18-12-16

Weihnachtsbäume (Gustav Falke)

 

Bij de vierde zondag van de Advent

 

 
The Christmas Tree door Elizabeth Forbes (1859–1912)

 

 

Weihnachtsbäume

Nun kommen die vielen Weihnachtsbäume
aus dem Wald in die Stadt herein.
Träumen sie ihre Waldesträume
wieder beim Laternenschein?

Könnten sie sprechen! Die holden Geschichten
von der Waldfrau, die Märchen webt,
was wir uns erst alles erdichten,
sie haben das alles wirklich erlebt.

Da steh'n sie nun an den Straßen und schauen
wunderlich und fremd darein,
als ob sie der Zukunft nicht trauen,
es muß doch was im Werke sein!

Freilich, wenn sie dann in den Stuben
im Schmuck der hellen Kerzen stehn,
und den kleinen Mädchen und Buben
in die glänzenden Augen sehn.

Dann ist ihnen auf einmal, als hätte
ihnen das alles schon mal geträumt,
als sie noch im Wurzelbette
den stillen Waldweg eingesäumt.

Dann stehen sie da, so still und selig,
als wäre ihr heimlichstes Wünschen erfüllt,
als hätte sich ihnen doch allmählich
ihres Lebens Sinn enthüllt;

Als wären sie für Konfekt und Lichter
vorherbestimmt, und es müßte so sein,
und ihre spitzen Nadelgesichter
sehen ganz verklärt darein.

 

 
Gustav Falke (11 januari 1853 - 8 februari 1916)
Lübeck in de Kersttijd. Gustav Falke werd geboren in Lübeck.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 18e december ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

10:02 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: advent, gustav falke, romenu |  Facebook |

A. M. Homes, Mazarine Pingeot, Viktor Rydberg, Miles Marshall Lewis

 

De Amerikaanse schrijfster Amy Michael Homes werd geboren op 18 december 1961 in Washington DC. Zie ook alle tags voor A. M. Homes op dit blog.

Uit: Vergeef ons (Gerda Baardman en Wim Scherpenisse)

“Wil je mijn recept voor rampspoed?
De waarschuwing: vorig jaar, Thanksgiving bij hen thuis. Twintig, dertig mensen aan tafeltjes die vanuit de eetkamer de zitkamer in zwermden en bij het pianobankje abrupt ophielden. Hij zat aan het hoofd van de grote tafel stukjes kalkoen tussen zijn tanden uit te peuteren en over zichzelf te praten. Ik bleef naar hem kijken terwijl ik met dienbladen heen en weer liep tussen de keuken en de eetkamer, en mijn vingertoppen in allerlei onbenoembare troep terechtkwamen: cranberrysaus, zoete aardappelen, een koud zilveruitje, kraakbeen. Bij elk tripje van de eetkamer naar de keuken haatte ik hem meer. Elke zonde uit onze jeugd, te beginnen met zijn geboorte, kwam weer terug. Hij kwam elf maanden na mij ter wereld, meteen al ziekelijk – zuurstoftekort tijdens de bevalling – en daardoor heeft hij veel te veel aandacht gekregen. Ik heb herhaaldelijk geprobeerd hem duidelijk te maken hoe afschuwelijk hij is, maar hij blijft zich gedragen alsof hij een geschenk van de goden aan de mensheid is. Ze noemden hem George. Hij werd graag Geo genoemd, want dat klonk interessant, wetenschappelijk, wiskundig, analytisch. Ik noemde hem Geode, sedimentair gesteente. Zijn bovennatuurlijke zelfvertrouwen en zijn goddelijk arrogante hoofd met de blonde, rechtopstaande plukken haar trokken de aandacht, maakten de indruk dat hij iets wist. Mensen vroegen zijn mening, wilden dat hij met hen meedeed, maar ik heb zijn charme nooit gezien. Tegen de tijd dat we respectievelijk tien en elf waren, was hij langer dan ik, breder, sterker. ‘Weet je wel zeker dat hij niet van de slager is?’ vroeg mijn vader weleens voor de grap. Dan lachte niemand.
Ik liep af en aan met zware schalen, borden en aangekoekte ovenschotels, en niemand merkte dat er hulp nodig was, George niet en ook zijn twee kinderen niet, of zijn belachelijke vrienden die eigenlijk zijn werknemers zijn, onder wie een jonge weervrouw en diverse nieuwslezers, zowel mannelijk als vrouwelijk, die stijf rechtop zaten met hun Ken- en Barbie-haar strak in de lak, en ook mijn Chinees-Amerikaanse vrouw Claire niet, die een hekel aan kalkoen had en nooit naliet ons eraan te herinneren dat een feestmaal in haar familie uit geroosterde eend met kleefrijst bestond. George’ vrouw, Jane, had de hele dag gekookt, schoongemaakt en eten opgediend, en stond nu botjes en etensrestjes van de borden en schalen in een gigantische vuilnisbak te schrapen.”

 

 
A. M. Homes (Washington DC, 18 december 1961)

Lees meer...

