07-06-16

In Memoriam Peter Shaffer

In Memoriam Peter Shaffer

 

De Britse toneelschrijver Peter Shaffer is maandag op 90-jarige leeftijd in Ierland overleden. Peter Shaffer werd geboren op 15 mei 1926 in Liverpool.  Zie ook alle tags voor Peter Schaffer op dit blog.

Uit: Equus

„DYSART Me?
HESTHER I mean, to hospital.
DYSART Now look, Hesther. Before you say anything else, I can take no more patients at the moment. I can't even cope with the ones I have.
HESTHER You must.
DYSART Why?
HESTHER Because most people are going to be disgusted by the whole thing. Including doctors.
DYSART M AY I REMIND YOU I SHARE THIS ROOM WITH TWO
HIGHLY competent psychiatrists?
HESTHER Bennett and Thoroughgood. They'll be as shocked as the public.
DYSART T HAT ' S AN ABSOLUTELY UNWARRANTABLE STATEMENT .
 

 
Scene uit een opvoering in Londen, 2012

 

HESTHER O H , THEY ' LL BE COOL AND EXACT . A ND
UNDERNEATH they'll be revolted, and immovably English. Just like my bench.
DYSART Well, what am I? Polynesian?
HESTHER You know exactly what I mean!…...
(pause) Please, Martin. It's vital. You're this boy's only chance.
DYSART Why? What's he done? Dosed some little girl's Pepsi with Spanish Fly? What could possibly throw your bench into two-hour convulsions?
HESTHER He blinded six horses with a metal spike.
A long pause.
DYSART Blinded?
HESTHER Yes.
DYSART All at once, or over a period?
HESTHER All on the same night.“

 

 
Peter Shaffer (15 mei 1926 – 6 juni 2016)

17:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: in memoriam, peter shaffer, romenu |  Facebook |

06-06-16

Thomas Mann, Aleksandr Poesjkin, Sarah Dessen, Jean Cayrol, Pierre Corneille, Hendrik van Teylingen, V. C. Andrews, Henry Newbolt

 

De Duitse schrijver Thomas Mann werd geboren in Lübeck op 6 juni 1875. Zie ook mijn blog van 6 juni 2010 en eveneens alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Doktor Faustus

„Mit aller Bestimmtheit will ich versichern, daß es keineswegs aus dem Wunsche geschieht, meine Person in den Vordergrund zu schieben, wenn ich diesen Mitteilungen über das Leben des verewigten Adrian Leverkühn, dieser ersten und gewiß sehr vorläufigen Biographie des teuren, vom Schicksal so furchtbar heimgesuchten, erhobenen und gestürzten Mannes und genialen Musikers, einige Worte über mich selbst und meine Bewandtnisse vorausschicke. Einzig die Annahme bestimmt mich dazu, daß der Leser — ich sage besser: der zukünftige Leser; denn für den Augenblick besteht ja noch nicht die geringste Aussicht, daß meine Schrift das Licht der Öffentlichkeit erblikken könnte, — es sei denn, daß sie durch ein Wunder unsere umdrohte Festung Europa zu verlassen und denen draußen einen Hauch von den Geheimnissen unserer Einsamkeit zu bringen vermöchte; — ich bitte wieder ansetzen zu dürfen: nur weil ich damit rechne, daß man wünschen wird, über das Wer und Was des Schreibenden beiläufig unterrichtet zu sein, schicke ich diesen Eröffnungen einige wenige Notizen über mein eigenes Individuum voraus, — nicht ohne die Gewärtigung freilich, gerade dadurch dem Leser Zweifel zu erwecken, ob er sich auch in den richtigen Händen befindet, will sagen: ob ich meiner ganzen Existenz nach der rechte Mann für eine Aufgabe bin, zu der vielleicht mehr das Herz als irgendwelche berechtigende Wesensverwandtschaft mich zieht.

