19-07-11

Anna Enquist, Gottfried Keller

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Enquist werd geboren op 19 juli 1945 in Amsterdam als Christa Boer. Zie ook mijn blog van 19 juli 2010 en eveneens alle tags voor Anna Enquist op dit blog.

 

 

Stuwmeer

 

Toen de dam klaar was

begon het water te stijgen.

Kilte ving aan in de berg-

wand. De bomen begrepen

niet hoe zij stikten in wat

hen lief was. Vissen kwamen

te zwemmen in de wijngaard.

 

Schreeuwend breken mijn kinderen

het gladde watervlak. Ik wil

hen roepen: acht niet de pijn

van tekort, maar vrees de on-

keerbare kracht van teveel, hoor

mij, hoe ik roep, hoe ik keihard zwijg.

 

Zij maken fonteinen en regenbogen.

Zij lachen en luisteren niet, daar

aan de bovenkant van de diepte,

aan de overkant van de tijd.

 

 

 

Als water ben ik uitgestort

 

Dom water. Beukt en striemt de

pijlers van de brug die zwijgend

schrap staat tegen overgave. Eeuw

na eeuw is wat hij weet het binden

van twee oevers. Waakzaam, moe.

 

Weer ga ik door de oude stad, altijd

naar de rivier. Midscheeps posteer ik mij

in machteloze aandacht, blote hand

op steen. Ik brul met doorgesneden keel,

zonder geluid, van woede en verlies:

 

Al wat wij weten, hoe wij zijn, verdwijnt

als wind over het land. Herinnering

die even spartelt in het water en

verloren gaat. Grijsbruine golven die

hun naam niet zijn. De kamparts Tijd.

 

Rivier, stroom achterwaarts. Steen,

wordt weer vuur. Lucht om mij heen,

wordt lichaam dat mij draagt en

troost. Geheugen, val uiteen.

 

 

 

Ineens

 

Ineens was ik het vermogen

om warmte vast te houden

verloren. Nu de kinderen

het huis uit zijn, snoof ik,

ja ja. Ik kroop onder steeds

meer dekens. De kachel

loeide. De warmste van ons

tweeen kon mij niet meer

verhitten. Ik rilde en

huiverde alsof ik oog

in oog stond met de dood.

 

Wat ook zo was. De dood

en ik stonden op een dijk.

Tussen ons was niets dan

een aanzienlijke afstand.

 

 

 

Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)

Lees meer...

20:36 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: anna enquist, gottfried keller, romenu |  Facebook |

Miltos Sachtouris, Jean-Pierre Faye, Hermann Bahr, Robert Pinget

De Griekse dichter Miltos Sachtourisof Miltos Sahtouris werd geboren in Athene op 19 juli 1919. Zie ook mijn blog van 19 juli 2007 en ook mijn blog van 19 juli 2008 en ook mijn blog van 19 juli 2009 en ook mijn blog van 19 juli 2010

 

 

 

The Canary

 

They placed him there where the wind blows most wild

they pledged him to the bitter frosts

they gave him a black garment

and a red tie

a sun pierced with a nail that would drip

black glasses

blood on top of the poison

a staff

and a canary

they placed him there where pain springs

they gave him to death

that he’d shine of silver

 

 

 

The Mirror

 

To Nora Anagnostaki

When my mirror turned

to the sky

there appeared

a moon half-devoured

by the flame

red ants

and a head beside it

burning too in the fiery rain

the head shone

gleamed

as the fire took hold and left it charred

and whispered:

The trees burn and are lost like hair

the angel vanishes with wings scorched

and pain

a dog with broken leg

remains

remains

 

 

 

Vertaald door David Connoly

 

 

Miltos Sachtouris (19 juli 1919 – 29 maart 2005)

Lees meer...

