31-12-16

Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

 

We weten nog niet hoe

snel alles, hoe snel je zicht verandert
tot je bent wat je verandert,
hoe snel het kind zich in je opbergt.

We weten nog niet hoe ver alles,
hoe ver de echo van je zang reikt,
hoe ver je gaat of buigt.

We weten nog niet hoe licht alles-
hoe licht het dragen van je geluk-
hoe licht van details het gewicht-

We weten nog niet hoe vaak alles,
hoe vaak de stad schittert in je ogen,
hoe vaak de liefde een daad is van genot.

“Kijk, de stad drijft langs!”
“Zie je iets?”
“Zei je iets?”

Je tekent een bed op het water.
“Wacht je daar op me?”
We weten nog niet wanneer je een godensprong waagt.

 

 

Het geheim van de boekhandelaar

Je verkoopt boeken maar eigenlijk geef je liefde door
je geeft adviezen maar eigenlijk wijs je op vergezichten
je noemt een auteur maar eigenlijk raad je een verlangen
je wacht op een vraag maar eigenlijk stel je vragen

Je verkoopt boeken maar eigenlijk verplaats je taal
je wijst op de kasten maar eigenlijk zijn het horizonnen
je zegt omzet maar eigenlijk fluister je kapitaalbandje
je noemt een titel maar eigenlijk deel je vleugels uit

Je verkoopt boeken maar eigenlijk vertel je verhalen
je wordt getipt maar eigenlijk ben je een lezers lezer
je citeert ‘mooi is de menselijke rede, en onoverwinnelijk’
je bent een eiland maar eigenlijk verkoop je lifelines

 

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Lees meer...

Nicolas Born, Dieter Noll, Dal Stivens, Connie Willis, Giovanni Pascoli, Marie d'Agoult

 

De Duitse dichter en schrijver Nicolas Born werd geboren op 31 december 1937 in Duisburg. Zie ook alle tags voor Nicolas Born op dit blog.

 

Zeitmaschine

Ohne daß es jemals angefangen hat
bin ich mit einer Menge von Leuten zusammen
Gleichaltrige
meinen Körper scheinen sie für die Heimat zu halten
auch liebe Verstorbene Alte Bekannte
Vielgenannte
Verschollene Auf Rollen Rollende
Zeitamputierte Einbalsamierte Bis auf die Knochen
Geschichtsblamierte
                                  Ich habe das deutliche Gefühl
daß keiner fehlt
        die Büsche teilen sich der Himmel flackert
Gestirne blenden auf das Tier erhebt sich
und die Wolken rennen hin und her
        Wir begegnen einer reisenden Theatergruppe
ein junger Herr Den Tod in den Augen
stellt sich vor: W. Shakespeare
        wie er leibt und schreibt
Oh ja wir kennen ihn alle
        »Warum schreiben Sie« fragt einer von uns
der sich sein Interesse bewahrt hat
        Shake wendet sich angewidert ab
und macht sich an den Kostümen zu schaffen
        »Warum soviel Tod auf so vielen Brettern?«
Das scheint hier irgendwie nicht anzukommen.
Eine von unseren Damen Deren Schwierigkeiten
        technische Schwierigkeiten sind Sagt
»Wir kommen an der historischen Distanz nicht vorbei«
        Sie ist bekannt dafür daß sie in Krisen
hysterisch reagiert
                              Wie ein Bleistift gehen wir
durch die Zeit
        »Mir ist« rufe ich »als träten wir auf der Stelle«
»Schon möglich« brummt ein Vierschrötiger
        Gleich erscheinen wir als helle Punkte
im technischen Zeitalter
in einer riesigen Haschischwolke besetzt von
kichernden Industriellen
»Es ist zum Piepen Es ist
zum Piepen«
        Berlin 10.30 Uhr Guten Tag Nehmen Sie Platz!
Es handelt sich um einen Herrn von der Volkshochschule
der mich abdrängt und ruft »Ich bin immer für
        die Trennung von Werk und Autor eingetreten«
Ich erzähle ihm unvermittelt eine Geschichte
        aus der Kindheit meiner Mutter
ein schlagender Beweis meiner Ganzheit
        und wirklich ist sein Schweigen vieldeutig.
Aus dieser Ewigkeit dämmert er herauf in braunem
        Cord »Kennen Sie César Vallejo in der Nachdichtung
des Hans Magnus Enzensberger?«
        Vermutlich weiß er daß man ihn für diese Frage
gern haben könnte Er protzt und sollte gegangen sein
        »Wenn Sie nicht bald verschwinden« protze ich
»mache ich Sie zur Zeile«
        Aber er besteht auf einem Zitat
». . .wär ich nicht geboren, eine andere arme Haut
würde diesen Kaffee trinken!«

 

 
Nicolas Born (31 december 1937 – 7 december 1979)
Duisburg, oudejaarsavond

Lees meer...

