10-02-12

Simone Trieder

 

De Duitse schrijfster Simone Trieder werd geboren op 10 februari 1959 in Quedlinburg. Trieder studeerde speciale pedagogie en werkte daarna als regie-assistente in Zwickau, Karl-Marx-Stadt en Halle. Sinds 1992 is ze freelance schrijfster. Ook is zij voorzitter van de Volkssolidarität Saksen-Anhalt en lid van de Literaire Raad van Saksen-Anhalt en de redactie van het tijdschrift "Ort der Augen." Trieder schrijft poëzie, proza​​, drama, kinderboeken, over regionale geschiedenis van Halle en werkt voor radio-uitzendingen en af en toe als journaliste. Haar boeken zijn vaak rijk geïllustreerd en ontworpen. Ze heeft twee volwassen kinderen.

 

Uit: Individuum


“Ein Klecks weißgrauer Masse klatschte neben mir nieder. Ich sah nach oben. Jetzt konnte ich das Geräusch einordnen, das sich durch den Verkehrslärm hindurchgewunden hatte: Wildgänse, ihr Flügelschlag hatte ein Stück Rost vom Rand meines Herzens bröckeln gemacht, ich war schon ein paar Schritte leichter gegangen, nun wusste ich weshalb.
Sie waren schon nicht mehr zu hören, sie zogen ihre Route, die sie auf unsichtbaren Wegen durch den Himmel ausgerechnet über diese Kreuzung, die sich Eck nennt, führte. Der weißgraue Klecks markierte einen Punkt in einer mir unbekannten Ordnung. Zu dicht gehe ich an diesen Schienensträngen entlang, die von hoch oben aus der Luft vielleicht Flussläufen ähneln mögen, sehr begradigten Flussläufen, die in ihren Betten vom Mäandern träumen oder von Fischen und Lurchen. Sie kennen Lebewesen nur als plattgefahrne Präperate, von Gewitzten hochkant an den Bürgersteig gelehnt.
Hier schneiden sich Parallelen, hier beschränken sich Gefühle.
Ich bin dankbar für einen Staub­sauger­beutel. Die Dame im Elektro­fach­geschäft hat einen weißen Angora­pullover an, deren Häarchen im rechten Winkel weg vom Körper der Trägerin streben, als wär sie Mittelpunkt eines elektrischen Feldes. Sie hat die S 62, Ursache meiner Gefühle. Eben die Sorte Staub­sauger­beutel, die mein komplizierter Staubsauger akzeptiert.
Hier an der Kreuzung, die sich Eck nennt, hat der blond­lockige Zeitungs­verkäufer seinen Kiosk aufgeschlagen.”

 

 

Simone Trieder (Quedlinburg, 10 februari 1959)

18:28 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: simone trieder, romenu |  Facebook |

09-02-12

A. Roland Holst Prijs 2012 voor Jacob Groot

 

A. Roland Holst Prijs 2012 voor Jacob Groot

 

 

De Stichting A. Roland Holst Fonds in Bergen heeft haar driejaarlijkse oeuvreprijs voor poëzie toegekend aan Jacob Groot. De Nederlandse dichter en schrijver Jacob Groot werd geboren op 5 juli 1947 in Venhuizen (West-Friesland). Zie ook mijn blog van 5 juli 2011. Voor de poëzieprijs werd het bestuur van de stichting geadviseerd door een jury bestaande uit Odile Heynders, Huub Beurskens en voorzitter Wiel Kusters. De uitreiking van beide prijzen vindt plaats op 12 mei 2012 in de Ruïnekerk te Bergen. Bij die gelegenheid zal de dichteres Hester Knibbe de A. Roland Holst-lezing houden.

 

 

 

Tramlijn Begeerte

 

Zo gaat het: je hoort een deur bonzen en de schelp van de ruimte
bruist open; de werkelijkheid schampt langs en laat een lege weg
achter zich heel, terwijl je geschiedenis schroeit er vol van dicht
maar de uitspraak wandelt verder omdat je lippen dat afspraken

Zo hoort het: de natuur opent je blad na blad zoals een leerboek
bladert je door tot je dichtgaat onder de avondwijdte, de noordelijke
kroon brandt op je hoofd en je vrucht wil dragen de wind, de Bora
het liefst, of de Harmattan, met hun messen die snijden in het brood

van het donker en geboren worden dan je zaden, de naakten die je kleden,
van de kosmos een zoon, kosmetisch, zoneloos, gemorst als korstmos
langs een rotsblok in een atlas die je leest om te reizen: van de dorpsweg

naar de tramway, vanwaar een twijg loopt uit een steel tot de afdruk
in de tijd dat je waaide, je wiel van spaken, die langzaam smelten door
de drukke lucht, waarin je hoopt, bij de stam, te sterven als geen ander.

