17-10-11

Simon Vestdijk, Miguel Delibes, Georg Büchner, Emanuel Geibel

 

De Nederlandse schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

 

 

De moeder

 

Niets had zij begrepen van zijn klacht,

Toen hij voor 't eerst verliet eenzelvig droomen

En aan kwam tasten in een fluisternacht.

Hij wilde stil en troostziek in haar stroomen,

Terugbuigend als stuwend water naar de

Bron, die rustig spiegelende vergaarde

Wat beeld en neerslag haar te binnen bracht. -

 

En toen zij slaap'rig opzag, en maar streelde,

Gesloten bleef voor het onuitgebeelde,

't Vervloekt verzwegene, dat hem besprongen

Was in het stroomgebied van háár gelijken:

Toen gleed hij weg, en nam een nieuw besluit,

En jaren knelde haar het harte uit

De zoon, dor sijpelende, afgedrongen,

En steenig-smal, haar vrede te ontwijken.

 

 

 

Zelfkant

 

Ik houd het meest van de halfland'lijkheid:

Van 't gras, dat arm'lijk op fabrieksterreinen

Groeit; van de weidewinden, die met lijnen

Vol waschgoed spelen; waar de lorrie rijdt,

 

Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.

Want 'k weet, dat ik waar men het leven slijt

En toch niet leven kan, meer eenzaamheid

Zal vinden dan in bergen of ravijnen.

 

De walm van stoomtram en van bleekerij

Of van de ovens waar men schelpen brandt

Is meer dan thymgeur aanstichter van droomen,

 

En 't zwarte kalf in 't weitje aan den rand

Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd

En in éen beeld met sintels opgenomen.

 

 

 

De Zanger

 

Ik droomde dat hij vóor hij sterven ging

Een galmend kinderlied zong met uithalen

Van overstelpt gevoel. In billardzalen

Vervloekte men hem als een weekeling...

 

Hij stond daar: ‘Als ik hier voor jullie zing

Wil ik met niéts de grootste eer behalen!’

Men vloekte, en hij zong van groene dalen

En van een bloem uit míjn herinnering.

......................................

 

Door angst gewekt, bracht ik den doode heel

Voorzichtig weer terug. - Een droom vergist

Zich nu en dan in 't nietigst onderdeel,

Dus ben ik wéer die zalen doorgedrongen,

Als rook langs de gezichten,... en nòg wist

Ik niet: had ik gevloekt - of meegezongen...

 

 

 


Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)

Lees meer...

Arthur Miller, Nel Noordzij, Ernst Hinterberger, Anatoli Pristavkin, Alfred Polgar, Jupiter Hammon, Nathanael West

 

De Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller werd geboren in New York op 17 oktober 1915. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2008 en ook mijn blog van 17 oktober 2009 en ook mijn blog van 17 oktober 2010

 

Uit: The Price

 

„The attic of a Manhattan brownstone soon to be torn down. WALTER: Vic, I wish we could talk for weeks, theres so much I want to tell you . . . . It is not rolling quite the way he would wish and he must pick examples of his new feelings out of the air. I never had friends—-you probably know that. But I do now, I have good friends. He moves, sitting nearer Victor, his enthusiasm flowing. It all happens so gradually. You start out wanting to be the best, and there’s no question that you do need a certain fanaticism; there’s so much to know and so little time. Until you’ve eliminated everything extraneous—-he smiles—-including people. And of course the time comes when you realize that you haven’t merely been specializing in something—-something has been specializing in you. You become a kind of instrument, an instrument that cuts money out of people, or fame out of the world. And it finally makes you stupid. Power can do that. You get to think that because you can frighten people they love you. Even that you love them.—-And the whole thing comes down to fear. One night I found myself in the middle of my living room, dead drunk with a knife in my hand, getting ready to kill my wife.

ESTHER: Good Lord!

WALTER: Oh ya—-and I nearly made it too! He laughs. But there’s one virtue in going nuts—-provided you survive, of course. You get to see the terror—-not the screaming kind, but the slow, daily fear you call ambition, and cautiousness, and piling up the money. And really, what I wanted to tell you for some time now—-is that you helped me to understand that in myself.

VICTOR: Me?

WALTER: Yes. He grins warmly, embarrassed. Because of what you did. I could never understand it, Vic—-after all, you were the better student. And to stay with a job like that through all those years seemed . . . He breaks off momentarily, the uncertainty of Victor’s reception widening his smile. You see, it never dawned on me until I got sick—that you’d made a choice.

VICTOR: A choice, how?

WALTER: You wanted a real life. And that’s an expensive thing; it costs.“

 

 

Arthur Miller (17 oktober 1915 – 10 februari 2005)

Lees meer...

