04-09-12

Helga Ruebsamen, Antonin Artaud, René de Chateaubriand, Constantijn Huygens

 

De Nederlandse schrijfster Helga Ruebsamen is op 4 september 1934 geboren in Batavia, in Nederlands lndië. Zie ook mijn blog van 4 september 2010 en eveneens alle tags voor Helga Ruebsamen op dit blog.

 

Uit: De Indische kamer

 

Mijn moeder had bijna haar hele leven in Nederlands-Indië gewoond, ik had er slechts mijn eerste zes jaren doorgebracht. We waren in 1939 voor een jaartje naar Nederland toe gegaan en toen brak de Tweede Wereldoorlog uit en konden we niet meer terug. Ondertussen werd het 1959 en zij zat daar maar, zich nog altijd van alles te herinneren.
De herinneringen van mijn moeder begonnen als verhalen die ze als het ware uit de lucht greep. Ze had er niet eens een boek of een atlas en zelfs geen foto’s voor nodig om vlot te beginnen met bijvoorbeeld de kleine geschiedenis van mijn speelgoedolifant. Die had mijn lievelingsoom voor mij op de pasar gambir gewonnen, met een welgemikt schot, maar we konden hem eigenlijk niet meenemen omdat hij veel te groot was. Toen had mijn oom de olifant in mijn wandelwagentje gezet en hij duwde dit voort terwijl hij mij op zijn arm torste. Dat was een grappig gezicht, een speelgoedolifant in een wagentje, het had op de pasar voor grote hilariteit gezorgd. Langzaamaan had zich een giechelende, fluisterende stoet achter ons gevormd, het leek wel of oom de Rattenvanger van Hamelen was.
Ik vroeg me af hoe groot die olifant dan wel was en welke kleur hij had en waarom ik me zijn naam niet kon herinneren. Al mijn speelgoeddieren had ik namen gegeven en volgens mij wist ik die nog allemaal. Maar ik moest oppassen met zulke vragen hardop te stellen, want een vraag die in verkeerde aarde viel kon een heel verhaal torpederen.
‘En waar is de olifant gebleven?’
‘Die staat gewoon nog thuis, hoor, in je kamertje.’

Ze bedoelde mijn kamertje in Bandoeng. Dat had ik ook nog altijd, al was het 1959 en zou ik het nooit meer zien. Ik wist zeker dat het niet meer bestond, maar het bleef ongerept aanwezig in de verhalen van mijn moeder, zoals ons hele huis telkens opnieuw verrees en niet stuk was te krijgen. De weelderige tuin van vroeger evenmin. En het zwembad van villa Isola niet te vergeten.

 

 


Helga Ruebsamen (Batavia, 4 september 1934)

Hier met Abdelkader Benali (l)

Lees meer...

03-09-12

Kiran Desai, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Lino Wirag

 

De Indische schrijfster Kiran Desai werd geboren op 3 september 1971 in New Dehli. Zie ook mijn blog van 3 september 2010 en eveneens alle tags voor Kiran Desai op dit blog.

 

Uit: The Inheritance of Loss

She shut the magazine and walked out into the garden. The forest was old and thick at the edge of the lawn; the bamboo thickets rose thirty feet into the gloom; the trees were moss-slung giants, bunioned and misshapen, tentacled with the roots of orchids. The caress of the mist through her hair seemed human, and when she held her fingers out, the vapor took them gently into its mouth. She thought of Gyan, the mathematics tutor, who should have arrived an hour ago with his algebra book.
But it was 4:30 already and she excused him with the thickening mist.
When she looked back, the house was gone; when she climbed the steps back to the veranda, the garden vanished. The judge had fallen asleep and gravity acting upon the slack muscles, pulling on the line of his mouth, dragging on his cheeks, showed Sai exactly what he would look like if he were dead.
“Where is the tea?” he woke and demanded of her. “He’s late,” said the judge, meaning the cook with the tea, not Gyan.
“I’ll get it,” she offered.
The gray had permeated inside, as well, settling on the silverware, nosing the corners, turning the mirror in the passageway to cloud. Sai, walking to the kitchen, caught a glimpse of herself being smothered and reached forward to imprint her lips upon the surface, a perfectly formed film star kiss. “Hello,” she said, half to herself and half to someone else.
No human had ever seen an adult giant squid alive, and though they had eyes as big as apples to scope the dark of the ocean, theirs was a solitude so profound they might never encounter another of their tribe. The melancholy of this situation washed over Sai.
Could fulfillment ever be felt as deeply as loss? Romantically she decided that love must surely reside in the gap between desire and fulfillment, in the lack, not the contentment. Love was the ache, the anticipation, the retreat, everything around it but the emotion itself.”

