29-05-16

André Brink, Eduard Escoffet, G. K. Chesterton, Bernard Clavel, Leah Goldberg, T. H. White

 

De Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink werd geboren op 29 mei 1935 in Vrede. Zie ook alle tags voor André Brink op dit blog.

Uit: De bidsprinkhaan (Vertaald door Rob van der Veer).

“Kupido Kakkerlak werd niet op de gewone manier uit zijn moeders lichaam geboren, maar uitgebroed uit de verhalen die ze vertelde. Deze verhalen namen vele vormen aan.
Volgens een ervan was zijn moeder een maagd, zo smal en dun als een leren riempje, en had iedereen pas in de gaten dat ze zwanger was toen de nietige boreling ter wereld kwam. In een andere versie was ze juist zichtbaar en kolossaal zwanger, een bizar lange tijd, wel drie tot vier jaar, voordat de berg een muis baarde. Afhankelijk van haar luim en de stand van de maan beweerde ze dat hij juist niet een kind van haar was, maar gewoon in haar hut was achtergelaten, pasgeboren en met de navelstreng nog aan de nageboorte, door een vreemdeling die toevallig ’s nachts voorbij was gekomen en wiens gezicht ze geen moment te zien had gekregen. (Het enige wat ze met zekerheid kon zeggen, was dat de vreemdeling anders dan zij geen contractarbeider was, maar ‘een vrij man’ die kon gaan en staan waar hij wou, net als de wind.) Van deze weergave was het maar een kippeneindje naar de uitspraak dat de bezoeker helemaal geen mens was geweest, maar een nachtloper, een van de soba khoin of schaduwmensen die bij de levenden komen spoken, of een fantoom uit een droom. Veel van haar toehoorders prefereerden de versie waarin Kupido de ene helft van een tweeling was geweest en ergens in het vrije veld was neergelegd omdat hij heel duidelijk de zwakste van het stel was, volgens de oeroude gewoonten van de Khoikhoi (oftewel de Hottentotten, zoals ze algemeen bekend waren aan het eind van de achttiende eeuw, toen dit alles gebeurde).
Op een gegeven moment, zo gaat het verhaal, dook er een bateleur uit de hemelen, een prachtige buitelarend uit de verre bergen, die het amper wriemelende wurm in zijn klauwen greep om het vervolgens te verliezen - of te laten vallen - op de manier waarop deze vogels een schildpad doden, een heel eind verderop, in de godverlaten, hoger gelegen streken van de Grote Karoo, bekend als de Koup, waar afstand alle betekenis verliest en slechts pure ruimte heerst. De baby kwam terecht op de schoot van een vrouw die daar op de vlakte zat te slapen, en toen ze wakker werd, was het kind er, en van haar. Het enige wat ze wist - hoe, dat zou niemand kunnen zeggen - was dat de arend ooit eens weerom zou komen om het schepseltje mee terug te nemen naar waar hij vandaan gekomen was.”

 

 
André Brink (29 mei 1935 - 6 februari 2015)

Lees meer...

Mohsen Makhmalbāf, Hans Weigel, Max Brand, Anne d'Orléans de Montpensier, Alfonsina Storni, Till Mairhofer

 

De Iraanse filmregisseur en schrijver Mohsen Makhmalbāf werd geboren op 29 mei 1957 in Teheran. Zie ook alle tags voor Mohsen Makhmalbāf op dit blog.

Uit: Le Jardin de cristal (Vertaald door Vincent Despagnet)

«Lâyeh arpentait la pièce, une main sur les reins. Douleur. Délire.
Une brebis met bas. Les filles font cercle autour, soucieuses. Elle souffre. Les filles restent immobiles. Il ne faut pas s’immiscer dans le travail de la nature. L’animal agnelle à l’écart, seul à endurer le mal. Un instant de répit. Le temps de brouter un peu, d’oublier. Puis de nouveau les muscles se contractent. Plus fort qu’avant. Les pattes se dérobent. Le malaise et la détresse de la brebis couchée sur le flanc se mêlent à ceux de la jeune femme, qui s’allonge en geignant. Au paroxysme de la souffrance, les pattes de l’agneau apparaissent à l’extrémité du ventre de la femelle. Nouvel être donné au monde: voici ton univers! Il est à toi! Réjouis-toi! Mais pour un instant seulement, car le moment d’avoir la gorge tranchée approche ! Broute, afin de devenir beau et gras.»

