27-06-13

Lucille Clifton, Rafael Chirbes, E. J. Potgieter, Kees Ouwens, Marcus Jensen

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

 

 

good times

 

my daddy has paid the rent
and the insurance man is gone
and the lights is back on
and my uncle brud has hit
for one dollar straight
and they is good times
good times
good times

my mama has made bread
and grampaw has come
and everybody is drunk
and dancing in the kitchen
and singing in the kitchen
of these is good times
good times
good times

oh children think about the
good times

 

 

 

seeker of visions

 

what does this mean.
to see walking men
wrapped in the color of death,
to hear from their tongue
such difficult syllables?
are they the spirits
of our hope
or the pale ghosts of our future?
who will believe the red road
will not run on forever?
who will believe
a tribe of ice might live
and we might not?

 

 

 

 

Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

 

Lees meer...

26-06-13

Jacqueline van der Waals, Aimé Césaire, Yves Beauchemin, Elisabeth Büchle, Laurie Lee, Pearl S. Buck, Branwell Brontë

 

De Nederlandse dichteres Jacqueline Elisabeth van der Waals werd geboren op 26 juni 1868 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Jacqueline van der Waals op dit blog.

 

 

Bij ’t venster

 

Het windje, zoel van bloemengeuren, streek
Mij langs de warme wangen, zwaar en loom,
De bijen gonsden om de lindeboom,
Vlak bij mijn open venster, en ik keek
 
Doelloos naar buiten, waar ik bij de heg
Aan de andere zijde van de eikenlaan,
Je moeder langzaam langs haar bloemen gaan,
En toeven zag en uitzien langs de weg.
En, toen je kwam, en, toen je naast elkaar

Naar binnen ging, en zij, de slanke vrouw,
Het hoofd omhoog hief - o, ik wist, hoe blauw
Die ogen blonken onder 't grijze haar -;
Toen dacht ik, hoe ik ook wel graag tot jou
Eens zó had willen opzien - even maar.

 

 

 

 

Kastanjes

 

Het is een heldere dag in mei,
De wind waait lustig, de zon schijnt blij
Op bloeiende paarse seringen,
En gouden regens in gele tooi
En alles is zo mooi, zo mooi!
En alle vogels zingen!

En zie hoe blauw de hemel blauwt
Boven de weiden geel als goud,
De zonnige, bloeiende landen,
En zie de kastanjebomen daar staan!
Daar groeien witte kaarsjes aan,
Wat zullen die kaarsjes aardig staan
Wanneer ze van avond branden!

 

 

 

 

Sonnetten zijn vol liefde

 

Sonnets are full of love
Chr.
Rossetti

Sonnetten zijn vol van liefde, dus ik zal
Mijn hoogste liefde ook in sonnetvorm uiten,
Niets weet ik dan die liefde, niets staat buiten
Niets boven haar - zij is mij 't een en 't al.

Zo liefde zwijge, waar ze in d'enge hal
Van aardse min de liefste aan 't hart mag sluiten,
Of stijgend, waar gedachte en woorden stuiten
Verstommen voor Gods stille woordenval....

Daar, waar de liefde liefdes doel verloor,
Of waar de liefde twijfelt aan zichzelven,
Daar spreekt haar stem en vult de luchtgewelven
Met klang en klaagt de hoge heemlen door...

Sonnetten zijn vol liefde en liefsverlangen,
Hoe dieper droefenis, hoe zoeter zangen.

 

 

 

 

Jacqueline van der Waals (26 juni 1868 – 29 april 1922)

Lees meer...

25-06-13

Yann Martel, Michel Tremblay, Nicholas Mosley, Ingeborg Bachmann, Arseny Tarkovsky, George Orwell

 

De Canadese schrijver Yann Martel werd op 25 juni 1963 geboren in Salamanca. Zie ook alle tags voor Yann Martel op dit blog.

 

Uit: Life of Pi

 

“The three-toed sloth lives a peaceful, vegetarian life in perfect harmony with its environment. "A good-natured smile is forever on its lips," reported Tirler (1966). I have seen that smile with my own eyes. I am not one given to projecting human traits and emotions onto animals, but many a time during that month in Brazil, looking up at sloths in repose, I felt I was in the presence of upside-down yogis deep in meditation or hermits deep in prayer, wise beings whose intense imaginative lives were beyond the reach of my scientific probing.

