19-11-13

Karel van den Oever

 

De Vlaamse dichter, essayist en toneelschrijver Karel van den Oever werd geboren in Antwerpen op 19 november 1879. Hij stamde uit een Friese koopmansfamilie die zich in 1842 in Antwerpen had gevestigd. Hij was van 1905 tot 1912 redactiesecretaris van het door hem en Jozef Muls opgerichte literaire tijdschrift “Vlaamsche Arbeid” (1905-1930), waarin Jan van Nijlen de kroniek "Verhalend proza en toneel" verzorgde. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtte Van den Oever naar Nederland en verbleef hij in Den Haag en Baarn. Na de oorlog, weer terug in Antwerpen, ging hij over tot het humanitair expressionisme. Hij was tevens overtuigd flamingant en katholiek. Terugkerende thema's die in zijn poëzie en proza tot uitdrukking komen, zijn dan ook God, de dood en zonde. Van den Oever is vooral bekend door zijn gedicht Dinska Bronska. Dit is evenals de meeste van zijn gedichten concreet beschrijvend van stijl. Karel Van den Oever werkte mee aan verscheidene tijdschriften en dagbladen zoals "Dietsche Warande en Belfort"

 

Dinska Bronska

Uit een oud dorp,
- kameelbruin als de steppe -
uit Plocka,
kwam Dinska Bronska.
Haar hoofddoek was pruisisch-blauw
en haar haar vlas-geel;
ook waren haar ogen blauw
als fjord-water.
Zij rook naar knoflook en spar,
zij droeg laarzen
en ging zeer zwaar en gauw.
In het "Hotel Lapland" zat zij
bij een tafel aan het straat-raam
zij schreef 'n brief.
Een haarlok viel laag op haar rode kaak
en zij stak haar tong uit,
want ze schreef moeilijk die brief
en daaronder "Dinska Bronska", haar naam.
Ze stak ook de penstok in haar mond
en zocht met haar ogen langs het plafond.
Op het papier waren 'n inktvlek
en groot gestompel van letters:
zij kocht het voor tien centiem
in de kruidenierszaak
over het hotel.
Er was 'n beetje inkt aan heur kaak.

O, Dinska Bronska;
gij vertrekt naar Canada:
de verroeste stoomboot wacht langs de kaai.
Gij laast op een almanak
der "Red Star Line"
dat Canada grotere appels,
o, hoger en geler koren heeft dan Plocka.
Het moet in Canada veel beter zijn!

O, Dinska Bronska,
met je zeer dikke vingers:
je schrijft zo moeilijk die brief.
Je ogen zoeken vliegen op het plafond.
"Moj Boze!"
Er zit 'n tranen-veeg,
o zo verdrietig,
van je blauwe ogen naar je mond.

O, Dinska Bronska!

 

 
Karel van den Oever (19 november 1879 – 6 oktober 1926)

18:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: karel van den oever, romenu |  Facebook |

Scott Cairns

 

De Amerikaanse dichter, librettist en essayist Scott Cairns werd geboren op 19 november 1954 in Tacoma, Washington. Cairns behaalde zijn Bachelor of Arts aan de Western Washington University (1977), een Master of Arts aan Hollins University (1979), een Master of Fine Arts aan Bowling Green State University (1981) en een PhD aan de Universiteit van Utah (1990). Momenteel doceert hij Engels aan de Universiteit van Missouri en geeft hij jaarlijks gedurende 4 weken in juni workshops schrijven in Griekenland, Op Cairns naam staan zeven dichtbundels, een verzameling van de vertalingen van de christelijke mystici, spirituele memoires, een groot essay over het lijden, en ook is hij co-editor van The Sacred Place (met Scott Olsen), een bloemlezing van poëzie, fictie en non-fictie. Deze won de inaugurele National Outdoor Book Award (Outdoor Literatuur categorie) in 1997. Hij schreef het libretto voor " The Martyrdom of Saint Polycarp,", een oratorium gecomponeerd door JAC Redford, en het libretto voor "A Melancholy Beauty ', een oratorium gecomponeerd door Georgi Andreev. Cairns's gedichten zijn verschenen in tijdschriften zoals The Atlantic Monthly, The Paris Review, The New Republic, Image, and Poetry en in diverse bloemlezingen.