 

 
Mohsen Makhmalbāf (Teheran, 29 mei 1957)

Lees meer...

28-05-16

Ad Zuiderent, Leo Pleysier, Adriaan Bontebal, Guntram Vesper, Frank Schätzing, Vladislav Chodasevitsj, Sjoerd Leiker

 

De Nederlandse dichter en criticus Ad Zuiderent werd geboren in ’s-Gravendeel op 28 mei 1944. Zie ook alle tags voor Ad Zuiderent op dit blog.

 

Tuinpad

De paden op! Welja, dat ene pad
dat heel de tuin bestrijkt: het rondje
binnendoor. Diagonale bielzen
hogen hier en daar wat op. En dat is dat.

Wat heb je met me voor dat wij hier gaan?
Een achtertuin van zes bij acht, een spoor
van slakken, minder dan een blokje om.

Jij zegt: 'Dit is het binnenpad.' Volstaat
het schijnbaar vierkant van een streepje grond
of zoek je van de cirkel het kwadraat?

Eens ging de ondergang met paard en kar
de wereld rond; dat hebben we gehad
Nu blijf ik vlak bij huis, en noem je schat.

Dit is het. Naar bielzen draait het pad
licht omhoog. Daar blijft de zon wat langer
voor hij ondergaat. Ik heb je lief, zo lief.
In 't groen draagt dit de waarde van een daad.

 

 

Reservaat

Zaten wij op een duintop, was het het bekende
liedje, van de wind die op het hoogste punt
en hopen dat het uitzicht niet bedriegt.

Eerst in de diepte langs het strand, een golf
de horizon, gericht op hond en kind, op zon en wind,
werd je vanzelf gedachteloos en vrij.

Toen onder prikkeldraad omhoog, het verse
nauwelijks begroeide duin, het reservaat.
Het was verboden, maar daar zaten wij, vrij

als de zee die schitterde in zonnegloed, een vol
gemoed van dat je zoiets zong zonder te weten
wat het duin nog meer was dan bescherming

van het achterland. En nu dezelfde haast:
de zeespiegel in stukken in de ochtendkrant
was verder van je bed dan nu je keek

voorbij de opgebolde horizon. Een stip
als een begin; we konden alle kanten op.

 

 
Ad Zuiderent (’s-Gravendeel, 28 mei 1944)

Lees meer...

Maeve Binchy, Thomas Moore, Ian Fleming, Walker Percy, Fritz Hochwälder, Henri-Pierre Roché, Maximilian Voloshin

 

De Ierse schrijfster en columniste Maeve Binchy werd geboren op 28 mei 1940 in Dalkey. Zie ook alle tags voor Maeve Binchy op dit blog.

Uit: A Week in Winter

“Everyone had their own job to do on the Ryans’ farm in Stoneybridge. The boys helped their father in the fields, mending fences, bringing the cows back to be milked, digging drills of potatoes; Mary fed the calves, Kathleen baked the bread, and Geraldine did the hens.
Nor that they ever called her Geraldine-she was “Chicky” as far back as anyone could remember. A serious little girl pouring out meal for the baby chickens or collecting the fresh eggs each day, always saying, “Chuck, chuck, chuck," soothingly into the feathers as she worked. Chicky had names for all the hens, and no one could tell her when one had been taken to provide a Sunday lunch. They always pretended it was a shop chicken, but Chicky always knew.
Stoneybridge was a paradise for children during the summer, but summer in the west of Ireland was short, and most of the time it was wet and wild and lonely on the Atlantic coast. Still, there were caves to explore, cliffs to climb, birds' nests to discover, and wild sheep with great curly horns to investigate. And then there was Stone House. Chicky loved to play in its huge overgrown garden. Sometimes the Miss Sheedys, three sisters who owned the house and were ancient, let her play at dressing up in their old clorhes.
Chicky watched as Kathleen went off to train to be a nurse in a big hospital in Wales, and then Mary got a job in an insurance office. Neither of those jobs appealed to Chicky at all, but she would have to do something. The land wouldn’t support the whole Ryan family. Two of the boys had gone to serve their time in business in big towns in the West. Only Brian would work with his father.“
Chicky’s mother was always tired and her father always worried. They were relieved when Chicky got a job in the knitting factory. Not as a machinist or home knitter but in the office. She was in charge of sending out the finished garments to customers and keeping the books. It wasn’t a great job but it did mean that she could stay at home, which was what she wanted. She had plenty of friends around the place. and each summer she fell in love with a different O’Hara boy but nothing ever came of it.”