Irina Korschunow, Nicholas Sparks, Gottfried August Bürger, Alexander Smith, Horacio Quiroga, Stephan Krawczyk, Kingbotho

 

De Duitse schrijfster Irina Korschunow werd geboren op 31 december 1925 in Stendal in Sachsen-Anhalt. Zie ook alle tags voor Irina Korschunow op dit blog. 

Uit: Langsamer Abschied

„Aber woher sollte ich wissen, was in Pierres zerstörtem Hirn vor sich gegangen war in der letzten Phase und ob er sich auch jetzt noch die grüne Wiese gewünscht hätte oder doch lieber ein Grab hinter der alten Dorfkirche. Eins konnte so richtig oder falsch sein wie das andere, es gab keine schriftlichen Verfügungen. Weil aber Schwester Gudas Entschlossenheit jeden Einwand zunichte gemacht hatte, stand nun der blumenumwucherte Sarg an dem Altar, wo Pastor Kröger, ein etwas mickriger Mann mit erstaunlich sonorer Stimme, darauf beharrte, den langen Leidensweg eine göttliche Prüfung wie die des Hiob zu nennen, un- erträglich, dieser Vergleich. Nein, das nicht, dachte ich oder murmelte es sogar, denn Schwester Guda neben mir, aufrecht, ihre frisch gestärkte Haube über dem Scheitel, griff nach meiner Hand, es sei doch eine schöne Predigt, der Herr Professor würde sich freuen.
Ich war ohne verwandtschaftlichen Tross gekommen, zwei Einzelkinder, Pierre und ich, jeder von uns hatte nur den anderen gehabt. Nun saß ich allein inmitten der Menge, die darauf wartete, Erde hinter ihm herzuwerfen, Nachbarn aus dem Ort, in dem wir unser Haus gebaut hatten, die Universität mit ihrem Umfeld, sein Institut natürlich in voller Besetzung, dazu die große Zahl der Freunde und Weggefährten aus vergangenen Zeiten, viel zu viele Menschen für die kleine Friedhofskapelle. Sie drängten sich in den Bankreihen und an den Wänden, und während die Predigt weiterhin um Hiob kreiste, sah ich plötzlich Leo unter der Empore stehen. Unsere Blicke trafen sich, ich wandte mich ab, warum musste er kommen nach allem, was passiert war. »Lass ihn endlich los«, hatte er gesagt, »es ist doch Zeit, wirf dich nicht immer wieder dazwischen«, und nun stand der Sarg am Altar, nein, Leo hätte nicht kommen dürfen.“

 

 
Irina Korschunow (31 december 1925 – 31 december 2013)
Cover

Lees meer...

Junot Díaz

 

De Amerikaans-Dominicaans schrijver Junot Díaz werd geboren in Santo Domingo op 31 december 1968. Hij was het derde kind in een gezin van vijf. Gedurende het grootste deel van zijn vroege jeugd, woonde hij met zijn moeder en grootouders, terwijl zijn vader in de Verenigde Staten werkte. Díaz emigreerde met zijn familie naar New Jersey toen hij zes jaar oud was. Hij bezocht Kean College in Union, New Jersey, en behaalde een Bachelor of Arts graad aan de Rutgers University, en kort na zijn afstuderen creëerde hij het personage "Yunior", dat als verteller van een aantal van zijn latere boeken optreedt. Na het behalen van zijn MFA aan Cornell University publiceerde Diaz in 1995 zijn eerste boek, de verhalenbundel “Drown” Een doordringende thema in deze verhalenbundel is de afwezigheid van een vader, die de gespannen verhouding van Diaz met zijn eigen vader weerspiegelt, In 2007 publiceerde hij zijn eerste roman “The Brief Wondrous Life of Oscar Wao”, in 2012 gevolgd door een tweede verhalenbundel, “This Is How You Lose Her”. “The Brief Wondrous Life of Oscar Wao” werd in meerdere talen uitgebracht en won verscheidene prijzen. Verder won won een Eugene McDermott Award, een beurs van de John Simon Guggenheim Memorial Foundation, een Lila Acheson Wallace Readers Digest Award, in 2002 won hij de Pen/Malamud Award, in 2003 de US-Japan Creative Artist Fellowship van het National Endowment for the Arts, een beurs aan de Radcliffe Institute for Advanced Study aan de Harvard University en de Rome Prize van de American Academy of Arts and Letters. In 2007 won hij de Sargant First Novel Prize en werd hij aangewezen als één van de 39 belangrijkste Latijns-Amerikaanse schrijvers jonger dan 39 jaar door het Bogotá Book Capital of World and the Hay Festival. In september 2007 kocht Miramax de filmrechten van het boek “The Brief and Wondrous Life of Oscar Wao”. In 2008 ontving hij de Pulitzer Prize voor fictie.

