28-08-12

Johann Wolfgang von Goethe, A. Moonen, Maria Barnas

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Wolfgang von Goethe werd geboren op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Johann Wolfgang von Goethe op dit blog.

 

 

Erlkönig

 

Wer reitet so spät durch Nacht und Wind?
Es ist der Vater mit seinem Kind;
Er hat den Knaben wohl in dem Arm,
Er faßt ihn sicher, er hält ihn warm.

Mein Sohn, was birgst du so bang dein Gesicht? -
Siehst Vater, du den Erlkönig nicht?
Den Erlenkönig mit Kron und Schweif? -
Mein Sohn, es ist ein Nebelstreif. -

»Du liebes Kind, komm, geh mit mir!
Gar schöne Spiele spiel ich mit dir;
Manch bunte Blumen sind an dem Strand,
Meine Mutter hat manch gülden Gewand.«

Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht,
Was Erlenkönig mir leise verspricht? -
Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind;
In dürren Blättern säuselt der Wind. -

»Willst, feiner Knabe, du mit mir gehn?
Meine Töchter sollen dich warten schön;
Meine Töchter führen den nächtlichen Reihn
Und wiegen und tanzen und singen dich ein.«

Mein Vater, mein Vater, und siehst du nicht dort
Erlkönigs Töchter am düstern Ort? -
Mein Sohn, mein Sohn, ich seh es genau:
Es scheinen die alten Weiden so grau. -

»Ich liebe dich, mich reizt deine schöne Gestalt;
Und bist du nicht willig, so brauch ich Gewalt.«
Mein Vater, mein Vater, jetzt faßt er mich an!
Erlkönig hat mir ein Leids getan! -

Dem Vater grauset’s, er reitet geschwind,
Er hält in den Armen das ächzende Kind,
Erreicht den Hof mit Mühe und Not;
In seinen Armen das Kind war tot.

 

 

 

 

An den Mond

 

Füllest wieder Busch und Tal
Still mit Nebelglanz,
Lösest endlich auch einmal
Meine Seele ganz;

Breitest über mein Gefild
Lindernd deinen Blick,
Wie des Freundes Auge mild
Über mein Geschick.

Jeden Nachklang fühlt mein Herz
Froh und trüber Zeit
Wandle zwischen Freud und Schmerz
In der Einsamkeit.

Fließe, fließe, lieber Fluß!
Nimmer werd ich froh,
So verrauschte Scherz und Kuß,
Und die Treue so.

Ich besaß es doch einmal,
Was so köstlich ist!
Daß man doch zu seiner Qual
Nimmer es vergißt!

Rausche, Fluß, das Tal entlang,
Ohne Rast und Ruh,
Rausche, flüstre meinem Sang
Melodien zu.

Wenn du in der Winternacht
Wütend überschwillst,
Oder um die Frühlingspracht
Junger Knospen quillst.

Selig, wer sich vor der Welt
Ohne Haß verschließt,
Einen Freund am Busen hält
Und mit dem genießt

Was, von Menschen nicht gewußt
Oder nicht bedacht,
Durch das Labyrinth der Brust
Wandelt in der Nacht.

 

 

 

 

Wandrers Nachtlied

 

Über allen Gipfeln
Ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest du auch.

 

 

 

Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)

Monument in Chigaco: "To Goethe, the mastermind of the German people"

 

Lees meer...

27-08-12

Tom Lanoye, Jeanette Winterson, Lolita Pille, Lernert Engelberts, Kristien Hemmerechts

 

De Belgische dichter en schrijver Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.

 

Uit: Een slagerszoon met een brilletje

 

“Om half twaalf 's nachts word ik geboren. Ik leef amper. Ik zie blauw en heb een te lage temperatuur. Geen nood mevrouw, glimlachen de verpleegsters, een paar uurtjes in een van onze splinternieuwe couveuses helpen hem er zó bovenop.

Gerustgesteld valt mijn moeder in slaap. De volgende dag blijk ik op gaan, dan liever in mijn armen dan in zo'n rotmachine, zegt mijn moeder, vooruit geef hem aan mij. Ze legt me op haar warme lichaam, dekt me onder, wrijft me warm en probeert me te zogen. Ik spuw de melk weer uit.

Op dat moment komt mijn vader binnen. In zijn spoor mijn broers en glunderende zusje. Voor de deur van de winkel thuis moet nu het bord hangen 'Gesloten Wegens Blijde Geboorte'.

'En hoe gaat het met onze patiënt?' roept Bob opgewekt. 'Slecht,' antwoord ik, 'ik kan maar niet beslissen of ik eraan zal beginnen of niet.' Dat komt goed uit, wij hebben nog niet beslist of we je wel willen!' zegt Guy om mijn zusje Laurie te pesten. Zij roept 'jawel, jawel!' en begint te huilen. Mijn moeder maant tot stilte.
'Luister,' zeg ik, 'ik weet niet of het wel de moeite loont. Ik zou tegelijk een goed dichter willen worden, én een kruising tussen Frank Sinatra, Fred Astaire en Michael Jackson. Dat is onmogelijk. En bovendien: als een bundel hier een oplage haalt van duizend exemplaren, dan is dat al een onverhoopt succes. En wat zou ik op een podium moeten aanvangen? Had ik maar een stem die alle big bands de baas kan. Groot zal ik niet worden, en slank, dat zit er ook niet voor me in. Als ik een goede danser aan het werk zie, word ik misselijk van jaloezie. In de turnkring zal ik op elke jongen verliefd worden, zonder ooit mijn bek open te durven
doen natuurlijk. Kon ik maar geboren worden op 50 kilometer van Broadway, als een prachtige neger die ook nog saxofoon en piano speelt.”