A. J. Cronin, Heinrich Christian Boie, Dominic Moraes, Georg Diefenbach, Ferdinand Brunetière, Jean-Marie Déguignet

 

De Schotse schrijver Archibald Joseph Cronin werd geboren op 19 juli 1896 in Cardross, Dunbartonshire. Zie ook mijn blog van 19 juli 2007 en ook mijn blog van 19 juli 2009 en ook mijn blog van 19 juli 2010

 

Uit: A. J.Cronin. TheMan Who Created DrFinlay (Biografie door Alan Savies)

 

It is necessary to go back to the generation of Cronin’s greatgrandparents to understand the man himself, as well as to appreciate the meaning of certain key references in some of his books and

unravel many of the claims made about his life and personality.

In the early- to mid-nineteenth century, the main characters inthe Cronin story were drawn to western Scotland from a widearea of the british Isles – County Armagh in Ireland, Edinburghand berwick-upon-Tweed in England – eventually converging onGlasgow, where the skilled and industrious could always find work.

As a result, Cronin’s genetic make-up was half Irish, three-eighthsScottish and one-eighth English.

On the paternal side, his grandfather Owen and his grandmotherbridget (née McShane), both staunch Catholics and founders of the Scottish dynasty – if that is not too grand a term – were born

in Ireland in about 1826 and 1832 respectively. Owen Cronin’s origins have not been verified, since his parents never left Ireland.

However, his wife’s parents – McShane and Smith – are known to have hailed from Annaghmore in County Armagh. It is not known if Owen was from the same region, nor if he and bridget McShane knew each other before emigrating to Scotland. Owen’s surname, however, when he arrived in Scotland in about 1850, was Cronague, changed to Cronin in 1870. He married bridget

McShane in Eastwood, Renfrewshire, in January 1851.

Their first child, James, was born in Glasgow in about 1854, and sometime after that date, but before 1861, the Cronagues set up business in Alexandria, north of Dumbarton. Initially hawkers

– another name for rag-and-bone men – they were later described as “glass and china merchants” as they became more sophisticated and affluent.”

 

 


A.
.J. Cronin (19 juli 1896 – 6 januari 1981)

Lees meer...

18-07-11

Simon Vinkenoog, Steffen Popp, Alicia Steimberg, Jevgeni Jevtoesjenko

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vinkenoog werd op 18 juli 1928 in Amsterdam geboren. Zie ook mijn blog van 18 juli 2007 en eveneens mijn blog van 18 juli 2008 en ook mijn blog van 12 juli 2009 en ook mijn blog van 18 juli 2009.

 

 

Ver als de horizon ben je

 

ver als de horizon ben je
in de glazen kist van het weer geborgen
beukend op de blikken deksels
van het najaar
ik zie de bliksem langs je lichaam trillen
en de regen loopt onrustig door je ogen

ik kan de afstand die mij van je scheidt
in lichtjaren tellen
en in de meter van het geluid
zoemen de seconden

mijn handen opnieuw in gebruik gesteld
sluiten het onweer in je borsten buiten

alleen de regen is thuis
op de platte daken van de nachten
zonder duizelingen

 

 

 

 

Het spiegelend evenbeeld

 

Wat is leven? Ogen die elkaar niet zien,
hout op hout de woede van het lichaam,
draaiend in het cirucusspel van heden.

Het is een straatnaam aan een huis,
de ogen rode tekens aan een voorhoofd,
terend op de gedachte aan gisteren:

'Ik loop in zoveel duisternis
dat ik blind ben van vragen.
's Nachts de koele mist van de liefde
bij dag de godsdienst van het ademhalen'.

Terend op een wanhoop die morgen is:
alleen met anderen die alleen zijn,
samen met de eigen stem, die niet klinkt
in een wankel en vermoeid bestaan
waar geen geluid meer doordringt.

En ik die dit leven niet ken
ik, een toerist in eigen land,
vreemde voeding in mijn cellen,
vreemde rook in mijn mond.

Ik loop langs alle wegen die mij dragen
en vraag, maar kan niet meer vragen,
Geef mij het einde, zodat ik mijzelf herken.

 

 

 

Simon Vinkenoog (18 juli 1928 – 12 juli 2009)

 

Lees meer...