Uit:The Brief Wondrous Life of Oscar Wao

“Our hero was not one of those Dominican cats everybody’s always going on about - he wasn’t no home-run hitter or a fly bachatero, not a playboy with a million hots on his jock.
And except for one period early in his life, dude never had much luck with the females (how very un-Dominican of him).
He was seven then.
In those blessed days of his youth, Oscar was something of a Casanova. One of those preschool loverboys who was always trying to kiss the girls, always coming up behind them during a merengue and giving them the pelvic pump, the first nigger to learn the perrito and the one who danced it any chance he got. Because in those days he was (still) a “normal” Dominican boy raised in a “typical” Dominican family, his nascent pimpliness was encouraged by blood and friends alike. During parties - and there were many many parties in those long-ago seventies days, before Washington Heights was Washington Heights, before the Bergenline became a straight shot of Spanish for almost a hundred blocks - some drunk relative inevitably pushed Oscar onto some little girl and then everyone would howl as boy and girl approximated the hip-motism of the adults.
You should have seen him, his mother sighed in her Last Days. He was our little Porfirio Rubirosa.4
All the other boys his age avoided the girls like they were a bad case of Captain Trips. Not Oscar. The little guy loved himself the females, had “girlfriends” galore. (He was a stout kid, heading straight to fat, but his mother kept him nice in haircuts and clothes, and before the proportions of his head changed he’d had these lovely flashing eyes and these cute-ass cheeks, visible in all his pictures.) The girls - his sister Lola’s friends, his mother’s friends, even their neighbor, Mari Colón, a thirty-something postal employee who wore red on her lips and walked like she had a bell for an ass - all purportedly fell for him. Ese muchacho está bueno! (Did it hurt that he was earnest and clearly attention-deprived? Not at all!) In the DR during summer visits to his family digs in Baní he was the worst, would stand in front of Nena Inca’s house and call out to passing women - Tú eres guapa! Tú eres guapa! - until a Seventh-day Adventist complained to his grandmother and she shut down the hit parade lickety-split. Muchacho del diablo! This is not a cabaret!
It truly was a Golden Age for Oscar, one that reached its apotheosis in the fall of his seventh year, when he had two little girlfriends at the same time, his first and only ménage à trois. With Maritza Chacón and Olga Polanco.”

 

 
Junot Díaz (Santo Domingo, 31 december 1968)

12:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: junot díaz, romenu |  Facebook |

30-12-16

Peter Buwalda, Paul Bowles, Theodor Fontane, Miklós Bánffy, Peter Lund, Joshua Clover, Rudyard Kipling, Douglas Coupland, Willy Spillebeen

 

De Nederlandse schrijver, journalist en redacteur Peter Buwalda werd geboren in Blerick op 30 december 1971. Zie ook alle tags voor Peter Buwalda op dit blog.