 

 


Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)

Lees meer...

26-08-12

Christopher Isherwood, Guillaume Apollinaire, Jules Romains, Julio Cortázar

 

De Brits-Amerikaanse schrijver Christopher Isherwood werd geboren op 26 augustus 1904 in Disley in het graafschap Cheshire in Engeland. Zie ook mijn blog van 26 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Christopher Isherwood op dit blog.

 

Uit: Goodbye to Berlin

 

„To-morrow I am going to England. In a few weeks I shall return, but only to pick up my things, before leaving Berlin altogether.

Poor Frl. Schroeder is inconsolable: "I shall never find another gentleman like you, Herr Issyvoo—always so punctual with the rent.... I'm sure I don't know what makes you want to leave Berlin, all of a sudden, like this...."

It's no use trying to explain to her, or talking politics. Already she is adapting herself, as she will adapt herself to every new régime. This morning I even heard her talking reverently about "Der Führer" to the porter's wife. If anybody were to remind her that, at the elections last November, she voted communist, she would probably deny it hotly, and in perfect good faith. She is merely acclimatizing herself, in accordance with a natural law, like an animal which changes its coat for the winter. Thousands of people like Frl. Schroeder are acclimatizing themselves. After all, whatever government is in power, they are doomed to live in this town.

* * *

 

To-day the sun is brilliantly shining; it is quite mild and warm. I go out for my last morning walk, without an overcoat or hat. The sun shines, and Hitler is master of this city. The sun shines, and dozens of my friends—my pupils at the Workers' School, the men and women I met at the I.A.H. [Internationale Arbeiter-Hilfe]—are in prison, possibly dead. But it isn't of them that I am thinking—the clear-headed ones, the purposeful, the heroic; they recognized and accepted the risks. I am thinking of poor Rudi, in his absurd Russian blouse. Rudi's make-believe, story-book game has become earnest; the Nazis will play it with him. The Nazis won't laugh at him; they'll take him on trust for what he pretended to be. Perhaps at this very moment Rudi is being tortured to death.

I catch sight of my face in the mirror of a shop, and am horrified to see that I am smiling. You can't help smiling, in such beautiful weather. The trams are going up and down the Kleiststrasse, just as usual. They, and the people on the pavement, and the teacosy dome of the Nollendorfplatz station have an air of curious familiarity, of striking resemblance to something one remembers as normal and pleasant in the past—like a very good photograph.

No. Even now I can't altogether believe that any of this has really happened.... „

 

 

 

Christopher Isherwood (26 augustus 1904 – 4 januari 1986)

Lees meer...

25-08-12

Dolce far niente (Nijmegen, Dennis Gaens)

 

Dolce far niente

 

 

 

Hoeveel steden deze stad is


I

Dan is er altijd nog de stad die ik via sluiproutes langs buitenwegen binnenkom.

Over de straten aan de rand fietsen meisjes met onhandige benen die snel vrouwen willen worden en tot die tijd kauwgom kauwen. Wat verder leunt een man op zijn rollator, wachtend op een bus die hij ook vandaag niet neemt.

Het is die stad met een plein dat een lakmoesproef is, waar de mannen van de welpen worden gescheiden en waaromheen jongens cirkelen op scooters waarvan het voorwiel niet altijd gebruikt wordt.

Dan is er de plek waar alle bussen, ongeacht hun bestemming, samenkomen voor vertrek – daar waar we elkaars richting van een display lezen.

 

 

 

Ooijpolder bij Nijmegen

 

 

II

Dan is er nog die stad waar fietsen op de stoep gestapeld staan, waar studentenkamers stof vangen. Aluminiumfolie, geplooid langs pitjes van gasfornuizen, kan niet voorkomen dat keukens waar meer dan zeven man koken, plakkerig worden. Ook de aardappels zijn hier al dente en alles smaakt een beetje naar de afwas van gisteren.

Er zijn lange straten vol huizen die naar oud hout ruiken. Een nieuwe vloerbedekking wordt zorgvuldig aan de vormen van een antieke trap aangepast. Er komt een laklaag op de leuning. Er staan daar watercoolers, espressomachines en in de koelkasten: enkel melk en broodbeleg. De gangen zijn breder en de plafonds hoger, daar waar we alleen op afspraak naar binnen gaan.

Dan zijn er nog de tuinen waar de partytenten bijna jaarrond achter de deur staan, al is het maar zodat de frietpan droog blijft. Er is een aparte koelkast voor het bier. Alleen op oudejaarsavond wordt de tent voor een week ingeklapt.