Saki, Christopher Fry, Thomas Strittmatter, Gatien Lapointe, Heinrich Smidt

 

De Birmees - Britse schrijver Saki (pseudoniem van Hector Hugh Munro, een naam gekozen uit de Rubaiyat van Omar Khayyam) werd geboren op 18 december 1870 in Akyab, Birma. Zie ook alle tags voor Saki op dit blog.

Uit: The toys of peace

"What does he do?" asked Eric wearily.
"He sees to things connected with his Department," said Harvey. "This box with a slit in it is a ballot-box. Votes are put into it at election times."
"What is put into it at other times?" asked Bertie.
"Nothing. And here are some tools of industry, a wheelbarrow and a hoe, and I think these are meant for hop-poles. This is a model beehive, and that is a ventilator, for ventilating sewers. This seems to be another municipal dust-bin -- no, it is a model of a school of art and public library. This little lead figure is Mrs. Hemans, a poetess, and this is Rowland Hill, who introduced the system of penny postage. This is Sir John Herschel, the eminent astrologer."
"Are we to play with these civilian figures?" asked Eric.
"Of course," said Harvey, "these are toys; they are meant to be played with."
"But how?"
It was rather a poser. "You might make two of them contest a seat in Parliament," said Harvey, "and have an election --"
"With rotten eggs, and free fights, and ever so many broken heads!" exclaimed Eric.
"And noses all bleeding and everybody drunk as can be," echoed Bertie, who had carefully studied one of Hogarth's pictures.
"Nothing of the kind," said Harvey, "nothing in the least like that. Votes will be put in the ballot-box, and the Mayor will count them -- and he will say which has received the most votes, and then the two candidates will thank him for presiding, and each will say that the contest has been conducted throughout in the pleasantest and most straightforward fashion, and they part with expressions of mutual esteem. There's a jolly game for you boys to play. I never had such toys when I was young."
"I don't think we'll play with them just now," said Eric, with an entire absence of the enthusiasm that his uncle had shown; "I think perhaps we ought to do a little of our holiday task. It's history this time; we've got to learn up something about the Bourbon period in France."

 

 
Saki (18 december 1870 – 14 november 1916)
Cover 

Lees meer...

17-12-16

Ronald Giphart, Yvonne Keuls, Jón Kalman Stefánsson, Frank Martinus Arion, Paul Snoek

 

De Nederlandse schrijver Ronald Giphart werd geboren op 17 december 1965 in Dordrecht. Zie ook alle tags voor Ronald Giphart op dit blog.

Uit: Lieve

“Uitgerekend op de eerste draaidag van Lieve moesten ze de scène spelen waar ze beiden het meest tegen opzagen. Overigens zonder dat ze dat van elkaar wisten. Zelfs zonder dat ze elkaar persoonlijk kenden. Ze woonden al twee jaar in dezelfde stad, waar ze dezelfde winkels, koffiehuizen, feesten en premières bezochten. Achteraf gezien was het vreemd dat ze elkaar nooit tegen het lijf waren gelopen in de nachtkroegen waar ze met hun collega’s na afloop van voorstellingen en opnames samenschoolden. Dat ze elkaar niet kenden voelde later als een hoger ingrijpen. Het moest zo zijn, hun ontmoeting. Althans, dat vond hij.
Uiteraard had zij Bison gezien in Vertedering, de Nederlandse Oscarinzending waarin hij de hoofdrol speelde van een filosofische postkamermedewerker die tijdens zijn lunchpauze een doos met kittens had gevonden. Het was zijn grote doorbraak, en natuurlijk spraken ook zijn uiterlijk en bijzondere voornaam bij het grote publiek tot de verbeelding. Zijn ouders — jong in de jaren tachtig — hadden de naam Bison voor hem gekozen omdat hij was verwekt op doortocht over de prairies van Amerika. ‘Bison blijft plakken’, kopte Vice bij de juichrecensie van zijn debuutrol. Sindsdien werd hij door meisjes- en vrouwenbladen genoemd in lijstjes met cuties en begeerlijke vrijgezellen. Een foto van Bison van Beerschot gezeten in zijn sierlijke zwarte Triumph cabrio uit 1967 — een sportwagentje dat hij zichzelf had toegestaan na het succes van Vertedering — was dat jaar de meestbekeken foto van een Nederlandse acteur, aldus een onderzoeksbureau dat dit soort zaken bijhield (of verzon).
Op zijn beurt kende hij Liv Minnema eigenlijk niet, behalve haar gezicht en naam. Ze was het model van een opvallende mascarareclame en hij wist dat ze was vernoemd naar Liv Ullmann. ‘De Nederlandse Liv’ werd ze in de Volkskrant betiteld. Toen ze de naam bedacht had haar moeder uiteraard niet kunnen vermoeden dat haar dochter daadwerkelijk uiterlijke overeenkomsten met Ingmar Bergmans lievelingsactrice zou delen. De uiteenlopende rollen die Liv bij Het Zuidwestelijk had gespeeld, waren door kenners lovend besproken. Bison had geen van haar voorstellingen gezien. Met enige afgunst had hij gelezen dat Liv werd getipt voor de tweejaarlijkse Jonge Toneelturk, een ereprijs die hij niet had gekregen toen zijn naam een paar jaar geleden rondging.”