Uit:Bonita Avenue

“De rector magnificus zou samen met Ruska door de Sovjet-Unie en China naar Japan zijn gereisd en onderweg Russische eethuizen aan spaanders hebben geslagen; hij zou na zijn grote wiskundige doorbraak in een Amerikaans gekkenhuis elektroshocks hebben gekregen; er zouden kinderen uit een eerder huwelijk bestaan die voor galg en rad waren opgegroeid. Je hoefde maar wat beter naar de foto te kijken en de verwarring gleed van het papier zo op je schoot. Iedereen kon zien dat wat Sigerius’ oren al aankondigden, zich onder de keurige tweedelige pakken, meestal saai donkerblauw, soms lichtgrijs of met een krijtstreep, gewoon voortzette, zich intensiveerde, het lichaam dat zo ongepast onthuld werd zag er schokkend taai en pezig uit, hard, onverwoestbaar, ‘droog’ om in sporttermen te spreken. Je moest je een mening vormen over dat lijf, net als over de duidelijk zichtbare tatoeages op de linkerborst: op Sigerius’ hart prijkten in goedkope, donkerblauwe zeemansinkt twee Japanse karakters – ‘judo’, wist Aaron. Er ging een onthutsende werking uit van die brandmerken, niet alleen waren tatoeages anno 1995 tamelijk zeldzaam, ze waren ook nog gewoon doodordinair. Ondertussen rijmden ze volmaakt met Sigerius’ lichamelijkheid, de aapman die tijdens ondernemingsraadvergaderingen graag op de achterste poten van zijn stoel balanceerde tot hij zich moest vastgrijpen aan de tafelrand; die in koffiepauzes als een trapezewerker zijn schouders losdraaide, rondkijkend alsof hij nog voor de hervatting zijn gesprekspartners wilde aftuigen – duistere sleutelgaten waren het waardoor de campus glimpen opving van een afgeschafte Sigerius, een rabauw, een mannetjesputter die zijn jongensboekcarrière was begonnen met twee Europese judotitels, een vechtjas voor wie de Olympische Spelen van München het hoogtepunt in zijn leven hadden moeten worden.
    In interviews lazen ze dat hun rector in 1972 net als Ruska kanshebber was op eremetaal, maar dat krap een maand voor het toernooi het noodlot toesloeg. Om een puddingbroodje te kopen was Sigerius de Utrechtse Biltstraat overgestoken, en met de zachte custardsmaak al in zijn mond werd hij geschept door een scooter, die zijn ijzeren treeplank dwars over zijn onderbeen schoof: krak, einde topsportcarrière. Waar geen journalist, geen student, geen wetenschapper genoeg van kreeg, was de theorie dat zónder dat nooit gegeten puddingbroodje het werkelijke wonder van Sigerius’ loopbaan zich niet zou hebben voltrokken.”

 

 
Peter Buwalda (Blerick, 30 december 1971)

Lees meer...

29-12-16

Stefan Brijs, Christian Kracht, Gilbert Adair, Paul Rudnick, Brigitte Kronauer, William Gaddis, Carmen Sylva, Vesna Lubina, Romenu

 

De Vlaamse schrijver Stefan Brijs werd geboren op 29 december 1969 in Genk. Zie ook alle tags voor Stefan Brijs op dit blog.

Uit: Maan en zon

“Waar zal ik beginnen? Bij wie? Bij Max, wiens vliegtuig op ditzelfde moment vanaf Hato opstijgt en die over enkele ogenblikken op de grond onder hem de rode en blauwe tralies van neonlicht zal zien waarachter de meisjes van Campo Alegre gevangenzitten?
Of bij zijn vader Roy, die om dit uur al naar bed is gebracht en naar het portret van zijn vrouw Myrna zit te staren in het straatlicht dat door de halfgesloten shutters zijn kleine kamer in schijnt?
‘Ze was een goede vrouw, broeder, and ooooh so pretty.’
Of bij Sonny, de zoon van Max, die nu ongetwijfeld van zijn horloge opkijkt en zijn blik naar boven richt, zoekend naar een knipperlicht dat zich weldra tussen de sterren noordoostwaarts zal bewegen?
Nee, laat ik beginnen bij een lied, een oud Antilliaans kinderlied, gezongen, gestameld, gebrabbeld door een groep bejaarden, vanochtend in de grote zaal van Huize Welgelegen, waar Max afscheid ging nemen van zijn vader.
‘Naar Nederland, pai. Onderdelen voor de Dodge halen.’
‘Welke onderdelen?’ vroeg Roy. Zijn luide stem wekte in de zaal meer aandacht dan het gezang van de verpleegster die het lied had ingezet. Max daarentegen had alleen nog oor gehad voor de Papiamentse klanken.
‘Luna ku solo laga mi pasá kon todo mi yu ku Dios a duna mi.’
Ik zag hoe hij verstarde bij het horen van die woorden: Maan en zon laat me door met al de kinderen die God me gegeven heeft.
‘Welke onderdelen, Max?’ herhaalde Roy zijn vraag.
Max richtte zich weer tot zijn vader en zei: ‘Deurkrukken van de achterste portieren, voorbumper en buitenspiegel.’
‘In goede staat?’
‘In uitstekende staat, pai! Ik heb foto’s gezien. Geen spatje roest. En in het chroom kun je je haren kammen.’


