14-11-12

Norbert Krapf

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Norbert Krapf werd geboren op 14 november1943 in Jasper, Indiana, een Duitse gemeenschap. Hij studeerde af aan Jasper High School en behaalde een BA in Engels aan St. Joseph 's College, Rensselaer. Hij behaalde zijn MA Engels aan de Universiteit van Notre Dame en ook zijn Ph.D. in Engelse en Amerikaanse literatuur, met bijzondere aandacht voor de Amerikaanse poëzie. Hij doceerde van 1970 tot 2004 aan de CW Post Campus van de Long Island University, waar hij nu emeritus hoogleraar Engels is. Hij was Poet Laureate van 2003 tot 2007, en gaf leiding aan het CW Post Poëziecentrum. Hij werkte tweemaal in Duitsland als Senior Fulbright professor voor Amerikaanse poëzie, aan de universiteiten van Freiburg en Erlangen-Nürnberg.   Sinds 1976 heeft Norbert Krapf 24 boeken geschreven of bewerkt, waaronder twee vertalingen uit het Duits. Achttien van deze boeken zijn verzamelingen van zijn eigen gedichten, waaronder Somewhere in Southern Indiana: Poems of Midwestern Origins (1993) , Blue-Eyed Grass: Poems of Germany (1997), and Looking for God's Country (2005) en Bittersweet Along the Expressway : Poems of Long Island (2000) en The Land I Come From (2002).

 

 

Southern Indiana

 

And the hills roll

as they always have

and somewhere in the woods

that bend and wrap around

those hills the bark splits

from the trunk of a shagbark

hickory and a fox squirrel

drops a patter of cuttings

through crisp oversized leaves

as a boy with a shotgun

on his shoulder cocks ears

and trains eyes for a glimpse

of red fur between the parting

of green and at the edge

of the woods where dried

corn rustles in the breeze

Queen Anne's Lace stands

in jagged profusion

and over these hills

that will always roll

a black chicken hawk

with eyes sharp for

the subtlest gradations

glides in a circle

that will never end

 

 

 

Morning Glories

First thing
summer mornings

I would come out
to the porch,
tiptoe down the steps,
pad barefoot
across the grass

stand behind the trellis
and look up to see
how many of her
morning glories
had opened.

They were so blue
and pure, beaded
with dew

as if miniature
gateways to the skies
had swayed open

allowing me
to ramble
into infinity.

 

 

 


Norbert Krapf (Jasper, 14 november1943)

20:21 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: norbert krapf, romenu |  Facebook |

13-11-12

José Carlos Somoza, Inez van Dullemen, Timo Berger, Hadjar Benmiloud, Nico Scheepmaker

 

De Spaanse schrijver José Carlos Somoza werd geboren in Havana, Cuba op 13 november 1959. Zie ook alle tags voor José Carlos Somoza op dit blog.

 

Uit: Zig Zag (Vertaald door Lisa Dillman)

 

“Exactly six minutes and thirteen seconds before her life took a drastic, horrifying turn, Elisa Robledo was working at something quite ordinary. She was teaching an elective on modern theories of physics to fifteen second-year engineering students. She in no way intuited what was about to happen. Unlike many students, and even a fair few professors for whom the setting proved formidable, Elisa felt more at ease in the classroom than she did in her own home. That was the way it had been at her old-fashioned high school and in the bare-walled classrooms of her university, too. Now she worked in the bright, modern facilities of the School of Engineering at Madrid's Alighieri University, a luxurious private institution whose classrooms boasted views from the enormous windows overlooking campus, perfect sound from their superb acoustics, and the rich aroma of fine wood. Elisa could have lived there. She unconsciously assumed that nothing bad could happen to her in a place like that.

She couldn't have been more wrong, and in just over six minutes she would realize that.

Elisa was a brilliant professor who had a certain aura about her. At universities, certain professors (and the occasional student) are the stuff of legend: the enigmatic Elisa Robledo had given rise to a mystery everyone wanted to solve.