Sometimes I got my majors mixed up. A number of my fellow religious-studies students - muddled agnostics who didn't know which way was up, who were in the thrall of reason, that fool's gold for the bright - reminded me of the three-toed sloth; and the three-toed sloth, such a beautiful example of the miracle of life, reminded me of God.

 

 


Scene uit de film “Life of Pi” uit 2012

 

 

I never had problems with my fellow scientists. Scientists are a friendly, atheistic, hard-working, beer-drinking lot whose minds are preoccupied with sex, chess and baseball when they are not preoccupied with science.

I was a very good student, if I may say so myself. I was tops at St. Michael's College four years in a row. I got every possible student award from the Department of Zoology. If I got none from the Department of Religious Studies, it is simply because there are no student awards in this department (the rewards of religious study are not in mortal hands, we all know that). I would have received the Governor General's Academic Medal, the University of Toronto's highest undergraduate award, of which no small number of illustrious Canadians have been recipients, were it not for a beef-eating pink boy with a neck like a tree trunk and a temperament of unbearable good cheer.”

 

 

 

Yann Martel (Salamanca, 25 juni 1963)

Lees meer...

24-06-13

Ernesto Sabato, Yves Bonnefoy, Scott Oden, Kurt Kusenberg, Matthijs Kleyn, Madelon Székely-Lulofs

 

De Argentijnse schrijver Ernesto Sabato werd op 24 juni 1911 geboren in Rojas, een dorp in de provincie Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Ernesto Sabato op dit blog.

 

Uit: The Tunnel  (Vertaald door Margaret Sayers Peden)

 

“There was only one tunnel, dark and solitary: mine, the tunnel where my childhood, my youth, my whole life had passed. And in one of those clear fragments of the stone wall I had seen this girl and I had naively thought that she was coming through another tunnel parallel to mine, when in reality she belonged to the wide world, the limitless world of those who do not live in tunnels.”

(…)

 

“More than any other, however, I detest groups of painters. Partly, of course, because painting is what I know best, and we all know that we have a greater reason to detest the things we know well. But I have still another reason: THE CRITICS. They are a plague I have never understood. If I were a great surgeon, and some fellow who had never held a scalpel in his hand, who was not a doctor, and who had never so much as put a splint on a cat's paw, tried to point out where I had gone wrong with my operation, what would people think? It is the same with painting.”

(…)

 

“My dear, I have never been able to finish a Russian novel. They are so tiresome. I think there are thousands of characters, and in the end it turns out there are only four of five. Isn’t it maddening just when you begin to recognize a man called Alexandre, he’s called Sacha, and then Satchka, and later Sachenka, and suddenly something pretentious like Alexandre Alexandrovitch Bunine, and later simply Alexandre Alexandrovitch. The minute you get your bearings, they throw you off the track again. There’s no end to it; each character is a whole family in himself."

 

 

 

Ernesto Sabato (24 juni 1911 – 30 april 2011)

Lees meer...

John Ciardi

 

De Amerikaanse dichter, vertaler en etymoloog John Anthony Ciardi werd geboren op 24 juni 1916 in Boston. Na de dood van zijn vader in 1919, werd hij opgevoed door zijn Italiaanse moeder (die analfabeet was) en zijn drie oudere zussen, die allemaal zo zuinig leefden en spaarden tot ze genoeg geld had om hem te laten studeren. Ciardi begon zijn hogere studies aan het Bates College in Lewiston, Maine, maar stapte over naar de Tufts University in Boston, waar hij studeerde onder de dichter John Holmes. Hij behaalde zijn diploma in 1938, en won een studiebeurs voor de universiteit van Michigan , waar hij zijn master's degree behaalde ende eerste van vele prijzen voor zijn poëzie won. Ciardi leerde kort aan de universiteit van Kansas City voordat hij in 1942 bij de Amerikaanse luchtmacht ging. Hij vloog als boordschutter zo'n twintig missies boven Japan. Hij werd ontslagen in oktober 1945 met de rang van sergeant en met verschillende onderscheidingen. Ciardi’s dagboek , Saipan, werd postuum gepubliceerd in 1988. Na de oorlog keerde Ciardi terug naar de UKC. Van 1946 tot 1953 was hij assistent-hoogleraar aan Harvard University. In zijn tijd aan Harvard  begon Ciardi zijn lange samenwerking met de Bread Loaf Writers Conference aan het Middlebury College in Vermont, waar hij bijna 30 jaar lezingen over poëzie gaf.