16-10-11

Günter Grass, Oscar Wilde, Guðbergur Bergsson, Gerold Späth

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk, Polen) op 16 oktober 1927. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Günter Grass op dit blog.

 

Uit: De bot (Vertaald door Peter Kaaij)

 

„Het tribunaal nam er kennis van en zou naar alle waarschijnlijkheid wel tot een mild vonnis zijn gekomen als niet de aanklaagster, Sieglinde Huntscha, puntige, voor de bot provocerende vragen had gesteld. De zelfs op een stoel nog heroïsch uitziende vrouw sprong op, werd rood tot aan haar haarwortels, gaf haar stem, nog voordat zij sprak, een rijke dosis verachting mee, richtte een magere wijsvinger op de container van kogelvrij glas, waarin de bot, misschien wel geanimeerd door de rapporten van de literatuurhistorici, enige handbreedtes boven zijn zandbed speels alle vinnen liet bewegen, sprak toen, nee, vuurde (ineens met een Saksisch accent) vraag na vraag af in de richting van de beklaagde platvis en boekte meteen een eerste succesje: schijnbaar getroffen liet de bot zich vallen. Hij woelde zich in het Oostzeezand, wierp met zijn staartvin zand op zijn oeroude knobbelhuid en vertroebelde het water van zijn weliswaar kogelvrije maar niet tegen gericht afgevuurde vragen gepantserde glazen huisje: hij leek wel van de aardbodem verdwenen, in het niets opgelost, scheen ontsnapt te zijn, bleef ongrijpbaar.
En dat terwijl er aan de vragen van de aanklaagster niet eens intellectuele weerhaken zaten. De bot werd niet principieel geattaqueerd. Met ongekunstelde directheid wilde Sieglinde Huntscha weten: ‘Is het mogelijk dat, gesteld dat een vrouw van beroep muze is, ook mannen in staat zijn dat beroep uit te oefenen? En zo ja, welke mannen hebben als muze, dat wil zeggen: de kunst indirect dienend, bekende kunstenareesen aan inspiratie geholpen? Of is de verdachte soms van mening dat vrouwen in hun relatie tot de kunst slechts middel tot het doel kunnen zijn, vruchtbare akkergrond, willoos werktuig? Is dat onze enige bestaansreden: jullie koude schoorstenen weer te laten roken? Verdien je als vrouw een uurloon voor je werk als muze? Wil de bot ons soms eerdaags in zijn goedertierenheid de status van loonafhankelijke thuiswerksters verlenen en ons aanraden een vakbond op te richten en c.a.o.-besprekingen te beginnen? En is het toegestaan, zo vraag ik, dat vrouwen op hun beurt mannelijke muzen in goedbetaalde dienst hebben? Of wil de verdachte met al die door hem gehuurde deskundige zwetsers alleen maar zijn ware intentie verbergen? Want tussen de regels door wil hij zeggen: Okay, de brave meisjes kunnen soms heel leuk piano spelen, en ze doen als pottenbaksters, net als ook in de kunstnijverheidssector, behoorlijk hun best, zijn vindingrijk in het decoratieve en daarom geschapen voor de binnenhuisarchitectuur, en nauwelijks zijn ze down, in extase of Ophelia’s schizofrene zuster, of moeiteloos schrijven ze met hartebloed, vissop of zwartgallige inkt aangrijpende, sponzige, zwaarmoedige verzen; maar Händels
Messias, de categorische imperatief, de Dom van Straatsburg, Goethes Faust, Rodins Denker en Picasso’s Guernica, dat sublieme meesterschap, de hoogste top, daar kunnen ze niet aan tippen. Is dat zo, bot?’

 

 



Günter Grass (Danzig, 16 oktober 1927)

Lees meer...

Eugene O’Neill, Dino Buzzati, Albrecht von Haller, Gottfried Kölwel, Gustaaf Peek

 

De Amerikaanse schrijver Eugene Gladstone O’Neill werd op 16 oktober 1888 in New York City geboren. Zie en ook mijn blog van 16 oktober 2010

 

Uit: The Iceman Cometh

 

„ROCKY--(in a low voice out of the side of his mouth) Make it fast. (Larry pours a drink and gulps it down. Rocky takes the bottle and puts it on the table where Willie Oban is.) Don't want de Boss to get wise when he's got one of his tightwad buns on. (He chuckles with an amused glance at Hope.) Jees, ain't de old bastard a riot when he starts dat bull about turnin' over a new leaf? "Not a damned drink on de house," he tells me, "and all dese bums got to pay up deir room rent. Beginnin' tomorrow," he says. Jees, yuh'd tink he meant it! (He sits down in the chair at Larry's left.)