 

 

 

 

Bezichtiging der landerijen

 

Wij hebben een mooi witstenen huis,
maar we zijn nooit thuis.

We rijden in mijn houten wagen
door de dageraad,
langs wat getoverd werd uit zaad
in het land dat ik ontgang.

Stop bij een bron:
de wielen branden in de zon.

Wil je nog beter zien
wat ik met jou begon,
dan stappen we in mijn luchtballon.

 

 



Jacob Groot (Venhuizen, 5 juli 1947)

John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Jacques Schreurs, Rainer Maria Gerhardt,

 

De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook alle tags voor John Coetzee op dit blog.

 

Uit: Dierenleven (Vertaald door Joop van Helmond en Frans van der Wiel)

 

“Hij staat bij de uitgang te wachten als haar vlucht binnenkomt. Er zijn twee jaar verstreken sinds hij zijn moeder voor het laatst heeft gezien: onwillekeurig schrikt hij dat ze zo oud is geworden. Haar haar, waarin grijze pieken zaten, is nu helemaal wit; haar schouders zijn gekromd; haar vlees is slap geworden. Ze zijn nooit een uitbundige familie geweest.
Een omarming, een paar gemompelde woorden en de begroeting is afgehandeld. Zwijgend volgen ze de stroom reizigers naar de bagagehal, halen haar koffer op en vangen de anderhalf uur durende autorit aan.
‘Een lange vlucht,’ merkt hij op. ‘Je zult wel doodmoe zijn.’
‘Ik zou zo kunnen slapen,’ zegt ze, en inderdaad valt ze onderweg even in slaap, met haar hoofd tegen het raam gezakt.
Om zes uur, bij invallend donker, stoppen ze voor zijn huis in de voorstad Waltham. Zijn vrouw Norma en de kinderen verschijnen op de veranda. In een demonstratie van genegenheid, die haar grote moeite moet kosten, spreidt Norma haar armen uit en zegt: ‘Elizabeth!’ De twee vrouwen omhelzen elkaar; daarna volgen de kinderen haar voorbeeld, welopgevoed, meer ingehouden.

Elizabeth Costello de romanschrijfster zal tijdens haar driedaagse bezoek aan de universiteit van Appleton bij hen logeren. Hij ziet tegen die paar dagen op. Zijn vrouw en zijn moeder kunnen niet met elkaar overweg. Het zou beter zijn als ze in een hotel logeerde, maar hij kan zich er niet toe brengen dat voor te stellen. De vijandelijkheden worden bijna onmiddellijk hervat. Norma heeft een licht avondmaal klaargemaakt. Zijn moeder ziet dat er maar voor drie is gedekt.”

 

 

 

John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)

Lees meer...

Alice Walker, Alina Reyes, Amy Lowell, Natsume Soseki, Herman Pieter de Boer, Maurits Sabbe

 

De Amerikaanse schrijfster en feministe Alice Malsenior Walker werd geboren op 9 februari 1944 in Eatonton, Georgia Zie ook alle tags voor Alice Walker op dit blog.

 

Uit: Possessing the Secret of Joy

 

„Negro women, said the doctor, are considered the most difficult of all people to be effectively analyzed. Do you know why?
Since I was not a Negro woman I hesitated before hazarding an answer. I felt negated by the realization that even my psychiatrist could not see I was African. That to him all black people were Negroes.
I had been coming to see him now for several months. Some days I talked; some days I did not. There was a primary school across the street from his office. I would listen to the faint sound of the children playing and often forget where I was, forget why I was there.

