23-02-17

Jo Ypma

 

De Nederlandse schrijfster Johanna Margaretha Wela (Jo) Ypma werd geboren in Haastrecht op 23 februari 1908. Zij groeide op in Haastrecht in een milieu waar de protestantse mystiek van de Zuid-Hollandse polders goed merkbaar was, onder andere via haar grootmoeder die bij het gezin in huis woonde. Ze was de dochter van een hoofdonderwijzer. Ze kreeg een voor haar tijd en milieu vooruitstrevende opvoeding en ging bijvoorbeeld met haar vader naar de Rotterdamse Cineac voor films en wereldnieuws. Ze kreeg een opleiding tot onderwijzeres aan de normaalschool in Zetten, maar ze heeft nooit voor de klas gestaan. Ze ging verhalen schrijven. Haar eerste verhalen werden gepubliceerd in De Rotterdammer, een Rotterdams dagblad dat later zou worden opgenomen in het dagblad Trouw. Ze werd op grond van die publicaties gevraagd de persoonlijke redactrice van Colijn te worden, wat ze deed. In 1937 verhuisde ze naar Zeist. Ze werd de secretaresse van Roel Houwink, de eindredacteur van het christelijk-literaire tijdschrift Opwaartsche wegen en ontmoette langs die weg veel christelijke literatoren als Klaas Heeroma, Wilma Vermaat, Anne de Vries, Klaas Norel, Henk van Randwijk, Kees Rijnsdorp, Willem de Mérode, Rie van Rossum en Gerrit Achterberg. In 1940 keerde ze met haar man Karel van Dorp, die dichter was, terug naar Haastrecht. Samen met haar man heeft ze in de oorlog verzetswerk gedaan. Ze was een "recalcitrante protestant". Haar eerste roman heette “Boven de polder de hemel” (1938), een soort 'boerenroman'. Ze schreef in een mengeling van dialect en algemeen beschaafd Nederlands, net als bijvoorbeeld Herman de Man.

Uit: Miet van Dijk

- En zal de Here Jezus op de bruiloft magge komme, want der bin der zat, die in de kerk trouwe, maar die het Opperwezen niet bij hun bruiloft uitnodige.
Ik kin je vrijer, meid, hij is een dooie christen, en ik mot zegge, hij is dood voor de dood, maar omdat jij ok geen asie leve in je hebt en niet weet wat een Hemansziel is, die nog kerme kin, is dat zo erg niet. Jullie zulle wel goed van leve zijn, maar je mot gekind weze, meid, je mot gekind weze, want nou lijkent het allegaar prachtig en is ter geen vuiltje an de lucht, maar je mot maar is voor de dood komme te staan, zoas je moeder, en dan komt het ter op an, dan mot je meer wete en meer bevinding hebbe, dan mot je niet allenig kinne zegge, dat je naar de kerk gegaan bin, want daar kin een dooje zondaar ook kom me, maar dan mot je gekind en doorgeleid zijn. Je moeder het verstand van kerme, maar die mist de terugstuitende daad, maar jij, ja meid, ik mot mijn eige vrijmake, jij bin zo dood as een pier. En wou ie dan in de hemel komme, bij het volkie?
(…)

Eentonig dreunt de stem van Klaas Geneuchelijk.
- We onderwinden ons om tot je te komen, hoewel we van ons eigen niks niemendal hebbe dan een hoop vodden en todden om bij te brengen.
- En wij, die wurmpjes zijn, hebbe niet met al in te brenge, als dat we door je eeuwig welbehagen es gearresteerd benne geworden, en nou bij tijen en ogenblikkies een liettie op ons weggie moge komme te zien, als je ons weer met woretjes uit je lieve waarheid wil komme heiligen aan onze zielen. Zo heb je je dienstknecht, die nou tot je roept, bepaald bij de waarheid, dat je de jonge dochter, die hier als Martha bezig is met veel dienens... - Miet maakt een onwillekeurige beweging - nou tot een Maria zal laten worden. En dan heb je je knecht erbij bepaald dat deze maagd hem tot een echtvriendin zal worden, want toen hij vanmorgen uit zijn legerstede verrees, kreeg hij het versie van den psalmist waarin de koning komt te zingen, dat de echtvriendin zal bloeien... Miet ziet plotseling, dat Klaas Geneuchelijk tussen de kieren van zijn oogleden naar haar kijkt.
Hij weet dat ik hier sta, dien onterik, denkt ze.
- En Here, toen het uwe dienstknecht zijn kniegies geboge, en gevroege, of ie nog een tekentje wou geve, wie die echtvriendin mocht weze, want het is een stap, Here, een stap die een zondaar van zijn eige niet kin doen, zonder dat tie geleid wordt... en toen ik vanmiddag bij deze broeder en zuster was, en deze Martha het volkie zag dienen, toen heb je mijn bepaald dat deze een uitverkoren vat is.
Miet huivert ervan. Zulke praat doen, as je bidt! Dat is spotten, dat is gruwelijk spotten en hij doet het, omdat hij weet dat ik hier sta."