 

Bussen bij Centraal Station Nijmegen

 

 

 

 

III

Dan is er nog de stad waar de Italiaan bij de Turk zijn inkopen doet. Waar goed volk elkaar gedag zegt. Waar de buurtwinkel nog bestaansrecht heeft.

Er staan hier genoeg bomen, alsof we ze verzamelen. De waarheid is: we vinden het leuk om naar dingen te kijken. Eén keer per jaar trekken we meubels naar buiten, al was het maar om elkaar te zien lachen en de bezoekers te begroeten.

 

 


Waalkade, Nijmegen


 

Waar ‘s zomers de kampvuren op het strand de boten de weg naar de kade wijzen.

Meer dan dat is het de stad die als een decor achter de Waal staat gestapeld. Waar we niet terugkomen naar de mensen, maar naar de verhalen die er wonen.

Het is de stad die ik elke dag dwars door het centrum verlaat en van een afstand welterusten wens.

 

 

 

Dennis Gaens (Susteren, 1982)

 

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 25e augustus ook mijn blog van 25 augustus 2012 deel 1 en eveneens deel 2.

20:40 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: dolce far niente, dennis gaens, romenu |  Facebook |

24-08-12

Dolce far niente (Bergen, Adriaan Roland Holst)

 

Dolce far niente

 

 

 

Een Winteravondval

 

Gouden stille kusten en de zee nog blauw,

en de blijde vele golven, die er spelen,

en die witte vlucht van vooglen - o, de vele

meeuwen zwevend door de zuiverende kou,

 

zwermend als een bui, als een gevleugeld sneeuwen,

en hun kreten af en aan over mijn hoofd;

heb ik ooit wel in een ander lied geloofd

hier op aard dan de verloren kreet der meeuwen?

 

En zij zwenken en verdwijnen, en het is

nu weer stiller, en het gouden uur wordt later,

en ik loop verloren verder langs het water

van der eeuwen eenzame geheimenis.

 

En de kust wordt grijzer, en de schemeringen

komen nu, en ook de groote zee wordt grijs,

en de golven zingen - o, de vreemde wijs

van die andre wereld, die de golven zingen -

 

En zij zingen nader en mijn hart bevangt

een onmetelijk vervreemden uit dit leven,

en ik loop als in een bijna overzweven

naar dat rijk, waarheen ik altijd heb verlangd.

 

 

Bergen aan Zee, duinen

 

 

Spiegelende ligt het uit de zee verschenen

ver en in het westen en den dood voorbij -

die daar leven zingen, en zij roepen mij,

maar de zee, zij zingt en glinstert om hen henen.

 

Eeuwig eiland - o, der zaligen domein,

waarheen onder zeilen hunner laatste droomen

slechts de stervende vervoerden overkomen -

waar de menschen eenzamer en schooner zijn.

 

En ik weet niet, is het heimwee of verlangen,

een herinnering of al een voorgevoel?

Houdt het leven met een ongeweten doel

mij, bevlogene, hier hunkerend gevangen?

 

O, waarom dan die herinnering, waarom

geen geheel onterven en een niet meer weten?

Wat kan ik hier doen? Als ik niet kan vergeten

waar ik eenmaal leefde ga ik dolend om,

 

om, zonder een dak, zonder een doel, geboren

aan de droeve zijde van den vreemden dood,

en ik werp mij uit der menschen oude nood

altijd weer in mijnen droom terugverloren....

 

 

Bergen aan Zee, strand

 

 

Toen.... een antwoord toch?....neen, een voorbijgaand mensch

en zijn vluchtig avondgroeten langs mij henen;

'k zag hem na tot hij in donker was verdwenen,

toch misschien zijn broeder aan der wereld grens?

 

't Was een visscher uit het oude dorp, daarginter

waar de duinen lager worden, en hij ging

bukkend onder wrakhout door de schemering,

denkend aan de lange nooden van den winter.

 

En ik ga hem na, maar langzamer dan hij,

bukkend onder leed, dat ik had moeten lijden -

o, verzuimde smart - o, wroeging, waar de tijden

nu geen redding meer uit geven, en de zee

 

 

…de “lage herberg” Het Huis met de Pilaren in Bergen…

 

 

 

zingt, maar lokt niet meer, en ik blijf aangewezen

op dit klein bestek van weedom en berouw,

en de winteravond valt, en door de kou

wankel ik - en toch, ik voel, er is genezen

 

in rampzaligheid, en, huivrend, weet ik weer

hoe het heimwee, dat deze aarde houdt bevlogen,

mij - waarom dan ook - het zingende vermogen

schonk, en verder valt er niet te vragen, en ik keer

 

tot het oud gehucht, dat daar ligt weggedoken,

minder eenzaam toch, en zie, daar op het duin

in de lage herberg waar de visschers zijn

wordt de lamp nu voor den avond opgestoken.