 

 

Kiran Desai (New Dehli, 3 september 1971)

Lees meer...

02-09-12

100 Jaar Johan Daisne, Willem de Mérode, Chris Kuzneski, Joseph Roth, Pierre Huyskens

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) werd op 2 september 1887 geboren in Spijk. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en eveneens alle tags voor Willem de Mérode op dit blog.

 

 

Klacht om Abisag

 

Hoe zult gij hier kunnen rusten?
Al de onnut gespaarde lusten
Stromen nog met zacht geruis
Door uw ongerepte leden,
Die nu met hun heerlijkheden
Zijn besloten in dees kluis.

Altijd hebt gij u onthouden
Aan onmachtigen; ach, de oude
Koning, die gij bijstand bood,
Had geen kracht meer in zijn lenden
Om op jeugds reeds lang ontwende
Wijs te dansen in uw schoot.

Als zijn hart uw boezem voelde,
Gij uw jeugd aan hem verkoelde,
Gloeide hij alsof een steen
Hitte aan het vuur ontleende.
Maar koud tot 't verkalkt gebeente
Werd hij als hij lag alleen.

Toen een jonge prins u minde,
Werd als vlieg hij van eens blinde
Aangezicht fluks weggevaagd.
Uwer borsten rode toppen
Werden hard als rozenknoppen
Waar geen bloeien meer in daagt.

En toen kwam de harde donkre
Met zijn oog u tegenfonklen,
En, niet wetend wat gij deed,
Hebt, vreesachtige en wankle,
Ge u verborgen in zijn mantel
Als een graf- en bruiloftskleed.

Onberoerde en versmachte,
In de helle sterrenachten
Fluistren wij en zuchten: slaap!
Troost u dit, dat op hun sponde
In verrukkelijke zonde
Om u wenen man en knaap?

 

 

 

De gekrenkte jongen

 

Meen niet, dat hij te schreien stond,
Toen hem het giftige antwoord stak.
Hij voelde, dat iets in hem brak,
Maar hield de glimlach om zijn mond.

Even vertroebelde zijn oog,
Maar daadlijk keek hij strak en koel.
En sterk hield hij het lauw gevoel
Ten onder, dat zijn hart bewoog.

Hij zal de eerste stap niet doen.
Zijn fierheid, ten begeerde zoen,
Weigert het goede woord te spreken,
Al zou zijn hunkrend hart ook breken.

Maar toen hij zich vol stugheid wendde,
Snikte hij zachtjes van ellende.

 

 

 

Job

 

De dag verga, waarin ik werd geboren,
Der donderbuien dikke duisternis
Trekke zich samen waar zijn luister is,
Hij zij verschriklijker als geen te voren.

Was ‘t mij bij de eerste oogopslag beschoren
Te sterven..., waar zelfs geen gefluister is
Van leed, men vrij van elke kluster is,
Zou mij de rust van koningen behoren.

Ik rustte met wie liefde hield gebonden,
De groten die in glorierijke stonden
De dood zich mengelden met minnens wijn.

Maar ik moet levend duizend doden sterven,
En nimmer kan ik ‘t duizlend heil verwerven
Van stil en donker en mét u te zijn.

 

 

 

 

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)

Lees meer...

01-09-12

W. F. Hermans, Hubert Lampo, Peter Adolphsen

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Frederik Hermans werd geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 1 september 2010 en eveneens alle tags voor W. F. Hermans op dit blog.