 

Idiot Psalms

1  
       A psalm of Isaak, accompanied by Jew's harp.

O God Belovéd if obliquely so,
                     dimly apprehended in the midst
                     of this, the fraught obscuring fog  
                     of my insufficiently capacious ken,  
                     Ostensible Lover of our kind—while
                     apparently aloof—allow
                     that I might glimpse once more
                     Your shadow in the land, avail
                     for me, a second time, the sense
                     of dire Presence in the pulsing
                     hollow near the heart.  
Once more, O Lord, from Your enormity incline
                     your Face to shine upon Your servant, shy
                     of immolation, if You will.

 

2  
       A psalm of Isaak, accompanied by baying hounds.

O Shaper of varicolored clay and cellulose, O Keeper
                     of same, O Subtle Tweaker, Agent
                     of energies both appalling and unobserved,  
                     do not allow Your servant's limbs to stiffen
                     or to ossify unduly, do not compel Your servant  
                     to go brittle, neither cramping at the heart,  
                     nor narrowing his affective sympathies
                     neither of the flesh nor of the alleged soul.
Keep me sufficiently limber that I might continue
                     to enjoy my morning run among the lilies  
                     and the rowdy waterfowl, that I might
                     delight in this and every evening's intercourse  
                     with the woman you have set beside me.
Make me to awaken daily with a willingness
                     to roll out readily, accompanied
                     by grateful smirk, a giddy joy,  
                     the idiot's undying expectation,  
                     despite the evidence.

 

 

 
Scott Cairns (Tacoma, 19 november 1954)

18:30 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: scott cairns, romenu |  Facebook |

18-11-13

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

 

Uit: Vals licht

 

“Uiteindelijk, toen zij dagenlang in de onderwaterkamer vertoefden, loste alles zich vanzelf op door de ontdekking van een gedeelde voorliefde: kinderspel. Niets wekte zoveel vertrouwen als een gezamenlijke verjonging, tot op het kleuterachtige af. Steeds vaker spraken zij elkaar liefkozend toe in een nagebootste kindertaal, gevat in poezelige verkleinwoorden en brokstukken van zinnen. Zij speelden Klein Arcadië. Schmierend en toegewijd blonk Lizzie uit in pruilende vragen om aandacht, koket geloken ogen en in falset geslaakt gekir. Zij werd Shirley Temple aan de Sarphatistraat, met af en toe een halve stap naar volwassenheid als híj het was die kleuter werd en zij zijn gezicht opmaakte met de indianenkleuren die hij van haar kende en hem kleedde in haar witkanten ondergoed dat hem om het lichaam spande. Voor in bad kochten zij drijvende speeltjes in Mondriaan-kleuren en weekten uren in het dampend water, wolkend badschuim tot onder hun kin. Daarna spreidde zij de Charlie Brown-handdoek uit op de grond en zaten zij tegenover elkaar, twee jongbedorven cherubijnen, Simon in kleermakerszit en Lizzie in schoolmeisjeshouding met opgetrokken knieën en haar handen om de enkels geklemd. Haar bruine haar hing in natte, dikke slierten langs haar wangen. Ernstig telde zij zijn ribben terwijl zij elkaar afdroogden. Geregeld slaakten zij hun kinderlach en toonden al te valse grimasjes van achtjarigen. Zo, tegenover elkaar, sloegen zij elkaar gade, keurend enafwachtend, want hun ogen deden niet meer mee met hun zelfverzonnen baltsgedrag voor baby's.

Zij streefden geen perfectie van hun spel na. Alleen hun opzichtige valsheid was geavanceerd; juist hierin school de onweerstaanbaarheid. Hun kinderkitsch was betoverend obsceen. In geen peeskamer had Simon zich ooit in een rollenspel verloren: daar had het keurslijf van rituelen hem wel van weerhouden. Nu, onder haar ogen, diende hun acteren om met souplesse de wederzijdse weerloosheid te vergroten.”

 

 

 

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

Lees meer...