Ciardi had zijn eerste dichtbundel “Homeward to America” in 1940, voor de oorlog, gepubliceerd. Zijn volgende bundel “Other Skies” werd gepubliceerd in 1947. Zijn derde boek “Live Another Day” kwam uit in 1949. Ciardi was begonnen om voor zijn lessen aan Harvard Dantes Goddelijke Komedie te vertalen en ging daarmee verder gedurende heel zijn tijd daar. Zijn vertaling van “Inferno” werd gepubliceerd in 1954. De vertaling van “De Louteringsberg” volgde in 1961 en die van “Paradiso” in 1970. Van 1953 tot 1961 doceerde hij creatief schrijven aan de Rutgers University, waarna hij koos voor een lucratieve carrière  in het college tour circuit.

Ciardi schreef ook een reeks boeken over etymologie : “A Browser’s Dictionary” (1980), “A Second Browser’s Dictionary” (1983) en “Good Words to You” (1987). Hij raakte tijdens de tegencultuur van de late jaren 1960 en 1970 wat in de vergetelheid.  In 1956 ontving Ciardi de Prix de Rome van de Amerikaanse Academie van Kunsten en Letteren. Hij won ook de American Platform Association’s Carl Sandburg Award in 1980. Als erkenning van het werk van Ciardi wordt jaarlijks de John Ciardi Lifetime Achievement Award voor poëzie toegekend aan een Italiaans- Amerikaanse dichter voor zijn levenswerk.

 

 

Suburban

 

Yesterday Mrs. Friar phoned.'Mr. Ciardi,
how do you do?' she said. 'I am sorry to say
this isn't exactly a social call. The fact is
your dog has just deposited-forgive me-
a large repulsive object in my petunias.'

I thought to ask, 'Have you checked the rectal grooving
for a positive I.D.?' My dog, as it happened,
was in Vermont with my son, who had gone fishing-
if that's what one does with a girl, two cases of beer,
and a borrowed camper. I guessed I'd get no trout.

But why lose out on organic gold for a wise crack
'Yes, Mrs. Friar,' l said, 'I understand.'
'Most kind of you,' she said. 'Not at all,' I said.
I went with a spade. She pointed, looking away.
'I always have loved dogs,' she said, 'but really!'

I scooped it up and bowed. 'The animal of it.
I hope this hasn't upset you, Mrs. Friar.'
'Not really,' she said, 'but really!' I bore the turd
across the line to my own petunias
and buried it till the glorious resurrection

when even these suburbs shall give up their dead.

 

 

 

 

White Heron

 

What lifts the heron leaning on the air
I praise without a name. A crouch, a flare,
a long stroke through the cumulus of trees,
a shaped thought at the sky - then gone. O rare!
Saint Francis, being happiest on his knees,
would have cried Father! Cry anything you please

But praise. By any name or none. But praise
the white original burst that lights
the heron on his two soft kissing kites.
When saints praise heaven lit by doves and rays,
I sit by pond scums till the air recites
It's heron back. And doubt all else. But praise.

 

 

 

Men Marry What They Need

 

Men marry what they need. I marry you,
morning by morning, day by day, night by night,
and every marriage makes this marriage new.

In the broken name of heaven, in the light
that shatters granite, by the spitting shore,
in air that leaps and wobbles like a kite,

I marry you from time and a great door
is shut and stays shut against wind, sea, stone,
sunburst, and heavenfall. And home once more

inside our walls of skin and struts of bone,
man-woman, woman-man, and each the other,
I marry you by all dark and all dawn

and have my laugh at death. Why should I bother
the flies about me? Let them buzz and do.
Men marry their queen, their daughter, or their mother

by hidden names, but that thin buzz whines through:
where reasons are no reason, cause is true.
Men marry what they need. I marry you.

 

 

 


John Ciardi (24 juni 1916 – 30 maart 1986)

20:26 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: john ciardi, romenu |  Facebook |

In Memoriam Elis Juliana

 

In Memoriam Elis Juliana

 

De Curaçaose dichter, auteur, kunstenaar en onderzoeker Elis Juliana is op 23 juni overleden. Dat is door zijn familie bekendgemaakt. Hij is 85 jaar geworden. Juliana behoort met Luis Daal en Pierre Lauffer tot de ‘Grote Drie’ van de Antilliaanse dichtkunst in het Papiaments. Zie ook alle tags voor Elis Juliana op dit blog.

