03-11-11

Joe Queenan, Ann Scott, André Malraux, Jan Boerstoel

 

De Amerikaanse schrijver, humorist en criticus Joe Queenan werd geboren op 3 november 1950 in Philadelphia, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Joe Queenan op dit blog.

 

Uit: My Goodness

 

„Was there a specific event that precipitated my Saul of Tarsus-like conversion to the path of righteousness? Yes, there was. One night, in the fall of 1998, I purchased a ridiculously expensive tube of Tom's of Maine toothpaste. In doing so, I was out on a search-and-destroy mission. A couple of years earlier, my wife and I had been roped into attending a speech by Tom Chappell, founder and CEO of the world's most socially conscious toothpaste company For forty-five minutes, I had sat in my chair yawning and grimacing as Tom of Maine yammered on and on about his "mission," his "vocation," his "journey," his wife Kate's poetry, and his company's principled refusal to experiment on lab animals, as if anyone in the room cared one way or the other about the plight of a few disgusting rats. Remarking to my wife, "Where's Lee Harvey Oswald when you really need him?" I made a mental note to double back when I had some spare time and give Tom of Maine, Kate of Maine, and Anybody Else of Maine Who Thought They Were Better than Me Just Because They Didn't Experiment on Lab Animals a good journalistic thrashing. And now, two years later, that time had come.

On first glance, the toothpaste container seemed to provide me with plenty of material for target practice. Neatly tucked inside was a little note to consumers explaining, in typical blowhard fashion, the special social "mission" of the company. Then there was extensive information about the National Anti-Vivisection Society and the American Anti-Vivisection Society, including 800 numbers and website addresses where ordinary people could learn more about the systematic abuse of lab animals by Tom's of Maine's competitors. Finally, there was a grammatically disastrous hand-written note from a little girl named Kim telling Tom and Kate just how wonderful they were. As if they needed to be told.“



 

Joe Queenan (Philadelphia, 3 november 1950)

 

Lees meer...

Dieter Wellershoff, Hanns Heinz Ewers, Oodgeroo Noonuccal, William Cullen Bryant

 

De Duitse schrijver en essayist Dieter Wellershoff werd geboren op 3 november 1925 in Neuss. Zie ook mijn blog van 3 november 2010 en eveneens alle tags voor Dieter Wellershoff op dit blog.

 

Uit: Das normale Leben

 

„Eine Woche lang war er verschwunden, und sie hatte schon gehofft, ihn los zu sein. Doch als sie an diesem Morgen von der Straße hereinkam, sah sie ihn sofort. Er stand beim Schwarzen Brett gegenüber den Aufzügen und schien auf sie gewartet zu haben, denn er las nicht die angehefteten Bekanntmachungen, sondern blickte zum Eingang hinüber, durch den sie eben in die Halle trat. Ja, natürlich, er hatte dort gewartet, weil er wußte, daß gleich ihr Kurs begann.

Einen Moment lang trafen sich ihre Blicke, über einen weiten Abstand hinweg, so daß sie nicht erkennen konnte, wie er sie ansah, während sie, ohne ihren raschen Schritt zu ändern, zu den Aufzügen ging. Er wird es nicht wagen, mir zu folgen, dachte sie. Er wird sich nicht nähern, nicht gegen meinen Willen.

Als sie im Aufzug stand und den Knopf für den sechsten Stock drückte, hatte er sich abgewandt und tat so, als lese er die Anschläge, die alle schon wochenlang dort hingen. Sie sah seinen schmalen Rücken, das immer etwas struppige braune Haar. Sie wußte, daß seine Augen grau waren und der Mund fein gezeichnet, wie der eines Mädchens. Sie hätte ihn gern noch länger betrachtet, aber die Türen fuhren zu.

Im zweiten Stock stiegen ihre Freundin Conny und zwei Typen aus der Fotoklasse ein, die im nächsten Stock schon wieder ausstiegen. »Wann ist dein Kurs zu Ende?« fragte

Conny. »Um elf.« Nun, da hatte sie keine Zeit. Aber vielleicht traf man sich mittags in der Cafeteria. Und wenn nicht, dann doch auf alle Fälle heute abend bei der Vernissage von Ralf. Seine neuen Objekte seien phantastisch.Und natürlich ginge die ganze Clique hin.

»Ich bin mit Frank verabredet«, sagte sie, »ichweiß nicht, was er vorhat.«

 

 

 

Dieter Wellershoff (Neuss, 3 november 1925)

 

Lees meer...

