09-08-12

Dolce far niente (Amsterdam)

 

Dolce far niente (Amsterdam)

 


Tegenstroom

Nu polders van droogte open scheuren
Pompt het Zeeburg-gemaal water
Water uit het IJmeer in de Amstel
Zo keert tegenstroom de waterloop

Ik beproef mijn dichtersziel en luister
Luister hoe de rivier nu adem haalt
Ik zie golven zuidwaarts drijven
Dat is de wind die uit het Noorden komt

Wat moet er worden van een stad
Die terugstuwt wat zij ontvangt
Die haar mondingschap verliest
Om 't dorstig achterland te laven

 

 

 

Amstel, vanaf de Nieuwe Amstelbrug

 


Ademhalen hoor ik niet. Ik ga te rade
Bij de veerman, spreek hem op zijn boot
Bij Driemond en Carré staan de sluizen open
Het water stroomt als het moet stromen

Zegt hij en roeiers zeggen het hem na
Tegenstroom kunnen wij niet ontwaren
Het is de wind meneer, de wind die ons
Tegen zit, stroom kan ons niet deren

Bij de Omval ligt het water blak
Ik dacht het al, voor de Amstel
Is een dichtersziel niet nodig
Haar waarheid ligt aan het oppervlak.

 

 

 

Gerard Smit (Biografische gegevens ontbreken)

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 9e augustus ook mijn blog van 9 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

21:24 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: dolce far niente, gerard smit, romenu |  Facebook |

08-08-12

Dolce far niente, (Das große Turnerlied)

 

Das große Turnerlied,
oder: Was Südmichel der Tertianer über das edle Turnen gemacht hat

 

Das Turnen ist ein deutsches Ding,

Darum ich gern vom Turnen sing’;

‘s ist eine Kunst und ein Pläsir,

Des Menschen Vorzug vor dem Thier.

 

Die Stücke, die der Turner macht,

Sind fein und herrlich ausgedacht,

In jedem was besondres steckt,

Das eigene Empfindung weckt.

 

Am Reck zuerst der edle Schwung

Gibt Kraft ihm und Begeisterung,

Sodann gewährt ihm Hochgenuß

Das Rädle mit dem linken Fuß.

 

Die Bauchwell’ an dem hohen Reck

Ist eine Uebung ziemlich keck;

Zehn, zwanzigmal - wie ächzt die Stang!

Dem Schwächling wird es angst und bang.

 

Die Reitwell’ ist das Gegenstück

Vorwärts sowohl als auch zurück.

Ein andrer Mensch wird turmelig,

Der Turner amüsiret sich.

 

Mit Anmuth, lustig und gewandt,

Macht er hierauf den Schulterstand,

Da sitzt die Schulter auf der Stang,

Die Beine stehn der Luft entlang.

 

Zum Zeichen, daß ihm’s wohlergeh’,

Hängt sich der Turner in die Zeh’,

Und baumelt da im Weltenraum

Oft stundenlang voll süßem Traum.

 

Das Armrad, auch ein edler Schwung,

Versetzt uns in Verwunderung,

Und selbst das Auf- und Niederziehn

Ist ein vergnügliches Bemühn.

 

Auch legt er sich zum Zeitvertreib

Zuweilen auf den Unterleib,

Und schwimmt in freier Luft umher,

Als wär’ er gar kein Mensche mehr.

 

Pomadig auch die Sitzwell’ geht,

Doch nur, wenn er es wohl versteht,

Denn kann er’s nicht, fällt er herab

Und bricht den Hals und kommt in’s Grab.

 

Wie überall im großen Ton

Man spricht von dem Napoleon,

So gibt’s Napoleone zwei

Bei uns in unserer Turnerei.

 

Der große ist ein toller Schwung,

Der kleine ist ein leichter Sprung;

Der Riesenschwung jedoch vom Reck

Gewährt den angenehmsten Schreck.

 

 

 

Epke Zonderland

 

 

Vom Barren macht der Turner auch

Unendlich vielerlei Gebrauch,

Er hüpft und schwingt sich in dem Kreuz,

Wippt vorwärts, rückwärts und abseits.