LARRY--(grinning) I'll be glad to pay up--tomorrow. And I know my fellow inmates will promise the same. They've all a touching credulity concerning tomorrows. (a half-drunken mockery in his eyes) It'll be a great day for them, tomorrow--the Feast of All Fools, with brass bands playing! Their ships will come in, loaded to the gunwales with cancelled regrets and promises fulfilled and clean slates and new leases!

ROCKY--(cynically) Yeah, and a ton of hop!

LARRY--(leans toward him, a comical intensity in his low voice) Don't mock the faith! Have you no respect for religion, you unregenerate Wop? What's it matter if the truth is that their favoring breeze has the stink of nickel whiskey on its breath, and their sea is a growler of lager and ale, and their ships are long since looted and scuttled and sunk on the bottom? To hell with the truth! As the history of the world proves, the truth has no bearing on anything. It's irrelevant and immaterial, as the lawyers say. The lie of a pipe dream is what gives life to the whole misbegotten mad lot of us, drunk or sober. And that's enough philosophic wisdom to give you for one drink of rot-gut.

ROCKY--(grins kiddingly) De old Foolosopher, like Hickey calls yuh, ain't yuh? I s'pose you don't fall for no pipe dream?

LARRY--(a bit stiffly) I don't, no. Mine are all dead and buried behind me. What's before me is the comforting fact that death is a fine long sleep, and I'm damned tired, and it can't come too soon for me.

ROCKY--Yeah, just hangin' around hopin' you'll croak, ain't yuh? Well, I'm bettin' you'll have a good long wait. Jees, somebody'll have to take an axe to croak you!“

 

 

 

Eugene O’Neill (16 oktober 1888 – 27 november 1953)

Bij een repetitie op Broadway in 1946

Lees meer...

15-10-11

Boualem Sansal

 

De Franstalige Algerijnse schrijver Boualem Sansal werd geboren op 15 oktober 1949 in El Teniente-Had. Na het gymnasium studeerde hij in de jaren 1970 techniek en economie en promoveerde in dat laatste vak. Vanaf 1992 werkte hij als hoge functionaris voor het Algerijnse ministerie van Industrie.Pas in 1999 werd in Parijs zijn eerste roman gepubliceerd, Le serment the Barbarian, waarvoor hij twee prijzen, de Prix Tropiques en de Prix du Premier Roman, ontving. Tot 2006 volgden vier romans en in 2003 het Journal intime et politique, 40 ans après Algerie. Na de publicatie van dit boek met zijn kritiek op de Algerijnse staat werd Sansal door het ministerie ontslagen. Sinds hij uitsluitend werkzaam is als schrijver werkt Sansal vaker met historisch materiaal. In 2008 verscheen de roman Le village de l'anglais ou Le Journal des Frères Schiller, waarin hij vertelt over de betrokkenheid van een voormalige Duitse nazi bij de vorming van de bevrijdingsbeweging FLN in de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog en beschrijft de effecten van de burgeroorlog op een dorp in de jaren 1990,

 

Uit: Harraga (Vertaald door Riek Walther)

 

„Meine Haustür gibt ein beängstigendes Geräusch von sich. Sie macht nicht klopf klopf, sondern päng päng. Sie ist gepanzert, das ist das Eine, aber trotzdem denkt man heutzutage an andere Dinge.
Beim Öffnen halte ich mich im Schutz des Türrahmens. Ein Reflex. „Chkoun? Wer da?“ Es ist weder die Patrouille noch ein Prediger noch ein Verfechter der Wahrheit noch die Nachbarin aus der Rue Marengo, eine pausbäckige alte Medusa mit tausend abgedroschenen Überzeugungen, die immer wieder auf die Neuigkeiten zurückkommt, noch sonst etwas derart Böses. Zum Glück ist es nicht unser Briefträger, der gute Moussa, der Galeerensklave von Rampe Valée, ein entsetzlich geschwätziges altes Schlachtross, das auf seinem Weg Tag für Tag, ausgenommen während Unruhen oder Streiks, papierne Schrecknisse und Viren aussät, sondern ein junges Mädchen von der lustigsten Sorte. Sie antwortet: „Ich bin’s!“ Völlig unbekannt. Schmächtig, Kleidung à la Star Academy, allerdings mit den hauseigenen Mitteln. Rechenfehler oder reine Erfindung, allein der Spitzenkragen eignet sich als Verkleidung für einen Tross von närrischen Weibern. Ganz adrett, bis auf die Kakophonie der Farben. Ihre Frisur hat sie bei verschiedenen Bräuchen geklaut, sowohl uralten als auch solchen vom letzten Schrei. Geschminkt bis zum Anschlag. Die Augen, schwarz, weiß und lebhaft, schwimmen in einer Lache Wimperntusche, die von reichlich Grün umgeben ist. Es fehlt nichts, ein Haarwirbel, ein Gerstenkorn vielleicht, und man könnte meinen, der kleine Dreckspatz käme aus einem fernen Landstrich. Ihr Parfum steht der Wolke von Tschernobyl in nichts nach. Ein wandelnder Skandal, der auf unerklärliche Weise Allahs Zorn entgangen ist. Eine geringelte Reisetasche macht ihre sechzehn, siebzehn Wanderjahre komplett. Sie liegt zu ihren Füßen wie die Hülle einer frisch gehäuteten Schlange. Die ausgesprochen vollen Lippen zu einem blutroten Schmollmund verzogen, zwischen Ärger und Frage. Eine Miene, als gäbe es hinter dem hochnäsigen Lächeln keinerlei Zweifel. Und als Krönung, ein dicker Babybauch mit freiliegendem Nabel.
„Tante Lamia?“, sagt sie entschlossen von der ganzen Höhe ihrer Einsfünfzig herab.“