02-11-11

E. du Perron, Odysseas Elytis, Leo Perutz, Kees van den Heuvel, Bilal Xhaferri

 

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Charles Edgar (Eddy) du Perron werd geboren op 2 november 1899 in Jatinegara (West Java). Zie ook mijn blog van 2 november 2010 en eveneens alle tags voor E. du Perron op dit blog.

 

Uit: Het Land van Herkomst

 

„September. - Ik heb het vorige hoofdstuk kort afgebroken om de komst van Wijdenes; het is zelfs of mijn pen vlugger is gegaan sinds ik besloten heb hem deze periode van mijn leven voor te leggen. Het manuskript ligt nu in zijn kamer in de Feuilleraie, maar na zijn pelgrimstocht naar Sils-Maria blijkt hij zelf van vele dingen vervuld. Hij had in de trein Der Antichrist bij zich en het Braunbuch. Dat de nazi's zich op Nietzsche beroepen, dat ook ditmaal het pruisiese misverstand zijn heros heeft opgeslokt om hem verminkt en als profeet van een zo vulgaire aanmatiging weer uit te braken, tast hem aan in zijn diepste, zijn intellektuele geweten. Drie jaar jonger dan ik en doktor in de wijsbegeerte, afvallig als zodanig of bijna, sinds hij Kant en Hegel heeft afgezworen om het te houden met degeen die aan iedere waarheid slechts een dichterlike waarde toekent en vooropstelt dat de filosoof altijd belangrijker is dan zijn stelsel, heb ik hem in de vier jaren van onze vriendschap zich steeds meer zien ontwikkelen in de richting van een relativisties positivisme; ik heb om hem moeten lachen en hem tegelijk bewonderd om zijn door-en-door polemiese natuur die zichzelf en anderen telkens weer trachtte te overtuigen dat hij aan geen enkele vaste waarde meer geloofde, daaraan zelfs geen behoefte had, alles in twijfel trok buiten het stromen van zijn bloed en het ‘eigen belang’, en dat het laatste bijgeloof dat hij bestreed de ridikule verering was van de geest. Kristelik grootgebracht daarbij, vrijzinnig protestant, sinds hij leerde denken ook daar afvallig, met een protestantse koppigheid vooral verachtend wat zich als vrijzinnig aandient.

Terwijl wij dan, de tuin overziend die er niets aanlokkelik meer uitziet in het grijze licht, met onze rieten stoelen naast elkaar, de koffie drinken waaraan ik te lang vooruit gedacht heb (op de derde stoel ligt weer het Braunbuch), komt hij langzamerhand los - aanvankelik in het soort nuanceloze boutade waarmee hij schijnt te willen verbergen dat hij eigenlik een slecht spreker is. ‘Zijn Hollanders werkelik altijd slechte sprekers?’ heb ik mij dikwels afgevraagd, als ik met hem samen was geweest; het kontrast tussen zijn brieven en zijn konversatie was dan opvallend. Met Gerard Rijckloff, die ongetwijfeld geest bezit, kan men dagen lang samen zijn zonder te raken uit een soort superieure, d.w.z. beter-gestyleerde, mondaine roddelpraat, maar dan opeens vertelt hij een avontuur dat hem overkomen is met een zeer eigen en pakkend meesterschap.“

 

 

E. du Perron (2 november 1899 – 14 mei 1940)

Lees meer...

Thomas Mallon, Augusta Peaux, Jules Barbey d'Aurevilly, Daniil Andreyev

 

De Amerikaanse schrijver en criticus Thomas Mallon werd geboren op 2 november 1951 in Glen Cove, New York. Zie ook mijn blog van 2 november 2008 en ook mijn blog van 2 november 2009 en ook mijn blog van 2 november 2010

 

Uit: Fellow Travelers

 

„The party was making Tim feel nostalgic, and thus a bit foolish, since he’d been, after all, only a summer hire allowed to stay on through September—or, more exactly, this coming Friday afternoon. They’d put him in the city room, even though he’d never been to Washington before June and knew nothing about the District as a place where many citizens lived life quite oblivious to the federal government. His placement, he’d come to understand, was typical of the Star, a paper both venerable and feckless, produced each evening by an eccentric, occasionally brilliant staff. He had liked it here and would miss the place, but given the shortness of his tenure he wasn’t sure he should even take a piece of the cake once it got cut.
A small stack of the paper’s early edition lay atop an open drawer of the file cabinet he was leaning against. Ambassador Bohlen was flying home from Moscow to talk with Secretary Dulles, and this morning Louis Budenz, a Fordham professor and former red, had testified to the McCarthy committee that, in his “humble opinion,” parts of an Army-commissioned pamphlet about Siberia—something put together to educate the Far Eastern Command—contained large chunks of Soviet-sympathizing stuff that had been taken, without footnotes or refutation, from Communist writers.
Cecil Holland, the reporter who’d written the Budenz story, now saw Tim reading it and asked, “Laughlin, you just graduated from Fordham, didn’t you? Ever study with this guy who says the army’s been indoctrinating itself?”
Tim smiled. “I had somebody else for Economics, Mr. Holland.” He grimaced. “I think I got a C-plus.” Holland laughed and walked over to claim a piece of the cake that had finally been sliced.
At Fordham, Tim had mostly studied American history and English literature, and his plan in coming to Washington remained, even now, to combine his major and minor into a job writing for a politician, though throughout the city’s hot, depopulated summer he’d made little headway finding anything on Capitol Hill. Well, he’d have plenty of time and motivation come Friday afternoon!“