Joost Oomen

 

De Nederlandse dichter Joost Oomen werd geboren in De Bilt op 18 november 1980. Hij groeide op in Ysbrechtum. Hij bezocht het Bogerman (christelijke school voor vmbo, havo en vwo) te Sneek. Oomen behaalde het bachelor Nederlandse taal & cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij schreef een scriptie over “De Dichters uit Epibreren” en brak daarna zijn studie af. In het studiejaar 2010-2011 was hij huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen. In januari 2013 werd hij voor twee jaar benoemd tot zesde stadsdichter van Groningen. Zijn werk verscheen in diverse bloemlezingen.

 

In deze sloep van staal

In deze sloep van staal
zal ik je leren bomen
en je ogen vervangen door de poorten van mijn boot
 
Jij leert mij dan diezelfde middag
hoe het is om naakt te zwemmen
hoe het is om te horen als er op volle zee
een potvis eet
 
Kijk zei ik dan
je steekt de staak hier door
de borstkas van de golven
en door naar achter te lopen
duw je het waterlichaam weg
 
Kijk zei jij dan je
legt je oor op het water
zoals een indiaan dat met een spoorrails zou doen
Als je goed luistert
hoor je alles wat er in de zee gebeurt
 
‘s Avonds
toen de zon als een iglo op de horizon begon te smelten
zakt het ijzer van de boot als een pudding door het water
Het laatste licht zwemt koeltjes langs de zee.

 

 

 
Joost Oomen (De Bilt, 18 november 1980)

18:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: joost oomen, romenu |  Facebook |

In Memoriam Doris Lessing

 

In Memoriam Doris Lessing

 

De Britse schrijfster en Nobelprijswinnares Doris Lessing is gisteren overleden. Ze was 94 jaar. Doris Lessing werd geboren in Kermanshah, Perzië op 22 oktober 1919. Zie ook mijn blog van 22 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Doris Lessing op dit blog.

 

Uit: Walking In the Shade

 

“I was also having those thoughts--perhaps better say feelings--that disturb every arrival from Southern Africa who has not before seen white men unloading a ship, doing heavy manual labour, for this had been what black people did. A lot of white people, seeing whites work like blacks, had felt uneasy and threatened; for me, it was not so simple. Here they were, the workers, the working class, and at that time I believed that the logic of history would make it inevitable they should inherit the earth. They--those tough, muscled labouring men down there--and, of course, people like me, were the vanguard of the working class. I am not writing this down to ridicule it. That would be dishonest. Millions, if not billions, of people were thinking like that, using this language.

I have far too much material for this second volume. Nothing can be more tedious than a book of memoirs millions of words long. A little book called In Pursuit of the English, written when I was still close to that time, will add depth and detail to those first months in London. At once, problems--literary problems. What I say in it is true enough. A couple of characters were changed for libel reasons and would have to be now. But there is no doubt that while 'true', the book is not as true as what I would write now. It is a question of tone, and that is no simple matter. That little book is more like a novel; it has the shape and the pace of one. It is too well shaped for life. In one thing at least it is accurate: when I was newly in London I was returned to a child's way of seeing and feeling, every person, building, bus, street, striking my senses with the shocking immediacy of a child's life, everything oversized, very bright, very dark, smelly, noisy. I do not experience London like that now. That was a city of Dickensian exaggeration. I am not saying I saw London through a veil of Dickens, but rather that I was sharing the grotesque vision of Dickens, on the verge of the surreal.”

 

 

 

Doris Lessing (22 oktober 1919 – 17 november 2013)

17-11-13

Rebecca Walker, Joost van den Vondel, Auberon Waugh, Christopher Paolini, Dahlia Ravikovitch, Max Barthel, Pierre Véry

 

De Amerikaanse schrijfster, uitgeefster en politiek activiste Rebecca Walker werd geboren op 17 november 1969 in Jackson, Mississippi. Zie ook alle tags voor Rebecca Walker op dit blog.

 

Uit: Baby Love

 

“And then I had what could only be the first twinges of the maternal instinct. Healthy and robust? A huge smile spread across my face. That's my baby! And then it was as if the synapses in my brain sending exploratory signals to my uterus finally made contact. Aye, mate, is it a go down there? Yes, yes, Captain, we're full steam ahead!