 

 
Ronald Giphart (Dordrecht, 17 december 1965)

Lees meer...

Hans Henny Jahnn, Jules de Goncourt, Ford Madox Ford, Penelope Fitzgerald, Alphonse Boudard

 

De Duitse schrijver Hans Henny Jahnn werd geboren op 17 december 1894 in Hamburg.Zie ook alle tags voor Hans Henny Jahn op dit blog.

Uit: Werke und Tagebücher

"Seit Tagen wieder habe ich einen Spaziergang gemacht, um mich zu beruhigen. Nebel verhüllte die Landschaft. Allmählich löste sich Regen daraus. Ich ging wie im Traum. Ich kenne diesen Zustand aus der Norweger Zeit. Es ist eigentlich das einzige Glücksgefühl, das ich kenne, in das Unwirkliche, in das Unmögliche unterzutauchen. Ich nehme keinerlei Beziehung zur Landschaft auf. Sie bleibt etwas Fremdes, und doch ist sie das Mittel, durch das meine Vorstellungen geweckt werden. Es ist eigentlich etwas ganz Unnatürliches, Erschöpfendes, seine bewußten Gedanken auf etwas zu konzentrieren, das in keiner Umsetzung Wirklichkeit werden kann. Eine krankhafte Zuflucht, die mich davon entbindet, etwas zu schaffen, weil sie mich ähnlich erschöpft wie das Schreiben. Aber es ist ein unmittelbares Glücksgefühl, das nur allmählich dem Katzenjammer weicht."
(…)

"Der Anlaß zu meinem expansiven und (vielleicht darf ich es sagen) tieferen Werken ist mein persönliches Leben. Meine Angst, meine Trauer, meine Verlassenheit, meine Gesundheit, die Störungen in mir und die Zeiten des Gleichgewichts, die Art meiner Sinne und meiner Liebe, meine Besessenheit in ihr, haben auch meine musikalischen Gedanken und Empfindungen gestaltet. Kunst wächst auf dem Felde des Eros; darum einzig haftet ihr die Schönheit an."

 

 
Hans Henny Jahnn (17 december 1894 – 29 november 1959)
Monument in Hamburg

Lees meer...

John Kennedy Toole, Albert Drach, John Whittier, Thomas Haliburton, Władysław Broniewski, Érico Veríssimo

 

De Amerikaanse schrijver John Kennedy Toole werd geboren op 17 december 1937 in New Orleans. Zie ook alle tags voor John Kennedy Toole op dit blog.

Uit: Een samenzwering van idioten (Vertaald door Paul Syrier)

“Een grote jagerspet zat om de bovenkant van een vlezig, ballonrond hoofd geklemd. De groene oorkleppen, gevuld met grote oren en ongeknipt haar en met de fijne borstels die uit de oren zelf groeiden, staken aan weerszijden uit als richtingaanwijzers die beide kanten tegelijk op wezen. Volle,
opeengeknepen lippen stulpten uit onder de struikachtige zwarte snor en verzonken in de hoeken in kleine plooien die overstroomden van misprijzen en kruimels chips. In de schaduw onder de groene klep van de pet keken de hooghartige blauw-met-gele ogen van Ignatius]. Reilly aflandere wachtenden onder de klok van D.H. Holmes-warenhuis en bestudeerden de menigte mensen, speurend naar tekenen van slechte smaak in kleding. Enkele van de uitmonsteringen, zo merkte Ignatius op, waren nieuw en duur genoeg om in alle redelijkheid als een aanslag op de goede smaak en het fatsoen te worden beschouwd. Het bezit van iets nieuws of duurs was slechts een weerspiegeling van het gebrek aan theologie en geometrie bij de betreffende. Het deed zelfs twijfel rijzen met betrekking tot diens ziel.
Ignatius zelf was comfortabel en verstandig gekleed. De jagerspet behoedde hem voor verkoudheid. De volumineuze tweed broek was duurzaam en bood een ongewone bewegingsvrijheid. De plooien en hoekjes herbergden bellen warme, bedorven lucht, die Ignatius op zijn gemak stelden. Het flanellen
plaidhemd maakte een jasje overbodig, terwijl de shawl het stuk blootliggende Reilly-huid tussen de oorkleppen en de boord beschermde. De uitmonstering was aanvaardbaar volgens iedere theologische en geometrische maatstaf, hoe duister ook, en suggereerde een rijk innerlijk leven.
Door zijn gewicht op zijn logge, olifanteske manier van de ene heup op de andere te verplaatsen stuurde Ignatius golven vlees op en neer onder het tweed en flanel, golven die kapotsloegen op knopen en zomen. Aldus herschikt overwoog hij hoe lang hij nu al op zijn moeder stond te wachten.”
In de eerste plaats besteedde hij aandacht aan het ongemak dat hij begon te voelen. Het leek of zijn hele wezen op het punt stond uit zijn met wol gevoerde, suède woestijnlaarzen te barsten, en, als om dit te controleren, richtte Ignatius zijn merkwaardige ogen op zijn voeten. Deze zagen er inderdaad gezwollen uit. Hij nam zich vo or zijn moeder de aanblik van deze uitpuilende laarzen te bieden
als bewijs van haar onnadenkendheid.”