 

 

 


Thomas Mallon (Glen Cove, 2 november 1951)

Lees meer...

Désanne van Brederode

 

De Nederlandse schrijfster Désanne van Brederode werd op 2 november 1970 in Utrecht geboren.

Van Brederode, dochter van een voormalige jezuïet en priester, studeerde filosofie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en debuteerde in 1994 met haar roman Ave verum corpus (Gegroet waarlijk lichaam). Zij schrijft en houdt lezingen, vaak over levensbeschouwelijke thema's. Van Brederode publiceerde onder meer in De Groene Amsterdammer. Ook werkte zij mee aan het radioprogramma Knetterende Letteren. Sinds 2006 verzorgt zij regelmatig een column in het televisieprogramma Buitenhof. In 2007 won ze de Gerard Walschap-Prijs. Van Brederode is gehuwd met Volkskrant-recensent Arjan Peters.

 

Uit: Sample-literatuur

 

“Zonder generatiegenoot en collega Rob van Erkelens hiermee te willen voordragen als aanvoerder van een nieuwe beweging in de Nederlandstalige literatuur, geloof ik niettemin dat er een mooie toekomst ligt weggelegd voor het ‘sample-schrijven’. Me dunkt dat het lezen van volledige boeken met een kop en een staart, plaats zal moeten maken voor het lezen van pakkende, aangrijpende citaten, al dan niet verwerkt in nieuwe verhalen. (Dus niet in nieuwe pillen. Wie heeft er over pakweg vijftig jaar nog zin in bezigheden die langer dan een dag duren?) Ik kan me zelfs voorstellen dat er veel thematisch gerangschikte citatenboeken zullen verschijnen, zoals er nu al steeds meer bundels in de winkel liggen die niet een bepaalde stroming in de literatuur tot uitgangspunt hebben gekozen, noch een duidelijk afgebakend genre, maar slechts een herkenbaar thema als titel voeren. ‘Veertien Nederlandse Schrijvers over Homo-erotiek’ of: ‘Leven in oorlog - een bloemlezing’ zullen de nieuwe boeken heeten, gok ik zo.

Hoewel de schrijvers van deze boeken en postmoderne verhalen feitelijk niet méér zullen zijn dan samenstellers en verzamelaars, denk ik dat ze wel degelijk moeten beschikken over talent, visie en gevoel voor zeggingskracht, om uit complete oeuvres precies die fragmenten te isoleren die zelfs tijdloos en contextloos kunnen ontroeren, schokken, prikkelen of inspireren. Daarbij denk ik aan hedendaagse toneelregisseurs die nu al precies hetzelfde doen door bijvoorbeeld Griekse tragedies of onbewerkte Shakespeare-teksten hooguit van een nieuw decor te voorzien of van anderssoortige personages, om daarmee een verrassende, actuele voorstelling neer te zetten die desondanks trouw blijft aan de oorspronkelijke bedoelingen. Van toekomstige schrijvers moet niet zozeer gevraagd worden of ze wel in staat zullen zijn tot geven van een uitleg bij al bestaande literatuur; ik verwacht geen letterkundigen, eclectici en interpreterende (moraal-)filosofen die volslagen objectief en wetenschappelijk verantwoord de twintigste eeuw ‘onder handen’ zullen nemen. Integendeel. Ik verwacht kunstenaars die zowel de literaire erfenis als hun eigen creativiteit op waarde weten te schatten en het lef hebben om uit oud en recent materiaal iets te bouwen dat misschien zelfs wel duurzamer is dan sommige moderne boeken waarin een tijdsbeeld wordt geschilderd dat voor generaties na ons te specifiek is om nog interessant te kunnen heten.”