William M. Thackeray, Nathalie Sarraute, Aad Nuis, Ludwig Harig, Jan Stanisław Skorupski

 

De Engelse schrijver William Makepeace Thackeray werd geboren in Calcutta op 18 juli 1811. Zie ook mijn blog van 18 juli 2009.en ook mijn blog van 18 juli 2008 en ook mijn blog van 18 juli 2007 en ook mijn blog van 18 juli 2006.

 

Uit: George Cruikshank

 

“A ccusations of ingratitude, and just accusations no doubt, are made against every inhabitant of this wicked world, and the fact is, that a man who is ceaselessly engaged in its trouble and turmoil, borne hither and thither upon the fierce waves of the crowd, bustling, shifting, struggling to keep himself somewhat above water--fighting for reputation, or more likely for bread, and ceaselessly occupied to-day with plans for appeasing the eternal appetite of inevitable hunger to-morrow--a man in such straits has hardly time to think of anything but himself, and, as in a sinking ship, must make his own rush for the boats, and fight, struggle, and trample for safety. In the midst of such a combat as this, the "ingenious arts, which prevent the ferocity of the manners, and act upon them as an emollient" (as the philosophic bard remarks in the Latin Grammar) are likely to be jostled to death, and then forgotten. The world will allow no such compromises between it and that which does not belong to it--no two gods must we serve; but (as one has seen in some old portraits) the horrible glazed eyes of Necessity

are always fixed upon you; fly away as you will, black Care sits behind you, and with his ceaseless gloomy croaking drowns the voice of all more cheerful companions. Happy he whose fortune has placed him where there is calm and plenty, and who has the wisdom not to give up his quiet in

quest of visionary gain.

Here is, no doubt, the reason why a man, after the period of his boyhood, or first youth, makes so few friends. Want and ambition (new acquaintances which are introduced to him along with his beard) thrust away all other society from him. Some old friends remain, it is true, but these are become as a habit--a part of your selfishness; and, for new ones, they are selfish as you are. Neither member of the new partnership has the capital of affection and kindly feeling, or can even afford the time that is requisite for the establishment of the new firm. Damp and chill the shades of the prison-house begin to close round us, and that "vision splendid" which has accompanied our steps in our journey daily farther from the east, fades away and dies into the light of common day.”

 

 

William Makepeace Thackeray (18 juli 1811 – 24 december 1863)

Lees meer...

Ricarda Huch, Tristan Corbiere, Jan Gerhard Toonder, Josepha Mendels, Bobby Henderson

 

De Duitse dichteres en schrijfster Ricarda Huch werd op 18 juli 1864 in Braunschweig geboren. Zie ook mijn blog van 18 juli 2009.

 

 

 

Wiedersehen

 

Aus der Trennung Schale
Trank ich tropfenweis den bittren Wein;
Ganz in einem Male
Soll das Wiedersehn genossen sein.

Gib mir beide Hände!
Aus dem nie erschöpften Überfluß
Unsrer Huld verschwende
Alle Zärtlichkeit in einem Kuß!

Hauche deine Seele
Tief in meines Busens Grund hinein;
Nicht im Wort erzähle:
Was du denkst, wird so im Fühlen mein.

 

 

 

 

Wie liebten wir so treu in jenen Tagen

 

Wie liebten wir so treu in jenen Tagen,
Fest wie die Sonne stand das Herz uns da.
Getrennt, wie hatten wir uns viel zu sagen,
Und sagten stets nur eines: Liebst Du? Ja!
O Liebe, kannst du wie ein Traum der Nächte
Vorübergehen, die du unendlich scheinst?
Mir ist, als ob er fernher mein gedächte

 

Und fragte: Liebst Du mich? Sag ja wie einst!

 

 

 

Ricarda Huch (18 juli 1864 – 17 november 1947)

Portret door Martin Lauterburg, 1930

Lees meer...

In Memoriam John Kraaijkamp sr.

 

In Memoriam John Kraaijkamp sr.