 

 
Armel Loriquet als Echo en Jon Finch als Adrian Leverkühn in de film uit 1982

 

Ich überlese die vorstehenden Zeilen und kann nicht umhin, ihnen eine gewisse Unruhe und Beschwertheit des Atemzuges anzumerken, die nur zu bezeichnend ist für den Gemütszustand, in dem ich mich heute, den 23. Mai 1943, zwei Jahre nach Leverkühns Tode, will sagen: zwei Jahre nachdem er aus tiefer Nacht in die tiefste gegangen, in meinem langjährigen kleinen Studierzimmer zu Freising an der Isar niedersetze, um mit der Lebensbeschreibung meines in Gott ruhenden — o möge es so sein! — in Gott ruhenden unglücklichen Freundes den sächlich hat das Erlebnis mich gezwungen, über dieses Problem so angestrengt, so inständig nachzudenken,»daß es mir schreckhafter Weise zuweilen schien, als würde ich damit über die mir eigentlich bestimmte und zukömmliche Gedankenebene hinausgetrieben und erführe selbst eine »unlautere« Steigerung meiner natürlichen Gaben ...“

 

 
Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)
In 1947

Lees meer...

Frank Gericke

 

De Nederlandse dichter en publicist Frank Gericke (pseudoniem van Derk Gerhardus Hoek) werd geboren in Hoogvliet op 6 juni 1887. Hoek was de zoon van ds. Willem Hoek en Derkdina Harmsen; hij werd in de pastorie van Hoogvliet geboren. In 1892 werd zijn vader predikant in Brussel waarnaar het gezin verhuisde. Daar ging Hoek naar school en vanaf 1906 naar de universiteit van Brussel waar hij eerst Letteren en wijsbegeerte studeerde, en later overstapte naar rechten waar hij vlak voor de Eerste Wereldoorlog afstudeerde als doctor in de rechten. Vanaf oktober 1907 studeerde Carel Gerretson (1884-1958) sociologie te Brussel en Hoek en hij leerden daar elkaar kennen. Beiden raakten betrokken bij de Vlaamse Beweging waardoor ook Leo Picard en Eugène Cantillon tot hun vriendenkring gingen behoren. Het waren ook de jaren dat beiden zich op het vlak van de dichtkunst begaven. Gerretson publiceerde in 1911 onder het pseudoniem Geerten Gossaert zijn bundel “Experimenten”, Hoek publiceerde vanaf 1913 gedichten onder de naam Frank Gericke in verschillende tijdschriften. In 1916 publiceerde Gericke zijn “Van het slagveld der Natieën”, een bundel eerder verschenen verslagen over door de oorlog getroffen plaatsen in België. Vanaf 1918 werkte hij bij de Koninklijke BPM, door bemiddeling van Gerretson die daar werkte als secretaris van directeur Hendrikus Colijn, de latere minister-president. Bij de BPM leerde hij zijn vrouw Ida kennen. Zij trouwden in 1920 en vlak daarna vertrok het jonge echtpaar naar Java om op het BPM-kantoor in Tjepoe te gaan werken. Ook daar dichtte Gericke voort en publiceerde zijn gedichten onder pseudoniem. In 1923 ging hij werken bij het latere Unilever in Londen (waar hij de dichter Pieter Nicolaas van Eyck leerde kennen), en vervolgens in Rotterdam. In 1925 stuurde hij voor advies een typoscript naar Van Eyck. Na een uitvoerige reactie van die laatste, waar Gericke zich het nodige van aantrok, verscheen eind 1927 zijn eerste (en naar later bleek: enige) dichtbundel: “Conservatieve gedichten”. De bundel werd zeer gemengd ontvangen: J.C. Bloem schreef er positief over, Hendrik Marsman zeer negatief. In 1949 ging Hoek met pensioen. Hij bleef wel schrijven maar van publiceren zou niet veel meer komen. Wel schreef hij in 1958 het levensbericht van zijn vriend Gerretson in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letteren. Daarna verschenen nog slechts twee werkjes (een in 1966 en een postuum in 1977). Gericke is de grootvader van publiciste Ileen Montijn en de overgrootvader van Jonathan van het Reve.

 

Op een maartschen zomer

Koud zij als deze zomer mijn hart! En de striemende vlagen,
'T onweêr, 't flitsende licht, klaatren en vlammen rondom!
Zou ook dit schrale geslacht als de vele zijn vruchten doen rijpen,
Die, voor zich niet alleen, hemelwijd hebben gebloeid?
Nog kunt gij, en uw zoon, en uw naneef trouw hun ten gast zijn.
Gij - breng' gij, wat dees eeuw 't leven u voeden kan, voort?

 

 

Gebed

O Vader rijk en vroed
Die alle leven voedt,
Wend uwe zeegnende oogen
Niet af van 't biddend kind
Dat zwak en willig blind
Voor U leit neergebogen.