 

 

Désanne van Brederode (Utrecht, 2 november 1970)

18:36 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: désanne van brederode, romenu |  Facebook |

01-11-11

Job Degenaar

 

De Nederlandse dichter Job Degenaar werd geboren in Dubbeldam op 1 november 1952 en bracht zijn jeugd door op het Eiland van Dordrecht. Degenaar deed doctoraal Nederlands (hoofdvak Moderne Letterkunde, bijvakken Filosofie en Zuid-Afrikaanse taal- en letterkunde) in 1983 bij de Universiteit van Amsterdam. Naast zijn schrijverschap werkt hij als docent Nederlands, met name voor hoogopgeleide anderstaligen, in het volwassenenonderwijs in Flevoland. Sinds 1983 schreef hij geregeld gedichten in het literaire vertaaltijdschrift De Tweede Ronde en publiceerde voorts o.m. in Het Liegend Konijn, Poëziekrant, Parool, Standaard der Letteren, Tzum, De Contrabas en in vele bloemlezingen. Ook vertaalde hij met Rob van Essen en Jan Donkers Blackbird singing, een keuze uit de gedichten en liedteksten van Paul McCartney in de periode 1965 – 1999.

 

 

 

Klein Heelal

 

Ik zocht me een plek in het Turkse bad
waar warme mist je huid bewasemt
en fibersterren van kleur verschieten

en steeg op met m'n gedachten
tot ik dacht dat ik niet meer dacht
en de aarde bleef hangen in haar baan

ver van m'n aangekleed bestaan zag ik
mensen verdwijnen waar ze kwamen
stof tussen de hemellichamen

De stoom trok weg in slierten
een vrouw kwam binnen en iets
onstond, ik wist dat ik dat was

 

 

 

Huisbroei

 

Broeipotten en zaailingen
op de Creiler Flora:
zo rood en geel getulpt is het
deze winter niet geweest
Waar was ik al die tijd?

Om precies te zijn niet ik
liet ze broeien dat ze barstten
keerde ze tijdig om hun steel
te rechten, trok bij min vier
alle registers van de lente open

En ik? Ik broeide in het winterlicht
maar glazig op hun verbeelding
noemde ze zonnedochters
met een missie en meer
van dat gestamel

Maar zie, ook zonder mij
staan ze schuchter van
schoonheid in hun kraag
gedoken, niet van kunst
te onderscheiden echt.

 

 

 

Job Degenaar (Dubbeldam, 1 november 1952)

19:13 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: job degenaar, romenu |  Facebook |

Ilse Aichinger, Stefaan van Laere, Rudy Kousbroek, Hermann Broch, Aras Ören

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook mijn blog van 1 november 2010 en eveneens alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.

 

 

Seegasse

 

Die Arche Noah ist auf dem Kanal vorbeigefahren. Der Neger, der vor dem Stacheldraht den Wagen

seines Kommandanten bewachte, hat sie gesehen. Er erkannte sie an der weißen Gans,

die obenauf saß und mit den Flügeln schlug, aber er hat nichts gesagt.

 

Die kleinen Bälle springen noch auf dem flachen Dach, aber die alte Frau, die in dem Bett am Fenster

lag, ist nicht mehr da. Wem sollen wir erzählen, daß wir in einem neuen Orden sind? Die Straße, die

zum Wasser führt, ist leer.

 

Am Ufer unten sammeln sich die Bienen und suchen ihre letzte Königin.

 

 

 

Chinesischer Abschied

 

Wir legen uns heute nieder,
doppelt nieder,
wer uns wecken will,
möge es sanft tun,
er möge seine Stimme schonen
und auch sein Herz,
denn beide sind kostbar.

 

 

 

Bobingers Klage

 

Meine Freunde sind ausgegeben,
zwischen den Blättern und Ästen
verlor ich sie.
Wer löst mir das Bild,
wer holt ihre leichten Gestalten
neu aus dem Regen hervor,
wer fängt ihnen Wolkenhauben,
wer dreht mir die Sonnenuhr?

 

 

 


Ilse Aichinger (Wenen, 1 november 1921)

Lees meer...

Günter de Bruyn, Huub Oosterhuis, Jean-Simon DesRochers, Henri Troyat, Jean Tardieu, Stephen Crane

 

De Duitse schrijver Günter de Bruyn werd op 1 november 1926 geboren in een katholiek arbeidersgezin in Berlijn. Zie ook mijn blog van 1 november 2008 en ook mijn blog van 1 november 2009 en ook mijn blog van 1 november 2010

 

Uit: Deutsche Zustände. Über Erinnerungen und Tatsachen, Heimat und Literatur.