 

De Nederlandse acteur Jan Hendrik (Johnny) Kraaijkamp is gisteren overleden. Johnny Kraaijkamp werd geboren op 19 april 1925 in Amsterdam. Na een lange periode van komische rollen - zo speelde hij in 1978 met zijn zoon in De verlegen versierder, een door Berend Boudewijn vertaald blijspel van Robin Hawdon - was Kraaijkamp van 1979 tot 1984 actief bij het RO Theater, waar hij onder andere King Lear speelde. Kraaijkamp overleed op 17 juli 2011 in het Rosa Spier Huis in het Noord-Hollandse Laren. Hij werd 86 jaar

 

 

 

Scene uit King Lear, links: Lou Landré, rechts: John Kraaijkamp sr

 

Uit: King Lear (vertaling: Jan Jonk)

 

Cordelia

Wij zijn niet de eersten,

die het beste wilden, maar het slechtste kregen.

Gekrenkte Koning, jouw lot kan mij deren;

zelf zou ik de valse grijns van het lot pareren.

Zien wij die dochters en die zusters nog?

 

Lear

Nee, nee, nee, nee. Kom vlug naar onze cel.

Daar zingen wij als vogels in een kooi.

Als jij mijn zegen vraagt, kniel ik en vraag

jou om vergeving. Zo zullen wij leven,

bidden, zingen, van sprookjes spreken, lachen

om vergulde vlinders, van arme drommels

het hofnieuws horen, en met hen bespreken

wie wint en wie verliest, wie in, wie uit is.

Daar schouwen wij het mysterie van ons zijn,

als godeninformanten, in die kerker,

verslijten wij de kliek van hoge heren,

wier tij daalt en rijst met de maan.

 

Edmund

Voer ze af.

 

Lear

Op zulk een heilig offer, lieve Cordelia,

strooien de Goden wierook. Heb ik jou gestrikt?

Alleen een hemelfakkel scheidt ons nog,

en drijft ons weg als vossen. Droog je ogen.

Laat de duivels ze vreten, huid en haar,

wij huilen niet. Eerst komt hun hongerdood.

Kom.

 

Lear en Cordelia af

 

 

 

 

John Kraaijkamp sr. (19 april 1925 - 17 juli 2011)

 

17-07-11

James Purdy, Martin R. Dean, Eelke de Jong, Roger Garaudy, Alie Smeding, Clara Viebig

 

De Amerikaanse schrijver James Purdy werd geboren in Fremont in de staat Ohio op 17 juli 1914. Zie ook mijn blog van 17 juli 2009 en ook mijn blog van 17 juli 2010.

 

Uit: Color of Darkness

 

Sometimes he thought about his wife, but a thing had begun of late, usually after the boy went to bed, a thing which should have been terrifying but which was not: he could not remember now what she had looked like. The specific thing he could not remember was the color of her eyes. It was one of the most obsessive things in his thought. It was also a thing he could not quite speak of with anybody. There were people in the town who would have remembered, of course, what color her eyes were, but gradually he began to forget the general structure of her face also. All he seemed to remember was her voice, her warm hearty comforting voice.
Then there was the boy, Baxter, of course. What did he know and what did he not know. Sometimes Baxter seemed to know everything. As he hung on the edge of the chair looking at his father, examining him closely (the boy never seemed to be able to get close enough to his father), the father felt that Baxter might know everything.
"Bax," the father would say at such a moment, and stare into his own son's eyes. The son looked exactly like the father. There was no trace in the boy's face of anything of his mother.
"Soon you will be all grown up," the father said one night, without ever knowing why he had said this, saying it without his having even thought about it.
"I don't think so," the boy replied.
"Why don't you think so," the father wondered, as surprised by the boy's answer as he had been by his own question.
The boy thought over his own remark also.
"How long does it take?" the boy asked.
"Oh a long time yet," the father said.