 

 

 

Hé Patu (fragment)

Hé Patu ta yanga.
Hé Patu ta rondia
Hun tiki kuminda
Pa su muchanan.

Hé P’akí, hé p’ayá
Hé P’akí, hé p’ayá.


 

Waggeleend (fragment)

Het eendje dat waggelt,
Het eendje dat scharrelt
Op zoek naar wat voer
Voor haar jongen:

Hóp naar links! Hóp naar rechts!
Hóp naar links! Hóp naar rechts!

 

 

 

Vertaald door Fred de Haas

 

 

 

Zwarte engelen

 

Rustend in moeders schoot vroeg het kind:
Mamita, zijn er zwarte engelen ook?
En wat kon de moeder anders zeggen dan:
Slaap mijn kind, slaap zacht.

 

 

Vertaald door Frank Martinus Arion

 

 

 

 

 

Elis Juliana (8 augustus 1927 – 23 juni 2013)

18:59 Gepost door Romenu in In Memoriam, Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: in memoriam, elis juliana, romenu |  Facebook |

23-06-13

David Leavitt, Pascal Mercier, Franca Treur, Jean Anouilh, Richard Bach, Anna Achmatova

 

De Amerikaanse schrijver David Leavitt werd geboren in Pittsburgh op 23 juni 1961. Zie ook alle tags voor David Leavitt op dit blog.

 

Uit: The Page Turner

 

"Paul! Let me fix your tie!"

All at once his mother was on him, her hands at his throat.

"Mother, please, my tie's all right --"

"Let me just tighten the knot, honey, you don't want to have a loose knot for your debut --"

"It's not my debut." "When my son sits up on a stage in front of two thousand people, I consider it a debut. There, much better."

She stepped back slightly, smoothed his lapels with long fingers. Even so, her face was close enough to kiss: he could see her crow's-feet under make-up, smell the cola-like sweetness of her lipstick, the Wrigley's on her breath.

"That's good enough, Mother."

"Just one little adjustment --"

"I said it was good enough!"

Writhing away from her, Paul hurried across the wings, to where Mr. Mansourian, the impresario, awaited him.

 

 

 

Paul (Kevin Bishop) en Richard (Paul Rhys),

scene uit de film “Food of Love” uit 1998 (gebaseerd op de roman “The Page Turner”)

 

 

"Well, well, well," said Mr. Mansourian, "if you're not the best-dressed page turner I've ever seen. Come on, I'll introduce you to Kennington."

"Good luck, sweetheart!" Pamela called almost mournfully. She waved at Paul, a tissue balled in her fist. "Break a leg! I'll see you after the concert."

He didn't answer. He was out of earshot, out of the wings, beyond which the hum of the settling audience was becoming audible.

Mr. Mansourian led him up steep stairways and along antiseptic corridors, to a dressing room at the door to which he knocked three times with sharp authority.

"Come in!"

They went. In front of mirrors Richard Kennington, the famous pianist, sat on a plastic chair, bow tie slack around his throat. He was drinking coffee. Isidore Gerstler, the famous cellist, was eating a cinnamon-frosted doughnut out of a box. Maria Luisa Strauss, the famous violinist, was stubbing out a cigarette in an ashtray already overflowing with red-tipped butts. Her perfume, capacious and spicy, suggested harems. Yet the room had no softness, no Persian carpets. Instead it was all lightbulbs that brightened the musicians' faces to a yellowish intensity.

 

 

 

David Leavitt (Pittsburgh, 23 juni 1961)

Portret door Arnold Mesches

Lees meer...

Cornelia Schmerle, Wolfgang Koeppen, Urs Jaeggi, Robert C. Hunter, Will Shutt

 

De Duitse dichteres Cornelia Schmerle werd geboren op 23 juni 1973 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Cornelia Schmerle op dit blog.

 

 

Unter Ulmen

 

Denn in meinem Arm ist eine. Gerufene;
getragen aus den Türmen der Zwanghaften.

Hier betet ein Traum um seine Richtigkeit.
Hier wird die Ungläubige verschleiert.