He'd been taken aback by the fact that I had only one child. He thought this unusual for a colored woman, married or unmarried. Your people like lots of kids, he allowed.
But how could I talk to this stranger of my lost children? And of how they were lost? One was left speechless by all such a person couldn't know.
Negro women, the doctor says into my silence, can never be analyzed effectively because they can never bring themselves to blame their mothers.
Blame them for what? I asked.
Blame them for anything, said he.
It is quite a new thought. And, surprisingly, sets off a kind of explosion in the soft, dense cotton wool of my mind.
But I do not say anything. Those bark-hard, ashen heels trudge before me on the path. The dress above them barely clothing, a piece of rag. The basket of groundnuts suspended from a strap that fits a groove that has been worn into her forehead. When she lifts the basket down, the groove in her forehead remains. On Sundays she will wear her scarf low in an attempt to conceal it. African women like my mother give harsh meaning to the expression "furrowed brow."
Still, the basket itself is lovely and well made, with a red and ochre "sisters elbow" design that no one weaves more neatly than she. That is all I care to think about. But not all that I will.
I did not carry you to term, she has told me, because one day when I was coming back from bathing I was frightened by a leopard. She was acting strangely, and charged me.“

 

 

Alice Walker (Eatonton, 9 februari 1944)

Lees meer...

08-02-12

Neal Cassady, Robin Block, Eva Strittmatter, Elizabeth Bishop, Gert Jonke, John Grisham

 

De Amerikaanse schrijver Neal Cassady werd geboren op 8 februari 1926 in Salt Lake City. Zie ook alle tags voor Neal Cassady op dit blog.

 

Uit: The Fast Life of a Beat Hero (Biografie door David Sandison)

 

„Even Jack Kerouac bought into the Bridey phenomenon and for a time seemed prepared to give Cayce the benefit of the doubt. “[S]udden realization that Cayce must be right,” he wrote to the Cassadys, “and Bridey Murphy excitement, which has carried over to my sister, and she and I want you to send us Cayce’s literature address at Atlantic Beach so we can send for literature, my sister especially het up now on Astrology.”

Jack had even started to take Oral Roberts seriously. From the start, Roberts’s reputation as a miraculous healer had been offset by his equally convincing reputation as a charlatan. In his later years, when completion of his extravagant project the City of Faith Hospital complex was threatened because of lack of funds, Roberts claimed to have been visited by a 900-foot Jesus. Roberts had “only seen Jesus once before,” but “there I was, face to face with Jesus Christ, the Son of the Living God. He reached down, put his Hands under the City of Faith, lifted it, and said to me, ‘See how easy it is for Me to lift it!’”

Jack’s leap of faith was facilitated by his discovery that “Oral Roberts is a Cherokee Indian. A real old-fashioned witchdoctor’s what he is . . . he has great compassionate heart. I don’t disbelieve him.” Carolyn insists that this last sentence was a joke for Neal’s benefit.

In any event, the Cassadys continued to pursue the Cayce doctrine, and at the 1956 Cayce spring conference the featured speaker was none other than Starr Daily, author of Release. Neal immediately turned to him for answers. Ex-con Daily certainly looked like Cassady’s sort of man, a bullish and rugged religious convert who would surely give appropriate advice. But this was not the case. With some degree of irony for Catholic-raised Cassady, Caycean Starr Daily seemed more like the kind of tough Irish priest that featured regularly in the gangster movies of the 1930s—morally inflexible but still capable of slugging a sinner if the need arose. His advice to Neal amounted to little more than “pray like the devil and discipline yourself,” whereas what Neal was probably hoping for was an epiphany followed by a fast-track route to enlightenment and salvation.“

 

 

Neal Cassady (8 februari 1926 – 4 februari 1968)

Lees meer...

07-02-12

200 Jaar Charles Dickens

 

200 Jaar Charles Dickens

 

 

De Engelse schrijver Charles Dickens werd geboren op 7 februari 1812 in Landport. Dat is vandaag precies 200 jaar geleden. Zie ook alle tags voor Charles Dickens op dit blog.

 

Uit:: David Copperfield

 

„I was present myself, and I remember to have felt quite uncomfortable and confused, at a part of myself being disposed of in that way. The caul was won, I recollect, by an old lady with a hand-basket, who, very reluctantly, produced from it the stipulated five shillings, all in halfpence, and twopence halfpenny short - as it took an immense time and a great waste of arithmetic, to endeavour without any effect to prove to her. It is a fact which will be long remembered as remarkable down there, that she was never drowned, but died triumphantly in bed, at ninety-two. I have understood that it was, to the last, her proudest boast, that she never had been on the water in her life, except upon a bridge; and that over her tea (to which she was extremely partial) she, to the last, expressed her indignation at the impiety of mariners and others, who had the presumption to go 'meandering' about the world. It was in vain to represent to her that some conveniences, tea perhaps included, resulted from this objectionable practice. She always returned, with greater emphasis and with an instinctive knowledge of the strength of her objection, 'Let us have no meandering.'