 

 
Jo Ypma (23 februari 1908 - 19 februari 1986)

18:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jo ypma, romenu |  Facebook |

22-02-17

Arnon Grunberg, Rob Schouten, Ruben van Gogh, Paul van Ostaijen, Hugo Ball, Danilo Kis, Sean O'Faolain, Ishmael Reed, Edna St. Vincent Millay

 

De Nederlandse schrijver Arnon Grunberg werd geboren in Amsterdam op 22 februari 1971. Zie ook alle tags voor Arnon Grunberg op dit blog.

Uit: Moedervlekken

“Kadoke wil aanbellen, maar het gras doet hem aarzelen. Hij pakt de tuinslang en begint de voortuin water te geven, de bomen, de planten, het gazon. De zoon die, zoals dat van hem werd verwacht, psychiater is geworden verzorgt de tuin. Vroeger speelde hij weleens badminton met zijn vader in de voortuin. Die tijd is voorbij, er wordt nu voornamelijk naar het gras gekeken als naar een vertrouwd en toch nog altijd mooi schilderij. Het heeft al bijna tien dagen niet geregend, op het gras zijn gele plekken ontstaan. Jarenlang is het hier goed onderhouden, met liefde is aan deze tuin gewerkt, in elk geval met een volharding en een verantwoordelijkheidsgevoel die niet van liefde te onderscheiden zijn. Doorzettingsvermogen is ook liefde – de weigering om op te geven, de weerzin om te verliezen, om te sterven, allemaal vormen van liefde. Tragisch dat een korte periode van droogte zo’n ravage aanricht.
Het is vroeg in de ochtend maar nu al warm. Een buurvrouw staart naar hem, maar Kadoke doet alsof hij haar niet ziet. Er is niets merkwaardigs aan dit tafereel: de zoon geeft de verdorde tuin water, de goede zoon, de zich om alles en nog wat bekommerende zoon, de zoon die leeft opdat anderen niet hoeven te sterven.
Maar hij kan zich nu juist niet om alles bekommeren, of beter gezegd: zijn zorg leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Dát is het probleem. Hij heeft de meisjes instructies gegeven, sommige heeft hij in het Engels opgeschreven en in de keuken op een kast gehangen en terwijl hij het gras water geeft, begint hij zich af te vragen waarom zijn simpele instructies niet zijn opgevolgd. ‘Please, water the garden when the lawn is dry’; zo moeilijk is dat toch niet te begrijpen? De jonge vrouwen die zijn moeder verzorgen kunnen best tussendoor de tuin besproeien. Zo intensief hoeft moeder ook weer niet in de gaten te worden gehouden, dat er geen tijd meer is voor het gras.
Kadoke weet wie hij is: Otto Kadoke, kalm, toegewijd maar niet té empathisch, dat is slecht voor de kalmte, slecht voor de behandeling, de arts moet niet te nabij komen. De nadruk ligt op de derde lettergreep, het is Kadoké, maar als mensen zijn naam verkeerd uitspreken corrigeert hij hen niet. Wat is een naam? Hooguit een geschiedenis waartoe je je moet verhouden. Ze mogen hem ook ‘dokter’ noemen. Officiële papieren ondertekent hij met O. Kadoke.”

 

 
Arnon Grunberg (Amsterdam, 22 februari 1971)

Lees meer...

21-02-17

Herman de Coninck, Tom van Deel, Jonathan Safran Foer, Hans Andreus, Chuck Palahniuk, Wystan Hugh Auden, Laure Limongi, Aleksej Kroetsjonych, Justus van Effen

 

De Vlaamse dichter, essayist, journalist en tijdschriftuitgever Herman de Coninck werd geboren in Mechelen op 21 februari 1944. Zie ook alle tags voor Herman de Coninck op dit blog.

 

O, ik weet het niet

O ,ik weet het niet,
maar besta, wees mooi.
zeg: kijk, een vogel 
en leer me de vogel zien 
zeg: het leven is een brood 
om in te bijten en de appels zien rood 
van plezier, en nog, en nog, zeg iets.
leer me huilen, en als ik huil 
leer me zeggen: het is niets.

 

 

Les in levenskunst

dromen realiseren is niet zo moeilijk:
je hoeft slechts uit te kijken
wat je droomt.

en een levensbeschouwing hebben.
en het leven niet meer beschouwen.
en gelukkig zijn onder het motto:
als je het leven wil goedvinden,
begin met jezelf.

en later misschien met een tweede
- dat is genoeg.
en dan sticht je een gezin
ongeveer zoals je een vereniging sticht.
je bent tenslotte bij de scouts geweest.

 

 

Voor mekaar

Vroeger hield ik alleen van je ogen.
Nu ook van de kraaienpootjes ernaast.
Zoals er in een oud woord als meedoen
meer gaat dan in een nieuw. Vroeger was er alleen haast

om te hebben wat je had, elke keer weer.
Vroeger was er alleen maar nu. Nu is er ook toen.
Er is meer om van te houden.
Er zijn meer manieren om dat te doen.