 

 


Boualem Sansal (El Teniente-Had, 15 oktober 1949
)

22:24 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: boualem sansal, romenu |  Facebook |

A. F.Th. van der Heijden, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, P.G. Wodehouse

 

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

 

Uit: Das Scherbengericht (Vertaald door Helga van Beuningen)

 

1.

Der Bart brannte ihm im Gesicht. Es fühlte sich an, als stäche jedes der harten Haare einzeln. Warum seine Haut so glühte, ob vor Juckreiz oder Scham, wußte er nicht. An einen Bart war er nicht gewöhnt. Wenn die Aufseher mal einen Augenblick nicht auf ihn achteten, wagte er es, sich mit zwei Fingern gleichzeitig zu kratzen, wobei er die Nägel tief zwischen die Haarwurzeln grub. Doch jedesmal, wenn er den Juckreiz geortet zu haben glaubte, sei es am Kinn, sei es an der Wange, hatte sich das Kribbeln rasend schnell woandershin bewegt und tauchte in der Nähe eines Ohrs auf, unter der

Nase oder im Bereich des Adamsapfels. Am liebsten hätte er mit beiden Händen in seinem Gestrüpp gewühlt – hätten Scham und Handschellen es ihm nicht verwehrt.

 

2.

Vor zwei Monaten hatte sein Anwalt, Douglas Dunning von der Kanzlei Dunning & Hendrix, ihm geraten, vorsorglich etwas an seinem Äußeren zu ändern. »Für eine graue Maus, die mein und dein verwechselt hat, ist Choreo schon kein Ferienparadies. Geschweige denn für eine Berühmtheit wie

dich. Und dann noch bei einer solchen Anschuldigung.«

Dunnings Stimme klang noch hohler und trockener als gewöhnlich. Seine langen Hände, sonst immer hackend in Bewegung, um seiner eintönigen Rede Profil zu verleihen, hingen ihm schlaff zwischen den Oberschenkeln. Genauso viele schlechte Zeichen, wie Finger an ihnen saßen.

»Ach, Doug, diese angebliche Berühmtheit … das empfinde ich überhaupt nicht so. Schauspieler, die auf dem Strip erkannt werden, ja, klar. Meine Tätigkeit habe ich immer als dienenden Beruf betrachtet. Agieren im Off … Im Schatten.«

»Kann man wohl sagen.«

»Nach Choreo werde ich völlig unsichtbar.«

»Ich weiß«, sagte der Anwalt müde. »Das olympische Feuer vor dem Grab des Unbekannten … sag’s noch mal. Aber nicht: Soldaten.«

»Ich bin reif für ein inneres Exil.«

»Verbannt wirst du jetzt erst mal nach Choreo. Äußerst sichtbar. Um nicht zu sagen … ins Auge springend. Du mit deinem tragischen Hintergrund. Dein Leben ist noch viel mehr Allgemeinbesitz als das deiner Kollegen. Und dazu gehört ein Gesicht.«

»Hört das denn nie auf ? Vor acht Jahren hat man mein eigenes Unglück auch schon gegen mich verwandt. Undjetzt …«

 

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Lees meer...

