.

"And may their flesh be of yellow maize,
moistened in water sweet
with the night of the star
and skinned with quicklime
in blind boil,
the lime of the eyes
of the Twohanded Tattooer,
the one who was destroyed
along with his raisers of worlds of dream
by the man of mud
who in his turn was annihilated
by fire, the laughter of the stones."

And so was created
the Man-of-Four-Magics,
the one who wears bluegreen feathers
of quetzals and flowers covered with dew,
who illuminates and burns like resinous pine,
who sets things alight
in my country forged of honey.

All was visible, except for the moment
of healing the navels
with webs of tobacco smoke
and placing in their folds,
along with the copals of splendor
and dust of worn-out words,
the magic of the three halves.

By the magic of the three halves,
the half which holds things within
becomes magnetized by the sole presence
of the Man-of-the-Four-Magics,
issues from things and penetrates
the interior of that which completes it,
before restoring it, with an unknown half.

By the magic of the three halves,
there is a half that remains in things,
another that leaves and returns to things
and the unknown half, the one that magic adds.

 

 

 

Vertaald door Robert W. Lebling

 

 


Miguel Ángel Asturias (19 oktober 1899 – 9 juni 1974)

Lees meer...

Philip Pullman, Andrew Vachss, Fannie Hurst, John le Carré

 

De Britse schrijver Philip Pullman werd geboren op 19 oktober 1946 in Norwich als zoon van een luchtmachtofficier. Zie ook mijn blog van 19 oktober 2008 en ook mijn blog van 18 oktober 2009en ook mijn blog van 19 oktober 2010

 

Uit: The Amber Spyglass

 

Ama climbed the path to the cave, as she'd done for many days now, bread and milk in the bag on her back, a heavy puzzlement in her heart. How in the world could she ever manage to reach the sleeping girl? Would the woman never leave the cave for more than a few minutes?
Ama came to the rock where the woman had told her to leave the food since she wasn't allowed in the cave anymore. She put down the bag, but she didn't go straight home; she climbed a little farther, up past the cave and through the thick rhododendrons, and farther up still to where the trees thinned out and the rainbows began.
This part of the valley was where the streams and cascades ran most confusingly: shafts of green-white water would sink into potholes and emerge a little lower down, or gush upward in splintered fountains, or divide into myriad streamlets, or swirl round and round trapped in a whirlpool. When the world was frozen, spears and shelves and columns of glassy ice grew over every surface, and under it all, the water could still be heard gushing and tinkling, and spray still escaped to the air for the rainbows to form.
Ama and her daemon climbed up over the rock shelves and around the little cataracts, past the whirlpools and through the spectrum-tinted spray, until her hair and her eyelids and his squirrel fur were beaded all over with a million tiny pearls of moisture. The game was to get to the top without wiping your eyes, despite the temptation, and the sunlight sparkled and fractured into red, yellow, green, blue, and every color between right in front of Ama's eyes, but she mustn't wipe her hand across to see better until she got right to the top, or the game would be lost.
Kulang, her daemon, sprang to a rock near the top of the little waterfall, and she knew he would turn at once to watch and make sure she didn't brush the moisture off her eyelashes - except that he didn't.”



 


Philip Pullman
(Norwich, 19 oktober 1946)

 

Lees meer...

Man Booker Prize voor Julian Barnes

 

Man Booker Prize voor Julian Barnes

 

De Engelse schrijver Julian Barnes heeft de Britse literatuurprijs Man Booker Prize 2011 gewonnen. Hij kreeg de prijs voor zijn boek 'The Sense of an Ending'. De Man Booker Prize is een van de belangrijkste onderscheidingen in de Engelstalige literatuur. De prijs wordt toegekend aan het beste Engelstalige fictiewerk uit het Gemenebest, Ierland en Zimbabwe.Julian Barnes werd geboren op 19 januari 1946 in Leicester. Zie ook alle tags voor Julian Barnes op dit blog.