 

 
Maeve Binchy (28 mei 1940 – 30 juli 2012)

Lees meer...

Xin Qiji, K. Satchidanandan, Patrick White, Maria Müller-Gögler, B. S. Ingemann, J. D. Wyss, C. H. von Ayrenhoff

 

De Chinese dichter Xin Qiji werd geboren op 28 mei 1140 in Jinan, in de provicie Shandong. Zie ook alle tags voor Xin Qiji op dit blog.

 

Zhu Yin Ta

Precious hairpin, broken, halved
At the Peach-Leaf Ferry where
We parted; darkening mist and willow shround the place.
I dread to climb the tower-top stair;
Nine days out of ten wind raves, rain torrents race:
It breaks my heart to see the scarlet petals scatter one by one.
All this with nobody to care
Above it - who is there
Will bid the oriole's singing cease?
From mirrored flowers that frame my face
I pluck the petals, try to foretell your return,
Counting and re-counting them a thousand ways.
By silken curtains dimly lit
Words born of dreams fight in my throat for release.
It was he, the Spring, who brought on me this agony of grief;
Who knows where Spring now strays?
He did not guess he should have gone
Taking my grief in his embrace.

 

 
Xin Qiji (28 mei 1140 – 1207)
Standbeeld in Changsha, Hunan, China

Lees meer...

27-05-16

Jan Blokker, Niels 't Hooft, Louis-Ferdinand Céline, Georges Eekhoud, Said, John Cheever, John Barth, Max Brod

 

De Nederlandse schrijver, journalist en columnist Jan Blokker werd geboren in Amsterdam op 27 mei 1927. Zie ook alle tags voor Jan Blokker op dit blog.

Uit: The boldest way

“Niemand bij mijn weten heeft ooit de oude Dryden tegengesproken die satire aanbeval als
 
The boldest way, if not the best,
to tell men freely of their foulest faults,
to laugh at their vain deeds and vainer thoughts.