Misgun Gij, die hem laaft
En licht en leven gaaft,
Ook uwe speelsche wijzen
Niet aan zijn teedre keel;
Mocht, als een zuivre veêl,
Ze in eeuwigheid U prijzen!

 

 
Frank Gericke (6 juni 1887 − 14 december 1976)

18:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: frank gericke, romenu |  Facebook |

05-06-16

Fintro Literatuurprijs 2016 voor Hagar Peeters

 

Fintro Literatuurprijs voor Hagar Peeters

De Nederlandse dichteres en schrijfster Hagar Peeters heeft de eerste Fintro Literatuurprijs gewonnen met haar debuutroman "Malva". De prijs is de opvolger van de Gouden Boekenuil en wordt nu voor het eerst gewonnen door een vrouw. De lezersjury koos voor "De onderwaterzwemmer" van P.F. Thomése. Hagar Peeters werd geboren in Amsterdam op 12 mei 1972. Zie ook alle tags voor Hagar Peeters op dit blog.

Uit: Malva

“Mijn naam is Malva Marina Trinidad del Carmen Reyes, voor mijn vrienden hier Malfje; Malva voor alle anderen. Ik kan ter zelfrechtvaardiging melden dat ik die naam natuurlijk niet zelf heb bedacht. Dat is gedaan door mijn vader. Je kent hem wel, de grote dichter. Zoals hij zijn gedichten en zijn dichtbundels titels gaf, zo gaf hij mij een naam. Maar nooit noemde hij die in het openbaar. Mijn eeuwige leven begon na mijn dood in 1943 in Gouda. Mijn begrafenis telde een handjevol mensen. Heel anders dan de begrafenis van mijn vader, dertig jaar later in Santiago de Chile.
Op een manier waaraan Sokrates nog een puntje had kunnen zuigen, ontsliep mijn vader in het Santa Mariaziekenhuis in Santiago nadat bij hem de hysterie was gesmoord die hem had bevangen na het aanhoren van zo veel mensonterend onrecht dat hij, die altijd vriendelijk en kalm was geweest, en zelfs onder de meest bloedstollende omstandigheden het hoofd koel had gehouden, ontstak in tirades en wanhopig geschreeuw, kortom: tekeerging als een bezetene, maar daar was al de dokter in witte jas geweest die hem met een kalmeringsinjectie tot rust had gebracht, en de zoete slaap waarin hij vervolgens was gegleden, maakte een ellenlange uitglijder en werd een glijbaan waaraan maar geen einde kwam, zo voelde mijn vader onder in zijn buik hoe hij de heerlijke afdaling inzette terwijl hij in werkelijkheid aan het opstijgen was tot de regionen van het hiernamaals, waarin ik hem nog lang niet zal aantreffen maar waar hij zich wel degelijk moet bevinden want het hiernamaals is groot en bovendien was hij zo dood als een pier, wat de artsen de volgende dag eensluidend vaststelden aan de hand van zijn gestaakte polsslag en gegeven het onmiskenbare feit dat ook zijn ogen gesloten bleven en er niets maar dan ook niets meer aan hem bewoog; nog geen zuchtje wind ging er door die ledematen, die stokstijf bleven alsof zonsverduistering en hartje winter in één klap en op hetzelfde moment waren ingevallen.
Ik rekte deze zin opzettelijk om gedurende het verstrijken ervan mijn vader de tijd te geven op zijn gemak het leven te verlaten en de dood binnen te treden.
Ik rekte deze zin opzettelijk om gedurende het verstrijken ervan mijn vader de tijd te geven op zijn gemak het leven te verlaten en de dood binnen te treden.
Het verlies was aan zijn weduwe Matilde Urrutia. Zij boog voor de dode, kuste zijn handen, tastte op de grond naast het bed naar de uit zijn hand gegleden vulpen, vond die uiteindelijk toen ze al op haar knieën zat en haar armen uitstrekte tot onder het bed, waarna zij de verpleegster mopperend om een bezem verzocht om het ding naar zich toe te bewegen, ze stak hem achter haar rechteroor onder een nonchalant vallende haarlok, olijke, onverbeterlijke Patoja, en nam zich voor er later zijn eigen herinneringen mee af te schrijven, en daarna ook die van haarzelf aan hun leven samen.”

 

 
Hagar Peeters (Amsterdam, 12 mei 1972)

 

Lees meer...