Zelfs niets doen is er daar één van.
Gewoon bij mekaar zitten met een boek.
Of niet bij mekaar, in 't café om de hoek.

Of mekaar een paar dagen niet zien
en mekaar missen. Maar altijd mekaar,
nu toch al bijna zeven jaar.

 

 
Herman de Coninck (21 februari 1944 - 22 mei 1997)
Standbeeld in Antwerpen Zoo, onthuld in 2016

Lees meer...

20-02-17

P. C. Boutens, David Nolens, Ellen Gilchrist, Julia Franck, Georges Bernanos, William Carleton, Cornelis Sweerts, Johann Heinrich Voß

 

De Nederlandse dichter Pieter Cornelis Boutens werd geboren in Middelburg op 20 februari 1870. Zie ook alle tags voor P. C. Boutens op dit blog.

 

De ruchtige belijders van een naam

De ruchtige belijders van een naam
Zijn grif ook tot verloochenen bekwaam.
Die `t onuitspreeklijke niet leert verzwijgen,
Verslingert tussen ijdel woordgekraam.

 

Leeuwerik

Blijft gij nooit één blanke uchtend,
Leeuwrik, zingen hier beneên,
Die uw nachtlijk nest ontvluchtend
Door de zilvren neevlen heen

Vleuglings vindt de gouden wegen
Waar uw aadmen juichen wordt,
Tot uw zang in vuren regen
Naar de koele vore stort;

Zingt gij nooit de rode smarten
Van de duistre aardenacht,
Wordt het bloeden onzer harten
Wel gestelpt, maar nooit verklacht?...

In het ijle blauw verloren
Volgt mijn oog niet meer uw vlucht,
Maar uw antwoord dwaast mijn oren
Met zijn zaligend gerucht:

Steeds, uit vreugd of smart gerezen,
Heeft de ziel uw vreugd verstaan,
En tot uwe vreugd genezen,
Ons gemeen geheim geraên:

Alle smart omhooggedragen
Meerdert vreugdes gouden schat:
Slechts de vleuglen die ons schragen,
Zijn van aardes tranen nat.

 

 

Uit: Strofen en andere verzen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe

Achtste strofe

Soms als de nachten zonder sterren zijn,
zwelt door het donker voor mijn slaaplooze oogen
een groote trage hartstochtsombre maan
en schijnt de stille wereld schemerleêg
met lichteloozen violetten gloed
en drenkt mijn weerloos hart in zwoele wanhoop
van namelooze pijnen. Want ik voel
in elken nieuwen straal die mij bestelpt,
den blik van telkens andre lang vergeten
oogen die eens vergeefs mijn liefde vroegen,
en ademkorte ontmoetingen nooit herdacht
doen éen voor éen als sombre bloemen open
haar onvergeetlijke beteekenis...
Zóo in den vollen beker van geluk
mengt liefde voor het hart dat haar belijdt
als soeverein, zijn onontkoombaar deel
van levens bitterheid, leed zoo ondraaglijk
als peilloos schoon en goddelijk noodwendig,
en leidt het binnen in haar groot heelal,
de wereld van haar onverklaard geheim
waar in de duizellichte oneindigheid
hoogheerelijke willekeur bestelt
volkomen, ondoorgrondlijk evenwicht,
en ieder onverminderd schuldig blijft
ook wat hij anderen onthouden moet.

 

 
Pieter Cornelis Boutens (20 februari 1870 – 14 maart 1943)
Portert door door Max von Seydewitz, 1923

Lees meer...

19-02-17

J.M.A. Biesheuvelprijs voor Maarten 't Hart

 

J.M.A. Biesheuvelprijs voor Maarten 't Hart

De Nederlandse schrijver Maarten 't Hart heeft de J.M.A. Biesheuvelprijs gewonnen voor de beste bundel korte verhalen. Hij ontvangt de prijs voor ‘De moeder van Ikabod’. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden dat volledig door crowdfunding bij elkaar is gebracht. Dit jaar gaat het om 5105 euro en 70 cent. De prijs werd zondag voor de derde keer uitgereikt. In 2015 won Rob van Essen, in 2016 Marente de Moor. Maarten 't Hart werd geboren op 25 november 1944 in Maassluis. Zie ook alle tags voor Maarten ’t Hart op dit blog en voor M. 't Hart evenals mijn blogs van 25 november 2010 en eerder.