 

Uit: The Sense of an Ending

 

„I remember, in no particular order:

– a shiny inner wrist;

– steam rising from a wet sink as a hot frying pan is laughingly tossed into it;

– gouts of sperm circling a plughole, before being sluiced down the full length of a tall house;

– a river rushing nonsensically upstream, its wave and wash lit by half a dozen chasing torchbeams;

– another river, broad and grey, the direction of its flow disguised by a stiff wind exciting the surface;

– bathwater long gone cold behind a locked door. This last isn’t something I actually saw, but what you end up remembering isn’t always the same as what you have witnessed.

We live in time – it holds us and moulds us – but I’ve never felt I understood it very well. And I’m not referring to theories about how it bends and doubles back, or may exist elsewhere in parallel versions. No, I mean ordinary, everyday time, which clocks and watches assure us passes regularly: tick-tock, click-clock. Is there anything more plausible than a second hand? And yet it takes only the smallest pleasure or pain to teach us time’s malleability. Some emotions speed it up, others slow it down; occasionally, it seems to go missing – until the eventual point when it really does go missing, never to return.

• *

I’m not very interested in my schooldays, and don’t feel any nostalgia for them. But school is where it all began, so I need to return briefly to a few incidents that have grown into anecdotes, to some approximate memories which time has deformed into certainty. If I can’t be sure of the actual events any more, I can at least be true to the impressions those facts left. That’s the best I can manage.

There were three of us, and he now made the fourth. We hadn’t expected to add to our tight number: cliques and pairings had happened long before, and we were already beginning to imagine our escape from school into life. His name was Adrian Finn, a tall, shy boy who initially kept his eyes down and his mind to himself. For the first day or two, we took little notice of him: at our school there was no welcoming ceremony, let alone its opposite, the punitive induction. We just registered his presence and waited.“

 

 


Julian Barnes (
Leicester, 19 januari 1946)

18-10-11

Kees Fens, Jan Erik Vold, Terry McMillan, Wendy Wasserstein, Ntozake Shange

 

De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2009 en ook mijn blog van 18 oktober 2010.

Uit: Simon Vestdijk: Eenheid in de verscheidenheid

 

„Wanneer ooit eens iemand gaat uitrekenen hoeveel uitgewerkte portretten van historische en fiktieve personen te vinden zijn in het hele oeuvre van Vestdijk, en hoeveel landschappen, steden en tijdperken er het dekor van vormen, zal dat een ogenblik van grote schrik onder lezers en critici worden. En toch, groter verschil dan tussen al die personages en hun omstandigheden, is niet denkbaar, althans uiterlijk.

Kijk bijvoorbeeld eens naar de onderwerpen die in de vijf jaar na 1960 ter sprake zijn gekomen: allemaal verschillend, al kan een Nurks opmerken dat het een en ander erin hem toch niet onbekend voorkomt. De Griekse kultuur in De held van Temesa bijvoorbeeld (maar het is een andere periode en zelfs een ander deel van Europa dan tot nu toe, dit Magna Graecia van de vijfde eeuw voor Christus), het Lahringenachtige stadje van Zo de ouden zongen ... (maar op de keper beschouwd heeft wát er in dat stadje gebeurt toch heel weinig te maken met Anton Wachter), en de Alpen, tweemaal, namelijk in Een alpenroman en in Het genadeschot. Juffrouw Lot, De filosoof en de sluipmoordenaar en Bericht uit het hiernamaals heb ik dan nog niet eens genoemd, evenmin als de essays, over muziek (ik zeg er verder niets meer over omdat ik Vestdijk op dit terrein voortdurend uit het oog verlies), over ‘literatuur en leven’ in De leugen is onze moeder, en dan nog de memoires van Gestalten tegenover mij en het afzonderlijke lange opstel De zieke mens in de romanliteratuur. Het is duidelijk, dat Vestdijk eerder de onderwerpen en dekors attaqueert waar hij het nog nooit over gehad heeft dan dat hij nauwe aansluiting bij zijn vroegere werk zoekt. Het is al verschillende malen opgemerkt: het heeft er veel van weg dat hij de hele schepping persoonlijk nog eens over wil doen.