In a way, the birth of the Elisa Mystery was inevitable. She was young and a loner; she had long, wavy black hair and the face and body of a model. She was sharp and analytical, and she had a prodigious talent for abstraction and calculation-characteristics that were key in the cold world of theoretical physics, where the principles of science rule all. Theoretical physicists were not only respected, they were revered-from Einstein to Stephen Hawking. They fit people's image of what physics was all about. Though most people found the field abstruse (if not wholly unintelligible), its champions always made a big splash and were seen as stereotypical, socially awkward geniuses.

Elisa Robledo was not cold at all. She was passionate about her teaching, and she captivated her students. What's more, she was an excellent academic, and a kind, supportive colleague, always willing to help out in a crisis. On the surface, there was nothing strange about her.”

 

 

José Carlos Somoza (Havana, 13 november 1959)

Lees meer...

12-11-12

Daniël Dee, Johnny van Doorn, Cristina Peri Rossi

 

De Nederlandse dichter Daniël Dee werd geboren op 12 november 1975 in Empangeni, Zuid-Afrika. Zie ook mijn blog van 12 november 2010 en eveneens alle tags voor Daniël Dee op dit blog.

 

 

Het ex-effect geen reclame

 

er zijn mensen die een vlag planten een grens trekken
hun armen spreiden zeggen dit is van mij schieten met scherp

 

er zijn mensen die met een explosievengordel
een schoolbus betreden omdat in een geschrift zaken staan
als onrein kwaad minder dan varkens in een beloofd hiernamaals
wacht ze dan tweeënzeventig maagden ga er maar aan staan
hoewel dat laatste verkeerd vertaald is vanuit het aramees
het moest zijn tweeënzeventig rozijnen – ook lekker maar anders

 

er zijn mensen die andere mensen uitkleden
op elkaar stapelen en met de duimen omhoog
zichzelf ernaast laten fotograferen

 

en ze zijn allemaal volwassen en misschien ik dan morgen wel
voor nu heb ik een geheime steen een schimmenspel
een verwrongen lachspiegel voor de wereld
en een verwrongen zelfbeeld dat ik koester

 

een biologische mutant van mijn ouders
met uitwendig adamantiumskelet maakt strelen
tot scheren schuimbekkend onder mijn schedeldak
ik zwijg weet niets van mijn verleden mijn voorouders
struin zoek verscheur als een steppewolf en huil bela huil
naar onze lunakinderen van wat had kunnen zijn

 

die keer in het restaurant hoe vertederd ik was
toen jij kip bij de tandoori wilde

 

volwassen met mes en vork volwassen oppassen
eerst links lunatic dan rechts maar de kanker
kwam van binnenuit volwassen smoelwassen

 

alle herinneringen moeten geboekstaafd dat is het enige wat rest

 

hoe je half wild (in je ondergoed) half danste om het vuur (een heksenketel)
en ik de as de hele nacht in je onmogelijke haar rook

 

volwassen liefde is geen onmogelijke liefde
volwassen liefde is geen onstuimige liefde

 

zomeroogsten geen zee van bitterheid
een gewenst kind een gewenste geliefde


de voorlopige uitkomst van mijn levenssom een leeg bed

 

kras een x op mijn borst het ex-effect in mij huist die verwarde oude man
hij heeft de plek ingenomen van het geluk

 

 

 

Daniël Dee (Empangeni, 12 november 1975)

Lees meer...

11-11-12

Bij Sint Maarten, Hans Magnus Enzensberger

 

Bij Sint Maarten

 

Sint-Maarten, Sint-Maarten

Sint-Maarten, Sint-Maarten
De koeien hebben staarten
De varkens hebben oren,
Daar zijn ze mee geboren.
De ossen hebben horens
De kerken hebben torens
De torens dragen klokken
De meisjes dragen rokken
De jongens hebben broeken aan
Daar komt sintemaarten aan

 

 

El Greco, Sint Maarten en de bedelaar, 1597/1599

 

 

 

Sankt Martin

 

Sankt Martin, Sankt Martin,
Sankt Martin ritt durch Schnee und Wind,
Sein Roß, das trug ihn fort geschwind.
Sankt Martin ritt mit leichtem Mut,
Sein Mantel deckt' ihn warm und gut.

 

Im Schnee saß, im Schnee saß,
Im Schnee, da saß ein armer Mann,
Hatt Kleider nicht, hatt Lumpen an.
"O helft mir doch in meiner Not,
Sonst ist der bitt're Frost mein Tod!"