Italo Calvino, Tessa de Loo, Mario Puzo, Vergilius, Kees Beekmans

 

De Italiaanse schrijver Italo Calvino werd geboren in Santiago de las Vegas op Cuba op 15 oktober 1923. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2008 en ook mijn blog van 15 oktober 2009 en ook mijn blog van 15 oktober 2010

 

Uit: Invisible Cities (Vertaald door William Weaver)

 

Whether Armilla is like this because it is unfinished or because it has been demolished, whether the cause is some enchantment or only a whim, I do not know. The fact remains that it has no walls, no ceilings, no floors: it has nothing that makes it seem a city except the water pipes that rise vertically where the houses should be and spread out horizontally where the floors should be: a forest of pipes that end in taps, shouwers, spouts, overflows. Against the sky a lavabo's white stands out, or a bathtub, or some other porcelain, like late fruit still hanging from the boughs. You would think that the plumbers had finished their job and gone away before the bricklayers arrived; or else their hydraulic systems, indestructable, had survived a catastrophe, an earthquake, or the corrosion of termites.

Abandoned before or after it was inhabited, Armilla cannot be called deserted. At any hour, raising your eyes among the pipes, you are likely to glimpse a young woman, or many young women, slender, not tall of stature, luxuriating in the bathtubs or arching their backs under the showers suspended in the void, washing or drying or perfuming themselves, or combing their long hair at a mirror. In the sun, the threads of water fanning from the showers glisten, the jets of the taps, the spurts, the splases, the sponges' suds.

I have come to this explaination: the streams of water channeled in the pipes of Armilla have remained in th posession of nymphs and naiads. Accustomed to traveling along underground veins, they found it easy to enter the new aquatic realm, to burst from multiple fountains, to find new mirrors, new games, new ways of enjoying the water. Their invasion may have driven out the human beings, or Armilla may have been built by humans as a votive offering to win the favor of the nymphs, offended at the misuse of the waters. In any case, now they seem content, these maidens: in the morning you hear them singing.”

 

 


Italo Calvino (15 oktober 1923 - 19 november 1985)

Lees meer...

14-10-11

E. E. Cummings, Péter Nádas, Katha Pollitt, Daniël Rovers

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Edward Estlin Cummings werd geboren in Cambridge, Massachusetts op 14 oktober 1894. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2008 en ook mijn blog van 14 oktober 2009 en ook mijn blog van 14 oktober 2010.

 

 

"Gay" is the captivating cognomen

 

"Gay" is the captivating cognomen of a Young Woman of cambridge,

mass.

to whom nobody seems to have mentioned ye olde freudian wish;

when i contemplate her uneyes safely ensconced in thick glass

you try if we are a gentleman not to think of(sh)

 

the world renowned investigator of paper sailors--argonauta argo

harmoniously being with his probably most brilliant pupil mated,

let us not deem it miraculous if their(so to speak)offspring has that largo

appearance of somebody who was hectocotyliferously propagated

 

when Miss G touched n.y. our skeleton stepped from his cupboard

gallantly offering to demonstrate the biggest best busiest city

and presently found himself rattling for that well known suburb

the bronx(enlivening an otherwise dead silence with harmless quips, out

of Briggs by Kitty)

 

arriving in an exhausted condition, i purchased two bags of lukewarm

peanuts

with the dime which her mama had generously provided(despite courte-

ous protestations)

and offering Miss Gay one(which she politely refused)set out gaily for

the hyenas

suppressing my frank qualms in deference to her not inobvious perturba-

tions

 

unhappily, the denizens of the zoo were that day inclined to be uncouthly

erotic

more particularly the primates--from which with dignity square feet

turned abruptly Miss Gay away:

"on the whole"(if you will permit a metaphor savouring slightly of the

demotic)

Miss Gay had nothing to say to the animals and the animals had nothing

to say to Miss Gay

 

during our return voyage, my pensive companion dimly remarlted some-

thing about "stuffed

fauna" being "very interesting" . . . we also discussed the possibility of

rain. . .

E distant proximity to a Y.W.c.a. she suddenly luffed

--thanking me; and(stating that she hoped we might "meet again

sometime")vanished, gunwale awash. I thereupon loosened my collar

and dove for the nearest l; surreptitiously cogitating

the dictum of a new england sculptor(well on in life)re the helen moller

dancers, whom he considered "elevating--that is, if dancing CAN be ele-

vating"

 

Miss(believe it or)Gay is a certain Young Woman unacquainted with the

libido

and pursuing a course of instruction at radcliffe college, cambridge, mass.

i try if you are a gentleman not to sense something un poco putrido

when we contemplate her uneyes safely ensconced in thick glass

 

 


E. E. Cummings (14 oktober 1894 - 3 september 1962)

Portret doorJohn Bedford

Lees meer...

Katherine Mansfield, Margarete Susman, Stefan Żeromski

 

De Nieuw-Zeelandse schrijfster Katherine Mansfield werd geboren op 14 oktober 1888 in Wellington. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Katherine Mansfield op dit blog.