 

“In einer Unterhaltungssendung des Fernsehens, die den Absatz von Büchern fördert und Nicht-Leser unter den Zuschauern zum Mitreden in literarischen Fragen befähigt, war kürzlich von einem Buch die Rede, das man, vor allem fehlender Indiskretionen wegen, für eine gänzlich verunglückte Hervorbringung hielt. Vierstimmig, mit Variationen und verhaltenen Gegentönen, fand man das Buch überflüssig und langweilig.

(…)

 

Lesen gelernt im buchstäblichen Sinne habe ich als Kind an Karl Mays Romanen; an Böll aber habe ich als junger Mann erst so richtig begriffen, wie die Bücher mit den Erlebnissen und Erfahrungen, mit politischen Ansichten und historischen Situationen zusammenhängen; und bei beiden Autoren, denen ich noch einige weitere hinzufügen könnte, haben die Kunstfehler, die beide (natürlich in kaum vergleichbarer Weise und Stärke) aufweisen, den Genuß an ihnen, ohne welchen weder der Lernprozeß noch die Lebenshilfe möglich gewesen wären, in keiner Weise gestört, ja, ich habe sie kaum bemerkt.”

 

 


Günter de Bruyn (Berlijn, 1 november 1926)

 

Lees meer...

AKO Literatuurprijs 2011 voor Marente de Moor

 

AKO Literatuurprijs 2011 voor Marente de Moor

De Nederlandse schrijfster
Marente de Moor heeft de AKO Literatuurprijs 2011 gekregen voor haar roman De Nederlandse maagd'. Marente de Moor werd geboren in Den Haag in 1972. Vlak na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie woonde ze acht jaar in Rusland. In Sint-Petersburg studeerde ze aan de theaterschool, werkte ze als verslaggever voor een dagelijks realityprogramma over misdaad en schreef ze artikelen en columns voor De Groene Amsterdammer. In 1999 werden de columns gebundeld onder de titel Petersburgse vertellingen. Na haar terugkeer in Amsterdam werkte ze een aantal jaren als redacteur voor weekblad HP/De Tijd. In 2007 verscheen het veelgeprezen romandebuut De overtreder, dat in 2010 door Suhrkamp Verlag in het Duits werd uitgebracht als Amsterdam und zurück. Sinds 2009 is ze vaste columniste voor Vrij Nederland. In 2010 werd haar tweede roman, De Nederlandse maagd, wederom lovend ontvangen. Marente de Moor woont tegenwoordig in het Geuldal, Zuid-Limburg.

Uit: De Nederlandse maagd

 

"Je zou kunnen zeggen dat Von Bötticher verminkt was, maar na een week merkte ik zijn litteken al niet meer op. Zo snel went een mens aan uiterlijke afwijkingen. Zelfs gruwelijk mismaakten kunnen gelukkig zijn in de liefde, als ze iemand vinden die op het eerste gezicht niets om symmetrie geeft. De meeste mensen hebben echter de hebbelijkheid om, in weerwil van de natuur, de dingen te delen in twee helften die elkaars spiegelbeeld moeten zijn.
Egon von Bötticher was mooi, zijn litteken was lelijk. Een slordige wond, toegebracht met een bot wapen in een onvaste hand. Omdat mij niets was verteld, leerde hij mij kennen als een geschrokken meisje. Ik was achttien en veel te warm aangekleed toen ik uit de trein stapte na mijn eerste buiten landse reis. Maastricht-Aken, een ritje van niks. Mijn vader had me uitgezwaaid. Ik zie hem nog staan voor het wagonraam, verrassend klein en mager, terwijl achter zijn rug de stoomzuilen oprijzen. Hij maakte een gek sprongetje toen de wagenmeester met twee hamerslagen vroeg de remmen te lossen. Naast ons trokken de rode wagens uit de mijnen voorbij, daarachter een rij loeiende veewagons, en in dat kabaal werd mijn vader steeds kleiner, tot hij in de bocht verdween. Geen vragen stellen, gewoon vertrekken. In zijn monoloog, een avond na het eten, was niet eens ruimte geweest om te ademen. Het ging om een oude vriend, eens een goede vriend, nog steeds een goede maître.
Bon
, verder, we moesten eerlijk zijn, we wisten dat ik deze kans moest aangrijpen om iets te bereiken in de sport, of wilde ik soms in de huishouding gaan werken, nou dan, zie het als een vakantie, een paar weekjes schermen in het mooie Rijnland.
Tussen die twee stations lag veertig kilometer, tussen de twee oude vrienden twintig jaar. Op het perron van Aken stond Von Bötticher de andere kant op te kijken. Hij wist dat ik wel naar hem toe zou komen, zo’n man was het. En ik begreep inderdaad dat hij die zongebruinde reus met de roomwitte Homburg moest zijn. Bij de hoed droeg hij geen pak, alleen een kamgaren poloshirt en een soort zeemansbroek, zo eentje met een brede band in de taille. Heel modieus. En daar kwam ik, de dochter, in een opgelapte overgooier. Toen hij zijn gescheurde wang naar mij toe draaide, stapte ik terug. Het wilde vlees was met de jaren verbleekt, maar nog steeds roze. Ik denk dat mijn schrik hem verveelde, hij zag die blik natuurlijk wel vaker. Zijn ogen weken uit naar mijn borst. Ik pakte mijn medaillon om te verbergen wat in zo’n jurk toch nauwelijks te zien is.
‘Dat is het?’
Hij bedoelde de bagage. Hij kneedde mijn schermtas, voelde hoeveel wapens erin zaten. Mijn koffer moest ik zelf dragen. Heel snel vervaagde het zoete beeld dat ik van mijn maître had voordat ik hem ontmoette.“