 

Uit: Nooit meer slapen

 

“– Ik heb Noren ontmoet die zich tegen mij verontschuldigden, die zeiden dat in Londen alles veel beter is dan in Oslo. Maar zo praten Nederlanders ook tegen buitenlanders. Ik heb eens in de trein een Nederlander meegemaakt die het Nederlandse wapen in zijn paspoort aan een Spanjaard liet zien. You see this? zei hij. Dutch lion. Now just dog.
In Spanje! Een land waartegen we tachtig jaar oorlog hebben gevoerd.
– Weet je, zegt Arne, wij leven hier in een land dat, tot zestig jaar geleden, zelden helemaal zelfstandig geweest is.
Eerst onder de Denen, toen onder de Zweden. Onze taal telt in de wereld nauwelijks mee. Iedere student moet Engels, Frans en Duits kennen. Zonder die talen zou je geen enkele academische studie kunnen voltooien. Onze eigen taal wordt daardoor een soort lagere taal, een leerlingentaal.
De hoogste wijsheid is in vreemde talen geschreven. De leermeesters spreken tot ons in het Engels, in Engelse leerboeken. Een taal die wij wel goed kunnen lezen, maar toch meestal niet zonder fouten spreken of schrijven. Ik merk het zelfs al op dit ogenblik, nu ik jou dit probeer uit te leggen. Kon ik Noors tegen jou spreken, mijn woordkeus zou meer subtiel, meer nauwkeurig zijn.
– Ik begrijp je heel goed.
– Toch, wie een taal spreekt die zijn moedertaal niet is, die wordt naar beneden gedrukt, onherroepelijk. Waarom hebben gekoloniseerde volkeren zoals negers, indianen, enzovoort de reputatie gekregen dat ze zo kinderlijk zijn? Omdat zij gedwongen waren tegen hun meesters talen te spreken die zij niet goed kenden.”

 

W. F. Hermans (1 september 1921 – 27 april 1995)

Lees meer...

31-08-12

William Saroyan

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Saroyan werd geboren op 31 augustus 1908 in Fresno, Californië. Zie ook mijn blog van 31 augustus 2010 en eveneens alle tags voor William Saroyan op dit blog.

 

 

To the Voice of Shah-Mouradian

 

 

I. EPISTLE

 

To the man this humble word:

Great soul, I your voice have heard.

If in fact I stand alone,

My clamor will the wrong atone.

 

Before your own my voice is small:

You sing, while my poor words must fall

Like so much sodden clay or mud

Into the rush of thought’s swift flood.

 

Yours is the flowing of the ancient soul.

While mine is but the lisping of the mind.

Yet if music the deaf cannot make whole,

The print shall give hearing to those not blind.

 

 

 

II. WHILE HE SINGS “MAYR ARAKSIE”

 

No art is lost and yours shall never be,

For when you sing, you sing at least for me.

And when at last my mortal day is done

Remember, friend, that I shall leave a son,

Tutored to seek the glory of his race

(Wherever he may go, to what strange place)

In your clear voice, which is the very pith

Of our old legend and our deathless myth.

 

And if the mother of his son shall be

A daughter of our ancient family,

I think she’ll teach him in his early years

That when you sing, though he be moved to tears,

He will yet know how once in strength we stood,

And stand forever in her motherhood.

 

 

 

William Saroyan (31 augustus 1908 – 18 mei 1981)

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e augustus ook mijn blog van 31 augustus 2011.

18:51 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: william saroyan, romenu |  Facebook |

30-08-12

Charles Reznikoff, François Cheng, Jiři Orten

 

De Amerikaanse dichter Charles Reznikoff werd op 30 augustus 1894 in New York geboren. Zie ook mijn blog van 30 augustus 2010.en alle tags voor Charles Reznikoff op dit blog.

 

 

Meditations on the Fall and Winter Holidays

 

I

 

New Year's

 

The solid houses in the mist

are thin as tissue paper;

the water laps slowly at the rocks;

and the ducks from the north are here

at rest on the grey ripples.

 

The company in which we went

so free of care, so carelessly,

has scattered. Good-bye,

to you who lie behind in graves,

to you who galloped proudly off!

Pockets and heart are empty.

 

This is the autumn and our harvest--

such as it is, such as it is--

the beginnings of the end, bare trees and barren ground;

but for us only the beginning:

let the wild goat's horn and the silver trumpet sound!

 

Reason upon reason

to be thankful:

for the fruit of the earth,

for the fruit of the tree,

for the light of the fire,

and to have come to this season.

 

The work of our hearts is dust

to be blown about in the winds

by the God of our dead in the dust

but our Lord delighting in life

(let the wild goat's horn

and the silver trumpet sound!)

our God Who imprisons in coffin and grave

and unbinds the bound.

 

You have loved us greatly and given us

Your laws

for an inheritance,

Your sabbaths, holidays, and seasons of gladness,

distinguishing Israel

from other nations--

distinguishing us

above the shoals of men.