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Robert Franquinet

 

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

 

City That Does Not Sleep

In the sky there is nobody asleep.  Nobody, nobody.
Nobody is asleep.
The creatures of the moon sniff and prowl about their cabins.
The living iguanas will come and bite the men who do not dream,
and the man who rushes out with his spirit broken will meet on the
street corner
the unbelievable alligator quiet beneath the tender protest of the
stars.

Nobody is asleep on earth.  Nobody, nobody.
Nobody is asleep.
In a graveyard far off there is a corpse
who has moaned for three years
because of a dry countryside on his knee;
and that boy they buried this morning cried so much
it was necessary to call out the dogs to keep him quiet.

Life is not a dream.  Careful!  Careful!  Careful!
We fall down the stairs in order to eat the moist earth
or we climb to the knife edge of the snow with the voices of the dead
dahlias.
But forgetfulness does not exist, dreams do not exist;
flesh exists.  Kisses tie our mouths
in a thicket of new veins,
and whoever his pain pains will feel that pain forever
and whoever is afraid of death will carry it on his shoulders.

One day
the horses will live in the saloons
and the enraged ants
will throw themselves on the yellow skies that take refuge in the
eyes of cows.

Another day
we will watch the preserved butterflies rise from the dead
and still walking through a country of gray sponges and silent boats
we will watch our ring flash and roses spring from our tongue.
Careful!  Be careful!  Be careful!
The men who still have marks of the claw and the thunderstorm,
and that boy who cries because he has never heard of the invention
of the bridge,
or that dead man who possesses now only his head and a shoe,
we must carry them to the wall where the iguanas and the snakes
are waiting,
where the bear’s teeth are waiting,
where the mummified hand of the boy is waiting,
and the hair of the camel stands on end with a violent blue shudder.

Nobody is sleeping in the sky.  Nobody, nobody.
Nobody is sleeping.
If someone does close his eyes,
a whip, boys, a whip!
Let there be a landscape of open eyes
and bitter wounds on fire.
No one is sleeping in this world.  No one, no one.
I have said it before.

No one is sleeping.
But if someone grows too much moss on his temples during the
night,
open the stage trapdoors so he can see in the moonlight
the lying goblets, and the poison, and the skull of the theaters.

 

Vertaald door Robert Bly

 

 
Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
Portret door Fabrizio Cassetta, 2013

Lees meer...

Margaret Drabble, Kristin Gore, Thomas Kling, Hélène Cixous, Spalding Gray

 

De Engelse schrijfster Margaret Drabble werd geboren op 5 juni 1939 in Sheffield, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Margaret Drabble op dit blog.

Uit: A Day in the Life of a Smiling Woman

“The situation was made even more annoying by the fact that everyone looked so interesting. That was why they were all getting on with each other so splendidly, of course. The only people who were not shouting or shuffling were extremely boring-looking people like himself, who were propped up sadly in dark corners. And the girls, one could not deny it, were most impressive. He liked artistic and intellectual-looking girls, himself; he could never see what other people had against all these fiercely painted eyes, these long over-exposed legs, these dramatic dresses. They all looked a little larger and brighter than life, and talked with a more than natural intensity, and laughed with a more than natural mirth. He found them most exhilarating. He gazed with frank admiration at one exotic creature with long pale hair and a long maroon velvet dress: her legs were not over-exposed but on the contrary totally enclosed, though she made up for this modesty elsewhere, displaying to the world a vast extent of pallid back, where angry pointed shoulder-blades rose and fell as she gesticulated and discoursed. All he saw of her was her active back: her face and front were bestowed upon others.
Even she, though, had nothing on a girl he could see at the other side of the room, far away and perched on top of a book-case, whence she was holding court, and whence she smiled serenely above the heads of others and above the sea of smoke. Her slight elevation gave her a look of detached beauty, and her face had a cool superiority, as of one who inhabits a finer air. She too was surrounded, naturally, by hordes of friends and admirers, who were plying her with chat and cigarettes, and constantly refilling her glass. And she too, like the pale girl, had long hair, though hers, as far as he could distinguish, was not pale, but of a dark and fiery red. He decided that he would cross the room and distinguish a little more closely.“

 

 
Margaret Drabble (Sheffield, 5 juni 1939)

Lees meer...

Christy Brown, David Hare, Alifa Rifaat, Otto F. Walter, Ivy Compton-Burnett

 

De Ierse dichter, schrijver en schilder Christy Brown werd geboren op 5 juni 1932 in Dublin. Zie ook alle tags voor Christy Brown op dit blog.