 

 

 

Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 - 5 augustus 1976)

Standbeeld door Marie Andriesse in Bergen

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 24e augustus ook mijn blog van 24 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

23-08-12

Dolce far niente (Amsterdam, J. C. Bloem)

 

Dolce far niente

 

 

 

 

De Dapperstraat

 

 

 

De Dapperstraat

 

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

 

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

 

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

 

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

 

 

 

 

J. C. Bloem (10 mei 1887 - 10 augustus 1966)




Zie voor de schrijvers van de 23e augustus ook mijn blog van 23 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

20:57 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: dolce far niente, j. c. bloem, romenu |  Facebook |

22-08-12

Dolce far niente (Amsterdam, Theo Thijssen)

 

Dolce far niente

 

Uit: Jongensdagen

 

‘Juffrouw, m'n broertje kocht daarnet een pakje postzegels van drie cent, maar er zit zoowat niks in. Nou staat hij buiten te huilen, - Ko kreeg zelf tranen in z'n oogen van de gedachte - en of u het nou niet ruilen wil.’

‘Heeremenschen!’ riep de juffrouw verontwaardigd uit, en zij maakte zich gereed weer naar achter te gaan. ‘Heeremenschen, sta je dáárvoor volk te schreeuwen. Ruilen doen we niet, hoor.’

Ko bleef haar sprakeloos aankijken; de enveloppe hield hij haar voor.

‘Ga maar gauw m'n winkel uit, marsch!’ zei de juffrouw.

‘Maar voor drie centen is toch afzetterij!’ riep toen Ko ineens uit.

‘Heb ik van me leven!’ schreeuwde de juffrouw, en zij kwam achter haar toonbank vandaan geloopen, regelrecht op Ko af. Die holde weg, den winkel uit. Midden op straat bleef hij staan. ‘Afzetter!’ riep hij. Henk kwam naar hem toe; hij begreep alles. ‘Afzetter!’ schreeuwde hij mee.

De juffrouw keek niet eens meer, en ging weer naar haar kamer achter den winkel.

Een man bleef staan op straat. ‘Wat is er?’ vroeg hij nieuwsgierig.

Het was een meneer; een groote, deftige meneer. Misschien kon die helpen. Ko begon te vertellen; hij liet de enveloppe zien.

 

 


Zicht vanuit de Jordaan op de Westerkerk

 

 

 

Verschillende, en buitenlandsche staat er op!’ zei Henk.

‘En dàt zit er in!’ sprak Ko bitter; en hij liet den heer de postzegels zien.

‘'t Zijn toch mooie postzegels, voor drie centen,’ meende de heer. Hij lachte even en liep verder.

Stom van verbazing keken de broers elkaar aan. Dát mooie postzegels!

‘Laat dan nòg eens kijken,’ zei Henk.

En voor den derden keer keken ze de postzegels na. Er was geen enkele bijzondere bij. Ze wierpen woedende blikken naar het winkeltje.

‘Ga mee maar, Henk!’ zei toen Ko, ‘ga nou maar mee naar huis. Tegen zulke afzetterij kunnen wij niet op.’

En hij nam de mand weer aan z'n arm, en stapte voort.

Henk volgde met een bedrukt gezicht en sprak geen woord.

Zoo liepen ze stil door tot de Westermarkt.

‘Jammer, hè?’ vroeg Ko zacht.

‘Wat?’ kwam Henk onnoozel.

‘Van je drie centen,’ antwoordde Ko.

Henk zuchtte eens, en gaf geen antwoord. Het wàs hard.“




Theo Thijssen
(16 juni 1879 - 23 december 1943)

Beeld van Theo Thijssen in de Amsterdamse Jordaan door Hans Bayens

 

 


Zie voor de schrijvers van de 22e augustus ook
mijn blog van 22 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

20:05 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: dolce far niente, theo thijssen, romenu |  Facebook |

Gorch Fock

 

De Duitse schrijver Gorch Fock  (pseudoniem van Johann Wilhelm Kinau) werd geboren op 22 augustus 1880 in Finkenwerder. Daar ging hij naar school. Omdat hij ongeschikt was voor werk op zee vanwege zijn fysieke conditie begon hij  in 1895 een opleiding bij zijn oom in Geestemünde (nu onderdeel van Bremerhaven). 1897-1898, studeerde hij af aan de handelsschool in Bremerhaven. Vanaf 1899 werkte hij op als accountant en boekhouder in Meiningen. Bremen en Halle (Saale). In 1904 keerde hij terug naar Hamburg en in 1907 werd hij aangesteld als accountant voor de Hamburg-Amerika Lijn. Vanaf 1904 publiceerde hij 1904, meestal in zijn moedertaal, het Nederduits, schreef gedichten en verhalen onder de pseudoniemen Gorch Fock, Jakob Holst en Giorgio Focco, die in Hamburgse kranten verschenen. De voornaam Gorch is dus een lokaal typische variatie van Georg. In 1908 trouwde hij met Rosa Elizabeth Reich, met wie hij drie kinderen had. Zijn muze en soulmate was echter tijdens de jaren van zijn schrijverschap de actrice Aline Bussmann.
In 1913 verscheen zijn beroemdste werk „Seefahrt ist not!“ , waarin op een heroïserende manier het leven van de diepzeevissers van Finkenwerder wordt beschreven. In WO I diende Gorch Fock eerst als infanterist in Servië en Rusland, en later bij Verdun. In maart 1916 werd hij op eigen verzoek door het leger naar de marine overgeplaatst  en gestationeerd op de lichte kruiser SMS Wiesbaden. In de Slag bij Jutland ging hij samen met de kruiser ten onder. Zijn lichaam werd in augustus 1916 gevonden in de buurt van Fjällbacka  en begraven op het Zweedse eiland Stensholmen bij Kalvö samen met andere Duitse en Britse zeelieden. Gorch Focks broers Jakob en vooral Rudolf Kinau verwierven als Nederduitse (Heimat-) schrijvers bekendheid. Later zijn twee opleidingsschepen van de Duitse marine naar Gorch Fock genoemd.