I was convinced that getting off the phone would exponentially increase my chances of reverting to not-pregnant, but I released Becky anyway and stumbled over to the bathroom, where Glen, my life partner and father of our soon-to-be-born baby, was shaving. I looked into his eyes and tried to keep myself from screaming and jumping up and down. We did it, I said. He grinned. Well, I guess that puts the whole motility question to rest. And I said, I guess it does. Then I wrapped my arms around him and buried my face in his chest, and he wrapped his arms around me and rested his chin on the top of my head.

I was in ecstatic bliss for about ninety seconds, and then it hit me: an avalanche of dread that took my breath away. Pregnant? A baby? What have I done? I looked at Glen. He was going through his own reality check, which brought me even closer to the brink of total hysteria. But then, before I could burst into tears and run screaming out of the room, he pulled me into his arms. You are going to be a fantastic mother, he said to me, to my fear. His love overwhelmed me, and I started to cry big, wet tears onto his favorite black shirt.

We're going to have a baby.”

 

 


Rebecca Walker (Jackson, 17 november 1969)

Lees meer...

16-11-13

José Saramago, Craig Arnold, Anton Koolhaas, Renate Rubinstein, Danny Wallace

 

De Portugese schrijver José Saramago werd geboren op 16 november 1922 in het dorpje Azinhaga in de provincie Ribatejo. Zie ook alle tags voor José Saramago op dit blog.

 

Uit: Baltasar and Blimunda (Vertaald door Giovanni Pontiero)

 

“They were not afraid, they were simply astounded at their own daring. The priest laughed and shouted. He had already abandoned the safety of the handrail and was running back and forth across the deck of the machine in order to catch a glimpse of the land below, north, south, east, and west, the earth looked so vast, now that they were so far away from it, Baltasar and Blimunda finally scrambled to their feet, nervously holding on to the cords, then to the handrail, dazed by the light and the wind, suddenly no longer frightened, Ah, and Baltasar shouted, We've done it, he embraced Blimunda and burst into tears, he was like a lost child, this soldier who had been to war, who had killed a man in Pegões with his spike, and was now weeping for joy as he clung to Blimunda, who kissed his dirty face. The priest came up to them and joined in their embrace, suddenly perturbed by the analogy the Italian had drawn when he had suggested that the priest himself was God, Baltasar his son, and Blimunda the holy ghost, and now all three of them were up there in the skies together, There is only one God, he shouted, but the wind snatched the words from his mouth. Then Blimunda said, Unless we open the sail, we shall go on climbing, and we might even collide with the sun.”
We never ask ourselves whether there might not be some wisdom in madness, even while recognising that we are all a little mad. These are ways of keeping firmly on this side of madness, and just imagine, what would happen if madmen demanded to be treated as if they were equals with the sane, who are only a little mad, on the pretext that they themselves still possess a little wisdom, so as to safeguard, for example, their own existence like Padre Bartolomeu Lourenço, If we were to open the sail abruptly, we should fall to the ground like a stone, and it is he who is manoeuvring the rope and adjusting the slack so that the sail opens gradually, casting its shadow on the balls of amber and causing the machine to slow down, who would ever have thought that it would be so easy to fly, now we can go in search of new Indies.”

 

 

 

José Saramago (16 november 1922 - 18 juni 2010)

 

Lees meer...

Chinua Achebe, Hugo Dittberner, Andrea Barrett, Henri Charrière, Jónas Hallgrímsson, Max Zimmering, Birgitta Arens

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver Chinua Achebe werd geboren op 16 november 1930 in Ogidi. Zie ook alle tags voor Chinua Achebe op dit blog.

 

 

1966

absentminded
our thoughtless days
sat at dire controls
and played indolently
slowly downward in remote
subterranean shaft
a diamond-tipped
drill point crept closer
to residual chaos to
rare artesian hatred
that once squirted warm
blood in God's face
confirming His first
disappointment in Eden

 

 

 

The First Shot

That lone rifle-shot anonymous
in the dark striding chest-high
through a nervous suburb at the break
of our season of thunders will yet
steep its flight and lodge
more firmly than the greater noises
ahead in the forehead of memory.