Deze veelvoudigheid en veelvormigheid van Vestdijks werk is het eerst opvallende feit dat men over hem kan vaststellen, en het signaleren ervan is dus noodgedwongen een banaliteit, maar niemand ontkomt er aan bij een overzicht van zijn hele werk of zelfs van de produktie van enkele jaren. Hier ligt namelijk voor mijn gevoel de oorzaak van de terughoudendheid van vele lezers, meer eigenlijk dan die van de bewondering van anderen. Deze reserve komt niet zozeer voort uit argwaan tegen de kwaliteit bij een zo overstelpende kwantiteit (al wordt dat argument vaak gebruikt), als wel uit protest tegen een Sisyphusarbeid die de lektuur van gemiddeld twee volkomen verschillende boeken van één auteur per jaar betekent: net als je er bent, kun je opnieuw beginnen.“

 

 

 

Kees Fens (18 oktober 1929 - 14 juni 2008)

 

Lees meer...

Heinrich von Kleist, Rick Moody, Raymond Brulez, Pierre Choderlos de Laclos, Koos Dalstra

 

De Duitse dichter en schrijver Heinrich von Kleist werd geboren op 18 oktober 1777 in Frankfurt an der Oder. Zie ookmijn blog van 18 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Heinrich von Kleist op dit blog.

 

 

Das letzte Lied

Nach dem Griechischen, aus dem Zeitalter Philipps von Mazedonien

 

Fern ab am Horizont, auf Felsenrissen,

Liegt der gewitterschwarze Krieg getürmt.

Die Blitze zucken schon, die ungewissen,

Der Wandrer sucht das Laubdach, das ihn schirmt.

Und wie ein Strom, geschwellt von Regengüssen,

Aus seines Ufers Bette heulend stürmt,

Kommt das Verderben, mit entbundnen Wogen,

Auf alles, was besteht, herangezogen.

 

Der alten Staaten graues Prachtgerüste

Sinkt donnernd ein, von ihm hinweggespült,

Wie, auf der Heide Grund, ein Wurmgeniste,

Von einem Knaben scharrend weggewühlt;

Und wo das Leben, um der Menschen Brüste,

In tausend Lichtern jauchzend hat gespielt,

Ist es so lautlos jetzt, wie in den Reichen,

Durch die die Wellen des Kozytus schleichen.

 

Und ein Geschlecht, von düsterm Haar umflogen,

Tritt aus der Nacht, das keinen Namen führt,

Das, wie ein Hirngespinst der Mythologen,

Hervor aus der Erschlagnen Knochen stiert;

Das ist geboren nicht und nicht erzogen

Vom alten, das im deutschen Land regiert:

Das läßt in Tönen, wie der Nord an Strömen,

Wenn er im Schilfrohr seufzet, sich vernehmen.

 

Und du, o Lied, voll unnennbarer Wonnen,

Das das Gefühl so wunderbar erhebt,

Das, einer Himmelsurne wie entronnen,

Zu den entzückten Ohren niederschwebt,

Bei dessen Klang, empor ins Reich der Sonnen,

Von allen Banden frei die Seele strebt;

Dich trifft der Todespfeil; die Parzen winken,

Und stumm ins Grab mußt du daniedersinken.

 

Erschienen, festlich, in der Völker Reigen,

Wird dir kein Beifall mehr entgegen blühn,

Kein Herz dir klopfen, keine Brust dir steigen,

Dir keine Träne mehr zur Erde glühn,

Und nur wo einsam, unter Tannenzweigen,

Zu Leichensteinen stille Pfade fliehn,

Wird Wanderern, die bei den Toten leben,

Ein Schatten deiner Schön' entgegenschweben.

 

Und stärker rauscht der Sänger in die Saiten,

Der Töne ganze Macht lockt er hervor,

Er singt die Lust, fürs Vaterland zu streiten,

Und machtlos schlägt sein Ruf an jedes Ohr, –

Und da sein Blick das Blutpanier der Zeiten

Stets weiter flattern sieht, von Tor zu Tor,

Schließt er sein Lied, er wünscht mit ihm zu enden,

Und legt die Leier weinend aus den Händen.

 

 

Heinrich von Kleist (18 oktober 1777 - 21 november 1811)

Miniatur van Peter Friedel, 1801

 

Lees meer...