Uit: De moeder van Ikabod

 ‘En stipt om één minuut over half drie reed onze bakker Stoof Schelvisvanger, psalmzingend de straat in. Hij was van onze kerk. Bij alle gereformeerden bezorgde hij aan huis brood en banket. In onze straat bediende hij nog één ander gereformeerd gezin. Bij ons belde hij het eerst aan en slofte dan neuriënd terug naar zijn kar en haalde daar een melkwit en een vloerbruin. Wij kregen dat aangereikt (‘zaterdag betalen’) en vervolgens reed hij door naar de familie Marchand. Daar leverde hij acht regeringswit af.’
(…)

‘Ik was daar nog net op tijd voor iets wat ik niet graag gemist zou hebben. Op het moment namelijk dat ik de deur opende, greep de transpirerende dominee met beide handen vlak achter haar schouders haar toga op twee plaatsen vast en trok hem toen met één vloeiende beweging over haar hoofd. Ze had het vaker gedaan, dat was duidelijk, want het ging zo snel, zo behendig, ik keek mijn ogen uit. (…) . En toen stond ze daar, die Ilonka de Priester, in een lichtblauw mouwloos hemdje en een zwart kokerrokje, waaronder lange gebruinde, van zweet vochtig glinsterende benen afdaalden naar sandaaltjes die voornamelijk uit dunne riempjes waren opgetrokken.’

 

 
Maarten ’t Hart (Maassluis, 25 november 1944)

Siri Hustvedt, Helen Fielding, Jaan Kross, Helene Hegemann, Björn Kuhligk, Thomas Brasch, Dmitri Lipskerov, Wolfgang Fritz, Herbert Rosendorfer

 

De Amerikaanse schrijfster en essayiste Siri Hustvedt werd geboren op 19 februari 1955 in Northfield, Minnesota. Zie ook alle tags voor Siri Hustvedt op dit blog.

Uit:What I Loved

« Yesterday, I found Violets letters to Bill. They were hidden between the pages of one of his books and came tumbling out and fell to the floor. I had known about the letters for years, but neither Bill nor Violet had ever told me what was in them. What they did tell me was that minutes after reading the fifth and last letter, Bill changed his mind about his marriage to Lucille, walked out the door of the building on Greene Street, and headed straight for Violet's apartment in the East Village. When I held the letters in my hands, I felt they had the uncanny weight of things enchanted bystories that are told and retold and then told again. My eyes are bad now, and it took me a long time to read them, but in the end I managed to make out every word. When I put the letters down, I knew that I would start writing this book today.
"While I was lying on the floor in the studio," she wrote in the fourth letter, "I watched you while you painted me. I looked at your arms and your shoulders and especially at your hands while you worked on the canvas. I wanted you to turn around and walk over to me and rub my skin the way you rubbed the painting. I wanted you to press hard on me with your thumb the way you pressed on the picture, and I thought that if you didn't, I would go crazy, but I didn't go crazy, and you never touched me then, not once. You didn't even shake my hand."
I first saw the painting Violet was writing about twenty-five years ago in a gallery on Prince Street in SoHo. I didn't know either Bill or Violet at the time. Most of the canvases in the group show were thin minimalist works that didn't interest me. Bill's painting hung alone on a wall. It was a large picture, about six feet high and eight feet long, that showed a young woman lying on the floor in an empty room. She was propped up on one elbow, and she seemed to be looking at something beyond the edge of the painting. Brilliant light streamed into the room from that side of the canvas and illuminated her face and chest."

 

 
Siri Hustvedt (Northfield, 19 februari 1955)

Lees meer...

Carson McCullers, Alfredo Bryce Echenique, Kay Boyle, Yuri Olesha, André Breton, Paul Zech, Mark Prager Lindo, Heinrich L. Wagner

 

De Amerikaanse schrijfster Carson McCullers werd geboren als Lula Carson Smith 19 februari 1917 in Columbus, Georgia. Zie ook alle tags voor Carson McCullers op dit blog.

Uit: The Heart is a Lonely Hunter

“They shared the upstairs of a small house near the business section of the town. There were two rooms. On the oil stove inthe kitchen Antonapoulos cooked all of their meals. There were straight, plain kitchen chairs for Singer and an overstuffed sofa for Antonapoulos. The bedroom was furnished mainly with a large double bed covered with an eiderdown comforter for the big Greek and a narrow iron cot for Singer.
Dinner always took a long time, because Antonapoulos loved food and he was very slow. After they had eaten, the big Greek would lie back on his sofa and slowly lick over each one of his teeth with his tongue, either from a certain delicacy or because he did not wish to lose the savor of the meal — while Singer washed the dishes.
Sometimes in the evening the mutes would play chess. Singer had always greatly enjoyed this game, and years before he had tried to teach it to Antonapoulos. At first his friend could not be interested in the reasons for moving the various pieces about on the board. Then Singer began to keep a bottle of something good under the table to be taken out after each lesson. The Greek never got on to the erratic movements of the knights and the sweeping mobility of the queens, but he learned to make a few set, opening moves. He preferred the white pieces and would not play if the black men were given him. After the first moves Singer worked out the game by himself while his friend looked on drowsily. If Singer made brilliant attacks on his own men so that in the end the black king was killed, Antonapoulos was always very proud and pleased.”