 

Sankt Martin, Sankt Martin,
Sankt Martin zog die Zügel an,
Sein Roß stand still beim armen Mann.
Sankt Martin mit dem Schwerte teilt
Den warmen Mantel unverweilt.

 

Sankt Martin, Sankt Martin,
Sankt Martin gab den halben still:
Der Bettler rasch ihm danken will
Sankt Martin aber ritt in Eil
Hinweg mit seinem Mantelteil.

 

 

 

Jacob van Oost de Oudere (1603 – 1671), Sint Martin

Lees meer...

Mircea Dinescu, Carlos Fuentes, Kurt Vonnegut, Nilgün Yerli

 

De Roemeense dichter en schrijver Mircea Dinescu werd geboren op 11 november 1950 in Slobozia. Zie ook mijn blog van 11 november 2010 en eveneens alle tags voor Mircea Dinescu op dit blog.

 

 

A Letter to Mother

You're telling me the rats have nibbled the church down to its roots,
oh my sad mother,
but even so our faith is more a matter
of bread and wine.
If only the oat plants wouldn't get
into the bed of my sister who's run to the fields,
if only the singer banished among bulrushes wouldn't run wild . . .
over the death combing your hair,
over the entrails of fire
storks are passing like a leukaemia of stars.

 

 

 

Fishes

The visages of gods have long since withdrawn
to the labels on tins.
Only the hosts of elders still abide
to watch a made-up church through pouring rain
alongside the delicate sunflower machinery
left to whir on the mound for ever and ever.

We huddle next to cattle in the pastures
and elegant steamers
the nerves of the sea can no longer put up with
seem to be floating through green fields leaving
nothing but oil slicks and the flotsam of parties.

And thus like frightened fishes
beneath the gently rolling paradise
we keep watch for the rope
going to hoist us on deck by and by.

But never mind:
another world sails by
past yet another world
and they don't touch each other.

 

 

Vertaald door Florin Bican

 

 

 


Mircea Dinescu (Slobozia, 11 november 1950)

Lees meer...

10-11-12

Friedrich Schiller, Rick de Leeuw, Jan van Nijlen, Arnold Zweig, Jacob Cats, Alejandro Zambra

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Christoph Friedrich von Schiller werd geboren op 10 november 1759 in Marbach. Zie ook mijn blog van 10 november 2010 en eveneens alle tags voor Friedrich Schiller op dit blog.

 

Uit: Die Räuber

 

“Erster Akt. Erste Scene. Franken.

Saal im Moorischen Schloß. Franz. Der alte Moor.

 

Franz. Aber ist Euch auch wohl, Vater? Ihr seht so blaß.

D. a. Moor. Ganz wohl, mein Sohn, – was hattest du mir zu sagen?

Franz. Die Post ist angekommen – ein Brief von unserm Correspondenten in Leipzig –

D. a. Moor (begierig). Nachrichten von meinem Sohne Karl?

Franz. Hm! Hm! – So ist es. Aber ich fürchte – ich weiß nicht – ob ich – Eurer Gesundheit? – Ist Euch wirklich ganz wohl, mein Vater?

D. a. Moor. Wie dem Fisch im Wasser! Von meinem Sohne schreibt er? – Wie kommst du zu dieser Besorgniß? Du hast mich zweimal gefragt.

Franz. Wenn Ihr krank seid – nur die leiseste Ahnung habt, es zu werden, so laßt mich – ich will zu gelegenerer Zeit zu Euch reden. (Halb zu sich.) Diese Zeitung ist nicht für einen zerbrechlichen Körper.

D. a. Moor. Gott! Gott! was werd' ich hören?

Franz. Laßt mich vorerst auf die Seite gehn und eine Thräne des Mitleids vergießen um meinen verlornen Bruder – ich sollte schweigen auf ewig – denn er ist Euer Sohn; ich sollte seine Schande verhüllen auf ewig – denn er ist mein Bruder. – Aber Euch gehorchen, ist meine erste, traurige Pflicht – darum vergebt mir.

D. a. Moor. O Karl! Karl! wüßtest du, wie deine Aufführung das Vaterherz foltert! wie eine einzige frohe Nachricht von dir meinem Leben zehn Jahre zusetzen würde – mich zum Jüngling machen würde – da mich nun jede, ach! – einen Schritt näher ans Grab rückt!