Vraag het morgen aan de vrome samenstellers van het televisieprogramma Farce Majeur en ze zullen het, zingend in close harmony, beamen. Had het aan Aristophanes gevraagd, aan Petronius, aan Willem die Madocke maakte, aan Swift, aan Voltaire, aan Multatuli, aan Tucholsky, en de instemming was eenparig geweest. Vraag het alsnog aan Brandt Corstius, en hij zal het niet ontkennen.
Het zou haast wantrouwig moeten stemmen: dat we het vijfentwintighonderd jaar lang onder mekaar kennelijk nooit principieel oneens zijn geworden over de aanduiding van een literair genre.
Maar misschien moeten we satire ook niet omschrijven als een literaire soort op zichzelf. Ze is het in de strikte zin al niet, omdat er ook gehekeld blijkt te kunnen worden in de beeldende kunst of per film; er bestaat zelfs satirische muziek. Maar los daarvan maken ook de grote, beroemde beoefenaars de indruk het genre beoefend te hebben in de marge van andere, deels ‘serieuzer’ bezigheden. Petronius diende keizer Nero, Dryden zelf schreef doorgaans buitengewoon onopmerkelijke verzen en toneelstukken die niet aan Shakespeare konden tippen, Multatuli wilde bovenal de Javaan verheffen en de assistent-resident van Lebak gerehabiliteerd krijgen, en Stoker geeft overdag college aan twee universiteiten. Als het om de letterkunde gaat is satire waarschijnlijk helemaal geen genre, maar een nevenwerkzaamheid - zoals een ander na kantoortijd opgaat in het verenigingsleven of de actie Vrouwen voor Vrede. Satire is niet het weloverwogen resultaat van een kunstzinnige roeping, maar eenvoudig een uitkomst van sociaal ongenoegen.
Ten tijde van Dryden en in de eeuwen daarvoor stond dat laatste zeker voorop: de uitval tegen instituties. De mensen aan wie de satiricus de waarheid moet vertellen zullen we vermoedelijk ook moeten lezen als de mensheid, en dan meer in het bijzonder de verzameling hoogwaardigheidsbekleders aan wie de conservering van diverse instituties was toevertrouwd: de hovelingen, de priesters, de edelknapen, de ordebewakers, de Brinkmannen, of zeg maar de Tartuffes aller dagen. Omdat de grote instituties - hof, kerk, adel - algemene geldigheid hadden en hun conventies van macht en gedrag in Canterbury wel zo ongeveer dezelfde waren als op een Duits narrenschip, konden ze als het ware ook ‘internationaal’ uitgelachen worden: je hoefde geen Spanjaard te zijn om te begrijpen waar Cervantes, noch een Nederlander (of een latinist) om mee te voelen waar Erasmus zich tegen keerde."

 

 
Jan Blokker (27 mei 1927 - 6 juli 2010)

Lees meer...

26-05-16

Fronleichnamsprozession (Georg Heym)

 

Bij Sacramentsdag

 

 
Am Fronleichnamsmorgen door Ferdinand Georg Waldmüller, 1857

 

 

Fronleichnamsprozession

O weites Land des Sommers und der Winde,
Der reinen Wolken, die dem Wind sich bieten.
Wo goldener Weizen reift und die Gebinde
Des gelben Roggens trocknen in den Mieten.

Die Erde dämmert von den Düften allen,
Von grünen Winden und des Mohnes Farben,
Des schwere Köpfe auf den Stielen fallen
Und weithin brennen aus den hohen Garben.

Des Feldwegs Brücke steigt im halben Bogen,
Wo helle Wellen weiße Kiesel feuchten.
Die Wassergräser werden fortgezogen,
Die in der Sonne aus dem Bache leuchten.

Die Brücke schwankt herauf die erste Fahne.
Sie flammt von Gold und Rot. Die Seidenquasten
Zu beiden Seiten halten Kastellane
Im alten Chorrock, dem von Staub verblaßten.

Man hört Gesang. Die jungen Priester kommen.
Barhäuptig gehen sie vor den Prälaten.
Zu Flöten schallt der Meßgesang. Die frommen
Und alten Lieder wandern durch die Saaten.

In weißen Kleidchen kommen Kinder singend.
Sie tragen kleine Kränze in den Haaren.
Und Knaben, runde Weihrauchkessel schwingend,
Im Spitzenrock und roten Festtalaren.

Die Kirchenbilder kommen auf Altären.
Mariens Wunden brennen hell im Licht.
Und Christus naht, von Blumen bunt, die wehren
Die Sonne von dem gelben Holzgesicht.

Im Baldachine glänzt des Bischofs Krone.
Er schreitet singend mit dem heiligen Schrein.
Der hohe Stimmenschall der Diakone
Fliegt weit hinaus durch Land und Felderreih'n.

Der Truhen Glanz weht um die alte Tracht.
Die Kessel dampfen, drin die Kräuter kohlen.
Sie ziehen durch der weiten Felder Pracht,
Und matter glänzen die vergilbten Stolen.

Der Zug wird kleiner. Der Gesang verhallt.
Sie ziehn dahin, dem grünen Wald entgegen.
Er tut sich auf. Der Glanz verzieht im Wald,
Wo goldne Stille träumt auf dunklen Wegen.

Der Mittag kommt. Es schläft das weite Land,
Die tiefen Wege, wo die Schwalbe schweift,
Und eine Mühle steht am Himmelsrand,
Die ewig nach den weißen Wolken greift.