Sie wird dem Einäugigen laut angepriesen,
wird ihm gestellt und in die Rahmen gespannt.

Wir essen von kalten Kohlen. Magern.
Im Auge der Bienen sind wir giftig.

Ich bin aus Merkwürdigem geschaffen;
ein Allerlei aus zwittrigen Samen.

Bevor ich Wind bin – Sprache überm Wasser
bin ich verschluckt; eine Stimme nach der nächsten.

 

 

 

 

Wurzeln


Die leichten Körper liegen schon
in der Nähe auf einen Karren, den ich zieh.
Ihre schönen Gesichter schlafen, erinnern nicht.
Mein Lid halt ich gerade, die Achse.

Mutter hat den Geruch von Maulwurf;
immer ist Erde noch an ihrem mahnenden Finger.
Diese Gänge sind nicht mein Daheim!
Ihr Aufgeworfenes ist kleinlich.

Ich breche die Schale bis nichts mehr
getrennt ist durch die Ahnung der Witterungen.
Das Stöhnen bleibt, trotzdem ich fauche, den Buckel
setze gegen den Strich einer Hand.

 

 

 

 

Cornelia Schmerle (Berlijn, 23 juni 1973)

Lees meer...

Aart van der Leeuw

 

De Nederlandse dichter en schrijver Aart van der Leeuw in Hof van Delft op 23 juni 1876. Van der Leeuw, kwam uit een koopmansfamilie en volgde een gymnasiumopleiding in Delft, die hij met moeite na herexamens in 1898 wist af te ronden, toen hij al 22 jaar oud was. Van der Leeuw werd geplaagd door woordblindheid en een toenemende doofheid. Beide aandoeningen droegen bij aan de problemen die hij bij zijn studie en werk ondervond. Hij studeerde rechten aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam, niet zozeer omdat hij zich daarvoor interesseerde, maar omdat het een korte studie was met gunstige maatschappelijke vooruitzichten. Na zijn promotie werkte hij korte tijd op het gemeentearchief van Delft, en vanaf 1903 als 'chef de bureau' bij de Levensverzekeringsmaatschappij Dordrecht. In datzelfde jaar trouwde hij met zijn vroegere schoolvriendin Antonia Johanna Kipp. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen voortgekomen. Van der Leeuw had het bij de Dordtse verzekeringmaatschappij niet naar zijn zin. Zijn zwakke gezondheid greep hij uiteindelijk aan om in 1907 ontslag te nemen. Door het overlijden van zijn schoonouders viel hem en zijn vrouw een bescheiden erfenis ten deel, net genoeg om zelfstandig te kunnen leven. Het paar vestigde zich in Voorburg, waar Van der Leeuw zich wijdde aan het vioolspel en aan zijn schrijverschap. In 1928 werd hem de C.W. van der Hoogtprijs toegekend door de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden.Hij schreef niet een zeer omvangrijk oeuvre, maar zijn boeken “Ik en mijn speelman uit 1927” en “De kleine Rudolf” uit 1930 worden gezien als klassiekers van de Nederlandse 20ste-eeuwse letterkunde. Opmerkelijk aan zijn poëzie is dat hij zich toelegde op het prozagedicht.