Uit:My Left Foot

“Very worried by this, mother told my father her fears, and they decided to seek medical advice without any further delay. I was a little over a year old when they began to take me to hospitals and clinics, convinced that there was something definitely wrong with me, something which they could not understand or name, but which was very real and disturbing.
Almost every doctor who saw and examined me, labelled me a very interesting but also a hopeless case. Many told mother very gently that I was mentally defective and would remain so. That was a hard blow to a young mother who had already reared five healthy children. The doctors were so very sure of themselves that mothers faith in me seemed almost an impertinence. They assured her that nothing could be done for me.
She refused to accept this truth, the inevitable truthh as it then seemed”that I was beyond cure, beyond saving, even beyond hope. She could not and would not believe that I was an imbecile, as the doctors told her. She had nothing in the world to go by, not a scrap of evidence to support her conviction that, though my body was crippled, my mind was not. In spite of all the doctors and specialists told her, she would not agree. I don’t believe she knew why she just knew without feeling the smallest shade of doubt.
Finding that the doctors could not help in any way beyond telling her not to place her trust in me, or, in other words, to forget I was a human creature, rather to regard me as just something to be fed and washed and then put away again, mother decided there and then to take matters into her own hands. I was her child, and therefore part of the family. No matter how dull and incapable I might grow up to be, she was determined to treat me on the same plane as the others, and not as the ˜queer one” in the back room who was never spoken of when there were visitors present.”

 

 
Christy Brown (5 juni 1932 – 6 september 1981)

Lees meer...

04-06-16

Down By The Carib Sea (James Weldon Johnson)

 

Dolce far niente

 

 
Caribbean Sea door Dmitry Spiros, 2013

 

 

Down By The Carib Sea

I
Sunrise in the Tropics

Sol, Sol, mighty lord of the tropic zone,
Here I wait with the trembling stars
To see thee once more take thy throne.

There the patient palm tree watching
Waits to say, 'Good morn' to thee,
And a throb of expectation
Pulses through the earth and me.

Now, o'er nature falls a hush,
Look! the East is all a-blush;
And a growing crimson crest
Dims the late stars in the west;
Now, a flood of golden light
Sweeps acress the silver night,
Swift the pale moon fades away
Before the light-girt King of Day,
See! the miracle is done!
Once more behold! The Sun!

 

II
Los Cigarillos

This is the land of the dark-eyed
gente,

Of the
dolce far niente,

Where we dream away
Both the night and day,
At night-time in sleep our dreams we invoke,
Our dreams come by day through the redolent smoke,
As it lazily curls,
And slowly unfurls
From our lips,
And the tips
Of our fragrant cigarillos.
For life in the tropics is only a joke,
So we pass it in dreams, and we pass it in smoke,
Smoke — smoke — smoke.

Tropical constitutions
Call for occasional revolutions;
But after that's through,
Why there's nothing to do
But smoke — smoke;
For life in the tropics is only a joke,
So we pass it in dreams, and we pass it in smoke,
Smoke — smoke — smoke.

 

 

 
James Weldon Johnson (17 juni 1871 – 26 juni 1938)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 4e juni ook mijn blog van 4 juni 2015 deel 1 en ook deel 2.

Marieke Rijneveld

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marieke Rijneveld  werd geboren in Nieuwendijk in 1991. Sinds 2015 redacteur van literair tijdschrift De Revisor. Werk van haar is gepubliceerd in o.a. de VPRO gids, Das Magazin, TerrasDe Revisor, Hard//Hoofd, Passionate Platform, Het Liegend Konijn, De Poëziekrant, DW B, Deus ex Machina en in Het Hollands Maandblad. Ze won de Hollands Maandblad Aanmoedigingsbeurs 2014/2015 en de C.C.S Crone Stipendium literatuurbeurs 2015.  In Juni 2015 verscheen haar debuutdichtbundel ‘KALFSVLIES’ bij AtlasContact. Door de Volkskrant werd ze uitgeroepen tot literair talent van 2016.