 

 

 

Marente de Moor (Den Haag, 1972)

 

31-10-11

Joseph Boyden, Bruce Bawer, John Keats, Nick Stone

 

De Canadese schrijver Joseph Boyden werd geboren op 31 oktober 1966 in Willowdale, Ontario. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Joseph Boyden op dit blog.

 

Uit: Through Black Spruce

 

„Or my second option was to make up my mind that the cold, that nature, was just an unfortunate clash of weather systems. If I made my mind up this second way, that the physical world no longer held vengeance and evil just beyond the black shadow of spruce, then I’d try and make do with what I had.And when I realized what an idiot I was for ending up here all alone without the proper gear—just a jean jacket with a sweater under it and running shoes on my feet—I’d get angry, desperate for some sense of fairness in the world, and begin to panic.

Me, I preferred the first option, that Mother Nature was one angry slut. She’d try and kill you first chance she got.You’d screwed with her for so long that she was happy to eliminate you. But more than that, the first option allowed me to get angry right away, to blame some other force for all my troubles.The panic came much quicker this way, but it was going to come anyways, right?

And so me, I climbed out of my cockpit and onto the wing on that frigid afternoon in my jean jacket and running shoes, walked along the wing, fearful of the bush and the cold and a shitty death all around me.

I decided to make my way to the bank to collect some firewood and jumped onto the frozen creek. I sank to my chest in that snow, and immediately realized I was a drunken fool. The shock of fast-flowing ice water made my breath seize, tugging at my legs, pulling at my unlaced running shoes so that the last thing my feet felt was those shoes tumbling away with the current.

By the time I flopped back onto the wing, my stomach to my feet had so little feeling that I had to pull my way back to the cockpit with wet fingers, tearing the skin from them when they froze to the aluminum. My breath came in hitches.When I tried my radio, and my wife finally picked it up, she couldn’t understand me. She thought I was a kid fooling around on his father’s CB and hung up on me.

Like I said, panic came quick. I could waste more time and the last of my energy calling back, hoping to get Helen to understand it was me and that I needed help now, but how to tell her exactly where I was? They might be able to find me tomorrow in daylight, but not now with the night closing in. And so I did what I knew I had to do. I crawled out of the cockpit again, onto my other wing, and threw myself off it, hoping not to find more water under the snow.“

 

 

Joseph Boyden (Willowdale, 31 oktober 1966)

Lees meer...

Carlos Drummond de Andrade, Irina Denezhkina, Ernst Augustin, Jean Améry

 

De Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade werd geboren op 31 oktober 1902 in Itabira, een klein dorpje in de staat Minas Gerais. Zie ook mijn blog van 31 oktober 2008 en ook mijn blog van 31 oktober 2009 en ook mijn blog van 31 oktober 2010

 

 

Het kontje, ach hoe aardig

 

Het kontje, ach hoe aardig.

Lacht altijd, nooit tragisch

Kan niet schelen wat

van voren zit. Het kontje is zichzelf genoeg.

Is er nog meer? Misschien de borsten.

Nou-moppert het kontje-die jongens

hebben nog heel wat voor de boeg

 

Het kontje is twee tweelingmanen

in een bolrond wiegen. Loopt vanzelf

in zijn lieftallige cadans, zijn wonder

twee in een te zijn, volledig.

 

Het kontje, vermaakt zich

in zijn eentje. En bemint.

In bed beweegt het. Bergen

rijzen, dalen. Golven slaan

op grenzeloze kust.

 

Daar gaat het kontje, lachend. Blij.

Met de streling er te zijn, te schommelen.

Harmonieuze sferen hoog boven de chaos.