Not to meander myself, at present, I will go back to my birth.

I was born at Blunderstone, in Suffolk, or 'there by', as they say in Scotland. I was a posthumous child. My father's eyes had closed upon the light of this world six months, when mine opened on it. There is something strange to me, even now, in the reflection that he never saw me; and something stranger yet in the shadowy remembrance that I have of my first childish associations with his white grave-stone in the churchyard, and of the indefinable compassion I used to feel for it lying out alone there in the dark night, when our little parlour was warm and bright with fire and candle, and the doors of our house were - almost cruelly, it seemed to me sometimes - bolted and locked against it.

 

 

W. C. Fields als Mr. Micawberen Freddie Bartholomew
als de jonge David Copperfield in de film van
George Cukor uit 1935

 

 

 

An aunt of my father's, and consequently a great-aunt of mine, of whom I shall have more to relate by and by, was the principal magnate of our family. Miss Trotwood, or Miss Betsey, as my poor mother always called her, when she sufficiently overcame her dread of this formidable personage to mention her at all (which was seldom), had been married to a husband younger than herself, who was very handsome, except in the sense of the homely adage, 'handsome is, that handsome does' - for he was strongly suspected of having beaten Miss Betsey, and even of having once, on a disputed question of supplies, made some hasty but determined arrangements to throw her out of a two pair of stairs' window. These evidences of an incompatibility of temper induced Miss Betsey to pay him off, and effect a separation by mutual consent. He went to India with his capital, and there, according to a wild legend in our family, he was once seen riding on an elephant, in company with a Baboon; but I think it must have been a Baboo - or a Begum. Anyhow, from India tidings of his death reached home, within ten years. How they affected my aunt, nobody knew; for immediately upon the separation, she took her maiden name again, bought a cottage in a hamlet on the sea-coast a long way off, established herself there as a single woman with one servant, and was understood to live secluded, ever afterwards, in an inflexible retirement.“

 

 

Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870)

 

 

 

In verband met een internetstoring vandaag slechts een beperkt bericht. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 7 februari 2011.

06-02-12

Dermot Bolger, Felix Mitterer, Heinz Kahlau, Thomas von Steinaecker, Annelies Verbeke, Pramoedya Ananta Toer, John Henry Mackay

 

In verband met een langdurige internetstoring vandaag geen nieuw bericht. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 6 februari 2011.

 

 

Dermot Bolger, Felix Mitterer, Heinz Kahlau, Thomas von Steinaecker, Annelies Verbeke, Pramoedya Ananta Toer, John Henry Mackay

 

Irmgard Keun, Ernst Wilhelm Lotz, Ugo Foscolo, Wilhelm Schmidtbonn, Alfred Mombert, Christopher Marlowe, Sergio Corazzini

05-02-12

Geert Buelens, William S. Burroughs, Joris-Karl Huysmans, Terézia Mora, Rudolf Lorenzen, Luc Indestege

 

In verband met een langdurige internetstoring vandaag geen nieuw bericht. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 5 februari 2011.

 

 

Geert Buelens, William S. Burroughs, Joris-Karl Huysmans,Terézia Mora, Rudolf Lorenzen, Luc Indestege

 

Johan Ludvig Runeberg, Henriette Hardenberg, Albert Paris Gütersloh,Madame de Sévigné, Honorat de Bueil, Sandra Paretti, Reto Finger

04-02-12

Stewart O'Nan, Louis Ferron, Robert Coover, Werner Schwab, E. J. Pratt, Norman Ohler

 

In verband met een langdurige internetstoring vandaag geen nieuw bericht. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 4 februari 2011.

 

 

Stewart O'Nan, Louis Ferron, Robert Coover, Werner Schwab, E. J. Pratt, Norman Ohler,

Grigore Vieru, Georg Brandes, Alfred Andersch,
Jacques Prévert,Jean Richepin, Carl Michael Bellman

03-02-12

Georg Trakl

 

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook alle tags voor Georg Trakl op dit blog.

 

 

Verfall

 

Am Abend, wenn die Glocken Frieden läuten,

Folg ich der Vögel wundervollen Flügen,

Die lang geschart, gleich frommen Pilgerzügen,

Entschwinden in den herbstlich klaren Weiten.