 

Uit: Seefahrt ist not!

 

»Insonderheit aber bitten wir dich für die, die auf dem Wasser ihre Nahrung suchen. Segne, segne die Fischerei auf der See und im Fluß, behüte Mann und Schiff in allen Gefahren!«

Pastor Bodemann beugte den grauen Kopf tiefer als zuvor. Da hatte er laut und warm für seinen alten Kaiser gebetet, laut und warm, wie es ihm von Herzen kam, nicht leise und kalt wie sein Vorgänger, ein zäher Welfe, der nur der kirchlichen Vorschrift nachgekommen war:

»Laß deine Gnade groß werden über deinem Knecht Wilhelm, unserem Kaiser und Herrn, und über dem ganzen kaiserlichen Haus.«

Die gefurchte Stirn berührte fast das schwarze Tuch, mit dem die Kanzel vom Sonntag Reminiszere bis zum stillen Freitag bedeckt war. Es schien, als wenn die Stimme ihm versagte und er aufhören müßte. Und er hielt überwältigt inne und ließ die große Stille kommen. Totenstill wurde es in der Kirche auf Finkenwärder. Regungslos saß die Gemeinde. In die Augen kam eine Dunkelheit wie von aufsteigenden Tränen.

Denn die See nahm das Wort, die Nordsee, die Mordsee – mit ihren jagenden, zerrissenen Wolken, mit ihrem pfeifenden, brausenden Sturm, mit ihren haushohen, schäumenden, brüllenden Seen, mit Brand und Wetterleuchten, mit Dünung und Gewitter – mit geborstenen Segeln, gebrochenen Masten, blakenden Notfackeln, verlorenen Wracks und hilferufenden Fahrensleuten.

Und es war niemand da, der nicht ihre Stimme vernommen hätte.

Die hellhaarigen Jungen auf den Bänken neben dem Altar, die als große Schleefen [Schlingel] zu den gegenübersitzenden Konfirmandinnen hinübergelacht und ihnen zugenickt hatten, besannen sich, legten beschämt die Hände zusammen und sahen vor sich hin, weil ihnen in der heiligen Stille die Väter und Brüder in den Sinn kamen, die draußen waren, und weil sie daran dachten, daß sie nach Ostern selbst in die Fischerei hineinkamen.

Auch bei den rotbackigen Mädchen wurde es still. Alle falteten rasch die Hände, und manches Kinderherz bebte – vergessen war, daß sie abends am Deich einzuhüten hatten und daß die Jungen dort vor den Fenstern trommelten und pfiffen, bis sie hineingelassen wurden und Blindekuh oder Sechsundsechzig mitspielen durften.“

 

 

 

Gorch Fock (22 augustus 1880 - 31 mei 1916)

19:48 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: gorch fock, romenu |  Facebook |

21-08-12

Dolce far niente (Haarlem, Sylvia Hubers, Bertus Aafjes)

 

Dolce far niente

 

 

 

 

Voor Haarlem

 

Ik droomde me een man als een kunstwerk
en ik moest naar Haarlem gaan

 

Ik droomde van Oude Meesters, op een vingerknip
beschikbaar, om de hoek van de straat
en ik moest naar Haarlem gaan

 

Ik droomde me kunstenaars in galeries
kunstenaars op terrassen, kunstenaars als vrienden
en ik moest in Haarlem zijn

 

 

 

Haarlem, Sint Bavo

 

 

 

Ik droomde vaten vol kunstig bier
door bierkunstenaars gebrouwen en ik moest
in Haarlem drinken

 

Ik droomde me een stad die niet bestaat
een stad als een kunstwerk, uitgevouwen
over de grond door vaardige creatoren

 

een stad waarin ik rond zou lopen
o en ah zou zuchten

 

ik droomde me een stad
die bestaat
van mooi

 

 

 

Sylvia Hubers (Sassenheim,28 mei 1965)

 

Lees meer...

20-08-12

Dolce far niente (Amsterdam, Gerard Reve)

Dolce far niente

 


Uit: De Avonden

“Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweentwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte. Hij keek op zijn lichtgevend horloge, dat aan een spijker hing. Kwart voor zes, mompelde hij, het is nog nacht. Hij wreef zich in het gezicht. Wat een ellendige droom, dacht hij. Waar ging het over? Langzaam kon hij zich de inhoud te binnen brengen. Hij had gedroomd, dat de huiskamer vol bezoek was. Het wordt dit weekeind goed weer, zei iemand. Op hetzelfde ogenblik kwam een man met een bolhoed binnen.