17-10-11

Simon Vestdijk, Miguel Delibes, Georg Büchner, Emanuel Geibel

 

De Nederlandse schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

 

 

De moeder

 

Niets had zij begrepen van zijn klacht,

Toen hij voor 't eerst verliet eenzelvig droomen

En aan kwam tasten in een fluisternacht.

Hij wilde stil en troostziek in haar stroomen,

Terugbuigend als stuwend water naar de

Bron, die rustig spiegelende vergaarde

Wat beeld en neerslag haar te binnen bracht. -

 

En toen zij slaap'rig opzag, en maar streelde,

Gesloten bleef voor het onuitgebeelde,

't Vervloekt verzwegene, dat hem besprongen

Was in het stroomgebied van háár gelijken:

Toen gleed hij weg, en nam een nieuw besluit,

En jaren knelde haar het harte uit

De zoon, dor sijpelende, afgedrongen,

En steenig-smal, haar vrede te ontwijken.

 

 

 

Zelfkant

 

Ik houd het meest van de halfland'lijkheid:

Van 't gras, dat arm'lijk op fabrieksterreinen

Groeit; van de weidewinden, die met lijnen

Vol waschgoed spelen; waar de lorrie rijdt,

 

Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.

Want 'k weet, dat ik waar men het leven slijt

En toch niet leven kan, meer eenzaamheid

Zal vinden dan in bergen of ravijnen.

 

De walm van stoomtram en van bleekerij

Of van de ovens waar men schelpen brandt

Is meer dan thymgeur aanstichter van droomen,

 

En 't zwarte kalf in 't weitje aan den rand

Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd

En in éen beeld met sintels opgenomen.

 

 

 

De Zanger

 

Ik droomde dat hij vóor hij sterven ging

Een galmend kinderlied zong met uithalen

Van overstelpt gevoel. In billardzalen

Vervloekte men hem als een weekeling...

 

Hij stond daar: ‘Als ik hier voor jullie zing

Wil ik met niéts de grootste eer behalen!’

Men vloekte, en hij zong van groene dalen

En van een bloem uit míjn herinnering.

......................................

 

Door angst gewekt, bracht ik den doode heel

Voorzichtig weer terug. - Een droom vergist

Zich nu en dan in 't nietigst onderdeel,

Dus ben ik wéer die zalen doorgedrongen,

Als rook langs de gezichten,... en nòg wist

Ik niet: had ik gevloekt - of meegezongen...

 

 

 


Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)

Lees meer...

Arthur Miller, Nel Noordzij, Ernst Hinterberger, Anatoli Pristavkin, Alfred Polgar, Jupiter Hammon, Nathanael West

 

De Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller werd geboren in New York op 17 oktober 1915. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2008 en ook mijn blog van 17 oktober 2009 en ook mijn blog van 17 oktober 2010

 

Uit: The Price

 

„The attic of a Manhattan brownstone soon to be torn down. WALTER: Vic, I wish we could talk for weeks, theres so much I want to tell you . . . . It is not rolling quite the way he would wish and he must pick examples of his new feelings out of the air. I never had friends—-you probably know that. But I do now, I have good friends. He moves, sitting nearer Victor, his enthusiasm flowing. It all happens so gradually. You start out wanting to be the best, and there’s no question that you do need a certain fanaticism; there’s so much to know and so little time. Until you’ve eliminated everything extraneous—-he smiles—-including people. And of course the time comes when you realize that you haven’t merely been specializing in something—-something has been specializing in you. You become a kind of instrument, an instrument that cuts money out of people, or fame out of the world. And it finally makes you stupid. Power can do that. You get to think that because you can frighten people they love you. Even that you love them.—-And the whole thing comes down to fear. One night I found myself in the middle of my living room, dead drunk with a knife in my hand, getting ready to kill my wife.

ESTHER: Good Lord!

WALTER: Oh ya—-and I nearly made it too! He laughs. But there’s one virtue in going nuts—-provided you survive, of course. You get to see the terror—-not the screaming kind, but the slow, daily fear you call ambition, and cautiousness, and piling up the money. And really, what I wanted to tell you for some time now—-is that you helped me to understand that in myself.

VICTOR: Me?