"Will I stay with you, Daddy," the boy wondered.
The father nodded. "You can stay with me always," the father said.
The boy said Oh and began running around the room. He fell over one of his engines and began to cry.
Mrs. Zilke came into the room and said something comforting to the boy.
The father got up and went over to pick up the son. Then sitting down, he put the boy in his lap, and flushed from the exertion, he said to Mrs. Zilke: "You know, I am old!"

 

 

James Purdy (17 juli 1914 - 13 maart 2009)

Lees meer...

Rainer Kirsch, Mattie Stepanek, Jakob Christoph Heer, Bruno Jasieńsk, Shmuel Yosef Agnon, Christina Stead, Michio Takeyama

 

De Duitse dichter en schrijver Rainer Kirsch werd geboren op 17 juli 1934 in Döbeln. Zie ook mijn blog van 17 juli 2007en ook mijn blog van 17 juli 2009 en ook mijn blog van 17 juli 2010.

 

 

Aufschub

 

Damit wir später reden können, schweigen wir.
Wir lehren unsere Kinder schweigen, damit
Sie später reden können.
Unsere Kinder lehren ihre Kinder schweigen.
Wir schweigen und lernen alles
Dann sterben wir.
Auch unsere Kinder sterben. Dann
Sterben deren Kinder, nachdem
Sie unsere Urenkel alles gelehrt haben
Auch das Schweigen, damit die
Eines Tages reden können.
Jetzt, sagen wir, sit nicht die Zeit zu reden.
Das lehren wir unsere Kinder
Sie ihre Kinder
Die ihre.
Einmal, denken wir, muß doch die Zeit
kommen.

 

 

Rainer Kirsch (Döbeln, 17 juli 1934)

Döbeln, centrum

Lees meer...

16-07-11

Tony Kushner, Reinaldo Arenas, Georges Rodenbach, Anita Brookner, Jörg Fauser

 

De Amerikaanse schrijver Tony Kushner werd geboren op 16 juli 1956 in New York. Zie ook mijn blog van 16 juli 2009 en ook mijn blog van 16 juli 2010.

 

Uit: The Intelligent Homosexual’s Guide to Capitalism and Socialism with a Key to the Scriptures

 

“GUS

You are.But this… (A shrug.)Complicated, honey.

(Little pause.)

You remember, I think I told you this, the Daily News strike, I helped out, I was ILWU liaison with the teamsters, the paper and printing trades, when they went out against the Daily News? With the writers, the writers went out too, word and muscle, 1991? Same year the Committees of Correspondence broke from the party, same year I left, I left the party, later I rejoined but — 1991, the year pop died, and Gorbachev was, you know, that whole (gesture, something immense).The coup attempt in Moscow and Yeltsin and Gus Hall, that (another gesture, throwing away).

The first Iraq — all that crazy s— that year. Anyway. This old guy, this printer, who I met then on the pickets, we liked each other a lot, he was a smart man, he had a perspective, maybe not… (To Clio:) But a perspective.

CLIO

Yeah.

GUS

So a year after all that, I got a call that this old printer, the guy’s been felled by a heart attack, wham, in a hospital. I went to see him, eyes screwed shut, with a stupid tube down his throat, tape around his mouth to, to hold it, and I saw, I sat for a while, and I noticed his hands was going

(He shows how the printer’s hands were going.)

Like, I thought, what is it, is he, is this, like, piano practicing.

(Again with the hands. The gestures aren’t much like piano playing: the fingers are rapidly moving unseen objects up, down, sideways.)

Then I thought, oh I get what — it made me cry, I cried. I thought, his hands want to pull out that tube, dumb Irish, probably he’d let some c—sucking Priest –

(A quick gesture to Pill, placating and acknowledging; Pill lets him off the hook.)

GUS

Some creep got to him, talked him out of a living will, so… And here he was, a prisoner, in that bed. So his hands were going –

(The printer’s hands again:)

His grandson offered me a Kleenex box, and I said, I said look at his hands, he… Maybe you think he wants to get at that tube, or, or the power cord to that goddamn pump?His grandson says, no, that’s just muscle memory. He’s a typesetter, a compositor. His hands are still working, see? He’s still setting stories and headlines in lead type.