 

 

 

Vertaald door Ifeanyi Menkiti

 

 

 

 

Chinua Achebe (Ogidi, 16 november 1930)

Lees meer...

15-11-13

Jan Telouw, Wolf Biermann, J. G. Ballard, Gerhart Hauptmann, Lucien Rebatet

 

De Nederlandse schrijver, fysicus en voormalig politicus voor Democraten 66 Jan Terlouw werd geboren in Kamperveen op 15 november 1931. Zie ook alle tags voor Jan Terlouw op dit blog.

 

Uit: De koning van Katoren
 

'Eindelijk, na weken, als blijkt dat ze het toch niet eens worden, besluiten ze te loten. Ze bellen om Gervaas. ‘Breng een dobbelsteen,’beveelt minister de Seer. Gervaas, die voelt dat het om Stach gaat, brengt bezorgd een dobbelsteen in een leren beker. ‘Een een of een twee is zijn hoofd er af,’zegt de Seer. ‘Drie of vier is verbanning. Vijf of zes is opdrachten. Gervaas, werp de dobbelsteen!’ Bevend schudt de oude man de steen in het bekertje. Dan zet hij de beker omgekeerd op tafel. Het ontbreekt hem aan moed hem op te lichten. Het duurt minister Pardoes allemaal veel te lang. Driftig licht hij de beker op. ‘Een zes,’zegt hij. ‘Dat betekent dat de jongen zijn zeven opdrachten krijgt.’

(…)

 

“Daar zit hij. De stenen zijn hard en koud, maar wie zou daar op letten? Even nog blijft het doodstil, alsof de mensen niet kunnen geloven dat hij rustig in leven blijft. Dan maakt hij een lange neus tegen de ministers en een oorverdovend gejuich breekt los. Vijfhonderd maal zwaaien de mensen hun armen omhoog en roepen hoera, nadat de burgemeester van Decibel heeft geschreeuwd: ‘’LEVE DE KONING VAN KATOREN!” Bij de tweehonderdste maal beginnen de lippen van minister Broeder zachtjes mee te trillen. Bij de tweehonderdvijftigste maal gaat een arm van minister Pardoes voorzichtig meedoen. Bij de driehonderdste maal staat geen van de ministers meer helemaal stil en klinkt er een soort ondergronds gebrom uit hun gelederen. Bij de driehondervijftigste maal komen hun handen al ter hoogte van hun oren en de laatste honderd maal hoerahen ze mee, net als gewonen Katorenen.”

 

 

 

Jan Terlouw (Kamperveen, 15 november 1931)

 

Lees meer...

Clemens J. Setz


De Oostenrijkse schrijver en vertaler Clemens J. Setz werd geboren op 15 november 1982 in Graz, waar hij nog steeds woont . In 2001 begon hij met een opleiding voor docent wiskunde en Duits aan de Karl-Franzens Universiteit in Graz. Naast de studie werkte hij als vertaler en publiceerde hij gedichten en korte verhalen in tijdschriften en bloemlezingen. Zijn debuutroman “Söhne und Planeten”, gepubliceerd in 2007 haalde de shortlist van de aspekte-literatuurprijs. In 2008 werd hij uitgenodigd voor de Ingeborg Bachmann-prijs, en won hij de Ernst-Willner-Prijs met de novelle “Die Waage” . In 2009 werd zijn tweede roman “Die Frequenzen” voor de Deutsche Buchpreis genomineerd (Short List) . Voor zijn verhalenbundel “Die Liebe zur Zeit des Mahlstädter Kindes” ontving hij in 2011 de Prijs van de Leipziger Buchmesse voor fictie. Vanaf 2011 schreef hij voor het literaire tijdschrift Volltext de serie “Nicht mehr lieferbar” overniet meer leverbare werken van grote schrijvers. Zijn in 2012 gepubliceerde roman “Indigo” kwam op de shortlist voor de Deutsche Buchpreis.