 


Carson McCullers (19 februari 1917 - 29 september 1967)
Portret door Emanuel Romano, ca. 1949

Lees meer...

18-02-17

Nick McDonell, Robbert Welagen, Bart FM Droog, Maarten Mourik, Huub Beurskens, Gaston Burssens, Toni Morrison, Elke Erb, Charlotte Van den Broeck

 

De Amerikaanse schrijver Nick McDonell werd geboren op 18 februari 1984 in New York. Zie ook alle tags voor Nick McDonell op dit blog.

Uit: The Third Brother

“Mike tries to decode this and can't. Analect tells him again to stay out of trouble and that Bishop will take care of him. It seems to Mike that Bishop is pleased to have the help, but that there is more to it. When they are leaving the office, Analect tells Mike to wait for a moment, and when they are alone, he tells Mike that Dorr had been a friend of Mike's father, years ago. That they had all been good friends, actually, the three of them practically brothers, and that Mike's father would be glad for news of Dorr.
Mike looks out the window. He notices for the first time how really extraordinary the view from Analect's office is. Mike can see the whole city, enormous and smogged and throbbing. For a moment he can't believe the sound of it doesn't blow in the windows. But Analect's office sits quietly above it all, humming coolly. Mike is suddenly uneasy, with only the inch of glass between the two of them and the loud, empty space above the city. He looks back at Analect, who is frowning.
"Dorr and your father were sparring partners, when they boxed back in college," says Analect.
Mike looks back out over the city. He knew about the boxing, but his father had never mentioned Dorr. It all surprises him, but maybe it's just seeing his own features reflected in the glass, and the long drop to Hong Kong from fifty stories up.
When Mike was a small boy, his parents often entertained. In New York City in their world, they were famous for the dinners they gave in their big beach house at the end of Long Island, especially Thanksgiving. Mike remembered the candlelight and gluey cranberry sauce, which he would wipe off his hands into his hair. His older brother, Lyle, remembered the same things. There were servants, who disciplined Mike when his parents did not. One Filipino lady in particular boxed his ears. When he was older he remembered how it hurt but not her name. Their parents gave these dinners several years in a row. There were mostly the same guests, adults who would tousle Mike's fine but cranberried hair, and their children, a crew of beautiful, spoiled playmates whom Mike assumed he would know forever. He still saw some of them, at parties and dinners of their own on school breaks. At hearing that one or two of them had slid into addiction, Mike would remember chasing them through his mother's busy kitchen. His mother was never in the kitchen, of course, but it was definitely hers. Small paintings of vegetables and an antique mirror hung on its walls.”

 

 
Nick McDonell (New York, 18 februari 1984)

Lees meer...

Níkos Kazantzákis, Jean M. Auel, Mór Jókai, Hedwig Courths-Mahler, Alexander Kielland, Audre Lorde, Wallace Stegner, Leone Battista Alberti

 

De Griekse dichter en schrijver Níkos Kazantzákis werd geboren in Heraklion op 18 februari 1883. Zie ook alle tags voor Níkos Kazantzákis op dit blog.

Uit: The Odyssey (Vertaald door Kimon Friar)

O Sun, my quick coquetting eye, my red-haired hound,
sniff out all quarries that I love, give them swift chase,
tell me all that you've seen on earth, all that you've heard,
and I shall pass them through my entrails' secret forge
till slowly, with profound caresses, play and laughter,
stones, water, fire, and earth shall be transformed to spirit,
and the mud-winged and heavy soul, freed of its flesh,
shall like a flame serene ascend and fade in sun.

You've eaten and drunk well, my lads, on festive shores,
until the feast within you turned to dance and laughter,
love-bites and idle chatter that dissolved in flesh;
but in myself the meat turned monstrous, thewine rose,
a sea-chant leapt within me, rushed to knock me down,
until I longed to sing this song- make way, my brothers!
Oho, the festival lasts long, the place is small;
make way, let me have air, give me a ring to stretch in,
a place to spread my shinbones, kick up my heels,
so that my giddiness won't wound your wives and children.
As soon as I let my words loose along the shore
to hunt all mankind down, I know they'll choke my throat,
and when my full neck smothers and my pain grows vast
I shall rise up- make way!- to dance on raging shores.

 

 
Níkos Kazantzákis (18 februari 1883 - 26 oktober 1957)

Lees meer...

17-02-17

Shahrnush Parsipur, Willem Thies, Sadegh Hedayat, Yevgeni Grishkovetz, Albert Kuyle

 

De Iraanse schrijfster Shahrnush Parsipur werd geboren op 17 februari 1946 in Teheran. Zie ook alle tags voor Shahrnush Parsipur op dit blog.