(Little pause.)

That’s what it was, the kid was right. But so was I: His hands were working. Homo laborans. Homo faber. Man the maker. Man the worker. That’s what hands do.

(A look at his hands, then:)

My friend the printer. They left him alone that night, and somehow he managed to pull out the breathing tube. He asphyxiated.

The work of your hands makes the world.

And while you still have the use of them, they can unmake the goddam world, just as well.“

 

 

Tony Kushner (New York, 16 juli 1956)

Hier met de acteur Daniel Craig (rechts)

Lees meer...

Dag Solstad, Bernard Dimey, Andrea Wolfmayr, Pierre Benoit, Franz Nabl

 

De Noorsde schrijver Dag Solstad werd geboren op 16 juli 1941 in Sandefjord. Zie ook mijn blog van 16 juli 2007 en ook mijn blog van 16 juli 2009 en ook mijn blog van 16 juli 2010.

 

Uit: Professor Andersens Nacht (Vertaald door Ina Kronenberger)

 

„Es war Heiligabend, und Professor Andersen hatte in seinem Wohnzimmer einen Weihnachtsbaum.

Er sah ihn an. »Na, so was«, dachte er. »Ich muß schon sagen.« Er wandte sich ab und ging durch das Zimmer, während er den Weihnachtsliedern im Fernsehen lauschte. »Ja, ich muß schon sagen «, wiederholte er. »Ja, was will ich eigentlich sagen?« fragte er sich sodann nachdenklich. Er betrachtete den schön gedeckten Tisch im Eßzimmer. Für eine Person gedeckt. »Seltsam, wie tief es doch sitzt«, dachte er, »und noch dazu ohne jegliche Ironie«, dachte er und schüttelte den Kopf.

Er freute sich auf das Essen. Unter dem Weihnachtsbaum lagen zwei Geschenke, von jedem seiner beiden erwachsenen Neffen eins. »Wenn ich hoffe, daß mir die Speckschwarte schön knusprig gelingt, liegt darin dann ein Hauch von Ironie?

Nein«, dachte er, »gelingt mir die Speckschwarte nicht, werde ich richtig wütend und fluche laut, obwohl Heiligabend ist«, dachte er. So wie er laut geflucht hatte, als er sich damit abmühte, den Baum in den Baumständer zu zwingen, damit dieser richtig saß und anschließend gerade und nicht schief stand, so wie ein Weihnachtsbaum im Haus zu stehen hat. Wie er ebenfalls geflucht hatte, als er die elektrischen Kerzen an den Zweigen des Baums befestigt hatte und feststellte, daß er auch in diesem Jahr im Kreis gegangen war, weswegen sich das Kabel in sich verdreht hatte und er kehrtmachen und wieder zurückgehen mußte, eine Kerze nach der anderen abnehmen und noch einmal fast ganz von vorn beginnen. Verflucht, hatte er da gesagt. Verflucht. Laut und vernehmlich, doch das war gestern gewesen. »Seltsam, wie tief Heiligabend in uns sitzt«, dachte er. Die feierliche Stimmung. Die Heilige Nacht. Die um Mitternacht eingeläutet wird. Nicht vorher, wie so viele in Norwegen glauben, heute ist der Abend vor der Heiligen Nacht. Oder der Stillen Nacht.“

 

 

Dag Solstad (Sandefjord, 16 juli 1941)

Lees meer...

15-07-11

Iris Murdoch, Richard Russo, Jean Christophe Grangé, Driss Chraïbi, Walter Benjamin, Jacques Rivière

 

De Iers-Britse schrijfster en filosofe Iris Murdoch werd geboren in Dublin op 15 juli 1919. Zie ook mijn blog van 15 juli 2007 en ook mijn blog van 15 juli 2008 en ook mijn blog van 15 juli 2009 en ook mijn blog van 15 juli 2010.