Uit: Indigo

„Es klang, als artikulierten sie durch ein Megaphon, das einen etwas zu langen Nachhall erzeugte. (Wenig später sah ich im Speisesaal des Instituts einen Schüler, der tatsächlich ein kleines hellblaues Megaphon an einem schwarzen Lederband um den Hals trug.)
Nachdem der Junge weitergegangen war, klingelte es erneut, und ein weiteres Kind tauchte auf.
Die kommen nacheinander heraus?
Es gibt eine Reihenfolge, sagte Dr.Rudolph. Eine Reihenfolge...Er schien nicht ganz bei der Sache.
Robert hat komisch ausgesehen, sagte er. Haben Sie sein Auge bemerkt?
Ja, sagte er nachdenklich. Blöde Geschichte, wenn das wieder...
Wissen Sie was, ich werde kurz... nur einen Augenblick, ja?
Er holte sein Handy aus der Tasche und rief jemanden an. Da er sich einige Schritte von mir entfernte, konnte ich nicht verstehen, was er sagte. Ich stand allein auf meinem Flecken Erde und rührte mich nicht. Wie eine Schachfigur, die darauf wartet, weitergeschoben zu werden. Von allein käme sie nie auf die Idee, ihr Feld zu verlassen.
Der Speisesaal war ein auffallend niedriger, aber großer Raum.
In ihm standen lange Tischreihen, die alle paar Meter von einem Stuhl ergänzt wurden. Man konnte die Stühle wie Lautstärkeregler an den Tischen entlangschieben.
Als der Direktor und ich eintraten, drehten sich einige Köpfe nach uns um. Dr. Rudolph ging zu einem an die Wand gerückten Pult und betätigte den Schalter an einer Gegensprechanlage.
Mahlzeit, meine Herrschaften!, kam es aus den Lautsprechern, die in jeder Ecke des Raumes hingen.“

 

 
Clemens J. Setz (Graz, 15 november 1982)

19:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: clemens j. setz, romenu |  Facebook |

14-11-13

Astrid Lindgren, Jonathan van het Reve, Norbert Krapf, René de Clercq, Chloe Aridjis

 

De Zweedse schrijfster Astrid Lindgren werd als Astrid Ericsson geboren op 14 november 1907 en groeide op op de boerderij Näs in Vimmerby in Småland. Zie ook alle tags voor Astrid Lindgren op dit blog.

 

Uit: Pippi Langstrumpf (Vertaald door Cäcilie Heinig)

 

"Meine Mama ist ein Engel, und mein Papa ist ein Südseekönig. Es gibt wahrhaftig nicht viele Kinder, die so feine Eltern haben!", pflegte Pippi sehr stolz zu sagen. "Und wenn mein Papa sich nur ein Schiff bauen kann, dann kommt er und holt mich, und dann werde ich eine Südseeprinzessin. Hei hopp, was wird das für ein Leben!" Ihr Papa hatte dieses alte Haus, das in dem Garten stand, vor vielen Jahren gekauft. Er hatte gedacht, dass er dort mit Pippi wohnen würde, wenn er alt war und nicht mehr über die Meere segeln konnte.

Aber dann passierte ja das Schreckliche, dass er ins Meer geweht wurde, und während Pippi darauf wartete, dass er zurückkam, begab sie sich geradewegs nach Hause in die Villa Kunterbunt. So hieß dieses Haus. Es stand möbliert und fertig da und wartete auf sie. An einem schönen Sommerabend hatte sie allen Matrosen auf dem Schiff ihres Papas Lebewohl gesagt. Sie hatten Pippi sehr gern und Pippi hatte sie auch gern.

"Lebt wohl, Jungs", sagte Pippi und gab allen der Reihe nach einen Kuss auf die Stirn. "Habt keine Angst um mich. Ich komm immer zurecht."

Zwei Dinge nahm sie vom Schiff mit. Einen kleinen Affen, der Herr Nilsson hieß, und einen großen Handkoffer, voll mit Goldstücken, den hatte sie von ihrem Papa bekommen. Die Matrosen standen an der Reling und schauten Pippi nach, solange sie sie sehen konnten. Sie ging mit festen Schritten davon, ohne sich umzudrehen, mit Herrn Nilsson auf der Schulter und dem Koffer in der Hand.
"Ein merkwürdiges Kind", sagte einer der Matrosen und wischte sich eine Träne aus dem Auge, als Pippi in der Ferne verschwunden war.“

 

 


Astrid Lindgren (14 november 1907 - 28 januari 2002)

Hier met Inger Nilsson als Pippi Langkous

Lees meer...