 

Der Todtensprung, die Maus, die Scheer,

Der Teufelssprung und so noch mehr,

Da wird geschlenkert und gemacht,

Daß Einem ‘s Herz im Leibe lacht.

 

Auch ohne hölzernes Geräth,

Der Turner vielen Spaß versteht,

Gewichte hebt er und halb krumm

Schwingt er sie um den Kopf herum.

 

Den Zitterbalken zu begehn,

Ist nicht so leicht als wunderschön,

Das eigne Lachen - lachet nicht! -

Bringt Einen oft um’s Gleichgewicht.

 

Er läuft auf Händen manchen Tag,

Springt höher als ein Floh vermag,

Er klettert, krebselt katzengleich,

Setzt über Gräben Loch und Teich.

 

Mit Stangen fliegt er in die Höh,

Und kommt hernieder auf der Zeh,

Er spannet Schnüre in den Raum

Und macht dann seinen Purzelbaum.

 

Auf Leitern frei in Handen hüpft

Er auf und ab, indem er lüpft

Vom Boden auf das Steiggeräth

Und oft auf höchster Sprosse steht.

 

Seilziehen ist ihm eine Lust,

Da weitet sich die starke Brust;

Verkrattelt dann sich auf der Erd,

Und hopst dann wieder auf das „Pferd“.

 

Schön ist der Pyramidenstand,

Der Turner liebt das Vaterland,

Backofenschieben liebt er auch,

Thut’s ihm gleich manchmal weh am Bauch.

 

Frisch, fröhlich, fromm und frei, so heißt

Sein Wahlspruch und so ist sein Geist

Im Dauerlauf bewährt er das,

Doch lungert er auch gern im Gras.

 

Noch vieles treibt er meisterlich,

Springt reihenweise über sich,

Er wandert über Berg und Thal

Und seine Muskeln sind wie Stahl.

 

Drum vivat hoch die Turnerei!

Der Turner nur lebt sorgenfrei,

Und singt, im Knopfloch einen Strauß,

Sein Lied in alle Welt hinaus.



Ludwig Eichrodt
(2 februari 1827 - 2 februari 1892)

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 8e augustus ook mijn blog van 8 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

 

 

22:01 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: dolce far niente, ludwig eichrodt, romenu |  Facebook |

Elis Juliana

 

De Antilliasanse dichter Elis Juliana werd op 8 augustus 1927 geboren op  Curaçao als helft van een tweeling waarvan de andere helft Gladys is. Hij bezocht twee jaar de lagere technische school en werd leerling-monteur en leerling bankwerker-instrumentmaker. Van 1946-1947 was hij als soldaat-schutter in militaire dienst. Daarna werd hij tot 1952 fijnbankwerker, onderbroken door zes maanden aspirant politie-agent, meterreparateur, manusje van alles en gevangenbewaarder. Vanaf april 1959 was hij klerk bij Bureau Justitile Jeugdzorg, de voorloper van het Bureau Cultuur en Opvoeding, waar hij zich met volkskunde en archeologie bezighield tot zijn pensionering in 1987. Voor het samen met pater Brenneker opgezette en uitgevoerde etnografisch werk volgde Juliana in 1968 een opleiding van vier maanden in Leiden. Zijn belangstelling voor oude Curaçaose muziekinstrumenten en voorwerpen leidde tot de oprichting van de ‘Fundashon Zikinzá’, welke collectie bewaard wordt in het Centraal Historisch Archief in Willemstad. Sedert 1960 is Juliana lid van de Culturele Adviesraad Curaçao.

Elis Juliana behoort met Luis Daal en Pierre Lauffer tot de 'Grote Drie' van de Antilliaanse dichtkunst in het Papiaments. De kunstenaar, die niet alleen dicht maar ook tekent en beeldhouwt, staat bekend om zijn haiku's, ritmische gedichten en zijn bevlogen voordrachten. Het literaire werk van Elis Juliana beslaat meer dan een halve eeuw. In september 2011 verscheen een vertaling in Nederland van zijn dichtbundel 'Hé Patu/Waggeleend'. Juliana is meerdere keren in de prijzen gevallen. In 1973 kreeg hij de Cola Debrotprijs voor bijzondere prestaties op het gebied van beeldende kunst. Verder is hij geridderd in de Orde van Oranje-Nassau, heeft hij een Krus di Mérito en ontving hij in Cuba de Jose Maria Heredia-onderscheiding.