Uit: Frauen ohne Männer (Vertaald door Jutta Himm

ch)

„Der Garten, von Mauern aus Lehmstroh umgeben, saftig grün, lag jenseits des Dorfes, am Fluß, der das Grundstück begrenzte. Es war ein Kirschgarten, mit sauren und süßen Kirschen.
Auf dem Grundstück stand ein Wohngebäude, halb Land-, halb Stadthaus, mit drei Zimmern. Vor dem Haus befand sich ein Wasserbecken, voller Algen und Frösche. Rings um das Bassin war Kies gestreut, und unweit standen vereinzelte Weidenbäume. Nachmittags lag das dunkle Grün des Wassers mit dem hellen Grün der sich spiegelnden Weiden immer in lautlosem Wettstreit. Mahdokhtstimmte dasjedesmaltraurig,weilsieStreiterei überhaupt nicht mochte. Einfach und unkompliziert wie sie war,wünschte sie, alle und alles sollten sich miteinander vertragen, selbst die Myriaden von Grüntönen dieser Welt. So ruhige Farben, gewiß, und doch . . ., dachte sie.
Unter einem der Bäume stand, mit zweien ihrer vier Beine auf der Einfassung des Beckenrands, eine Bank, die auf dem glitschigen Untergrund jederzeit ins Wasser rutschen konnte. Auf dieser Bank saß Mahdokht und betrachtete das Wasser, die Spiegelbilder der Weiden in ihrem Streit, und das Blau des Himmels, das sich meist nachmittags machtvoll über diesem grünen Reigen erhob und Mahdokht wie der höchste Richter vorkam.
Wenn Mahdokht im Winter strickte oder erwog, Französisch zu lernen oder die Welt zu bereisen, dann deshalb, weil man in der Kälte gesunde Luft atmen konnte. Im Sommer hingegen war’s damit vorbei. Denn der Sommer war voller Rauch und Dunst und Staub, und es wimmelte von Autos und Menschen. Dazu diese großen, traurigen Fensterscheiben, die die stechende Sonne hereinließen.
Warum, zum Teufel, begreifen sie nicht, daß solche Fenster in unserem Land nichts taugen?
Das fragte sich Mahdokht und war auch deshalb schlecht gelaunt, weil sie der Einladung ihres älteren Bruders Huschang Khan notgedrungen gefolgt und hierher in den Garten gekommen war, wo ihr nun nichts anderes übrigblieb, als den Lärm der Kinder zuertragen,die den lieben langen Tag Geschrei machten, sich die Bäuche mit Kirschen vollschlugen, allabendlich Durchfall bekamen und nächtelang Joghurt aßen.
»Das ist Joghurt aus dem Dorf.«
»Ausgezeichnet, ja.«

 

 
Shahrnush Parsipur (Teheran, 17 februari 1946)

Lees meer...

Chaim Potok, Mo Yan, Frederik Hetmann, Emmy Hennings, Mori Ōgai

 

De Amerikaanse schrijver Chaim Potok werd geboren in New York City op 17 februari 1929. Zie ook alle tags voor Chaim Potok op dit blog.

Uit: The Chosen

“On a Sunday afternoon in early June, the fifteen members of my team met with our gym instructor in the play yard of our school. It was a warm day, and the sun was bright on the asphalt floor of the yard. The gym instructor was a short, chunky man in his early thirties who taught in the mornings in a nearby public high school and supplemented his income by teaching in our yeshiva during the afternoons. He wore a white polo shirt, white pants, and white sweater, and from the awkward way the little black skullcap sat perched on his round, balding head, it was clearly apparent that he was not accustomed to wearing it with any sort of regularity. When he talked he frequently thumped his right fist into his left palm to emphasize a point. He walked on the balls of his feet, almost in imitation of a boxer’s ring stance, and he was fanatically addicted to professional baseball. He had nursed our softball team along for two years, and by a mixture of patience, luck, shrewd manipulations during some tight ball games, and hard, fist-thumping harangues calculated to shove us into a patriotic awareness of the importance of athletics and physical fitness for the war effort, he was able to mold our original team of fifteen awkward fumblers into the top team of our league. His name was Mr. Galanter, and all of us wondered why he was not off somewhere fighting in the war.
During my two years with the team, I had become quite adept at second base and had also developed a swift underhand pitch that would tempt a batter into a swing but would drop into a curve at the last moment and slide just below the flaying bat for a strike. Mr. Galanter always began a ball game by putting me at second base and would use me as a pitcher only in very tight moments, because, as he put it once, “My baseball philosophy is grounded on the defensive solidarity of the infield.”
That afternoon we were scheduled to play the winning team of another neighborhood league, a team with a reputation for wild, offensive slugging and poor fielding. Mr. Galanter said he was counting upon our infield to act as a solid defensive front. Throughout the warm-up period, with only our team in the yard, he kept thumping his right fist into his left palm and shouting at us to be a solid defensive front."

 

 
Chaim Potok (17 februari 1929 – 23 juli 2002)

Lees meer...