Peter Orner

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Amerikaanse schrijver Peter Orner werd in 1968 in Chicago geboren. Hij studeerde af aan de Universiteit van Michigan in 1990 en verwierf later een graad in de rechten van de Northeastern University en een MFA van de Iowa Writer's Workshop..Zijn oudere broer is Eric Orner, de maker van de strip The Mostly Unfabulous Social Life of Ethan Green. Orner heeft lange tijd gewerkt in Kamp Nebagamon, een overnachtingskamp in het noorden van Wisconsin , waar hij o.a. adviseur en reisleider was. Hij heeft ook gewerkt als waarnemer mensenrechten in Chiapas, Mexico, als taxichauffeur in Iowa. Orners verhalen en essays zijn verschenen in de Atlantic Monthly, The New York Times, The San Francisco Chronicle, The Paris Review en elders. Hij won twee keer won de Pushcart Prize. Orner kreeg een Guggenheim Fellowship (2006), evenals het 2 jaar durende Lannan Foundation Literary Fellowship (2007-2008). Een van Orner 's verhalen, "The Raft" werd verfilmd. In 2001 verscheen de bundel “Esther Stories”, waarvoor hij o.a. de Prize from the American Academy of Arts and Letters ontving. In 2006 publiceerde hij zijn roman “The Second Coming of Mavala Shikongo”, een roman die speelt in Namibië, waar Orner in de jaren negentig werkte. In 2011 volgde “Love and Shame and Love”, winnaar van de California Book Award. In 2013 verscheen een nieuwe bundel verhalen “Last Car Over the Sagamore Bridge”. Orner is professor Creative Writing aan de San Francisco State University en heeft gedoceerd aan de Writers ' Workshop van de Universiteit van Iowa, The Warren Wilson MFA Program van de University of Montana, Washington University, de Universiteit van Miami, Bard College en de Karelsuniversiteit in Praag.

Uit: The Second Coming of Mavala Shikongo

“The Volunteer

A brother from the diocese drove me out there from Windhoek. His name was Brother Hermanahildis. He was a silent man with a bald, sunburned head. The single thing he said to me in four hours was “I am not a Boer, I am pure Dutch. I was born in The Hague.” He drove like a lunatic. I watched the veld wing by, and the towns that were so far between. Brakwater, Okahandja, Wilhelmstal. Brother Hermanahildis seemed to be suffering from an excruciating toothache. At times he took both hands off the wheel and pulled on his face. I was relieved when we reached Karibib and he turned onto a gravel road heading south. Eventually, he let me off at a wind-battered tin sign—farm goas—and told me to follow the road, that the mission was just beyond the second ridge. When you get there, Brother Hermanahildis said, go and see the Father directly.
Ta-ta. With a suitcase in each hand, one backpack on my back, another on my stomach, I followed the road, a rock-strewn double-track across the veld. There were a number of ridges. I looked for one that might be considered a second one. The short rocky hills made it impossible to see what was ahead on the road, although in the distance I could see a cluster of smallish mountains rising. A few crooked, bony trees here and there. Strawlike grass grew like stubble up out of the gravel. Somehow I thought a purer desert might have been more comforting. Where were the perfect rippled dunes? Where was the startling arid beauty? These plants looked like they’d rather be dead. I listened to the crunch of my own feet as I shuffled up and over ridges. There was no second ridge. There would never be a second ridge.
An hour or so later, sweat-soaked, miserable, I stood, weighted and wobbly, and looked down on a place where the land swooped into a kind of valley, a flat stretch of sand and gravel. There was a group of low-slung buildings painted a loud, happy yellow.
There was a hill with a tall white cross on top. Hallelujah! As best I could I bumbled down the road until I reached a cattle gate made from bedsprings lashed to a post. The gate was latched closed by a complicated twist of wire. As I struggled with the wire, a rotund man in a khaki suit moved slowly but inevitably down the road toward me, as if being towed by his own stomach. When he reached the other side of the gate he stopped. He faced me for a moment before he spoke much louder than he needed to. “Howdy.”