Uit: Ik en mijn speelman

“Ik houd er van, om in een bloemruiker een distel te steken, of op een fruitschaal tusschen de vruchten een schubbigen sparappel te leggen. Daarom had ik in het huis, waar voor de liefde betaald wordt, den gebochelden muzikant, die zooeven, als uit den hemel gevallen, voor mijn stilhoudenden draagstoel stond, en mij behulpzaam is geweest bij het uitstijgen, mee naar binnen genomen.
In de feestzaal war en alle kaarsen aangestoken, en deden hun lichtjes in het kristal van de spiegels, in de juweelen van kapsels, keurzen en de ge vest en der degens weertintelen. Vijf vrienden, vijf vrouwen. De komst van mijn speelman werd met handgeklap en gejubel begroet. ‘Het is maar gemakkelijk,’ werd er geroepen, ‘om je vioolkist aan je vastgegroeid bij je te dragen, zoodat er geen kans is, dat je hem ooit zult vergeten,’ en een ander vroeg hem, of hij op het hoofd kon staan als de nar van den koning. Lachend zette hij zich op een lage taboeret in een hoek van de kamer, en stemde zijn gitaar.
Ik schudde de kaarten. Ik zou de bank houden. De winst moest ons, den bezoekers, in kussen worden uitgeteld, ons verlies zou betaald worden in gouden dukaten.
Wij lieten den muzikant van den wijn brengen, en wierpen hem, zooals je een hond een brok geeft van den maaltijd, af en toe een geldstuk voor de voeten. Daarvoor zong hij met een heesch geluid de gebruikelijke liedjes, ze op zijn instrument begeleidend. Sommigen neurieden het refrein mee, anderen riepen kwinkslagen, of namen schaterend de bestraffing in ontvangst voor hun vrijpostigheden. Somtijds, plotseling, viel een stilte in, zoo een, die je weemoedig maakt en verlegen, en waarbij vergeten dingen in je herinnering komen: een groene bank onder een linde, kinderen, en het jubelend roepen van je naam in de verte. Wij schertsten dit weg, of we een lastig insect van ons afsloegen.
Het werd warm in de kamer. Wij gaven den speelman een teeken. Hij opende een venster; meteen sprong de deur uit het slot; een vochtige windvlaag voer binnen, en de kaarsen doofden uit. Wij zaten in duister. Uit den nacht werd een klacht over ons gesproken, een kreet van een vogel, een ruischen, een zuchten. Toen zong de man dat lied."

 

 
Aart van der Leeuw (23 juni 1876 – 17 april 1931)

18:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: aart van der leeuw, romenu |  Facebook |

22-06-13

Nescio, Juliën Holtrigter, Jaap Robben, Willie Verhegghe, Henry Rider Haggard, Erich Maria Remarque, Dan Brown

 

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook alle tags voor Nescio op dit blog.

 

Uit: De Uitvreter

 

“Die monsters werden weggegooid; die gingen nooit naar de klanten. Toch had ik in die dagen nog gelegenheid om een brief verkeerd in te sluiten. Natuurlijk was 't erg; de man die den brief kreeg mocht niet weten, dat de baas zaken deed met den man waaraan i geschreven was. De boekhouder was totaal van streek. Toen begreep ik, dat ik maar liever heen moest gaan. Ik kreeg een poot van den baas. Ik was zelf ook blij dat ik wegging en heb hem hartelijk de hand geschud. Ik heb gezegd, dat 't me speet, maar dat ik er niets aan doen kon en ik geloof, dat 'k 't meende. Zie je, Koekebakker, dat is handel. Ik ben daarna nog drie weken volontair geweest op een effectenkantoortje, krantjes nakijken met een boek om te zien of de stukken van de klanten waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voor bewaard blijven. Ze moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Er was geen denken aan, dat ze uit 't copieboek konden wijs worden. Ik zag wel in dat 't zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden.

‘Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat 't met de jaren wel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. 't Lijkt er nog niet veel op. 'k Heb 't nog veel te goed zoo. Weet je dat Bavink pas een bom duiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef met een hooibergje en een kalf. Als je blieft.’ En hij haalde zijn portemonnaie voor den dag. ‘Hij puilt van de centen. Koekebakker, jong, hij puilt van de centen. Harde riksjes. Morgen ga ik op reis.’

‘Met Bavink?’ vroeg ik. ‘Neen,’ zei Japi, ‘niet met Bavink, alleen. Ik ga naar Friesland.’ ‘Midden in den winter?’ Japi knikte. ‘Wat doen?’ Hij haalde z'n schouders op. ‘Doen? Niks doen. Jelui kerels zijn zoo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin in heb.’

Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker naar den sneltrein van zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel te wijd was, een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aan z'n voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z'n hand hatti een papieren sigarenpijpje met een reclame. ‘Wacht even’, zei i, toen we al beneden waren. ‘Ik heb nog wat vergeten.’ Even daarna kwam i terug met een vischhengel.

Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgen wat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een half uur vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan het portier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabak voor hem had.”

 

 

 

Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

Lees meer...

Tadeusz Konwicki, Xavier Grall, Anne Morrow Lindbergh, Johannes Baader, Ida von Hahn-Hahn, Jacques Delille

 

De Poolse schrijver en regisseur Tadeusz Konwicki werd geboren op 22 juni 1926 in Nowa Wilejka bij Vilnius. Zie ook alle tags voor Tadeusz Konwicki op dit blog.