Op de hoek: Jozef Israëlskade (Schilderskade 66)


Niemand lette op hem en hij werd door niemand begroet, maar Frits bekeek hem scherp. Opeens viel de bezoeker met een zware bons op de grond.
Was dat alles? dacht hij. Wat gebeurde er verder? Niets, geloof ik. Hij sliep weer in. De droom ging voort, waar hij was opgehouden. De man lag, met de bolhoed over zijn gezicht gedrukt, in een zwarte doodskist, die in een hoek van de kamer op een lage tafel stond. Die tafel ken ik niet, dacht hij, zou die geleend zijn? Hij keek in de kist en zei luid: Daar zitten we in ieder geval morgen nog mee opgescheept. Dat hoeft niet, zei een man met een kaal hoofd, een rood gezicht en een bril, wedden dat ik de begrafenis nog op vanmiddag twee uur geregeld kan krijgen?
Hij werd opnieuw wakker. Het was twintig minuten over zes. Ik ben al uitgeslapen, zei hij bij zichzelf, daarom word ik zo vroeg wakker. Ik heb nog een flink uur.
Hij sluimerde langzaam in en trad voor de derde maal de huiskamer binnen. Er was niemand. Hij liep op de kist toe, keek erin en dacht: Hij is dood en begint te bederven.

(…)



In het midden: Jozef Israëlskade (Schilderskade 66)


“Een heerlijke verkwikkend ochtendwandeling’ mompelde hij. Bij het afdalen van de trap kefte een hond bij de benedenburen, toen hij hun deur passeerde. Hij trok de straatdeur zacht dicht en volgde de met ijs bedekte gracht tot de rivier. Die, uitgezonderd in het midden, met een donkere ijslaag was toegevoren.”

 

 

Gerard Reve (14 december 1923 - 8 april 2006) 

 

 


Zie voor de schrijvers van de 20e augustus ookmijn blog van 20 augustus 2011`deel 1 en eveneens deel 2 en eveneens deel 3.

» Reageer (0)

19-08-12

Dolce far niente (Amsterdam, Jan Campert)

 

Dolce far niente

 

 

Lied van Amsterdam

 

Verlaat ‘t Centraal en zie de stad,
die zich voor de stad ontvouwt
gelijk een waaier, baan naast baan,
van parelgrijs en goud.
Het parelgrijs der morgenlucht,
die over de Amstel stijgt,
het goud van zon en herfstseizoen,
dat al ten einde neigt.

 

Welk oord gij ook om haar verliet,
zij komt u tegemoet
met kaden, Damrak en de Beurs
en schepen onder ‘t roet,
met torens rank breed en sterk van steen
en rank van makelij
en, als ge goede oren hebt,
met roepen over ‘t Y.

 

Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd
met vensters waar al ‘t licht door stroomt,
dat van den Amstel slaat,
wanneer de winter ‘t water stremt
en ‘t volk te schaatsen gaat.

 

Wie ’s avonds voor die vensters staat
hij ziet den warmen gloed,
die boven Leidsche en Rembrandtplein
de wolken walmen doet doet;
hij ziet, wanneer hij oogen heeft,
de onbewogen wacht
van Heerengracht en Keizersgracht
bij ‘t ingaan van de nacht.

 

 

Keizersgracht

 

 

 

Die, trouwloos van aard als ik,
eens Amsterdam verried,
hij vindt geen rust aleer zijn schuld
gedelgd is met een lied
en waar hij zwerft en wat hij zoekt
vindt hij ter wereld niet,
voordat hij weer de duiven rond
den Westertoren ziet.

 

En niet aleer zijn voetstap weer
de oude stad hervindt,
de Wallen, ‘t Kolkje, de Zeedijk,
of voordat hij de wind
bij Schreierstoren heeft gevoeld
te waaien door zijn haar,
niet eer houdt Amsterdam voor hem
haar liefste vreugde klaar.

 

 

Zeedijk

 

 

Want die het diepste wordt bemind
zij toeft in Amsterdam,
zoo brandt, in edel goud gevat,
‘t juweel gelijk een vlam,
en waar het hart slaat van mijn land
slaat ook haar franke hart
rood is haar mond, o Amsterdam,
en zie haar haren zwart.

 

Nu dit beeld mij niet meer verlaat,
bij dag niet noch bij nacht
weet ik dat ieder sterveling
wel eens wordt thuisgebracht.
Hij neemt zijn staf, hij schoeit den voet
en keert vanwaar hij kwam;
hij delgt zijn schuld en dicht een lied
voor haar en Amsterdam

 

 

Jan Campert (15 augustus 1902 - 12 januari 1943)

 

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 19e augustus ook mijn blog van 19 augustus 2011 deel 1 en ook deel 2.