 

Het ligt niet aan jou maar aan het huis

Ik denk aan deuren die harder dichtvallen als iemand voor het laatst
het huis verlaat, aan hoeken van kamers die eigenlijk oksels zijn en
angstzweet verspreiden, lekkages. Er hangt geen ongemakkelijke sfeer,
het zijn de ramen die bibberen als iemand weggaat

Zoals verdriet vergelijkbaar is met het vuilnis buitenzetten
niemand zie je het doen en toch staat het op maandagochtend aan de straat
sommige dingen doe je alleen in bed als de nacht in een zeil verandert
waar sterren vanaf tuimelen, op het dak vallen als knalerwten.

In de verte staan twee fabrieken met elkaar te roken
toen de deur achter je dichtviel, heb ik uit het raam gehangen
zij stonden daar veilig onder het afdak van wat grijze wolken

en ik riep je na terwijl zij de volgende opstaken, het over ons hadden
rokers staan zelf eeuwig in de mist, kijken daarom altijd naar de ander
dus schreeuwde ik naar je waardoor het behang zich losrukte van de muren
want we bellen ook al knippen ze de lijnen door als navelstrengen

sturen brieven met parfum en inktvlekken als tegenstellingen
om te verdoezelen dat we misschien wel te veel van elkaar houden
gooien flessenpost met gedachten en zorgen om onze hoofden
boven water te houden. Zetten het huis op een ansichtkaart.

 

 
Marieke Rijneveld  (Nieuwendijk, 1991)

17:25 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: marieke rijneveld, romenu |  Facebook |

03-06-16

Allen Ginsberg, Philippe Djian, Maarten van Buuren, Solomonica de Winter, Monika Maron, Larry McMurtry, Norbert Gstrein, Wolfgang Cordan

 

De Amerikaanse dichter Irwin Allen Ginsberg werd geboren in Newark, New Jersey, op 3 juni 1926. Zie ook alle tags voor Allen Ginsberg op dit blog.

 

Howl (Fragment)

who broke down crying in white gymnasiums naked and trembling before the machinery of other skeletons,
who bit detectives in the neck and shrieked with delight in policecars for committing no crime but their own wild cooking pederasty and intoxication,
who howled on their knees in the subway and were dragged off the roof waving genitals and manuscripts,
who let themselves be fucked in the ass by saintly motorcyclists, and screamed with joy,
who blew and were blown by those human seraphim, the sailors, caresses of Atlantic and Caribbean love,
who balled in the morning in the evenings in rosegardens and the grass of public parks and cemeteries scattering their semen freely to whomever come who may,
who hiccuped endlessly trying to giggle but wound up with a sob behind a partition in a Turkish Bath when the blond & naked angel came to pierce them with a sword,
who lost their loveboys to the three old shrews of fate the one eyed shrew of the heterosexual dollar the one eyed shrew that winks out of the womb and the one eyed shrew that does nothing but sit on her ass and snip the intellectual golden threads of the craftsman’s loom,
who copulated ecstatic and insatiate with a bottle of beer a sweetheart a package of cigarettes a candle and fell off the bed, and continued along the floor and down the hall and ended fainting on the wall with a vision of ultimate cunt and come eluding the last gyzym of consciousness,
who sweetened the snatches of a million girls trembling in the sunset, and were red eyed in the morning but prepared to sweeten the snatch of the sunrise, flashing buttocks under barns and naked in the lake,
who went out whoring through Colorado in myriad stolen night-cars, N.C., secret hero of these poems, cocksman and Adonis of Denver—joy to the memory of his innumerable lays of girls in empty lots & diner backyards, moviehouses’ rickety rows, on mountaintops in caves or with gaunt waitresses in familiar roadside lonely petticoat

 

 
Allen Ginsberg (3 juni 1926 - 6 april 1997)
Jack Kerouac, Allen Ginsberg, Peter Orlovsky en Gregory Corso in de korte film “Allen” van Woody Allen uit 1964

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Lees meer...

02-06-16

Jim Knipfel, Marcel Reich-Ranicki, Sibylle Berg, Carol Shields, Jean Nelissen, Thomas Hardy, Markies De Sade, Joy Ladin

 

De Amerikaanse schrijver Jim Knipfel werd geboren op 2 juni 1965 in Green Bay, Wisconsin. Zie ook alle tags voor Jim Knipfel op dit blog.