 

 
Georg Heym (30 oktober 1887 - 16 januari 1912)
Hirschberg. Georg Heym werd geboren in Hirschberg

 

Zie voor de schrijvers van de 26e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

11:39 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: sacramentsdag, georg heym, romenu |  Facebook |

Alan Hollinghurst, Radwa Ashour, Hugo Raes, Vítězslav Nezval, Ivan O. Godfroid, Maxwell Bodenheim, Isabella Nadolny, Machteld Brands

 

De Britse schrijver Alan Hollinghurst werd geboren op 26 mei 1954 in Stoud, Gloucestershire. Zie ook alle tags voor Alan Hollinghurst op dit blog.

Uit: The Swimming Pool Library

“Yet only this year I had been with boys called just those staid things; and they were not staid boys. Nor was Arthur. His name was perhaps the least likely ever to have been young: it evoked for me the sunless complexion, unaired suiting, steel-rimmed glasses of a ledger clerk in a vanished age. Or had done so, before I found my beautiful, cocky, sluttish Arthur-an Arthur it was impossible to imagine old. His smooth face, with its huge black eyes and sexily weak chin, was always crossed by the light and shade of uncertainty, and met your gaze with the rootless self-confidence of youth.
Arthur was seventeen, and came from Stratford East. I had been out all that day, and when I was having dinner with my oldest friend James I nearly told him that I had this boy back home, but swallowed my words and glowed boozily with secret pleasure. James, besides, was a doctor, full of caution and common sense, and would have thought I was crazy to leave a virtual stranger in my home. In my stuffy, opinionated family, though, there was a stubborn tradition of trust, and I had perhaps absorbed from my mother the habit of testing servants and window-cleaners by exposing them to temptation. I took a slightly creepy pleasure in imagining Arthur in the flat alone, absorbing its alien richness, looking at the pictures, concentrating of course on Whitehaven’s photograph of me in my little swimming-trunks, the shadow across my eyes… I was unable to feel anxiety about those electrical goods which are the general currency of burglaries-and I doubted if the valuable discs (the Rattle Tristan among them) would be to Arthur’s taste. He liked dance-music that was hot and cool-the kind that whipped and crooned across the dance-floor of the Shaft, where I had met him the night before.
He was watching television when I got in. The curtains were drawn, and he had dug out an old half-broken electric fire; it was extremely hot. He got up from his chair, smiling nervously. ‘I was just watching TV,’ he said. I took my jacket off, looking at him and surprised to find what he looked like. By remembering many times one or two of his details I had lost the overall hang of him. I wondered about all the work that must go into combing his hair into the narrow ridges that ran back from his forehead to the nape of his neck, where they ended in young tight pigtails, perhaps eight of them, only an inch long. I kissed him, my left hand sliding between his high, plump buttocks while with the other I stroked the back of his head. Oh, the ever-open softness of black lips; and the strange dryness of the knots of his pigtails, which crackled as I rolled them between my fingers, and seemed both dead and half-erect.”

 

 
Alan Hollinghurst (Stoud, 26 mei 1954)
Cover

Lees meer...

25-05-16

Egyd Gstättner, Claire Castillon, Friedrich Dieckmann, Eve Ensler, Raymond Carver, Jamaica Kincaid, Robert Ludlum

 

De Oostenrijkse schrijver en essayist Egyd Gstättner werd geboren op 25 mei 1962 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Egyd Gstättner op dit blog.