 

Het kontje is het kontje,

 

 

 

De dingen die in bed gebeuren zijn geheim van wie bemint

 

Het geheim van wie bemint

is: niet slechts vluchtig het genot

te kennen dat ons diep doordringt,

tot stand gebracht op deze aarde

en zo verre van de wereld

dat het lichaam, dat het lichaam vindt

en daarin voortgaat op zijn vaart,

de vrede vindt van groter gaarde,

vrede als in de dood, onaards,

als een nirwana, penisslaap

 

O bed, o zoet, zoet wiegelied,

slaap kindje, slaap kindje, slaap,

nu slaapt de boze jaguar,

nu slaapt de argeloze vagina,

en de sirene slaapt, de laatste

of voorlaatste...En de penis

slaapt, de poema, 't uitgeputte

wilde dier. Slaap nu, o fulpen

sluier op en om je vulva.

En laten zij die minnen zwijgen,

tussen laken en gordijnen

nat van zaad, van de geheimen

van de dingen die in bed gebeuren

 

 

 

Vertaald door August Willemsen

 

 

Carlos Drummond de Andrade (31 oktober 1902 – 17 augustus 1987)

Lees meer...

30-10-11

Fjodor Dostojevski, Friedhelm Rathjen, Ezra Pound, Paul Valéry

 

De Russische schrijver Fjodor Michajlovitsj Dostojevski werd geboren ergens tussen 30 oktober en 11 november 1821 in Sint Petersburg. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Fjodor Dostojevski op dit blog.

 

Uit: Witte nachten (Vertaald door Marko Fondse)

 

„Neem hem eens van terzijde op, Nastjenka, en u zult meteen zien dat dit vreugdevolle gevoel reeds een gunstige uitwerking heeft gehad op zijn zwakke zenuwgestel en zijn ziekelijk overspannen fantasie. Kijk, zijn denken is reeds helemaal in de ban van een of ander… Wat denkt u, vertoeft hij in gedachten bij zijn avondmaal, bij de vrije avond die voor hem ligt? Wáár kijkt hij toch naar? Soms naar die deftig uitziende hier die zo’n schilderachtige buiging maakt voor die dame die in een schitterende, met snelvoetige rossen bespannen koets langs hem heen ijlt? Welnee, Nastjenka, wat kunnen dergelijke kleinigheden hem op dat moment eigenlijk schelen! Neen, momenteel is hij rijk omdat hij zijn eigen bijzondere leven leidt; hij heeft als het ware plotseling fortuin gemaakt en de laatste straal waarmee de uitdovende zon afscheid neemt heeft niet tevergeefs zo vrolijk voor hem gefonkeld en uit zijn warmgelopen hart een hele zwerm impressies te voorschijn geroepen. Op dat moment ziet hij amper de weg waarop hij loopt, hoewel er voordien op die weg niet het minste kon voorvallen, of het trof hem. Thans heeft ‘de godin fantasie’ (misschien heeft u Zjoekovski ook gelezen, Nastjenka) reeds met haar grillige hand haar gouden schering gegeven en is zij reeds doende voor zijn ogen de siermotieven van een sprookjesachtig, nog nooit geleefd bestaan aan te brengen – en wie weet, misschien heeft haar in luimen bedreven hand hem reeds opgeheven van het prachtig aangelegde granieten trottoir waarover hij huiswaarts wandelt, naar de kristallijnen zevende hemel. Probeert u hem nu maar eens staande te houden en hem opeens te vragen waar hij zich momenteel bevindt en welke straten hij is doorgekomen – dan zal zeker blijken dat hij daar niets meer van afweet, noch van waar hij geweest is, noch van waar hij momenteel is en blozend van ergernis zal hij een fatsoensleugentje verzinnen om de situatie te redden. Vandaar ook dat hij zo schrikachtig reageerde en bijna een kreet geslaakt had en ontzet om zich heenblikte, toen een allerbraafst oud vrouwtje hem op het trottoir staande hield om hem de weg te vragen. Met een frons van ergernis op zijn gezicht stapt hij verder, nauwelijks merkend dat meer dan één voorbijganger om hem moest glimlachen en hem nakijkt en dat een klein meisje, dat schuchter voor hem op zij gaat, met grote ogen staart naar de brede, contemplatieve glimlach en zijn gesticulerende handen en dat dan in lachen uitbarst.“

 

 

 


Fjodor Dostojevski (30 oktober 1821 - 9 februari 1881)

Standbeeld voor de Nationale Bibliotheek in Moskou

 

Lees meer...