 

Uit: The Storyteller (Biografie door Kathleen Jones)

 

„The first thing you notice in Wellington is the wind. A full southerly buster was blowing as I drove in around the bays of the harbour, hurling the waves onto the rocks. At the hotel on Tinakori Road, shutters slapped and banged in a crazy percussion, just as Katherine described in one of her earliest stories, ‘The Wind Blows’. I recognised the way it blew the stinging dust in waves, in clouds, in big round whirls, heard the ‘loud roaring sound’ from the tree ferns and the pohutukawa trees in the botanic garden, the clanking of the overhead cables for the trolley buses. Clinging to the car door to steady myself, the street map levitating from my grasp, I experienced the exactness of Katherine’s images – ‘a newspaper wagged in the air like a lost kite’ before spiking itself onto a pine tree; sentences blew away ‘like little narrow ribbons’.

Tinakori Road, where Katherine was born and where her father occupied progressively larger houses as his status rose, runs along a steep hillside with spectacular views of the city. Above it, a tree- clad slope climbs upwards towards the ridge and below it, houses stagger downhill towards the brief fringe of level ground that edges the circular bay, enclosed by hills. The street follows a major fault line in an area that remains seismically active, and tremors were part of Katherine’s childhood experience.

Katherine loved the view from Tinakori Road, writing in her youthful notebook how ‘all in a fever myself I rushed out of the stifling house . . . on to the gorse golden hills. A white road round the hills – there I walked. And below me, like a beautiful Pre- Raphaelite picture, lay the sea and the violet mountains. The sky all a riot of rose and yellow – amethyst and purple. At the foot of the hill – the city – but all curtained by a blue mist that hung over it in pale wreaths of Beauty. Though engulfed by the expanding capital, the old houses renumbered to accommodate the new, Tinakori Road has changed little in a hundred and twenty years. It is still lined by brightly painted wooden houses, and you can have a drink in the local working men’s pub, where Katherine’s inscrutable face looks down from the wall.“



Katherine Mansfield (14 oktober 1888 – 9 januari 1923)

Lees meer...

13-10-11

Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie, Peter Buwalda

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Herman Franke op dit blog.

 

Uit: De ironie van de romantiek (Kellendonk lezing 2000)

`Er waren eens een vader en een zoon'. Zo begint een van de ontroeren­dste verhalen die ik ken. Het gaat over de dagelijkse omgang tussen een vader en een zoon. Zij voeren opgewekte, leven­dige gesprekken met elkaar, hoewel ze erg zwaarmoedig zijn. Beiden geloven dat ze schuld dragen aan het verdriet van de ander, zonder dit ooit uit te spreken. Maar heel af en toe blijft de vader voor de zoon staan, laat een bekom­mer­de blik op hem rusten en zegt: arm kind, jij leeft in een stille ver­twijfe­ling. Dan sterft de vader. En de zoon ziet veel, hoort veel, beleeft veel en wordt be­proefd in velerlei verzoe­kingen, maar er is maar één ding waar hij naar verlangt, maar één ding dat hem zou kunnen ontroeren: dat zijn die woor­den, en de stem van zijn vader die ze spreekt. En de enige troost die hij op zijn eigen oude dag heeft is dat zijn stem zo sterk op die van zijn vader is gaan lijken, dat hij tot zich­zelf kan zeg­gen: arm kind, jij leeft in een stille vertwijfe­ling. De schrij­ver van dit verhaal is de Deense filosoof Soren Kierkegaard die leefde in de eerste helft van de negentiende eeuw. Hij zag eruit als Jannes van der Wal, was zeker zo excentriek, werd op straat in Kopenhagen uitgelachen om zijn spillebenen en bouwde een bizar maar indruk­wekkend oeuvre op zijn existen­tieel getob over de verbreking van zijn verlo­ving met de 18-jarige Regine Olsen. Dat was in 1841 nog iets waar­van iedereen schande sprak. Op internet zijn portret­jes van Regine te vinden. Het is een wreedheid van de tech­nische voor­uit­gang dat honderden mil­joe­nen mensen nu kunnen zien hoe lief het meisje eruit zag dat hij hardhandig maar ook vol rijk gescha­keerd schuldge­voel van zich afstootte, nadat genade­loos zelfon­derzoek hem tot de conclusie had ge­bracht dat hij niet voor het huwe­lijk geschikt was en een andere taak had te volbren­gen, te weten het eenzaam leren leven met ver­twij­feling en angst en het zoeken naar een reli­gieuze uitweg, zeg maar troost.

Het verhaal over die vader en zoon is opgenomen in zijn Stadia op de levensweg dat in 1845 verscheen. In mijn herinne­ring was het veel langer dan de ene bladzijde die het in werke­lijkheid beslaat. Het is zo'n verhaal dat pas in de ver­beelding van de lezer een echt verhaal wordt, wat misschien wel de mooiste verhalen zijn. Ik las het bijna tien jaar geleden. Het was een zomerse dag en ik zat drie hoog achter op mijn balkon onder een bont­ge­kleurde para­sol.“

 

 

Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)

Lees meer...