 

Zwijn (Porko)

 

Laat me jou dit heel
duidelijk maken,
zodat jij precies weet
wie hier voor je staat.

Ik ben een volstrekt onafhankelijk man.
Misschien kunnen een of twee
mensen in mijn schoenen staan,
maar dit weet ik zeker:
niets kan me verdommen.

Ik heb twee kinderen bij Mosa,
drie bij Bea, twee bij Rosa,
vier bij Mina
en een bij Serafina.
Al in al een dozijn.
Zes mannelijk, zes vrouwelijk.
Tot onder mijn voetzolen
houd ik van mijn vrouwen
en ze weten allemaal:
trouwen is er niet bij.

Maar als een van god verlatene
mocht denken
dat hij hier kon komen
om met mijn dochters te klooien
en hem smeren zonder ze te trouwen,
dan zeg ik je,
en let op mijn woorden:
voordat de zon opkomt
is dat zwijn gecastreerd.

 

 

 

Vertaald door Nydia Ecury en Esther Jansma

 

 



Elis Juliana (Curaçao, 8 augustus 1927)

18:19 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: elis juliana, romenu |  Facebook |

07-08-12

John Birmingham, Vladimir Sorokin, Michael Roes, Cees Buddingh’, Joachim Ringelnatz

 

De Australische schrijver John Birmingham werd geboren op 7 augustus 1964 in Liverpool, Engeland. Zie ook mijn blog van 7 augustus 2010 en eveneens alle tags voor John Birmingham op dit blog.

 

Uit: After America

 

„New York
“No siree, Mister President, you do not get these from pettin’ kitty cats.”
James Kipper nodded, smiling doubtfully as the slab-shouldered workman flexed his biceps and kissed each one in turn. His Secret Service guys didn’t seem much bothered, and he’d long ago learned to pick up on their unspoken signals and body language. They paid much less attention to the salvage crew in front of him than to the ruined façades of the office blocks looking down on the massive, rusting pileup in Lower Manhattan. The hard work and unseasonal humidity of Lower Manhattan had left the workman drenched in sweat, and Kipper could feel the shirt sticking to his own back.
Having paid homage to his bowling-ball-sized muscles, the workman reached out one enormous, calloused paw to shake hands with the forty-forth president of the United States. Kipper’s grip was not as strong as it once had been and had certainly never been anywhere near as powerful as this gorilla’s, but a long career in engineering hadn’t left him with soft fingers or a limp handshake. He returned the man’s iron-fisted clench with a fairly creditable squeeze of his own.
“Whoa there, Mister President,” the salvage and clearance worker cried out jokingly. “I need these dainty pinkies for my second job. As a concert pianist, don’tcha know.”
The small crush of men and women gathered around Kipper grinned and chuckled. This guy was obviously the clown of the bunch.
“A concert penis, you say?” Kipper shot back. “What’s that, some sorta novelty act? With one of those really tiny pianos?”
The groan of his media handler, Karen Milliner, was lost in the sudden uproar of coarse, braying laughter as the S&C workers erupted at the exchange. That did put his security detail a little on edge, but the man-mountain with the kissable biceps was laughing the loudest of them all, pointing at the chief executive and crying out, “This fuggin’ guy. He cracks me up. Best fuggin’ president ever.”

 

 

John Birmingham (Liverpool, 7 augustus 1964)

Lees meer...

06-08-12

Kjell Westö, Diane DiPrima, Alfred Lord Tennyson, Paul Claudel, Yacine Kateb

 

De Finse schrijver Kjell Westö werd geboren op 6 augustus 1961 in Helsinki. Zie ook mijn blog van 6 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Kjell Westö op dit blog.