 

Hinwandelnd durch den dämmervollen Garten

Träum ich nach ihren helleren Geschicken

Und fühl der Stunden Weiser kaum mehr rücken.

So folg ich über Wolken ihren Fahrten.

 

Da macht ein Hauch mich von Verfall erzittern.

Die Amsel klagt in den entlaubten Zweigen.

Es schwankt der rote Wein an rostigen Gittern,

 

Indes wie blasser Kinder Todesreigen

Um dunkle Brunnenränder, die verwittern,

Im Wind sich fröstelnd blaue Astern neigen.

 

 

 

Verklärter Herbst

 

Gewaltig endet so das Jahr

Mit goldnem Wein und Frucht der Gärten.

Rund schweigen Wälder wunderbar

Und sind des Einsamen Gefährten.

 

Da sagt der Landmann:

Es ist gut. Ihr Abendglocken lang und leise

Gebt noch zum Ende frohen Mut.

Ein Vogelzug grüßt auf der Reise.

 

Es ist der Liebe milde Zeit.

Im Kahn den blauen Fluss hinunter

Wie schön sich Bild an Bildchen reiht

Das geht in Ruh und Schweigen unter.

 

 

 

Psalm
Opgedragen aan Karl Kraus

 

Er is een licht dat de wind uitgedoofd heeft.
Er is een kroeg op de hei die een dronkaard 's middags verlaat.
Er is een wijnberg, verbrand en zwart met gaten vol spinnen.
Er is een ruimte die ze met melk hebben gewit.
De waanzinnige is gestorven. Er is een eiland in de Zuidzee,
Om de zonnegod te ontvangen. Men roert de trommels.
De mannen voeren oorlogsdansen uit.
De vrouwen wiegen de heupen in slingerplanten en vuurbloemen,
Als de zee zingt. O ons verloren paradijs.

 

De nimfen hebben de gouden bossen verlaten.
Men begraaft de vreemde. Dan begint een glinsterregen.
De zoon van Pan verschijnt in de gestalte van een grondwerker,
Die de middag op het gloeiende asfalt verslaapt.
Er zijn kleine meisjes op een erf in jurkjes vol hartverscheurende armoede!
Er zijn kamers, vol met akkoorden en sonates.
Er zijn schimmen die elkaar voor een geblindeerde spiegel omarmen.
Achter de ramen van het hospitaal verwarmen zich genezenden.
Een witte stoomboot op het kanaal voert bloedige plagen aan.

 

De vreemde zuster verschijnt weer in iemands kwade dromen.
Rustend in het hazelaarsbosje speelt zij met zijn sterren.
De student, misschien een dubbelganger, kijkt haar door het raam lang na.
Achter hem staat zijn dode broer, of hij loopt de oude wenteltrap af.
In het donker van bruine kastanjes verbleekt de gestalte van de jonge novice.
De tuin ligt in de avond. In de kruisgang fladderen de vleermuizen rond.
De kinderen van de huismeester staken hun spel en zoeken het goud van de hemel.
Slotakkoorden van een kwartet. De kleine blinde loopt bevend door de laan,
En later gaat haar schim op de tast langs koude muren, omgeven door sprookjes en heilige legenden.

 

Er is een lege boot die 's avonds het zwarte kanaal afdrijft.
In het duister van het oude asiel vervallen menselijke ruïnes.
De dode wezen liggen bij de tuinmuur.
Uit grijze kamers stappen engelen met bemodderde vleugels.
Wormen druppen van hun vergeelde oogleden.
Het plein voor de kerk is somber en zwijgzaam, als in de kinderdagen.
Op zilveren zolen glijden vroegere levens voorbij
En de schimmen der verdoemden dalen naar de zuchtende wateren af.
In zijn graf speelt de witte magiër met zijn slangen.

 

Zwijgzaam boven de schedelplaats openen zich Gods gouden ogen.

 

 


Vertaalddoor Frans Roumen

 

 


Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)

Portret door de Deense schilder Knud Odde

 

 

 

In verband met een internetstoring vandaag slechts een kort bericht. Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 3 februari 2011.