And yet why should we be remembered--

if at all--only for peace, if grief

is also for all? Our hopes,

if they blossom, if they blossom at all, the petals

and fruit fall.

 

You have given us the strength

to serve You,

but we may serve or not

as we please;

not for peace nor for prosperity,

not even for length of life, have we merited

remembrance; remember us

as the servants

You have inherited.

 

 

 

Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)

 

Bewaren

Lees meer...

29-08-12

Maurice Maeterlinck, Elma van Haren, Hugo Brandt Corstius

 

De Belgische dichter en schrijver Maurice Maeterlinck werd geboren op 29 augustus 1862 in Gent. Zie ook mijn blog van 29 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Maurice Maeterlinck op dit blog.

 

 

Quinze Chansons

 

 

II

 

Et s'il revenait un jour

Que faut-il lui dire?

- Dites-lui qu'on l'attendit

Jusqu'à s'en mourir...

 

Et s'il m'interroge encore

Sans me reconnaître?

- Parlez-lui comme une sœur,

II souffre peut-être...

 

Et s'il demande où vous êtes

Que faut-il repondre?

- Donnez-lui mon anneau d'or

Sans rien lui répondre...

 

Et s'il veut savoir pourquoi

La salle est déserte ?

- Montrez-lui la lampe éteinte

Et la porte ouverte...

 

Et s'il m'interroge alors

Sur la dernière heure?

- Dites-lui que j'ai souri

De peur qu'il ne pleure...

 

 

 

V

 

Les trois sœurs aveugles

(Espérons encore)

Les trois sœurs aveugles

Ont leurs lampes d'or;

 

Montent à la tour,

(Elles, vous et nous)

Montent à la tour,

Attendent sept jours...

 

Ah ! dit la première,

(Espérons encore)

Ah ! dit la première,

J'entends nos lumières...

 

Ah ! dit la seconde,

(Elles, vous et nous)

Ah ! dit la seconde,

C'est le roi qui monte...

 

Non, dit la plus sainte,

(Espérons encore)

Non, dit la plus sainte,

Elles se sont éteintes...

 

 

 

Maurice Maeterlinck (29 augustus 1862 - 6 mei 1949)

Lees meer...

Hermann Löns

 

De Duitse dichter en schrijver en journalist Hermann Löns werd geboren in Culm op 29 augustus 1866. Zijn vader was daar leraar aan het gymnasium. Toen hij een jaar oud was, werd zijn vader overgeplaatst naar Deutsch Krone. Hier groeide Löns op en bezocht het gymnasium. In 1884 verhuisde de familie naar Münster, waar Löns het gymnasium afrondde. Vervolgens begon hij in een studie medicijnen in Greifswald en Göttingen en wisselde in 1889 naar een studie natuurwetenschappen in Münster. Löns rondde zijn studies echter niet af. In de jaren negentig begon hij als journalist te werken en schreef gedichten en novellen. Pas tegen het eind van zijn (tamelijk kortstondige) leven werd hij met - name dankzij zijn romans zoals bijvoorbeeld Der Wehrwolf (1910) en Das zweite Gesicht (1911) - een geliefde literaire persoonlijkheid. Zoals zoveel andere Duitsers meldde ook Löns zich na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog als 48-jarige vrijwilliger in het Duitse leger. Hij sneuvelde tijdens een patrouille in Loivre in het Franse departement Marne, slechts drie weken nadat hij in dienst was getreden. In 1934 werd hij herbegraven in Duitsland. Tijdens de naziperiode genoot zijn werk als zogeheten Heimatkunst een zekere populariteit. Met - volgens de Hermann Löns Vereniging - 139 gedenkplaatsen is hij een van de meest herdachte personen in Duitsland. Löns is de auteur van het Engeland-Lied, dat door de Duitse Wehrmacht in het begin van de Tweede Wereldoorlog frequent werd gezongen.

 

 

 

Auf der Lüneburger Heide

 

Auf der Lüneburger Heide,

In dem wunderschönen Land

Ging ich auf und ging ich unter,

Allerlei am Weg ich fand;

Valleri, vallera,

Und juchheirassa,

Bester Schatz, bester Schatz,

Denn du weißt es weißt es ja.

 

Brüder, laßt die Gläser klingen,

Denn der Muskatellerwein

Wird vom langen Stehen sauer,

Ausgetrunken muß er sein;

Valleri, vallera,

Und juchheirassa,

Bester Schatz, bester Schatz,

Denn du weißt es weißt es ja.