 

Uit: The perils of being Skrak (Vertaald door David McDuff)

 

“At the time of Werner's stay in Cleveland Bruno and Maggie had already been divorced for some years, and in an irreconcilable manner. But they were still interested in their grown-up son, each in their own way; Maggie wrote often, and Werner replied, he wrote at length, and truthfully, for he knew that Bruno and Maggie no longer communicated; to Maggie he could admit that he hated corporate law and bookkeeping, and to her he dared to talk about the raw music he had found on the radio station WJW, he wrote to her that the music of the blacks had body and that he had found a great record store, it was called Rendezvous and was situated on Prospect Avenue and there he had also bought a ticket for a blues concert, wrote Werner, he thought that Maggie would understand.
Bruno was not a great letter-writer, he sometimes dropped a line to Joe McNab on abrupt postcards in which he asked Joe to report on his son's progress in his studies, that was all. On the other hand, he sometimes telephoned, transatlantically and intercontinentally, it was a complicated and expensive and easily interrupted procedure that most often consisted of father and son being silent together at a distance of almost 10,000 kilometres from each other.
When Bruno discovered by letter that his son, the Latin scholar and athlete and student of law, had by some strange means got hold of a ticket for a Negro concert and had also used it, he immediately booked an international call to McNab. When the call came through it was afternoon in Helsinki and early morning over there in Cleveland. After some preliminary questions and laconic replies and a period of silence accompanied by cosmic crackling and the roar of the mighty Atlantic between them, Bruno came to the point: 'I'm not paying for you to stay over there to be beaten up by Negroes, Werner,' he said. Werner was silent, then he said: 'So Uncle Joe has been gossiping.' 'I wouldn't call it gossiping,' retorted Bruno. 'You live with him, he's responsible for you.' 'I'm a grown man, Dad,' said Werner bitterly.”

 

 

Kjell Westö (Helsinki, 6 augustus 1961)

Lees meer...

05-08-12

Richard Preston, Sergio Ramírez, Conrad Aiken, Wendell Berry, Guy de Maupassant

 

De Amerikaanse schrijver Richard Preston werd geboren op 5 augustus 1954 in Cambridge, Massachusetts. Zie ook mijn blog van 5 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Richard Preston op dit blog.

 

Uit: The Hot Zone

 

„The doctors thought he should go to Nairobi Hospital, which is the best private hospital in East Africa. The telephone system hardly worked, and it did not seem worth the effort to call any doctors to tell them that he was coming. He could still walk, and he seemed able to travel by himself. He had money; he understood he had to get to Nairobi. They put him in a taxi to the airport, and he boarded a Kenya Airways flight.

A hot virus from the rain forest lives within a twenty-four hour plane flight from every city on earth. All of the earth’s cities are connected by a web of airline routes. The web is a network. Once a virus hits the net, it can shoot anywhere in a day æParis, Tokyo, New York, Los Angeles, wherever planes fly. Charles Monet and the life form inside him had entered the net.

The plane was a Fokker Friendship with propellers, a commuter aircraft that seats thirty-five people. It started its engines and took off over Lake Victoria, blue and sparkling, dotted with the dugout canoes of fishermen. The Friendship turned and banked eastward, climbing over green hills quilted with tea plantations and small farms. The commuter flights that drone across Africa are often jammed with people, and this flight was probably full. The plane climbed over belts of forest and clusters of round huts and villages with tin roofs. The land suddenly dropped away, going down in shelves and ravines, and changed in color from green to brown. The plane was crossing the Eastern rift valley. The passengers looked out the windows at the place where the human species was born. They say specks of huts clustered inside circles of thornbush, with cattle trails radiating from the huts. The propellers moaned, and the friendship passed through cloud streets, lines of puffy rift clouds, and began to bounce and sway. Monet became airsick.“

 

 

Richard Preston (Cambridge, 5 augustus 1954)

Lees meer...

04-08-12

Rutger Kopland, Rudi van Dantzig, Percy Bysshe Shelley, Witold Gombrowicz, Tim Winton, Jáchym Topol

 

De Nederlandse dichter en schrijver Rutger Kopland (eig. Rutger Hendrik van den Hoofdakker) werd geboren in Goor op 4 augustus 1934. Zie ook mijn blog van 4 augustus 2010 en ook alle tags voor Rutger Kopland op dit blog.