 

 
John Kennedy Toole (17 december 1937 – 26 maart 1969)

Lees meer...

16-12-16

Adriaan van Dis, Jane Austen, Adriaan van der Veen, Noël Coward, Tip Marugg, Rafael Alberti, Pierre Lachambeaudie

 

De Nederlandse schrijver en televisiemaker Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zie ook alle tags voor Adriaan van Dis op dit blog.

Uit: Nathan Sid

‘Nathan lag, terwijl zijn moeder bij het aanrecht rommelde, op zijn rug op de keukenvloer. Hij soesde met zijn ogen dicht in de zon. Hij kon veel met zijn ogen dicht. Hij bladerde dagdromend door de mooiste albums en schreef blind verhalen met een tien voor spelling. Achter zijn oogvel zweefde een wereld zonder fouten.’ Hij kijkt naar zijn moeder, hij sluit zijn ogen en ‘zag een Indische tuin waar vogels vlogen, zoals op de postzegels van tante Una uit Nieuw-Guinea. Hij zag wilde kembang sepatoe en water met verse groene sprietjes en, zoals altijd, bergen die op duinen leken, maar nu met een pluimpje rook eruit. Net zoals op het schilderij schuin boven het dressoir. Zijn vader liep er ook, met een geweer en oranje medailles op zijn borst. Nu keek hij hem strak aan. Nathan deed zijn ogen weer open. Hij wilde zijn strenge vader helemaal niet zien. Stiekem dacht hij hoe fijn het was een halve wees te zijn, nooit meer slaag en veel meer knuffels.’ Maar zijn moeder vertelt Nathan hoe beroerd de jeugd van Pa Sid is geweest; de roos van Soerabaja, Pa Sids moeder, was een gemeen type, dat haar kinderen sloeg en in het weeshuis plaatste. Nathan besluit de vader te verdedigen. Maar de vrees bekruipt hem net zo te zijn of te worden als zijn vader, want hem is gezegd dat hij even driftig en gulzig is als Pa Sid, spilziek en onbeheerst: ‘Nathan wilde niet verder alleen op de wereld. Het liefst bleef hij klein en kroop hij voor altijd weg onder zijn moeders jurk. Bij dat witte, waar het was zoals achter zijn gesloten wimpers, een veilige wereld waarin hij niets fout kon doen.’
(…)

“Niemand wist waar die bramen bloeiden, want niemand was lid van Nathans club. Daarvoor waren er te weinig bramen. Wel stuurde hij veel briefjes. Daar schreef hij vieze woorden op. Nathan zei dan dat hij zo’n briefje in het duin gevonden had en las ze thuis hard op voor. Op één van de uit zijn vaders la gepikte bruine kartonnetjes had hij met een mengsel van bloed en bramensap “lulkak je word vermoord” gekrast.
Voor de grap had Nathan het bij zijn vaders bord gelegd, onder een pitriet tafelmatje waar het wit ge-
bloemde zeil altijd wat bobbelde van de warme schotels. Pa Sid zag het liggen, las het vluchtig, zei niets en keek streng voor zich uit. Nathan had geen honger meer en zijn dijen kleefden erger dan ooit aan de houten stoel.
Toen hij eindelijk van tafel mocht, gaf zijn vader hem in het voorbijgaan plotseling een harde pets. Zijn vingers kleurden wit op Nathans wangen. “Wordt schrijf je met dt”, zij hij. Voortaan moest Nathan zalf en pleisters op zijn korstjes.”

 

 
Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)

Lees meer...

15-12-16

Klaus Rifbjerg, Indrek Hirv, Jan Greshoff, Ingo Schulze, Simone van der Vlugt, Edna O’Brien, Hans Carossa, Nicolas Gilbert

 

De Deense dichter en schrijver Klaus Rifbjerg werd geboren op 15 december 1931 in Kopenhagen. Zie ook alle tags voor Klaus Rifbjerg op dit blog.

 

Die Stühle

Die Dünung ist ruhig
regelmäßig
kommt und geht.

Es ist nicht tief hier
und wenn das Meer sich zurückzieht
sitzen alle meine Freunde
auf ihren Stühlen.

Mit bloßen Füßen
die Hosenbeine hochgerollt.
Sie haben keine Angst.

Die Wellen brausen und schäumen
laufen über ihre Füße
verschwinden dann wieder
murmelnd.