 

Und die Bracken und die bellen,

Und die Büchse und die knallt,

Rote Hirsche woll'n wir jagen

In dem grünen, grünen Wald;

Valleri, vallera,

Und juchheirassa,

Bester Schatz, bester Schatz,

Denn du weißt es weißt es ja.

 

Ei du Hübsche, ei du Feine,

Ei du Bild, wie Milch und Blut,

Uns're Herzen woll'n wir tauschen,

Denn du glaubst nicht, wie das tut;

Valleri, vallera,

Und juchheirassa,

Bester Schatz, bester Schatz,

Denn du weißt es weißt es ja.

 

 

 

Es blühen die Rosen

 

Es blühen die Rosen
die Nachtigall singt
mein Herz ist voll Freude
voll Freude es springt
Ein Reiter zu Pferde
so reit' ich durch´s Land
für Kaiser und König
und Vaterland

 

Im Wirtshaus am Wege
da kehren wir ein
und trinken ein Gläschen
vom funkelnden Wein
Ei, du Hübsche, du Feine
komm setz´ dich zu mir
ein Ringlein von Golde,
das schenk´ ich dir

 

Und ist sie geschlagen
die blutige Schlacht
und haben wir Frieden
mit Frankreich gemacht
dann bind´ ich den Schimmel
wieder hier an
denn treu ist, ja treu ist
der Reitersmann

 

 

 

 

Hermann Löns (29 augustus 1866 - 26 september 1914)

Standbeeld in Walsrode

18:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hermann löns, romenu |  Facebook |

28-08-12

Johann Wolfgang von Goethe, A. Moonen, Maria Barnas

 

De Duitse dichter en schrijver Johann Wolfgang von Goethe werd geboren op 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 28 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Johann Wolfgang von Goethe op dit blog.

 

 

Erlkönig

 

Wer reitet so spät durch Nacht und Wind?
Es ist der Vater mit seinem Kind;
Er hat den Knaben wohl in dem Arm,
Er faßt ihn sicher, er hält ihn warm.

Mein Sohn, was birgst du so bang dein Gesicht? -
Siehst Vater, du den Erlkönig nicht?
Den Erlenkönig mit Kron und Schweif? -
Mein Sohn, es ist ein Nebelstreif. -

»Du liebes Kind, komm, geh mit mir!
Gar schöne Spiele spiel ich mit dir;
Manch bunte Blumen sind an dem Strand,
Meine Mutter hat manch gülden Gewand.«

Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht,
Was Erlenkönig mir leise verspricht? -
Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind;
In dürren Blättern säuselt der Wind. -

»Willst, feiner Knabe, du mit mir gehn?
Meine Töchter sollen dich warten schön;
Meine Töchter führen den nächtlichen Reihn
Und wiegen und tanzen und singen dich ein.«

Mein Vater, mein Vater, und siehst du nicht dort
Erlkönigs Töchter am düstern Ort? -
Mein Sohn, mein Sohn, ich seh es genau:
Es scheinen die alten Weiden so grau. -

»Ich liebe dich, mich reizt deine schöne Gestalt;
Und bist du nicht willig, so brauch ich Gewalt.«
Mein Vater, mein Vater, jetzt faßt er mich an!
Erlkönig hat mir ein Leids getan! -

Dem Vater grauset’s, er reitet geschwind,
Er hält in den Armen das ächzende Kind,
Erreicht den Hof mit Mühe und Not;
In seinen Armen das Kind war tot.

 

 

 

 

An den Mond

 

Füllest wieder Busch und Tal
Still mit Nebelglanz,
Lösest endlich auch einmal
Meine Seele ganz;

Breitest über mein Gefild
Lindernd deinen Blick,
Wie des Freundes Auge mild
Über mein Geschick.

Jeden Nachklang fühlt mein Herz
Froh und trüber Zeit
Wandle zwischen Freud und Schmerz
In der Einsamkeit.

Fließe, fließe, lieber Fluß!
Nimmer werd ich froh,
So verrauschte Scherz und Kuß,
Und die Treue so.

Ich besaß es doch einmal,
Was so köstlich ist!
Daß man doch zu seiner Qual
Nimmer es vergißt!