Franz. Ist es Das, alter Mann, so lebt wohl – wir alle würden noch heute die Haare ausraufen über Eurem Sarge.

D. a. Moor. Bleib! – Es ist noch um den kleinen kurzen Schritt zu thun – laß ihm seinen Willen! (Indem er sich niedersetzt.) Die Sünden seiner Väter werden heimgesucht im dritten und vierten Glied – laß ihn's vollenden.

Franz (nimmt den Brief aus der Tasche). Ihr kennt unsern Correspondenten! Seht! den Finger meiner rechten Hand wollt' ich drum geben, dürft' ich sagen, er ist ein Lügner, ein schwarzer, giftiger Lügner – – Faßt Euch! Ihr vergebt mir, wenn ich Euch den Brief nicht selbst lesen lasse – Noch dürft Ihr nicht Alles hören.

D. a. Moor. Alles, Alles – mein Sohn, du ersparst mir die Krücke.

Franz (liest). »Leipzig, vom 1sten Mai. – Verbände mich nicht eine unverbrüchliche Zusage, dir auch nicht das Geringste zu verhehlen, was ich von den Schicksalen deines Bruders auffangen kann, liebster Freund, nimmermehr würde meine unschuldige Feder an dir zur Tyrannin geworden sein. Ich kann aus hundert Briefen von dir abnehmen, wie Nachrichten dieser Art dein brüderliches Herz durchbohren müssen; mir ist's, als säh' ich dich schon um den Nichtswürdigen, den Abscheulichen« – – (Der alte Moor verbirgt sein Gesicht.) Seht, Vater! ich lese Euch nur das Glimpflichste – »den Abscheulichen in tausend Thränen ergossen;« – Ach, sie flossen – stürzten stromweis von dieser mitleidigen Wange – »mir ist's, als säh' ich schon deinen alten, frommen Vater todtenbleich« – Jesus Maria! Ihr seid's, eh' ihr noch das Mindeste wisset?

D. a. Moor. Weiter! Weiter!”

 

 

Friedrich Schiller (10 november 1759 - 9 mei 1805)

Matthias Schweighöfer als Schiller in de gelijknamige Duitse film uit 2005

Lees meer...

09-11-12

Ivan Toergenjev, Erika Mann, Jan Decker, Anne Sexton

 

De Russische schrijver Ivan Sergejevitsj Toergenjev werd geboren op 9 november 1818 in Orjol, in de Oekraïne. Zie ook mijn blog van 9 november 2010 en eveneens alle tags voor Ivan Toergenjev op dit blog.

 

Uit: First Love (Vertaald door Constance Garnett)

 

“I was sixteen then. It happened in the summer of 1833.

I lived in Moscow with my parents. They had taken a country house for the summer near the Kalouga gate, facing the Neskutchny gardens. I was preparing for the university, but did not work much and was in no hurry.

No one interfered with my freedom. I did what I liked, especially after parting with my last tutor, a Frenchman who had never been able to get used to the idea that he had fallen ‘like a bomb’ (comme une bombe) into Russia, and would lie sluggishly in bed with an expression of exasperation on his face for days together. My father treated me with careless kindness; my mother scarcely noticed me, though she had no children except me; other cares completely absorbed her. My father, a man still young and very handsome, had married her from mercenary considerations; she was ten years older than he. My mother led a melancholy life; she was for ever agitated, jealous and angry, but not in my father’s presence; she was very much afraid of him, and he was severe, cold, and distant in his behaviour.... I have never seen a man more elaborately serene, self-confident, and commanding.

I shall never forget the first weeks I spent at the country house. The weather was magnificent; we left town on the 9th of May, on St. Nicholas’s day. I used to walk about in our garden, in the Neskutchny gardens, and beyond the town gates; I would take some book with me — Keidanov’s Course, for instance — but I rarely looked into it, and more often than anything declaimed verses aloud; I knew a great deal of poetry by heart; my blood was in a ferment and my heart ached — so sweetly and absurdly; I was all hope and anticipation, was a little frightened of something, and full of wonder at everything, and was on the tiptoe of expectation; my imagination played continually, fluttering rapidly about the same fancies, like martins about a bell-tower at dawn; I dreamed, was sad, even wept; but through the tears and through the sadness, inspired by a musical verse, or the beauty of evening, shot up like grass in spring the delicious sense of youth and effervescent life.