Meine Freunde sitzen etwas
zu weit voneinander entfernt
um ein Gespräch zu führen.
Das Meer macht Lärm
und tatsächlich sieht es so aus
als wären sie nur interessiert an
ihrer eigenartigen Lage.
Dämmerung herrscht
die Sonne rollt sichtbar widerwillig
im Westen hinab.
Die Dunkelheit naht.

Ich strenge meine Augen an
um sie allesamt zu sehen.
Schwer unterscheidbar. Schwer
in all dem einen Sinn zu erkennen.
Ich lächele und lächele
hebe die Hand und winke.

Jetzt kommt die Gezeitenwelle
es steigt die Flut.
Das Wasser reicht schon übers Knie.
Doch keiner erhebt sich.
Nicht einer der Freunde verläßt seinen Platz.

Einige verbergen das Gesicht
in den Händen
und einer sieht weg
doch selbst als das Wasser den Hals erreicht
bleiben sie sitzen.

Unter dem glühend ins Schwarz sich färbenden Himmel
renne ich
angstvoll und verwirrt
umher auf dem Strand
niedergedrückt von der ertränkenden Unbeweglichkeit.
Schließlich zerbricht das Meer die Stühle
und hier und dort greift eine Hand
nach den Resten
ein Gesicht leuchtet weiß
es gurgelt in einem Mund.

Der Arbeit ist nicht nachzukommen am Strand
die verfügbaren Rettungsmethoden
sind ineffektiv und veraltet.
Stöhnend werfe ich mich
über die offenen Münder
schnell aber bin ich ermattet
und wer hat den Vorrang
wer?

Der Morgen spült letzte Wrackteile
den Strand hinauf
während der Himmel zerreißt:
ein aufgeblähtes Lungengewebe
über den letzten Krämpfen.


Vertaald door Lutz Volke

 

 
Klaus Rifbjerg (Kopenhagen, 15 december 1931)

Lees meer...

14-12-16

Gerard Reve, Boudewijn Büch, Hervé Guibert, Paul Eluard, Helle Helle, Regina Ullmann

 

De Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve werd op 14 december 1923 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Gerard Reve op dit blog.

Uit: Op weg naar het einde

“Intussen is, terwijl we nog niet eens vertrokken zijn, de plee om de hoek al volgekotst en grondig verstopt. Het is, als altijd op een schip, veel te warm, en de lucht van minerale olie en opgewarmde gebakken vis, gemengde wierook der maritieme zwaarmoedigheid, maakt mijn stemming niet joliger.
Het montere tweetal gaat, misschien wegens mijn voortdurende geloer, verder weg zitten en plaatst zich vlak voor een zeer knap gelijkend, elektriek gevoed, imitatie kolenvuur. (Door welks aanblik ik mij opeens herinner dat ik jaren geleden, in een hotel in Bremen, snacht op de overloop, op een guéridon, in een vaas, een bos rozen met lampjes erin heb gezien — niet van het gewone, vulgaire soort zoals men ze op de Nieuwendijk kan kopen, maar elke roos verschillend wat betreft de dichtheid van de kelk, elke roos om zo te zeggen een individu.)
Inmiddels wordt mijn bewering over de eersteklasse reizigers aangevochten: een jongen van omtrent zeventien jaar, in verschoten blauwe lifterskleding, komt de lounge binnen, blijft enige tijd zitten, eet een appel, en spreekt zijn reisgezel die even lelijk is als hij hartverscheurend mooi, in een stoterige, hese woordenstroom toe, die mij dwingt om sneller en dieper adem te halen. Hij wijzigt gelukkig niets aan zijn kleding, noch doet hij iets aan zijn haar, dat regen en wind op volmaakte wijze boven zijn grijze ogen hebben gearrangeerd. Mijn droomprins gaat achterover liggen op een van de zwart
lederen zitbanken, en dit is het ogenblik waarop de kellner moet ingrijpen: heeft meneer een hut? Neen. Reist hij eersteklas? Neen. Dan mag hij hier alleen blijven als hij zestien shilling suppletie betaalt, en voor nog enige shillings meer kan hij een bed huren. Het tweede bed in mijn hut is onbezet.
Een dagdroom suist door mij heen, een avonddroom, een zeedroom. Maar hoe moet ik hem door al die gangen krijgen, waar bij iedere kruising weer een andere zieke penguin op wacht zit achter een met kaartjes, volgnummers en sleutels belegd tafeltje? De jongen grijnst brutaal, verdwijnt met zijn reisgezel, en ik ga nu maar naar bed. Niet mijn, maar uw wil geschiede. Zo vaak ik een hut op een schip met een ander gedeeld heb, is het trouwens altijd een jongeman geweest van weliswaar nog een eind onder de dertig, maar met reeds een dik en uitdrukkingsloos gezicht, een lijkwitte huid onder twee lagen ondergoed, een zeer slecht figuur, een nare zeeplucht, en een das met stippeltjes — generlei herkomst, noch enig doel bezittend, en geen enkele opmerking of mededeling van mij begrijpend, zodat ik tenslotte meer en meer neig naar de overtuiging dat het doden zijn geweest, door wraakzuchtige landgoden veroordeeld om in eeuwigheid des nachts over de zeeën te varen. Men kan beter een hut alleen hebben, dan deze met zulke onheildragers te delen.”