 

Uit: The Black Prince

 

„I lived then and had long lived in a ground-floor flat in a small shabby pretty court of terrace houses in North Soho, not far from the Post Office Tower, an area of perpetual seedy brouhaha. I preferred this genteel metropolitan poverty to the styleless surburban affluence favoured by the Baffins. My ‘rooms’ were all at the back. My bedroom looked on to dustbins and a fire escape. My sitting-room on to a plain brick wall caked with muck. The sitting-room, half a room really (the other half, stripped and degraded, was the bedroom) had wooden panels of that powdery dignified shade of green which can only be achieved by about fifty years of fading. This place I had crammed with too much furniture, with Victorian and oriental bric-à-brac, with tiny heterogeneous objets d'art, little cushions, inlaid trays, velvet cloths, antimacassars even, lace even. I amass rather than collect. I am also meticulously tidy though resigned to dust. A sunless and cosy womb my flat was, with a highly wrought interior and no outside. Only from the front door of the house, which was not my front door, could one squint up at sky over tall buildings and see above the serene austere erection of the Post Office Tower.

So it was that I deliberately delayed my departure. What if I had not done so? I was proposing to disappear for the whole summer, to a place incidentally which I had never seen but had adopted blind. I had not told Arnold where I was going. I had mystified him. Why I wonder? Out of some sort of obscure spite? Mystery always bulks larger. I had told him with a firm vagueness that I should be travelling abroad, no address. Why these lies? I suppose I did it partly to surprise him. I was a man who never went anywhere. Perhaps I felt it was time I gave Arnold a surprise. Neither had I informed my sister Priscilla that I was leaving London. There was nothing odd in that. She lived in Bristol with a husband whom I found distasteful. Suppose I had left the house before Francis Marloe knocked on the door? Suppose the tram had arrived at the tram stop and taken Prinzip away before the Archduke's car came round the corner?

I repacked the suitcases and transferred to my pocket, for re-reading in the train, the third version of my review of Arnold's latest novel. As a one-book-a-year man Arnold Baffin, the prolific popular novelist, is never long out of the public eye. I have had differences of opinion with Arnold about his writing. Sometimes in a close friendship, where important matters are concerned, people agree to differ and, in that area, fall silent. So, for a time, it had been with us. Artists are touchy folk. I had, however, after a superficial glance at his latest book, found things in it which I liked, and I had agreed to review it for a Sunday paper. I rarely wrote reviews, being in fact rarely asked to.“

 

 


Iris Murdoch (15 juli 1919 – 8 februari 1999)

Lees meer...

Robert Wohlleben, Heinrich Peuckmann, Clive Cussler, Jacques Derrida, Kunikida Doppo, Hammond Innes

 

De Duitse dichter, schrijver, vertaler, essayist en uitgever Robert Wohlleben werd geboren op 15 juli 1937 in Rahlstedt. Zie ook mijn blog van 15 juli 2007 en ook mijn blog van 15 juli 2009. en ook mijn blog van 15 juli 2010.

 

 

An mich

 

Lasierter Himmel ohne große Farben

bleicht langsam hin – das sagt mir wohl was jetzt?

Ich spür zu scharf das Kinn, rasurverletzt.

Verheilen tuts bereits für weitre Narben.

 

Der Schmerz ebbt weg, wie andre längst verdarben,

in Hirnverliesen erst mal weggeätzt.

Da steh ich da: versetzt, verpetzt, vergrätzt

und weiß nicht mal, wohin die Schmerzen starben.

 

Die Bomben, schlechte Zeit, die jungen Jahre

verschwimmen kaum und gehn doch in die Binsen,

vom Rand her nimmt die Schärfe mählich ab.

 

Sie solls nicht – doch wie oft ich mich auch paare

und fruchtbar bin: Mein väterliches Grinsen

geht schief, weil ich zu knapp nach Atem schnapp.

 

 

 

Altwerden

 

In Kladde ohne Ton gefragt: was war?

Den Tigern springen Funken von den Ketten.

Die Stadt brennt. Schwarzgepudert die Reinetten.

Der Sterne flic flac. Falsch und wunderbar.