I had a horse to ride; I used to saddle it myself and set off alone for long rides, break into a rapid gallop and fancy myself a knight at a tournament. How gaily the wind whistled in my ears! or turning my face towards the sky, I would absorb its shining radiance and blue into my soul, that opened wide to welcome it.”

 

 

Ivan Toergenjev (9 november 1818 – 3 september 1883)

Portret door Arkady Nikitin, 1857

Lees meer...

08-11-12

Kazuo Ishiguro, Joshua Ferris, Detlef Opitz, Elfriede Brüning

 

De Japanse schrijver Kazuo Ishiguro werd op 8 november 1954 geboren in Nagasaki. Zie ook mijn blog van 8 november 2010 en eveneens alle tags voor Kazuo Ishiguro op dit blog.

 

Uit: When We Were Orphans

 

For the first fifteen minutes or so, Osbourne moved restlessly around my drawing room, complimenting me on the premises, examining this and that, looking regularly out of the windows to exclaim at whatever was going on below. Eventually he flopped down into the sofa, and we were able to exchange news -- our own and that of old schoolfriends. I remember we spent a little time discussing the activities of the workers' unions, before embarking on a long and enjoyable debate on German philosophy, which enabled us to display to one another the intellectual prowess we each had gained at our respective universities. Then Osbourne rose and began his pacing again, pronouncing as he did so upon his various plans for the future.
"I've a mind to go into publishing, you know. Newspapers, magazines, that sort of thing. In fact, I fancy writing a column myself. About politics, social issues. That is, as I say, if I decide not to go into politics myself. I say, Banks, do you really have no idea what you want to do? Look, it's all out there for us" -- he indicated the window -- "Surely you have some plans."
"I suppose so," I said, smiling. "I have one or two things in mind. I'll let you know in good time."
"What have you got up your sleeve? Come on, out with it! I'll get it out of you yet!"
But I revealed nothing to him, and before long got him arguing again about philosophy or poetry or some such thing. Then around noon, Osbourne suddenly remembered a lunch appointment in Piccadilly and began to gather up his belongings. It was as he was leaving, he turned at the door, saying:
"Look, old chap, I meant to say to you. I'm going along tonight to a bash. It's in honour of Leonard Evershott. The tycoon, you know. An uncle of mine's giving it. Rather short notice, but I wondered if you'd care to come along. I'm quite serious. I'd been meaning to pop over to you long ago, just never got round to it. It'll be at the Charingworth."
When I did not reply immediately, he took a step towards me and said:
"I thought of you because I was remembering. I was remembering how you always used to quiz me about my being 'well connected.' Oh, come on! Don't pretend you've forgotten! You used to interrogate me mercilessly. 'Well connected? Just what does that mean, well connected?' Well, I thought, here's a chance for old Banks to see 'well connected' for himself." Then he shook his head, as though at a memory, saying: "My goodness, you were such an odd bird at school."

 

 

Kazuo Ishiguro (Nagasaki, 8 november 1954)

Lees meer...

Herbert Hindringer

 

De Duitse dichter en schrijver Herbert Hindringer werd geboren op 8 november 1974 in Passau. Zie ook mijn blog van 29 december 2010.

 

 

das ist also der januar
(für myriam keil)

in puderzucker die kurve kratzen
ein haus an der schnur ziehen

und am besseren ende der welt
rauskommen, ein vorschuss an

balkonen hier
und dort hab ich es gerne

angekündigt als lautloser versuch
sich zu versprechen

an jemanden, der nicht einfach
so dahergelaufen kam

endete der abend ohne
rückseite, die zeiger

leuchteten weiter
als ich dachte

du bist der erste mensch
den ich kenne, der zum schlafen

die uhr nicht auszieht, sagtest du
hier bin ich richtig, wusste ich

weil mir die vorstellung gefiel
sowas wie der erste mensch zu sein

das gewicht im dunkeln
befühlte ich dich weiter

und verstaute den schönsten tag
in einem anderen jahr

 

 

Herbert Hindringer (Passau, 8 november 1974)

19:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: herbert hindringer, romenu |  Facebook |

07-11-12

Albert Camus, Albert Helman, Pierre Bourgeade, W. S. Rendra

 

 

De Franse schrijver en filosoof Albert Camus werd geboren op 7 november 1913 in Mondovi, Algerije. Zie ook mijn blog van 7 november 2010 en eveneens alle tags voor Albert Camus op dit blog.