Uit: Slackjaw: A Memoir

"There, you see? Can you imagine how they would feel if you killed yourself?"
"So, what, I should go on living solely out of guilt? Guilt overhow they would feel if I were to end it? That's not much to workwith." I chuckled.
"See? You just laughed! If you laugh, that must meansomething. Everything's not completely dark."
"Well, Wagner said," I responded, one more young man whotook his Wagner too seriously, "`Amidst laughter should we faceour doom.'"
"Who?"
"Never mind," I told her, knowing the whole thing was amistake. It wasn't going anywhere, and never would go anywhere."Thanks for taking the time, but I'm suddenly real tired. I'mgoing to bed."
"Are you still thinking about hurting yourself?"
"Well, yeah. But right now I'm just too damn tired." Thesefew minutes on the phone with her had completely sapped whatenergy I had left. She began to say something else, but I hungup. Useless. I lay down on my mattress, still dressed, and fellasleep.
The next morning was brisk and clear outside. Therewere things I was supposed to be doing, but for the life of me, Icouldn't remember what. I put on my hat and coat, left theapartment, and started walking in a direction I'd never gone. I hadstarted wearing a black fedora everywhere when I was sixteenyears old. At the time, I thought it made me look like Bogart. Iwas mistaken. So many of us go through life trying to be Bogartor Cagney, but we mostly end up like Elisha Cook, Jr. I certainlydid. But the hat stayed. It was my most identifiable feature.
I walked for hours, hoping I could exhaust myself and walkthe bad thoughts out of my head. Once my legs started gettingnumb, I turned around and started back home. While I walked,I took inventory, only to discover that there was nothing to count.
When I got home, I opened the door, threw my hat and coaton the mattress, snatched the razors off the desk, took them into the bathroom, and searched in vain for a comfortable spot on the tiled floor. After a few minutes I gave up on that silly notion and set to work on the right wrist."

 

 
Jim Knipfel (Green Bay, 2 juni 1965)

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Lees meer...

01-06-16

Patrick Besson, John Masefield, Ferdinand Raimund, Peter de Mendelssohn, Colleen McCullough, Macedonio Fernández, Dennis Gaens, Rhidian Brook

 

De Franse schrijver en journalist Patrick Besson werd geboren op 1 juni 1956 in Montreuil. Zie ook mijn blog van 1 juni 2009 en alle tags voor Patrick Besson op dit blog.

Uit: Lettre à un ami perdu

« La nuit était tombée sur cette journée grise de février. Je me rappelle les phares des voitures sous la pluie, une boule blonde sous les draps blancs, qui était la tête de la femme qui m'aimait. La femme qui m'aimait dormait toujours la tête sous les draps car elle était frileuse. Il m'arrive encore de soulever les draps et les couvertures et de chercher, mais de moins en moins souvent. C'est sans doute cela qu'on appelle guérir.
Février est comme novembre, un mois où les amours commencent ou meurent. Il y a des moments où la vie vaut la peine d'être vécue. Par exemple quand on nous présente à une femme qui correspond à ce que nous cherchons sous les draps et les couvertures. Le bon moment est quand les mots de la femme et les nôtres se suivent en ligne continue, s'attrapent et jouent les uns avec les autres comme des chats avec une balle en caoutchouc. On dit rouge, et c'est le rouge qui sort. 9, et le 9 sort. Mais combien de fois cela arrive-t-il ? Cela arrive juste assez souvent pour nous empêcher de nous tuer et c'est pourquoi nous sommes en enfer. L'enfer, en effet, n'a pas de fin.”
(..)

« Il lui aurait dit qu'ils étaient avant tout des amis, un garçon et une fille tombés par hasard dans le même esquif et qui vont essayer, malgré la tempête et le manque de provisions, d'arriver ensemble à bon port. Alors il n'y aurait eu ni coups ni déchirures, simplement deux enfants dans un grand lit, qui vont en voir de toutes les couleurs mais qui n'ont pas peur parce qu'ils savent qu'ils ont un ami."

 

 
Patrick Besson (Montreuil, 1 juni 1956)

Bewaren

Lees meer...

31-05-16

Walt Whitman, Frank Goosen, Gabriel Barylli, Konstantin Paustovski, Svetlana Alexievich, Ludwig Tieck

 

De Amerikaanse dichter Walt Whitman werd geboren op 31 mei 1819 in Westhills, Long Island, New York. Zie ook alle tags voor Whalt Whitman op dit blog.

 

Zang van de open weg

1
Te voet en luchthartig ga ik de open weg op,
Gezond, vrij, de wereld voor me,
Het lange, bruine pad voor me dat leidt waarheen ik wil.