 
Stefan Brijs (Genk, 29 december 1969)

Lees meer...

16:58 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

28-12-16

Liu Xiaobo, Burkhard Spinnen, Shen Congwen, Engelbert Obernosterer, Conrad Busken Huet, Manuel Puig, Hildegard Knef, C. Louis Leipoldt, Édouard d’Anglemont

 

De Chinese dichter en mensenrechtenactivist Liu Xiaobo werd geboren in Changchun op 28 december 1955. Zie ook alle tags voor Liu Xiaobo op dit blog.

Uit: Experiencing Death

I had imagined being there beneath sunlight
with the procession of martyrs
using just the one thin bone
to uphold a true conviction
And yet, the heavenly void
will not plate the sacrificed in gold
A pack of wolves well-fed full of corpses
celebrate in the warm noon air
aflood with joy

Faraway place
I’ve exiled my life to
this place without sun
to flee the era of Christ’s birth
I cannot face the blinding vision on the cross
From a wisp of smoke to a little heap of ash
I’ve drained the drink of the martyrs, sense spring’s
about to break into the brocade-brilliance of myriad flowers

Deep in the night, empty road
I’m biking home
I stop at a cigarette stand
A car follows me, crashes over my bicycle
some enormous brutes seize me
I’m handcuffed eyes covered mouth gagged
thrown into a prison van heading nowhere

A blink, a trembling instant passes
to a flash of awareness: I’m still alive
On Central Television News
my name’s changed to “arrested black hand”
though those nameless white bones of the dead
still stand in the forgetting
I lift up high up the self-invented lie
tell everyone how I’ve experienced death
so that “black hand” becomes a hero’s medal of honor

Even if I know
death’s a mysterious unknown
being alive, there’s no way to experience death
and once dead
cannot experience death again
yet I’m still
hovering within death
a hovering in drowning
Countless nights behind iron-barred windows
and the graves beneath starlight
have exposed my nightmares

Besides a lie
I own nothing

 

Vertaald door Jeffrey Yang

 


Liu Xiaobo (Changchun, 28 december 1955)

Lees meer...

27-12-16

Bernard Wesseling, Édouard Nabe, Wendy Coakley-Thompson, Louis de Bourbon, Malin Schwerdtfeger, Mariella Mehr, Markus Werner, Mirza Ghalib, Carl Zuckmayer

 

De Nederlandse dichter en schrijver Bernard Wesseling werd geboren in Amsterdam op 27 december 1978. Zie ook alle tags voor Bernard Wesseling op dit blog.

 

Club Artis

De dieren in de dierentuin slapen er niet lichter om
als ik de nacht uit kom

het hoofd losgeschroefd onder de arm gestoken
als een vissenkom vol
vissenvoer

Wreed klinkt de lachband steeds
pleng koosjere biggels voor me dan spoel ik eroverheen

Een dimensie dicht bij deze ontstaat waarin iedereen
sterrenstatus heeft
en ze voor ons grijze muizen naar behoren terugdeinzen
als torens olifanten
in elkaars armen wankelen

Wat de een verdraagt drukt de ander naar omlaag

Ook bestaat er liefde onder de mensen
voorliefde

 

 

Leidsman

Voorlopig zit het hem in de snit:
een leerling zonder meester draag ik zijn kleren af,
de kleren van een afgelegde.

Buig, buig diep voor het onbekende. Recht me.
Ik steek zijn kraag op, beklop mezelf, zoekend naar-
sleutels, de mijne.

Het is te wijten aan mijn rusteloosheid dat het lijkt
of mijn geest niet aankomt, nog niet is uitgevaren.
Tot die tijd heb ik me tevreden te stellen met een beeltenis
zonder stem.

Noem het gebrek aan inzicht in de aard van een schim.
Vergelijk Vergilius. Door hem verder te verzinnen
kon Dante zijn eigen leidsman zijn,
kon hij zichzelf de hel uit wijzen en zich tegelijk
door haar laten afleiden.

Dus vertel ik mezelf weer eens
van de zomer die nog maar pas begon. Hoe in het hart
van de kamer een vlieg gonsde die
op zijn gezicht landde en zijn mondholte in kroop.