 

Uit: The Stranger (Vertaald dooor Matthew Ward)

 

“MOTHER died today. Or, maybe, yesterday; I can’t be sure. The telegram from the Home says: YOUR MOTHER PASSED AWAY. FUNERAL TOMORROW. DEEP SYMPATHY. Which leaves the matter doubtful; it could have been yesterday.

The Home for Aged Persons is at Marengo, some fifty miles from Algiers. With the two o’clock bus I should get there well before nightfall. Then I can spend the night there, keeping the usual vigil beside the body, and be back here by tomorrow evening. I have fixed up with my employer for two days’ leave; obviously, under the circumstances, he couldn’t refuse. Still, I had an idea he looked annoyed, and I said, without thinking: “Sorry, sir, but it’s not my fault, you know.”

Afterwards it struck me I needn’t have said that. I had no reason to excuse myself; it was up to him to express his sympathy and so forth. Probably he will do so the day after tomorrow, when he sees me in black. For the present, it’s almost as if Mother weren’t really dead. The funeral will bring it home to me, put an official seal on it, so to speak. ...

I took the two-o’clock bus. It was a blazing hot afternoon. I’d lunched, as usual, at Céleste’s restaurant. Everyone was most kind, and Céleste said to me, “There’s no one like a mother.” When I left they came with me to the door. It was something of a rush, getting away, as at the last moment I had to call in at Emmanuel’s place to borrow his black tie and mourning band. He lost his uncle a few months ago.

I had to run to catch the bus. I suppose it was my hurrying like that, what with the glare off the road and from the sky, the reek of gasoline, and the jolts, that made me feel so drowsy. Anyhow, I slept most of the way. When I woke I was leaning against a soldier; he grinned and asked me if I’d come from a long way off, and I just nodded, to cut things short. I wasn’t in a mood for talking.

The Home is a little over a mile from the village. I went there on foot. I asked to be allowed to see Mother at once, but the doorkeeper told me I must see the warden first. He wasn’t free, and I had to wait a bit. The doorkeeper chatted with me while I waited; then he led me to the office. The warden was a very small man, with gray hair, and a Legion of Honor rosette in his buttonhole. He gave me a long look with his watery blue eyes. Then we shook hands, and he held mine so long that I began to feel embarrassed. After that he consulted a register on his table, and said:

“Madame Meursault entered the Home three years ago. She had no private means and depended entirely on you.”

 

 

Albert Camus (7 november 1913 – 4 januari 1960)

Lees meer...

In Memoriam Hetty Blok

 

In Memoriam Hetty Blok

De cabaretière, actrice en zangeres Hetty Blok is op 92-jarige leeftijd na een kort ziekbed overleden. Ze was bij het grote publiek het meest bekend door haar rol van zuster Klivia in de tv-serie Ja Zuster, Nee Zuster van Annie M.G. Schmidt. Hetty Blok werd geboren in Arnhem op 6 januari 1920.

 

 

De kat van ome Willem is op reis geweest

 

De kat van ome Willem is op reis geweest
Op reis geweest, op reis geweest
De kat van ome Willem is op reis geweest
Waar ging die dan naar toe
Hoi

Hij is voor zeven maanden naar Parijs geweest
Parijs geweest, Parijs geweest
Zodat ie nou alleen maar Franse kranten leest
Bonjour en voulez-vouz

Hij heeft zoiets elegants
Hij geeft kopjes op z’n Frans
Hij gaat met de rozenkrans
Naar de Franse kathedraal
Allemaal
Allemaal
Allemaal
Allemaal
Ja, de kat van ome Willem is brutaal
Oh la la



Leen Jongewaard als Gerrit en Hetty Blok als zuster Klivia


Die kat is op een echte Franse school geweest
Op school geweest, op school geweest
Die kat is op een echte Franse school geweest
En zegt nou “Oh, pardon”