Rausche, Fluß, das Tal entlang,
Ohne Rast und Ruh,
Rausche, flüstre meinem Sang
Melodien zu.

Wenn du in der Winternacht
Wütend überschwillst,
Oder um die Frühlingspracht
Junger Knospen quillst.

Selig, wer sich vor der Welt
Ohne Haß verschließt,
Einen Freund am Busen hält
Und mit dem genießt

Was, von Menschen nicht gewußt
Oder nicht bedacht,
Durch das Labyrinth der Brust
Wandelt in der Nacht.

 

 

 

 

Wandrers Nachtlied

 

Über allen Gipfeln
Ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest du auch.

 

 

 

Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)

Monument in Chigaco: "To Goethe, the mastermind of the German people"

 

Lees meer...

27-08-12

Tom Lanoye, Jeanette Winterson, Lolita Pille, Lernert Engelberts, Kristien Hemmerechts

 

De Belgische dichter en schrijver Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.

 

Uit: Een slagerszoon met een brilletje

 

“Om half twaalf 's nachts word ik geboren. Ik leef amper. Ik zie blauw en heb een te lage temperatuur. Geen nood mevrouw, glimlachen de verpleegsters, een paar uurtjes in een van onze splinternieuwe couveuses helpen hem er zó bovenop.

Gerustgesteld valt mijn moeder in slaap. De volgende dag blijk ik op gaan, dan liever in mijn armen dan in zo'n rotmachine, zegt mijn moeder, vooruit geef hem aan mij. Ze legt me op haar warme lichaam, dekt me onder, wrijft me warm en probeert me te zogen. Ik spuw de melk weer uit.

Op dat moment komt mijn vader binnen. In zijn spoor mijn broers en glunderende zusje. Voor de deur van de winkel thuis moet nu het bord hangen 'Gesloten Wegens Blijde Geboorte'.

'En hoe gaat het met onze patiënt?' roept Bob opgewekt. 'Slecht,' antwoord ik, 'ik kan maar niet beslissen of ik eraan zal beginnen of niet.' Dat komt goed uit, wij hebben nog niet beslist of we je wel willen!' zegt Guy om mijn zusje Laurie te pesten. Zij roept 'jawel, jawel!' en begint te huilen. Mijn moeder maant tot stilte.
'Luister,' zeg ik, 'ik weet niet of het wel de moeite loont. Ik zou tegelijk een goed dichter willen worden, én een kruising tussen Frank Sinatra, Fred Astaire en Michael Jackson. Dat is onmogelijk. En bovendien: als een bundel hier een oplage haalt van duizend exemplaren, dan is dat al een onverhoopt succes. En wat zou ik op een podium moeten aanvangen? Had ik maar een stem die alle big bands de baas kan. Groot zal ik niet worden, en slank, dat zit er ook niet voor me in. Als ik een goede danser aan het werk zie, word ik misselijk van jaloezie. In de turnkring zal ik op elke jongen verliefd worden, zonder ooit mijn bek open te durven
doen natuurlijk. Kon ik maar geboren worden op 50 kilometer van Broadway, als een prachtige neger die ook nog saxofoon en piano speelt.”

 

 


Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958)

Lees meer...

26-08-12

Christopher Isherwood, Guillaume Apollinaire, Jules Romains, Julio Cortázar

 

De Brits-Amerikaanse schrijver Christopher Isherwood werd geboren op 26 augustus 1904 in Disley in het graafschap Cheshire in Engeland. Zie ook mijn blog van 26 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Christopher Isherwood op dit blog.

 

Uit: Goodbye to Berlin

 

„To-morrow I am going to England. In a few weeks I shall return, but only to pick up my things, before leaving Berlin altogether.

Poor Frl. Schroeder is inconsolable: "I shall never find another gentleman like you, Herr Issyvoo—always so punctual with the rent.... I'm sure I don't know what makes you want to leave Berlin, all of a sudden, like this...."

It's no use trying to explain to her, or talking politics. Already she is adapting herself, as she will adapt herself to every new régime. This morning I even heard her talking reverently about "Der Führer" to the porter's wife. If anybody were to remind her that, at the elections last November, she voted communist, she would probably deny it hotly, and in perfect good faith. She is merely acclimatizing herself, in accordance with a natural law, like an animal which changes its coat for the winter. Thousands of people like Frl. Schroeder are acclimatizing themselves. After all, whatever government is in power, they are doomed to live in this town.