Wat kon ik doen? Uit het dodenrijk heeft men
niets te verjagen.

Hem aanraken durfde ik niet: zijn voorhoofd
zou barsten onder een kus van mij.

 

 
Bernard Wesseling (Amsterdam, 27 december 1978)

Lees meer...

26-12-16

Christmas (John Betjeman)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!

 

 
Aanbidding der herders door Sebastiano Conca, 1720

 

 

Christmas

The bells of waiting Advent ring,
The Tortoise stove is lit again
And lamp-oil light across the night
Has caught the streaks of winter rain
In many a stained-glass window sheen
From Crimson Lake to Hookers Green.

The holly in the windy hedge
And round the Manor House the yew
Will soon be stripped to deck the ledge,
The altar, font and arch and pew,
So that the villagers can say
'The church looks nice' on Christmas Day.

Provincial Public Houses blaze,
Corporation tramcars clang,
On lighted tenements I gaze,
Where paper decorations hang,
And bunting in the red Town Hall
Says 'Merry Christmas to you all'.

And London shops on Christmas Eve
Are strung with silver bells and flowers
As hurrying clerks the City leave
To pigeon-haunted classic towers,
And marbled clouds go scudding by
The many-steepled London sky.

And girls in slacks remember Dad,
And oafish louts remember Mum,
And sleepless children's hearts are glad.
And Christmas-morning bells say 'Come!'
Even to shining ones who dwell
Safe in the Dorchester Hotel.

And is it true,
This most tremendous tale of all,
Seen in a stained-glass window's hue,
A Baby in an ox's stall ?
The Maker of the stars and sea
Become a Child on earth for me ?

And is it true ? For if it is,
No loving fingers tying strings
Around those tissued fripperies,
The sweet and silly Christmas things,
Bath salts and inexpensive scent
And hideous tie so kindly meant,

No love that in a family dwells,
No carolling in frosty air,
Nor all the steeple-shaking bells
Can with this single Truth compare -
That God was man in Palestine
And lives today in Bread and Wine.



 
John Betjeman (28 augustus 1906 - 19 mei 1984)
Londen, Somerset House in de kersttijd. John Betjeman werd geboren in Londen.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 26e december ook mijn drie vorige blogs van vandaag.

10:04 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: john betjeman, kerstmis, romenu |  Facebook |

David Sedaris, Elizabeth Kostova, Henry Miller, Rainer Malkowski, Mani Beckmann, Alejo Carpentier

 

De Amerikaanse schrijver David Sedaris werd geboren in Binghamton, New York, op 26 december 1956. Zie ook alle tags voor David Sedaris op dit blog.

Uit:When You Are Engulfed in Flames

“Carry my groceries upstairs.' She sounded like a man, or, rather, a hit man, her voice coarse and low, like heavy footsteps on gravel.
'Now?' Hugh asked.
She said, 'What? You got something better to do?'
I first saw the apartment a few days later. Hugh was in the living room taking down the panelling while I sat on a paint bucket and tried to come to terms with my disappointment. For starters, there was the kitchen floor. The tiles there were brown and tan and ochre, the colours seemingly crocheted as they would be on an afghan. Then there was the size. I was wondering how two people could possibly live in such a tight space, when there was a knock at the unlocked door, and this woman I didn't know stepped uninvited onto the horrible tiles. Her hair was dyed the colour of a new penny, and she wore it pulled back into a thumb-sized ponytail. This put the focus on her taped-up glasses, and on her lower jaw, which stuck out slightly, like a drawer that hadn't quite been closed. 'Can I help you?' I asked, and her hand went to a whistle that hung from a string around her neck.
'Mess with me, and I'll stick my foot so far up your ass I'll lose my shoe.'
Someone says this, and you naturally look down, or at least I do. The woman's feet were tiny, no longer than hot-dog buns. She had on puffy sneakers, cheap ones made of air and some sort of plastic, and, considering them, I frowned.
'They might be small, but they'll still do the job, don't you worry,' she said.
Right about then, Hugh stepped out of the living room with a scrap of panelling in his hand. 'Have you met Helen?' he asked.
The woman unfurled a few thick fingers, the way you might when working an equation: 2 young men + 1 bedroom - ugly panelling = fags. 'Yeah, we met.' Her voice was heavy with disdain. 'We met, all right.'
Throughout the seven years Hugh and I lived on Thompson Street, our lives followed a simple pattern. He would get up early and leave the house no later than eight. I was working for a house-cleaning company, and though my schedule varied from day to day, I usually didn't start until 10. My only real constant was Helen, who would watch Hugh leave the building, and then cross the hall to lean on our doorbell. I would wake up, and just as I was belting my robe, the ringing would be replaced by a pounding, frantic and relentless, the way you might rail against a coffin lid if you'd accidentally been buried alive.”