 

Uit: The Calendar and the Hourglass (Vertaald door Daniel Bourne)

 

“New Year with a Bad Hangover
WHERE TO START? Maybe with the sign of the cross or a magic charm. I'm a superstitious person, and getting more and more so. Only people enjoying prosperity, people on a run of good luck, make fun of superstitions. But the longer one's life, the leaner it becomes. Towards the end it gets more and more necessary to knock on wood, spit three times, to make one's benedictions surreptitiously.
And I'm attempting something here a little absurd. For many years I've stuck to writing a story--that powerful chain that can hold together the most wild and wooly words. Whenever I have been carried away by excessive ambition--and strayed away from stories and started toying around with personal essays or whatever you might call them--each time I've ended up in abject defeat. In light of this, with great superstitious dread, I have continued to latch on to plot, to action and drama. The story leads me like a blind man through the bogs of being a writer.
But it got boring. It's as simple as that. It got boring like a monotonous, automatic action carried out for years, so I thought it might be nice to write something from time to time, from whim to whim and chance to chance. And, as bad luck would have it, my little case of boredom came at a time when fellow novelists and other drudges in this toilsome profession--when hacks everywhere had started to abandon stories on the sly as if they were pushing out ballast no longer of use to anyone, though carried along to who knows where just in case.”

 

 

 

Tadeusz Konwicki (Nowa Wilejka, 22 juni 1926)

Lees meer...

21-06-13

Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Anne Carson, Adam Zagajewski, Ian McEwan, Alon Hilu

 

De Nederlandse dichter Ed Leeflang werd geboren op 21 juni 1929 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Ed Leeflang op dit blog.

 

 

Hij is prins

 

Hij is prins, hij wil geen onderdanen,
want zij zullen allen in elk geval prinsen zijn:
prins verkoper, prins bloemist,
prins huisvrouw en prins dode.

Zijn wenkbrouw spreekt,
zijn ogen vragen en op
zijn tafel staan de staatsgeheimen
van de dagen.

Kwetsbare prinsen onder elkaar
- met moeders als een tv-serie
zo benauwend vasthoudend -
iedereen wordt een wezen.

Er is geen vrouwlijkheid in deze klas,
er is slechts hoffelijkheid en hoogheid
en hevigheid van schrijven en van lezen.
Wie 's morgens binnenkomt is
een vereerde gast.

 

 

 

 

Botlopen

 

We zetten zwinnen in de zandplaat af
met warnetten en joegen stapvoets bot
en schol op, vingen emmers vol.

De kotter op de drooggevallen vlakte
hing scheef, de eerste stilte scheen
te dalen uit de zon, een oever was
er niet.

Uit water waren wij getild, samen
met gesloten schelpen, om tenminste
één keer haast te weten hoe het is: te
zijn gestrand en toch te overleven.

Twee of drie uur zou de eb ons hier
nog dulden. Dan niet meer.
Genoeg om te onthouden dat wij het
onbetwiste midden waren van de ruimte,
die wij opgelucht en nietsontziend
bevisten.

 

 

 

 

Duinen

 

Zoals altijd is er een dierenspoor.
Er staan gewone brem, slangenkruid,
ossetong en koekoeksbloemen. Sommige
konijnen begonnen een hol, maar
groeven niet door.

In de spaarbekkens hangt het water;
je zou er munten in kunnen gooien
als in het bassin van een fontein.

Bast is van jonge bomen afgeknaagd.
Zie toch hoe de dag werkelijk wentelt
en er van alles uit de tijd valt, ritselend,
hoe schelpen gaan, knerpend, hoe niemand
meer opraapt, hoe niemand meer ergens
naar vraagt, hoe de wind heengaat:
zonder geest te zijn wat hij afrukt
verwerpend.

 

 

 

 

Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

Lees meer...

20-06-13

Vikram Seth, Paul Muldoon, Kurt Schwitters, Jean-Claude Izzo, Silke Andrea Schuemmer

 

De Indische schrijver Vikram Seth werd geboren op 20 juni 1952 in Kolkata. Zie ook alle tags voor Vikram Seth op dit blog.

 

Uit: A Suitable Boy

 

“Lata reflected that of the four brothers and sisters, the only one who hadn't complained of the match had been the sweet-tempered, fair-complexioned, beautiful Savita herself.