12-10-11

Stefaan van den Bremt, Eugenio Montale, Robert Fitzgerald

 

De Vlaamse dichter en essayist Stefaan van den Bremt werd geboren in Aalst op 12 oktober 1941. Zie ook mijn blog van 12 oktober 2009 en ook mijn blog van 12 oktober 2010.

 

 

Ode aan de mus

 

Schuim onder de vogels,
schuim dat wegstuift en
weer aanwuift als een
kwetterende stofwolk,
schorem dat vecht om
elke kruimel, stof-
badend plebs, honk-
vaste landloper,
Jan Rap die doodgaat
zonder maat, brutale
bek die stinkt naar
paardenvijgen, gespuis
dat vliegt.

 

 

 

Moissac

 

Hoe moeten we door dit portaal
naar binnen? Ik kan niet verder
en blijf staan. Tussen de sleutels
die Petrus peinzend koestert
en Jesaja's neergeslagen blik
rekken zich leeuw en leeuwin
staande op leeuwin en leeuw.
Naast Jeremias, rug aan rug met
Paulus, starend naar de voorhal
van een kerk vol heidenen.
Ik kijk omhoog en zie de deur
die is geopend in de hemel.
Ik zie de troon en op die troon
versteent hij die tot leven wekt;
zijn linkerhand rust op een boek.
Hoe kom ik onder dit visioen
vandaan? Wat te beginnen
met de vierentwintig oudsten
en die vier dieren vol ogen,
die elk zes vleugels hebben,
en die twee sterke engelen
die zwijgen?
Wat moeten wij
met deze beelden, ontleend
aan een vergeten boek?

 

 

 

Stefaan van den Bremt (Aalst, 12 oktober 1941)

Lees meer...

Paul Engle, Ann Petry, Louis Hemon, Paula von Preradović

 

De Amerikaanse dichter en schrijverPaul Engle werd geboren op 12 oktober 1908 in Cedar Rapids. Zie ook mijn blog van 12 oktober 2008 en ook mijn blog van 12 oktober 2009 en ook mijn blog van 12 oktober 2010.

 

 

Hero

 

I

I have heard the horn of Roland goldly screaming

In the petty Pyrenees of the inner ear

And seen the frightful Saracens of fear

Pour from the passes, fought them, brave in dreaming.

 

But waked, and heard my own voice tinly screaming

In the whorled and whirling valleys of the ear,

And beat the savage bed back in my fear,

And crawled, unheroed, down those cliffs of dreaming.

 

II

I have ridden with Hannibal in the mountain dusk,

Watching the drivers yell the doomed and gray

Elephants over the trumpeting Alps, gone gay

With snow vivid on peaks, on the ivory tusk.

 

But waked, and found myself in the vivid dusk

Plunging the deep and icy floor, gone gray

With bellowing shapes of morning, and the gay

Sunshaft through me like an ivory tusk.

 

III

I have smiled on the platform, hearing without shame

The crowd scream out my praise, I, the new star,

Handsome, disparaging my bloody scar,

Yet turning its curve to the light when they called my name.

 

But waked, and the empty window sneered my name,

The sky bled, drop by golden drop, each star

The curved moon glittered like a sickle's scar,

The night wind called with its gentle voices: Shame!



 

Paul Engle (12 oktober 1908 – 25 maart 1991)

Lees meer...

11-10-11

Gertrud von Le Fort, François Mauriac, Christoph Peters, Conrad Ferdinand Meyer, Han Resink, Boris Pilnjak, Pierre Jean Jouve, Hans Schiebelhuth, Richard H. W. Dillard

 

De Duitse schrijfster Gertrud von Le Fort werd geboren in Minden op 11 oktober 1876. Zie ook mijn blog van 11 oktober 2009.en ook mijn blog van 11 oktober 2010.