 

 
David Sedaris (Binghamton, 26 december 1956)

Lees meer...

Jean Toomer, Hans Brinkmann, Willy Corsari, Alfred Huggenberger, René Bazin, Julien Benda

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Jean Toomer werd geboren op 26 december 1894 in Washington, D.C. Zie ook alle tags voor Jean Toomer op dit blog.

 

Banking Coal

Whoever it was who brought the first wood and coal
To start the Fire, did his part well;
Not all wood takes to fire from a match,
Nor coal from wood before it’s burned to charcoal.
The wood and coal in question caught a flame
And flared up beautifully, touching the air
That takes a flame from anything.

Somehow the fire was furnaced,
And then the time was ripe for some to say,
“Right banking of the furnace saves the coal.”
I’ve seen them set to work, each in his way,
Though all with shovels and with ashes,
Never resting till the fire seemed most dead;
Whereupon they’d crawl in hooded night-caps
Contentedly to bed. Sometimes the fire left alone
Would die, but like as not spiced tongues
Remaining by the hardest on till day would flicker up,
Never strong, to anyone who cared to rake for them.
But roaring fires never have been made that way.
I’d like to tell those folks that one grand flare
Transferred to memory tissues of the air
Is worth a like, or, for dull minds that turn in gold,
All money ever saved by banking coal.

 

 
Jean Toomer (26 december 1894 – 30 maart 1967)
Rond 1920

Lees meer...

Thomas Gray Jean Galtier-Boissière, Ernst Moritz Arndt, Johann Gaudenz von Salis-Seewis, E. D. E. N. Southworth, Jean-François de Saint-Lambert

 

De Engelse dichter en geleerde Thomas Gray werd geboren op 26 december 1716 in Londen. Zie ook alle tags voor Thomas Gray op dit blog.

 

The Bard

1.3
Cold is Cadwallo's tongue,
That hush'd the stormy main:
Brave Urien sleeps upon his craggy bed:
Mountains, ye mourn in vain
Modred, whose magic song
Made huge Plinlimmon bow his cloud-top'd head.
On dreary Arvon'sÊ shore they lie,
Smear'd with gore, and ghastly pale:
Far, far aloof th' affrighted ravens sail;
The famish'd Eagle screams, and passes by.
Dear lost companions of my tuneful art,
Dear, as the light that visits these sad eyes,
Dear, as the ruddy drops that warm my heart,
Ye died amidst your country's cries--
No more I weep. They do not sleep.
On yonder cliffs, a griesly band,
I see them sit, they linger yet,
Avengers of their native land:
With me in dreadful harmony they join,
And weave with bloody hands, the tissue of thy line.'

 

 
Thomas Gray (26 december 1716 – 30 juli 1771)
Portret door John Giles Eccardt, 1747-1748

 

Lees meer...

25-12-16

Kerstmis op de 408 (Jacques Schreurs)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Prettig Kerstfeest!

 

 
Nativité door Jean-Baptiste Marie Pierre, ca. 1760

 

 

Kerstmis op de 408

Een stille Sloveen had het uitgedacht
Zoo'n vreemde man die geen tijding wacht
In een doode gang van de 408.

Wat doet een zwerver al met zijn tijd,
Wat doet al een kind in de eenzaamheid
Met zijn smart, zijn hart en zijn handen.....?
De wereld blijft hem vreemd en ver,
Zijn hart een duizelende ster,
Die nergens zal belanden....

Maar luistert hoe het Kerstmis was:
Een Kindje onder een oude jas,
Sterren en schapen en groen mos en gras
En een krib voor het steenen Kindje,
Een os en een ezel in een hol,
De schapen waren van witte wol,
En een Engel met een banderol
Van Gloria de wangen bol,
Kwam zingend aangevlogen.

Het Meisje hield haar handjes gevouwd,
De Man één hand voor de oogen;
Zij was iets te jong en hij iets te oud:
Sint Jozef had een rok van goud,
Maria een parelgrijze......;
De beeldjes sneed hij zelf uit hout,
De herders en ook de Wijzen.