 

 

Jeneverbessen

 

We liepen door een landschap
met heide en jeneverbessen
een landschap zo oud
als de wereld zelf

zo moest het ooit begonnen zijn
zo moest het gebleven zijn
zo moest het zijn
zo als nu

we keken naar de jeneverbessen
ze stonden daar duister en zwijgend
zwijgend over het verdwijnen

 

 

 

Narcissen

 

We stonden aan de rand van een vijver

het was kil en om ons heen dat kille gras

met die veel te mooie narcissen

 

we keken in het water – waarom staan we hier

stond ik te denken en ik zag hoe zich

een stille voorjaarshemel voor ons uitstrekte

 

ken je het verhaal, zei ik, dat ergens

waar nu een narcis staat een jongen stierf

 

hij keek in het water en zag iemand

iemand die hem aankeek, eindeloos aankeek

en ging verlangen naar die ander daar

 

voelde de diepte van zijn onvervuldheid

tot hij daaraan stierf

 

we keken naar de narcissen om ons heen

welke van hen zou het zijn

 

 

 

De kunst van doodgaan

 

Als het zover is – zal ik dan eindelijk

weten wat dat is, doodgaan

jezelf verlaten en weten

dat je nooit terugkeert

 

soms wanneer ik het koraal hoor

Nun komm’ der Heiden Heiland

doorstroomt mij een vermoeden van

onontkoombaar verlies –

maar wat geeft het

 

bij het zien van een uitzicht over bergen

een verte die verdwijnt in zichzelf

kan ik worden bevangen door een huiver

voor de eenzaamheid die mij wacht –

maar wat geeft het

 

er is wel eens zo’n avond dat over het gras

in de tuin het mooiste licht strijkt

dat er is: dit was het dus

en het komt nooit meer terug –

maar wat geeft het

 

ik hoop dat dit het is want ik ben bang

dat het anders zal zijn.

 

 

 

Rutger Kopland (4 augustus 1934 – 11 juli 2012)

Lees meer...

03-08-12

Rupert Brooke, Leon Uris, Marica Bodrozic, Mirko Wenig

 

De Britse dichter Rupert Brooke werd geboren in Rugby, Engeland, op 3 augustus 1887. Zie ook mijn blog van 3 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Rupert Brooke op dit blog.

 

 

1914 III: The Dead

 

Blow out, you bugles, over the rich Dead!
There's none of these so lonely and poor of old,
But, dying, has made us rarer gifts than gold.
These laid the world away; poured out the red
Sweet wine of youth; gave up the years to be
Of work and joy, and that unhoped serene,
That men call age; and those who would have been,
Their sons, they gave, their immortality.

Blow, bugles, blow! They brought us, for our dearth,
Holiness, lacked so long, and Love, and Pain.
Honour has come back, as a king, to earth,
And paid his subjects with a royal wage;
And Nobleness walks in our ways again;
And we have come into our heritage.

 

 

 

1914 V: The Soldier

 

If I should die, think only this of me:
That there's some corner of a foreign field
That is for ever England. There shall be
In that rich earth a richer dust concealed;
A dust whom England bore, shaped, made aware,
Gave, once, her flowers to love, her ways to roam,
A body of England's, breathing English air,
Washed by the rivers, blest by suns of home.

And think, this heart, all evil shed away,
A pulse in the eternal mind, no less
Gives somewhere back the thoughts by England given;
Her sights and sounds; dreams happy as her day;
And laughter, learnt of friends; and gentleness,
In hearts at peace, under an English heaven.

 

 

 

Rupert Brooke (3 augustus 1887 – 23 april 1915)

Lees meer...

02-08-12

Isabel Allende, James Baldwin, Philippe Soupault, Zoltán Egressy, Caleb Carr

 

De Chileense schrijfster Isabel Allende werd geboren in Lima op 2 augustus 1942. Zie ook alle tags voor Isabel Allende op dit blog en ook mijn blog van 2 augustus 2010.