Jaroslav Vrchlický

 

De Tsjechische dichter en schrijver Jaroslav Vrchlický (eig. Emilius Jakob Frida) werd geboren op 17 februari 1853 in Louny, Bohemen. Hij woonde tien jaar bij zijn oom, een pastor in de buurt van Keulen. Hier volgde hij de eerste jaren van de basisschool. Hij doorliep vanaf 1862 de gymnasia in Slaný, in Praag en deed eindexamen in 1872 in Klatovy. In de voetsporen van zijn oom bezocht hij na zijn eindexamen het seminarie van de Praagse aartsbisschop, maar in 1873 stapte hij over naar de Faculteit der Letteren van de Karelsuniversiteit in Praag, waar hij geschiedenis, filosofie en Romaanse filologie studeerde. Zijn eerste literaire werk werd gedrukt door de uitgeefster Sofia Podlipská. In Praag sloot hij vriendschappen met Zikmund Winter, Josef Vaclav Sladek en Alois Jirasek. Zij vormden de groep Lumírovců. Vanaf 1875 werkte hij als secretaris en docent van de zonen van de adellijke familie Montecuccoli-Laderchi, eerst in Merano in de buurt van Modena, en later Livorno. Op voorspraak van Leopold graaf von Thun und Hohenstein werd hij in 1877 benoemd tot secretaris van de Tsjechisch Praagse Polytechnische Hogeschool. In 1901 werd hij samen met Antonin Dvorak geridderd, en de Oostenrijkse keizer Franz Joseph I benoemde hem tot lid van de Eerste Kamer van de Keizerlijke Raad in Wenen. Vrchlický verdedigde de eis van het algemeen kiesrecht. In 1893 werd hij benoemd tot hoogleraar in de Europese literatuur aan de Karelsuniversiteit. Hij was ook een lid van de Tsjechische Academie van Wetenschappen en Kunsten. Vrchlický schreef naast lyrische ook epische poëzie, toneelstukken, proza ​​en literaire essays en vertaalde op grote schaal uit diverse talen, bijv. Dante, Goethe, Shelley, Baudelaire, Poe en Whitman in het Tsjechisch. Hij was één van de belangrijkste stemmen van het tijdschrift Lumír en werd acht keer voor de Nobelprijs voor de Literatuur genomineerd.

 

The Tree Of Life

Walt Whitman watched Louisiana’s blooming.
I in Bohemia see it – God’s own verve!
The same expanse and filled with joy consuming,
same joy in hundreds of its offshoots zooming,
same yearning arms and hearts and lips observe!

The tree of life! — I bare my head in wonder
and lift my arms and hands up high in praise;
may Dawn bedeck it with her golden splendour,
may rosy morn up-flare, its glory render,
may Night with its own shade protect its gaze!

Something about it, constant, ever living,
to sing for one the dying pressing dream,
a hundred blossoms blaze for one less giving…
Oh wondrous, arcane mysteries conceiving!
A beehive in its boughs to hear you seem!

Lo, from the faded, fresh new leaves are burgeoning,
life’s one incessant constant revelry!
Yours there to read in leaves e'er freshly surging,
pure life, in strands you see in weave emerging
all round carousing, graceful, orderly!

And in its shade a hundredfold embracing,
and in its branches birdsong never fails,
a hundred kissing mouths, arms interlacing,
“We’re happy!” blend a thousand voices, facing,
and here a child, and there a bloom exhales!

Walt Whitman saw Louisiana’s budding,
I in Bohemia see it, home, out call,
I sing my song with boughs outstretched and leading
with faith in Joy, Love, Life and Fortune’s bidding…
Oh, happy tree of life, our joy, grow tall!

 

Vertaald door Václav Z J Pinkava

 

 
Jaroslav Vrchlický (17 februari 1853 - 9 september 1912)
Portret door Jan Vilímek

18:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jaroslav vrchlický, romenu |  Facebook |

Jack Gilbert

 

De Amerikaanse dichter Jack Gilbert werd geboren in Pittsburgh op 17 februari 1925. Na de middelbare school werkte hij als colporteur, ongedierteverdelger en staalarbeider. Zijn interesse voor poëzie en schrijven ontwikkelde hij aan de Universiteit van Pittsburgh, samen met zijn klasgenoot Gerald Stern. Gilbert kreeg met zijn eerste gedichtenbundel “Views of Jeopardy” in 1962 al spoedig erkenning en hij kreeg veel aandacht van de media. Toch trok hij zich terug uit zijn eerdere activiteiten in de poëzie scene van San Francisco poetry en vertrok naar Europa. Daar reisde hij van land naar land reisde en leefde van een Guggenheim Fellowship beurs. Bijna zijn gehele carrière na de publicatie van zijn eerste bundel is gekenmerkt door een, zoals hij in interviews heeft omschreven, zelf-opgelegd isolement. Sommigen zien hierin een spirituele zoektocht en zijn vervreemding van de hoofdstroom van de Amerikaanse cultuur. Anderen doen dit af als een langdurig verblijf als “professioneel gast des huizes” op kosten van welgestelde Amerikaanse literaire bewonderaars. Na het debuut verschenen nog maar een paar andere gedichtenbundels en dat met grote tussenpozen. Gilbert bleef echter schrijven. Tussen zijn boeken door leverde hij bij gelegenheid bijdragen aan The American Poetry Review, Genesis West, The Quarterly, Poetry, Ironwood, The Kenyon Review en The New Yorker. Zijn werk werd onderscheiden met een groot aantal prijzen en nominaties. Jack Gilbert is goed bevriend met de dichteres Linda Gregg, een van zijn vroegere studenten, met wie hij 6 jaar getrouwd was. Ook was hij getrouwd met Michiko Nogami, die het onderwerp vormt van veel van zijn gedichten. Gedurende de jaren vijftig van de 20e eeuw had Gilbert in San Francisco een langdurige relatie met de Beat dichteres Laura Ulewicz. Gilbert leed zijn laatste jaren aan dementie en overleed op 87-jarige leeftijd in een verzorgingstehuis in Berkeley.