De herders keken schuin en zoet,
Eén koning was er zwart als roet
En allen wel moe van reizen:
De koningen stonden met hun staf
Van wichelaars en rijken,
Een beetje te veel nog en achteraf,
Naar het steenen Kindje te kijken.

Een mijnlamp en een lampion
Lichtte de kompels vóór,
Waar het allernachtelijkst feest begon
En het lied en het nachtelijk koor,
Wie vierden ooit kerstmis zoo dicht bij de hel? -
Zei een zwarte man tot zijn zwarte gezel.

Toen werden zij stil en hun stem werd zacht
Ze wisten niet recht wàt het was:
De stille Sloveen of de heilige nacht,
Of het kindeke onder de jas
Ze gaven elkander de hand op het Kind,
Daar stonden die donkere kolossen,
Met oogen van gruis en tranen blind;
En een dwaze man, die kuste het Kind,
Dat de wereld komt verlossen
En altijd weer ergens een kribbe vindt -
En hooi en stroo en de adem van haar ossen.

 


Jacques Schreurs (9 februari 1893 – 31 januari 1966)
Sittard, de kerk van Onze Lieve Vrouw van het H. Hart. Jacques Schreurs werd geboren in Sittard.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 25e december ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

08:46 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: kerstmis, jacques schreurs, romenu |  Facebook |

Karin Amatmoekrim, David Pefko, Quentin Crisp, Sabine Kuegler, Lisa Kränzler, N.E.M. Pareau. Sheila Heti, Tununa Mercado, Maarten Goethals

 

De Surinaams-Nederlandse schrijfster Karin Amatmoekrim werd geboren in Paramaribo op 25 december 1976. Zie ook alle tags voor Karin Amatmoekrim op dit blog.

Uit: Het gym

“De zomer hing als een muffe vaatdoek tussen de flats van de wijk. De wind die normaliter van zee kwam en alles – hitte, fietsers, zwerfvuil – ongenadig heen en weer beukte, bleef al weken weg.
Sandra likte het zoute zweet van haar lippen en hield haar ogen strak op de weg gericht. Naast haar zat Tanya: groot en zwart. Zelf was ze klein voor haar leeftijd. Naast haar vriendin leek ze smal en onbeduidend. Van tijd tot tijd rechtte ze haar rug om niet helemaal weg te vallen.
Ze zaten op het muurtje dat het schoolplein omsloot. Achter hen het lege plein, met zand dat zich in de hoeken en in de knikkerpotjes ophoopte en dat pas weg zou spoelen bij de volgende regenbui omdat niemand de moeite nam het aan te vegen. Voor hen lag de brede weg die de wijk met de stad verbond. Alles wat de wijk in kwam, kwam over deze weg. Het was zaak de boel goed in de gaten te houden, want weten wie er kwam en ging, was weten wat er te gebeuren stond.
‘Daar heb je Bep,’ zei Tanya. Sandra keek opzij. Een dikke, blanke vrouw schommelde in slow motion achter een rollator hun kant op.
‘Wedden dat ze oversteekt.’
Een moment later kreeg de vrouw hen in de gaten. Twee opgeschoten meiden in het uniform van de wijk (een dun, neonkleurig trainingspak met badslippers eronder. De echt stoere jongens droegen slippers van Nike. Op die van Tanya en Sandra stond bata). Ze hingen wat rond voor het schoolplein op een zaterdagmiddag. Dat betekende gegarandeerd rottigheid. De vrouw stopte, keek aarzelend om zich heen en stak toen de straat over. Aan de overkant vervolgde ze haar weg, zonder op te kijken van het mandje op haar rollator en de stoep die daaronder tergend langzaam wegliep.
‘Zal ik wat roepen?’ vroeg Tanya met een kwaadaardige grijns.
‘Doe maar niet,’ antwoordde Sandra. ‘Ze is oud, man.’
‘Een ouwe nare heks is ’t,’ reageerde Tanya. ‘Zag je hoe ze expres overstak? Gewoon bang voor niks.’
Sandra haalde haar schouders op.
Minuten gingen voorbij.
Ze wiebelden met hun benen en keken afwisselend naar links, richting stad, en naar rechts, richting wijk. Er gebeurde weinig.”

 

 
Karin Amatmoekrim (Paramaribo, 25 december 1976)

Lees meer...