 

Mit Flügeln schlägt ein abgeknallter Star.

Den Triggerfinger kann nu nix mehr retten.

Dann dreh die Platte um. Laß Ella scatten.

Im Jive verkettet jetzt sich Paar um Paar.

 

Im Schädel bleicht die Mahd der Bordgeschütze.

Kartoffelsackbedeckte Haufen. Kamen

von fern hierher. Wo Tod das Leben frißt.

 

Ich leb. Den Schädel deckt die Baskenmütze.

Die Bilder führ ich mit. Und all die Namen.

Von der und dem. Da weiß ich doch: was ist.

 

 

 

Robert Wohlleben (Rahlstedt, 15 juli 1937)

Lees meer...

14-07-11

Volker Kaminski, Irving Stone, Natalia Ginzburg, Jacques de Lacretelle, Gavrila Derzjavin

 

De Duitse schrijver Volker Kaminski werd op 14 juli 1958 in Karlsruhe geboren. Kaminski studeerde 1981-1983 aan de universiteit van Freiburg en 1983-1990 aan de Vrije Universiteit van Berlijn Germanistiek en filosofie. Hij werkte als prive-leraar en opvoeder, maakte zijn debuut in 1994 met de novelle "Die letzte Prüfung" en publiceerde romans, diverse korte verhalen en artikelen in kranten, tijdschriften en bloemlezingen. Volker Kaminski werkt als freelance schrijver in Berlijn. In 1995 nam hij deel aan de Ingeborg Bachmann-Wettbewerb in Klagenfurt. Kaminski werd bekroond met de Alfred Doblin beurs 1996 en ontving subsidies ​​van de Kunststiftung Baden-Württemberg en van de Berlijnse Senaat. In 2003 verbeelf hij in het kunstenaarsdorp Schöppingen. In 2008 ontving hij voor drie maanden een beurs voor het Künstlerhaus Edenkoben.

 

Uit: Mit der Strömung

 

Sie trafen sich vor dem Frühstück an der Badebucht. Victor stand auf dem Holzsteg und hatte die Hände hinter dem Rücken verschränkt. Er ließ die Au-gen langsam über die Bucht kreisen. Rechts die Umrisse einer mittelalterlichen Burg, deren Befestigungsmauern bis ans Meer reichten; links vor der Sonne ein runder Kirchturm, so hoch wie ein Leuchtturm; oben in den Hügeln ein steinernes Kastell. Das Dorf schien um neun Uhr morgens noch menschenleer. Trotzdem hatte es schon etwas Ungewöhnliches gegeben; ein mit Blumen und Kränzen geschmückter Wagen war vor die Kirche gefahren, fünfzehn Minuten lang hatte die Glocke geschlagen. Dann war das Auto im Schritttempo durchs Dorf gefahren, gefolgt von einer kleinen Trauergemeinde.
„Heute ist das Meer viel wärmer“, rief Ines vom Ufer. Sie klang fröhlich wie immer. Victor und Sonja gingen hinunter ans Wasser, wo Ines stand und sich mit einer jungen Französin unterhielt. „C’est une catastrophe“, hörte er die Frau sagen. Ein paar Kinder liefen mit Käschern und Plastikeimerchen herum. Sie sammelten Quallen ein - Feuerquallen. Die roten Quallen waren über Nacht auf den Strand zugetrieben. Victor ließ sich von Ines mit spitzem Finger die Stellen im Meer zeigen, wo sich die MEDUSES in Schwärmen herumtrieben. Die Quallen konnten ihnen den ganzen Urlaub verderben, doch Ines lachte und behandelte sie wie eine Sensation.
Es war kühl und windig, obwohl es Mitte Juli war. Bei solchen Temperaturen badete Victor nicht. Auch Sonja war noch nicht schwimmen gewesen. Das Meer musste einen schon unwiderstehlich anlocken, damit man sich unter diesen Umständen hinein getraute.

 

 

Volker Kaminski (Karlsruhe, 14 juli 1958)

Lees meer...