 

Searching For Pittsburgh

The fox pushes softly, blindly through me at night,
between the liver and the stomach. Comes to the heart
and hesitates. Considers and then goes around it.
Trying to escape the mildness of our violent world.
Goes deeper, searching for what remains of Pittsburgh
in me. The rusting mills sprawled gigantically
along three rivers. The authority of them.
The gritty alleys where we played every evening were
stained pink by the inferno always surging in the sky,
as though Christ and the Father were still fashioning the Earth.
Locomotives driving through the cold rain,
lordly and bestial in their strength. Massive water
flowing morning and night throughout a city
girded with ninety bridges. Sumptuous-shouldered,
sleek-thighed, obstinate and majestic, unquenchable.
All grip and flood, mighty sucking and deep-rooted grace.
A city of brick and tired wood. Ox and sovereign spirit.
Primitive Pittsburgh. Winter month after month telling
of death. The beauty forcing us as much as harshness.
Our spirits forged in that wilderness, our minds forged
by the heart. Making together a consequence of America.
The fox watched me build my Pittsburgh again and again.
In Paris afternoons on Buttes-Chaumont. On Greek islands
with their fields of stone. In beds with women, sometimes,
amid their gentleness. Now the fox will live in our ruined
house. My tomatoes grow ripe among weeds and the sound
of water. In this happy place my serious heart has made.

 

Divorce

Woke up suddenly thinking I heard crying.
Rushed through the dark house.
Stopped, remembering. Stood looking
out at bright moonlight on concrete.

 

 
Jack Gilbert (17 februari 1925 – 13 november 2012)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jack gilbert, romenu |  Facebook |

16-02-17

Gelukkige liefde (Wislawa Szymborska)

 

Dolce far niente - Bij een Diamanten Huwelijk

 

 
Der alte Charmeur door Emil Rudolf Weiß (1875 – 1942)

 

 

Gelukkige liefde

Gelukkige liefde. Is dat normaal,
verdient dat respect, heeft dat nut-
wat moet de wereld met twee mensen
die voor elkaar de hele wereld zijn?

Zonder enige verdienste tot elkaar verheven,
stom toevallig twee uit een miljoen
en er toch van overtuigd
dat het zo moest gaan – als beloning waarvoor?
Voor niets;
het licht valt nergens vandaan –
waarom juist op hen, en niet op anderen?
Is dat kwetsend voor ons rechtsgevoel?
– Jazeker.
Schendt dat onze zorgvuldig opgeworpen principes,
stoot het de moraal van zijn top?
– Het een zowel als het ander.

Kijk eens naar het gelukkige stel:
als ze zich nu een beetje inhielden,
om hun vrienden te sterken
neerslachtigheid voorgaven!
Hoor eens hoe ze lachen – aanstootgevend.
Wat voor taal ze bezigen – alleen in schijn begrijpelijk.
En dan al die vormelijkheden, poespas,
die subtiele verplichtingen jegens elkander –
het lijkt wel een komplot achter de mensheid om!

Je kunt nauwelijks voorzien waartoe dit zou leiden,
als hun voorbeeld nagevolgd kon worden.
Waarop zouden poëzie, religie nog kunnen hopen,
wat zou men respecteren, wat nalaten,
wie zou in de kring willen blijven.

Gelukkige liefde? Is dat echt nodig?
Tact en gezond verstand gebieden ons erover te zwijgen
als over een schandaal in Hogere Sferen.
Prachtige kindertjes worden zonder haar hulp geboren.
Nimmer zou ze de aarde kunnen bevolken,
ze komt immers maar zo zelden voor.

Laat de mensen die geen gelukkige liefde kennen
maar volhouden dat er nergens gelukkige liefde is.
Met dat geloof valt het hun lichter te leven, en te sterven.

 

Vertaald door Gerard Rasch

 

 
Wislawa Szymborska (2 juli 1923 – 1 februari 2012)
Bnin (Kórnik). Wislawa Szymborska werd geboren in Bnin.

Lees meer...