WALTER: Yes. He grins warmly, embarrassed. Because of what you did. I could never understand it, Vic—-after all, you were the better student. And to stay with a job like that through all those years seemed . . . He breaks off momentarily, the uncertainty of Victor’s reception widening his smile. You see, it never dawned on me until I got sick—that you’d made a choice.

VICTOR: A choice, how?

WALTER: You wanted a real life. And that’s an expensive thing; it costs.“

 

 

Arthur Miller (17 oktober 1915 – 10 februari 2005)

Lees meer...

16-10-11

Günter Grass, Oscar Wilde, Guðbergur Bergsson, Gerold Späth

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk, Polen) op 16 oktober 1927. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Günter Grass op dit blog.

 

Uit: De bot (Vertaald door Peter Kaaij)

 

„Het tribunaal nam er kennis van en zou naar alle waarschijnlijkheid wel tot een mild vonnis zijn gekomen als niet de aanklaagster, Sieglinde Huntscha, puntige, voor de bot provocerende vragen had gesteld. De zelfs op een stoel nog heroïsch uitziende vrouw sprong op, werd rood tot aan haar haarwortels, gaf haar stem, nog voordat zij sprak, een rijke dosis verachting mee, richtte een magere wijsvinger op de container van kogelvrij glas, waarin de bot, misschien wel geanimeerd door de rapporten van de literatuurhistorici, enige handbreedtes boven zijn zandbed speels alle vinnen liet bewegen, sprak toen, nee, vuurde (ineens met een Saksisch accent) vraag na vraag af in de richting van de beklaagde platvis en boekte meteen een eerste succesje: schijnbaar getroffen liet de bot zich vallen. Hij woelde zich in het Oostzeezand, wierp met zijn staartvin zand op zijn oeroude knobbelhuid en vertroebelde het water van zijn weliswaar kogelvrije maar niet tegen gericht afgevuurde vragen gepantserde glazen huisje: hij leek wel van de aardbodem verdwenen, in het niets opgelost, scheen ontsnapt te zijn, bleef ongrijpbaar.
En dat terwijl er aan de vragen van de aanklaagster niet eens intellectuele weerhaken zaten. De bot werd niet principieel geattaqueerd. Met ongekunstelde directheid wilde Sieglinde Huntscha weten: ‘Is het mogelijk dat, gesteld dat een vrouw van beroep muze is, ook mannen in staat zijn dat beroep uit te oefenen? En zo ja, welke mannen hebben als muze, dat wil zeggen: de kunst indirect dienend, bekende kunstenareesen aan inspiratie geholpen? Of is de verdachte soms van mening dat vrouwen in hun relatie tot de kunst slechts middel tot het doel kunnen zijn, vruchtbare akkergrond, willoos werktuig? Is dat onze enige bestaansreden: jullie koude schoorstenen weer te laten roken? Verdien je als vrouw een uurloon voor je werk als muze? Wil de bot ons soms eerdaags in zijn goedertierenheid de status van loonafhankelijke thuiswerksters verlenen en ons aanraden een vakbond op te richten en c.a.o.-besprekingen te beginnen? En is het toegestaan, zo vraag ik, dat vrouwen op hun beurt mannelijke muzen in goedbetaalde dienst hebben? Of wil de verdachte met al die door hem gehuurde deskundige zwetsers alleen maar zijn ware intentie verbergen? Want tussen de regels door wil hij zeggen: Okay, de brave meisjes kunnen soms heel leuk piano spelen, en ze doen als pottenbaksters, net als ook in de kunstnijverheidssector, behoorlijk hun best, zijn vindingrijk in het decoratieve en daarom geschapen voor de binnenhuisarchitectuur, en nauwelijks zijn ze down, in extase of Ophelia’s schizofrene zuster, of moeiteloos schrijven ze met hartebloed, vissop of zwartgallige inkt aangrijpende, sponzige, zwaarmoedige verzen; maar Händels
Messias, de categorische imperatief, de Dom van Straatsburg, Goethes Faust, Rodins Denker en Picasso’s Guernica, dat sublieme meesterschap, de hoogste top, daar kunnen ze niet aan tippen. Is dat zo, bot?’

 

 



Günter Grass (Danzig, 16 oktober 1927)

Lees meer...