 

Uit: Eva Luna (Vertaald door Margaret Sayers Peden)

 

My name is Eva, which means "life," according to a book of names my mother consulted. I was born in the back room of a shadowy house, and grew up amidst ancient furniture, books in Latin, and human mummies, but none of those things made me melancholy, because I came into the world with a breath of the jungle in my memory. My father, an Indian with yellow eyes, came from the place where the hundred rivers meet; he smelled of lush growing things and he never looked directly at the sky, because he had grown up beneath a canopy of trees, and light seemed indecent to him. Consuelo, my mother, spent her childhood in an enchanted region where for centuries adventurers have searched for the city of pure gold the conquistadors saw when they peered into the abyss of their own ambitions. She was marked forever by that landscape, and in some way she managed to pass that sign on to me.
Missionaries took Consuelo in before she learned to walk; she appeared one day, a naked cub caked with mud and excrement, crawling across the footbridge from the dock like a tiny Jonah vomited up by some freshwater whale. When they bathed her, it was clear beyond a shadow of doubt that she was a girl, which must have caused no little consternation among them; but she was already there and it would not do to throw her into the river, so they draped her in a diaper to cover her shame, squeezed a few drops of lemon into her eyes to heal the infection that had prevented her from opening them, and baptized her with the first female name that came to mind. They then proceeded to bring her up, without fuss or effort to find out where she came from; they were sure that if Divine Providence had kept her alive until they found her, it would also watch over her physical and spiritual well-being, or, in the worst of cases, would bear her off to heaven along with the other innocents. Consuelo grew up without any fixed niche in the strict hierarchy of the Mission. She was not exactly a servant, but neither did she have the status of the Indian boys in the school, and when she asked which of the priests was her father, she was cuffed for her insolence. She told me that a Dutch sailor had set her adrift in a rowboat, but that was likely a story that she had invented to protect herself from the onslaught of my questions. I think the truth is that she knew nothing about her origins or how she had come to be where the missionaries found her.“

 

 

Isabel Allende (Lima, 2 augustus 1942)

Lees meer...

01-08-12

Gerrit Krol, Edward van de Vendel, Frans Pointl, Jim Carroll

 

De Nederlandse dichter en schrijver Gerrit Krol werd geboren op 1 augustus 1943 in Groningen. Zie ook mijn blog van 1 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Gerrit Krol op dit blog.

 

Uit: Mijn dagen als cavalerist

 

„Mijn diensttijd, als cavalerist in Assen, duurde precies tien weken. Na de verwarring van de eerste dagen, waarin je marcheren wordt geleerd en in snel tempo allerlei andere gewoontes aangekweekt worden, wist ik al gauw wat mijn plaats was: ergens ter zijde. De spitse uitspraken van de onderofficieren blijken zich nogal 's te herhalen en al jaren oud te zijn; er is tijd voor contemplatie en verder is het één grote padvinderij.

Veel tijd bracht ik in treinen door. Staande en vol verlangen, vooral de eerste tijd. Met een brief van Yvonne die ik op het appèl, vlak voor de afmars naar het station nog ontvangen had. Tussen de weekendtassen opgesteld in het gangpad, schuddend over de wissels, koud van de tocht, warm van de woorden die ik las.

In Rotterdam aangekomen - haast je rep je over de perrons, de trappen af - zag ik aan het eind van die lange uitgang haar al van verre staan.

‘Te laat, schat.’

Altijd, als we een afspraak hebben, ergens, - als ik haar ontdek tussen de mensen, zie ik een gezicht dat, grijnzend, mij allang in het vizier heeft.

Vierentwintig uur zonder uniform, knus in ‘ons’ huisje aan de spoordijk, alsof we een gezinnetje waren. 's Zondagsmorgens gewekt door de vogels, maakte ik het ontbijt klaar, verraste ik haar, nog in bed, met een kopje thee en een erectie.

's Middags, onder de voetbaluitslagen bij haar ouders, het pak weer aan, met zijn tweeën in de tram en dan, weer, het afscheid op het perron, niet langer dan nodig was. Ver voordat de trein vertrok ging ze al heen, zag ik haar, trots en recht, de witte regenjas als een zandloper, in het trapgat verdwijnen, mijn Euridice...

In de trein, op de lange tocht naar het Noorden, schreef ik uitspraken van haar op, allerlei woordjes die zij gezegd had. De sombere bossen op de Veluwe stoven voorbij in de schemering. In Assen was het nacht.“

 

 

Gerrit Krol (Groningen, 1 augustus 1934)

Cover

Lees meer...

In Memoriam Gore Vidal


In Memoriam Gore Vidal

 

 

De Amerikaanse schrijver, dramaticus en essayist Gore Vidal is gisteren op 86-jarige leeftijd overleden. Gore Vidal werd geboren op 3 oktober 1925 in West Point, New York. Zie ook mijn blog van 3 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Gore Vidal op dit blog.