18-08-12

Dolce far niente (Amsterdam, Mezrab, verhalen aan het IJ)

 

Dolce far niente

 

 

De Iraanse dichter, zanger, acteur en politiek wetenschapper Fereydoun Farrokhzad werd geboren op 7 oktober 1938 Teheran. Farokhzad voltooide de opleiding politieke wetenschappen met een doctoraat in de Bondsrepubliek Duitsland. Hij was de jongere broer van de beroemde Perzische dichteres Forough Farrokhzad. Farokhzad wordt nog steeds beschouwd als een van de meest bekende zangers en entertainers van de moderne Iraanse muziek geschiedenis. Veel sterren van de Iraanse muziek scene van de jaren 1970 bereikten in zijn uitzendingen een grotere bekendheid. In politieke opzicht zette Farokhzad zich in voor een seculiere koers en voor de scheiding tussen staat en religie. Hij pleitte voor het herstel van het Iraanse Keizerrijk op een democratische grondslag en thematiseerde dat, net zo goed als zijn verzet tegen de heersende geestelijken sinds 1979, in politieke strijdliederen. Als criticus van het theocratische regime in Iran vanaf 1979 werd hij op 6 Augustus vermoord in 1992 in zijn huis in Bonn. Fereydoun Farrokhzad werd begraven op de Bonner Nordfriedhof.

 

 

Atombombe


Sie wollen uns überzeugen,
dass es nur ein weisser Pilz ist -
der mit den Pappeln flüstert.
Oder ein Pfau der gerade sein Rad schlägt.
Aber der weisse Pilz hat schwarze Schatten –
und der junge Pfau trägt giftige Pfeile.
Man kann ein Buch –
über den Kopf halten –
und an Wunder glauben.
Man kann auch wie ein kranker Hund –
unter den Tisch kriechen -
und sich einen besseren Tod wünschen.

 




Mezrab, naast het Wilhelmina Pakhuis, Veemkade


 

Warmates


Warmates, Warmates were human and free
Men and women of pride and simplicity
Had put themselves amongst the nation's unrest
Warmates, Warmates

 

Their death cloths, tri color Flag of Iran
In their minds, nothing but a promise and a pact
The pact which would charge them in the battlefield
Warmates, Warmates

 

They were loaded with the love of nation
They were away from temptations of the spirit and body
They were the green sincerity of "The Word"
Warmates, Warmates

 

Warmates were the heroes of dignity
All their lives, they have struggled only for one goal
Until they had opened the doors of freedom
Warmates, Warmates

 

Warmates were like rain drops
Pure and honest, they were Warmates to all lovers
They were the lion and sun of the Iranian Flag
Warmates, Warmates

 

They have risen up and become martyrs
They have climbed beyond the inferior human needs
They have reached the pure human integrity
Warmates, Warmates

 

They have risen and died for us
They have died amongst our arms
They have left us the pieces of motherland
Warmates, Warmates

 

The children who will be born tomorrow
Will know about the story of our Warmates
Will read their names upon the sunshine
Warmates, Warmates

 

Where are those brave men and women today?
That our being is due to their uprising!
That their hearts are beating inside the Iranian Flag
Warmates, Warmates

 

Once again we will all gather around
We will speak of our Warmates
We will write in the history and on the sorrow, about our
Warmates, Warmates

 

Thousands of springs and summers will come and go
Thousands of snows and rains will fall
Masses will once again love "The essence of Love"
By the will of our
Warmates, Warmates ……

 

 

 

Vertaald door Ahreeman X

 

 



Fereydoun
Farrokhzad (7 oktober 1938 - 6 augustus 1992)

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 18e augustus ook mijn blog van 18 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Samar Yazbek

 

De Syrische schrijfster en journaliste Samar Yazbek werd geboren in Jableh op 18 augustus 1970. Zij studeerde Arabische literatuur. Haar werk omvat een breed scala aan genres - romans, korte verhalen, filmscripts, televisie drama's, film-en tv kritiek. Ze heeft een documentaire gemaakt over de Syrische geleerde Anton Maqdesi. Ook werkte zij mee aan Women of Syria, een feministische e-zine.
Yazbek is een prominente stem in de ondersteuning van de mensenrechten en de rechten van vrouwen in Syrië. Haar debuutroman, genaamd Tiflat as-Sama (Heavenly Girl) behandelde bestaande taboes in de Syrische samenleving. Yazbek is lid van de Alawi gemeenschap, maar is een tegenstander van het regime van haar mede-gelovige president Bashar al-Assad. Ze nam deel aan de protesten in 2011 tegen het regime van Assad, en werd vervolgens vastgehouden door de veiligheidstroepen. Ook werd haat verboden te reizen buiten Syrië. In 2010 werd Yazbek geselecteerd als een van de Beirut39, een groep van 39 Arabische schrijvers onder de leeftijd van 40 jaar, gekozen door middel van een wedstrijd georganiseerd door het Banipal magazine en het Hay Festival. In 2012 werd ze gekozen voor de prestigieuze PEN / Pinter prijs "International writer of courage ", als erkenning voor haar boek A Woman in the Crossfire. Zij werd in hetzelfde jaar ook bekroond met de Zweedse Tucholsky Prijs

 

Uit: Schrei nach Freiheit. Bericht aus dem Inneren der syrischen Revolution

(A Woman In The Crossfire, vertaald door Larissa Bender)

 

“Bei der ersten Zusammenkunft mit dem hohen Offizier war ich vollkommen am Ende, denn zwei der Männer, die mich in dem weißen Auto von zu Hause abgeholt hatten, hatten mir die Augen verbunden, was ich höchst verwunderlich fand. Mir ging durch den Kopf, dass ich niemanden

informiert hatte, und Nawwara war noch immer im Dorf. Ich vermutete, dass meine Verhaftung wohl unmittelbar bevorstehe und dass ich lange im Gefängnis bleiben würde. Dies war in der Zeit, bevor sie auf einer Website des syrischen Geheimdienstes einen Artikel veröffentlichten, in dem sie mich des Agententums und des Verrats bezichtigten.