 

 
Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006)
In 1963

Lees meer...

P.C. Hooft-prijs 2017 voor Bas Heijne

 

P.C. Hooft-prijs 2017 voor Bas Heijne

De P.C. Hooft-prijs 2017 gaat naar de Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne. Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.

Uit: Onbehagen

“Op 7 januari 2015 stond ik in een Parijse boekhan¬del de op die dag verschenen nieuwe roman van Michel Houellebecq af te rekenen, toen ik een be¬richt op mijn telefoon voelde binnenkomen.
Op mijn scherm stond: Charlie Hebdo!
Even dacht ik dat de vriend die het stuurde me wilde attenderen op een bijzonder grappige of pro-vocerende cover van het beruchte satirische blad. Al snel volgden sms’jes van anderen. Daarna ver-scheen het nieuws van de krantensites op mijn scherm.
Omdat ik me niet zo ver van de redactie van Charlie Hebdo bevond, besloot ik ernaartoe te lo¬pen, ik wist eigenlijk niet goed waarom. Op de boulevard waar de redactie in een zijstraatje was gevestigd, niet ver van Place de la Bastille, hing een vreemd verstilde sfeer. Het was zo’n twee uur na¬dat de bloedige aanslag op de redactie had plaats¬gevonden. Er was politie. Het straatje waar de re¬dactie zich bevond was afgesloten met linten. Hier en daar stonden tv-journalisten met een micro¬foon in hun hand te wachten tot de camera zou gaan lopen. Maar er klonken nauwelijks geluiden. Er was weinig publiek. Verderop liepen mensen met boodschappentassen, alsof er niks gebeurd was.
Het nieuws leek nog niet doorgedrongen. Er was alleen het naakte feit, maar het was nog niet ingedaald, er was nog niets geduid. De daders wa¬ren voortvluchtig. Hier was niets meer. Het was alsof ik in een vacuüm stond, daar op die winterse boulevard. Er was iets ontzagwekkends gebeurd, maar het had nog geen betekenis gekregen.
In de dagen, weken, maanden daarna liep dat vacuüm vol met woorden, duizenden, miljoenen woorden, en evenveel beelden. Je suis Charlie werd eerst een geuzenleus, toen een alomtegenwoordige slogan en vervolgens een meme, een cultureel stop¬woordje, onderwerp van ironie en parodie. Al die woorden en beelden gaven betekenis – en vlakten die toen onvermijdelijk weer af.
Maar dat eigenaardige gevoel die middag is me bijgebleven – de gewaarwording dat ik tegenover iets stond dat ik niet kon bevatten, iets rauws en elementairs, dat zich heel even onttrok aan al mijn redelijke verklaringen en beschouwingen. De slachtpartij die zich daar had afgespeeld liet zich een paar uur lang niet inpassen in mijn werkelijk¬heid.”

 

 
Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

13-12-16

Dolce far niente, Mary Oliver, Heinrich Heine, José Eduardo Agualusa

 

Dolce far niente

 

 
Vor Weihnachten door Ernst Bosch, 1868.

 

 

Making the House Ready for the Lord

Dear Lord, I have swept and I have washed but
still nothing is as shining as it should be
for you. Under the sink, for example, is an
uproar of mice –it is the season of their
many children. What shall I do? And under the eaves
and through the walls the squirrels
have gnawed their ragged entrances –but it is the season
when they need shelter, so what shall I do? And
the raccoon limps into the kitchen and opens the cupboard
while the dog snores, the cat hugs the pillow;
what shall I do? Beautiful is the new snow falling
in the yard and the fox who is staring boldly
up the path, to the door. And I still believe you will
come, Lord: you will, when I speak to the fox,
the sparrow, the lost dog, the shivering sea-goose, know
that really I am speaking to you whenever I say,
as I do all morning and afternoon: Come in, Come in.

 

 
Mary Oliver (Maple Heights, 10 september 1935)

Lees meer...

Jack Hirschman

 