 

 

Gertrude Stein, Ferdinand Schmatz, Michael Scharang

 

Paul Auster, Johannes Kühn, Andrzej Szczypiorski, Lao She, Henning Mankell

 

Richard Yates, Sarah Kane, James A. Michener, Annette Kolb, Ernst von Wildenbruch

 

02-02-12

Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, Kees Torn, James Joyce, Eriek Verpale

 

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

 

Uit: Inkijk

 

“De hoofdpersoon van Het martyrium (Die Blendung), dr. Peter Kien, ‘geleerde en bibliothecaris’, een sinoloog van wereldreputatie, dwangmatig ordelievend en punctueel, een mensenhater, altijd op zijn hoede ten opzichte van hen die hij ‘de mensen der menigte’ noemt, de massa, die hij gevaarlijk acht omdat zij geen ontwikkeling en geen verstand heeft, leeft letterlijk verschanst binnen de Chinese muur van zijn boeken, zijn prive-bibliotheek. Zijn blindzijn voor de werkelijkheid is de zwakke plek waardoor duivelse hardnekkige domheid zijn wereld binnen dringt in de gedaante van Therese, de huishoudster, belichaming van de materie, de grove zinnelijkheid, de gevreesde massa. Kien loopt te pletter op de Chinese muur van haar cirkelvormig gesteven rok. Haar hebzucht en nieuwsgierigheid en zijn volstrekt subjectieve interpretatie van het begrip ‘leren’ brengen hen tot elkaar. Voor Therese is leren identiek aan ‘mores leren’ volgens fatsoens. en gezagsnormen die de domme massa regeren, en voor Kien is ‘leren’ alleen kennis vergaren uit boeken. Hij geeft aan deze beginnelinge in de cultuur, de draagster van de voor hem zo angstwekkende rok, het enige boek te leen waarvoor hij zich heimelijk schaamt, De broek van Herr von Bredow. Voor Therese is de broek echter symbool van het heiligste, van hem die de broek aanheeft, de door de hysterische oude juffrouw zo vurig begeerde man. Als een priesteres aan een altaar legt zij de beduimelde roman op een fluwelen leeskussen, trekt zij witte handschoenen aan voor zij de bladzijden omslaat. Deze magie-rondom-de-broek legt Kien uit als uitzonderlijke eerbied-voor-het-boek, met verschrikkelijke gevolgen. Het huwelijk met Therese zal regelrecht leiden tot zijn ondergang en die van zijn geliefde bibliotheek. Kien, de eenling, die geen contact, geen aanraking duldt, wil noch kan overgaan tot ‘gemeenschap hebben’. Het is hem niet om een vrouw te doen, maar om een moeder voor zijn boeken. Therese kent nu zijn zwakke plek, zij gaat zijn angst voor hem letterlijk te gelde maken. Kien roept de bescherming in van de conciërge van het flatgebouw, de ex-politieman Benedikt Pfaff, een sentimentele sadistische bruut die zijn vrouw en dochter misbruikt en doodgeranseld heeft, en zich nu uitleeft op bedelaars en op huurders die in gebreke blijven.”

 

 

Hella Haasse (2 februari 1918 - 29 september 2011)

 

Lees meer...

Monica Camuglia, Michel Marc Bouchard, James Dickey, Santa Montefiore, Xuân Diệu

 

De Zwitserse schrijfster Monica Camuglia werd geboren op 2 februari 1960 in St. Gallen. Zie ook ook alle tags voor Monica Camuglia op dit blog.

 

Uit: Irrtum 2012

 

»Verzeihung, ich möchte Sie nicht stören«, seine graublauen Augen sahen müde aus, sein Blick war weich und eindringlich zugleich.

»Mami, darf ich mit Nathan spielen?«, funkte Lia in ihrem bestimmenden Ton dazwischen, die kleinen Ärmchen in die Hüften gestützt, bevor ich auf ihn eingehen konnte. Diese Haltung hat sie sich von ihrem Vater abgeschaut und setzt sie ein, wenn sie unbedingt etwas will. Das ist ihre Art, mir den Krieg zu erklären, sollte ich ihren Wunsch nicht respektieren. Nathan wurde verlegen, das war mir nicht entgangen.

»Von mir aus«, rutschte es mir spontan über die Lippen. Im gleichen Atemzug meldete sich mein schlechtes Gewissen, unverzüglich ballte sich eine Kugel in meinem Magen zusammen. Setze ich meine Tochter einer Gefahr aus, nur um meine Neugierde zu befriedigen? Doch das sanfte, entschuldigende Lächeln von Nathan löschte diesen mütterlich besorgten Gedanken

umgehend aus.