Hij is ook op visite bij De Gaulle geweest
De Gaulle geweest, De Gaulle geweest
Hij is ook op visite bij De Gaulle geweest
En zegt voortdurend “Non”

Zingt een liedje op z’n Frans
Over de maagd van Orléans
Hij lust enkel jus d’orange
En af en toe cognac
Op ’t dak
Op ’t dak
Op ’t dak
Op ’t dak
En hij wil alleen maar op een Franse bak
Kouwe kak

De kat van ome Willem is op reis geweest
Op reis geweest, op reis geweest
De kat van ome Willem is op reis geweest
Waar ging die dan naar toe
Hoi

Hij is voor zeven maanden naar Parijs geweest
Parijs geweest, Parijs geweest
De kat van ome Willem is op reis geweest
Bonjour en voulez-vouz
Hoi

 

 

 

Tekst: Annie M.G. Schmidt / Muziek: Harry Bannink

 

 

 

Hetty Blok (6 januari 1920 - 6 november 2012)

Jan Vercammen

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jan Vercammen werd geboren in Temse op 7 november 1906. Zie ook alle tags voor Jan Vercammen op dit blog.

 

 

Nog een dag met Eric

 

Na nog een nacht met overzeese dromen

en nog een morgen met een moe maar gaaf gebed

is met wat licht de stille man gekomen

en heeft het kistje naast uw wieg gezet.

 

Het meisje kwam uw blauwe peluw dragen,

uw bed van witte watten was gespreid,

toen aarzelde de man en wilde nog iets vragen:

- zijn handen waren weigerig en zwaar van spijt

 

toen zij u namen en u óvergleden:

een trage boog als een zeer lichte brug.

En toen gij eenzaam haar hebt overschreden,

uw moeder en uw vader riepen schrijnend u terug.

 

 

 

Voor-Herfst

 

Reeds weet ik, waar de najaarsvuren zullen branden:

over de helling staan de boeren in de schuine zon.

Ik voel de kille nacht al aan mijn stramme handen,

waarmede ik zelfs mijn oogst niet winnen kon.

 

De misten slieren onder de gezonken luchten,

(de herfst is ons zo onwaarschijnlijk dicht)

in het versterkte geuren van de rijpe vruchten

verging de ganse zomer: o! zijn warmte en zijn licht.

 

En toch (ze zeggen: hij is in de herfst geboren)

zal ik mijn hete voorhoofd betten aan zijn koele goud,

dan zal ik weer verschrikt de knal der schoten horen,

en trouw de dieren volgen in het kreupelhout.

 

En zo zal weer de jagersknaap me vinden

mijn klamme handen op een warme vacht

van of een vogel of een haas, - wellicht een hinde,

die van mijn handen 't dauwen drinkt der natte nacht.

 

't Is enkel maar een droom, die aan mijn oog zal sterven

tussen wat rulle sneeuw en wat bevroren zand;

het is een wild en vruchteloos verwerven

en slechts een groeve meer in mijn gereikte hand.

 

 

 

Jan Vercammen (7 november 1906 – 5 augustus 1984)

18:40 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jan vercammen, romenu |  Facebook |

06-11-12

Robert Musil, Michael Cunningham, Nelleke Noordervliet, Bea Vianen, Bert Vanheste

 

De Oostenrijkse schrijver Robert Musil werd geboren op 6 november 1880 in Klagenfurt. Zie ook mijn blog van 6 november 2010 en eveneens alle tags voor Robert Musil op dit blog.

 

Uit: Die Verwirrungen des Zöglings Törleß

 

“Dieselbe furchtbare Gleichgültigkeit, die schon den ganzen Nachmittag über allerorts gelegen war, kroch nun über die Ebene heran, und hinter ihr her wie eine schleimige Fährte der Nebel, der über den Sturzäckern und bleigrauen Rübenfeldern klebte.

Törleß sah nicht rechts noch links, aber er fühlte es. Schritt für Schritt trat er in die Spuren, die soeben erst vom Fuße des Vordermanns in dem Staube aufklafften – und so fühlte er es: als ob es so sein müßte: als einen steinernen Zwang, der sein ganzes Leben in diese Bewegung – Schritt für Schritt – auf dieser einen Linie, auf diesem einen schmalen Streifen, der sich durch den Staub zog, einfing und zusammenpreßte.