'He is a little thin, Ma,' said Lata a bit thoughtlessly. This was putting it mildly. Pran Kapoor, soon to be her brother-in-law, was lank, dark, gangly, and asthmatic.

'Thin? What is thin? Everyone is trying to become thin these days. Even I have had to fast the whole day and it is not good for my diabetes. And if Savita is not complaining, everyone should be happy with him. Arun and Varun are always complaining: why didn't they choose a boy for their sister then? Pran is a good, decent, cultured khatri boy.'

There was no denying that Pran, at thirty, was a good boy, a decent boy, and belonged to the right caste. And, indeed, Lata did like Pran. Oddly enough, she knew him better than her sister did--or, at least, had seen him for longer than her sister had. Lata was studying English at Brahmpur University, and Pran Kapoor was a popular lecturer there. Lata had attended his class on the Elizabethans, while Savita, the bride, had met him for only an hour, and that too in her mother's company.

'And Savita will fatten him up,' added Mrs Rupa Mehra. 'Why are you trying to annoy me when I am so happy? And Pran and Savita will be happy, you will see. They will be happy,' she continued emphatically. 'Thank you, thank you,' she now beamed at those who were coming up to greet her. 'It is so wonderful--the boy of my dreams, and such a good family. The Minister Sahib has been very kind to us. And Savita is so happy. Please eat something, please eat: they have made such delicious gulabjamuns, but owing to my diabetes I cannot eat them even after the ceremonies. I am not even allowed gajak, which is so difficult to resist in winter. But please eat, please eat. I must go in to check what is happening: the time that the pandits have given is coming up, and there is no sign of either bride or groom!' She looked at Lata, frowning. Her younger daughter was going to prove more difficult than her elder, she decided.

'Don't forget what I told you,' she said in an admonitory voice.

'Hmm,' said Lata. 'Ma, your handkerchief's sticking out of your blouse.'

'Oh!' said Mrs Rupa Mehra, worriedly tucking it in. 'And tell Arun to please take his duties seriously. He is just standing there in a corner talking to that Meenakshi and his silly friend from Calcutta. He should see that everyone is drinking and eating properly and having a gala time.'

 

 

 

Vikram Seth (Kolkata, 20 juni 1952)

Lees meer...

19-06-13

Salman Rushdie, Sybren Polet, Josef Nesvadba, Osamu Dazai, José Rizal, Friedrich Huch, Gustav Schwab

 

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

 

Uit: The Satanic Verses

 

“When Baal proceeded to lay out the plan for the madam, she responded: "It is very dangerous, but it could be damn good for business." While I do not wholly subscribe to the theory that authors tend to write self-fulfilling novels, it seems quite clear to me that "they" did hear and that they are indeed mad enough to "boil his balls in butter." The Ayyatollah Khomeni, who issued the fatwa for Rushdie's death, in fact stated that what Rushdie wrote about the Prophet literally made his blood boil (quoted in Appignanesi and Maitland 1990:73). The whole thing has been very dangerous, and there is little doubt but that the controversy has been "damn good for business."

The question that remains for me is why Rushdie -- being brought up as a Muslim, even a backsliding one -- did not realize what the reaction of his fellow Muslims would be (Baal was certainly not naive about how Mahound would respond to knowing whores were pretending to be his wives), or why Rushdie realized it but went ahead and did it anyway. To a certain extent Rushdie's public presentation of his private doubt came at the wrong time -- it was a convenient lightning rod at a time when anger against the West -- understandable anger at that -- needed to go somewhere.

But the key I think is found in the same passage (p. 380), where Rushdie comments: "Where there is no belief, there is no blasphemy." In an interview ironically broadcast the same day in 1989 as Khomeini's death warrant, Rushdie added: "Doubt, it seems to me, is the central condition of a human being in the 20th century" (quoted in Appignanesi and Maitland 1990:24). Here I think is the crux of the problem. We can readily identify with Rushdie on doubt as the norm in the secular as well as much of the sacred thinking of our West. We can read The Satanic Verses as an exercise in dealing with that doubt, one that Rushdie as an immigrant author in our backyard vigorously defends as viable even though it may be seen as blatant unbelief by his critics. But the problem is that Rushdie, at least up until a recent interview with

David Frost, has never claimed not to have belief. He has simply admitted to doubt.”

 

 

 

Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

Lees meer...