Georg Heym, Kostas Karyotakis, Michal Ajvaz, Richard Sheridan, Phillipe Aubert de Gaspé

 

De Duitse dichter Georg Heym werd geboren op 30 oktober 1887 in Hirschberg. Zie ook mijn blog van 30 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Georg Heym op dit blog.

 

 

Die Stadt

 

Sehr weit ist diese Nacht. Und Wolkenschein

Zerreißet vor des Mondes Untergang.

Und tausend Fenster stehn die Nacht entlang

Und blinzeln mit den Lidern, rot und klein.

 

Wie Aderwerk gehn Straßen durch die Stadt,

Unzählig Menschen schwemmen aus und ein.

Und ewig stumpfer Ton von stumpfem Sein

Eintönig kommt heraus in Stille matt.

 

Gebären, Tod, gewirktes Einerlei,

Lallen der Wehen, langer Sterbeschrei,

Im blinden Wechsel geht es dumpf vorbei.

 

Und Schein und Feuer, Fackeln rot und Brand,

Die drohn im Weiten mit gezückter Hand

Und scheinen hoch von dunkler Wolkenwand.

 

 

 

An mein Herz...

 

An mein Herz! Auf daß es ruhig werde.

Daß es lerne, wieder ruhig schlagen.

Ruhlos ward's, ein Schiff, das Stürme jagen,

Nacht und Tag umwandert es die Erde.

 

Durch die Straßen werde ich getrieben,

Von der Leidenschaften Mörderkräften

Aufgejagt, es kreist in meinen Säften

Wie ein Gift, dich bitterlich zu lieben.

 

Ein Ahasver, der dem Tod nachrennet

Wie ein Pfeil, such ich nach deinem Kleide.

Ach, wo bist du, Herz ! Wo ist die Weide

Meiner Labsal, eh mein Geist verbrennet.

 

An mein Herz ! Ich kann an nichts mehr denken,

Als an dich, daß ich dich bald umarme,

Wie ein Blitz, der aus dem Wolkenschwarme

Blendend fällt, ins Meer sich zu versenken.

 

 

 

Georg Heym (30 oktober 1887 – 16 januari 1912)

 

Lees meer...

Jan Van Loy

 

De Vlaamse schrijver Jan Van Loy werd op 30 oktober 1964 geboren te Herentals, in de Antwerpse Kempen. Plannen om striptekenaar of professioneel gitarist te worden liepen uit op niets. Na het lezen van De Kapellekesbaan en Catch-22 besloot hij om schrijver te worden. Na zijn burgerdienst ging hij naar de universiteit, begon met Rechten maar eindigde met een diploma Wijsbegeerte.In 2001 won hij met zijn verhaal De hel van Jan Foster de Nieuw Proza Prijs. Zijn roman Bankvlees werd bekroond met de Debuutprijs 2005. Alfa Amerika stond op de shortlist van de Gouden Uil 2006, De heining op de shortlist van de Gouden Uil 2009. Jan Van Loy woont en werkt in Antwerpen.

 

Uit: Bankvlees

 

„De wereld valt niet te veranderen, maar toch proberen we het nog een keer. Met soep.
‘De wereld valt wel te veranderen,’ zegt Anja, een mollige studente die, af te zien aan de heftigheid waarmee ze de uien te lijf gaat, heel wat energie uit haar vetreserves put. ‘Vergelijk maar eens hoe het nu is met hoe het was in de negentiende eeuw.’
‘Cosmetica,’ zeg ik. ‘Twee seconden beschaving verandert niks aan een uur dierlijkheid.’
Onze stemmen resoneren in een uitgestrekte keuken, opgetrokken uit roestvrij staal en witte tegels.
‘Jij bent een pessimist,’ zegt Anja, ‘en pessimisme is conservatief.’
Who cares? Ik sta hier alleen maar prei en penen te hakken omdat ik bijna dol was geworden van het alternatief: thuis zitten met een kop vol dissonanten en niemand om te luisteren.
‘Luister, Anja’tje, ik ben vrijwillig uit de ratrace gestapt. Vind jij dat conservatief?’
‘Noem me niet Anja’tje, oké?’
De groentesoep bevat schilfertjes van een stuk vlees dat in de supermarkt ‘zenuwstuk’ wordt genoemd. Waarom geven we ze geen flinke brokken te kauwen? Zo wordt die soep toch wat substantiëler, pleit ik.
‘Dat is een budgetkwestie,’ zegt Erik, grote baas van de soeponderneming, maar zelf noemt hij zich liever coördinator.“

 

 

 


Jan Van Loy (Herentals, 30 oktober 1964)

16:11 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jan van loy, romenu |  Facebook |