* * *

 

To-day the sun is brilliantly shining; it is quite mild and warm. I go out for my last morning walk, without an overcoat or hat. The sun shines, and Hitler is master of this city. The sun shines, and dozens of my friends—my pupils at the Workers' School, the men and women I met at the I.A.H. [Internationale Arbeiter-Hilfe]—are in prison, possibly dead. But it isn't of them that I am thinking—the clear-headed ones, the purposeful, the heroic; they recognized and accepted the risks. I am thinking of poor Rudi, in his absurd Russian blouse. Rudi's make-believe, story-book game has become earnest; the Nazis will play it with him. The Nazis won't laugh at him; they'll take him on trust for what he pretended to be. Perhaps at this very moment Rudi is being tortured to death.

I catch sight of my face in the mirror of a shop, and am horrified to see that I am smiling. You can't help smiling, in such beautiful weather. The trams are going up and down the Kleiststrasse, just as usual. They, and the people on the pavement, and the teacosy dome of the Nollendorfplatz station have an air of curious familiarity, of striking resemblance to something one remembers as normal and pleasant in the past—like a very good photograph.

No. Even now I can't altogether believe that any of this has really happened.... „

 

 

 

Christopher Isherwood (26 augustus 1904 – 4 januari 1986)

Lees meer...

25-08-12

Dolce far niente (Nijmegen, Dennis Gaens)

 

Dolce far niente

 

 

 

Hoeveel steden deze stad is


I

Dan is er altijd nog de stad die ik via sluiproutes langs buitenwegen binnenkom.

Over de straten aan de rand fietsen meisjes met onhandige benen die snel vrouwen willen worden en tot die tijd kauwgom kauwen. Wat verder leunt een man op zijn rollator, wachtend op een bus die hij ook vandaag niet neemt.

Het is die stad met een plein dat een lakmoesproef is, waar de mannen van de welpen worden gescheiden en waaromheen jongens cirkelen op scooters waarvan het voorwiel niet altijd gebruikt wordt.

Dan is er de plek waar alle bussen, ongeacht hun bestemming, samenkomen voor vertrek – daar waar we elkaars richting van een display lezen.

 

 

 

Ooijpolder bij Nijmegen

 

 

II

Dan is er nog die stad waar fietsen op de stoep gestapeld staan, waar studentenkamers stof vangen. Aluminiumfolie, geplooid langs pitjes van gasfornuizen, kan niet voorkomen dat keukens waar meer dan zeven man koken, plakkerig worden. Ook de aardappels zijn hier al dente en alles smaakt een beetje naar de afwas van gisteren.

Er zijn lange straten vol huizen die naar oud hout ruiken. Een nieuwe vloerbedekking wordt zorgvuldig aan de vormen van een antieke trap aangepast. Er komt een laklaag op de leuning. Er staan daar watercoolers, espressomachines en in de koelkasten: enkel melk en broodbeleg. De gangen zijn breder en de plafonds hoger, daar waar we alleen op afspraak naar binnen gaan.

Dan zijn er nog de tuinen waar de partytenten bijna jaarrond achter de deur staan, al is het maar zodat de frietpan droog blijft. Er is een aparte koelkast voor het bier. Alleen op oudejaarsavond wordt de tent voor een week ingeklapt.


 

Bussen bij Centraal Station Nijmegen

 

 

 

 

III

Dan is er nog de stad waar de Italiaan bij de Turk zijn inkopen doet. Waar goed volk elkaar gedag zegt. Waar de buurtwinkel nog bestaansrecht heeft.

Er staan hier genoeg bomen, alsof we ze verzamelen. De waarheid is: we vinden het leuk om naar dingen te kijken. Eén keer per jaar trekken we meubels naar buiten, al was het maar om elkaar te zien lachen en de bezoekers te begroeten.

 

 


Waalkade, Nijmegen


 

Waar ‘s zomers de kampvuren op het strand de boten de weg naar de kade wijzen.

Meer dan dat is het de stad die als een decor achter de Waal staat gestapeld. Waar we niet terugkomen naar de mensen, maar naar de verhalen die er wonen.

Het is de stad die ik elke dag dwars door het centrum verlaat en van een afstand welterusten wens.

 

 

 

Dennis Gaens (Susteren, 1982)

 

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 25e augustus ook mijn blog van 25 augustus 2012 deel 1 en eveneens deel 2.