Van nu af aan vraag ik niet om meer om voorspoed, ik ben zelf de voorspoed,
Van nu af aan jammer ik niet meer, stel ik niet meer uit, heb ik niets meer nodig,
Weg met het binnenshuis klagen, de bibliotheken, de knorrige kritiek,
Sterk en senang bereis ik de open weg.

De aarde, dat is genoeg,
Ik wil de sterrenbeelden niets dichterbij,
Ik weet dat ze thuishoren waar ze zijn,
Ik weet dat ze volstaan voor hen die ertoe behoren.

(Nog steeds draag ik hier mijn oude, heerlijke lasten,
Ik draag ze, mannen en vrouwen, ik draag ze mee waar ik ook ga,
Ik zweer dat het onmogelijk voor me is om ze kwijt te raken,
Ik ben er vol van en zij zullen vol zijn van mij.)

 

Vertaald door Jabik Veenbaas

 

 

A Glimpse

A GLIMPSE, through an interstice caught,
Of a crowd of workmen and drivers in a bar-room, around the stove,
late of a winter night--And I unremark'd seated in a corner;
Of a youth who loves me, and whom I love, silently approaching, and
seating himself near, that he may hold me by the hand;
A long while, amid the noises of coming and going--of drinking and
oath and smutty jest,
There we two, content, happy in being together, speaking little,
perhaps not a word.

 

 

Uit: Calamus Poems (Fragment)

2
Yet you are very beautiful to me, you faint-tinged
roots—you make me think of Death,
Death is beautiful from you—(what indeed is beau-
tiful, except Death and Love?)
O I think it is not for life I am chanting here my
chant of lovers—I think it must be for Death,
For how calm, how solemn it grows, to ascend to the
atmosphere of lovers,
Death or life I am then indifferent—my Soul de-
clines to prefer,
I am not sure but the high Soul of lovers welcomes
death most;
Indeed, O Death, I think now these leaves mean pre-
cisely the same as you mean;
Grow up taller, sweet leaves, that I may see! Grow
up out of my breast!
Spring away from the concealed heart there!
Do not fold yourselves so in your pink-tinged roots,
timid leaves!
Do not remain down there so ashamed, herbage of my
breast!
Come, I am determined to unbare this broad breast of
mine—I have long enough stifled and choked;
Emblematic and capricious blades, I leave you—now
you serve me not,
Away! I will say what I have to say, by itself,
I will escape from the sham that was proposed to me,
I will sound myself and comrades only—I will never
again utter a call, only their call,
I will raise, with it, immortal reverberations through
The States,
I will give an example to lovers, to take permanent
shape and will through The States;

 

 
Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893)
Standbeeld in Camden, New Jersey

Bewaren

Lees meer...

30-05-16

Elizabeth Alexander, Countee Cullen, Emmanuel Hiel, Martin Jankowski, Alfred Austin, Michail Bakoenin, Eddy Bruma, Jan Geerts

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Alexander werd geboren op 30 mei 1962 in New York. Zie ook alle tags voor Elizabeth Alexander op dit blog.

 

Apollo

We pull off
to a road shack
in Massachusetts
to watch men walk

on the moon. We did
the same thing
for three two one
blast off, and now

we watch the same men
bounce in and out
of craters. I want
a Coke and a hamburger.

Because the men
are walking on the moon
which is now irrefutably
not green, not cheese,

not a shiny dime floating
in a cold blue,
the way I'd thought,
the road shack people don't

notice we are a black
family not from there,
the way it mostly goes.
This talking through

static, bounces in space-
boots, tethered
to cords is much
stranger, stranger

even than we are.

 

 

At the Beach

Looking at the photograph is somehow not
unbearable: My friends, two dead, one low
on T-cells, his white T-shirt an X-ray
screen for the virus, which I imagine
as a single, swimming paisley, a sardine
with serrated fins and a neon spine.

I'm on a train, thinking about my friends
and watching two women talk in sign language.
I feel the energy and heft their talk
generates, the weight of their words in the air
the same heft as your presence in this picture,
boys, the volume of late summer air at the beach.

Did you tea-dance that day? Write poems
in the sunlight? Vamp with strangers? There is
sun under your skin like the gold Sula
found beneath Ajax's black. I calibrate
the weight of your beautiful bones, the weight
of your elbow, Melvin,

on Darrell's brown shoulder.

 

 
Elizabeth Alexander (New York, 30 mei 1962)

Lees meer...