Als sie an einer Kreuzung stehen blieben, wo ein zweiter Weg mit dem ihren in einen runden, ausgetretenen Fleck zusammenfloß, und als dort ein morschgewordener Wegweiser schief in die Luft hineinragte, wirkte diese, mit ihrer Umgebung in Widerspruch stehende, Linie wie ein verzweifelter Schrei auf Törleß.

 

Scene uit „Die Verwirrungen des Zöglings Törleß“ door Jugendclub JUST,Theater im Palais, Berlijn, 2011

 

 

Wieder gingen sie weiter. Törleß dachte an seine Eltern, an Bekannte, an das Leben. Um diese Stunde kleidet man sich für eine Gesellschaft an oder beschließt ins Theater zu fahren. Und nachher geht man ins Restaurant, hört eine Kapelle, besucht das Kaffeehaus. Man macht eine interessante Bekanntschaft. Ein galantes Abenteuer hält bis zum Morgen in Erwartung. Das Leben rollt wie ein wunderbares Rad immer Neues, Unerwartetes aus sich heraus ...

Törleß seufzte unter diesen Gedanken und bei jedem Schritte, der ihn der Enge des Institutes näher trug, schnürte sich etwas immer fester in ihm zusammen.

Jetzt schon klang ihm das Glockenzeichen in den Ohren. Nichts fürchtete er nämlich so sehr wie dieses Glockenzeichen, das unwiderruflich das Ende des Tages bestimmte – wie ein brutaler Messerschnitt.

Er erlebte ja nichts und sein Leben dämmerte in steter Gleichgültigkeit dahin, aber dieses Glockenzeichen fügte dem auch noch den Hohn hinzu und ließ ihn in ohnmächtiger Wut über sich selbst, über sein Schicksal, über den begrabenen Tag erzittern.

Nun kannst du gar nichts mehr erleben, während zwölf Stunden kannst du nichts mehr erleben, für zwölf Stunden bist du tot ...: das war der Sinn dieses Glockenzeichens.”

 

 

 

Robert Musil (6 november 1880 – 15 april 1942)

Musil Museum in Klagenfurt

 

Lees meer...

05-11-12

Joyce Maynard, Andreas Stichmann, Bert Wagendorp, Hanns-Josef Ortheil

 

De Amerikaanse schrijfster Joyce Maynard werd geboren op 5 november 1953 in Durham, New Hampshire en volgde een opleiding aan de Phillips Exeter Academy. Zie ook mijn blog van 5 november 2010 en eveneens alle tags voor Joyce Maynard op dit blog.

 

Uit: The Good Daughters

 

And here was the other part of the story, well known to me from a hundred tellings: small as our town was—not even so much as a town, really; more like a handful of farms with a school and a general store and a post office to keep things ticking along—I was not the only baby born at Bellersville Hospital that day. Not two hours after me, another baby girl came into the world. This would be Dana Dickerson, and here my mother, if she was in earshot, joined in with her own remarks.
“Your birthday sister,” she liked to say. “You two girls started out in the world together. It only stands to reason we’d feel a connection.”
In fact, our families could hardly have been more different—the Dickersons and the Planks. Starting with where we made our home, and how we got there.
The farm where we lived had been in my father’s family since the sixteen hundreds, thanks to a twenty-acre land parcel acquired in a card game by an ancestor—an early settler come from England on one of the first boats—with so many greats in front of his name I lost count, Reginald Plank. Since Reginald, ten generations of Plank men had farmed that soil, each one augmenting the original tract with the purchase of neighboring farms, as—one by one— more fainthearted men gave up on the hard life of farming, while my forebears endured.
My father was the oldest son of an oldest son. That’s how the land had been passed down for all the generations. The farm now consisted of two hundred and twenty acres, forty of them cultivated, mostly in corn and what my father called kitchen crops that we sold, summers, at our farm stand, Plank’s Barn. Those and his pride and joy, our strawberries.

 

 

Joyce Maynard (Durham, 5 november 1953)

Lees meer...