Ich kam an einen merkwürdigen Ort, vielleicht in Mezzeh, genau wusste ich es nicht, aber plötzlich fand ich mich in einem geräumigen Büro mit dem hohen Offizier wieder. Er musterte mich so angewidert, als hätte er es mit einer verwesten Leiche zu tun. Dann packte er mich derart hart am Handgelenk, dass er mir fast die Hand zerquetschte und meine Haut zu brennen begann, und plötzlich verpasste er mir eine Ohrfeige, die mich zu Boden warf. Er spuckte auf mich herunter und sagte: «Du Miststück!» Meine Augen waren geschlossen, in meinen Ohren vernahm ich ein gellendes Dröhnen. Mir war, als würde mir schwindelig werden, es glich einem Gefühl wie ein Erschauern. Ich stand nicht auf, ich konnte es nicht, obwohl er schrie, ich solle aufstehen, aber ich war nicht dazu in der Lage. Mein Körper war zerbrechlich, mir schwindelte. Was für eine Ironie! Eine einzige Ohrfeige hatte mich zu Boden geworfen!

«Steh auf!», schrie er. Ich rührte mich nicht, ich hielt die Augen geschlossen und dachte bei mir, ich werde nicht aufstehen, soll er doch machen, was er will. Das Messer, das ich normalerweise in meiner Tasche bei mir trage, steckte in meinem Büstenhalter, das gleiche kleine Klappmesser. Ich dachte, ich werde nicht darauf warten, dass er oder irgendjemand anderer mich beleidigt, ich werde mir das Messer ins Herz stoßen.”

 

 

Samar Yazbek (Jableh, 18 augustus 1970)

18:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: samar yazbek, romenu |  Facebook |

In Memoriam Willem G. van Maanen

 

In Memoriam Willem G. van Maanen

 

 

 

De Nederlandse schrijver Willem G. van Maanen is vrijdag op 91-jarige leeftijd overleden. Willem Gustaaf (Willem G.) van Maanen werd geboren in Kampen op 30 september 1920. In 2004 kreeg hij voor zijn gehele oeuvre de Constantijn Huygensprijs. Zie ook mijn blog van 30 september 2011.

 

Uit: De onrustzaaier

 

'Hoe bevalt het je bij ons?' vroeg ik [Pilaar], toen het na enige dagen zover was. (...)

'Goed,' antwoordde hij [Chris]. 'Er is hier veel te doen, en ik doe het ook.'

'Teveel misschien,' zei ik.

'Er is mij zelden iets teveel.'

'Ik bedoel jou niet,' zei ik, 'ik bedoel de anderen. Ik heb wel eens de indruk dat je de mensen dingen leert die ze niet aankunnen.'

'Dat beschouw ik ook als mijn taak,' zei hij. 'Ze groeien ervan, en over een tijdje zullen ze het wel aankunnen.' (...)

'Over wat je met de kinderen doet zijn we heel tevreden,' zei ik kalm. Ik was woedend over zijn opmerking, maar liet niets merken. Ik wilde dit gesprek winnen, al wist ik nog niet wat ik wilde bereiken. (...)

'We zijn heel tevreden over je prestaties als hoofd,' herhaalde ik. 'Het hele bestuur, mevrouw Droog inbegrepen.'

'Dat begrijp ik,' antwoordde hij zelfverzekerd. 'Sinds ik hier ben zijn er twaalf leerlingen bijgekomen.'

'Twaalf apostelen, meester Christus,' zei ik spottend. 'Maar ik geloof dat het er elf zijn, als ik me de gegevens van de laatste bestuursvergadering goed herinner.'

'Wilt u me sparen voor Judas?' vroeg hij, en hij keek me strak aan. 'Meneer Pilatus,' zei hij toen, na een korte stilte.

Hij bracht me in verwarring. Ik wist niet of hij me op de groftse manier beledigde, of dat hij alleen maar een woordspeling op mijn naam maakte, zoals ik op de zijne. En ik weet het nog niet.”

(…)

 

 

“Dat was ons laatste gesprek, want vanmiddag, toen hij voorgoed afscheid kwam nemen, hebben we nauwelijks enkele woorden gewisseld. Niet uit vijandschap, maar omdat er niets meer te zeggen was. Hoewel ik nog zoveel zou willen zeggen. Ik wilde hem zeggen dat hij het goed heeft geprobeerd, maar de mensen hier zijn nog niet klaar voor zijn hervormde ideeën. Ook wilde ik hem zeggen dat ik hem altijd heb bewonderd om zijn strijdlust tegen alles en iedereen. Maar dat is nu te laat, hij is nu weg en heeft die verschrikkelijke rugzak in ieder geval meegenomen.”

 

 

 

Willem G. van Maanen (30 september 1920 – 17 augustus 2012)

12:11 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: in memoriam, willem g. van maanen, romenu |  Facebook |