De Amerikaanse dichter en sociaal activist Jack Hirschman werd geboren op 13 december 1933 in New York. Hij behaalde in 1955 een Bachelor of Arts aan het City College in New York en een AM en PhD aan de Universiteit van Indiana in respectievelijk 1957 en 1961. Tijdens zijn studie aan het City College, werkte hij tevens voor de Associated Press. Toen hij 19 was stuurde hij een verhaal naar Ernest Hemingway, die hem antwoordde: "I can't help you, kid. You write better than I did when I was 19. But the hell of it is, you write like me. That is no sin. But you won't get anywhere with it." Hirschman trouwde in 1954 met Ruth Epstein. Na haar afstuderen werd Ruthprogrammadirecteur van National Public Radio en uiteindelijk algemeen directeur van Santa Monica’s radiostation KCRW. Het echtpaar kreeg twee kinderen. In de jaren 1950 en '60 doceerde Jack Hirschman aan Dartmouth College en de University of California, Los Angeles. Tijdens zijn ambtstermijn als hoogleraar aan de UCLA was Jim Morrison (The Doors) één van zijn studenten. De oorlog in Vietnam maakte een einde aan Hirschmans academische carrière; hij werd ontslagen aan de UCLA nadat hij zijn leerlingen tot verzet tegen de oorlog had aan gemoedigd. Zijn huwelijk liep op de klippen en hij verhuisde in 1973 naar San Francisco. Zijn eerste dichtbundel publiceerde Hirschman in 1960. Een kwart eeuw lang zwierf Hirschman door de straten van San Francisco, bezocht café ’s, gaf lezingen, was actief als straatdichter en als wandelende activist. Hirschman was ook een schilder en collagist, en heeft meer dan twee dozijn boeken vertaald uit het Duits, Frans, Spaans, Italiaans, Russisch, Albanees en Grieks. Tot zijn vele dichtbundels behoren “A Correspondence of Americans” (1960), “Black Alephs” (1969), “Lyripol” (1976), “The Bottom Line” (1988), en “Endless Threshold” (1992). In 1999, Hirschman trouwde nog een keer, met de Zweedse dichteres, schrijfster en kunstenares Agneta Falk. In 2006 publiceerde Hirschman zijn meest uitgebreide dichtbundel “The Arcanes”. Bovendien werd hij dat jaar benoemd tot Poet Laureate van San Francisco.

 

The Happiness

There's a happiness, a joy
in one soul, that's been
buried alive in everyone
and forgotten.

It isn't your barroom joke
or tender, intimate humor
or affections of friendliness
or big, bright pun.

They're the surviving survivors
of what happened when happiness
was buried alive, when
it no longer looked out

of today's eyes, and doesn't
even manifest when one
of us dies, we just walk away
from everything, alone

with what's left of us,
going on being human beings
without being human,
without that happiness.

 

 

All that’s Left

All that’s Left
    in the world
—whether in Cuba, Venezuela, Bolivia
as well as in China, Japan, the United States,
Europe, the Middle East, Africa—
all of them cannot,
    despite their resistance,
    despite their refusal,
stop this march of death
because they,
as well as all that’s Right
in the world,
    despite their refusal,
    despite their resistance,
already are counted among those
    in this last parade.
Communists and progressives,
nazis, fascists and reactionaries,
zionists and anarchists of every stripe—
none are excluded, none can evade the march.

This one’s not coming
with hammer and sickles or swastikas
or flags of any land.

This one’s the march
all wars surrender to.

But when?! comes the unanimous cry.
When will it really happen?
If death is peace,
when can I truly die?

You will never know,
and yet you do,
because you may already have,
and this life is your way
of paying homage to the power
that loves you enough
to have taken your life away
and left you with the taste
of immortality on your lips.

Nothing mystical: no Christ,
Allah, Jahweh or Buddha in the wings.
Even lying on your back you’re marching.

This is not a cynical or pessimist
or nihilist poem. Join death
to your life and you will live
as if there were no drum to march to.

There is no march at all.

You’re done. All will be well for all.

 

 
Jack Hirschman (New York, 13 december 1933)

18:55 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jack hirschman, romenu |  Facebook |

12-12-16

Susanna Tamaro, Kader Abdolah, Sophie Kinsella, Gustave Flaubert, John Osborne, Ahmad Shamlou, Vassilis Alexakis, Shrinivási

 

De Italiaanse schrijfster Susanna Tamaro werd geboren in Triëst op 12 december 1957. Zie ook alle tags voor Susanna Tamaro op dit blog.

Uit: Der Tannenbaum (Vertaald door Maja Pflug)

„„Nach einer Woche gab es keinen Baum und keinen Strauch im Wald, in dem sich nicht ein gemütliches, bauchiges kleines Nest verbarg.
Manche waren rund und winzig: außen weiches Moos, innen kuschelige Wolle. Andere, größere, bestanden nur aus ineinander geflochtenem Reisig. Wieder andere – ein Knäuel aus Flechten, trockenen Blättern und Zweiglein – hingen von den Bäu-
men wie Nikolausstrümpfe.
Jedes war nach den Bedürfnissen des kommenden Nachwuchses geplant und gebaut worden, mit hohen, stabilen Rändern, um in den noch kalten Nächten die laue Wärme zu speichern, die Ungezogenheiten der unternehmungslustigsten Küken auszuhalten und sie gleichzeitig vor dem Auge der Raubvögel zu schützen.
Eines schönen Tages folgte im Wald auf die rege Geschäftigkeit des Nestbaus die zärtliche Stille des Brütens.
Während die Männchen auf der Suche nach Nahrung für ihre Bräute unterwegs waren, gab es stürmische Regentage.
Der Regen peitschte Bäume und Wiesen, machte die Stämme nass und nährte den Boden, und die Samen, die geduldig in der Erde warteten, begannen anzuschwellen. Nach dem Regen schien wieder die Sonne, und das Häutchen, das die Samen wie ein zu enges Kleid umschloss, zerriss. Auch der kleine geflügelte Samen ging auf, verankerte sich mit einer winzigen Wurzel im Boden und schickte ein zartes Federchen nach oben auf der Suche nach Licht.
Im Wald begannen die Kleinen zu schlüpfen.
Die Nestlinge piepsten, während sie auf die Eltern warteten, und versteckten sich beim geringsten bedrohlichen Schatten: Auch die Raben, Sperber und Eulen hatten Nachwuchs zu versorgen.
Noch nackt schlummerten die Siebenschläfer, die Eichhörnchen und die Haselmäuschen in den Baumhöhlen, während die jungen Spitzmäuse in den Gängen unter dem Moos die ersten Schritte probten und die Nattern aus ihren zylindrischen Eiern schlüpften.“