»Lia, ich muss noch etwas erledigen. Aber dann können deine Mami, du und ich zum Hafen spazieren und ein Eis essen, sofern deine Mami einverstanden ist.« Er blickte mich unsicher an. Na ja, ein Aufreißer war er nicht, aber interessant allemal, zudem einfühlsam und geschickt. Ich nickte schmunzelnd; Lia fiel mir um den Hals, und ich drückte sie mit beiden Armen an mich. Wir beide wussten genau, dass wir gerade einem weiteren Duell zwischen Tochter und Mutter ausweichen konnten und waren vermutlich in gleichem Maße erleichtert darüber. So begann unsere Geschichte vor drei Jahren und sieben Monaten, an einem sommerlichen Tag auf Filicudi.“

 

 

Monica Camuglia (St. Gallen, 2 februari 1960)

Lees meer...

In Memoriam Wislawa Szymborska

 

In Memoriam Wislawa Szymborska

 

 

De Poolse dichteres Wislawa Szymborska is op 88-jarige leeftijd overleden. Dat is gisteren bekendgemaakt. Szymborska won in 1996 de Nobelprijs voor de Literatuur. Wisława Szymborska werd geboren op 2 juli 1923 in Bnin. Zij is volgens haar woordvoerder 'vredig, in haar slaap, overleden'. De dichteres was al lange tijd ziek. Ze woonde in de Zuid-Poolse stad Krakau. Zie ook alle tags voor Wislawa Szymborska op dit blog.

 

 

Hier

 

Ik weet niet waar nog meer,
maar hier op aarde is genoeg van alles.
Hier maakt men stoelen en verdriet,
schaartjes, violen, tederheid, transistors,
stuwdammen, grappen, kopjes.

 

Misschien dat elders van alles meer is,
alleen ontbreken daar om bepaalde redenen schilderijen,
kinescopen, noedels, tranendoekjes.

 

Hier is een overvloed aan plekken met omgeving.
Op sommige kun je bijzonder gesteld raken,
ze op jouw manier benoemen
en behoeden voor het kwade.

 

Misschien zijn elders soortgelijke plekken,
alleen vindt niemand die mooi.

 

Misschien als nergens anders of zelden ergens
heb je hier een eigen romp,
en daarbij de nodige attributen
om bij kinderen van anderen die van jezelf te voegen.
En verder handen, benen en een verbaasd hoofd.

 

Onwetendheid hier is aldoor in de weer,
telt voortdurend iets, vergelijkt, meet,
trekt daaruit conclusies en wortels.

 

Ik weet het, ik weet wat je denkt.
Niets hier is blijvend,
want voor eeuwig en altijd in de macht der elementen.
Maar zie — elementen raken snel vermoeid
en moeten soms lang rusten
tot de volgende keer.

 

En ik weet wat je nog meer denkt.
Oorlogen, oorlogen, oorlogen.
Maar ook daartussen doen zich pauzes voor.
Geef acht — de mensen zijn slecht.
Plaats rust — de mensen zijn goed.
Op geef acht produceert men woestenijen.
Op plaats rust worden in het zweet des aanschijns huizen gebouwd
en raken snel bewoond.

 

Het leven op aarde is tamelijk goedkoop.
Voor dromen bijvoorbeeld betaal je hier geen cent.
Voor illusies — pas als je ze kwijt bent.
Voor het hebben van een lichaam — alleen met dat lichaam.

 

En alsof dat nog niet genoeg is
draai je zonder kaartje mee in een carrousel van planeten,
en samen met haar, zwart, in een storm van melkwegstelsels,
door tijden zo duizelingwekkend,
dat niets hier op aarde daar zelfs maar van trillen kan.

 

Want kijk maar eens goed:
de tafel staat waar hij stond,
op de tafel ligt een briefje, zoals daar neergelegd,
door het open raam een vleugje van enkel lucht,
en in de muren geen vervaarlijke spleten,
waardoor je nergens heen zou kunnen waaien.

 

 

 

Vertaald door Karol Lesma

 

 

 

Wislawa Szymborska (2 juli 1923 – 1 februari 2012)

01-02-12

Hugo von Hofmannsthal, Günter Eich, Dieter Kühn, F. B. Hotz

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hugo von Hofmannsthal werd geboren op 1 februari 1874 in Wenen. Zie ook alle tags voor Hugo von Hofmannsthal op dit blog.