 

Uit: Prinzessin Christelchen

 

„Nein, danke. Sie können gehen, Erna.“ Die Kammerjungfer entfernte sich knixend, und Prinzessin Christine war allein in dem hellerleuchteten Toilettenzimmer. Sie nahm die weißen Rosen, welche von der Garnitur ihres Kleides übrig geblieben waren, und setzte sie in ein Glas, denn Prinzessin Christine konnte Blumen nicht welken sehen. Dann trat sie noch einmal vor den hohen Kristallspiegel. Es war ein scheuer, beinahe ängstlicher Blick, den sie hinein sandte, und gleich darauf wandte sie sich hastig ab. Es lohnte sich auch wahrhaftig nicht, lange hinein zu blicken. Eine kaum mittelgroße, schmächtige Gestalt, ein blasses, müdes Gesichtchen mit unregelmäßigen, nervösen Zügen, das war alles, was sie sah. Dazu ein schlichtes, weißes Kleid und an der Brust einige große, weiße Rosen, die genau so blass und müde den Kopf hängen ließen, wie die junge Prinzessin. Die Kammerjungfer hatte ihr durchaus noch einige dunkle Granaten ins Haar stecken wollen, aber Prinzessin Christine besaß eine Abneigung gegen lebhafte Farben, da war nichts zu machen gewesen.
Unten am Portal des Schlosses fuhren die ersten Wagen vor. Die kleine Prinzessin hatte sich einen Stuhl ans Fenster gezogen und presste den Kopf gegen die kühlen Scheiben. Wie wunderschön war es doch, hier allein zu sein! Sie hatte das so selten. Horch! Wieder ein Wagen! Neugierig blickte die Prinzessin hinunter. So also sah man ans, wenn man als junges Mädchen zum Ball fuhr! In große Abendmäntel gehüllt, stiegen eben zwei junge Damen in Begleitung einer älteren aus dem Wagen. Im Schein der hellen Lichter vor der Einfahrt des Schlosses konnte Prinzessin Christine ihre Gesichter deutlich erkennen. Die eine sah strahlend aus in froher Erwartung, die andere ein wenig aufgeregt, beinahe ängstlich.

Eben kamen von der anderen Seite mehrere junge Offiziere. Einer von ihnen sprach die Ängstliche an, wahrscheinlich benutzte er das Zusammentreffen, sie gleich um einen Tanz zu bitten. Sie nickte und lächelte - jetzt sah sie nicht mehr ängstlich ans. Es mußte doch ein eigener Reiz darinnen liegen, zum Tanze aufgefordert zu werden. Prinzessin Christine seufzte. Sie durfte ja nur befehlen - ach, immer nur befehlen!“

 

 


Gertrud von Le Fort (11 oktober 1876 - 1 november 1971)

Lees meer...

10-10-11

Ferdinand Bordewijk, Menno Wigman, Jonathan Littell, Eugen Egner, Mercè Rodoreda

 

De Nederlandse schrijver Ferdinand Bordewijk werd geboren op 10 oktober 1884 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Ferdinand Bordewijk op dit blog.

 

Uit: Knorrende beesten

 

„De ondergaande zon der hondsdagen zette de kust in een machtig rood. Het rijkelijk bluschwater der zee doofde dit trotsch tafereel. De nachthitte hing op het land, en de dikke zilte geur van de zee, het parfum van een zware vrouw die ruischt in ondergoed van zij.

Hoog kalkig scheen de parade in lange lijn, van Rigel tot Regulus, en verder tot de haven en de blinde dolkstooten van den vuurtoren. Daarlangs de kleine duistere bars, broeisch geflonker van kleur en geteem van muziek. Hooger de golvende promenade, en hooger weer de terrassen met de hotels, Rigel, Beteigeuze, Mizar, Regulus, en daarin gevat het kleine uiterst selecte blok van Alcor.

Het verkeer op de parade wemelde, zijn toon was beschaafd. Het groot gerucht kwam van de pier.

De pier stak een arm en een vuist ver in zee. Ook daar wemelde het, in een eenvoudiger feestelijkheid. De pier had zich overwelfd met een berceau van roze gloeilicht.

Het groote eindcafé trok zijn burgerlijk silhouet in roze lichtlijnen na en herschiep zich tot een onbeholpen fantasmagorie. Het water weerkaatste het roze in gerekte deining. Een maritieme kanonnade gaf het slagwerk van de militaire kapel. Er werd geroepen, gezongen, gedraafd.

In de keten der kleine bars van de parade was de parkeerplaats een breuk. Aan den ingang was de garage en de service, dit woord in bijtend zilverlicht vóór den muur, dan de effen matheid van het plein van betontegels, afgesloten door een rechten steenwal, waarboven de promenade door een peristyle. Aan de verre andere zijde de kleine steenen cylinder van den parkwachter. Het park lag in het halfduister, zonder eigen verlichting, zijdelings beschenen door het booglicht van de parade.

Het park was vol van kleine, stille dieren. Hun eigenaars zochten vreugde op de pier. De tijd kwam nu van de weeldedieren. Zij liepen langzaam over de parade, met gedempte knorren van gevoede beesten, met het rhythmisch namalen van juist passende tanden in een dichten snuit.“

 

 

 

Ferdinand Bordewijk (10 oktober 1884 – 28 april 1965)

 

Lees meer...