 

Uit: The City and the Pillar

 

„One by one, great stars appeared. Jim was perfectly contented, loneliness no longer turning in the pit of his stomach, sharp as a knife. He always thought of unhappiness as the "tar sickness." When tar roads melted in the summer, he used to chew the tar and get sick. In some obscure way he had always associated "tar sickness" with being alone. No longer.

    Bob took off his shoes and socks and let the river cool his feet. Jim did the same.

    "I'll miss all this," said Bob for the dozenth time, absently putting his arm around Jim's shoulders.

    They were very still. Jim found the weight of Bob's arm on his shoulders almost unbearable: wonderful but unbearable. Yet he did not dare move for fear the other would take his arm away. Suddenly Bob got to his feet. "Let's make a fire."

In a burst of activity, they built a fire in front of the cabin. Then Bob brought the blankets outside and spread them on the ground.

    "There," he said, looking into the yellow flames, "that's done." For a long moment both stared into the hypnotically quivering flames, each possessed by his own private daydream. Bob's dream ended first. He turned to Jim. "Come on," he said menacingly. "I'll wrestle you."

    They met, grappled, fell to the ground. Pushing and pulling, they fought for position; they were evenly matched, because Jim, though stronger, would not allow Bob to lose or to win. When at last they stopped, both were panting and sweating. They lay exhausted on the blanket.

    Then Bob took off his shirt and Jim did the same. That was better. Jim mopped the sweat from his face while Bob stretched out on the blanket, using his shirt for a pillow. Firelight gleamed on pale skin. Jim stretched out beside him. "Too hot," he said. "Too hot to be wrestling."

    Bob laughed and suddenly grabbed him. They clung to one another. Jim was overwhelmingly conscious of Bob's body. For a moment they pretended to wrestle. Then both stopped. Yet each continued to cling to the other as though waiting for a signal to break or to begin again. For a long time neither moved. Smooth chests touching, sweat mingling, breathing fast in unison.

    Abruptly, Bob pulled away. For a bold moment their eyes met. Then, deliberately, gravely, Bob shut his eyes and Jim touched him, as he had so many times in dreams, without words, without thought, without fear. When the eyes are shut, the true world begins.

    As faces touched, Bob gave a shuddering sigh and gripped Jim tightly in his arms. Now they were complete, each became the other, as their bodies collided with a primal violence, like to like, metal to magnet, half to half and the whole restored.

    So they met. Eyes tight shut against an irrelevant world. A wind warm and sudden shook all the trees, scattered the fire's ashes, threw shadows to the ground.

    But then the wind stopped. The fire went to coals. The trees were silent. No comets marked the dark lovely sky, and the moment was gone. In the fast beat of a double heart, it died.“

 


Gore Vidal (3 oktober 1925 – 31 juli 2012)

31-07-12

Cees Nooteboom, Grand Corps Malade, Joanne Rowling, Primo Levi

 

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

 

Uit: Roads to Santiago (Vertaald door Ina Rilke)

 

„Spain is brutish, anarchic, egocentric, cruel. Spain is prepared to face disaster on a whim, she is chaotic, dreamy, irrational. Spain conquered the world and then did not know what to do with it, she harks back to her Medieval, Arab, Jewish and Christian past and sits there impassively like a continent that is appended to Europe and yet is not Europe, with her obdurate towns studding those limitless empty landscapes. Those who know only the beaten track do not know Spain. Those who have not roamed the labyrinthine complexity of her history do not know what they are travelling through. It is the love of a lifetime, the amazement is never-ending.

From the ship's rail I watch the dusk settle over the island where I have spent the summer. The approaching night steals into the hills, everything darkens; one by one the tall neon street-lamps come on to illuminate the quay with that dead white glow which is as much a part of the Mediterranean night as the moon. Arrival and departure. For years now I have been crossing to and fro between the Spanish mainland and the islands. The white ships are somewhat bigger than they used to be, but the ritual is unchanged. The quay full of white-uniformed sailors, kinsfolk and lovers come to wave goodbye, the deck crowded with departing holiday-makers, soldiers, children, grandmothers. The gangplank has already been raised, the ship's whistle will give one final farewell that will resound across the harbour and the city will echo the sound: the same, but weaker. Between the high deck and the quay below a last tenuous link, rolls of toilet paper. The beginnings flutter on the quay; up at the rail, the rolls will unwind slowly as the ship moves away, until the final, most fragile link with those staying behind is broken and the diaphanous paper garlands drown in the black water.