Uit:Das Geisterschiff

“Ich möchte nicht in der Zukunft leben miissen. Die Zukunft ist brutal, ordinär und billig. Die Zeit, die ich erleben durfte, war eine bessere. Das sollen gemäß der Überlieferung die letzten Worte des Meisters gewesen sein, gesprochen vier Jahre vor seinem Tod.
Als Josef Maria Auchentaller starb, herrschte in den Redaktionen der meisten Zeitungen in kürzester Zeit helle Aufregung. Denn die Sonntagsausgaben waren fast schon in Druck, als das gerade hereingeschneite Gerücht von seinem Tod bestätigt wurde. Eigentlich sollte die am ersten Jänner in Kraft getretene Kraftfahrzeugs-Benutzungsverordnung als Hauptthema herhalten, die der Wirtschaftsrat erlassen hatte, durch die Ausflugs- und Vergnügungsfahrten verboten waren. Nun aber stoppte man die Produktion im letzten Augenblick, warf den öden Wirtschaftsrat mitsamt seiner Kraftfahrzeugs-Benutzungsverordnung sowie die eine oder andere verzichtbare Glosse aus der Nummer und fiigte an deren Stelle in höchster Eile einen notdürftig zusammengeschusterten Artikel ein, in dem Auchentaller »Gigant« oder »Pionier« genannt und mit seinen zwei endgültigen Jahreszahlen versehen wurde.
Ja, ein Gigant war er, auch wenn das zu seinen Lebzeiten, also die letzten vierundachtzig Jahre bis vor einer knappen halben Stunde, kaum jemand so gesagt hatte. Ein Pionier war Auchentaller weniger. Auchentaller hatte - darin waren sich die Zeitungen einig - in den letzten Jahren »total zurückgezogen in seiner Villa Fortino gelebt«, über den Tod seiner Tochter und vor allem über den Tod seiner geliebten Frau Emma sei er nie hinweggekommen. Das Wort Lebensekel« konnte man allerdings nirgendwo lesen, das passte nicht mehr in die Zeit, und es passt wohl auch nicht in Nachrufe. Einer der Leitartikler meinte, Auchentallers Ära habe lange vor seinem Tod geendet, seine Epoche sei schon lange vor ihm gestorben, früher als er selbst es bemerkt haben mochte.“

 

 
Egyd Gstättner (Klagenfurt, 25 mei 1962)

Lees meer...

24-05-16

Joseph Brodsky, Michael Chabon, 75 jaar Bob Dylan, Henri Michaux, William Trevor, Tobias Falberg, Arnold Wesker

 

De Russisch-Amerikaanse dichter Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook mijn blog van 24 mei 2010 en eveneens alle tags voor Joseph Brodsky op dit blog.

 

A List Of Some Observation...

A list of some observation. In a corner, it's warm.
A glance leaves an imprint on anything it's dwelt on.
Water is glass's most public form.
Man is more frightening than its skeleton.
A nowhere winter evening with wine. A black
porch resists an osier's stiff assaults.
Fixed on an elbow, the body bulks
like a glacier's debris, a moraine of sorts.
A millennium hence, they'll no doubt expose
a fossil bivalve propped behind this gauze
cloth, with the print of lips under the print of fringe,
mumbling "Good night" to a window hinge

 

 

A Polar Explorer

All the huskies are eaten. There is no space
left in the diary, And the beads of quick
words scatter over his spouse's sepia-shaded face
adding the date in question like a mole to her lovely cheek.
Next, the snapshot of his sister. He doesn't spare his kin:
what's been reached is the highest possible latitude!
And, like the silk stocking of a burlesque half-nude
queen, it climbs up his thigh: gangrene.

 

 

Galatea Encore

As though the mercury's under its tongue, it won't
talk. As though with the mercury in its sphincter,
immobile, by a leaf-coated pond
a statue stands white like a blight of winter.
After such snow, there is nothing indeed: the ins
and outs of centuries, pestered heather.
That's what coming full circle means -
when your countenance starts to resemble weather,
when Pygmalion's vanished. And you are free
to cloud your folds, to bare the navel.
Future at last! That is, bleached debris
of a glacier amid the five-lettered "never."
Hence the routine of a goddess, nee
alabaster, that lets roving pupils gorge on
the heart of color and the temperature of the knee.
That's what it looks like inside a virgin.

 

 
Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996) 

Lees meer...

23-05-16

Adriaan Roland Holst, Maarten Biesheuvel, Lydia Rood, Jane Kenyon, Susan Cooper, Michaël Vandebril

 

De Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst werd geboren op 23 mei 1888 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Adriaan Roland Holst op dit blog.