20:40 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: dolce far niente, dennis gaens, romenu |  Facebook |

24-08-12

Dolce far niente (Bergen, Adriaan Roland Holst)

 

Dolce far niente

 

 

 

Een Winteravondval

 

Gouden stille kusten en de zee nog blauw,

en de blijde vele golven, die er spelen,

en die witte vlucht van vooglen - o, de vele

meeuwen zwevend door de zuiverende kou,

 

zwermend als een bui, als een gevleugeld sneeuwen,

en hun kreten af en aan over mijn hoofd;

heb ik ooit wel in een ander lied geloofd

hier op aard dan de verloren kreet der meeuwen?

 

En zij zwenken en verdwijnen, en het is

nu weer stiller, en het gouden uur wordt later,

en ik loop verloren verder langs het water

van der eeuwen eenzame geheimenis.

 

En de kust wordt grijzer, en de schemeringen

komen nu, en ook de groote zee wordt grijs,

en de golven zingen - o, de vreemde wijs

van die andre wereld, die de golven zingen -

 

En zij zingen nader en mijn hart bevangt

een onmetelijk vervreemden uit dit leven,

en ik loop als in een bijna overzweven

naar dat rijk, waarheen ik altijd heb verlangd.

 

 

Bergen aan Zee, duinen

 

 

Spiegelende ligt het uit de zee verschenen

ver en in het westen en den dood voorbij -

die daar leven zingen, en zij roepen mij,

maar de zee, zij zingt en glinstert om hen henen.

 

Eeuwig eiland - o, der zaligen domein,

waarheen onder zeilen hunner laatste droomen

slechts de stervende vervoerden overkomen -

waar de menschen eenzamer en schooner zijn.

 

En ik weet niet, is het heimwee of verlangen,

een herinnering of al een voorgevoel?

Houdt het leven met een ongeweten doel

mij, bevlogene, hier hunkerend gevangen?

 

O, waarom dan die herinnering, waarom

geen geheel onterven en een niet meer weten?

Wat kan ik hier doen? Als ik niet kan vergeten

waar ik eenmaal leefde ga ik dolend om,

 

om, zonder een dak, zonder een doel, geboren

aan de droeve zijde van den vreemden dood,

en ik werp mij uit der menschen oude nood

altijd weer in mijnen droom terugverloren....

 

 

Bergen aan Zee, strand

 

 

Toen.... een antwoord toch?....neen, een voorbijgaand mensch

en zijn vluchtig avondgroeten langs mij henen;

'k zag hem na tot hij in donker was verdwenen,

toch misschien zijn broeder aan der wereld grens?

 

't Was een visscher uit het oude dorp, daarginter

waar de duinen lager worden, en hij ging

bukkend onder wrakhout door de schemering,

denkend aan de lange nooden van den winter.

 

En ik ga hem na, maar langzamer dan hij,

bukkend onder leed, dat ik had moeten lijden -

o, verzuimde smart - o, wroeging, waar de tijden

nu geen redding meer uit geven, en de zee

 

 

…de “lage herberg” Het Huis met de Pilaren in Bergen…

 

 

 

zingt, maar lokt niet meer, en ik blijf aangewezen

op dit klein bestek van weedom en berouw,

en de winteravond valt, en door de kou

wankel ik - en toch, ik voel, er is genezen

 

in rampzaligheid, en, huivrend, weet ik weer

hoe het heimwee, dat deze aarde houdt bevlogen,

mij - waarom dan ook - het zingende vermogen

schonk, en verder valt er niet te vragen, en ik keer

 

tot het oud gehucht, dat daar ligt weggedoken,

minder eenzaam toch, en zie, daar op het duin

in de lage herberg waar de visschers zijn

wordt de lamp nu voor den avond opgestoken.

 

 

 

Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 - 5 augustus 1976)

Standbeeld door Marie Andriesse in Bergen

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 24e augustus ook mijn blog van 24 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

23-08-12

Dolce far niente (Amsterdam, J. C. Bloem)

 

Dolce far niente

 

 

 

 

De Dapperstraat

 

 

 

De Dapperstraat

 

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

 

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

 

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

 

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

 

 

 

 

J. C. Bloem (10 mei 1887 - 10 augustus 1966)




Zie voor de schrijvers van de 23e augustus ook mijn blog van 23 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

20:57 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: dolce far niente, j. c. bloem, romenu |  Facebook |