 

 
Susanna Tamaro (Triëst, 12 december 1957)

Lees meer...

18:06 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ezra miller (léon) |  Facebook |

11-12-16

Sint-Jan (Guido Gezelle)

 

Bij de derde zondag van de Advent

 

 
Salome bezoekt Johannes de Doper in de gevangenis door Il Guercino, 1619

 

 

Sint-Jan (Fragment)

In dien tijde en in die streken
een ontuchtig koning was,
die zijn huwlijk kwam te breken:
hiet Herodes Anti-pas.

‘t Was zijns broeders eigen vrouwe,
die hem hielp in dat verkeer;
zijns wel willens, en geen’ rouwe
noch geen’ ruste en had hij meer.

En Sint Jan, die zulke zaken
onbesproken nooit en liet,
zei: ‘Herodes, staken, staken
zal dat!’ Maar ‘t en staakte niet.

Dan, om ‘t lastig wijf te krijgen
tot bedaarnisse, en voortaan
dien Sint Jan te leeren zwijgen,
heeft hij hem in ‘t kot gedaan.

Staande om ‘t oude recht te plegen
zijns verjarens, korts nadien,
zond Herodes allerwegen
volk ter maaltijd inontbiên.

‘t Kwamen vele en groote mannen,
diepe drinkers dan te gaar;
volle berden, hooge kannen,
breede schalen stonden daar.

‘t Wierd gezongen, ‘t wierd gevedeld,
‘t wierd gedeeld en deurgedaan
menig vat; en, al ontedeld,
ging de blijdschap verder gaan.

Want, ‘t oneerlijk wijfgebroedsel,
Herodias’ dochter koen,
kwam, tot ‘s konings oogenvoedsel,
dansen daar, en dertel doen.

‘Kind, wat lust u? ‘k Zal ‘t u laten,’
zei de ontaarde booswicht nu:‘
g’hebt de helft van al mijn’ staten,
zoo gij wilt! Dat zwere ik u!’

Aanstonds uit de bruiloftzale
vloog de dochter: ‘Eischt den hals,
zeg ik, die met lastertale
kwetste uw’ moeder, vuil en valsch!’

‘Eischt den hals!’ Dat hoorden ze allen,
die daar zaten, buiten een’,
een’ die lag in ‘t slot gevallen
van des konings gijzelsteen.

‘Haalt het hoofd mij,’ sprak de deerne,
‘van Johannes hier beneên:
dat, o koning, hadde ik geerne,
in een snijberd afgesneên!’

Al te schriklijk woord! Het brandde
deur Herodes veege vleesch,
om zijne eedspreuke en de schande
van dien vrouwelijken eesch.

‘’k Heb ‘t gezworen, ‘t moet gebeuren!
Doch, en wete ‘t volk daarvan,
want het zou me in stikken scheuren,
roerde ‘t hoofd ik van sint Jan!’

Hij wordt boos. ‘Den beul!’ En boven
kwam dat hoofd, met eere omstraald,
daar het koninklijk beloven
mee zijn danswijf heeft betaald.

Verder weet het volk te dichten
nog een lang vertellingsnoer;
hoe die booze vrouwe sich ten
loon naar werken wedervoer.

Hoe zij, schaatsende eens bedorven,
liep een lomme in; zulker wijs,
dat, den hals intween gekorven,
‘t hoofd vloog op, zij onder ‘t ijs.

Hoe ze, in wervelwind veranderd,
maalt het mul meê van den grond;
en, verwenscht, voor eeuwig pandert,
port en pijnt, de wereld rond.

‘t Heilig hoofd, en ‘t lijk mitsgaders,
van Gods edelen boetgezant.
wierd ontweerd zijne euveldaders,
en gewijd in ‘t heilig Land.

‘Onder al die moeder minden,’
zei ‘t Lam Gods, ‘en was ooit man,
hier op ‘t aarderijk, te vinden,
die was grooter als sint Jan!’

 

 

 
Guido Gezelle (1 mei 1830 - 27 november 1899)
Brugge in de kersttijd. Guide Gezelle werd geboren in Brugge.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 11e december ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

12:29 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: advent, guido gezelle, romenu |  Facebook |