 

Eerste lentedagen

O, zaligheid dier eerste lentedagen -
Als van de uren, dart'lende doorleefd
In zacht verleden, elk de beelden geeft
Van wat in jong're vreugd mijn oogen zagen.
 
't Bloeiende gras waarin wij spelend lagen,
't Warm leven voelende dat samenweeft
Wolken en velden wijl de wind aanzweeft
Wuivend de geuren die haar vleug'len dragen.
 
De zón was als een vriend voor mijmering
En alle droomen die hem anders vluchten
Naar troost in avondscheem'ring's koele schoot.
 
En als de zaal'ge dag verdwijnen ging
En 't westen doofde, breidde door de luchten
Wijdere liefde◡over liefde die vlood.

 

 

Wees altijd zacht voor hen…

Wees altijd zacht voor hen die eenzaam staan
Omdat zij grooter zijn dan die hen tarten,
O, laat de dorst dier onbegrepen harten
Niet zonder laving langs uw leven gaan.
 
En zien zij al uw vreugden donker aan,
En breekt hun zwijgen soms een woord dat hard en
Wreed klinkt - bedenk dan hun gespannen smarten,
Zij zelven weten van hun trots de waan.
 
Diep woelt in hen 't onzegbare verlangen
Naar warmte, zacht omhelzen en de lange
Streelingen van een vrouw, die spraakloos mint,
 
En zij die de eenzame dit heeft gegeven
Verbrandt zijn duister in haar warme leven,
En in zijn vreugde voelt zij zich weer kind.

 

 

Herleving

Een rotsenstijgering in 't goud geslagen
Van klimmend zonvuur, dat in 't Oost het land
Houdt in een wijdomcirkelende brand
Van vlammen die de lichte ruimten schragen.
 
En dáár, op 't hoogtepunt, waar wijde vlagen
't Scherpe eind omwaaien van den rotsenrand,
Laait fel mijn hart in stormbewogen hand
Van vuur geheven in het licht der dagen.
 
Daar in het wind-doorwaaide, lichte en wijde
Leven der ruimte zal mijn leven zijn
Van wereldhartstocht in 't beweeg der heem'len
En ik zal brengen al 't verwarrend weem'len
Van 't aardsche in mij voor den lichten schijn
Waar altijd liefde is en altijd strijden.

 

 
Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 - 5 augustus 1976)
Portret door Ernst van Leyden, 1963

Lees meer...

22-05-16

Annette von Droste-Hülshoff , Erik Spinoy, Arthur Conan Doyle, Ahmed Fouad Negm, Anne de Vries

 

Bij Drievuldigheidszondag

 


Heilige Drie-eenheid door El Greco, 1577

 

 

Am ersten Sonntage nach Pfingsten
(Dreifaltigkeit)

»Drum gehet hin und lehret alle Völker, und taufet sie im Namen des Vaters und des Sohnes und des heiligen Geistes, und lehret sie alles halten was ich euch gesagt habe, und sehet, ich bin bei euch bis ans Ende der Welt.«

Bin ich getauft in deinem Zeichen,
Du heilige Dreifaltigkeit,
Nun bleibt es mir und kann nicht weichen
In dieser nicht und jener Zeit.
Ich fühle durch Verstandes Frost,
Durch Menschenwortes Nebelrennen
Es wie ein klares Funkeln brennen
Und zehren an verjährtem Rost.

In deinem Tempel will sich's regen,
Wo ich als deine Magd erschien,
Und unter deines Priesters Segen
Fühl' ich es leise Nahrung ziehn.
Wenn eine teure Mutterhand
Das Kreuz mir zeichnet auf die Stirne,
Dann zuckt's lebendig im Gehirne
Und meine Sinne stehn in Brand.

Ja selbst zu Nacht, wenn alle schlafen
Und über mich die Angst sich legt,
In der Gedanken öden Hafen
Der Zweifel seine Flagge trägt:
Wie eine Phosphorpflanze noch
Fühl' ich es warm und leuchtend schwellen,
Und über die verstörten Wellen
Legt sich ein leiser Schimmer doch.