There is still some shouting, cries wafting back, but it is already impossible to tell who is calling out and what their messages signify. We sail out through the long narrow harbour, past the lighthouse and the last buoy -- and then the island becomes a dusky shadow within the shadow that is night itself. There is no going back now, we belong to the ship. Guitars and clapping on the afterdeck, people are singing, drinking, the deck passengers are settling down for a long night in their steamer chairs, the dinner bell rings, white-jacketed waiters cross and recross the antique dining room under the earnest regard of the king of Spain.“

 

 

Cees Nooteboom (Den Haag, 31 juli 1933)

Santiago de Compostella

Lees meer...

William Saroyan

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Saroyan werd geboren op 31 augustus 1908 in Fresno, Californië. Zie ook mijn blog van 31 augustus 2010 en eveneens alle tags voor William Saroyan op dit blog.

 

 

To the Voice of Shah-Mouradian

 

 

I. EPISTLE

 

To the man this humble word:

Great soul, I your voice have heard.

If in fact I stand alone,

My clamor will the wrong atone.

 

Before your own my voice is small:

You sing, while my poor words must fall

Like so much sodden clay or mud

Into the rush of thought’s swift flood.

 

Yours is the flowing of the ancient soul.

While mine is but the lisping of the mind.

Yet if music the deaf cannot make whole,

The print shall give hearing to those not blind.

 

 

 

II. WHILE HE SINGS “MAYR ARAKSIE”

 

No art is lost and yours shall never be,

For when you sing, you sing at least for me.

And when at last my mortal day is done

Remember, friend, that I shall leave a son,

Tutored to seek the glory of his race

(Wherever he may go, to what strange place)

In your clear voice, which is the very pith

Of our old legend and our deathless myth.

 

And if the mother of his son shall be

A daughter of our ancient family,

I think she’ll teach him in his early years

That when you sing, though he be moved to tears,

He will yet know how once in strength we stood,

And stand forever in her motherhood.

 

 

 

William Saroyan (31 augustus 1908 – 18 mei 1981)

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e augustus ook mijn blog van 31 augustus 2011.

19:49 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: william saroyan, romenu |  Facebook |

In Memoriam Maeve Binchy

 

In Memoriam Maeve Binchy

 

 

De Ierse schrijfster en columniste Meave Binchy is gisteren op 72-jarige leeftijd overleden.Maeve Binchy werd geboren op 28 mei 1940 in Dalkey. Zie ook alle tags voor Maeve Binchy op dit blog.

 

Uit: Circle of Friends

 

“Annabel Hogan came in carrying three big bags. She was surprised to see her daughter sitting swinging her legs in the kitchen.

"Aren't you home nice and early? Let me put these things upstairs."

Benny ran over to Patsy when her mother's heavy tread was heard on the stairs.

"Do you think she got it?"

"Don't ask me Benny, I know nothing."

"You're saying that because you do know."

"I don't. Really."

"Was she in Dublin? Did she go up on the bus?"

"No, not at all."

"But she must have." Benny seemed very disappointed.

"No, she's not long gone at all. . . . She was only up the town."

Benny licked the spoon thoughtfully. "It's nicer raw," she said.

"You always thought that." Patsy looked at her fondly.

"When I'm eighteen and can do what I like, I'll eat all my cakes uncooked," Benny pronounced.

"No you won't, when you're eighteen you'll be so busy getting thin you won't eat cakes at all."

"I'll always want cakes."

"You say that now. Wait till you want some fellow to fancy you."

"Do you want a fellow to fancy you?"

"Of course I do, what else is there?"

"What fellow? I don't want you to go anyway."

"I won't get a fellow, I'm from nowhere, a decent fellow wouldn't be able to talk about me and where I came from. I have no background, no life before, you see."

"But you had a great life," Benny cried. "You'd make them all interested in you."

 

 

Maeve Binchy (28 mei 1940 – 30 juli 2012)