 

 

Was ist die Welt?

 

Was ist die Welt? Ein ewiges Gedicht,

Daraus der Geist der Gottheit strahlt und glüht,

Daraus der Wein der Weisheit schäumt und sprüht,

Daraus der Laut der Liebe zu uns spricht

 

Und jedes Menschen wechselndes Gemüt,

Ein Strahl ists, der aus dieser Sonne bricht,

Ein Vers, der sich an tausend andre flicht,

Der unbemerkt verhallt, verlischt, verblüht.

 

Und doch auch eine Welt für sich allein,

Voll süß-geheimer, nievernommner Töne,

Begabt mit eigner, unentweihter Schöne,

 

Und keines Andern Nachhall, Widerschein.

Und wenn du gar zu lesen drin verstündest,

Ein Buch, das du im Leben nicht ergründest.

 

 

 

Siehst du die Stadt?

 

Siehst du die Stadt, wie sie da drüben ruht,

Sich flüsternd schmieget in das Kleid der Nacht?

Es gießt der Mond der Silberseide Flut

Auf sie herab in zauberischer Pracht.

 

Der laue Nachtwind weht ihr Atmen her,

So geisterhaft, verlöschend leisen Klang:

Sie weint im Traum, sie atmet tief und schwer,

Sie lispelt, rätselvoll, verlockend bang ...

 

Die dunkle Stadt, sie schläft im Herzen mein

Mit Glanz und Glut, mit qualvoll bunter Pracht:

Doch schmeichelnd schwebt um dich ihr Widerschein,

Gedämpft zum Flüstern, gleitend durch die Nacht.

 

 

 

 

Des alten Mannes Sehnsucht nach dem Sommer

 

Wenn endlich Juli würde anstatt März,

 

Nichts hielte mich, ich nähme einen Rand,

Zu Pferd, zu Wagen oder mit der Bahn

Käm ich hinaus ins schöne Hügelland.

 

Da stünden Gruppen großer Bäume nah,

Platanen, Rüster, Ahorn oder Eiche:

Wie lang ists, daß ich keine solchen sah!

 

Da stiege ich vom Pferde oder riefe

Dem Kutscher: Halt! und ginge ohne Ziel

Nach vorwärts in des Sommerlandes Tiefe.

 

Und unter solchen Bäumen ruht ich aus;

In deren Wipfel wäre Tag und Nacht

Zugleich, und nicht so wie in diesem Haus,

 

Wo Tage manchmal öd sind wie die Nacht

Und Nächte fahl und lauernd wie der Tag.

Dort wäre alles Leben, Glanz und Pracht.

 

Und aus dem Schatten in des Abendlichts

Beglückung tret ich, und ein Hauch weht hin,

Doch nirgend flüsterts: »Alles dies ist nichts.«

 

Das Tal wird dunkel, und wo Häuser sind,

Sind Lichter, und das Dunkel weht mich an,

Doch nicht vom Sterben spricht der nächtige Wind;

 

Ich gehe übern Friedhof hin und sehe

Nur Blumen sich im letzten Scheine wiegen,

Von gar nichts anderm fühl ich eine Nähe.

 

Und zwischen Haselsträuchern, die schon düstern,

Fließt Wasser hin, und wie ein Kind, so lausch ich

Und höre kein »Dies ist vergeblich« flüstern!

 

Da ziehe ich mich hurtig aus und springe

Hinein, und wie ich dann den Kopf erhebe,

Ist Mond, indes ich mit dem Bächlein ringe.

 

Halb heb ich mich aus der eiskalten Welle,

Und einen glatten Kieselstein ins Land

Weit schleudernd, steh ich in der Mondeshelle.

 

Und auf das mondbeglänzte Sommerland Fä

Fällt weit ein Schatten: dieser, der so traurig

Hier nickt, hier hinterm Kissen an der Wand?

 

So trüb und traurig, der halb aufrecht kauert

Vor Tag und böse in das Frühlicht starrt

Und weiß, daß auf uns beide etwas lauert?

 

Er, den der böse Wind in diesem März

So quält, daß er die Nächte nie sich legt,

Gekrampft die schwarzen Hände auf sein Herz?

 

Ach, wo ist Juli und das Sommerland!

 

 

 

Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)

Lees meer...