Und muß mir zum Gericht gereichen
Die Lebenspflanze mir gesellt,
Die ich versäumte sondergleichen,
Und dürrem Holze gleichgestellt:[638]
So ist sie in der Sünden Bann,
Des Geistes schwindelnden Getrieben,
Mein heimlich Kleinod doch geblieben
Und angstvoll hangt mein Herz daran.

Ob ich vor deiner Geißel zage,
Nichts kömmt doch dem Bewußtsein gleich,
Daß dennoch ich dein Zeichen trage
Und blute unter deinem Streich.
Fluch allem, was von dir mich stößt!
Dein will ich sein, von dir nur stammen;
Viel lieber sollst du mich verdammen,
Als daß ein andrer mich erlöst.

 

 
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
Friedhofskapelle Mariä Himmelfahrt in Meersburg, hoogaltaar (detail Hl. Drie-eenheid)
Annette von Droste-Hülshoff werd naast de kapel begraven

Lees meer...

Johannes R. Becher, Kees Winkler, Gérard de Nerval, Robert Neumann, Gérard de Nerval, Catulle Mendès

 

De Duitse dichter en politicus Johannes Robert Becher werd geboren in München op 22 mei 1891. Zie ook alle tags voor Johannes R. Becher op dit blog en ook alle tags voor J. R. Becher.

 

Auferstanden aus Ruinen
(Hymne der DDR)

Auferstanden aus Ruinen
und der Zukunft zugewandt,
laß uns dir zum Guten dienen,
Deutschland, einig, Vaterland.
Alte Not gilt es zu zwingen,
und wir zwingen sie vereint,
denn es wird uns doch gelingen,
daß die Sonne schön wie nie
über Deutschland scheint.

Glück und Friede sei beschieden
Deutschland, unserm Vaterland.
Alle Welt sehnt sich nach Frieden,
reicht den Völkern eure Hand.
Wenn wir brüderlich uns einen,
schlagen wir des Volkes Feind.
Laßt das Licht des Friedens scheinen,
daß nie eine Mutter mehr
ihren Sohn beweint.

Laßt uns Pflügen, laßt uns bauen,
lernt und schafft wie nie zuvor,
und der eignen Kraft vertrauend,
steigt ein frei Geschlecht empor.
Deutsche Jugend, bestes Streben
unsres Volks in dir vereint,
wirst du Deutschlands neues Leben,
und die Sonne schön wie nie
über Deutschland scheint.


 

 
Johannes R. Becher (22 mei 1891 - 11 oktober 1958) 
Portret door Ludwig Meidner, 1916

Lees meer...

21-05-16

Dolce far niente, Simon Vestdijk, Robert Franquinet, E. E. Cummings

 

Dolce far niente

 

 
Onbevlekte Ontvangenis door El Greco, 1613

 

 

Duif, bloem en engels
(naar El Greco’s "Inmaculada Concepción")

Hoe steil werd gij, gebenedijde, afgeschilderd
In uw zoet concilie van eng’len overschoon,
Die uit de volle luitkelk toon om toon
Doen drupp’len naar waar ’t middenlicht verwildert.

Baart daar een diamanten baaierd eng’lenlijven?
De vleug’len der geknielde adorant
Lijken uw voet ontsproten in ’t vruchtbaar verband
Van dit verzaligd op elkander drijven,

Dat pas in de afgrond vindt die enk’le bloemen,
Een twintigtal, ontbloeiend aan de hemelhel, -
Want ied’re hemel kent zijn eigen keerzij wel, -
Om zich op aardscher oorsprong te beroemen.

Baarzieke wondergolf van deinen en heupwiegen
In heuplooze en gewichtlooze contour:
Zoo stijgt, vorstin, gij door de hemelvloer,
Uw gansche aanhang meebetoov’rend tot dit vliegen

Ten hoog’ren hemel, war hoog boven ’t karnen
Van engelinnenmelk tot godd’lijk geelgoud spook,
Tot drielingen van licht uit zwangere rook,
De duif, aanwiekend, pas een rustpunt vindt in ’t barnen.

 

 
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)
Standbeeld in Doorn, ontworpen door Jaap te Kiefte

Lees meer...