 

 
Peter Orner (Chicago, 1968)

17:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: peter orner, romenu |  Facebook |

13-11-13

José Carlos Somoza, Inez van Dullemen, Timo Berger, Hadjar Benmiloud, Nico Scheepmaker, Robert Louis Stevenson

 

De Spaanse schrijver José Carlos Somoza werd geboren in Havana, Cuba op 13 november 1959. Zie ook alle tags voor José Carlos Somoza op dit blog.

 

Uit: Zig Zag (Vertaald door Lisa Dillman)

 

„And that was what was so strange.

People thought she was too perfect. Too intelligent and too worthy to be working in a mediocre physics department at a business-oriented university like Alighieri, where no one truly cared about physics. Her colleagues were sure that she could have had her pick of careers: a post at the Spanish National Research Council, a tenured professorship at a public university, or some important role at a prestigious center abroad. Elisa was wasted at Alighieri. Then, too, no theory (and physicists love theories) adequately explained why, at thirty-two, almost thirty-three (her birthday was in April, just a month away), Elisa was unattached, had no close friends, and yet seemed perfectly happy. She appeared to have all she wanted in life. No one knew of any boyfriends (or girlfriends), and her friendships were limited to colleagues with whom she rarely if ever spent free time. She wasn't conceited or even arrogant despite her obvious good looks. And although she accentuated her attractiveness by wearing a whole range of perfectly tailored designer clothes that often made her look downright provocative, she never seemed to be trying to hard to attract the attention of men (who often turned to gawk when she passed) with the clothes she wore. Elisa spoke only about her profession, was courteous, and always smiled. The Elisa Mystery was unfathomable.

Occasionally, she seemed unsettled. It was nothing concrete: maybe a look, or a momentary dullness in her brown eyes, or just a feeling she gave people after a quick conversation. As though she was hiding something. Those who thought they knew her-Noriega, the department chair, among others-thought it was probably best that she never reveal her secret. For whatever reason, some people, regardless of how insignificant their role in others' lives, or how few close moments they've shared, are unforgettable. Elisa Robledo was one of them, and people wanted it to stay that way.”

 

 

 

José Carlos Somoza (Havana, 13 november 1959)

Lees meer...

12-11-13

Daniël Dee, Johnny van Doorn, Cristina Peri Rossi, Naomi Wolf, Juana Inés de la Cruz

 

De Nederlandse dichter Daniël Dee werd geboren op 12 november 1975 in Empangeni, Zuid-Afrika. Zie ook mijn blog van 12 november 2010 en eveneens alle tags voor Daniël Dee op dit blog.

 

 

A day in the life

 

pas op dat je niet zonder komt te zitten

ooit daar aan gedacht

straks gaan de dagen weder lengen

de lente komt van ver op blote voetjes

om hier uiteindelijk te heersen

in al haar heerlijkheid elke dag

en elke dag wordt tot op de minuut

voor onze burgemeester

gedicteerd door de agenda

het heilige boek van de 21ste eeuw

het heilige moeten is ingekapseld

in een lappendeken van regelingen

de ambtsketen verleent hem

zijn krachten of is het juist andersom

sommige mechaniek blijft vertrouwelijk

gevraagd aan de burgemeester

waar hij een tientje aan zou uitgeven

antwoordt hij zonder nadenken

één euro is voor het onderwijs

twee voor het onderwijs

drie voor het onderwijs

en daarna zien we pas verder

het rode lichtje van de microfoon brandt

het aantal minuten spreektijd wordt in het groen

op een beeldscherm weergegeven

politici komen en gaan

als pop-ups op je pc hun retoriek

hol als een chocoladen paashaas

de burgemeester blijft en pareert

in de raadszaal de kritiek

met feiten die achter hem staan

tot zover het verbale geweld

hard als inktpotten

want nu is het genoeg

inktpotten werpt men slechts

in de raadszaal

 

 

 

 

Daniël Dee (Empangeni, 12 november 1975)

Lees meer...